|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2012.014.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 14 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
55e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2012/26/EU |
|
|
|
* |
Besluit van de Commissie van 29 juni 2011 betreffende steunmaatregel C 35/08 (ex NN 11/08) door Frankrijk aan het Institut Français du Pétrole toegekend (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4483) ( 1 ) |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
17.1.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 14/1 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2011
betreffende steunmaatregel C 35/08 (ex NN 11/08) door Frankrijk aan het Institut Français du Pétrole toegekend
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4483)
(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2012/26/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (1), en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (3),
Overwegende hetgeen volgt:
1 PROCEDURE
|
(1) |
In het kader van het formele onderzoek van het dossier van steunmaatregel C 51/05 inzake steunmaatregelen die door Frankrijk zijn toegekend aan het Institut Français du Pétrole (hierna „het IFP” genoemd) (4), hebben de Franse autoriteiten bij brief van 18 juli 2006, welke op 19 juli 2006 werd geregistreerd, de diensten van de Commissie ingelicht over de omvorming per 7 juli 2006 van het IFP, voorheen een établissement professionel (beroepsorganisatie) in de zin van de acte dit loi no 43-612 sur la gestion des intérêts professionnels (wet nr. 43-612 van 17 november 1943 betreffende het beheer van de belangen van het bedrijfsleven) (hierna „de wet nr. 43-612 van 17 november 1943” genoemd), tot een établissement public à caractère industriel et commercial (industriële en commerciële overheidsinstelling) (hierna „EPIC” genoemd). Deze omvorming blijkt uit twee documenten die de Franse autoriteiten bij hun brief hebben gevoegd: i) het décret no 2006-797 du 6 juillet 2006 fixant les nouveaux statuts de l'établissement public IFP (decreet 2006-797 van 6 juli 2006 ter vaststelling van de nieuwe rechtsvorm van het IFP) (hierna „het decreet nr. 2006-797 van 6 juli 2006” genoemd), en ii) artikel 95 van de loi no 2005-781 du 13 juillet 2005 de programme fixant les orientations de la politique énergétique (programmawet nr. 2005-781 van 13 juli 2005 ter vaststelling van de richtsnoeren van het energiebeleid) (hierna „de programmawet nr. 2005-781 van 13 juli 2005” genoemd) (ter uitvoering waarvan genoemd decreet is uitgevaardigd). |
|
(2) |
Bij brieven van 3 augustus 2007 en 7 mei 2008, heeft de Commissie de Franse autoriteiten een verzoek om inlichtingen gezonden, waarop deze laatsten bij brieven van 28 september 2007 en 26 juni 2008 hebben geantwoord. |
|
(3) |
In een eerdere zaak heeft de Commissie op 16 juli 2008 een beschikking gegeven betreffende een eerste steunmaatregel die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de IFP-groep (hierna „beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005” genoemd) (5). In die beschikking heeft de Commissie erop gewezen dat de kwestie van de aanwezigheid van bijkomende staatssteun, in de vorm van een mogelijke onbeperkte staatsgarantie als gevolg van de nieuwe EPIC-rechtsvorm van het IFP, door de Commissie individueel zou worden onderzocht in het kader van een andere procedure. |
|
(4) |
Over deze tweede procedure van artikel 108, lid 2, VWEU heeft de Commissie per 16 juli 2008 (6) een besluit genomen (hierna „besluit tot inleiding van de procedure” genoemd), op grond van artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (7) (hierna „procedureverordening” genoemd) ten aanzien van de mogelijke onbeperkte staatsgarantie ten gunste van de IFP-groep. |
|
(5) |
In de bekendmaking op 11 oktober 2008 van het voornoemde besluit tot inleiding van de procedure in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft de Commissie belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de betrokken maatregel in te dienen. |
|
(6) |
De Commissie heeft de opmerkingen van Frankrijk bij brief van 14 oktober 2008 ontvangen. |
|
(7) |
Bij brief van 6 november 2008, welke dezelfde dag door de Commissie werd geregistreerd, hebben de raadslieden van UOP Limited de Commissie op de hoogte gesteld van de wens van hun cliënt om opmerkingen ten aanzien van de betrokken maatregel te maken. In verband met de voor vertaling benodigde termijnen, hebben zij toen om een verder uitstel verzocht (tot 30 november 2008) om hun opmerkingen te kunnen indienen. Bij brief van 7 november 2008 heeft de Commissie aangegeven dat zij de voor dit verzoek opgegeven reden aanvaardde en dat zij UOP Limited nog een verlenging van de antwoordtermijn verleende tot 30 november 2008. Bij brief van 28 november 2008, welke door de Commissie dezelfde dag werd geregistreerd, hebben de raadslieden van UOP Limited de opmerkingen van hun cliënt over het besluit tot inleiding van de procedure ingediend. |
|
(8) |
In dezelfde brief van 28 november 2008 hebben de raadslieden van UOP Limited verzocht hun cliënt toestemming te geven om tijdens de procedure aanvullende opmerkingen te maken. Bij brief van 17 december heeft de Commissie op dit verzoek geantwoord door erin toe te stemmen de antwoordtermijn voor UOP Limited tot 23 januari 2009 te verlengen, zodat zij eventuele aanvullende opmerkingen kon indienen. Bij brief van 23 januari 2009 hebben de raadslieden van UOP Limited aanvullende opmerkingen van hun cliënt doen toekomen. |
|
(9) |
Bij brief van 6 mei 2009 heeft de Commissie de Franse autoriteiten alle opmerkingen van UOP Limited over het besluit tot inleiding van de procedure doen toekomen, waar nodig in vertrouwelijke vorm. Zij heeft de Franse autoriteiten verzocht hun opmerkingen uiterlijk 8 juni 2009 in te dienen. Bij brief van 2 juni 2009 hebben de Franse autoriteiten verzocht deze termijn tot 22 juni 2009 te verlengen, aangezien de opmerkingen van de belanghebbende tot nauwkeurige en uitvoerige bestudering en raadpleging van verscheidene ministeriële diensten noopten. Bij brief van 9 juni 2009 heeft de Commissie met deze verlenging van de antwoordtermijn tot 22 juni 2009 ingestemd. Bij brief van 22 juni 2009 hebben de Franse autoriteiten hun opmerkingen op de door UOP Limited gemaakte opmerkingen ingediend. |
|
(10) |
Bij brief van 29 juli 2009 heeft de Commissie de Franse autoriteiten om aanvullende inlichtingen en een antwoord vóór 24 augustus 2009 verzocht. Bij brief van 19 augustus 2009 hebben de Franse autoriteiten om een verlenging van de antwoordtermijn tot 7 september 2009 verzocht, hetgeen hun door de Commissie bij brief van 20 augustus 2009 is toegestaan. Bij brief van 8 september 2009 hebben de Franse autoriteiten uiteindelijk de gevraagde inlichtingen verschaft. |
|
(11) |
Bij brief van 20 november 2009 heeft de Commissie de Franse autoriteiten om nieuwe aanvullende inlichtingen en een antwoord binnen twintig dagen verzocht. Bij brief van 14 december 2009 hebben de Franse autoriteiten om een verdere verlenging van de antwoordtermijn tot 22 januari 2010 verzocht, hetgeen de Commissie hun bij brief van 18 december 2009 heeft toegestaan. Bij brief van 13 januari 2010 hebben de Franse autoriteiten uiteindelijk de gevraagde inlichtingen verschaft. |
|
(12) |
Op 20 mei 2010 werd door de diensten van de Commissie in Brussel een bijeenkomst belegd, om met de Franse autoriteiten de gevolgen voor de huidige zaak te bespreken van het op 26 januari 2010 door de Commissie vastgestelde besluit betreffende steunmaatregel C 56/07 (ex E 15/05) toegekend aan La Poste (8) (hierna „besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007” genoemd). Aangezien La Poste een publieke entiteit is die een - tot dan toe - met een EPIC (9) vergelijkbare rechtsvorm heeft, vertoonde die zaak (hierna „de zaak-La Poste” genoemd) grote overeenkomsten met de hier te onderzoeken maatregel, zodat de Franse autoriteiten in hun opmerkingen aangaande beide zaken, mutatis mutandis, dezelfde argumenten hebben aangevoerd. Op 4 juni 2010 is een lijst van aanvullende vragen per brief aan Frankrijk gemaild, aangezien de diensten van de Commissie een schriftelijke bijdrage van de Franse autoriteiten verlangden over de punten die gedurende deze bijeenkomst aan de orde waren gekomen. Op 16 juli 2010 hebben de Franse autoriteiten in het gevraagde voorzien. |
