ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.071.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 71

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
9 maart 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2012/142/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 februari 2012 inzake de toetreding van de Europese Unie tot Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme bepalingen voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft ( 1 )

1

 

 

2012/143/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 februari 2012 betreffende het standpunt van de Europese Unie over het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake voetgangersveiligheid en het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake lichtbronnen met lichtdioden (leds)

3

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 193/2012 van de Raad van 8 maart 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 194/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van het bedrag van de steun voor particuliere opslag van bepaalde visserijproducten voor het visseizoen 2012

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 195/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van de EU-verkoopprijzen voor de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad genoemde visserijproducten voor het visseizoen 2012

11

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 196/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van het bedrag van de steun voor verkoopuitstel en van de forfaitaire premie voor bepaalde visserijproducten voor het visseizoen 2012

13

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 197/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van de referentieprijzen voor bepaalde visserijproducten voor het visseizoen 2012

15

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 198/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van de EU-ophoudprijzen en -verkoopprijzen voor de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 104/2000 genoemde visserijproducten voor het visseizoen 2012

19

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 199/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van de forfaitaire waarde van de in het visseizoen 2012 uit de markt genomen visserijproducten die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de financiële vergoeding en het hierop betrekking hebbende voorschot

29

 

*

Verordening (EU) nr. 200/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij koppels slachtkuikens, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

31

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 201/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof nitroxinil betreft ( 1 )

37

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 202/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof gepegyleerde boviene granulocyt-koloniestimulerende factor betreft ( 1 )

40

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 203/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de uitvoeringsbepalingen inzake biologische wijn

42

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 204/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

48

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit 2012/144/GBVB van de Raad van 8 maart 2012 tot uitvoering van Besluit 2010/656/GBVB tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust

50

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 36/2010 van de Commissie van 3 december 2009 inzake communautaire modellen voor vergunningen van machinisten, aanvullende bevoegdheidsbewijzen, gewaarmerkte afschriften van aanvullende bevoegdheidsbewijzen en aanvraagformulieren voor vergunningen van machinisten, in het kader van Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad ( PB L 13 van 19.1.2010 )

55

 

*

Rectificatie van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging ( PB L 251 van 3.10.2003 )

55

 

*

Rectificatie van Richtlijn 92/66/EEG van de Raad van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle ( PB L 260 van 5.9.1992 )

55

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 februari 2012

inzake de toetreding van de Europese Unie tot Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme bepalingen voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/142/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („herziene overeenkomst van 1958”) (1), en met name artikel 3, lid 3, en artikel 4, lid 2, tweede streepje,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De gestandaardiseerde voorschriften van Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) met betrekking tot uniforme bepalingen voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft (3) (VN/ECE-Reglement nr. 29) zijn bedoeld om de technische belemmeringen voor de handel in motorvoertuigen tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de herziene overeenkomst van 1958 weg te nemen en een hoog veiligheids- en beschermingsniveau voor de inzittenden te waarborgen.

(2)

Op de datum van haar toetreding tot de herziene overeenkomst van 1958 is de Unie toegetreden tot een beperkt aantal VN/ECE-reglementen, die zijn opgenomen in de lijst van bijlage II bij Besluit 97/836/EG; VN/ECE-Reglement nr. 29 was niet in die lijst opgenomen.

(3)

Gezien de latere wijzigingen van VN-ECE-Reglement nr. 29 en gezien Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (4), volgens hetwelk de Unie VN/ECE-Reglement nr. 29 in acht moet nemen, moet dit VN/ECE-reglement in het EU-systeem voor typegoedkeuring van motorvoertuigen worden opgenomen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme bepalingen voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Reglement nr. 29 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme bepalingen voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft, wordt in het EU-systeem voor typegoedkeuring van motorvoertuigen opgenomen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

De Commissie stelt de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in kennis van dit besluit.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LIDEGAARD


(1)   PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(2)  Instemming betuigd op 19 januari 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)   PB L 304 van 20.11.2010, blz. 21.

(4)   PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/3


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 februari 2012

betreffende het standpunt van de Europese Unie over het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake voetgangersveiligheid en het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake lichtbronnen met lichtdioden (leds)

(2012/143/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen (herziene overeenkomst van 1958) (1), en met name artikel 4, lid 2, tweede streepje,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De gestandaardiseerde voorschriften van het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende eenvormige bepalingen voor de goedkeuring van motorvoertuigen wat de prestaties op het gebied van voetgangersveiligheid betreft (3) en het ontwerpreglement van de VN/ECE betreffende eenvormige bepalingen voor de goedkeuring van lichtbronnen met lichtdioden (leds) voor gebruik in goedgekeurde signaallichten op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (4) zijn bedoeld om technische belemmeringen voor de handel in motorvoertuigen tussen de partijen bij de herziene overeenkomst van 1958 op te heffen en ervoor te zorgen dat die voertuigen een hoog veiligheids- en beschermingsniveau bieden.

(2)

Het is aangewezen het standpunt van de Europese Unie over die ontwerpreglementen te bepalen en zo de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, in staat te stellen voor die ontwerpen te stemmen.

(3)

De ontwerpreglementen over zowel voetgangersveiligheid als lichtbronnen met lichtdioden (leds) moeten in het EU-systeem voor typegoedkeuring van motorvoertuigen worden opgenomen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het ontwerpreglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende eenvormige bepalingen voor de goedkeuring van motorvoertuigen wat de prestaties op het gebied van voetgangersveiligheid betreft, zoals vervat in document ECE TRANS/WP.29/2010/127, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Het ontwerpreglement van de VN/ECE betreffende eenvormige bepalingen voor de goedkeuring van lichtbronnen met lichtdioden (leds) voor gebruik in goedgekeurde signaallichten op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, zoals vervat in document ECE TRANS/WP.29/2010/44, wordt samen met de corrigenda ervan goedgekeurd.

Artikel 3

Op een van de volgende zittingen van het Comité van beheer van het VN/ECE-Wereldforum voor de harmonisatie van voertuigreglementen stemt de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, voor de in de artikelen 1 en 2 bedoelde ontwerpreglementen van de VN/ECE.

Artikel 4

Overeenkomstig de artikelen 35 en 36 van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (5), wordt de gelijkwaardigheid erkend van de voorschriften van het ontwerpreglement van de VN/ECE betreffende eenvormige bepalingen voor de goedkeuring van motorvoertuigen wat de prestaties op het gebied van voetgangersveiligheid betreft en die in bijlage I, punten 3.1, 3.3, 3.4 en 3.5, van Verordening (EG) nr. 78/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 inzake de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers betreft (6).

Artikel 5

De in de artikelen 1 en 2 bedoelde ontwerpreglementen van de VN/ECE worden in het EU-systeem voor typegoedkeuring van motorvoertuigen opgenomen.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LIDEGAARD


(1)   PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(2)  Instemming van 19 januari 2012 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad).

(3)  VN/ECE-document ECE TRANS/WP.29/2010/127.

(4)  VN/ECE-document ECE TRANS/WP.29/2010/44.

(5)   PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(6)   PB L 35 van 4.2.2009, blz. 1.


VERORDENINGEN

9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 193/2012 VAN DE RAAD

van 8 maart 2012

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Verordening (EG) nr. 560/2005 van de Raad van 12 april 2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (1), en met name artikel 11 bis, leden 2 en 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 12 april 2005 Verordening (EG) nr. 560/2005 aangenomen.

(2)

Op basis van een herziening van de lijst van personen en entiteiten die aan de in Verordening (EG) nr. 560/2005 vastgestelde beperkende maatregelen onderworpen zijn, acht de Raad de vermelding van een aantal personen op deze lijst niet langer gerechtvaardigd.

(3)

Voorts moet de informatie betreffende een persoon op de lijst in bijlage I en betreffende de personen op de lijst in bijlage I bis bij die verordening worden bijgewerkt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De vermelding voor de volgende persoon in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 560/2005:

Désiré Tagro

wordt vervangen door de vermelding in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Bijlage I bis bij Verordening (EG) nr. 560/2005 wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BØDSKOV


(1)   PB L 95 van 14.4.2005, blz. 1.


BIJLAGE I

In artikel 1 bedoelde vermelding

„Désiré TAGRO. Paspoortnummer: PD-AE 065FH08. Geboortedatum: 27 januari 1959. Geboorteplaats: Issia, Ivoorkust. Overleden op 12 april 2011 te Abidjan.

Secretaris-generaal van het zogenaamde „presidentschap” van de heer GBAGBO: neemt deel aan de onwettige regering van de heer GBAGBO; belemmert het proces voor vrede en verzoening; weigert de uitslag van de presidentsverkiezingen te erkennen; neemt deel aan de gewelddadige onderdrukking van volksbewegingen. Datum plaatsing op de VN-lijst: 30.3.2011 (plaatsing op de lijst van de Europese Unie: 22.12.2010).”


BIJLAGE II

„BIJLAGE I bis

Lijst van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen die niet zijn aangewezen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of het Sanctiecomité, als bedoeld in de artikelen 2, 4 en 7

 

Naam (en eventuele aliassen)

Identificatiegegevens

Redenen voor plaatsing op de lijst

1.

Kadet Bertin

Geboren in 1957 te Mama

Speciaal adviseur „veiligheid, defensie en militaire uitrusting” van Laurent Gbagbo, voormalig minister van Defensie van Laurent Gbagbo.

Neef van Laurent Gbagbo.

In ballingschap in Ghana. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Verantwoordelijkheid op het gebied van gewelddaden en gedwongen verdwijningen, alsook financiering en bewapening van de milities en de „jonge patriotten” (COJEP).

Betrokken bij de financiering van en de handel in wapens, en het omzeilen van het embargo.

Kadet Bertin onderhield bevoorrechte relaties met de milities in het westen en trad op als verbindingspersoon tussen Gbagbo en deze groepen. Betrokken bij de oprichting van het „Limacorps” (doodseskaders).

Blijft vanuit zijn ballingsoord in Ghana werken aan een gewapende herovering van de macht. Eist tevens de onmiddellijke vrijlating van Gbagbo.

Door zijn financiële slagkracht, zijn kennis van de illegale kanalen van de wapenhandel en zijn voortdurende contacten met nog steeds actieve militiegroepen (met name in Liberia) blijft Kadet Bertin een reële bedreiging voor de veiligheid en stabiliteit in Ivoorkust.

2.

Oulaï Delafosse

Geboren op 28 oktober 1968

Voormalig sous-préfet (onderprefect) van Toulepleu. Hoofd van de Union patriotique de résistance du Grand Ouest (Patriottische verzetsunie voor West-Ivoorkust).

Draagt als militiehoofd verantwoordelijkheid voor gewelddaden en misdrijven, in het bijzonder in het gebied rond Toulepleu.

Staat onder rechtstreeks bevel van Kadet Bertin en was tijdens de crisis na de verkiezingen zeer actief in het rekruteren van Liberiaanse huurlingen, alsook in de illegale handel in wapens afkomstig uit Liberia. Sinds het uitbreken van de crisis na de verkiezingen zaaien zijn troepen terreur en zijn honderden mensen afkomstig uit het noorden van Ivoorkust geëlimineerd.

Door zijn politieke extremisme, zijn verbondenheid met Kadet Bertin en de sterke banden met het milieu van de Liberiaanse huurlingen, blijft hij een bedreiging voor de stabiliteit van het land.

3.

Pastor Gammi

 

Hoofd van de in 2004 opgerichte militie „Mouvement ivoirien pour la libération de l’Ouest” (MILOCI — Ivoriaanse beweging voor de bevrijding van West-Ivoorkust). Als hoofd van de MILOCI, een pro-Gbagbomilitie, betrokken bij meerdere slachtpartijen en gewelddaden.

Op de vlucht in Ghana (zou zich in Takoradi bevinden). Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Is vanuit zijn ballingsoord toegetreden tot de „Coalition Internationale pour la libération de la Côte d’Ivoire” (CILCI — Internationale coalitie voor de bevrijding van Ivoorkust), die ijvert voor gewapend verzet met als doel Gbagbo opnieuw aan de macht te brengen.

4.

Marcel Gossio

Geboren op 18 februari 1951 in Adjamé

Paspoortnummer: 08AA14345 (geldig tot 6 oktober 2013)

Voortvluchtig buiten Ivoorkust. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Betrokken bij het verduisteren van openbare middelen en bij het financieren van troepenbewapening.

Sleutelfiguur bij de financiering van de Gbagbo-clan en de milities. Speelt tevens centrale rol in de illegale wapenhandel.

Vanwege de aanzienlijke bedragen die door hem zijn verduisterd en zijn kennis van de illegale bewapeningsnetwerken blijft hij een gevaar voor de stabiliteit en de veiligheid van Ivoorkust.

