ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.106.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 106

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
18 april 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 325/2012 van de Raad van 12 april 2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op oxaalzuur van oorsprong uit India en de Volksrepubliek China

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 326/2012 van de Commissie van 17 april 2012 inzake de verdeling tussen leveringen en rechtstreekse verkoop van de nationale melkquota die voor 2011/2012 zijn vastgesteld in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad

11

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 327/2012 van de Commissie van 17 april 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1291/2009 wat betreft de drempelwaarde van de economische omvang en het aantal bedrijven met boekhouding in Slowakije

13

 

*

Verordening (EU) nr. 328/2012 van de Commissie van 17 april 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 62/2006 betreffende de technische specificaties voor interoperabiliteit inzake het subsysteem Telematicatoepassingen voor goederenvervoer van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem ( 1 )

14

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 329/2012 van de Commissie van 17 april 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

20

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/197/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 april 2012 tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijsten van grensinspectieposten en veterinaire eenheden in Traces (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 2377)  ( 1 )

22

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2012/198/EU

 

*

Besluit nr. 1/2012 van de Associatieraad EU-Tunesië van 20 februari 2012 tot wijziging van artikel 15, lid 7, van Protocol nr. 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking

28

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 325/2012 VAN DE RAAD

van 12 april 2012

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op oxaalzuur van oorsprong uit India en de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie („de Commissie”), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EU) nr. 1043/2011 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op oxaalzuur van oorsprong uit India en de Volksrepubliek China („de VRC”). De voorlopige antidumpingrechten liepen uiteen van 14,6 % tot 52,2 %.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 13 december 2010 was ingediend door de European Chemical Industry Council (CEFIC) namens Oxaquim SA („de klager”) die goed is voor een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie van oxaalzuur in de Unie.

(3)

Zoals in overweging 9 van de voorlopige verordening is vermeld, had het onderzoek naar de dumping en schade betrekking op de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

1.2.   VERVOLG VAN DE PROCEDURE

(4)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. Eén producent-exporteur uit India werd gehoord in aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Handel.

(5)

De Commissie heeft vervolgens alle informatie verzameld die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(6)

In overweging 150 van de voorlopige verordening werd Chinese ondernemingen die zich nog niet kenbaar hadden gemaakt, maar die van oordeel waren dat voor hen een afzonderlijk recht moest worden ingesteld, gevraagd zich binnen tien dagen na de bekendmaking te melden. Geen enkele Chinese onderneming heeft dit gedaan.

(7)

Vervolgens heeft de Commissie alle partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan zij wilde aanbevelen een definitief antidumpingrecht op oxaalzuur van oorsprong uit India en de VRC in te stellen en de bedragen waarvoor uit hoofde van het voorlopige recht zekerheid was gesteld, definitief te innen („mededeling van de definitieve bevindingen”). De partijen konden binnen een bepaalde termijn na deze mededeling hierover opmerkingen maken.

(8)

Met de mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werd waar nodig rekening gehouden.

1.3.   BIJ DE PROCEDURE BETROKKEN PARTIJEN

(9)

Aangezien geen opmerkingen over de bij de procedure betrokken partijen werden ontvangen, worden de overwegingen 3 tot en met 8 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   BETROKKEN PRODUCT

(10)

Zoals beschreven in de overwegingen 10 en 11 van de voorlopige verordening gaat het bij het betrokken product om oxaalzuur, zij het als dihydraat (CUS-nummer 0028635-1 en CAS-nummer 6153-56-6), zij het in watervrije vorm (CUS-nummer 0021238-4 en CAS-nummer 144-62-7), en al dan niet in waterige oplossing, momenteel ingedeeld in GN-code ex 2917 11 00 en van oorsprong uit India en de VRC.

(11)

Er zijn twee soorten oxaalzuur: ongeraffineerd oxaalzuur en geraffineerd oxaalzuur. Geraffineerd oxaalzuur, dat wel in de VRC maar niet in India wordt geproduceerd, wordt vervaardigd door zuivering van ongeraffineerd oxaalzuur, teneinde ijzer, chloriden, metaalsporen en andere verontreinigingen te verwijderen.

(12)

Oxaalzuur wordt gebruikt voor velerlei toepassingen, bijvoorbeeld als reductie- en bleekmiddel, bij farmaceutische synthese en bij de vervaardiging van chemische producten.

2.2.   SOORTGELIJK PRODUCT

(13)

Uit het onderzoek is gebleken dat oxaalzuur dat in de Unie wordt vervaardigd en verkocht door de bedrijfstak van de Unie, oxaalzuur dat wordt vervaardigd en verkocht op de binnenlandse markt van India en de VRC en oxaalzuur van oorsprong uit India en de VRC dat wordt ingevoerd in de Unie, in wezen dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen bezitten en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt.

(14)

Aangezien geen opmerkingen over het betrokken product of het soortgelijke product werden ontvangen, worden de overwegingen 10 tot en met 13 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   DUMPING

3.1.   INDIA

3.1.1.   OPMERKING VOORAF

(15)

In overweging 14 van de voorlopige verordening heeft de Commissie vastgesteld dat één Indiase producent-exporteur niet als medewerkende partij kon worden beschouwd, zodat de bevindingen voor die onderneming overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens werden gebaseerd.

(16)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voor die onderneming, Star Oxochem Pvt. Ltd, verschafte deze aanvullende toelichtingen en verduidelijkingen met betrekking tot de eerder in het onderzoek door haar verstrekte informatie. Zij verzocht ook te worden gehoord door de Commissie en de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Handel. De onderneming voerde aan dat zij de vragenlijst had beantwoord, dat de diensten van de Commissie de onderneming hadden bezocht en dat nu aanvullende toelichtingen en verduidelijkingen waren verstrekt, en het daarom niet passend zou zijn haar toch nog te behandelen als een producent-exporteur die in het geheel niet aan het onderzoek had meegewerkt.

(17)

Gezien het bovenstaande, en in het bijzonder gezien de verstrekte aanvullende toelichtingen en verduidelijkingen, zijn de diensten van de Commissie van oordeel dat zij een deel van de oorspronkelijke informatie, en wel de gegevens betreffende de uitvoerprijzen, kunnen gebruiken, omdat werd vastgesteld dat deze betrouwbaar zijn. Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de in overweging 14 van de voorlopige verordening opgenomen voorlopige bevindingen slechts gedeeltelijk worden gehandhaafd en dat de bevindingen voor de betrokken onderneming overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 3, van de basisverordening gedeeltelijk op de beschikbare gegevens worden gebaseerd en gedeeltelijk op haar eigen uitvoerprijzen.

3.1.2.   NORMALE WAARDE

(18)

Er zijn geen opmerkingen ingediend over de voor de berekening van de normale waarde voor India gebruikte methoden. De bevindingen in de overwegingen 15 tot en met 18 van de voorlopige verordening worden derhalve bevestigd voor de medewerkende onderneming.

(19)

Wat Star Oxochem betreft, wordt, rekening houdende met bovenstaande bevindingen (overwegingen 16 en 17), de normale waarde overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens. De normale waarde voor die onderneming wordt daarom gebaseerd op het gewogen gemiddelde van een representatieve hoeveelheid binnenlandse verkopen van de andere onderneming, Punjab Chemicals.

3.1.3.   UITVOERPRIJS

(20)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, wordt de vaststelling van de uitvoerprijs zoals uiteengezet in overweging 19 van de voorlopige verordening, voor Punjab Chemicals bevestigd.

(21)

Gezien de conclusies in de overwegingen 16 en 17 wordt de uitvoerprijs voor Star Oxochem ingevolge artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijzen die niet-verbonden afnemers werkelijk voor het betrokken product betalen of moeten betalen wanneer dit naar de Unie worden uitgevoerd.

3.1.4.   VERGELIJKING

(22)

Aangezien geen opmerkingen over de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijzen werden ontvangen, worden de overwegingen 20 en 21 van de voorlopige verordening voor de medewerkende producent, Punjab Chemicals, bevestigd.

(23)

Voor Star Oxochem zijn overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties aangebracht aan de hand van de geverifieerde correcties voor Punjab Chemicals.

3.1.5.   DUMPINGMARGE

(24)

Wat de medewerkende producent betreft, zijn geen opmerkingen gemaakt over de voorlopige bevindingen van de Commissie. Daarom wordt de dumpingmarge, zoals vastgesteld in de overwegingen 22 en 23 van de voorlopige verordening, bevestigd.

(25)

Rekening houdend met bovenstaande overwegingen bedraagt de dumpingmarge voor Star Oxochem, in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, 31,5 %.

(26)

Gezien de geringe medewerking uit India (minder dan 80 %) luidde de voorlopige conclusie dat de transactie met de hoogste dumpingmarge van de medewerkende onderneming de meest geschikte methode voor de vaststelling van de dumpingmarge voor het gehele land oplevert. Deze transactie is niet uitzonderlijk qua hoeveelheid of prijs en wordt daarom beschouwd als een representatieve transactie die een redelijk en evenredig resultaat oplevert met betrekking tot de voor de medewerkende producent vastgestelde dumpingmarge.

(27)

Gelet op het voorgaande worden de bevindingen in de overwegingen 24 en 25 van de voorlopige verordening bevestigd.

(28)

Op grond hiervan bedragen de definitieve dumpingmarges voor India, in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Punjab Chemicals and Crop Protection Limited

22,8  %

Star Oxochem Pvt. Ltd

31,5  %

Alle andere ondernemingen

43,6  %

3.2.   VOLKSREPUBLIEK CHINA

3.2.1.   BEHANDELING ALS MARKTGERICHTE ONDERNEMING („BMO”) — INDIVIDUELE BEHANDELING („IB”)

(29)

Zoals in de voorlopige verordening is uiteengezet, heeft één groep van Chinese ondernemingen verzocht om een BMO of, indien dat niet mogelijk was, een IB, terwijl een andere groep alleen een IB heeft aangevraagd. Zoals in de overwegingen 26 tot en met 32 van de voorlopige verordening is uiteengezet, werd het verzoek om een BMO afgewezen, maar werd aan beide groepen ondernemingen voorlopig een IB toegekend.

(30)

Ten aanzien van deze voorlopige bevinding werden geen opmerkingen gemaakt, zodat de overwegingen 26 tot en met 32 van de voorlopige verordening worden bevestigd.

3.2.2.   REFERENTIELAND

(31)

Er werden geen opmerkingen over de voorlopige keuze van een referentieland ontvangen. De overwegingen 33 en 34 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

3.2.3.   NORMALE WAARDE

(32)

In de voorlopige verordening is uiteengezet dat de Commissie afzonderlijke normale waarden voor ongeraffineerd en geraffineerd oxaalzuur heeft vastgesteld. Terwijl de normale waarde voor ongeraffineerd oxaalzuur op basis van de voor India vastgestelde normale waarde werd bepaald, werd de normale waarde voor geraffineerd oxaalzuur, dat in India niet wordt geproduceerd, berekend aan de hand van de productiekosten voor Indiaas ongeraffineerd oxaalzuur, gecorrigeerd door middel van een verhoging met 12 % wegens extra productiekosten plus VAA-kosten en winst.