|
(13) |
Bij brief van 29 september 2010 heeft de Commissie de Franse autoriteiten om aanvullende inlichtingen en een antwoord binnen twintig dagen verzocht. Bij brief van 7 oktober 2010 hebben de Franse autoriteiten om een verdere verlenging van hun antwoordtermijn tot 26 november 2010 verzocht. De Commissie heeft hun dat uitstel bij brief van 8 oktober 2010 verleend. Bij brief van 26 november 2010 hebben de Franse autoriteiten uiteindelijk de verzochte inlichtingen verschaft. |
2 DE IFP-GROEP
|
(14) |
Zoals de Commissie in het besluit tot inleiding van de procedure en in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 (10) heeft aangegeven, heeft het IFP een drievoudige missie:
De algemene oriëntatie van de activiteiten van het instituut wordt per periode van vijf jaar in een doelstellingenovereenkomst (contrat d'objectifs) met de overheid vastgelegd. |
|
(15) |
Daarnaast oefent het IFP direct en indirect zeggenschap uit op commerciële bedrijven waarmee het exclusieve onderzoeks- en licentiecontracten heeft gesloten. Op grond van een reeks onderling overeenstemmende elementen die in overweging 137 nader worden aangegeven, heeft de Commissie in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 geoordeeld dat de naamloze vennootschappen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat en hun moedermaatschappij – het IFP – tezamen één economische groep vormden (hierna „de IFP-groep” genoemd) in de zin van het mededingingsrecht. |
|
(16) |
Axens is actief op de markt voor katalysatoren en technologie voor de raffinage- en petrochemische industrie. In 2006, op het moment dat haar moedermaatschappij van rechtsvorm veranderde, had de onderneming een geconsolideerde omzet van 308,45 miljoen EUR. Het IFP en Axens zijn met elkaar verbonden door twee exclusieve kader- en productlicentieovereenkomsten, alsmede een overeenkomst voor industrieel onderzoek (11). In ruil hiervoor betaalt de dochteronderneming enerzijds royalty's aan het IFP in het kader van de licentieovereenkomsten en anderzijds een vergoeding […] (*2) voor de toegang tot de onderzoekscapaciteit van het IFP. |
|
(17) |
Beicip-Franlab is gespecialiseerd in de ontwikkeling en verspreiding van software op het gebied van de exploratie van olievelden, studies en advies. In 2006 bedroeg haar omzet 42 miljoen EUR. Een exclusieve overeenkomst inzake ontwikkeling, commercialisatie en gebruik, die in 2003 is gesloten met een looptijd van tien jaar, bepaalt dat Beicip-Franlab [daar het IFP de resultaten van zijn onderzoek krijgt aangeboden] (**) inzake algoritmen, modellen of methoden [voortkomend uit het onderzoek van] (**) het IFP op het gebied van exploratie en reserves en deze laatste kan verzoeken op deze basis producten te ontwikkelen. Beicip-Franlab draagt alle kosten voor de ontwikkeling van de producten van het IFP, en betaalt bovendien diverse aanvullende vergoedingen […] (*) voor onderhoud en gebruiksrechten. Op 16 december 2005 werd een aanvullende overeenkomst ondertekend, waarbij de bepalingen inzake vergoeding werden gewijzigd zonder dat werd afgeweken van het beginsel dat Beicip-Franlab alle ontwikkelingskosten draagt. |
|
(18) |
Prosernat verricht studies en verleent diensten en levert volledige installaties op het gebied van gasbehandeling en zwavelterugwinning. In 2006 bedroeg de omzet van dit bedrijf 49,9 miljoen EUR. Op 18 augustus 2003 werd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 een kaderlicentiecontract en een overeenkomst voor industrieel onderzoek tussen het IFP en Prosernat ondertekend, voor een periode van tien jaar; op grond daarvan beschikt Prosernat over een exclusieve licentievergunning voor de octrooien van het IFP en [biedt deze laatste de resultaten aan van zijn] (**) onderzoek naar technologieën op het gebied van gasbehandeling en zwavelterugwinning. In ruil voor de licentie voor de processen betaalt Prosernat aan haar moedermaatschappij een vergoeding op basis van de jaarlijkse omzet, alsmede per geval vastgestelde vergoedingen voor de installaties. De vergoeding die Prosernat aan het IFP moet betalen voor de toegang tot de resultaten van de onderzoekswerkzaamheden bedraagt […] (*)% van de totale jaaromzet van Prosernat. |
|
(19) |
Overeenkomstig artikel 6 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 is in de exclusieve overeenkomsten waarin deze vergoedingen aan het IFP door zijn dochterondernemingen Axens et Prosernat worden geregeld, in 2009 (12) een clausule opgenomen om ervoor te zorgen dat een variabele vergoeding aan de moedermaatschappij wordt uitgekeerd die ten minste 25 % dekt van de kosten van haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van industrieel onderzoek, 50 % van de kosten van industrieel onderzoek en, in voorkomend geval, 75 % van de kosten van de preconcurrentiële ontwikkelingsactiviteiten in de zin van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling van 17 februari 1996 (13) (hierna „O&O-kaderregeling van 1996” genoemd) die door het IFP op de werkterreinen van zijn dochterondernemingen worden uitgevoerd (14). |
|
(20) |
Overeenkomstig het besluit tot inleiding van de procedure blijkt het in het kader van het onderzoek van de betrokken maatregel nodig om rekening te houden met het potentiële effect van de uit de EPIC-rechtsvorm van het IFP resulterende staatsgarantie op alle onderdelen van de IFP-groep (waaronder het IFP en zijn drie privaatrechtelijke dochterondernemingen) (15). |
3 BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL
|
(21) |
Tot 2006 was het IFP een privaatrechtelijke rechtspersoon, een beroepsorganisatie in de zin van wet nr. 43-612 van 17 november 1943, en stond ze onder financieel-economisch toezicht van de Franse overheid. |
|
(22) |
In artikel 95 van de programmawet nr. 2005-781 van 13 juli 2005 is het beginsel van de omvorming van het IFP in een EPIC geformuleerd. Deze omvorming werd van kracht vanaf de publicatie in het Journal Officiel de la République française van het decreet nr. 2006-797 van 6 juli 2006. |
|
(23) |
Als établissement public industriel et commercial (EPIC) is het IFP vanaf het tijdstip van de verandering van zijn rechtsvorm een publiekrechtelijke rechtspersoon (16). |
|
(24) |
De juridische gevolgen van de EPIC-kwalificatie zijn nader uiteengezet in deel 2 (Beschrijving van de maatregel) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, alsmede in deel 3.2.1 (Juridische gevolgen van de EPIC-rechtsvorm voor IFP) van het besluit tot inleiding van de procedure, waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst. |
4 REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE
|
(25) |
In het besluit tot inleiding van de procedure heeft de Commissie in de eerste plaats geoordeeld dat de maatregel twijfel deed rijzen over de vraag of de uitzonderlijke ruime gemeenrechtelijke regeling die ten gunste van EPIC's op het gebied van faillissementen is ingesteld, samenvalt met een regeling van onbeperkte staatsgaranties waarmee publieke middelen worden aangesproken:
|
|
(26) |
Voorts leek, zoals in de punten 65 tot en met 74 van het besluit tot inleiding van de procedure wordt beschreven en waarnaar de Commissie voor meer inlichtingen verwijst, de toelichting die de Franse autoriteiten, op het gebied van wet- en regelgeving hebben aangereikt, onvoldoende om deze twijfels a priori weg te nemen. |
|
(27) |