5.

Justin Koné Katina

 

Voortvluchtig in Ghana. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Betrokken bij de overval op de „Banque centrale des Etats de l’Afrique de l’Ouest” (BCEAO — Centrale bank van de West-Afrikaanse staten).

Blijft zich, ook vanuit zijn ballingsoord, opwerpen als woordvoerder van Gbagbo. In een perscommuniqué van 12 december 2011 beweert hij dat Ouattara nooit de verkiezingen heeft gewonnen en noemt hij het nieuwe bewind onrechtmatig. Roept op tot verzet en is van mening dat Gbagbo weer aan de macht zal komen.

6.

Ahoua Don Mello

Geboren op 23 juni 1958 in Bongouanou

Paspoortnummer: PD-AE/044GN02 (geldig tot 23 februari 2013)

Woordvoerder van Laurent Gbagbo. Voormalig minister van Uitrusting en Sanering in de onrechtmatige regering.

In ballingschap in Ghana. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Blijft vanuit zijn ballingsoord verklaren dat de verkiezing van president Ouattara frauduleus is en dat hij diens gezag niet erkent. Weigert gehoor te geven aan de verzoeningsoproep van de Ivoriaanse regering en roept in de pers dikwijls op tot opstand, verricht mobilisatierondes in de vluchtelingenkampen in Ghana.

In december 2011 verklaart hij dat Ivoorkust een „belegerde stammenstaat” is en dat „de dagen van het Ouattara-bewind zijn geteld”.

7.

Moussa Touré Zéguen

Geboren op 9 september 1944

Oud paspoort: AE/46CR05

Hoofd van de Groupement des patriotes pour la paix (GPP — Groepering van patriotten voor vrede),

Oprichter van de „Coalition Internationale pour la libération de la Côte d’Ivoire” (CILCI — Internationale coalitie voor de bevrijding van Ivoorkust).

Militiehoofd sinds 2002; geeft sinds 2003 leiding aan de GPP. Onder zijn bevel wordt de GPP de gewapende arm van Gbagbo in Abidjan en het zuiden van het land.

Samen met de GPP maakt hij zich schuldig aan zeer veel gewelddaden, hoofdzakelijk tegen de bevolkingsgroepen uit het noorden en tegen tegenstanders van het bewind.

Is persoonlijk betrokken bij de gewelddadigheden na de verkiezingen (met name in de wijken Abobo en Adjamé).

In zijn ballingsoord Accra richt Touré Zéguen de CILCI op, die tot doel heeft Gbagbo weer aan de macht te brengen.

Vanuit zijn ballingsoord legt hij de ene opruiende verklaring na de andere af (bv. tijdens de persconferentie van 9 december 2011); blijft denken volgens een strikte logica van conflict en gewapende vergelding. Is van mening dat Ivoorkust onder Ouattara onrechtmatig is en „is geherkoloniseerd”, en „roep[t] de Ivorianen op om de bedriegers te verjagen” (Jeune Afrique, juli 2011).

Onderhoudt een blog waarin hij fel oproept tot mobilisatie van het Ivoriaanse volk tegen Ouattara.”


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 194/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van het bedrag van de steun voor particuliere opslag van bepaalde visserijproducten voor het visseizoen 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 2813/2000 van de Commissie van 21 december 2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de toekenning van steun voor de particuliere opslag van bepaalde visserijproducten (2), en met name artikel 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het bedrag van de steun voor particuliere opslag mag niet hoger zijn dan de gedurende het visseizoen dat aan het betrokken visseizoen voorafgaat in de Unie geconstateerde technische en financieringskosten.

(2)

Het is dienstig om de steun voor particuliere opslag ineens toe te kennen, teneinde langdurige opslag te ontmoedigen, de betalingstermijnen te verkorten en de controletaken te verlichten.

(3)

Teneinde de werking van de interventieregeling in 2012 niet te hinderen, dient de onderhavige verordening met terugwerkende kracht van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2012.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het visseizoen 2012 wordt de steun voor particuliere opslag als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EG) nr. 104/2000 voor de in bijlage II bij die verordening genoemde producten als volgt vastgesteld:

eerste maand

:

219 EUR per ton

tweede maand

:

0 EUR per ton

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)   PB L 326 van 22.12.2000, blz. 30.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 195/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van de EU-verkoopprijzen voor de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad genoemde visserijproducten voor het visseizoen 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name artikel 25, leden 1 en 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor alle in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 104/2000 genoemde producten wordt vóór het begin van het visseizoen een EU-verkoopprijs vastgesteld die ten minste 70 % en ten hoogste 90 % van de oriëntatieprijs bedraagt.

(2)

Voor alle betrokken producten zijn de oriëntatieprijzen voor het visseizoen 2012 vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1388/2011 van de Raad (2).

(3)

De marktprijzen variëren aanzienlijk volgens de soorten en de commerciële aanbiedingsvormen van de producten, in het bijzonder voor pijlinktvis en heek.

(4)

Derhalve dienen, met het oog op de bepaling van het prijsniveau op basis waarvan kan worden overgegaan tot toepassing van de in artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde interventiemaatregel, aanpassingscoëfficiënten te worden vastgesteld voor de verschillende soorten en aanbiedingsvormen van de in de Unie aangevoerde bevroren producten.

(5)

Teneinde de werking van de interventieregeling in 2012 niet te hinderen, dient de onderhavige verordening met terugwerkende kracht van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2012.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 25, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde EU-verkoopprijzen voor de in bijlage II bij die verordening genoemde visserijproducten voor het visseizoen 2012, en de betrokken aanbiedingsvormen en aanpassingscoëfficiënten, worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)   PB L 346 van 30.12.2011, blz. 1.


BIJLAGE

VERKOOPPRIJZEN EN AANPASSINGSCOËFFICIËNTEN

Soort

Aanbiedingsvorm

Aanpassings-coëfficiënt

Interventie-niveau

Verkoopprijs

(in EUR/ton)

Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot

(Reinhardtius hippoglossoides)

Geheel of gestript, met of zonder kop

1,0

0,85

1 661

Heek

(Merluccius spp.)

Geheel of gestript, met of zonder kop

1,0

0,85

1 068

Afzonderlijke filets

 

 

 

met huid

1,0

0,85

1 299

zonder huid

1,1

0,85

1 429

Zeebrasem

(Dentex dentex en Pagellus spp.)

Geheel of gestript, met of zonder kop

1,0

0,85

1 242

Zwaardvis

(Xiphias gladius)

Geheel of gestript, met of zonder kop

1,0

0,85

3 518

Garnaal

Penaeidae

Bevroren

 

 

 

a)

Parapenaeus Longirostris

 

1,0

0,85

3 530

b)

Andere Penaeidae

 

1,0

0,85

6 641

Zeekat

(Sepia officinalis, Rossia macrosoma en Sepiola rondeletti)

Bevroren

1,0

0,85

1 669

Pijlinktvissen (Loligo spp.)

a)

Loligo patagonica

geheel, niet schoongemaakt

1,00

0,85

1 012

schoongemaakt

1,20

0,85

1 215

b)

Loligo vulgaris

geheel, niet schoongemaakt

2,50

0,85

2 531

schoongemaakt

2,90

0,85

2 936

Achtarmige inktvissen

(Octopus spp.)

Bevroren

1,00

0,85

1 892

Illex argentinus

geheel, niet schoongemaakt

1,00

0,80

719

tube

1,70

0,80

1 223

Commerciële aanbiedingsvormen:

geheel, niet-schoongemaakt

:

product dat geen enkele behandeling heeft ondergaan

schoongemaakt

:

product dat ten minste van de ingewanden is ontdaan

tube

:

pijlinktvis die ten minste van de ingewanden en de kop is ontdaan


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 196/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van het bedrag van de steun voor verkoopuitstel en van de forfaitaire premie voor bepaalde visserijproducten voor het visseizoen 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 2814/2000 van de Commissie van 21 december 2000 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de toekenning van steun voor verkoopuitstel van bepaalde visserijproducten (2), en met name artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 939/2001 van de Commissie van 14 mei 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad met betrekking tot de toekenning van forfaitaire steun voor bepaalde visserijproducten (3), en met name artikel 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 104/2000 is bepaald dat steun kan worden toegekend voor het uit de markt nemen van hoeveelheden van bepaalde verse producten die ofwel met het oog op stabilisatie worden bewerkt en vervolgens opgeslagen, ofwel worden verduurzaamd.

(2)

De steun moet voor de producentenorganisaties een voldoende stimulans vormen om uit de markt genomen producten te verwerken of te verduurzamen, en aldus vernietiging ervan te voorkomen.

(3)

Het bedrag van de steun moet zodanig worden vastgesteld dat het evenwicht op de markt voor de betrokken producten niet wordt verstoord en dat de concurrentieverhoudingen niet worden scheefgetrokken.

(4)

Het bedrag van de steun mag niet hoger zijn dan de gedurende het visseizoen dat aan het betrokken visseizoen voorafgaat, in de Unie geconstateerde technische en financiële kosten van de verrichtingen die noodzakelijk zijn voor stabilisatie en opslag.

(5)

Teneinde de werking van de interventieregeling in 2012 niet te hinderen, dient de onderhavige verordening met terugwerkende kracht van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2012.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het visseizoen 2012 worden de bedragen van de steun voor verkoopuitstel als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 104/2000, en die van de forfaitaire steun als bedoeld in artikel 24, lid 4, van die verordening, vastgesteld als aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)   PB L 326 van 22.12.2000, blz. 34.

(3)   PB L 132 van 15.5.2001, blz. 10.


BIJLAGE

1.   

Bedrag van de steun voor verkoopuitstel voor de producten van bijlage I, delen A en B, en voor tong (Solea spp.) van bijlage I, deel C, bij Verordening (EG) nr. 104/2000

Soorten bewerkingen als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 104/2000

Steun (in EUR/ton)

1

2

I.   

Invriezen en opslag van de producten, in gehele staat, ontdaan van ingewanden en met kop, of versneden

Sardines van de soort Sardina pilchardus

359

Andere soorten

291

II.

Fileren, invriezen en opslag

410

III.

Zouten en/of drogen en opslag van de producten, in gehele staat, ontdaan van ingewanden en met kop, in moten gesneden of gefileerd

277

IV.

Marineren en opslag

260

2.   

Bedrag van de steun voor verkoopuitstel voor de overige producten van bijlage I, deel C, bij Verordening (EG) nr. 104/2000

Soorten bewerkingen als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 104/2000

Producten

Steun (in EUR/ton)

1

2

3

I.

Invriezen en opslag

Langoustine

(Nephrops norvegicus)

327

Langoustinestaarten

(Nephrops norvegicus)

248

II.

Verwijdering van de kop, invriezen en opslag

Langoustine

(Nephrops norvegicus)

293

III.

Koken, invriezen en opslag

Langoustine

(Nephrops norvegicus)

327

Noordzeekrab

(Cancer pagurus)

248

IV.

Marineren en opslag

Noordzeekrab

(Cancer pagurus)

392

V.

Bewaring in bassins of kooien

Noordzeekrab

(Cancer pagurus)

210

3.   

Bedrag van de forfaitaire steun voor de producten van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 104/2000

Soorten bewerkingen

Steun (in EUR/ton)

I.

Invriezen en opslag van de producten, in gehele staat, ontdaan van ingewanden en met kop, of versneden

291

II.

Fileren, invriezen en opslag

410


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 197/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van de referentieprijzen voor bepaalde visserijproducten voor het visseizoen 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name artikel 29, leden 1 en 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 104/2000 is bepaald dat jaarlijks per productklasse voor de gehele Unie geldende referentieprijzen kunnen worden vastgesteld voor producten waarvoor op grond van artikel 28, lid 1, een schorsing van de douanerechten geldt. Dit geldt ook voor producten waarvoor een referentieprijs in acht moet worden genomen hetzij in het kader van een regeling inzake verlaging van douanetarieven die is geconsolideerd in de WTO, hetzij in het kader van een andere preferentiële regeling.

(2)

Overeenkomstig artikel 29, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 104/2000 is de referentieprijs voor de in bijlage I, delen A en B, van die verordening genoemde producten gelijk aan de overeenkomstig artikel 20, lid 1, van die verordening vastgestelde ophoudprijs.

(3)

Voor de betrokken producten zijn de EU-ophoudprijzen voor het visseizoen 2012 vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 198/2012 van de Commissie (2).

(4)

Overeenkomstig artikel 29, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 104/2000 wordt de referentieprijs voor andere dan de in de bijlagen I en II bij die verordening genoemde producten met name bepaald op basis van het gewogen gemiddelde van de douanewaarden die op de invoermarkten of in de invoerhavens zijn geconstateerd tijdens de drie jaren voorafgaand aan de datum waarop de referentieprijs wordt vastgesteld.