(33)

Beide medewerkende producenten uit China bestreden de verhoging met 12 % wegens extra productiekosten met het argument dat deze extra kosten nooit door de Commissie waren gecontroleerd en dat zij enkel lijken te zijn gebaseerd op een ruwe schatting volgens een methode die hen ten tijde van de mededeling van de voorlopige bevindingen niet was medegedeeld. Een van de producenten-exporteurs voerde aan dat hij de extra kosten op niet meer dan 5 % schatte hoewel hij deze bewering niet onderbouwde met bewijsmateriaal.

(34)

Er wordt op gewezen dat de verhoging is vastgesteld op basis van door de medewerkende Chinese producenten-exporteurs zelf verstrekte gegevens. Ten eerste zij opgemerkt dat dezelfde onderneming die nu beweert dat de extra productiekosten ongeveer 5 % bedragen, op haar aanvraagformulier voor een BMO/IB melding maakte van extra kosten van 10-15 %. Ten tweede bevestigden beide medewerkende producenten tijdens controlebezoeken aan hun ondernemingen dat de vervaardiging van geraffineerd oxaalzuur 10-12 % meer kost dan de productie van ongeraffineerd oxaalzuur. Ten derde werd dit niveau van 10-12 % extra productiekosten ook ondersteund door berekeningen van de bedrijfstak van de Unie. Gezien de door de medewerkende producenten verschafte informatie werd een verhoging met 12 % passend geacht.

(35)

Omdat er geen onderbouwde gegevens of ondersteunend bewijsmateriaal ter rechtvaardiging van een geringere verhoging werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 35 tot en met 37 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.4.   UITVOERPRIJS

(36)

Aan beide producenten-exporteurs uit de VRC werd een IB toegekend, zodat hun uitvoerprijzen in overeenstemming met artikel 2, lid 8, van de basisverordening werden gebaseerd op de prijzen die werkelijk werden betaald of moesten worden betaald door de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie.

(37)

Aangezien geen opmerkingen over de uitvoerprijs werden ontvangen, wordt overweging 38 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.5.   VERGELIJKING

(38)

Eén van de medewerkende producenten voerde aan dat de VAA-kosten van zijn verbonden handelaar en commissies bij de vaststelling van de uitvoerprijs niet buiten beschouwing mogen worden gelaten als correctie uit hoofde van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening. De producent stelde dat de directe verkoopkosten van zijn verbonden handelaar al van de uitvoerprijs waren afgetrokken om te komen tot een prijs af fabriek die kan worden vergeleken met de normale waarde op dezelfde grondslag.

(39)

Volgens de producent ging het bij de verbonden handelaar om een 100 %-dochter die wegens de winstverdelingsstrategie bij uitvoer binnen de groep, geen commissie in rekening bracht. Verder ging het bij de overige VAA-kosten volgens de onderneming om de gecombineerde exploitatiekosten van de onderneming, en niet om kosten die rechtstreeks verband houden met de verkoop, zodat ze niet van de uitvoerprijs mogen worden afgetrokken.

(40)

Artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening bepaalt dat onder commissies ook de handelsmarge wordt begrepen indien de functies van de handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. Het is derhalve niet van belang of er al dan niet een commissie is betaald. Wat wel van belang is, is of de handelaar de goederen met een marge doorverkocht en of de functies van de handelaar vergelijkbaar waren met die van een agent.

(41)

Uit de bewijzen die zich in het dossier bevinden en die zowel voor als tijdens de controle van de handelsonderneming werden verkregen, blijkt dat de handelaar gedurende het OT door de verbonden producent geproduceerd oxaalzuur aan een afnemer in de EU heeft verkocht. Tegelijkertijd voerde de producent ook rechtstreeks naar dezelfde afnemer in de EU uit. De verbonden handelaar verrichtte derhalve dezelfde inspanning als de producent, maar met ander personeel, in een ander kantoor in een andere stad, waarbij hij zijn eigen kosten maakte die in de uitvoerprijs tot uiting komen.

(42)

Uit het bewijsmateriaal in het dossier blijkt ook dat de handelsonderneming de uitgevoerde goederen van de verbonden producent-exporteur kocht en ze vervolgens doorverkocht, met een marge en in eigen naam, nadat zij zelf met de uiteindelijke onafhankelijke afnemer had onderhandeld over de prijs.

(43)

Er werd ook bewijs verzameld met betrekking tot de vraag of de handelsonderneming de functies van agent vervulde. Uit dit bewijs blijkt ten eerste dat de producent aanzienlijke volumen van het betrokken product rechtstreeks aan de EU verkocht en daarnaast ook via de verbonden handelsonderneming naar de EU uitvoerde. Slechts ongeveer een derde van de verkopen naar de EU liep via de verbonden onderneming. De handelaar verkocht ook oxaalzuur van andere, niet-verbonden producenten door. Uit de bewijzen die zich in het dossier bevinden, blijkt dat meer dan de helft van de aankopen van oxaalzuur door de handelaar afkomstig was van niet-verbonden leveranciers en minder dan de helft van de verbonden producent.

(44)

De handelaar kan dus ondanks zijn verbondenheid met de producent-exporteur niet worden beschouwd als interne exportafdeling van die producent-exporteur.

(45)

Ook blijkt uit het ingediende en gecontroleerde bewijsmateriaal dat de handelaar pas voor de door de verbonden producent-exporteur geleverde goederen betaalt nadat de afnemer in de EU de handelaar heeft betaald. Het financiële risico berust dus bij de producent en niet bij de handelaar.

(46)

Derhalve werd de handelaar geacht functies te verrichten die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. Het argument dat ingevolge artikel 2, lid 10, onder i) van de basisverordening geen correcties voor de commissies mogen worden gemaakt, wordt dan ook verworpen.

(47)

Ook het argument dat de VAA-kosten niet in aanmerking mogen worden genomen omdat deze geen directe verkoopuitgaven omvatten, kan niet worden aanvaard. Dergelijke overheadkosten zijn van invloed op de kostenstructuur van de onderneming en derhalve ook op de uitvoerprijs. Daarom werd een deel van deze kosten van de uitvoerprijs afgetrokken om te zorgen voor een billijke vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs af fabriek. Dit argument wordt afgewezen.

(48)

De commissie is vastgesteld op basis van de winstmarge van een niet-verbonden EU-importeur en niet op basis van de werkelijke marge van de handelaar, die aanzienlijk hoger was. Deze methode wordt passender geacht aangezien de werkelijke marge waarschijnlijk gebaseerd is op interne overdrachtprijzen die geen weerspiegeling zijn van de werkelijke marktvoorwaarden.

(49)

Aangezien geen andere opmerkingen over de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs werden ontvangen, worden de overwegingen 39 tot en met 44 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.6.   DUMPINGMARGES

Voor de medewerkende producenten-exporteurs

(50)

Eén groep van producenten-exporteurs voerde aan dat er afzonderlijke dumpingmarges moeten worden vastgesteld voor ongeraffineerd en geraffineerd oxaalzuur. Zij stelden dat hoewel de dumpingberekeningen op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs voor elke soort van het betrokken product afzonderlijk plaatsvinden, er maar één gemeenschappelijke dumpingmarge voor beide soorten oxaalzuur werd vastgesteld. Volgens hen zou het passender zijn voor elke soort oxaalzuur een aparte dumpingmarge vast te stellen omdat de groep uit twee producenten bestaat, waarvan er een geraffineerd en de andere ongeraffineerd oxaalzuur produceert.

(51)

Ongeraffineerd oxaalzuur kan worden vervangen door geraffineerd oxaalzuur. Beide soorten vallen onder dezelfde GN-code en de soorten kunnen niet gemakkelijk van elkaar worden onderscheiden. De zuiverheid van het oxaalzuur is gelijk; het verschil is gelegen in het aandeel van andere producten in het resterende „afvalproduct”. Aangezien beide soorten binnen de definitie van het betrokken product vallen, is in overeenstemming met de gebruikelijke praktijk een enkele dumpingmarge vastgesteld. Wegens het grote prijsverschil tussen beide soorten en het feit dat zij moeilijk uit elkaar te houden zijn, zouden afzonderlijke dumpingmarges voor geraffineerd en ongeraffineerd oxaalzuur het risico van ontwijking vergroten. Het verzoek om afzonderlijke dumpingmarges voor geraffineerd en ongeraffineerd oxaalzuur wordt afgewezen en de in de overwegingen 45 en 46 van de voorlopige verordening vastgestelde dumpingmarges worden bevestigd.

(52)

Ten slotte zette dezelfde groep van producenten-exporteurs een vraagteken bij het feit dat voor de twee groepen producenten-exporteurs uit de VRC verschillende dumpingmarges waren vastgesteld; zij vroeg in verband hiermee een verduidelijking van de berekeningsmethode en van de classificatie van geraffineerd en ongeraffineerd oxaalzuur.

(53)

Voor beide groepen producenten-exporteurs uit de VRC zijn dezelfde methoden gebruikt, en omvat de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van het betrokken product zowel geraffineerd als ongeraffineerd oxaalzuur. Dat de dumpingmarges uiteenlopen, wordt eenvoudigweg verklaard door het relatieve gewicht van de uitvoer van beide soorten, daar geraffineerd oxaalzuur gewoonlijk tegen een hogere prijs wordt verkocht dan ongeraffineerd oxaalzuur.

(54)

De definitieve dumpingmarges bedragen in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Shandong Fengyuan Chemicals Stock Co., Ltd en Shandong Fengyuan Uranus Advanced Material Co., Ltd

37,7  %

Yuanping Changyuan Chemicals Co., Ltd

14,6  %

Voor alle andere, niet-medewerkende producenten-exporteurs

(55)

Aangezien geen andere opmerkingen over de dumpingmarges werden ontvangen, worden de overwegingen 47 en 48 van de voorlopige verordening bevestigd.