De Commissie heeft vervolgens gesteld dat een selectief economisch voordeel als gevolg van een dergelijke situatie niet kan worden uitgesloten, voornamelijk vanwege financieringsvoorwaarden die als voordeliger gelden, ook al worden het IFP en zijn dochterondernemingen niet financieel beoordeeld door een extern ratingbureau. De IFP-groep zou ook bevoordeeld kunnen zijn in zijn betrekkingen met klanten en leveranciers omdat deze laatsten kunnen denken dat zij een staatsgarantie op hun schuldvorderingen genieten. Er kon in de fase van het voorlopige onderzoek daarom niet worden uitgesloten dat in het geval van levering van goederen en diensten die een schuldvordering inhielden, de leveranciers of de klanten betere voorwaarden aan het IFP zouden hebben verleend dan aan een bedrijf dat geen staatsgarantie geniet. |
|
(28) |
Daarnaast heeft de Commissie op grond van inlichtingen waarover zij beschikte dankzij haar voorlopige onderzoek, geoordeeld dat het door het onbeperkte karakter van de garantie, met name wat betreft de duur, het bedrag en de reikwijdte, uitermate moeilijk was tot een berekening te komen van de marktpremie die het IFP aan de Staat zou moeten betalen voor het verlenen van deze bescherming. |
|
(29) |
Ten slotte heeft de Commissie twijfels geuit over de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de interne markt, aangezien deze op het eerste gezicht niet bestemd lijkt te zijn om de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten of economische regio's te bevorderen. |
5 OPMERKINGEN EN VOORSTELLEN VAN DE FRANSE AUTORITEITEN
5.1 EERSTE OPMERKINGEN VAN DE FRANSE AUTORITEITEN
|
(30) |
Naar aanleiding van voornoemd besluit tot inleiding van de procedure hebben de Franse autoriteiten hun opmerkingen en voorstellen bij brief van 14 oktober 2008 bij de Commissie ingediend. Deze brief was een aanvulling op de opmerkingen en voorstellen van de Franse autoriteiten in eerdere brieven (23) en die in het besluit tot inleiding van de procedure zijn samengevat. |
|
(31) |
In hun opmerkingen van 14 oktober 2008 hebben de Franse autoriteiten er in de eerste plaats op gewezen dat de procedure ten aanzien van de IFP-groep gelijktijdig met de voornoemde zaak-La Poste is ingeleid. Zodoende gaven zij aan dat zij mutatis mutandis dezelfde argumenten aanvoerden als tijdens het onderzoek van die zaak (24). In weerwil van deze overeenkomsten hebben de Franse autoriteiten nochtans de speciale kenmerken van het IFP onder de aandacht willen brengen: het betreft een onderzoeksorganisatie met een drievoudige taak van algemeen belang (onderzoek, opleiding en documentatie), waarvan de activiteiten voor het grote merendeel niet-economisch zijn, hetgeen de aan deze instelling toegekende overheidsfinanciering zou rechtvaardigen. Daarnaast hebben zij de reden voor de omvorming tot een EPIC toegelicht. Onderlinge afstemming van de aard van de activiteiten en de financieringswijze van het IFP, enerzijds, en de rechtsvorm van het IFP, anderzijds, zou de reden voor de wijziging van rechtsvorm zijn geweest. Doel was om het IFP meer in de publieke sfeer te brengen; daarvoor moest de vorm van privaatrechtelijke beroepsorganisatie worden opgegeven. |
|
(32) |
De Franse autoriteiten hebben betwist dat er sprake is van staatssteun, omdat volgens hen aan twee voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU, niet voldaan was: de regeling in kwestie bracht geen enkele overdracht van staatsmiddelen (5.1.1) met zich noch werd het IFP op enige wijze bevoordeeld (5.1.2). |
5.1.1 ONTBREKEN VAN EEN GARANTIE DIE DE STAAT KAN WORDEN TOEGEREKEND EN DIE GEPAARD GAAT MET EEN OVERDRACHT VAN STAATSMIDDELEN
|
(33) |
Volgens de Franse autoriteiten genieten overheidsinstellingen geen enkele automatische garantie op grond van hun rechtsvorm (A) enerzijds, en zou anderzijds de redenering van de Commissie in het besluit tot inleiding van de procedure onjuist zijn (B). |
A. Ontbreken van elke onbeperkte staatsgarantie
|
(34) |
Zoals toegelicht in de overwegingen 41 tot en met 45 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, is de argumentatie van de Franse autoriteiten vijfledig. |
|
(35) |
Ten eerste is in geen enkele tekst en geen enkel besluit het beginsel verankerd dat de Staat principieel de schulden van EPIC's onbeperkt garandeert. |
|
(36) |
Ten tweede is er rechtspraak beschikbaar van de Conseil d'État over het ontbreken van garanties, inzonderheid het arrest-Société de l'hôtel d'Albe (25), alsmede de twee arresten in de zaak-Campoloro (26). |
|
(37) |
Ten derde zou in de loi organique du 1er août 2001 relative aux lois de finances (organieke wet van 1 augustus 2001 inzake begrotingswetgeving) (hierna „de LOLF” genoemd) zijn bepaald dat een garantie alleen tot stand kan komen door middel van een bepaling uit de begrotingswetgeving (27), hetgeen de Conseil d'État uitdrukkelijk zou hebben bevestigd in zijn jaarverslag van 2006 (28). Volgens de door de Franse autoriteiten aangestelde deskundige in de voornoemde zaak-La Poste (29) was het sinds de volledige inwerkingtreding van de LOLF op 1 januari 2005 dan ook onmogelijk een rechtsgeldige impliciete garantie te bieden. Voor de schulden die sinds 1 januari 2005 zijn aangegaan, zou geen impliciete garantie gelden. Wat de schulden betreft die vóór 1 januari 2005 zijn aangegaan, is de deskundige van de Franse autoriteiten van oordeel dat er bij gebreke van rechtspraak niet kan worden bepaald of de nietigheid van impliciete garanties die vóór 1 januari 2005 zijn gegeven en waarvan de toekenning niet expliciet in de begrotingswetgeving is toegestaan, al dan niet kan worden afgewezen op grond van de inachtneming van de grondwettelijk beschermde rechten van schuldeisers. |
|
(38) |
Ten vierde is Frankrijk van oordeel dat, indien voor EPIC's een staatsgarantie zou gelden, voor een omzetting van de rechtsvorm van EPIC's maatregelen zouden moeten worden ingevoerd om de rechten van schuldeisers te waarborgen. Een dergelijke regeling is evenwel nooit ingevoerd (30). Zij concluderen hier a contrario uit dat EPIC's geen enkele staatsgarantie genieten. |
|
(39) |
Ten vijfde citeren de Franse autoriteiten een artikel (31) van de heer Labetoulle, voormalig voorzitter van de afdeling geschillen van de Conseil d'État. Volgens dat artikel „is de verlening, het voordeel en de reikwijdte van deze garantie [een staatsgarantie die van rechtswege van toepassing zou zijn op overheidsinstellingen van de staat] juridisch gezien geenszins automatisch”. |
B. Onjuiste redenering van de Commissie (32)
|
(40) |
De Franse autoriteiten menen dat a) bij EPIC's de voldoening van individuele schuldvorderingen niet wordt gegarandeerd, en b) dat net zo min het voortbestaan van de overheidsinstelling of van haar verplichtingen is gewaarborgd. |
a) Ontbreken van de garantie dat individuele schuldvorderingen worden voldaan
|
(41) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 46 tot en met 49 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, menen de Franse autoriteiten dat de wet van 16 juli 1980 geen rechtsgrond voor een garantie kan zijn: op grond van voorbereidende werkzaamheden voor de wet, van een interpretatie van de arresten in de zaak-Campoloro van 10 november 1999 (33) en 18 november 2005 (34) en van rechtswetenschappelijke artikelen (35) oordeelt Frankrijk dat in de wet van 16 juli 1980 niet is vastgelegd dat de Staat verplicht is eigen middelen in te zetten: de zinsnede „voorziet hierin” in artikel 1 zou enkel betekenen dat de Staat bevoegd is tot„indeplaatstreding” voor het bestuursorgaan van de persoon waarvoor deze overheid in de plaats treedt, bij de uitoefening waarvan „het beginsel geldt dat de in de plaats tredende over dezelfde bevoegdheden beschikt als degene in wiens plaats hij treedt”. In het kader van deze indeplaatstreding mag de overheid enkel de bevoegdheden van dit bestuursorgaan uitoefenen, en omvat zulks niet de mogelijkheid om over de staatsbegroting te beschikken, aangezien de toekenning van een buitengewone subsidie „geen deel uitmaakt van de uitoefening van subsidiebevoegdheid”. |