(5)

Voor de onder de criteria van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 104/2000 vallende producten waarvan de omvang van de invoer uit derde landen niet significant is, dient geen referentieprijs te worden vastgesteld.

(6)

Met het oog op een snelle toepassing van de referentieprijzen in 2012 dient deze verordening in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De referentieprijzen voor de in artikel 29 van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde visserijproducten voor het visseizoen 2012 worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)  Zie blz. 19 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

1.   Referentieprijzen voor de in artikel 29, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde producten

Soort

Grootte (1)

Referentieprijs

(in EUR/t)

Ontdaan van ingewanden, met kop (1)

In gehele staat (1)

Aanvullende Taric-code

Extra, A (1)

Aanvullende Taric-code

Extra, A (1)

Haring van de soort

Clupea harengus

ex 0302 41 00

1

 

F011

133

2

F012

203

3

F013

192

4a

F016

121

4b

F017

121

4c

F018

254

5

F015

226

6

F019

113

7a

F025

113

7b

F026

102

8

F027

85

Roodbaars

(Sebastes spp.)

ex 0302 89 31

en ex 0302 89 39

1

 

F067

996

2

F068

996

3

F069

836

Kabeljauw van de soort

Gadus morhua

ex 0302 51 10

1

F073

1 161

F083

839

2

F074

1 161

F084

839

3

F075

1 097

F085

645

4

F076

871

F086

484

5

F077

613

F087

355

 

 

In water gekookt

Vers of ingevroren

Aanvullende Taric-code

Extra, A (1)

Aanvullende Taric-code

Extra, A (1)

Noorse garnaal

(Pandalus borealis)

ex 0306 26 90

1

F317

5 288

F321

1 114

2

F318

1 854


2.   Referentieprijzen voor de in artikel 29, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde producten

Product

Aanvullende Taric-code

Aanbiedingsvorm

Referentieprijs

(in EUR/t)

1.   

Roodbaars

 

 

In gehele staat:

 

ex 0303 89 31

ex 0303 89 39

F411

met of zonder kop

998

ex 0304 89 21

ex 0304 89 29

 

Filets:

 

F412

met graten („standaard”)

2 011

F413

zonder graten

2 136

F414

blokken in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van niet meer dan 4 kg

2 239

2.   

Kabeljauw

ex 0303 63 10 , ex 0303 63 30 , ex 0303 63 90 , ex 0303 69 10

F416

In gehele staat, met of zonder kop

1 095

ex 0304 71 90

ex 0304 79 10

 

Filets:

 

F417

„interleaved” of industriële blokken met graten („standaard”)

2 451

F418

„interleaved” of industriële blokken zonder graten

2 716

F419

enkele of „fully interleaved” filets, met huid

2 574

F420

enkele of „fully interleaved” filets, zonder huid

2 972

F421

blokken in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van niet meer dan 4 kg

2 990

ex 0304 95 25

F422

Stukken en ander visvlees, met uitzondering van geagglomereerde visblokken

1 448

3.   

Koolvis (Pollachius virens)

ex 0304 73 00

 

Filets:

 

F424

„interleaved” of industriële blokken met graten („standaard”)

1 611

F425

„interleaved” of industriële blokken zonder graten

1 688

F426

enkele of „fully interleaved” filets, met huid

1 476

F427

enkele of „fully interleaved” filets, zonder huid

1 713

F428

blokken in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van niet meer dan 4 kg

1 895

ex 0304 95 40

F429

Stukken en ander visvlees, met uitzondering van geagglomereerde visblokken

976

4.   

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

ex 0304 72 00

 

Filets:

 

F431

„interleaved” of industriële blokken met graten („standaard”)

2 241

F432

„interleaved” of industriële blokken zonder graten

2 606

F433

enkele of „fully interleaved” filets, met huid

2 537

F434

enkele of „fully interleaved” filets, zonder huid

2 682

F435

blokken in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van niet meer dan 4 kg

2 988

5.   

Alaska koolvis

 

 

Filets:

 

ex 0304 75 00

F441

„interleaved” of industriële blokken met graten („standaard”)

1 170

F442

„interleaved” of industriële blokken zonder graten

1 298

6.   

Haring

 

 

Vlinders

 

ex 0304 59 50

ex 0304 99 23

F450

met een gewicht van meer dan 80 g per stuk

510

F450

met een gewicht van meer dan 80 g per stuk

464


(1)  De versheidsklassen, grootten en aanbiedingsvormen zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 104/2000.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 198/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van de EU-ophoudprijzen en -verkoopprijzen voor de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 104/2000 genoemde visserijproducten voor het visseizoen 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name artikel 20, lid 3, en artikel 22,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 104/2000 is bepaald dat de EU-ophoudprijzen en -verkoopprijzen voor elk van de in bijlage I bij die verordening genoemde producten naargelang van versheid, grootte of gewicht en aanbiedingsvorm van het product worden vastgesteld door de aanpassingscoëfficiënt voor de betrokken productklasse toe te passen op een bedrag dat ten hoogste 90 % van de desbetreffende oriëntatieprijs bedraagt.

(2)

In de aanvoergebieden die zeer ver van de voornaamste verbruikscentra van de Unie zijn gelegen, kunnen aanpassingscoëfficiënten op de ophoudprijs worden toegepast. De oriëntatieprijzen voor het visseizoen 2012 zijn voor alle betrokken producten vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1388/2011 van de Raad (2).

(3)

Teneinde de werking van de interventieregeling in 2012 niet te hinderen, dient de onderhavige verordening met terugwerkende kracht van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2012.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De aanpassingscoëfficiënten die worden gebruikt voor de berekening van de in de artikelen 20 en 22 van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde EU-ophoudprijzen en -verkoopprijzen voor het visseizoen 2012 voor de in bijlage I bij die verordening genoemde producten, worden vastgesteld in bijlage I bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

De EU-ophoudprijzen en -verkoopprijzen voor het visseizoen 2012 en de producten waarop zij van toepassing zijn, worden vastgesteld in bijlage II.

Artikel 3

De ophoudprijzen voor het visseizoen 2012 voor ver van de voornaamste verbruikscentra van de Unie gelegen aanvoergebieden, de voor de berekening van deze prijzen gebruikte aanpassingscoëfficiënten en de producten waarop deze prijzen van toepassing zijn, worden vastgesteld in bijlage III.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)   PB L 346 van 30.12.2011, blz. 1.


BIJLAGE I

Aanpassingscoëfficiënten voor de producten van bijlage delen A, B en C, van Verordening (EG) nr. 104/2000

Soort

Grootte (*1)

Aanpassingscoëfficiënten

Ontdaan van ingewanden, met kop (*1)

In gehele staat (*1)

Extra, A (*1)

Extra, A (*1)

Haring van de soort

Clupea harengus

1

0,00

0,47

2

0,00

0,72

3

0,00

0,68

4a

0,00

0,43

4b

0,00

0,43

4c

0,00

0,90

5

0,00

0,80

6

0,00

0,40

7a

0,00

0,40

7b

0,00

0,36

8

0,00

0,30

Sardines van de soort

Sardina pilchardus

1

0,00

0,51

2

0,00

0,64

3

0,00

0,72

4

0,00

0,47

Doornhaai

Squalus acanthias

1

0,60

0,60

2

0,51

0,51

3

0,28

0,28

Doornhaai

Scyliorhinus spp.

1

0,64

0,60

2

0,64

0,56

3

0,44

0,36

Roodbaars

Sebastes spp.

1

0,00

0,81

2

0,00

0,81

3

0,00

0,68

Kabeljauw van de soort

Gadus morhua

1

0,72

0,52

2

0,72

0,52

3

0,68

0,40

4

0,54

0,30

5

0,38

0,22

Koolvis

Pollachius virens

1

0,72

0,56

2

0,72

0,56

3

0,71

0,55

4

0,61

0,30

Schelvis

Melanogrammus aeglefinus

1

0,72

0,56

2

0,72

0,56

3

0,62

0,43

4

0,52

0,36

Wijting

Merlangius merlangus

1

0,66

0,50

2

0,64

0,48

3

0,60

0,44

4

0,41

0,30

Leng

Molva spp.

1

0,68

0,56

2

0,66

0,54

3

0,60

0,48

Makreel van de soort

Scomber scombrus

1

0,00

0,72

2

0,00

0,71

3

0,00

0,69

Spaanse makreel van de soort

Scomber japonicus

1

0,00

0,77

2

0,00

0,77

3

0,00

0,63

4

0,00

0,47

Ansjovis

Engraulis spp.

1

0,00

0,68

2

0,00

0,72

3

0,00

0,60

4

0,00

0,25

Schol

Pleuronectes platessa

1

0,75

0,41

2

0,75

0,41

3

0,72

0,41

4

0,52

0,34

Heek van de soort

Merluccius merluccius

1

0,90

0,71

2

0,68

0,53

3

0,68

0,52

4

0,56

0,43

5

0,52

0,41

Schartong

Lepidorhombus spp.

1

0,68

0,64

2

0,60

0,56

3

0,54

0,49

4

0,34

0,29

Schar

Limanda limanda

1

0,71

0,58

2

0,54

0,42

Bot

Platichthys flesus

1

0,66

0,58

2

0,50

0,42

Witte tonijn

Thunnus alalunga

1

0,90

0,81

2

0,90

0,77

Inktvissen

Sepia officinalis en

Rossia macrosoma

1

0,00

0,64

2

0,00

0,64

3

0,00

0,40


Soort

Grootte (*2)

Aanpassingscoëfficiënt

 

In gehele staat

Zonder kop (*2)

Ontdaan van ingewanden, met kop (*2)

 

Extra, A (*2)

Extra, A (*2)

Zeeduivel

Lophius spp.

1

0,61

0,77

 

2

0,78

0,72

3

0,78

0,68

4

0,65

0,60

5

0,36

0,43

 

 

Alle aanbiedingsvormen

 

Extra, A (*2)

 

Garnalen van de soort

Crangon crangon

1

0,59

 

 

2

0,27

 

 

Gekookt in water

Vers of gekoeld

 

Extra, A (*2)

Extra, A (*2)

Noorse garnaal

Pandalus borealis

1

0,77

0,68

 

2

0,27

 

 

In gehele staat (*2)

 

 

Noordzeekrab

Cancer pagurus

1

0,72

 

 

2

0,54

 

 

In gehele staat (*2)

 

Staarten (*2)

E’ (*2)

Extra, A (*2)

Extra, A (*2)

Langoustine

Nephrops norvegicus

1

0,86

0,86

0,81

2

0,86

0,59

0,68

3

0,77

0,59

0,50

4

0,50

0,41

0,41

 

 

Ontdaan van ingewanden, met kop (*2)

In gehele staat (*2)

 

Extra, A (*2)

Extra, A (*2)

Tong

Solea spp.

1

0,75

0,58

 

2

0,75

0,58

3

0,71

0,54

4

0,58

0,42

5

0,50

0,33


(*1)  De versheidsklassen, grootten en aanbiedingsvormen zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 104/2000.

(*2)  De versheidsklassen, grootten en aanbiedingsvormen zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 104/2000.


BIJLAGE II

EU-ophoudprijzen en -verkoopprijzen voor de producten van bijlage I, delen A, B en C, bij Verordening (EG) nr. 104/2000

Soort

Grootte (*1)

Ophoudprijs (in EUR/t)

Ontdaan van ingewanden, met kop (*1)

In gehele staat (*1)

Extra, A (*1)

Extra, A (*1)

Haring van de soort

Clupea harengus

1

0

133

2

0

203

3

0

192

4a

0

121

4b

0

121

4c

0

254

5

0

226

6

0

113

7a

0

113

7b

0

102

8

0

85

Sardines van de soort

Sardina pilchardus

1

0

293

2

0

367

3

0

413

4

0

270

Doornhaai

Squalus acanthias

1

674

674

2

573

573

3

314

314

Doornhaai

Scyliorhinus spp.

1

455

427

2

455

398

3

313

256

Roodbaars

Sebastes spp.

1

0

996

2

0

996

3

0

836

Kabeljauw van de soort

Gadus morhua

1

1 161

839

2

1 161

839

3

1 097

645

4

871

484

5

613

355

Koolvis

Pollachius virens

1

593

461

2

593

461

3

584

453

4

502

247

Schelvis

Melanogrammus aeglefinus

1

702

546

2

702

546

3

605

419

4

507

351

Wijting

Merlangius merlangus

1

595

451

2

577

433

3

541

397

4

370

271

Leng

Molva spp.