(56)

Op grond hiervan wordt de dumpingmarge voor het gehele land definitief vastgesteld op 52,2 % van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, en wordt overweging 49 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   SCHADE

4.1.   PRODUCTIE IN DE UNIE EN BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

(57)

Volgens een van de producenten-exporteurs geeft de verwijzing in de overwegingen 50 en 51 van de voorlopige verordening naar twee producenten in de Unie die samen de bedrijfstak van de Unie vormen (de klager en een tweede, niet-medewerkende producent) de situatie ten aanzien van de macro-economische indicatoren niet goed weer. Voorts werd aangevoerd dat de gegevens betreffende de niet-medewerkende producent en de gegevens van een derde producent in de Unie, die met de productie van oxaalzuur is gestopt, bij sommige macro-economische indicatoren buiten beschouwing moeten worden gelaten (zie de overwegingen 72, 74 en 78 van de voorlopige verordening). Ten eerste wordt bevestigd dat, in tegenstelling tot wat in de overwegingen 50 en 51 van de voorlopige verordening werd gesteld, er gedurende de beoordelingsperiode in feite drie producenten van het betrokken product in de Unie waren die samen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening vormden en de volledige productie in de Unie vertegenwoordigden. Ten tweede wordt het argument dat de cijfers voor de niet-medewerkende producent en de derde producent in de Unie, die de productie in 2008 stillegde, buiten beschouwing moeten worden gelaten, afgewezen omdat het juist is om bij de schadeanalyse alle bekende cijfers met betrekking tot de beoordelingsperiode in aanmerking te nemen teneinde de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zo goed mogelijk weer te geven, zoals in artikel 4, lid 1, van de basisverordening wordt voorgeschreven.

(58)

Dezelfde producent-exporteur voerde ook aan dat tijdens het onderzoek niet goed was onderzocht waarom die derde producent zijn productie van het soortgelijke product had stopgezet. Dit is toen wel degelijk onderzocht, maar de onderneming beriep zich er enkel op dat zij haar productie van het soortgelijke product om „interne redenen” had stopgezet en heeft geen verdere uitleg gegeven. Een van de producenten-exporteurs sloot zich aan bij deze uitleg en stelde dat het besluit de productie stop te zetten niet aan de beweerde dumpingpraktijken van producenten-exporteurs uit China te wijten was; hij weersprak zo de verklaring van de klager in de niet-vertrouwelijke versie van de klacht, dat de onderneming de productie voorgoed stopzette en de fabriek sloot wegens de agressieve dumping uit China en India. De producent-exporteur verstrekte evenwel geen afwijkende informatie met betrekking tot de beweerde productiecijfers voor deze derde producent in de Unie. Daarom doet deze kwestie niet af aan het feit dat de gegevens voor die derde producent in de Unie in het huidige onderzoek kunnen worden gebruikt.

(59)

Een andere producent-exporteur beweerde dat de minimumdrempel voor de representativiteit bij de opening van het onderzoek niet correct werd medegedeeld en dat hieraan in feite niet werd voldaan. Zoals in overweging 2 van de voorlopige verordening is vermeld, vertegenwoordigde de klager meer dan 25 % van de totale productie van oxaalzuur in de Unie; geen enkele producent heeft hier voor de opening van het onderzoek bezwaren tegen ingebracht. In het niet-vertrouwelijke dossier is ter informatie een bericht opgenomen met een samenvatting van de resultaten van het onderzoek naar de representativiteit bij de opening van het onderzoek. Verder bestreek de schadeanalyse die ingevolge artikel 4, lid 1, van de basisverordening werd uitgevoerd, een belangrijk deel van de bedrijfstak van de Unie.

(60)

Wegens het ontbreken van andere opmerkingen over de definitie van de productie in de Unie en de bedrijfstak van de Unie worden de overwegingen 50 en 51 van de voorlopige verordening bevestigd behoudens de verduidelijking in overweging 57.

4.2.   BEPALING VAN DE RELEVANTE MARKT VAN DE UNIE

(61)

Volgens een producent-exporteur had het eigen gebruik van oxaalzuur bij de vaststelling van enkele schade-indicatoren niet in aanmerking mogen worden genomen, en in elk geval had dezelfde aanpak consequent voor alle schade-indicatoren moeten worden toegepast. De scheiding die tussen intern gebruik en gebruik op de vrije markt werd gemaakt, werd evenwel toegelicht in de overwegingen 52, 53 en 55 van de voorlopige verordening en was in overeenstemming met de basisverordening: de analyse was vooral gericht op de vrije markt, ook al werd voor de vaststelling van enkele schade-indicatoren rekening gehouden met zowel het gebruik op de vrije markt als het eigen gebruik, zoals in overweging 55 van de voorlopige verordening ook is aangegeven. Enkele schade-indicatoren kunnen alleen worden onderzocht voor het gebruik van het soortgelijke product op de vrije markt, aangezien die indicatoren wegens het specifieke karakter van de verkopen voor intern gebruik kunnen worden verstoord door de relatie tussen verkoper en koper. Dit argument wordt bijgevolg verworpen.

(62)

Aangezien geen andere opmerkingen over de vaststelling van de relevante markt van de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 52 tot en met 55 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.3.   VERBRUIK IN DE UNIE

(63)

Aangezien geen opmerkingen over het verbruik in de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 56 tot en met 58 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   INVOER UIT DE BETROKKEN LANDEN

5.1.   CUMULATIEVE BEOORDELING VAN DE GEVOLGEN VAN DE BETROKKEN INVOER

(64)

Aangezien geen opmerkingen over de cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer werden ontvangen, worden de overwegingen 59 tot en met 62 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   OMVANG EN MARKTAANDEEL VAN DE INVOER MET DUMPING UIT DE BETROKKEN LANDEN

(65)

Aangezien geen opmerkingen over de omvang en het marktaandeel van de invoer met dumping uit de betrokken landen werden ontvangen, worden de overwegingen 63 en 64 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.3.   PRIJS VAN DE INVOER MET DUMPING EN PRIJSONDERBIEDING

(66)

Zoals in overweging 144 van de voorlopige verordening is vermeld, zijn bij de berekening van de schademarge de gemiddelde invoerprijzen van de medewerkende producenten-exporteurs in de VRC en India naar behoren gecorrigeerd voor invoerkosten en douanerechten. Een van de producenten-exporteurs voerde evenwel aan dat de Commissie een correctie van 6,5 % voor het normale douanerecht bij de berekening van de schademarge niet volledig in aanmerking heeft genomen. Vastgesteld werd dat dit argument gerechtvaardigd was en de schademarges werden voor deze producent-exporteur en voor de andere medewerkende producenten-exporteurs dienovereenkomstig gecorrigeerd. Dit was evenwel niet van invloed op de voorgestelde definitieve maatregelen, zoals hieronder vermeld in overweging 87.

(67)

Aangezien geen andere opmerkingen over de prijs van de invoer met dumping en prijsonderbieding werden ontvangen, worden de overwegingen 65 tot en met 68 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   ECONOMISCHE SITUATIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

(68)

Hierboven, in overweging 57, werd vermeld dat volgens een producent-exporteur de cijfers van de derde producent in de Unie, die sinds 2008 geen oxaalzuur meer produceert, bij de berekening van sommige macro-economische gegevens buiten beschouwing had moeten worden gelaten (zie de overwegingen 72, 74 en 78 van de voorlopige verordening). De bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening bestaat evenwel de facto uit de drie producenten van het soortgelijke product in de Unie die samen 100 % van de productie in de Unie in de gehele beoordelingsperiode vertegenwoordigen, ook al heeft een van hen de productie van oxaalzuur vóór het OT beëindigd. Het argument dat de cijfers voor de producent in de Unie die de productie in 2008 stillegde, buiten beschouwing moeten worden gelaten, wordt afgewezen, omdat het correct is alle productiecijfers met betrekking tot de beoordelingsperiode in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(69)

Dezelfde producent-exporteur stelde dat afgezien van de in overweging 66 vermelde beweerde fout de cijfers met betrekking tot het aantal werknemers, de totale jaarlijkse lonen en de gemiddelde arbeidskosten per werknemer in tabel 6 van de voorlopige verordening niet met elkaar in overeenstemming zijn. De producent-exporteur verwees evenwel niet naar het correcte cijfer toen hij stelde dat de gemiddelde lonen met 21 % stegen; het juiste cijfer is 19 %.

(70)

Wat de economische crisis betreft, laten de overwegingen 95 tot en met 97 van de voorlopige verordening duidelijk zien dat het marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen ondanks het dalende verbruik bleef stijgen en een negatief effect had op de verschillende schade-indicatoren, zoals verkoopvolume, werkgelegenheid, productiecapaciteit en marktaandeel.

(71)

Aangezien geen opmerkingen over de overwegingen 69 tot en met 94 van de voorlopige verordening werden ontvangen, worden deze bevestigd.

7.   CONCLUSIE INZAKE SCHADE

(72)

Een van de producenten-exporteurs voerde aan dat de bedrijfstak van de Unie, anders dan wat in de voorlopige bevindingen werd vermeld, geen aanmerkelijke schade leed. De negatieve tendensen met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie zouden het gevolg zijn van de economische crisis in 2008 en van het feit dat ten onrechte informatie over de derde producent in de Unie, die zijn productie in 2008 beëindigde, in aanmerking was genomen, waardoor een onjuist beeld van de schadesituatie wordt verkregen. Zoals hierboven echter al is vermeld, wordt het meetellen van deze derde producent juist geacht en bleef het aandeel van de betrokken landen ondanks de crisis toenemen.

(73)

Daarom worden de overwegingen 94 tot en met 98 van de voorlopige verordening, waarin werd geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden, bevestigd.

8.   OORZAKELIJK VERBAND

(74)

Eén producent-exporteur stelde dat het in aanmerking nemen van de gegevens voor de derde producent, die in 2008 ophield met de productie van oxaalzuur, de voorlopige conclusies met betrekking tot het oorzakelijk verband vertekende, omdat die conclusies alleen op gegevens over de huidige producenten moeten worden gebaseerd. Evenals bij bovenstaande schadeanalyse werd ook in dit geval vastgesteld dat juist het niet in aanmerking nemen van deze derde producent de conclusies met betrekking tot het soortgelijke product zou vertekenen. Zoals in overweging 57 al is vermeld, moeten de relevante gegevens voor deze onderneming wel in de analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie worden meegenomen, en daarom wordt dit argument afgewezen.

(75)

Een van de producenten-exporteurs voerde aan dat, omdat het volume van de invoer met dumping toenam toen ook de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie verbeterde, de invoer met dumping niet de belangrijkste oorzaak van de schade kan zijn. De geringe verbetering van de winstgevendheid waarbij het hier om gaat, doet echter niet af aan de conclusie dat de algemene winstgevendheid zeer laag en onder het normale winstniveau van 8 % bleef. Verder verloor de bedrijfstak van de Unie ondanks een aanzienlijke toename van het verbruik in 2008 en vervolgens weer in het OT, in de beoordelingsperiode 9 % van zijn marktaandeel aan de Chinese invoer.