|
(42) |
Zoals aangegeven in de overwegingen 50 tot en met 53 van genoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, stellen de Franse autoriteiten voorts dat de aansprakelijkheid van de Staat buiten schuld niet in het gedrang komt door het enkele feit dat de activa ontoereikend zijn. Volgens de Franse autoriteiten houdt elke garantie immers in dat de garantieverlener de situatie van de gegarandeerde voor zijn rekening neemt. Wanneer het dus gaat om het voor rekening nemen van schuld of – in het geval van aansprakelijkheid buiten schuld – om de gevolgen van een eigen handeling, kan er geen sprake zijn van garantie. Volgens Frankrijk kan de Staat in ieder geval niet aansprakelijk worden gesteld met als enig argument dat de prefect of de toezichthoudende overheid geen enkele maatregel heeft kunnen treffen waarmee de schuldvordering kon worden voldaan wegens de financiële- en vermogenspositie van de overheidsinstelling. De schuld moet worden afgewezen, want als de prefect en de toezichthoudende autoriteit ervan afzien op te treden, kan alleen op grond daarvan geen sprake van schuld. De Franse autoriteiten erkennen niettemin dat de vertegenwoordiger van de Staat bij de tenuitvoerlegging van de procedure zoals vastgelegd in de wet van 16 juli 1980 de eis van continuïteit van de openbare dienst in acht dient te nemen, maar menen dat een door een rechter opgedragen schadeloosstelling van de schuldeiser ertoe zou leiden dat de schuldeiser daardoor opnieuw terechtkomt in de situatie waarin hij zich volgens het gemene recht had bevonden, aangezien het betrokken goed in laatstgenoemd geval zou zijn overgedragen en het overeenkomende bedrag naar de failliete boedel zou zijn gegaan. Hieruit zou dus geen enkel voordeel voortvloeien voor de schuldeiser. |
b) Ontbreken van een garantie ten aanzien van het voortbestaan van het IFP of van zijn verplichtingen
|
(43) |
Zoals is toegelicht in de overwegingen 54, 55 en 56 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, zijn de Franse autoriteiten van oordeel dat de niet-toepasselijkheid van de gemeenrechtelijke procedure voor sanering en gerechtelijke liquidatie op publiekrechtelijke rechtspersonen de mogelijkheid van een faillissement van een EPIC of een faillissementsprocedure voor een EPIC niet uitsluit. Zij betwisten de analyse van de Commissie, die gestoeld is op de mededeling betreffende staatssteun in de vorm van garanties (36) (hierna „de garantiemededeling” genoemd) en zijn van oordeel dat in dit geval de Commissie niet heeft aangetoond dat er sprake is van „gunstigere kredietvoorwaarden” als gevolg van de onmogelijkheid van een faillissementsprocedure, noch heeft aangetoond dat het IFP niet failliet kan gaan of dat een insolventieprocedure niet mogelijk is, omdat de wet van 1985 slechts een procedurewet is en omdat het feit dat deze niet op EPIC's van toepassing is, niet betekent dat zij niet ad hoc aan sanerings-, liquidatie- of faillissementsprocedure kunnen worden onderworpen. |
|
(44) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 57 tot en met 67 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, stellen de Franse autoriteiten voorts dat de toepassing van de „procedure” uit hoofde van de wet van 16 juli 1980, in plaats van de collectieve gemeenrechtelijke procedure, schuldeisers geen enkel voordeel verleent. Zij betwisten de door de Commissie in punt 81 van het besluit tot inleiding van de procedure aangevoerde noodzaak de criteria van openbaarheid (37) en gelijkwaardigheid (38) in acht te nemen om de vraag te beantwoorden of de toepassing van een specifieke procedure in geval van insolventie een voordeel inhoudt voor de entiteit die eraan is onderworpen, vergeleken met ondernemingen die vallen onder het handelsrecht (39). Zij houden deze zelfde criteria echter aan om de procedure ingesteld door de wet van 16 juli 1980 te analyseren. Zij zijn van oordeel dat wat het criterium „openbaarheid” betreft, de ratingbureaus terecht hebben vastgesteld dat deze procedure toepasselijk is in het geval van insolventie van een EPIC. Wat het criterium „gelijkwaardigheid” betreft, maken zij een onderscheid naar gelang de continuïteit van de openbare dienstverlening al dan niet vereist is, waarbij zij opmerken dat het door de financiële situatie van het IFP en zijn dochterondernemingen onwaarschijnlijk is dat de IFP-groep te lijden zal hebben van ontoereikende activa: de liquide middelen en beleggingen (150,3 miljoen EUR) overtroffen eind 2007 ongeveer vijfmaal het bedrag aan leningen en financiële verplichtingen (25,2 miljoen EUR):
|
|
(45) |
Zoals uiteengezet in overweging 68 van besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, benadrukken de Franse autoriteiten dat de door de Commissie in het besluit tot inleiding van de procedure aangehaalde teksten noch van toepassing zijn op het IFP, noch er naar kunnen worden overgezet. Het betreft in het bijzonder de teksten vermeld in overweging 82, met name de instruction codificatrice No 02-060-M95 du 18 juillet 2002 sur la réglementation financière et comptable des établissements publics nationaux à caractère industriel et commercial (codificerende instructie nr. 02-060-M95 van 18 juli 2002 betreffende de financiële en boekhoudkundige regelgeving voor nationale openbare bedrijven met een industrieel of commercieel karakter) en de Guide sur l'organisation financière des créations, transformations et suppressions des établissements publics nationaux et des groupements d'intérêt public van 14 november 2006 (leidraad inzake de financiële organisatie van de oprichting, omvorming en opheffing van nationale overheidsinstellingen en groupements d'intérêt publique). |
|
(46) |
Wat betreft de herkapitalisatie van de dochterondernemingen van het IFP, menen de Franse autoriteiten in de eerste plaats dat met de in punt 80 van het besluit tot inleiding van de procedure opgeworpen kwestie niet kan worden aangetoond dat er sprake is van een eventuele staatsgarantie, maar dat veeleer ermee kan worden gemeten wat de mogelijke effecten zijn van een dergelijke garantie die het IFP en zijn dochterondernemingen in voorkomend geval in een bevoorrechte situatie zou plaatsen vanwege gunstigere herkapitalisatievoorwaarden. Zij menen vervolgens dat de argumentatie van de Commissie op twee onjuiste opvattingen berust:
|
5.1.2 ONTBREKEN VAN ELK VOORDEEL OP HET NIVEAU VAN HET IFP EN ZIJN DOCHTERONDERNEMINGEN
|
(47) |
De Franse autoriteiten zijn in de eerste plaats van oordeel dat de voornoemde garantiemededeling niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat er in dit geval sprake is van een voordeel en dat de uitbreiding van eventuele voordelen van het IFP naar dochterondernemingen – naamloze vennootschappen naar gemeen recht – op grond van de EPIC-rechtsvorm van het IFP in tegenspraak is met de beschikkingspraktijk van de Commissie. Het bewijs dat het IFP en zijn dochterondernemingen een economisch voordeel genieten, zou in deze niet zijn aangetoond. |
|
(48) |
De Franse autoriteiten zijn van oordeel dat de Commissie punt 1.2. van de voornoemde garantiemededeling onjuist interpreteert: „… beschouwt de gunstiger financieringsvoorwaarden die verkregen zijn door ondernemingen waarop wegens hun rechtsvorm geen faillissements- of andere insolventieprocedures van toepassing kunnen zijn, of welker rechtsvorm in een uitdrukkelijke staatsgarantie of in een dekking van de verliezen door de Staat voorziet, als steun in garantievorm”:
|
|
(49) |