1

800

659

2

776

635

3

706

564

Makreel van de soort

Scomber scombrus

1

0

236

2

0

233

3

0

226

Spaanse makreel van de soort

Scomber japonicus

1

0

226

2

0

226

3

0

185

4

0

138

Ansjovis

Engraulis spp.

1

0

862

2

0

913

3

0

761

4

0

317

Schol

Pleuronectes platessa

1 januari t/m 30 april 2012

1

758

415

2

758

415

3

728

415

4

526

344

1 mei t/m 31 december 2012

1

1 048

573

2

1 048

573

3

1 006

573

4

726

475

Heek van de soort

Merluccius merluccius

1

2 912

2 297

2

2 200

1 715

3

2 200

1 682

4

1 812

1 391

5

1 682

1 326

Schartong

Lepidorhombus spp.

1

1 608

1 514

2

1 419

1 324

3

1 277

1 159

4

804

686

Schar

Limanda limanda

1

562

459

2

427

332

Bot

Platichtys flesus

1

325

286

2

247

207

Witte tonijn

Thunnus alalunga

1

2 149

1 898

2

2 149

1 804

Inktvissen

Sepia officinalis en Rossia macrosoma

1

0

1 163

2

0

1 163

3

0

727

 

 

In gehele staat

Zonder kop (*1)

Ontdaan van ingewanden, met kop (*1)

 

Extra, A (*1)

Extra, A (*1)

Zeeduivel

Lophius spp.

1

1 756

4 585

2

2 246

4 288

3

2 246

4 049

4

1 871

3 573

5

1 036

2 561

 

 

Alle aanbiedingsvormen

Extra, A (*1)

Garnalen van de soort

Crangon crangon

1

1 401

2

641

 

 

Gekookt in water

Vers of gekoeld

Extra, A (*1)

Extra, A (*1)

Noorse garnaal

Pandalus borealis

1

5 288

1 114

2

1 854


Soort

Grootte (*2)

Verkoopprijzen (in EUR/t)

 

In gehele staat (*2)

 

Noordzeekrab

Cancer pagurus

1

1 219

 

 

2

914

 

 

 

 

In gehele staat (*2)

Staarten (*2)

E’ (*2)

Extra, A (*2)

Extra, A (*2)

Langoustine

Nephrops norvegicus

1

4 469

4 469

3 272

2

4 469

3 066

2 747

3

4 001

3 066

2 020

4

2 598

2 130

1 656

 

 

Ontdaan van ingewanden, met kop (*2)

In gehele staat (*2)

 

Extra, A (*2)

Extra, A (*2)

Tong

Solea spp.

1

5 183

4 008

 

2

5 183

4 008

 

3

4 907

3 732

 

4

4 008

2 903

 

5

3 456

2 281

 


(*1)  De versheidsklassen, grootten en aanbiedingsvormen zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 104/2000.

(*2)  De versheidsklassen, grootten en aanbiedingsvormen zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 104/2000.


BIJLAGE III

Ophoudprijzen in de ver van de voornaamste verbruikscentra gelegen aanvoergebieden

Soort

Aanvoergebied

Aanpassing scoëfficiënt

Grootte (*1)

Ophoudprijs (in EUR/t)

Ontdaan van ingewanden, met kop (*1)

In gehele staat (*1)

Extra, A (*1)

Extra, A (*1)

Haring van de soort

Clupea harengus

Kustgebieden en eilanden van Ierland

0,90

1

0

119

2

0

183

3

0

173

4a

0

109

Kustgebieden van het oosten van Engeland van Berwick tot Dover

Kustgebieden van Schotland van Portpatrick tot Eyemouth en de westelijk en noordelijk van deze gebieden gelegen eilanden

Kustgebieden van het graafschap Down (Noord-Ierland)

0,90

1

0

119

2

0

183

3

0

173

4a

0

109

Makreel van de soort

Scomber scombrus

Kustgebieden en eilanden van Ierland

0,96

1

0

227

2

0

224

3

0

217

Kustgebieden en eilanden van Cornwall en Devon in het Verenigd Koninkrijk

0,95

1

0

224

2

0

221

3

0

215

Heek van de soort

Merluccius merluccius

Kustgebieden van Troon (in het zuidwesten van Schotland) tot Wick (in het noordoosten van Schotland), en de westelijk en noordelijk van deze gebieden gelegen eilanden

0,75

1

2 184

1 723

2

1 650

1 286

3

1 650

1 262

4

1 359

1 043

5

1 262

995

Witte tonijn

Thunnus alalunga

Azoren en Madeira

0,48

1

1 032

911

2

1 032

866

Sardines van de soort

Sardina pilchardus

Canarische eilanden

0,48

1

0

141

2

0

176

3

0

198

4

0

129

Kustgebieden en eilanden van Cornwall en Devon in het Verenigd Koninkrijk

0,74

1

0

217

2

0

272

3

0

306

4

0

200

De Atlantische kustgebieden van Portugal

0,93

2

0

342

0,81

3

0

335


(*1)  De versheidsklassen, grootten en aanbiedingsvormen zijn vastgesteld op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 104/2000.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/29


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 199/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van de forfaitaire waarde van de in het visseizoen 2012 uit de markt genomen visserijproducten die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de financiële vergoeding en het hierop betrekking hebbende voorschot

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name artikel 21, leden 5 en 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 104/2000 voorziet in de toekenning van een financiële vergoeding aan de producentenorganisaties die onder bepaalde voorwaarden in bijlage I, delen A en B, van genoemde verordening bedoelde producten uit de markt nemen. Op het bedrag van deze financiële vergoeding moet de forfaitair vastgestelde waarde van de producten die worden bestemd voor andere doeleinden dan menselijke consumptie, in mindering worden gebracht.

(2)

In Verordening (EG) nr. 2493/2001 van de Commissie van 19 december 2001 betreffende de afzet van bepaalde uit de markt genomen visserijproducten (2) zijn de mogelijkheden vastgesteld waarvan gebruik kan worden gemaakt voor de afzet van de uit de markt genomen producten. Het is noodzakelijk de waarde van de genoemde producten voor elk van deze afzetmogelijkheden forfaitair vast te stellen met inachtneming van de gemiddelde ontvangsten die in de verschillende lidstaten bij een dergelijke afzet kunnen worden verkregen.

(3)

Krachtens artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2509/2000 van de Commissie van 15 november 2000 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de toekenning van de financiële vergoeding voor het uit de markt nemen van bepaalde visserijproducten (3), gelden bijzondere bepalingen die inhouden dat, als een producentenorganisatie of een van haar leden haar of zijn producten te koop aanbiedt in een andere lidstaat dan die waar de organisatie is erkend, de met de uitkering van de financiële vergoeding belaste instantie op de hoogte moet worden gebracht van de betrokken transacties. Bovenbedoelde instantie is de instantie van de lidstaat waar de producentenorganisatie is erkend. Derhalve moet de in die lidstaat geldende forfaitaire waarde in mindering worden gebracht.

(4)

Dezelfde berekeningsmethode moet ook worden toegepast voor het voorschot op de financiële vergoeding als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2509/2000.

(5)

Teneinde de werking van de interventieregeling in 2012 niet te hinderen, dient de onderhavige verordening met terugwerkende kracht van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2012.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De forfaitaire waarde voor de berekening van de financiële vergoeding en het hierop betrekking hebbende voorschot voor de door de producentenorganisaties uit de markt genomen en voor andere doeleinden dan menselijke consumptie gebruikte visserijproducten, als bedoeld in artikel 21, lid 5, van Verordening (EG) nr. 104/2000, wordt voor het visseizoen 2012 vastgesteld zoals in de bijlage is aangegeven.

Artikel 2

De forfaitaire waarde waarmee het bedrag van de financiële vergoeding en het hierop betrekking hebbende voorschot moeten worden verminderd, is de waarde die wordt toegepast in de lidstaat waar de producentenorganisatie is erkend.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)   PB L 337 van 20.12.2001, blz. 20.

(3)   PB L 289 van 16.11.2000, blz. 11.


BIJLAGE

Forfaitaire waarden

Bestemming van uit de markt genomen producten

EUR/ton

1.

Gebruik na verwerking tot meel (diervoeder)

 

a)

Haring van de soort Clupea harengus en makreel van de soorten Scomber scombrus en Scomber japonicus:

 

Denemarken en Zweden

50

Verenigd Koninkrijk

50

andere lidstaten

15

Frankrijk

2

b)

Garnalen van de soort Crangon crangon en Noorse garnaal (Pandalus borealis):

 

Denemarken en Zweden

0

andere lidstaten

10

c)

Andere producten:

 

Denemarken

40

Zweden, Portugal en Ierland

20

Verenigd Koninkrijk

20

andere lidstaten

1

2.

Gebruik in verse staat of na verduurzaming (diervoeding)

 

a)

Sardines van de soort Sardina pilchardus en ansjovis (Engraulis spp.):

 

alle lidstaten

8

b)

Andere producten:

 

Zweden

0

Frankrijk

25

andere lidstaten

30

3.

Gebruik als aas

 

Frankrijk

55

andere lidstaten

20

4.

Gebruik voor andere dan voederdoeleinden

0


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/31


VERORDENING (EU) Nr. 200/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij koppels slachtkuikens, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van Salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (1), en met name artikel 4, lid 1, tweede alinea, artikel 8, lid 1, tweede alinea, en artikel 13, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 is bedoeld om ervoor te zorgen dat passende en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de detectie en de bestrijding van onder meer salmonella in alle relevante stadia en met name op het niveau van de primaire productie, d.w.z. bij koppels, om de prevalentie van door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en bijgevolg het risico voor de volksgezondheid te verminderen.

(2)

Artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2160/2003 bepaalt dat doelstellingen van de Unie moeten worden vastgesteld voor het verminderen van de prevalentie van alle salmonella-serotypen die voor de volksgezondheid van belang zijn bij slachtkuikens. Die vermindering is belangrijk om ervoor te zorgen dat de criteria voor salmonella in vers vlees van slachtkuikens, als vastgesteld in deel E van bijlage II bij die verordening en in hoofdstuk 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (2) kunnen worden nageleefd.

(3)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 bepaalt dat de doelstelling van de Unie onder meer moet bestaan uit een numerieke uitdrukking van het maximumpercentage epidemiologische eenheden dat positief blijft en/of het minimumpercentage waarmee het aantal positief blijvende epidemiologische eenheden moet worden verminderd, de maximumtermijn voor het verwezenlijken van de doelstelling en de definitie van de nodige testschema's om na te gaan of de doelstelling is verwezenlijkt. Verder moet, indien van toepassing, een definitie worden gegeven van de serotypen die voor de volksgezondheid van belang zijn.

(4)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 bepaalt dat bij de vaststelling van de doelstelling van de Unie rekening moet worden gehouden met de ervaring die is opgedaan in het kader van de bestaande nationale maatregelen, en met de informatie die aan de Commissie of de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is verstrekt uit hoofde van de bestaande voorschriften van de Unie, in het bijzonder in het kader van de informatie als bedoeld in Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EG van de Raad (3), met name artikel 5.

(5)

Artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 646/2007 van de Commissie van 12 juni 2007 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een communautaire doelstelling voor het verminderen van de prevalentie van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij slachtkuikens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1091/2005 (4) stelt de doelstelling voor het verminderen van het maximumpercentage van koppels slachtkuikens dat positief blijft voor deze twee salmonella-serotypen vast op 1% of minder op uiterlijk 31 december 2011.

(6)

Uit het European Union Summary Report on Trends and Sources of Zoonoses, Zoonotic Agents and Food-borne Outbreaks in 2009 (samenvattend verslag van de Europese Unie over trends en bronnen van zoönoses, zoönoseverwekkers en door voedsel overgedragen uitbraken in 2009) (5) bleek dat Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium de serovars zijn die het vaakst in verband worden gebracht met ziekte bij de mens. Door Salmonella enteritidis veroorzaakte gevallen bij mensen namen in 2009 duidelijk af, terwijl een toename van de gevallen van Salmonella typhimurium werd geconstateerd.

(7)

In juli 2011 keurde de EFSA een wetenschappelijk advies goed over een kwantitatieve schatting van het effect op de volksgezondheid van de vaststelling van een nieuwe doelstelling voor het terugdringen van salmonella bij slachtkuikens (6). Zij concludeerde dat Salmonella enteritidis het meest frequent van moederkip op afstammelingen overgedragen zoönotische serotype van salmonella bij pluimvee is. De EFSA constateerde ook dat de bestrijdingsmaatregelen van de Unie bij slachtkuikens hebben bijgedragen tot een aanzienlijke vermindering van het aantal aan slachtkuikens gerelateerde gevallen van salmonellose bij de mens in vergelijking met de situatie in 2006. De doelstelling moet daarom worden bevestigd.