(76)

Een andere producent-exporteur voerde aan dat op basis van de beschikbare informatie de bedrijfstak van de Unie in het OT een winst behaalde die zeer dicht bij de streefwinst van 8 % lag. Omdat de informatie over de winst betrekking heeft op slechts één producent in de Unie, kan het precieze winstpeil niet worden bekendgemaakt. In overweging 88 van de voorlopige verordening staat evenwel dat de klager in het OT een kleine winst behaalde na in 2009 een verlies te hebben geleden. De veronderstellingen op basis waarvan de producent-exporteur concludeerde dat de winst in het OT dicht bij de streefwinst zou liggen, waren niet juist omdat hierbij geen rekening werd gehouden met de relevante financiële en productiegegevens van de klager, die in verband met de geheimhouding niet konden worden medegedeeld. Het winstpeil van de klager is grondig gecontroleerd, ook bij een bezoek ter plaatse, zodat werd vastgesteld dat beweringen dat de winst in het OT dicht bij de streefwinst lag, onjuist zijn.

(77)

Aangezien geen andere opmerkingen over het oorzakelijke verband werden ontvangen, worden de overwegingen 99 tot en met 122 van de voorlopige verordening bevestigd.

9.   BELANG VAN DE UNIE

(78)

Twee importeurs beweerden dat de maatregelen tot tekorten in de EU zouden kunnen leiden. De bedrijfstak van de Unie zou de vraag naar oxaalzuur in de EU niet aankunnen.

(79)

Bij het onderzoek bleek dat de klager tijdens het OT reservecapaciteiten had. Verder liet de klager weten dat hij bezig is zijn productie uit te breiden, ook al vergt uitbreiding van de bezettingsgraad enige tijd omdat de productie van het betrokken product gebaseerd is op chemische reacties. Op grond van de gegevens over het verbruik in de EU en van de totale capaciteit in de EU kan de klager evenwel worden geacht in staat te zijn aan de volledige vraag naar ongeraffineerd oxaalzuur in de Unie te voldoen zodra hij zijn capaciteit bijna volledig benut. Wat geraffineerd oxaalzuur betreft, zij eraan herinnerd dat dit in de meeste gevallen wordt gebruikt voor de vervaardiging van producten die vervolgens worden uitgevoerd, zodat de gebruikers de regeling actieve veredeling kunnen benutten. Bovendien is de belangrijkste Chinese exporteur van geraffineerd oxaalzuur degene waarvoor het voorgestelde recht het laagst is (14,6 %).

(80)

Daarnaast voerde de klager aan dat de wereldmarkt voor (ongeraffineerd) oxaalzuur beheerst wordt door de Chinese producenten, die het prijspeil voor dit product vaststellen. Momenteel zijn de Chinese producenten meer gericht op hun binnenlandse markt, en het kan niet worden uitgesloten dat wanneer geen maatregelen worden genomen en de enige resterende producent van ongeraffineerd oxaalzuur in de EU waarschijnlijk verdwijnt, de gebruikers in de EU te maken zullen krijgen met bevoorradingsproblemen met mogelijkerwijs chronische tekorten en oligopolistische prijzen.

(81)

Volgens een andere importeur/gebruiker die werkzaam is in een ander segment van de downstreammarkt dan de vorige, had de aanwezigheid van voorlopige maatregelen een negatief effect op de winstgevendheid van zijn eigen producten waarvoor oxaalzuur de belangrijkste grondstof is, zonder evenwel nadere bijzonderheden te geven. De onderneming werd gevraagd een hoorzitting bij te wonen teneinde deze zorgen nader uiteen te zetten en bewijzen te verstrekken, maar zij reageerde hierop niet. Daarom konden deze beweringen niet worden onderzocht.

(82)

Aangezien geen andere opmerkingen over het belang van de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 123 tot en met 139 van de voorlopige verordening bevestigd.

10.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

10.1.   SCHADEMARGE

(83)

Zoals in overweging 66 werd vermeld, voerde een van de producenten-exporteurs aan dat de Commissie een correctie van 6,5 % voor het normale douanerecht bij de berekening van de schademarge niet in aanmerking heeft genomen. Dit argument werd deels terecht bevonden omdat in enkele gevallen waarbij de ingevoerde goederen aan de afnemer in de EU waren geleverd nadat de rechten betaald waren, die rechten onderschat waren. Daarom werden de schademarges dienovereenkomstig gecorrigeerd, zonder dat dit evenwel significante gevolgen heeft voor de voorgestelde definitieve maatregelen (zie overweging 87).

(84)

Gezien de conclusies voor Star Oxochem werd ook voor deze producent-exporteur een schademarge op basis van de in de overwegingen 142 tot en met 144 van de voorlopige verordening uiteengezette berekeningsmethode vastgesteld.

(85)

Aangezien geen opmerkingen over de schademarge werden ontvangen, worden de overwegingen 145 tot en met 148 van de voorlopige verordening bevestigd.

10.2.   VORM EN HOOGTE VAN DE RECHTEN

(86)

Gelet op het voorgaande en in overeenstemming met artikel 9, lid 4, van de basisverordening moet een definitief antidumpingrecht worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarges, daar deze voor alle betrokken producenten-exporteurs lager waren dan de schademarges.

(87)

Op basis van het bovenstaande worden de volgende dumping- en schademarges vastgesteld:

Naam van de onderneming/groep

Schademarge

Dumpingmarge

Voorlopig recht (%)

Voorgesteld recht (%)

India

Punjab Chemicals and Crop Protection Limited

38,9

22,8

22,8

22,8

Star Oxochem Pvt. Ltd

32,3

31,5

43,6

31,5

Alle andere ondernemingen

47,9

43,6

43,6

43,6

VRC

Shandong Fengyuan Chemicals Stock Co., Ltd en Shandong Fengyuan Uranus Advanced Material Co., Ltd

53,3

37,7

37,7

37,7

Yuanping Changyuan Chemicals Co., Ltd

18,7

14,6

14,6

14,6

Alle andere ondernemingen

63,5

52,2

52,2

52,2

(88)

De in deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dit onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit India en de VRC die zijn vervaardigd door de specifiek genoemde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde entiteiten; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(89)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na de naamswijziging van een entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) moeten onverwijld aan de Commissie (3) worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of deze oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

(90)

De Commissie heeft alle partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief antidumpingrecht op oxaalzuur van oorsprong uit de VRC en India aan te bevelen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na de mededeling van de definitieve bevindingen opmerkingen maken.

(91)

De opmerkingen van de partijen werden naar behoren onderzocht. Geen van die opmerkingen was evenwel van dien aard dat hierdoor de bevindingen van het onderzoek werden gewijzigd.

(92)

Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het residuele recht niet alleen gelden voor niet-medewerkende exporteurs, maar ook voor ondernemingen die het betrokken product in het OT niet hebben uitgevoerd. Deze ondernemingen kunnen evenwel, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening, op grond van dat artikel verzoeken dat hun situatie individueel wordt onderzocht.

10.3.   DEFINITIEVE INNING VAN DE VOORLOPIGE RECHTEN

(93)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht, definitief te innen tot het bedrag van het definitieve recht. Wanneer de definitieve rechten lager zijn dan de voorlopige rechten, moet het als zekerheid gestelde bedrag worden vrijgegeven voor zover dit het bedrag van de definitieve rechten overschrijdt.

11.   VERBINTENISSEN

(94)

Eén producent-exporteur in India en twee producenten-exporteurs in de VRC hebben overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening prijsverbintenissen aangeboden.

(95)

De afgelopen jaren was de prijsvolatiliteit voor het betrokken product hoog, zodat het product niet geschikt is voor een vaste prijsverbintenis. Om dit probleem te ondervangen, bood de Indiase producent-exporteur een indexeringsclausule aan, zonder evenwel de respectieve minimuminvoerprijs (MIP) vast te stellen. In dit verband zij opgemerkt dat er geen rechtstreeks verband tussen de prijsschommeling en de prijzen van de belangrijkste grondstof kon worden vastgesteld, zodat indexering niet geschikt lijkt. Bovendien lieten de mate van medewerking van deze onderneming tijdens het onderzoek en de nauwkeurigheid van de door haar verstrekte gegevens te wensen over. De Commissie was er dan ook niet van overtuigd dat zij effectief toezicht zou kunnen uitoefenen op een verbintenis van deze onderneming.

(96)

Verder is met betrekking tot de producenten-exporteurs in de VRC tijdens het onderzoek vastgesteld dat er verschillende soorten van het betrokken product zijn die niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, maar waarvoor de prijzen sterk uiteenlopen. Een enkele MIP voor alle productsoorten, zoals een van de Chinese producenten-exporteurs aanbood, zou daarom de schadelijke gevolgen van de dumping niet opheffen. Bovendien produceren de twee betrokken producenten-exporteurs in de VRC verschillende soorten van andere chemische producten en kunnen zij deze producten via verbonden handelsondernemingen aan gemeenschappelijke afnemers in de Europese Unie verkopen. Dat zou een ernstig risico voor kruiscompensatie opleveren en een effectief toezicht op de verbintenis uiterst moeilijk maken. De door de andere Chinese producent-exporteur voorgestelde verschillende MIP’s maken het toezicht ook onuitvoerbaar wegens de complexiteit van het onderscheid tussen de verschillende productsoorten. Op basis van het bovenstaande werd geconcludeerd dat de aangeboden verbintenissen onaanvaardbaar zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op oxaalzuur, zij het als dihydraat (CUS-nummer 0028635-1 en CAS-nummer 6153-56-6), zij het in watervrije vorm (CUS-nummer 0021238-4 en CAS-nummer 144-62-7), en al dan niet in waterige oplossing, momenteel ingedeeld in GN-code ex 2917 11 00 (Taric-code 2917 11 00 91) en van oorsprong uit India en de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:

Land

Onderneming

Antidumpingrecht %

Aanvullende Taric-code

India

Punjab Chemicals and Crop Protection Limited

22,8

B230

Star Oxochem Pvt. Ltd

31,5

B270

Alle andere ondernemingen

43,6

B999

VRC

Shandong Fengyuan Chemicals Stock Co., Ltd; Shandong Fengyuan Uranus Advanced Material Co., Ltd

37,7

B231

Yuanping Changyuan Chemicals Co., Ltd

14,6

B232

Alle andere ondernemingen

52,2

B999

3.   Het individuele recht voor de in lid 2 genoemde ondernemingen is uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur, opgesteld conform de voorschriften in de bijlage, wordt overgelegd. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor alle andere ondernemingen geldt.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De krachtens Verordening (EU) nr. 1043/2011 van de Commissie als zekerheid voor het voorlopige antidumpingrecht gestelde bedragen worden definitief geïnd. De als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 april 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 275 van 20.10.2011, blz. 1.