In het besluit tot inleiding van de procedure zou de Commissie haar beschikkingspraktijk hebben miskend bij haar onderzoek naar mogelijke voordelen voor de dochterondernemingen van het IFP die voortvloeien uit de onbeperkte staatgarantie die het IFP als EPIC geniet. De Commissie zou gekozen hebben voor een redenering, strijdig met de redenering die zij hanteerde ten aanzien van de oprichting van La Banque Postale (44): hoewel deze laatste, net als alle dochterondernemingen van het IFP, een naamloze vennootschap was die voor 100 % in bezit was van een met een EPIC vergelijkbare entiteit, heeft de Commissie geoordeeld (en zulks afgezien van de door Frankrijk in dit dossier onderschreven verplichtingen) dat de rechtsvorm van een naamloze vennootschap op zich al uitsluit dat er sprake is van een staatsgarantie op het niveau van een dochteronderneming. Volgens de Franse autoriteiten zou dezelfde redenering tot het oordeel moeten leiden dat de dochterondernemingen van het IFP, die eveneens de rechtsvorm van een naamloze vennootschap bezitten, evenmin de eventueel uit de EPIC-rechtsvorm voortvloeiende onbeperkte staatsgarantie genieten. |
|
(50) |
Ten slotte zou de Commissie geen reëel economisch voordeel voor het IFP en zijn dochterondernemingen hebben aangetoond en zich tevreden hebben gesteld met het in het besluit tot inleiding van de procedure vermelden van als voordeliger „te boek staande” financieringsvoorwaarden, zonder hiervoor daadwerkelijk bewijs aan te dragen. Volgens EU-rechtspraak zou de Commissie in het onderhavige geval moeten aantonen dat de EPIC-rechtsvorm van het IFP het overheidsbedrijf daadwerkelijk in de gelegenheid heeft gesteld gunstiger financieringsvoorwaarden te verkrijgen (45). De Franse autoriteiten zouden tijdens de procedure gegevens hebben verstrekt waaruit blijkt dat de EPIC-rechtsvorm van het IFP, het IFP en zijn dochterondernemingen geen economisch voordeel heeft opgeleverd en dat hier ook geen gevaar voor bestond, aangezien de omvorming van het IFP zich volgens een algemeen continuïteitsbeginsel heeft voltrokken, met name op het niveau van zijn activiteiten, organisatie, boekhoudkundig en financieel beleid (middelen en boekhoudkundige en financiële regels) en zijn fiscale regeling. |
|
(51) |
Volgens de Franse autoriteiten blijkt uit het voorgaande dat:
|
|
(52) |
De Franse autoriteiten leiden hieruit af dat:
|
5.2 VOORSTELLEN VAN DE FRANSE AUTORITEITEN
|
(53) |
Teneinde de twijfels van de Commissie weg te nemen, hebben de Franse autoriteiten niettemin aangegeven bereid te zijn de volgende maatregelen ten uitvoer te leggen, indien de Commissie, overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de voornoemde procedureverordening, ermee zou instemmen de procedure te beëindigen door middel van een besluit waarin wordt vastgesteld dat er geen sprake is van steun. Die maatregelen zouden zijn:
|
5.2.1 VERHELDERING VAN HET UITVOERINGSDECREET VAN DE WET VAN 16 JULI 1980
|
(54) |
Zoals is uiteengezet in de overwegingen 94, 95 en 96 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, stellen de Franse autoriteiten voor de interpretatie van de wet van 16 juli 1980 te verhelderen door de vierde alinea van artikel 3-1 van het uitvoeringsdecreet te wijzigen (46). De voorgestelde wijziging heeft, zo stellen zij, tot doel elke twijfel van de Commissie met betrekking tot de reikwijdte van de uitdrukking „y pourvoit” (voorziet hierin) weg te nemen ten aanzien van de organisatie van de toezichtsbevoegdheid die aan de prefect of de toezichthoudende overheid wordt verleend. Deze laatsten dienen de middelen in de begroting van de lokale overheid of de instelling vrij te maken (47). Volgens de Franse autoriteiten wordt met dit voorstel uitgesloten dat de vertegenwoordiger van de Staat bij de uitoefening van zijn toezichthoudende bevoegdheid de middelen van de lokale overheid of van de betrokken instelling met een overheidssubsidie of een injectie met overheidsmiddelen kan verhogen. |
5.2.2 EEN VERMELDING, IN OVEREENKOMSTEN VAN HET IFP DIE BETREKKING HEBBEN OP EEN SCHULDVORDERING, DAT ER GEEN SPRAKE IS VAN GARANTIE;
|
(55) |
Zoals is aangegeven in de overwegingen 97 tot en met 100 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, betwisten de Franse autoriteiten het standpunt van de Commissie (48) dat de Staat louter op grond van de insolventie van het IFP aansprakelijk kan worden gesteld. Niettemin komen zij met een voorstel dat is gebaseerd op de uitzondering van vrijwillig aanvaarde risico (exception de risque accepté) (vgl. de arresten van de Conseil d'État in de zaak-Sille (49) en de zaak-Meunier (50). In navolging van hun voorstel in de zaak-La Poste, komen zij met het aanbod de schuldeisers van het IFP formeel te bevestigen dat voor hun schuldvordering geen staatsgarantie geldt en dat de Staat in geval van insolventie niet verplicht is zich financieel in de plaats te stellen van de onderneming voor de betaling van de vordering. Eventuele belanghebbenden die weloverwogen en willens en wetens een financieringsovereenkomst aangaan, kunnen dan niet langer een beroep doen op schadeloosstelling. De Franse autoriteiten verbinden zich er dus, tezamen met het IFP, toe om voor iedere transactie de volgende bepaling op te nemen in het financieringscontract (voor alle instrumenten die door een contract zijn gedekt): „De emissie/het programma/de lening is door geen enkele directe of indirecte staatsgarantie gedekt. In geval van insolventie is de Staat niet verplicht financieel in de plaats te treden van het IFP ter betaling van de schuldvordering.” |
|
(56) |
Zoals beschreven in overweging 101 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, hebben de Franse autoriteiten ook nota genomen van de twijfel van de Commissie in punt 71 van het besluit tot inleiding van de procedure, waarin enerzijds wordt aangegeven dat de uitzondering van het vrijwillig aanvaarde risico (exception de risque accepté) een regel is die in de rechtspraak is vastgelegd en derhalve aan ontwikkeling onderhevig kan zijn en dat anderzijds een dergelijke regel berust op instrumenten van afgeleid recht die in geval van een conflict kunnen worden ingetrokken en dat, tot slot, het voorstel van de Franse autoriteiten niet op alle gevallen van toepassing is, aangezien de schuldvorderingen niet alleen van financiële, maar ook van commerciële of andere aard kunnen zijn. |
|
(57) |
Zoals beschreven in de overwegingen 102, 103 en 104 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, hebben de Franse autoriteiten – na principieel bezwaar te hebben geuit tegen het standpunt van de Commissie over de aansprakelijkheid buiten schuld van de Staat, enkel op grond van ontoereikende activa van het IFP – aanvullende elementen aangedragen om deze twijfels weg te nemen:
|
|
(58) |
Zoals beschreven in overweging 106 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, geven de Franse autoriteiten niettemin aan bereid te zijn hun voorstel om te vermelden dat er geen sprake is van garanties uit te breiden naar alle contracten die een schuldvordering met zich meebrengen, teneinde ieder risico van aansprakelijkheid buiten schuld van de Staat, enkel op grond van de insolventie van het IFP, uit te sluiten. |
5.2.3 EEN VERMELDING DAT ER GEEN GARANTIES WORDEN GEBODEN IN DE FINANCIERINGSOVEREENKOMSTEN VAN DE IFP-DOCHTERONDERNEMINGEN AXENS, BEICIP-FRANLAB, PROSERNAT
|
(59) |
Ter aanvulling van de voorgestelde maatregelen doen de Franse autoriteiten de Commissie daarnaast nog een voorstel dat overeenkomt met het voorstel dat werd gedaan bij de oprichting van La Banque Postale: de verplichting om met betrekking tot de leningsvoorwaarden van de dochterondernemingen van het IFP (Axens, Beicip-Franlab, Prosernat) op de markten, een schriftelijke vermelding op te nemen in de financieringsovereenkomst (voor alle instrumenten die door een contract zijn gedekt), dat bij elke transactie „overeenkomstig het Franse recht (inzonderheid de noodzaak van een uitdrukkelijke machtiging van de wetgever voor elke garantie), voor de onderhavige financieringstransactie geen enkele garantie wordt verleend, van welke aard dan ook, die rechtstreeks of indirect van de Staat afkomstig is”. |
|
(60) |