(8)

Monofasische stammen van Salmonella typhimurium hebben zich de laatste jaren ontwikkeld tot een van de meest frequent opgespoorde serotypen van salmonella bij diverse diersoorten en in menselijke klinische isolaten. In het wetenschappelijk advies van de EFSA uit 2010 over de monitoring en de beoordeling van het volksgezondheidsrisico van "Salmonella typhimurium-achtige stammen" dat op 22 september 2010 (7) is goedgekeurd, staat ook dat monofasische Salmonella typhimurium-stammen met de antigene formule 1,4,[5],12:i:-, die stammen met en zonder het O5-antigen omvat, moeten worden beschouwd als varianten van Salmonella typhimurium en een risico voor de volksgezondheid vormen dat vergelijkbaar is met dat van andere Salmonella typhimurium-stammen. Salmonella typhimurium-stammen met de antigene formule 1,4,[5],12:i:- moeten daarom in de doelstelling worden opgenomen.

(9)

Om na te gaan of de doelstelling van de Unie is bereikt, is het nodig dat herhaaldelijk monsters van koppels slachtkuikens worden genomen. Voor de evaluatie en de vergelijking van de resultaten is het nodig dat een gemeenschappelijk testschema wordt beschreven om na te gaan of aan de doelstelling van de Unie is voldaan.

(10)

Er zijn nationale bestrijdingsprogramma's ter verwezenlijking van de doelstelling van de Unie voor 2012 voor koppels slachtkuikens van Gallus gallus ingediend met het oog op medefinanciering door de Unie overeenkomstig Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (8). De technische wijzigingen die in de bijlage bij deze verordening worden aangebracht, zijn rechtstreeks toepasselijk. Als gevolg daarvan hoeft de Commissie de nationale bestrijdingsprogramma's ter uitvoering van deze verordening niet opnieuw goed te keuren. Er is daarom geen overgangsperiode nodig.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstelling van de Unie

1.   De doelstelling van de Unie, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2160/2003, voor het terugdringen van de prevalentie van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij slachtkuikens ("doelstelling van de Unie") bestaat erin het jaarlijkse maximumpercentage van koppels slachtkuikens dat positief blijft voor Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium te verminderen tot 1% of minder.

Wat monofasische Salmonella typhimurium betreft, worden ook serotypen met de antigene formule 1,4,[5],12:i:- in de doelstelling van de Unie opgenomen.

2.   Het testschema om na te gaan of vooruitgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie wordt in de bijlage beschreven ("het testschema").

Artikel 2

Evaluatie van de doelstelling van de Unie

De Commissie evalueert de doelstelling van de Unie in het licht van de informatie die overeenkomstig het testschema en de criteria van artikel 4, lid 6, onder c), van Verordening (EG) nr. 2160/2003 is verzameld.

Artikel 3

Intrekking van Verordening (EG) nr. 646/2007

Verordening (EG) nr. 646/2007 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(2)   PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1.

(3)   PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31.

(4)   PB L 151 van 13.6.2007, blz. 21.

(5)  EFSA Journal 2011; 9(3):2090.

(6)  EFSA Journal 2011; 9(7):2106.

(7)  EFSA Journal 2010; 8(10):1826.

(8)   PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.


BIJLAGE

Testschema om na te gaan of de doelstelling van de Unie is verwezenlijkt, als bedoeld in artikel 1, lid 2

1.   STEEKPROEFKADER

Het steekproefkader omvat alle koppels slachtkuikens van Gallus gallus ("slachtkuikens") in het kader van de nationale bestrijdingsprogramma's als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2160/2003.

2.   MONITORING BIJ SLACHTKUIKENS

2.1.   Bemonsteringsfrequentie

a)

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven bemonsteren alle koppels slachtkuikens binnen drie weken vóór de slacht.

In afwijking van de in de eerste alinea vastgestelde bemonsteringsverplichting kan de bevoegde autoriteit bepalen dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven ten minste één koppel slachtkuikens per ronde moeten bemonsteren in bedrijven met meer dan één koppel waar:

i)

een "all in/all out"-systeem wordt toegepast bij alle koppels van het bedrijf;

ii)

voor alle koppels hetzelfde managementsysteem geldt;

iii)

de voeder- en watervoorziening voor alle koppels gemeenschappelijk is;

iv)

gedurende ten minste de laatste zes ronden tests op Salmonella spp. overeenkomstig het in de eerste alinea vastgestelde bemonsteringsschema zijn uitgevoerd bij alle koppels in het bedrijf en door de bevoegde autoriteit monsters van alle koppels van ten minste één ronde zijn genomen;

v)

alle resultaten van de tests overeenkomstig de eerste alinea en punt b) voor Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium negatief waren.

In afwijking van de in dit punt vastgestelde bemonsteringsverplichtingen kan de bevoegde autoriteit een bemonstering toestaan in de laatste zes weken vóór de datum van de slacht, indien de slachtkuikens meer dan 81 dagen worden gehouden of onder biologische slachtkuikensproductie vallen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie (1).

b)

De bevoegde autoriteit bemonstert elk jaar ten minste één koppel slachtkuikens in 10 % van de bedrijven met meer dan 5 000 dieren. Die bemonstering kan plaatsvinden op basis van een risicobeoordeling en telkens wanneer de bevoegde autoriteit dit nodig acht.

Een door de bevoegde autoriteit uigevoerde bemonstering kan de bemonstering door de exploitant van een levensmiddelenbedrijf, als voorgeschreven in punt a), vervangen

2.2.   Bemonsteringsprotocol

2.2.1.   Algemene bemonsteringsinstructies

De bevoegde autoriteit of de exploitant van het levensmiddelenbedrijf zorgt ervoor dat de monsters worden genomen door daartoe opgeleide personen.

Er worden ten minste twee paar overschoenmonsters genomen. De overschoenen worden over de laarzen aangetrokken en het monster wordt genomen door rond te lopen in de pluimveestal. De overschoenmonsters van één koppel slachtkuikens kunnen tot één monster worden samengevoegd.

Voordat de overschoenen worden aangetrokken, moet het oppervlak daarvan worden bevochtigd door:

a)

de toepassing van oplosmiddelen voor maximale terugwinning (MRD: 0,8% keukenzout, 0,1% pepton in gesteriliseerd gedeïoniseerd water);

b)

de toepassing van steriel water;

c)

de toepassing van andere oplosmiddelen die zijn goedgekeurd door het nationale referentielaboratorium, als bedoeld in artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2160/2003; of

d)

worden geautoclaveerd in een recipiënt tezamen met oplosmiddelen.

De overschoenen worden bevochtigd door de vloeistof in de overschoenen te gieten voordat zij worden aangetrokken of door hen in een recipiënt met een oplosmiddel te schudden.

Er wordt voor gezorgd dat alle afdelingen van een stal op evenredige wijze bij de bemonstering worden vertegenwoordigd. Elk paar overschoenen moet circa 50% van het oppervlak van de stal bestrijken.

Als de bemonstering voltooid is, worden de overschoenen voorzichtig uitgetrokken zodat het aanhangend materiaal niet loskomt. De overschoenen kunnen binnenstebuiten worden gekeerd zodat er geen materiaal van afvalt. Zij worden in een zak of een pot gedaan en van een etiket voorzien.

De bevoegde autoriteit kan besluiten om het minimumaantal monsters te verhogen om een representatieve bemonstering te garanderen aan de hand van een evaluatie per geval van de epidemiologische parameters, zoals de bioveiligheidsvoorwaarden en de verdeling of omvang van het koppel.

Als de bevoegde autoriteit haar toestemming daartoe verleent, kan één paar overschoenen worden vervangen door een stofmonster van 100 g, op verschillende plaatsen in de stal verzameld van oppervlakken waar stof zichtbaar aanwezig is. Bij wijze van alternatief kunnen een of meer bevochtigde veegdoekjes met een gecombineerd oppervlak van ten minste 900 cm2 worden gebruikt voor de verzameling van stof op verscheidene plaatsen in de gehele stal. Beide zijden van het veegdoekje moeten goed met stof zijn bedekt.

2.2.2.   Specifieke instructies voor bepaalde soorten bedrijven

a)

Bij koppels slachtkuikens met vrije uitloop worden de monsters alleen binnen de stal verzameld.

b)

Wanneer de toegang tot de stallen wegens de beperkte ruimte niet mogelijk is bij koppels met minder dan 100 slachtkuikens en het daarom niet mogelijk is om gebruik te maken van overschoenen bij het rondlopen in de stallen, mogen deze worden vervangen door de soort veegdoekjes die worden gebruikt voor stofmonsters, waarbij de doekjes over met verse feces vervuilde oppervlakken worden gewreven of als dit niet haalbaar is, door andere voor het beoogde doel geschikte bemonsteringstechnieken voor feces.

2.2.3.   Bemonstering door de bevoegde autoriteit

De bevoegde autoriteit gaat door het verrichten van verdere tests en/of, zo nodig, door documentencontroles na of de resultaten niet worden beïnvloed door de aanwezigheid van antimicrobiële of andere stoffen die de groei van bacteriën afremmen.

Indien geen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium wordt gevonden, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, wordt het koppel ten aanzien van de in artikel 1, lid 2, bedoelde doelstelling van de Unie als een besmet koppel slachtkuikens beschouwd.

2.2.4.   Vervoer

De monsters worden onverwijld per expresse of koeriersdienst verzonden naar de in de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 2160/2003 bedoelde laboratoria. Tijdens het vervoer worden zij tegen temperaturen van meer dan 25 °C en blootstelling aan zonlicht beschermd.

Wanneer het niet mogelijk is om de monsters binnen 24 uur na de bemonstering te verzenden, worden zij gekoeld opgeslagen.

3.   LABORATORIUMANALYSE

3.1.   Monstervoorbereiding

In het laboratorium worden de monsters tot het onderzoek koel bewaard. Het onderzoek begint binnen 48 uur na het tijdstip van ontvangst van de monsters en binnen vier dagen na de datum van de bemonstering.

De stofmonsters worden afzonderlijk geanalyseerd. De bevoegde autoriteit kan echter besluiten hen voor de analyse bij het paar overschoenen te voegen.

Het monster wordt omgezwenkt zodat het volledig verzadigd is en de kweek wordt voortgezet volgens de in punt 3.2. beschreven detectiemethode.

De twee paar overschoenen worden zorgvuldig uitgepakt om te vermijden dat aanhangend fecaal materiaal loskomt, en worden tezamen ondergedompeld in 225 ml gebufferd peptonwater (BPW) dat op kamertemperatuur is gebracht, of er wordt 225 ml oplosmiddel rechtstreeks toegevoegd aan de twee paar overschoenen in de recipiënt die het laboratorium ontvangt.

De overschoenen worden volledig ondergedompeld in BPW om ervoor te zorgen dat zich rond het monster voldoende vrije vloeistof bevindt voor de migratie van salmonella uit het monster en daarom kan zo nodig meer BPW worden toegevoegd.

Indien EN/ISO-normen betreffende de voorbereiding van feces voor de detectie van salmonella worden vastgesteld, worden die, zo nodig, toegepast in plaats van de in dit punt vastgestelde voorschriften voor de monstervoorbereiding.

3.2.   Detectiemethode

De detectie van Salmonella spp. wordt uitgevoerd overeenkomstig Amendment 1 van EN/ISO 6579 “Microbiology of food and animal feeding stuffs – Horizontal method for the detection of Salmonella spp. – Amendment 1: Annex D: Detection of Salmonella spp. in animal faeces and in environmental samples from the primary production stage" van de Internationale Organisatie voor Normalisatie.

3.3.   Serotypering

Ten minste één isolaat van elk positief monster, dat door de bevoegde autoriteit is genomen, wordt geserotypeerd aan de hand van het huidige Kaufmann-White-LeMinorschema.

De exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen ervoor dat voor alle isolaten ten minste wordt uitgesloten dat zij niet behoren tot de serotypen Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium.

3.4.   Alternatieve methoden

Voor monsters die op initiatief van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf genomen zijn, mogen de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2) bedoelde analysemethoden worden gebruikt in plaats van de in de punten 3.1 tot en met 3.3 van deze bijlage beschreven methoden voor monstervoorbereiding, detectie en serotypering, mits zij overeenkomstig de norm EN-ISO 16140 gevalideerd zijn.