(3)  

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H, kamer: N105 04/092

1049 Brussel,

BELGIË


BIJLAGE

De in artikel 1, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

1.

de naam en de functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

2.

de volgende verklaring:

„Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) oxaalzuur die voor uitvoer naar de Europese Unie wordt verkocht en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ik verklaar dat de in deze factuur verstrekte informatie volledig en juist is.”.

Datum en handtekening


18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 326/2012 VAN DE COMMISSIE

van 17 april 2012

inzake de verdeling tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop” van de nationale melkquota die voor 2011/2012 zijn vastgesteld in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 69, lid 1, in samenhang met artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 67, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kunnen de producenten beschikken over één of over twee individuele quota (één voor leveringen en één voor rechtstreekse verkoop) die alleen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de producent kunnen worden omgezet van het ene in het andere quotum.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 471/2011 van de Commissie van 16 mei 2011 inzake de verdeling tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop” van de nationale melkquota die voor 2010/2011 zijn vastgesteld in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (2) is voor alle lidstaten de verdeling tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop” vastgesteld voor het tijdvak van 1 april 2010 tot en met 31 maart 2011.

(3)

Overeenkomstig artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (3) hebben de lidstaten de hoeveelheden van de individuele quota meegedeeld die op verzoek van de producenten definitief zijn omgezet van leveringen in rechtstreekse verkoop of omgekeerd.

(4)

De totale nationale quota voor alle lidstaten die zijn vastgesteld in punt 1 van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 72/2009 van de Raad (4), zijn met ingang van 1 april 2011 met 1 % verhoogd, behalve wat het quotum voor Italië betreft, dat met ingang van 1 april 2009 reeds met 5 % was verhoogd. De lidstaten, met uitzondering van Italië, hebben de Commissie in kennis gesteld van de verdeling van de aanvullende quota tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop”.

(5)

Met betrekking tot de voor het tijdvak van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012 geldende nationale quota die zijn vastgesteld in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007, moet derhalve de verdeling tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop” worden vastgesteld.

(6)

Aangezien de verdeling tussen leveringen en rechtstreekse verkoop als referentiebasis wordt gehanteerd voor zowel de controles op grond van de artikelen 19, 20 en 21 van Verordening (EG) nr. 595/2004 als voor de opstelling van de jaarlijkse vragenlijst die is opgenomen in bijlage I bij die verordening, dient een datum voor het verstrijken van deze verordening te worden vastgesteld die valt na de laatste dag waarop deze controles kunnen worden verricht.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De voor het tijdvak van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012 geldende nationale quota die zijn vastgesteld in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007, worden overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening verdeeld tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij verstrijkt op 30 september 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 april 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 129 van 17.5.2011, blz. 7.

(3)   PB L 94 van 31.3.2004, blz. 22.

(4)   PB L 30 van 31.1.2009, blz. 1.


BIJLAGE

Lidstaten

Leveringen (ton)

Rechtstreekse verkoop (ton)

België

3 490 842,018

40 296,998

Bulgarije

957 790,177

71 047,796

Tsjechië

2 861 138,931

16 171,977

Denemarken

4 752 211,900

174,604

Duitsland

29 630 671,304

90 854,772

Estland

672 069,563

7 203,106

Ierland

5 668 140,684

2 305,582

Griekenland

861 075,872

1 207,000

Spanje

6 362 294,270

66 051,426

Frankrijk

25 496 618,465

354 995,374

Italië

10 967 026,636

321 516,230

Cyprus

151 790,553

801,146

Letland

747 127,365

18 613,933

Litouwen

1 716 083,974

75 543,299

Luxemburg

286 485,893

500,000

Hongarije

1 947 083,970

144 284,054

Malta

51 177,070

0,000

Nederland

11 737 724,915

75 325,428

Oostenrijk

2 846 561,156

87 198,758

Polen

9 702 182,671

155 475,456

Portugal (1)

2 039 660,805

8 084,069

Roemenië

1 515 028,445

1 697 594,315

Slovenië

585 410,695

20 582,227

Slowakije

1 055 742,726

38 028,690

Finland (2)

2 563 117,735

5 105,650

Zweden

3 518 813,075

4 400,000

Verenigd Koninkrijk

15 436 313,929

147 162,755


(1)  Behalve Madeira.

(2)  Het in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 vastgestelde nationale quotum voor Finland verschilt van het totaal van de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde quota voor Finland omdat het quotum krachtens artikel 67, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is verhoogd met 784 683 t om de Finse SLOM-producenten te compenseren.


18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 327/2012 VAN DE COMMISSIE

van 17 april 2012

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1291/2009 wat betreft de drempelwaarde van de economische omvang en het aantal bedrijven met boekhouding in Slowakije

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Gemeenschap (1), en met name artikel 5, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1291/2009 van de Commissie van 18 december 2009 betreffende de keuze van de bedrijven met boekhouding voor de constatering van de inkomens van de landbouwbedrijven (2) zijn de drempelwaarden van de economische omvang van de landbouwbedrijven voor het boekjaar 2010 en de daaropvolgende boekjaren vastgesteld.

(2)

Op grond van een voortgaande structurele verandering en een beter begrip van de landbouwstructuur in Slowakije is geconcludeerd dat aanpassingen in het keuzeplan van Slowakije nodig zijn om een waarnemingsgebied te verkrijgen dat het meest ter zake doende deel van de agrarische bedrijvigheid bestrijkt. Daartoe moet de drempelwaarde van de economische omvang van de landbouwbedrijven voor Slowakije worden verhoogd van 15 000 EUR naar 25 000 EUR.

(3)

In de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1291/2009 is het totale aantal bedrijven met boekhouding voor Slowakije vastgesteld op 523. Ter verbetering van de representativiteit van de Slowaakse steekproef moet het aantal bedrijven met boekhouding voor Slowakije met 39 worden verhoogd naar 562.

(4)

Verordening (EU) nr. 1291/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Gemeenschappelijk Comité van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 1291/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt het streepje betreffende Slowakije vervangen door:

„—   Slowakije: EUR 25 000”;

2)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van het boekjaar 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 april 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 328 van 15.12.2009, blz. 27.

(2)   PB L 347 van 24.12.2009, blz. 14.


BIJLAGE

De rij betreffende Slowakije in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1291/2009 wordt vervangen door:

„810

SLOWAKIJE

562 ”


18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/14


VERORDENING (EU) Nr. 328/2012 VAN DE COMMISSIE

van 17 april 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 62/2006 betreffende de technische specificaties voor interoperabiliteit inzake het subsysteem „Telematicatoepassingen voor goederenvervoer” van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft op 12 mei 2011 aanbeveling nr. ERA/REC/06-2011/INT van het Europees Spoorwegbureau ontvangen.

(2)

In elke technische specificatie voor interoperabiliteit (TSI) moet een uitvoeringsstrategie worden opgenomen voor de tenuitvoerlegging van die TSI en moet worden gespecificeerd via welke stappen de bestaande situatie geleidelijk overgaat in de uiteindelijke situatie waarin in alle gevallen aan de TSI wordt voldaan. De strategie voor de invoering van de TSI inzake telematicatoepassingen voor goederenvervoersdiensten (TAF) moet niet alleen gericht zijn op de conformiteit van de subsystemen met de TSI maar ook de gecoördineerde tenuitvoerlegging van de TSI waarborgen.

(3)

Verordening (EG) nr. 62/2006 van de Commissie van 23 december 2005 betreffende de technische specificaties voor interoperabiliteit inzake het subsysteem telematicatoepassingen voor goederenvervoer van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (2) moet, waar nodig, worden afgestemd op hoofdstuk 7 van Verordening (EU) nr. 454/2011 van de Commissie van 5 mei 2011 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem telematicatoepassingen ten dienste van passagiers van het trans-Europees spoorwegsysteem (3).

(4)

Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 62/2006 hebben de op Europees niveau optredende representatieve instanties van de spoorwegsector een strategisch Europees implementatieplan (SEDP) voor de invoering van telematicatoepassingen voor het goederenvervoer ingediend bij de Commissie. Met die werkzaamheden moet rekening worden gehouden bij de aanpassing van bijlage A bij de bijlage. Bijlage A bevat de lijst van de gedetailleerde specificaties die de basis vormen voor de ontwikkeling van het TAF-systeem. Voor deze documenten moet een veranderingsbeheerproces worden ingesteld. Via dat proces dient het Bureau deze documenten bij te werken teneinde te verduidelijken welke als baseline geldt voor de implementatie.

(5)

De in 2007 ingediende individuele planningen van het SEDP zijn achterhaald. Spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en houders van goederenwagons dienen de Commissie derhalve via de stuurgroep in kennis te stellen van hun gedetailleerde planning, met vermelding van de stappen op korte termijn, de resultaten en de data waarop de verschillende TSI TAF-functies worden ingevoerd. Elke afwijking van de termijnen van het SEDP moet omstandig worden gemotiveerd, met opgave van corrigerende maatregelen om verdere vertraging te beperken. Bij deze werkzaamheden moet worden aangenomen dat de overeenkomstig punt 7.2.2 van de bijlage verwerkte veranderingsverzoeken zijn gevalideerd.

(6)

Alle adressaten van deze verordening, met name kleine goederenexploitanten die geen lid zijn van de representatieve instanties van de Europese spoorwegsector, moeten op hun verplichtingen worden gewezen.

(7)

Verordening (EG) nr. 62/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2008/57/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende artikelen 4 bis, 4 ter en 4 quater worden ingevoegd in Verordening (EG) nr. 62/2006.

„Artikel 4 bis

1.   Spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en houders van goederenwagons ontwikkelen en introduceren een computersysteem overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 7 van de bijlage bij deze verordening en met name overeenkomstig de specificaties van de functionele eisen en het in punt 7.1.2 bedoelde masterplan.

2.   Spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en houders van goederenwagons bezorgen de Commissie via de in punt 7.1.4 van de bijlage bedoelde stuurgroep uiterlijk op 13 mei 2012 het in punt 7.1.2 bedoelde masterplan dat is opgesteld op basis van hun gedetailleerde planning met vermelding van de tussenstappen, resultaten en data voor de invoering van de verschillende TSI TAF-functies.

3.   Overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 7 van de bijlage bij deze verordening brengen zij via de in punt 7.1.4 van de bijlage bedoelde stuurgroep aan de Commissie verslag uit over de voortgang van hun werkzaamheden.

Artikel 4 ter

1.   Het Bureau publiceert het in punt 7.1.2 bedoelde masterplan en houdt dit up-to-date.

2.   Het Bureau werkt de in bijlage A bedoelde documenten bij op basis van de veranderingsverzoeken die voor 13 mei 2012 zijn gevalideerd overeenkomstig het in punt 7.2.2 beschreven veranderingsbeheerproces. Het Bureau formuleert tegen 13 oktober 2012 een aanbeveling aan de Commissie over de bijgewerkte bijlage A, die als baseline geldt voor de implementatie.