Zoals beschreven in de overwegingen 107 tot en met 110 van de voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, zijn de Franse autoriteiten van oordeel dat door de twee voorgestelde maatregelen ter verheldering (die in de overwegingen 55 en 59 zijn uiteengezet), de schuldeisers van het IFP en zijn dochterondernemingen duidelijkheid wordt verschaft over hun rechten, zodat Frankrijk niet kan worden beschouwd, zoals de Commissie in punt 87 van het besluit tot inleiding van de procedure heeft aangegeven, als „verantwoordelijk voor de verwachtingen die zij over een garantie heeft gewekt bij de schuldeisers van het IFP” en voor het bewust in stand houden van „een ondoorzichtige juridische situatie” die „het IFP voordeel verschaft en het risico van de inzet van staatsmiddelen in zich bergt”. |
5.3 AANVULLENDE OPMERKINGEN VAN DE FRANSE AUTORITEITEN
|
(61) |
In hun brieven van 16 juli 2010 en 26 november 2010, hebben de Franse autoriteiten aanvullende elementen aangedragen waaruit volgens hen blijkt dat er geen sprake is van een steunmaatregel voor het IFP. |
|
(62) |
In de eerste plaats benadrukken zij in een verwijzing naar de zaak-France Télécom (51) bij brief van 16 juli dat de EU-rechter de Commissie eraan zou hebben herinnerd dat zij verplicht is om het bestaan van een reëel voordeel aan te tonen, wil zij kunnen vaststellen dat er sprake is van staatssteun. De Franse autoriteiten zijn in dit geval van oordeel dat de onbeperkte staatsgarantie die het IFP volgens de Commissie op grond van zijn rechtsvorm geniet, het geen enkel economisch voordeel oplevert. In hun brief van 26 november 2010 stellen de Franse autoriteiten dat het volgens hen aan de Commissie is om hiervoor het bewijs te leveren. Uit dien hoofde herinneren zij aan de in de EU-rechtspraak gestelde eisen op het gebied van bewijslast en motiveringsplicht, in het bijzonder door het Gerecht in de voornoemde zaak-France Telecom en door het Hof van Justitie in de zaak-Krant (52) en recenter in de zaak-Deutsche Post AG (53). De Franse autoriteiten zijn van oordeel dat de analyse van de Commissie in dit geval „meer op hypotheses dan op een concrete analyse” berust. |
|
(63) |
Daarnaast vindt de Commissie volgens de Franse autoriteiten dat het IFP op drie niveaus zou kunnen zijn bevoordeeld: (i) op het niveau van zijn betrekkingen met bancaire en financiële instellingen; (ii) op het niveau van zijn betrekkingen met de leveranciers, en (iii) op het niveau van zijn betrekkingen met de externe industriële partners die van haar onderzoekswerkzaamheden gebruikmaken. |
|
(64) |
Wat betreft de betrekkingen van het IFP met bancaire en financiële instellingen, zijn de Franse autoriteiten van oordeel dat het IFP tot op heden geen economisch voordeel uit zijn EPIC-rechtsvorm heeft geput. Zij leveren de Commissie gegevens waaruit blijkt dat: i) op de lange termijn, het IFP in 2005, 2006, et 2007 geheel schuldenvrij is gebleken (54), net als in 2008 en 2009; ii) het IFP op de middellange termijn weliswaar jaarlijks met verscheidene bancaire instellingen over liquiditeitslijnen heeft onderhandeld, maar een rente heeft verkregen die te vergelijken is met die van de markt en dat het hoe dan ook nooit heeft gebruik gemaakt van deze kredietlijnen en ten slotte, iii) op de korte termijn het IFP in de betrokken periode nagenoeg of geheel schuldenvrij is gebleven. |
|
(65) |
Wat de betrekkingen met leveranciers betreft, zijn de Franse autoriteiten van oordeel dat het IFP als aanbestedende dienst, krachtens ordonnantie nr. 2005-649 van 6 juni 2005 (55), een plicht heeft tot bekendmaking en tot het oproepen tot mededinging, en het derhalve op geen enkel wijze bevoordeeld is. In hun brief van 26 november 2010 brengen de Franse autoriteiten deze analyse andermaal onder de aandacht en stellen zij dat het onderwerpen van opdrachten van het IFP aan een aanbestedingsprocedure overeenkomstig Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (56), volgens hen een voldoende garantie is om concurrentievervalsing op de markt te vermijden. Doordat het zijn leveranciers overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit het Europees recht met elkaar laat concurreren, kan het IFP er niet van worden beschuldigd enig onrechtmatig voordeel te genieten – zeker niet wanneer elk specifiek bewijs ontbreekt. De Franse autoriteiten onderstrepen dat, juist omwille van de doelmatigheid van overheidsopdrachten, het gebruik van elektronische aankoopsystemen is vergemakkelijkt. Zo luidt overweging 13 bij Richtlijn 2004/18/EG: „Dankzij deze aankooptechniek kunnen de aanbestedende diensten […] beschikken over een buitengewoon groot scala van inschrijvingen […] en er aldus voor zorgen dat de overheidsgelden op basis van een brede concurrentie optimaal benut worden.” In dat verband wijzen zij op een verslag (57) van de Commissie waarin sprake is van een positief effect in termen van prijsdalingen van de regelgeving inzake openbare aanbestedingen, een daling die wordt voorgesteld als het „maatschappelijke voordeel” van een rechtvaardiger mededinging tussen de inschrijvers. Door deze besparingen „toe te schrijven” aan de EPIC-rechtsvorm van het IFP zou de Commissie de geest van de richtlijn tegenspreken. Daarin worden selectieprocedures voorgesteld als drijvende kracht achter een betere mededinging, resulterend in verlaging van de kosten van overheidsopdrachten. |
|
(66) |
Wat, tot slot, de betrekkingen tussen het IFP en zijn klanten betreft, stelt Frankrijk dat het contractonderzoek dat het IFP op verzoek van een klant, derde of dochteronderneming verricht naar een thema dat tot de taakstelling van het IFP behoort, geen strategisch belang voor het IFP dient ten aanzien van het eigendom van onderzoeksresultaten. Voorts kan dit contractonderzoek volgens Frankrijk leiden tot een verrijking van de kennis en knowhow van de overheidsinstellling bij het uitvoeren van programma's voor publieke O&O, en behoort het niet tot het exclusieve werkterrein van zijn dochterondernemingen. De Franse autoriteiten merken op dat de onderzoeksresultaten die deze klanten verwerven, betrekking hebben op specifieke apparatuur en expertise. |
|
(67) |
Wat dat betreft voert Frankrijk aan dat, zelfs al zou het IFP voor de uitoefening van zijn economische activiteiten voordeel putten uit zijn EPIC-rechtsvorm, dit voordeel geen enkel concreet gevolg voor de markt heeft. Zo zou het met name onmogelijk zijn de mededinging te vervalsen of het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig te beïnvloeden. Ten aanzien van de periode die met de omzetting van rechtsvorm van het IFP (juli 2006) is begonnen, erkennen de Franse autoriteiten niettemin dat het IFP een lastenverlichting kan hebben genoten omdat er geen uitvoeringsgaranties zijn afgesloten. Gezien de bedragen die banken en verzekeringsmaatschappijen voor een dergelijke dienst vragen, zou er echter sprake zijn geweest van een verwaarloosbaar bedrag. De Franse autoriteiten concluderen hieruit dat een dergelijk effect geen voordeel mag worden genoemd en het bestaan van een steunmaatregel voor het IFP derhalve twijfelachtig is. |
6 OPMERKINGEN VAN DERDEN EN COMMENTAAR VAN DE FRANSE AUTORITEITEN
6.1 OPMERKINGEN VAN UOP LIMITED
|
(68) |
In haar brief van 28 november 2008 motiveert UOP Limited haar optreden als belanghebbende derde in de procedure (58) alvorens enkele algemene opmerkingen te maken en aan te geven dat volgens haar de entiteit die zij „IFP/Axens” noemt, staatssteun geniet:
|
6.1.1 DE ENTITEIT „IFP/AXENS” IN DE OGEN VAN DE MARKT
|
(69) |
Volgens UOP Limited snijdt de bewering van de Franse autoriteiten dat Axens, net als de andere dochterondernemingen van het IFP, afzonderlijke economische entiteiten zijn, geen hout. De Commissie zou terecht constateren dat: (i) Axens voor 100 % in handen is van het IFP; (ii) er strategische overheidsprioriteiten blijken uit de uitvoering door Axens van het O&O van het IFP; (iii) de leiding van het IFP het bestuur van Axens mede op zich neemt; (iv) Axens een exclusieve overeenkomst met het IFP heeft, die van vitaal belang is voor de economische activiteit van de dochteronderneming, en (v) er met name sprake is van een overeenkomst voor het eerste gebruik en de beschikbaarstelling van personeel. |