3.5.   Opslag van de stammen

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat ten minste één geïsoleerde stam van de serotypen van salmonella uit bemonstering bij officiële controles per stal en per jaar wordt opgeslagen om eventueel op een later tijdstip gefaagtypeerd of op antimicrobiële gevoeligheid getest te worden, onder gebruikmaking van de gangbare methoden voor kweekverzameling, waardoor de integriteit van de stammen gedurende ten minste twee jaar na de datum van de analyse wordt gegarandeerd.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat isolaten uit de bemonstering door exploitanten van levensmiddelenbedrijven ook worden opgeslagen om op een later tijdstip gefaagtypeerd of op antimicrobiële gevoeligheid getest te worden om te voorzien in isolaten die worden getest overeenkomstig artikel 2 van Beschikking 2007/407/EG van de Commissie (3).

4.   RESULTATEN EN RAPPORTAGE

4.1.   Berekening van de prevalentie voor de verificatie van de doelstelling van de Unie

Een koppel slachtkuikens wordt met het oog op de verificatie van de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie als positief aangemerkt als in het koppel de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium (andere dan vaccinstammen) is geconstateerd.

Positieve koppels slachtkuikens worden slechts éénmaal per ronde geteld, ongeacht het aantal bemonsteringen en tests, en worden alleen gerapporteerd in het jaar van de eerste positieve bemonstering.

4.2.   Rapportage

De rapportage omvat:

a)

het totale aantal koppels slachtkuikens dat tijdens het rapportagejaar ten minste één keer is getest;

b)

het totale aantal koppels dat in de lidstaat positief was voor een serotype van salmonella;

c)

het aantal koppels slachtkuikens dat ten minste één keer positief was voor Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium, inclusief monofasische stammen met de antigene formule 1,4,[5],12:i:-;

d)

het aantal positieve koppels slachtkuikens voor elk salmonellaserotype of voor niet-gespecificeerde salmonella (niet-typeerbare of niet-geserotypeerde isolaten).

De informatie wordt afzonderlijk verstrekt voor de bemonstering in het kader van het algemene nationale salmonellabestrijdingsprogramma, als bedoeld in punt 2.1, onder a) en b), de bemonstering door de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, als bedoeld in punt 2.1, onder a), en de bemonstering door de bevoegde autoriteiten, als bedoeld in punt 2.1, onder b).

De resultaten van de tests worden beschouwd als relevante informatie over de voedselketen, als bedoeld in sectie III van bijlage II bij Verordening nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4).

Ten minste de volgende informatie wordt voor elk getest koppel slachtkuikens aan de bevoegde autoriteit verstrekt:

a)

referentie van het bedrijf, die uniek blijft;

b)

referentie van de stal, die uniek blijft;

c)

maand van de bemonstering.

Over de resultaten en aanvullende relevante informatie wordt gerapporteerd in het verslag over de tendensen en bronnen als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2003/99/EG (5).

De exploitant van het levensmiddelenbedrijf stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van de bevestigde detectie van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium. De exploitant van het levensmiddelenbedrijf draagt het analyselaboratorium op dienovereenkomstig te handelen.


(1)   PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1.

(2)   PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)   PB L 153 van 14.6.2007, blz. 26.

(4)   PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22.

(5)   PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/37


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 201/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof nitroxinil betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 14 juncto artikel 17,

Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau dat is opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De maximumwaarden voor residuen („MRL's”) van farmacologisch werkzame stoffen die bestemd zijn om in de Unie te worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor voedselproducerende dieren of in biociden die in de veehouderij worden gebruikt, moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 worden vastgesteld.

(2)

De farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgelegd in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2).

(3)

Nitroxinil is in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 opgenomen als toegestane stof in spier, vetweefsel, lever en nieren van runderen en schapen, met uitzondering van dieren die melk voor menselijke consumptie produceren.

(4)

Ierland heeft bij het Europees Geneesmiddelenbureau een verzoek om advies ingediend met het oog op de uitbreiding van de toepassing van de bestaande vermelding voor nitroxinil tot melk van runderen en schapen.

(5)

Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik heeft aanbevolen een MRL voor nitroxinil voor melk van runderen en schapen vast te stellen en de bepaling „Niet voor gebruik bij dieren die melk voor menselijke consumptie produceren” te schrappen.

(6)

In de vermelding voor nitroxinil in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 moet derhalve de aanbevolen MRL voor melk van runderen en schapen worden toegevoegd en de huidige bepaling „Niet voor gebruik bij dieren die melk voor menselijke consumptie produceren” worden geschrapt.

(7)

De belanghebbenden moet een redelijke termijn worden geboden om eventueel maatregelen te nemen om aan de nieuwe MRL te voldoen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 8 mei 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(2)   PB L 15 van 20.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

De vermelding voor nitroxinil in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt vervangen door:

Farmacologisch werkzame stof

Indicatorresidu

Diersoorten

MRL's

Te onderzoeken weefsels

Overige bepalingen

(overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 470/2009)

Therapeutische klassen

„Nitroxinil

Nitroxinil

Runderen, schapen

400  μg/kg

Spier

 

Antiparasitaire middelen/ Geneesmiddelen tegen endoparasieten”

200  μg/kg

Vetweefsel

20  μg/kg

Lever

400  μg/kg

Nieren

20  μg/kg

Melk


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 202/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof gepegyleerde boviene granulocyt-koloniestimulerende factor betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 14 juncto artikel 17,

Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau dat is opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De maximumwaarden voor residuen ("MRL's") van farmacologisch werkzame stoffen die bestemd zijn om in de Unie te worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor voedselproducerende dieren of in biociden die in de veehouderij worden gebruikt, moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 worden vastgesteld.

(2)

De farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgelegd in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2).

(3)

Bij het Europees Geneesmiddelenbureau is een aanvraag tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen (hierna „MRL's” genoemd) ingediend voor gepegyleerde boviene granulocyt-koloniestimulerende factor bij rundersoorten.

(4)

Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik heeft aanbevolen geen MRL vast te stellen voor gepegyleerde boviene granulocyt-koloniestimulerende factor bij rundersoorten.

(5)

Tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 moet daarom worden gewijzigd om daarin de stof gepegyleerde boviene granulocyt-koloniestimulerende factor bij rundersoorten op te nemen.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(2)   PB L 15 van 20.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

In tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt de volgende stof in alfabetische volgorde ingevoegd:

Farmacologisch werkzame stof

Indicatorresidu

Diersoorten

MRL's

Te onderzoeken weefsels

Overige bepalingen (overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 470/2009)

Therapeutische klassen

"Gepegyleerde boviene granulocyt-koloniestimuleren-de factor

Niet van toepassing

Runderen

Geen MRL nodig

Niet van toepassing

GEEN

Biologische/immunomodulator"


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/42


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 203/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de uitvoeringsbepalingen inzake biologische wijn

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (1), en met name artikel 19, lid 3, tweede alinea, artikel 21, lid 2, artikel 22, lid 1, artikel 38, onder a), en artikel 40,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 834/2007, met name in titel III, hoofdstuk 4, zijn algemene voorschriften inzake de biologische productie van verwerkte levensmiddelen vastgesteld. De bepalingen voor de toepassing van deze algemene voorschriften zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (2).

(2)

In Verordening (EG) nr. 889/2008 moeten specifieke bepalingen inzake de productie van biologische wijn worden opgenomen. Deze bepalingen moeten van toepassing zijn op de producten van de wijnsector als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (3).

(3)

Voor de vervaardiging van biologische wijn mogen bepaalde producten en stoffen alleen onder duidelijk omschreven voorwaarden als toevoegingsmiddelen of als technische hulpstoffen worden gebruikt. Met het oog daarop moet het gebruik van dergelijke producten en stoffen overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden toegelaten op basis van de aanbevelingen in de EU-wijde studie „Organic viticulture and wine-making: development of environment and consumer friendly technologies for organic wine quality improvement and scientifically based legislative framework” (4) (ook bekend als „ORWINE”).

(4)

Sommige producten en stoffen die in het kader van Verordening (EG) nr. 606/2009 van de Commissie van 10 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, wat betreft de wijncategorieën, de oenologische procedés en de daarvoor geldende beperkingen (5) worden gebruikt als toevoegingsmiddelen en technische hulpstoffen voor oenologische procedés, zijn afgeleid van grondstoffen van agrarische oorsprong. Dergelijke grondstoffen kunnen in biologische vorm op de markt beschikbaar zijn. Om de ontwikkeling van de marktvraag naar deze grondstoffen te stimuleren, dient de voorkeur te worden gegeven aan het gebruik van toevoegingsmiddelen en technische hulpstoffen die zijn afgeleid van biologisch geteelde grondstoffen.

(5)

De procedés en technieken voor de productie van wijn zijn op het niveau van de Europese Unie vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 en de daarbij horende uitvoeringsverordening Verordening (EG) nr. 606/2009, en bij Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie van 14 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad wat betreft beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, traditionele aanduidingen, etikettering en presentatie van bepaalde wijnbouwproducten (6). Het gebruik van deze procedés en technieken bij de productie van biologische wijn stemt niet per definitie overeen met de doelstellingen en beginselen van Verordening (EG) nr. 834/2007, en met name met de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde specifieke beginselen voor de verwerking van biologische levensmiddelen. Daarom moeten voor bepaalde oenologische procedés en processen specifieke restricties en beperkingen worden vastgesteld.

(6)

Sommige andere procedés die op ruime schaal worden gebruikt bij de verwerking van levensmiddelen en tevens beschikbaar zijn in de wijnproductie, kunnen bepaalde essentiële kenmerken van de biologische producten, en dus ook de ware aard van deze producten, in zekere mate beïnvloeden, maar kunnen momenteel bij gebrek aan alternatieve technieken niet worden vervangen. Het gaat dan met name om warmtebehandeling, filtratie, omgekeerde osmose en het gebruik van ionenwisselende harsen. Deze procedés moeten bijgevolg ter beschikking van de producenten van biologische wijn worden gesteld, maar het gebruik ervan dient aan restricties te worden gebonden. Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid om procedés als warmtebehandeling, het gebruik van ionenwisselende harsen en omgekeerde osmose te gepasten tijde te herbeoordelen.

(7)

Het gebruik in de productie van biologische wijn van oenologische procedés en processen die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van de biologische producten, moet worden uitgesloten. Het gaat dan met name om oenologische procedés die de samenstelling van het product zo ingrijpend veranderen dat zij misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van de biologische wijn, zoals concentratie door afkoeling, desalcoholisatie, verwijdering van zwaveldioxide door natuurkundige procedés, elektrodialyse en het gebruik van kationenwisselaars. Het gebruik of de toevoeging van bepaalde stoffen kan eveneens misleidend zijn met betrekking tot de ware aard van biologische wijn. Daarom dient te worden vastgesteld dat dergelijke stoffen niet mogen worden gebruikt of toegevoegd in het kader van de biologische oenologische procedés en behandelingen.

(8)

Wat meer bepaald de sulfieten betreft, blijkt uit de ORWINE-studie dat de EU-producenten van biologische wijn er reeds in slagen het zwaveldioxidegehalte in wijn uit biologische druiven te reduceren tot een peil dat lager ligt dan het maximale zwaveldioxidegehalte dat voor niet-biologische wijn is toegestaan. Daarom dient een specifiek voor biologische wijn geldend maximaal zwavelgehalte te worden vastgesteld dat lager ligt dan het voor niet-biologische wijn toegestane gehalte. Hoeveel zwaveldioxide nodig is, verschilt naargelang van de wijncategorie en van bepaalde intrinsieke kenmerken van de wijn, met name het suikergehalte, die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van het maximale zwaveldioxidegehalte voor biologische wijnen. Extreme weersomstandigheden kunnen in bepaalde wijnbouwgebieden echter zodanige problemen veroorzaken dat bij de wijnproductie extra hoeveelheden sulfieten moeten worden gebruikt om de stabiliteit van het eindproduct van dat jaar te verzekeren. Daarom moet worden toegestaan dat, in die omstandigheden, het maximale zwaveldioxidegehalte wordt verhoogd.

(9)

Sommige wijnen hebben een zo lange houdbaarheid dat ze traditioneel meerdere jaren in vaten of tanks worden opgeslagen alvorens op de markt te worden gebracht. Met inachtneming van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (7), en voor een beperkte periode overeenkomstig Verordening (EG) nr. 889/2008 moet de afzet van dergelijke wijnen die aan de in die verordening vastgestelde etiketteringsvoorschriften voldoen, worden toegestaan zolang de voorraad strekt.

(10)

Sommige opgeslagen wijnen zijn geproduceerd aan de hand van een oenologisch proces dat ten tijde van de productie reeds voldeed aan de voorschriften voor de productie van biologische wijn die in de onderhavige verordening worden vastgesteld. Indien dit kan worden aangetoond, dient het gebruik van het in artikel 25, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde communautaire logo voor biologische productie, dat met ingang van 1 juli 2010„het biologische logo van de EU” wordt genoemd, te worden toegestaan om een billijke vergelijking en concurrentie tussen de vóór en na de inwerkingtreding van deze verordening geproduceerde biologische wijnen mogelijk te maken. Kan dit niet worden aangetoond, dan mag de wijn enkel als „wijn uit biologische druiven” worden geëtiketteerd, zonder het biologische logo van de EU, mits de wijn is geproduceerd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2092/91 en Verordening (EG) nr. 889/2008, zoals die van kracht was vóór de wijziging ervan op grond van de onderhavige verordening.