3.   Het Bureau evalueert de invoering van de TAF teneinde te bepalen of de beoogde doelstellingen en termijnen zijn gehaald.

Artikel 4 quater

De lidstaten stellen alle op hun grondgebied gevestigde spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en houders van goederenwagons in kennis van deze verordening en belasten een nationaal contactpunt met de follow-up van de tenuitvoerlegging daarvan.”.

Artikel 2

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 62/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De punten 7.1, 7.2 en 7.3 worden vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage A wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

3)

In deel 2.3.1 wordt in de alinea die begint met „Sommige dienstverleners…” de tekst „(zie tevens bijlage A, tabblad 6)” geschrapt.

4)

In de punten 4.2, 4.2.3.1, 4.2.4.1 en 4.2.8.1, wordt de verwijzing naar „tabblad 1” vervangen door een verwijzing naar „aanhangsel F”.

5)

In punt 4.2.1.1 wordt de zin:

„Deze gegevens, met inbegrip van de aanvullende gegevens (voor een beschrijving zie bijlage A, tabblad 3) zijn te vinden in de tabel in bijlage A, tabblad 3, met vermelding in de regel „Vrachtbriefgegevens” of ze verplicht of facultatief zijn en of ze moeten worden afgegeven door de afzender of aangevuld door de hoofdspoorwegonderneming.”

vervangen door:

„Deze gegevens, met inbegrip van de aanvullende gegevens (voor een beschrijving zie bijlage A — aanhangsel A, B, F en bijlage 1 bij aanhangsel B) zijn te vinden in de tabel in bijlage A — bijlage 1 bij aanhangsel B, met vermelding in de regel „Vrachtbriefgegevens” of ze verplicht dan wel facultatief zijn en of ze moeten worden afgegeven door de afzender of aangevuld door de hoofdspoorwegonderneming.”.

6)

In punt 4.2.1.2 wordt de zin:

„De gegevens van de vervoersopdrachten naar gelang van de rol van de spoorwegonderneming worden besproken in bijlage A, tabblad 3, met vermelding of zij verplicht dan wel facultatief zijn. Het formaat van deze berichten wordt nader bepaald in bijlage A, tabblad 1.”

vervangen door:

„De gegevens van de vervoersopdrachten naar gelang van de rol van de spoorwegonderneming worden besproken in bijlage A — aanhangsel A en B en bijlage 1 bij aanhangsel B, met vermelding of zij verplicht dan wel facultatief zijn. Het formaat van deze berichten wordt nader bepaald in bijlage A, aanhangsel F.”.

7)

In punt 4.2.2.1 worden „tabblad 4” en „tabblad 1” allebei vervangen door „aanhangsel F”.

8)

In punt 4.2.11.2 wordt „tabblad 2” vervangen door „aanhangsel D en F”.

9)

In punt 4.2.11.3 wordt „tabblad 2” vervangen door „aanhangsel A, B, F en bijlage 1 bij aanhangsel B”.

10)

In punt 6.2 wordt „tabblad 1” vervangen door „aanhangsel E en F”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 april 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1.

(2)   PB L 13 van 18.1.2006, blz. 1.

(3)   PB L 123 van 12.5.2011, blz. 11.


BIJLAGE I

7.1.   Toepassingsvoorwaarden voor deze TSI

7.1.1.   Inleiding

Deze TSI heeft betrekking op het subsysteem telematicatoepassingen voor goederenvervoersdiensten. Dit subsysteem is functioneel van aard in de zin van bijlage II bij Richtlijn 2008/57/EG. De toepassing van deze TSI is derhalve niet afhankelijk van het concept van een nieuw, vernieuwd of aangepast subsysteem, zoals gebruikelijk is bij TSI’s die betrekking hebben op subsystemen van structurele aard, behalve als dit in de TSI gespecificeerd wordt.

De TSI wordt in fasen ten uitvoer gelegd:

—   fase één: gedetailleerde IT-specificaties en masterplan;

—   fase twee: ontwikkeling;

—   fase drie: introductie.

7.1.2.   Fase één — gedetailleerde IT-specificaties en masterplan

De specificaties inzake de functionele eisen die tijdens de ontwikkeling en introductie van het computersysteem de basis zullen vormen voor de voornoemde technische architectuur, zijn opgenomen in de aanhangsels A tot en met F bij bijlage A.

In het bindende masterplan, dat alle fasen van de ontwikkeling tot de introductie van het computersysteem, bestrijkt en voortbouwt op het door de spoorwegsector opgestelde Strategic European Deployment Plan (SEDP), worden de centrale architectuurcomponenten van het systeem beschreven en is bepaald welke belangrijke activiteiten zullen worden uitgevoerd.

7.1.3.   Fase 2 en 3 — Ontwikkeling en introductie

Spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en houders van goederenwagons ontwikkelen en introduceren het TAF-computersysteem overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 7.

7.1.4.   Bestuur, taken en verantwoordelijkheden

Voor de ontwikkeling en introductie wordt een bestuurlijke structuur opgezet met de volgende actoren:

De stuurgroep

De stuurgroep krijgt de volgende taken en verantwoordelijkheden:

1.

De stuurgroep vormt de strategische beheerstructuur die als taak heeft de werkzaamheden voor de tenuitvoerlegging van de TSI TAF efficiënt te beheren en te coördineren. Dit omvat de beleidsvoorbereiding, het uitstippelen van de strategie en de bepaling van de prioriteiten. Daarbij houdt de stuurgroep ook rekening met de belangen van kleine ondernemingen, nieuwkomers en spoorwegondernemingen die specifieke diensten aanbieden.

2.

De stuurgroep ziet toe op het implementatieproces. Hij brengt regelmatig, minstens vier maal per jaar, verslag uit aan de Europese Commissie over de ten opzichte van het masterplan geboekte vooruitgang. De stuurgroep neemt de nodige stappen om de voornoemde ontwikkelingen bij te sturen wanneer te ver van het masterplan wordt afgeweken.

3.

De stuurgroep bestaat uit:

de op Europees niveau optredende representatieve instanties van de spoorwegsector in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 881/2004 („representatieve instanties van de sector”);

het Europees Spoorwegbureau, en

de Commissie.

4.

Het voorzitterschap van de stuurgroep wordt gezamenlijk waargenomen door a) de Commissie en b) een door de representatieve instanties van de spoorwegsector aangewezen persoon. Bijgestaan door de leden van de stuurgroep, stelt de Commissie een ontwerp op van het reglement van orde van de stuurgroep, waarover de stuurgroep overeenstemming dient te bereiken.

5.

De leden van de stuurgroep kunnen de stuurgroep voorstellen andere organisaties als waarnemers toe te laten indien daar deugdelijke technische en organisatorische redenen toe zijn.

De belanghebbenden

De spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en houders van goederenwagons zetten een efficiënte bestuurlijke structuur op waarmee het TAF-systeem efficiënt kan worden ontwikkeld en ingevoerd.

De voornoemde belanghebbenden:

leveren de inspanningen en de middelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze verordening;

conformeren zich aan de beginselen inzake de toegang tot de gemeenschappelijke componenten van de TSI TAF, die voor alle marktdeelnemers beschikbaar worden gesteld tegen uniforme, transparante en zo laag mogelijke dienstverleningskosten;

zorgen ervoor dat alle marktdeelnemers toegang hebben tot alle uitgewisselde gegevens die noodzakelijk zijn om hun wettelijke verplichtingen na te komen en om hun functies uit te oefenen overeenkomstig de functionele eisen van de TSI TAF;

bewaken de vertrouwelijkheid van klantenrelaties;

stellen een mechanisme in zodat „laatkomers” kunnen aansluiten bij de ontwikkeling van de TAF en, tot tevredenheid van zowel de voornoemde actoren als de „nieuwkomers” over de verdeling van de kosten, gebruik kunnen maken van de reeds verwezenlijkte TAF-ontwikkelingen met betrekking tot de gemeenschappelijke componenten;

rapporteren aan de TAF-stuurgroep via implementatieplannen over de voortgang. In deze rapportage worden tevens — indien wenselijk — de afwijkingen van het masterplan opgenomen.

De representatieve instanties

De op Europees niveau optredende representatieve instanties van de spoorwegsector in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 881/2004 voeren de volgende taken uit en dragen de volgende verantwoordelijkheden:

zij vertegenwoordigen hun afzonderlijke belanghebbende leden op de TSI TAF-stuurgroep;

informeren hun leden over hun verplichtingen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening;

waarborgen alle voornoemde actoren een volledige en actuele toegang tot de informatie betreffende de stand van de werkzaamheden van de stuurgroep en alle andere werkgroepen teneinde bij de tenuitvoerlegging van de TSI TAF de belangen van elke vertegenwoordiger tijdig te behartigen;

verzekeren de efficiënte informatiedoorstroming van hun individuele leden naar de TAF-stuurgroep zodat bij beslissingen die een impact hebben op de ontwikkeling en invoering van TAF rekening wordt gehouden met hun belangen;

verzekeren de efficiënte informatiedoorstroming van de TAF-stuurgroep naar hun individuele leden zodat zij worden geïnformeerd over beslissingen die een impact hebben op de ontwikkeling en invoering van TAF.

7.2.   Veranderingsbeheer

7.2.1.   Veranderingsbeheerproces

Er worden procedures voor veranderingsbeheer ingesteld om te waarborgen dat de kosten en baten van veranderingen goed worden geanalyseerd en dat veranderingen op gecontroleerde wijze worden doorgevoerd. Deze procedures worden omschreven, ingesteld, ondersteund en beheerd door het Europees Spoorwegbureau en omvatten:

de identificatie van de technische beperkingen die aan de verandering ten grondslag liggen;

een verklaring wie de verantwoordelijkheid neemt voor de procedures voor de implementatie van veranderingen;

de procedure voor het valideren van de door te voeren veranderingen;

het beleid inzake veranderingsbeheer, publicatie, migratie en uitrol;

de definitie van de verantwoordelijkheden voor het beheer van de gedetailleerde specificaties en voor zowel de kwaliteitsborging als het configuratiebeheer ervan.

De Change Control Board (CCB) wordt samengesteld uit het Europees Spoorwegbureau, representatieve instanties van de spoorwegsector en de nationale veiligheidsinstanties. Door al deze partijen bij het proces te betrekken, wordt een overzicht van de uit te voeren veranderingen en een algehele evaluatie van de implicaties ervan gewaarborgd. De Commissie kan andere partijen in de CCB opnemen indien hun deelname noodzakelijk lijkt. De CCB komt uiteindelijk onder toezicht van het Europees Spoorwegbureau te staan.

7.2.2.   Specifiek veranderingsbeheerproces voor de in bijlage A bij deze verordening genoemde documenten

Het veranderingsbeheer van de in bijlage A bij deze verordening genoemde documenten wordt door het Europees Spoorwegbureau ingesteld overeenkomstig de volgende criteria:

1.