|
(70) |
Aan dit alles voegt UOP Limited toe dat de indruk die IFP en Axens van hun relatie geven, evenals de perceptie hiervan door de markt, eveneens beslissende factoren zijn:
|
6.1.2 UIT EEN EPIC-RECHTSVORM VOORTVLOEIENDE VOORDELEN
|
(71) |
UOP Limited stelt dat Axens een aanzienlijk marktvoordeel put uit het feit dat zowel leveranciers als klanten ervan uitgaan dat zij over onbeperkte staatsmiddelen beschikt. Zelfs al zou dit slechts een perceptie van de markt zijn, dan nog is dit aspect, gezien de wereldwijde economische crisis, van toenemend belang. |
|
(72) |
Wat de klanten betreft, zouden de garanties die de entiteit „IFP/Axens” biedt, van groot belang zijn op een markt met klanten die zich bij de keuze van een bepaalde technologie laten leiden door economische overwegingen op de lange termijn. Aan de hand van het voorbeeld van „aromatische complexen” zet UOP Limited feitelijk uiteen dat klanten, alvorens dergelijke technologieën aan te wenden, aanzienlijke investeringen moeten doen in het ontwerp en de bouw van een productie-infrastructuur, die jaren werk vergen. Het succes van deze industriële installaties zou afhangen van de prestaties van de gebruikte technologieën, waarvan de meeste klanten zullen verlangen dat de verkoper van processen ze garandeert (60). Indien de vereiste prestaties niet worden geleverd, zouden zij niet aarzelen de verkoper aansprakelijk te stellen en te eisen dat de herstelverplichtingen strikt worden nageleefd. De solvabiliteit op de lange termijn van de verkoper zou dan een grote rol spelen in de keuze van de kopers, niet alleen met het oog op het naleven van contractuele verplichtingen, maar ook op de vooruitzichten op het gebied van O&O – waarborgen voor toekomstige prestatieverbeteringen van het verworven proces. De entiteit „IFP/Axens”, die door de markt als afhankelijk van de Staat wordt gezien, zou dus een voordeel hebben ten opzichte van haar concurrenten, aangezien de kopers geen bijzondere reden hebben te twijfelen aan haar overlevingskansen op de lange termijn. |
|
(73) |
Wat de leveranciers betreft, meent UOP Limited dat de entiteit „IFP/Axens” mogelijk preferente voorwaarden worden verleend ten opzichte van haar concurrenten; in dat verband verwijst UOP Limited naar overeenkomsten die het IFP en Axens gezamenlijk hebben ondertekend en die in het besluit tot inleiding van de procedure worden vermeld. |
|
(74) |
Wat de financiële markten betreft, is UOP Limited van oordeel dat de entiteit „IFP/Axens” preferente voorwaarden en een preferente rente geniet op de kapitaalmarkten, gezien de rol van garantieverlener in laatste instantie die de Staat zou spelen. Voorts zou, tegen de achtergrond van de financiële crisis en in een klimaat van schaarste, de aanwezigheid van de Staat en de zekerheid die daarvan uitgaat voor investeerders, particulier kapitaal kunnen aantrekken. Concurrerende bedrijven zouden geen toegang hebben tot vergelijkbare financiering, of zouden deze slechts kunnen verkrijgen tegen economisch minder aantrekkelijke voorwaarden. Volgens UOP Limited zou het concurrentievervalsende vermogen van de maatregel nog zijn versterkt door de effecten van de economische en financiële crisis. |
|
(75) |
In haar brief van 23 januari 2009 verwijst UOP Limited naar haar eerdere opmerkingen en naar de opmerkingen die zij heeft gemaakt in het kader van de procedure betreffende steunmaatregel C 51/2005. Zij is van oordeel dat met deze informatie het belang van de solvabiliteit van de medecontractanten op de betrokken markt van proceslicenties afdoende is aangetoond. Zij herhaalt het argument dat klanten van de entiteit „IFP/Axens” in de veronderstelling verkeren dat zij een handelsbetrekking hebben met een overheidsinstelling waarvan de levensvatbaarheid op de lange termijn op geen enkele wijze in gevaar is. Ten slotte verzoekt UOP Limited de Commissie de overeenkomsten tussen Axens en haar klanten te bestuderen. Zij stelt ervan overtuigd te zijn dat deze geen enkel beding bevatten waarmee de aansprakelijkheid op het niveau van Axens wordt beperkt. |
6.2 COMMENTAAR VAN DE FRANSE AUTORITEITEN OP DE OPMERKINGEN VAN UOP LIMITED
|
(76) |
In hun brief van 22 juni 2009 stellen de Franse autoriteiten dat de opmerkingen van UOP Limited gebaseerd zijn „op onjuiste, zo niet volkomen foute beweringen, die hoe dan ook niet berusten op enig gegeven waarmee een steunmaatregel voor het IFP of Axens kan worden aangetoond”. |
|
(77) |
De Franse autoriteiten weerspreken elke bewering dat „IFP/Axens” op de markt zou worden gezien als een publieke entiteit die voordelen geniet ten aanzien van de klanten, leveranciers en financiële markten, en verwerpen de stelling dat deze entiteit „IFP/Axens” een overheidsorgaan is dat zich in het geheel geen zorgen hoeft te maken om zijn levensvatbaarheid op de lange termijn. |
|
(78) |
De Franse autoriteiten voeren twee argumenten aan:
|
6.2.1 „IFP/AXENS” ZOU GEEN OVERHEIDSORGAAN MET ONBEPERKTE MIDDELEN ZIJN
|
(79) |
Volgens de Franse autoriteiten, en in tegenstelling tot wat UOP Limited beweert, zien de leveranciers en de klanten van de entiteit „IFP/Axens” deze onderneming niet als een overheidsorgaan met onbeperkte middelen. |
|
(80) |
Allereerst verwijzen de Franse autoriteiten naar de juridische analyse die zij de Commissie hebben doen toekomen, alsmede naar vorige opmerkingen waaruit volgens hen blijkt dat de EPIC-rechtsvorm van het IFP geen staatsgarantie van enige aard biedt. |
|
(81) |
In de tweede plaats merken de Franse autoriteiten op dat UOP Limited zich beroept op een „beweerd geloof in een onbeperkte staatsgarantie ten gunste van IFP/Axens”, dat juridisch niet relevant is en niet volstaat om aan te tonen dat er sprake is van staatssteun. |
|
(82) |
Ten derde: zelfs indien het IFP een dergelijke overheidsgarantie geniet – hetgeen de Franse autoriteiten weerspreken – zou het onjuist zijn te oordelen dat een dergelijke garantie zich vanzelf uitstrekt tot de dochterondernemingen van het IFP, omdat het IFP en zijn dochterondernemingen een economische groep in de zin van het mededingingsrecht vormen. Immers, de dochterondernemingen van het IFP, en in het bijzonder Axens, zijn als privaatrechtelijke entiteiten onderworpen aan het vennootschapsrecht en worden derhalve niet door een dergelijke garantie gedekt. Het autonomiebeginsel van de dochterondernemingen is immers in tegenspraak met de theorie van UOP Limited van „automatische uitbreiding” van garanties binnen een groep. Het begrip „groep”, dat een zekere betekenis kan hebben in het mededingingsrecht, is in het vennootschapsrecht onbekend. Daardoor is de verlening van garanties binnen een groep onderworpen aan strikte formele en materiële voorwaarden. Dat zou met name het geval zijn bij het IFP: uit hoofde van artikel 7 van zijn statuten is toestemming van de raad van de bestuur vereist. Bovendien zijn de Franse autoriteiten van oordeel dat de Commissie hiervan reeds nota heeft genomen, omdat zij immers heeft erkend „dat de rechtsvorm van de Banque Postale (een privaatrechtelijke rechtspersoon) op zichzelf al genoeg is om het bestaan van enige onbeperkte staatsgarantie op het niveau van de Banque Postale uit te sluiten” (61). |
6.2.2 AXENS ZOU OP DE MARKT GEEN ENKEL VOORDEEL GENIETEN OP GROND VAN DE EPIC-RECHTSVORM VAN HET IFP
|
(83) |
De Franse autoriteiten zijn van oordeel dat het door UOP Limited aangevoerde argument dat er op de markt sprake is van een overtuiging dat de entiteit „IFP/Axens” een overheidsorgaan is met onbeperkte middelen en dat zij voordelen geniet ten aanzien van zowel klanten als leveranciers en schuldeisers „op geen enkel serieus gegeven” berust, en bovendien „onweerlegbaar door de feiten wordt tegengesproken”. |
|
(84) |