(11)

Verordening (EG) nr. 889/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor biologische productie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 889/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Titel II wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende zin van artikel 27, lid 1, wordt vervangen door:

„Voor de toepassing van artikel 19, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 mogen slechts de volgende stoffen worden gebruikt bij de vervaardiging van verwerkte biologische levensmiddelen, behalve wat producten van de wijnsector betreft, waarop de bepalingen van hoofdstuk 3 bis van toepassing zijn:”;

b)

het volgende hoofdstuk 3 bis wordt ingevoegd:

HOOFDSTUK 3 bis

Specifieke voorschriften voor de productie van wijn

Artikel 29 ter

Werkingssfeer

1.   In dit hoofdstuk worden specifieke voorschriften vastgesteld voor de biologische productie van de in artikel 1, lid 1, onder l), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (*1) bedoelde producten van de wijnsector.

2.   De Verordeningen (EG) nr. 606/2009 (*2) en (EG) nr. 607/2009 (*3) van de Commissie zijn van toepassing, tenzij in dit hoofdstuk expliciet anders is bepaald.

Artikel 29 quater

Gebruik van bepaalde producten en stoffen

1.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden producten van de wijnsector geproduceerd met biologische grondstoffen.

2.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 mogen slechts de in bijlage VIII bis bij de onderhavige verordening vermelde producten en stoffen worden gebruikt voor de vervaardiging van producten van de wijnsector, inclusief in het kader van de oenologische processen en procedés, mits daarbij de specifieke voorwaarden en beperkingen die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1234/2007 en in Verordening (EG) nr. 606/2009, met name bijlage I A, in acht worden genomen.

3.   Waar beschikbaar, moet gebruik worden gemaakt van de in bijlage VIII bis bij deze verordening met een asterisk aangegeven producten en stoffen die zijn afgeleid van biologische grondstoffen.

Artikel 29 quinquies

Oenologische procedés en beperkingen

1.   Onverminderd artikel 29 quater, alsmede specifieke, in de leden 2 tot en met 5 van het onderhavige artikel vastgestelde verbodsbepalingen en beperkingen, is het slechts toegestaan gebruik te maken van oenologische procedés, processen en behandelingen die vóór 1 augustus 2010 werden gebruikt met inachtneming van de beperkingen als vastgesteld in de artikelen 120 quater en 120 quinquies van Verordening (EG) nr. 1234/2007, in artikel 3, de artikelen 5 tot en met 9 en de artikelen 11 tot en met 14 van Verordening (EG) nr. 606/2009, en in de bij die verordeningen horende bijlagen.

2.   Het gebruik van de volgende oenologische procedés, processen en behandelingen is verboden:

a)

gedeeltelijke concentratie door afkoeling overeenkomstig bijlage XV bis, punt B.1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1234/2007;

b)

verwijdering van zwaveldioxide door natuurkundige procedés overeenkomstig bijlage I A, punt 8, van Verordening (EG) nr. 606/2009;

c)

behandeling door elektrodialyse om de wijnsteen in wijn te stabiliseren overeenkomstig bijlage I A, punt 36, van Verordening (EG) nr. 606/2009;

d)

gedeeltelijke desalcoholisatie van wijn overeenkomstig bijlage I A, punt 40, van Verordening (EG) nr. 606/2009;

e)

behandeling met kationenwisselaars om de wijnsteen te stabiliseren overeenkomstig bijlage I A, punt 43, van Verordening (EG) nr. 606/2009.

3.   Het gebruik van de volgende oenologische procedés, processen en behandelingen is onder bepaalde voorwaarden toegestaan:

a)

voor warmtebehandelingen overeenkomstig bijlage I A, punt 2, van Verordening (EG) nr. 606/2009 mag de temperatuur niet hoger zijn dan 70 °C;

b)

voor centrifugering en filtratie, met of zonder toeslagstoffen voor inerte filtratie overeenkomstig bijlage I A, punt 3, van Verordening (EG) nr. 606/2009, mogen de poriën niet kleiner zijn dan 0,2 micrometer.

4.   Het gebruik van de volgende oenologische procedés, processen en behandelingen wordt vóór 1 augustus 2015 door de Commissie herbeoordeeld met als doel deze procedés geleidelijk af te schaffen of verder te beperken:

a)

warmtebehandelingen als bedoeld in bijlage I A, punt 2, van Verordening (EG) nr. 606/2009;

b)

het gebruik van ionenwisselende harsen als bedoeld in bijlage I A, punt 20, van Verordening (EG) nr. 606/2009;

c)

omgekeerde osmose overeenkomstig bijlage XV bis, punt B.1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

5.   Eventuele wijzigingen die na 1 augustus 2010 met betrekking tot de in Verordening (EG) nr. 1234/2007 en Verordening (EG) nr. 606/2009 bedoelde oenologische procedés, processen en behandelingen worden ingevoerd, mogen slechts in de productie van biologische wijn worden toegepast na vaststelling van de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 19, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 vastgestelde productievoorschriften en na een beoordeling overeenkomstig artikel 21 van die verordening, waar een dergelijke beoordeling vereist is.

(*1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1."

(*2)   PB L 193 van 24.7.2009, blz. 1."

(*3)   PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60.”;"

c)

artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

i)

aan de eerste alinea wordt het volgende punt toegevoegd:

„e)

het gebruik van zwaveldioxide tot het overeenkomstig bijlage I B bij Verordening (EG) nr. 606/2009 vast te stellen maximumgehalte toe te staan, wanneer de gezondheidstoestand van de biologische druiven in een specifiek geografisch gebied vanwege uitzonderlijke klimaatomstandigheden in een bepaald oogstjaar en vanwege ernstige aantasting door bacteriën of schimmels zo achteruitgaat dat de wijnmaker meer zwaveldioxide dan in de voorafgaande jaren moet gebruiken om een vergelijkbaar eindproduct te verkrijgen.”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

„Individuele marktdeelnemers die een dergelijke toestemming van de bevoegde autoriteit hebben gekregen, moeten bewijsstukken inzake het gebruik van de bovenbedoelde uitzonderingen bewaren. De lidstaten stellen elkaar en de Commissie in kennis van de uitzonderingen die zij op grond van de eerste alinea, onder c) en e), hebben toegestaan.”.

2)

Titel V wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan artikel 94, lid 1, wordt het volgende punt d) toegevoegd:

„d)

uiterlijk 1 maand na de door de lidstaten gegeven toestemming, de uitzonderingen die zij hebben toegestaan op grond van artikel 47, eerste alinea, onder c) en e).”;

b)

artikel 95, lid 10 bis, wordt vervangen door:

„10 bis.   Voor producten van de wijnsector verstrijkt de in lid 8 bedoelde overgangsperiode op 31 juli 2012.

Voorraden wijn die tot en met 31 juli 2012 overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2092/91 of Verordening (EG) nr. 834/2007 zijn geproduceerd, mogen verder in de handel worden gebracht zolang de voorraad strekt en op voorwaarde dat de volgende etiketteringsvoorschriften in acht zijn genomen:

a)

het in artikel 25, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde communautaire logo voor biologische productie, dat met ingang van 1 juli 2010„het biologische logo van de EU” wordt genoemd, mag worden gebruikt op voorwaarde dat het betrokken oenologische proces in overeenstemming is met titel II, hoofdstuk 3 bis, van de onderhavige verordening;

b)

marktdeelnemers die gebruik maken van „het biologische logo van de EU”, bewaren gedurende ten minste 5 jaar na de afzet van deze met biologische druiven geproduceerde wijn de desbetreffende bewijsstukken, onder meer met betrekking tot de betrokken, in liter uitgedrukte, hoeveelheden wijn, uitgesplitst per categorie en per jaar;

c)

wanneer de onder b) bedoelde bewijsstukken niet beschikbaar zijn, mag deze wijn worden geëtiketteerd als „wijn uit biologische druiven”, op voorwaarde dat hij voldoet aan de bij deze verordening vastgestelde voorschriften, met uitzondering van die in titel II, hoofdstuk 3 bis;

d)

wijn die is geëtiketteerd als „wijn uit biologische druiven”, mag niet worden voorzien van „het biologische logo van de EU”.”.

3)

Er wordt een bijlage VIII bis toegevoegd, waarvan de tekst is weergegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.

(2)   PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1.

(3)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(4)  http://www.orwine.org/default.asp?scheda=263

(5)   PB L 193 van 24.7.2009, blz. 1.

(6)   PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60.

(7)   PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1. Verordening (EEG) nr. 2092/91 is met ingang van 1 januari 2009 ingetrokken bij en vervangen door Verordening (EG) nr. 834/2007.


BIJLAGE

„BIJLAGE VIII bis

In artikel 29 quater bedoelde producten en stoffen die in biologische producten van de wijnsector mogen worden gebruikt of daaraan mogen worden toegevoegd

Behandeling overeenkomstig bijlage I A bij Verordening (EG) nr. 606/2009

Naam van het product of de stof

Specifieke voorwaarden en beperkingen overeenkomstig de voorwaarden en beperkingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en Verordening (EG) nr. 606/2009

Punt 1:

Beluchting of toevoeging van zuurstof

Lucht

Gasvormige zuurstof

 

Punt 3:

Centrifugatie en filtratie

Perliet

Cellulose

Diatomeeënaarde

uitsluitend voor gebruik als toeslagstoffen voor inerte filtratie

Punt 4:

Gebruik om een inerte atmosfeer te scheppen en het product onder afsluiting van lucht te behandelen

Stikstof

Kooldioxide

Argon

 

Punten 5, 15 en 21:

Gebruik

Gisten (1)

 

Punt 6:

Gebruik

Diammoniumfosfaat

Thiaminedichloorhydraat

 

Punt 7:

Gebruik

Zwaveldioxide

Kaliumbisulfiet of kaliummetabisulfiet

a)

het maximale zwaveldioxidegehalte mag niet hoger liggen dan 100 milligram per liter voor rode wijn die wordt vermeld in bijlage I B, A.1, onder a), van Verordening (EG) nr. 606/2009 en die een resterend suikergehalte van minder dan 2 gram per liter heeft,

b)

het maximale zwaveldioxidegehalte mag niet hoger liggen dan 150 milligram per liter voor witte wijn en roséwijn die worden vermeld in bijlage I B, A.1, onder b), van Verordening (EG) nr. 606/2009 en die een resterend suikergehalte van minder dan 2 gram per liter hebben,

c)

voor alle andere wijnen moet het maximale zwaveldioxidegehalte dat op 1 augustus 2010 overeenkomstig bijlage I B bij Verordening (EG) nr. 606/2009 werd toegepast, worden verminderd met 30 milligram per liter.

Punt 9:

Gebruik

Kool voor oenologisch gebruik

 

Punt 10:

Klaring

Voedselgelatine (2)

Proteïnestoffen van plantaardige oorsprong, afkomstig van tarwe of erwten (2)

Vislijm (2)

Ovoalbumine (2)

Tannine (2)

 

Caseïne

Kaliumcaseïnaat

Siliciumdioxide

Bentoniet

Pectolytische enzymen

 

Punt 12:

Gebruik voor aanzuring

Melkzuur

L(+)-wijnsteenzuur

 

Punt 13:

Gebruik voor ontzuring

L(+)-wijnsteenzuur

Calciumcarbonaat

Neutraal kaliumtartraat

Kaliumbicarbonaat

 

Punt 14:

Toevoeging

Hars van Aleppo-pijnbomen

 

Punt 17:

Gebruik

Melkzuurbacteriën

 

Punt 19:

Toevoeging

L-Ascorbinezuur

 

Punt 22:

Gebruik voor wassing

Stikstof

 

Punt 23:

Toevoeging

Kooldioxyde

 

Punt 24:

Toevoeging met het oog op de stabilisatie van de wijn

Citroenzuur

 

Punt 25:

Toevoeging

Tannine (2)

 

Punt 27:

Toevoeging

Metawijnsteenzuur

 

Punt 28:

Gebruik

Acaciagom (2) (= Arabische gom)

 

Punt 30:

Gebruik

Kaliumbitartraat

 

Punt 31:

Gebruik

Kopercitraat

 

Punt 31:

Gebruik

Kopersulfaat

toegelaten tot en met 31 juli 2015

Punt 38:

Gebruik

Stukjes eikenhout

 

Punt 39:

Gebruik

Kaliumalginaat

 

Behandeling overeenkomstig bijlage III, A.2, onder b), bij Verordening (EG) nr. 606/2009

Calciumsulfaat

alleen voor „vino generoso” of „vino generoso de licor”


(1)  Voor de afzonderlijke giststammen: afgeleid van biologische grondstoffen indien deze beschikbaar zijn.