De veranderingsverzoeken met gevolgen voor de technische documenten worden ingediend via de nationale veiligheidsinstanties (NVI’s), via de op Europees niveau optredende representatieve instanties van de spoorwegsector in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 881/2004 of via de TSI TAF-stuurgroep. De Commissie kan andere indienende partijen aan deze lijst toevoegen indien hun deelname noodzakelijk lijkt.

2.

Het Europees Spoorwegbureau verzamelt en bewaart de veranderingsverzoeken.

3.

Het Europees Spoorwegbureau legt veranderingsverzoeken voor aan de betreffende werkgroep van het Bureau, die ze beoordeelt en vervolgens een voorstel opstelt, eventueel aangevuld met een economische evaluatie.

4.

Vervolgens legt het Europees Spoorwegbureau het veranderingsverzoek en het bijbehorende voorstel voor aan de Change Control Board, die het veranderingsverzoek al dan niet valideert, dan wel uitstelt.

5.

Als het veranderingsverzoek niet wordt gevalideerd, stuurt het Europees Spoorwegbureau de indiener van het verzoek de reden voor de afwijzing dan wel een verzoek om aanvullende inlichtingen over het ontwerp van veranderingsverzoek.

6.

Het document wordt gewijzigd op basis van gevalideerde veranderingsverzoeken.

7.

Het Europees Spoorwegbureau formuleert ten behoeve van de Commissie een aanbeveling tot bijwerking van bijlage A en voegt daarbij een nieuwe ontwerpversie van het document en een overzicht van de ingediende veranderingsverzoeken en de economische evaluatie daarvan.

8.

Het Europees Spoorwegbureau publiceert de nieuwe ontwerpversie van het document en de gevalideerde veranderingsverzoeken op zijn website.

9.

Zodra de aangepaste bijlage A in het Publicatieblad van de Europese Unie is verschenen, plaatst het Europees Spoorwegbureau de nieuwe versie van het document op zijn website.

Indien het veranderingsbeheer gevolgen heeft voor elementen die tevens in de TSI TAF worden gebruikt, worden de veranderingen zo nauw mogelijk afgestemd op de ten uitvoer gelegde TSI TAF teneinde maximale synergieën te creëren.


BIJLAGE II

„BIJLAGE A

LIJST VAN BEGELEIDENDE STUKKEN

Lijst van verplichte specificaties

Index-nr.

Kenmerk

Documentnaam

Versie

5

ERA_FRS_TAF_A_Index_5.doc

TSI TAF — BIJLAGE A.5: Cijfers en volgordeschema’s van de TSI TAF-boodschappen

1.0


Bijlage

Kenmerk

Documentnaam

Versie

A

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_A.doc

TSI TAF — BIJLAGE D.2: AANHANGSEL A (ROUTEPLANNING WAGON/ILU)

1.0

B

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_B.doc

TSI TAF — BIJLAGE D.2: AANHANGSEL B — EXPLOITATIEDATABANK WAGONS EN ILU (WIMO)

1.0

B — Bijlage 1

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_B_Annex_1.doc

TSI TAF — BIJLAGE D.2: AANHANGSEL B — EXPLOITATIEDATABANK WAGONS EN ILU (WIMO) — BIJLAGE 1: WIMO-GEGEVENS

1.0

C

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_C.doc

TSI TAF — BIJLAGE D.2: AANHANGSEL C — REFERENTIEDOCUMENTEN

1.0

D

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_D.doc

TSI TAF — BIJLAGE D.2: AANHANGSEL D — GEGEVENS INZAKE ADVIEZEN OVER INFRASTRUCTUURBEPERKINGEN

1.0

E

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_E.doc

TSI TAF-BIJLAGE D.2: Aanhangsel E — Gemeenschappelijke interface

1.0

F

ERA_FRS_TAF_D_2_Appendix_F.doc

TSI TAF — BIJLAGE D.2: AANHANGSEL F — DATA- EN BERICHTENMODEL TST TAF

1.0”


18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 329/2012 VAN DE COMMISSIE

van 17 april 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 april 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

45,5

TN

105,7

TR

108,2

ZZ

86,5

0707 00 05

TR

130,0

ZZ

130,0

0709 93 10

MA

91,2

TR

149,7

ZZ

120,5

0805 10 20

EG

54,3

IL

71,0

MA

49,9

TN

54,8

TR

61,6

ZA

34,5

ZZ

54,4

0805 50 10

EG

34,3

TR

45,5

ZZ

39,9

0808 10 80

AR

76,6

BR

84,7

CA

128,3

CL

97,3

CN

107,9

MK

31,8

NZ

137,2

US

167,2

UY

72,9

ZA

101,2

ZZ

100,5

0808 30 90

AR

104,0

CL

118,2

CN

88,4

US

107,0

ZA

115,5

ZZ

106,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/22


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 april 2012

tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijsten van grensinspectieposten en veterinaire eenheden in Traces

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 2377)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/197/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 20, leden 1 en 3,

Gezien Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (2), en met name artikel 6, lid 4, tweede alinea, tweede zin,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (3), en met name artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2009/821/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot opstelling van een lijst van erkende grensinspectieposten, tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor door veterinaire deskundigen van de Commissie uitgevoerde inspecties en tot vaststelling van de veterinaire eenheden in Traces (4) is een lijst van overeenkomstig de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG erkende grensinspectieposten vastgesteld. Die lijst is opgenomen in bijlage I bij die beschikking.

(2)

Punt 15 van de bijzondere opmerkingen in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG betreft de geldigheidsduur van de voorlopige erkenning van de grensinspectiepost in de haven Marseille Port tot de voltooiing van de werkzaamheden om die voorzieningen te verbeteren teneinde volledig te voldoen aan de voorschriften van de EU-wetgeving. Die voorlopige erkenning was geldig tot en met 31 juli 2011. Frankrijk heeft de Commissie meegedeeld dat als gevolg van een aantal vertragingen de verbetering van de voorzieningen pas op 1 juli 2012 zal zijn voltooid. Daarom dient de voorlopige erkenning van de grensinspectiepost in de haven Marseille Port te worden verlengd tot die datum. Punt 15 van de bijzondere opmerkingen in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. Met het oog op de rechtszekerheid moet die wijziging met terugwerkende kracht van toepassing zijn.

(3)

Op grond de mededeling van België moet de vermelding voor het inspectiecentrum „Kaai 650” in de grensinspectiepost in de haven van Antwerpen worden geschrapt van de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(4)

De inspectiedienst van de Commissie (Voedsel- en Veterinair Bureau — VVB) heeft een audit uitgevoerd in Bulgarije, die aanleiding gaf tot een aantal aanbevelingen voor die lidstaat. Bulgarije heeft meegedeeld dat de erkenning van de grensinspectiepost van Kapitan Andreevo (weg) moet worden gewijzigd om rekening te houden met die aanbevelingen. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd in de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(5)

Het VVB heeft een audit uitgevoerd in Griekenland, die aanleiding gaf tot een aantal aanbevelingen voor die lidstaat. Griekenland heeft meegedeeld dat de erkenning voor de categorie „paardachtigen” voor de grensinspectiepost van Peplos (weg) tijdelijk moet worden ingetrokken om rekening te houden met die aanbevelingen. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd in de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(6)

Op grond van de mededeling van Spanje moet de erkenning voor de categorieën „paardachtigen” en „hoefdieren” voor het inspectiecentrum „Flightcare” in de grensinspectiepost op de luchthaven van Madrid worden geschrapt. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd in de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(7)

Italië heeft meegedeeld dat de grensinspectiepost van de luchthaven van Brescia Montichiari moet worden geschrapt uit de lijst van vermeldingen voor die lidstaat en dat de naam van een inspectiecentrum in de grensinspectiepost op de luchthaven Roma-Fiumicino moet worden gewijzigd. Bovendien heeft Italië verzocht om tijdelijke schorsing van zes grensinspectieposten en de tijdelijke schorsing van de erkenning voor de categorieën „paardachtigen” en „hoefdieren” voor de grensinspectiepost van de haven van La Spezia. Italië heeft ook verzocht om tijdelijke schorsing van de vergunning voor alle producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor menselijke consumptie, verpakt, en voor producten van dierlijke oorsprong die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, verpakt, ingevroren en gekoeld, alsmede om schrapping van de erkenning voor de categorie „andere dieren (met inbegrip van dierentuindieren)” voor de grensinspectiepost van de luchthaven Milano-Linate. De lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Nederland heeft meegedeeld dat de naam van een inspectiecentrum in de grensinspectiepost in Rotterdam is veranderd. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd in de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(9)

Op grond van door Roemenië verstrekte informatie moet de erkenning voor de categorie „levende dieren” voor een inspectiecentrum in de grensinspectiepost van luchthaven Henri Coandã in Boekarest tijdelijk worden opgeschort. De vermelding voor die grensinspectiepost moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd in de lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG.

(10)

Bijlage II bij Beschikking 2009/821/EG stelt de lijst van centrale, regionale en lokale eenheden in het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces) vast.

(11)

Op grond van de mededelingen van Duitsland, Estland, Ierland, Hongarije en Oostenrijk moeten aan de in bijlage II bij Beschikking 2009/821/EG voor die lidstaten vastgestelde lijst van centrale, regionale en lokale eenheden in Traces bepaalde veranderingen worden aangebracht.

(12)

Beschikking 2009/821/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Beschikking 2009/821/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

De wijziging in punt 1, onder a), van de bijlage is van toepassing met ingang van 1 augustus 2011.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 16 april 2012.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(2)   PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.

(3)   PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(4)   PB L 296 van 12.11.2009, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlagen I en II bij Beschikking 2009/821/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt (15) van de bijzondere opmerkingen wordt vervangen door:

„(15)

=

Това одобрение важи единствено до 1 юли 2012 г. – Toto schválení platí pouze do 1.7.2012. – Denne godkendelse gælder kun indtil den 1. juli 2012. – Diese Genehmigung gilt nur bis zum 1. Juli 2012. – See heakskiit kehtib ainult 1. juulini 2012. – Η έγκριση αυτή ισχύει μόνο μέχρι την 1η Ιουλίου 2012. – This approval is valid only until 1.7.2012. – Esta autorización únicamente es válida hasta el 1/7/2012. – Cette autorisation n’est valable que jusqu’au 1er juillet 2012. – La presente autorizzazione è valida soltanto fino al 1.7.2012. – Šis apstiprinājums ir spēkā tikai līdz 2012. gada 1. jūlijam. – Šis patvirtinimas galioja tik iki 2012 m. liepos 1 d. – A jóváhagyás 2012. július 1-ig érvényes. – Din l-approvazzjoni hija valida biss sal-1/7/2012. – Deze goedkeuring is slechts geldig tot en met 1 juli 2012. – Niniejsze zatwierdzenie jest ważne do 1/7/2012. – Esta aprovação só é válida até 1 de julho de 2012. – Această aprobare este valabilă numai până la 1 iulie 2012. – Ta odobritev velja samo do 1. julija 2012. – Toto schválenie je platné len do 1. júla 2012. – Tämä hyväksyntä on voimassa ainoastaan 1.7.2012 saakka. – Detta godkännande är bara giltigt till den 1 juli 2012.”;

b)

in het deel betreffende België wordt de vermelding voor de haven van Antwerpen vervangen door:

„Antwerpen

Anvers

BE ANR 1

P

GIP LO

HC(2), NHC

 

 

Afrulog

HC(2), NHC”

 

c)

in het deel betreffende Bulgarije wordt de vermelding voor Kapitan Andreevo (weg) vervangen door:

„Kapitan Andreevo

BG KAN 3

R

 

HC(2), NHC-NT

U, E, O”

d)

in het deel betreffende Griekenland wordt de vermelding voor Peplos (weg) vervangen door:

„Peplos

GR PEP 3

R

 

HC(2), NHC-NT

E(*)”

e)

in het deel betreffende Spanje wordt de vermelding voor de luchthaven van Madrid vervangen door:

„Madrid

ES MAD 4

A

Iberia

HC(2), NHC(2)

U, E, O

Flightcare

HC(2), NHC-T(CH)(2), NHC-NT(2)

O

PER4

HC-T(CH)(2)

 

WFS: World Wide Flight Services

HC(2), NHC-T(CH)(2), NHC-NT

O”

f)

het deel betreffende Italië wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermelding voor de luchthaven van Ancona wordt vervangen door:

„Ancona(*)

IT AOI 4

A

 

HC(*), NHC(*)”

 

ii)

de vermelding voor de luchthaven van Brescia Montichiari wordt geschrapt;

iii)

de vermelding voor de luchthaven van Brindisi wordt vervangen door:

„Brindisi(*)

IT BDS 1

P

 

HC(*)”

 

iv)

de vermelding voor de luchthaven van Genova wordt vervangen door:

„Genova(*)

IT GOA 4

A

 

HC(2)(*), NHC(2)(*)

O(*)”

v)

de vermelding voor de luchthaven van La Spezia wordt vervangen door:

„La Spezia

IT SPE 1

P

 

HC, NHC

U(*), E(*)”

vi)

de vermelding voor de luchthaven Milano-Linate wordt vervangen door:

„Milano-Linate

IT LIN 4

A

 

HC(2)(*), NHC-T(2)(*), NHC-NT”

 

vii)

de vermelding voor de luchthaven van Napels wordt vervangen door:

„Napoli(*)

IT NAP 4

A

 

HC(*), NHC-NT(*)”

 

viii)

de vermelding voor de luchthaven van Roma-Fiumicino wordt vervangen door:

„Roma-Fiumicino

IT FCO 4

A

Nuova Alitalia

HC(2), NHC-NT(2)

O(14)

FLE

HC, NHC

 

Isola Veterinaria ADR

 

U, E, O”

ix)

de vermelding voor de luchthaven van Torino-Caselle wordt vervangen door:

„Torino-Caselle(*)

IT CTI 4

A

 

HC(2)(*), NHC-NT(2)(*)”

 

x)

de vermelding voor de luchthaven van Verona wordt vervangen door:

„Verona(*)

IT VRN 4

A

 

HC(2)(*), NHC(2)(*)”

 

g)

in het deel betreffende Nederland wordt de vermelding voor de haven van Rotterdam vervangen door:

„Rotterdam

NL RTM 1

P

Eurofrigo Karimatastraat

HC, NHC-T(FR), NHC-NT

 

Eurofrigo, Abel Tasmanstraat

HC

 

Frigocare Rotterdam bv

HC-T(2)

 

Coldstore Wibaco bv

HC-T(FR)(2), HC-NT(2)”

 

h)

in het deel betreffende Roemenië wordt de vermelding voor de luchthaven Henri Coandã in Boekarest vervangen door:

„Bucharest Henri Coandã

RO OTP 4

A

IC 1

HC-NT(2), HC-T(CH)(2), NHC-NT(2)

 

IC 2(*)

 

E(*), O(*)”

2.

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

het deel betreffende Duitsland wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermeldingen voor de lokale eenheden „DE03013 BAD DOBERAN” en „DE09413 DEMMIN” worden vervangen door:

„DE17413

ROSTOCK

DE29213

MECKLENBURGISCHE SEENPLATTE”

ii)

de vermelding voor de lokale eenheid „DE25713 LUDWIGSLUST” wordt vervangen door:

„DE33113

LUDWIGSLUST-PARCHIM”

iii)

de vermelding voor de lokale eenheid „DE16913 NORDVORPOMMERN” wordt vervangen door:

„DE42513

VORPOMMERN-RÜGEN”

iv)

de vermelding voor de lokale eenheid „DE01513 OSTVORPOMMERN UND HANSESTADT GREIFSWALD” wordt vervangen door:

„DE01513

VORPOMMERN-GREIFSWALD”

v)

de volgende vermeldingen voor de regionale eenheid „DE00013 MECKLENBURG-VORPOMMERN” worden geschrapt:

„DE17413

GÜSTROW”

„DE30213

MECKLENBURG STRELITZ”

„DE44913

MÜRITZ”

„DE29213

NEUBRANDENBURG STADT”

„DE33113

PARCHIM”

„DE04913

RÜGEN”

„DE42513

STRALSUND HANSESTADT”

„DE33213

UECKER-RANDOW”

vi)

de vermelding voor de lokale eenheid „DE40903 SOLTAU FALLINGBOSTEL, LANDKREIS” wordt vervangen door:

„DE40903

HEIDEKREIS, LANDKREIS”

vii)

de vermeldingen voor de regionale eenheid „DE00014 SACHSEN” worden vervangen door:

„DE02514

ERZGEBIRGSKREIS

DE04414

BAUTZEN, LANDKREIS

DE07814

CHEMNITZ STADT

DE15814

ZWICKAU, LANDKREIS

DE09214

NORDSACHSEN, LANDKREIS

DE10514

DRESDEN LANDESHAUPTSTADT

DE24314

LEIPZIG STADT

DE24414

LEIPZIG LANDKREIS

DE48414

GÖRLITZ, LANDKREIS

DE27414

MEISSEN, LANDKREIS

DE17714

MITTELSACHSEN, LANDKREIS

DE02614

VOGTLANDKREIS

DE10014

SÄCHSISCHE SCHWEIZ-OSTERZGEBIRGE, LANDKREIS”

b)

in het deel over Estland wordt de vermelding voor de lokale eenheid „EE00300 EDISE” vervangen door:

„EE00300

IDA-VIRUMAA”.

c)

in het deel betreffende Ierland worden alle lokale eenheden vervangen door:

„IE00200

CAVAN TOWN

IE00400

CORK CITY

IE10400

CLONAKILTY

IE00500

RAPHOE

IE00700

GALWAY CITY

IE00800

TRALEE

IE00900

NAAS

IE11200

DRUMSHANBO

IE01300

LIMERICK CITY

IE01600

CASTLEBAR

IE01700

NAVAN

IE01900

TULLAMORE

IE02000

ROSCOMMON TOWN

IE12100

TIPPERARY TOWN

IE02300

WATERFORD CITY

IE02500

ENNISCORTHY

IE10900

ROSSLARE”

d)

het deel betreffende Hongarije wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermelding voor de centrale eenheid „HU00000 MINISTRY OF AGRICULTURE AND RURAL DEVELOPMENT ANIMAL HEALTH AND FOOD CONTROL DEPARTMENT” wordt vervangen door:

„HU00000

MINISTRY OF RURAL DEVELOPMENT”

ii)

de vermelding voor de lokale eenheid „HU00100 BUDAPEST” wordt vervangen door:

„HU00100

PEST”

iii)

de vermelding voor de volgende lokale eenheid wordt geschrapt:

„HU01400

GÖDÖLLŐ”

e)

het deel betreffende Oostenrijk wordt als volgt gewijzigd:

i)

de vermelding voor de lokale eenheid „AT00609 JUDENBURG” wordt vervangen door:

„AT00609

MURTAL”

ii)

de vermelding voor de volgende lokale eenheid wordt geschrapt:

„AT00610

KNITTELFELD”


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

18.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/28


BESLUIT Nr. 1/2012 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-TUNESIË

van 20 februari 2012

tot wijziging van artikel 15, lid 7, van Protocol nr. 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking

(2012/198/EU)

DE ASSOCIATIERAAD,

Gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, en met name artikel 39 van Protocol nr. 4 bij die overeenkomst,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 15, lid 7, van Protocol nr. 4 (1) bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds (2) (hierna „de overeenkomst” genoemd), kan onder bepaalde voorwaarden tot 31 december 2009 teruggave of vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking worden verleend.

(2)

Teneinde het bedrijfsleven duidelijkheid, economische voorspelbaarheid op de lange termijn en rechtszekerheid te garanderen, zijn de partijen tot de overeenkomst overeengekomen om de toepassing van artikel 15, lid 7, van Protocol nr. 4 bij de overeenkomst met drie jaar te verlengen met ingang van 1 januari 2010.

(3)

Voorts dienen de thans in Tunesië toepasselijke douanerechten te worden aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de in de Europese Unie geldende rechten.

(4)

Protocol nr. 4 bij de overeenkomst dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(5)

Aangezien artikel 15, lid 7, van Protocol nr. 4 bij de overeenkomst ophoudt van toepassing te zijn op 31 december 2009, dient dit besluit van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2010,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Lid 7 van artikel 15 van Protocol nr. 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking, wordt vervangen door:

„7.   Niettegenstaande lid 1 mag Tunesië, behalve voor producten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem, regelingen toepassen voor de teruggave of vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking die van toepassing zijn op niet van oorsprong zijnde materialen die gebruikt zijn bij de vervaardiging van producten van oorsprong, op voorwaarde dat:

a)

een douanerecht van 4 %, of een lager recht indien dit in Tunesië van toepassing is, wordt geheven op producten die onder de hoofdstukken 25 tot en met 49 en 64 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld;

b)

een douanerecht van 8 %, of een lager recht indien dit in Tunesië van toepassing is, wordt geheven op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld.

Dit lid is tot en met 31 december 2012 van toepassing en kan in onderling overleg worden herzien.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2010.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2012.

Voor de Associatieraad EU-Tunesië

De voorzitster

C. ASHTON


(1)   PB L 260 van 21.9.2006, blz. 3.

(2)   PB L 97 van 30.3.1998, blz. 2.