(2)  Afgeleid van biologische grondstoffen indien deze beschikbaar zijn.”


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/48


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 204/2012 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

85,1

JO

78,3

MA

64,7

SN

207,5

TN

99,6

TR

90,3

ZZ

104,3

0707 00 05

JO

121,8

TR

170,7

ZZ

146,3

0709 91 00

EG

82,2

ZZ

82,2

0709 93 10

MA

53,5

TR

99,8

ZZ

76,7

0805 10 20

EG

49,2

IL

69,1

MA

47,5

TN

55,6

TR

72,6

ZZ

58,8

0805 50 10

BR

43,7

EG

41,7

MA

69,3

TR

57,0

ZZ

52,9

0808 10 80

CA

117,2

CL

104,7

CN

107,7

MK

31,8

US

164,3

ZZ

105,1

0808 30 90

AR

76,6

CL

119,7

CN

55,6

ZA

88,3

ZZ

85,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/50


UITVOERINGSBESLUIT 2012/144/GBVB VAN DE RAAD

van 8 maart 2012

tot uitvoering van Besluit 2010/656/GBVB tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit 2010/656/GBVB van de Raad van 29 oktober 2010 tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (1) en met name artikel 6, leden 1 en 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 29 oktober 2010 Besluit 2010/656/GBVB vastgesteld.

(2)

Op basis van een herziening van de lijst van personen en entiteiten die aan de in Besluit 2010/656/GBVB vastgestelde beperkende maatregelen onderworpen zijn, acht de Raad de vermelding van een aantal personen op deze lijst niet langer gerechtvaardigd.

(3)

Voorts moet de informatie betreffende een persoon op de lijst in bijlage I en de personen op de lijst in bijlage II bij Besluit 2010/656/GBVB worden bijgewerkt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De vermelding van de volgende persoon in bijlage I bij Besluit 2010/656/GBVB:

Désiré Tagro

wordt vervangen door de vermelding in bijlage I bij dit besluit.

Artikel 2

Bijlage II bij Besluit 2010/656/GBVB wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BØDSKOV


(1)   PB L 285 van 30.10.2010, blz. 28.


BIJLAGE I

In artikel 1 bedoelde vermelding

Naam (en eventuele aliassen)

Identificatiegegevens (geboortedatum en -plaats, paspoort (pas/ID-kaartnummer enz.)

Redenen voor plaatsing op de lijst

Datum plaatsing op de VN-lijst

Désiré Tagro

Paspoortnummer: PD-AE 065FH08

Geboortedatum: 27 januari 1959

Geboorteplaats: Issia, Ivoorkust

Overleden op 12 april 2011 te Abidjan

Secretaris-generaal van het zogenaamde „presidentschap” van de heer GBAGBO: neemt deel aan de onwettige regering van de heer GBAGBO; belemmert het proces voor vrede en verzoening; weigert de uitslag van de presidentsverkiezingen te erkennen; neemt deel aan de gewelddadige onderdrukking van volksbewegingen.

Datum plaatsing op de VN-lijst: 30.3.2011

(plaatsing op de lijst van de Europese Unie: 22.12.2010)


BIJLAGE II

„BIJLAGE II

Lijst van personen bedoeld in artikel 4, lid 1, punt b), en artikel 5, lid 1, punt b)

 

Naam (en eventuele aliassen)

Identificatiegegevens

Redenen voor plaatsing op de lijst

1.

Kadet Bertin

Geboren in 1957 te Mama

Speciaal adviseur „veiligheid, defensie en militaire uitrusting” van Laurent Gbagbo, voormalig minister van Defensie van Laurent Gbagbo.

Neef van Laurent Gbagbo.

In ballingschap in Ghana. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Verantwoordelijkheid op het gebied van gewelddaden en gedwongen verdwijningen, alsook financiering en bewapening van de milities en de „jonge patriotten” (COJEP).

Betrokken bij de financiering van en de handel in wapens, en het omzeilen van het embargo.

Kadet Bertin onderhield bevoorrechte relaties met de milities in het westen en trad op als verbindingspersoon tussen Gbagbo en deze groepen. Betrokken bij de oprichting van het „Limacorps” (doodseskaders).

Blijft vanuit zijn ballingsoord in Ghana werken aan een gewapende herovering van de macht. Eist tevens de onmiddellijke vrijlating van Gbagbo.

Door zijn financiële slagkracht, zijn kennis van de illegale kanalen van de wapenhandel en zijn voortdurende contacten met nog steeds actieve militiegroepen (met name in Liberia) blijft Kadet Bertin een reële bedreiging voor de veiligheid en stabiliteit in Ivoorkust.

2.

Oulaï Delafosse

Geboren op 28 oktober 1968

Voormalig sous-préfet (onderprefect) van Toulepleu. Hoofd van de Union patriotique de résistance du Grand Ouest (Patriottische verzetsunie voor West-Ivoorkust).

Draagt als militiehoofd verantwoordelijkheid voor gewelddaden en misdrijven, in het bijzonder in het gebied rond Toulepleu.

Staat onder rechtstreeks bevel van Kadet Bertin en was tijdens de crisis na de verkiezingen zeer actief in het rekruteren van Liberiaanse huurlingen, alsook in de illegale handel in wapens afkomstig uit Liberia. Sinds het uitbreken van de crisis na de verkiezingen zaaien zijn troepen terreur en zijn honderden mensen afkomstig uit het noorden van Ivoorkust geëlimineerd.

Door zijn politieke extremisme, zijn verbondenheid met Kadet Bertin en de sterke banden met het milieu van de Liberiaanse huurlingen, blijft hij een bedreiging voor de stabiliteit van het land.

3.

Pastor Gammi

 

Hoofd van de in 2004 opgerichte militie „Mouvement ivoirien pour la libération de l’Ouest” (MILOCI — Ivoriaanse beweging voor de bevrijding van West-Ivoorkust). Als hoofd van de MILOCI, een pro-Gbagbomilitie, betrokken bij meerdere slachtpartijen en gewelddaden.

Op de vlucht in Ghana (zou zich in Takoradi bevinden). Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Is vanuit zijn ballingsoord toegetreden tot de „Coalition Internationale pour la libération de la Côte d’Ivoire” (CILCI — Internationale coalitie voor de bevrijding van Ivoorkust), die ijvert voor gewapend verzet met als doel Gbagbo opnieuw aan de macht te brengen.

4.

Marcel Gossio

Geboren op 18 februari 1951 in Adjamé

Paspoortnummer: 08AA14345 (geldig tot 6 oktober 2013)

Voortvluchtig buiten Ivoorkust. Onder internationaal aanhoudingsbevel. Betrokken bij het verduisteren van openbare middelen en bij het financieren van troepenbewapening.

Sleutelfiguur bij de financiering van de Gbagbo-clan en de milities. Speelt tevens centrale rol in de illegale wapenhandel.

Vanwege de aanzienlijke bedragen die door hem zijn verduisterd en zijn kennis van de illegale bewapeningsnetwerken blijft hij een gevaar voor de stabiliteit en de veiligheid van Ivoorkust.

5.

Justin Koné Katina

 

Voortvluchtig in Ghana. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Betrokken bij de overval op de „Banque centrale des Etats de l’Afrique de l’Ouest” (BCEAO — Centrale bank van de West-Afrikaanse staten).

Blijft zich, ook vanuit zijn ballingsoord, opwerpen als woordvoerder van Gbagbo. In een perscommuniqué van 12 december 2011 beweert hij dat Ouattara nooit de verkiezingen heeft gewonnen en noemt hij het nieuwe bewind onrechtmatig. Roept op tot verzet en is van mening dat Gbagbo weer aan de macht zal komen.

6.

Ahoua Don Mello

Geboren op 23 juni 1958 in Bongouanou

Paspoortnummer: PD-AE/044GN02 (geldig tot 23 februari 2013)

Woordvoerder van Laurent Gbagbo. Voormalig minister van Uitrusting en Sanering in de onrechtmatige regering.

In ballingschap in Ghana. Onder internationaal aanhoudingsbevel.

Blijft vanuit zijn ballingsoord verklaren dat de verkiezing van president Ouattara frauduleus is en dat hij diens gezag niet erkent. Weigert gehoor te geven aan de verzoeningsoproep van de Ivoriaanse regering en roept in de pers dikwijls op tot opstand, verricht mobilisatierondes in de vluchtelingenkampen in Ghana.

In december 2011 verklaart hij dat Ivoorkust een „belegerde stammenstaat” is en dat „de dagen van het Ouattara-bewind zijn geteld”.

7.

Moussa Touré Zéguen

Geboren op 9 september 1944

Oud paspoort: AE/46CR05

Hoofd van de Groupement des Patriotes pour la paix (GPP — Groepering van patriotten voor vrede),

Oprichter van de „Coalition Internationale pour la libération de la Côte d’Ivoire” (CILCI — Internationale coalitie voor de bevrijding van Ivoorkust).

Militiehoofd sinds 2002; geeft sinds 2003 leiding aan de GPP. Onder zijn bevel wordt de GPP de gewapende arm van Gbagbo in Abidjan en het zuiden van het land.

Samen met de GPP maakt hij zich schuldig aan zeer veel gewelddaden, hoofdzakelijk tegen de bevolkingsgroepen uit het noorden en tegen tegenstanders van het bewind.

Is persoonlijk betrokken bij de gewelddadigheden na de verkiezingen (met name in de wijken Abobo en Adjamé).

In zijn ballingsoord Accra richt Touré Zéguen de CILCI op, die tot doel heeft Gbagbo weer aan de macht te brengen.

Vanuit zijn ballingsoord legt hij de ene opruiende verklaring na de andere af (bv. tijdens de persconferentie van 9 december 2011); blijft denken volgens een strikte logica van conflict en gewapende vergelding. Is van mening dat Ivoorkust onder Ouattara onrechtmatig is en „is geherkoloniseerd”, en „roep[t] de Ivorianen op om de bedriegers te verjagen” (Jeune Afrique, juli 2011).

Onderhoudt een blog waarin hij fel oproept tot mobilisatie van het Ivoriaanse volk tegen Ouattara.”


Rectificaties

9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/55


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 36/2010 van de Commissie van 3 december 2009 inzake communautaire modellen voor vergunningen van machinisten, aanvullende bevoegdheidsbewijzen, gewaarmerkte afschriften van aanvullende bevoegdheidsbewijzen en aanvraagformulieren voor vergunningen van machinisten, in het kader van Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad

( Publicatieblad van de Europese Unie L 13 van 19 januari 2010 )

Bladzijde 11, bijlage II, punt 2, eerste streepje:

in plaats van:

„achternaam of achternamen van de houder;”,

te lezen:

„achternaam of achternamen en voornaam of voornamen van de houder;”.

Bladzijde 13, bijlage II, punt 4, derde kolom (voorpagina):

in plaats van:

„AANVULLEND

vermelden op welke infrastructuur de machinist mag rijden en welk rollend materieel de machnist mag besturen overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG en de toepasselijke nationale wetgeving

Achternaam/achternamen

Naam/Namen”

te lezen:

„AANVULLEND BEVOEGDHEIDSBEWIJS

dat vermeldt op welke infrastructuur de machinist mag rijden en welk rollend materieel de machnist mag besturen overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG en de toepasselijke nationale wetgeving

Achternaam/achternamen

Voornaam/voornamen”.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/55


Rectificatie van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging

( Publicatieblad van de Europese Unie L 251 van 3 oktober 2003 )

Bladzijde 16, artikel 10, lid 3, onder a):

in plaats van:

„a)

staan de lidstaten de toegang en het verblijf uit hoofde van gezinshereniging toe aan zijn bloedverwanten in rechtstreekse opgaande lijn zonder de in artikel 4, lid 2, onder a), genoemde voorwaarden toe te passen;”,

te lezen:

„a)

staan de lidstaten de toegang en het verblijf uit hoofde van gezinshereniging toe aan zijn bloedverwanten van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn zonder de in artikel 4, lid 2, onder a), genoemde voorwaarden toe te passen;”.


9.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/55


Rectificatie van Richtlijn 92/66/EEG van de Raad van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle

( Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 260 van 5 september 1992 )

Bladzijde 3, artikel 4, lid 2, onder d):

in plaats van:

„d)

behoudens toestemming van de officiële dierenarts,”,

te lezen:

„d)

behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,”.