De Franse autoriteiten hebben een interne notitie van de Direction des Affaires juridiques et des Accords (directie Juridische Zaken en Overeenkomsten) van Axens overgelegd, met als titel Principes de sécurité juridiques d'Axens (Beginselen van rechtszekerheid van Axens) (62) waarin de betrekkingen tussen het IFP en Axens worden gespecificeerd. Op deze betrekkingen is expliciet de algemene regel van toepassing dat Axens geen garantie vraagt van haar moedermaatschappij, om wat voor reden dan ook. De Franse autoriteiten hebben verklaard dat in geen geval kan worden afgeweken van deze regel dat er geen garantie is. In het document wordt trouwens uitgebreid aan dit beginsel herinnerd, in de volgende bewoordingen: „Het IFP staat niet borg voor de handelingen of verzuimen van Axens”. De Franse autoriteiten hebben verklaard dat deze regel van toepassing is op elk contract of project dat Axens met haar klanten en haar leveranciers en op de financiële markten zou kunnen sluiten of uitvoeren. |
6.2.2.1 De betrekkingen tussen Axens en haar klanten
|
(85) |
Volgens Frankrijk voert UOP Limited zonder enige rechtvaardiging het belang aan van een overheidsgarantie voor de financiële langetermijnsituatie van Axens, met name ten aanzien van contractuele garanties en onderhoudsverplichtingen die normaal gesproken deel uitmaken van licentieovereenkomsten (63). Evenmin zou zij de reden motiveren dat zij „ervan overtuigd is dat de Commissie geen enkele beperkende bepaling ten aanzien van de verantwoordelijkheid van Axens zal vinden”. |
|
(86) |
Op deze punten hebben de Franse autoriteiten verklaard dat de in overweging 84 beschreven regel (die bepaalt dat de dochteronderneming geen enkel garantieverzoek aan de moedermaatschappij doet) ook van toepassing is op elke garantie die Axens met een klant sluit of waarover zij onderhandelt. De Franse autoriteiten hebben hun argument geïllustreerd met het voorbeeld van „aromatische complexen”, dat UOP Limited in haar opmerkingen vermeldt. De Franse autoriteiten hebben gewezen op de algemene regel dat Axens ervoor kiest haar aansprakelijkheid te beperken tot een fractie van de royalty's […] (*). Dit garantiebeperkend beleid, dat een van de beginselen van rechtszekerheid van Axens zou zijn, zou zich bijgevolg duidelijk onderscheiden van wat bij andere in deze sector actieve bedrijven gebruikelijk is. Volgens de Franse autoriteiten is het hun gewoonte om in bepaalde gevallen onbeperkte garanties te verlenen. |
|
(87) |
Tot slot herinneren de Franse autoriteiten eraan dat ten aanzien van de verplichtingen op het gebied van onderhoud/reparatie, de financiële dekking van het IFP in geval van schade niet wordt aangesproken:
|
|
(88) |
Op grond hiervan menen de Franse autoriteiten dat de beweringen van UOP Limited, met betrekking tot de beweerde voordelen die Axens op de licentiemarkt zou krijgen, weerlegt zijn, met name omdat Axens jegens haar klanten altijd een beperkend beleid inzake aansprakelijkheidsgaranties heeft gevoerd. |
|
(89) |
In hun brief van 8 september 2009 hebben de Franse autoriteiten verduidelijkt dat de aansprakelijkheidsbeperking ten aanzien van de klanten tegelijkertijd is vastgelegd in de kaderlicentieovereenkomst (64) en in de productlicentieovereenkomst (65) die het IFP en Axens hebben gesloten en die op 1 januari 2001 in werking zijn getreden. In deze twee overeenkomsten is bepaald dat, als Axens kan aantonen dat zij in gebreke is gebleven vanwege de door het IFP geleverde prestaties, de financiële verantwoordelijkheid van het IFP beperkt zal blijven tot een percentage (66) van de bedragen die het IFP daadwerkelijk heeft geïncasseerd als pro rata-royalty voor een verkooptransactie die tot een klacht heeft geleid (productlicenties) en voor een eenheid waarvoor een sublicentie geldt, of voor een verkooptransactie in het kader van een sublicentie heeft plaatsgevonden waarvoor royalty's zijn geëist (kaderlicentie). Met andere woorden, de verantwoordelijkheid van het IFP kan nooit verder gaan dan 100 % van de ontvangen bedragen. Verder is in de kaderlicentie bepaald dat Axens zelf zorgt voor de financiële garanties die sublicentiehouders worden verleend op het gebied van technische prestaties van processen. Het IFP kan dus niet aansprakelijk worden gehouden voor de technische garanties die Axens haar klanten verleent. |
|
(90) |
Bovendien zij erop gewezen dat in de licentiecontracten tussen Axens en haar klanten over en weer is bepaald dat de financiële verantwoordelijkheid van Axens in het algemeen beperkt blijft tot […] (*)% van de royalty's, uitgekeerd voor elke eenheid waarvoor royalty's zijn geëist. De aansprakelijkheid van het IFP staat geheel los van die van Axens wanneer om commerciële redenen de door deze laatste aan haar klant verleende garantie de door IFP verleende garantie blijkt te overtreffen. Hetzelfde beginsel geldt voor elke licentie die het IFP aan andere externe partijen dan zijn dochterondernemingen verleent. |
|
(91) |
De Franse autoriteiten hebben hier ten slotte aan toegevoegd dat het IFP het beginsel hanteert dat het zijn aansprakelijkheid jegens zijn klanten (dochterondernemingen of klanten buiten de groep) beperkt wanneer het diensten voor rekening van deze laatsten levert (studies, onderzoeken op aanvraag, tests enz.). De door het IFP aanvaarde aansprakelijkheid bestaat uit een verbintenis om het verrichte werk te corrigeren. Op financieel gebied geldt het beginsel dat de aansprakelijkheid beperkt blijft tot […] (*)% van de daadwerkelijk ontvangen vergoeding, met een plafond dat in voorkomend geval tot […] (*)% kan reiken. Zo kan de klant die meent dat het IFP ondeugdelijk werk heeft afgeleverd, deze laatste nooit ertoe verplichten het werk onbeperkt overnieuw te doen. |
6.2.2.2 De betrekkingen tussen Axens en haar leveranciers en haar financieringsvoorwaarden op de financiële markten
|
(92) |
De Franse autoriteiten verwerpen de bewering van UOP Limited dat Axens preferente voorwaarden geniet, zowel van de zijde van haar leveranciers als van de financiële markten, vanwege het beweerde geloof dat de onderneming over onbeperkte financiële middelen beschikt. Volgens Frankrijk draagt UOP Limited niet het minste bewijs aan voor deze bewering. |
|
(93) |
De Franse autoriteiten zijn van oordeel dat de in overweging 84 beschreven regel dat de dochteronderneming geen enkel garantieverzoek bij het moederbedrijf doet, volstaat om de bewering van UOP Limited te ontkrachten. |
|
(94) |
Wat betreft de leningsvoorwaarden op de financiële markten van Axens – en van die van Beicip-Franlab en Proserna – herinneren de Franse autoriteiten er bovendien aan dat zij bereid zijn de Commissie toe te zeggen dat bij elke transactie in elke financieringsovereenkomst wordt opgenomen dat „overeenkomstig het Franse recht (inzonderheid de noodzaak van een uitdrukkelijke machtiging van de wetgever voor elke garantie), voor de onderhavige financieringstransactie geen enkele garantie wordt verleend, van welke aard dan ook, die rechtstreeks of indirect van de Staat afkomstig is”. (67) |
7 BEOORDELING
7.1 DE VRAAG OF ER SPRAKE IS VAN STEUN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 107, LID 1, VWEU
|
(95) |
Artikel 107, lid 1, VWEU, luidt: „Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.” |
|
(96) |
Om in deze zaak het bestaan van staatssteun te kunnen aantonen, moet eerst worden nagegaan of met de maatregel van Frankrijk om het IFP op 7 juli 2006 de EPIC-rechtsvorm toe te kennen, er een beroep wordt gedaan op taatsmiddelen (7.1.1) om een onbeperkte overheidsgarantie voor economische activiteiten te verlenen (7.1.2). Aan de hand van de omvang van de dekking van deze staatgarantie en de aard van de gedekte activiteiten kan het toepassingsbereik van het onderhavige besluit worden vastgesteld (7.1.3). Vervolgens dient te worden onderzocht of de betrokken maatregel de IFP-groep (7.1.4) een selectief voordeel oplevert dat het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden (7.1.5). |
7.1.1 BEROEP OP STAATSMIDDELEN IN DE VORM VAN EEN ONBEPERKTE STAATSGARANTIE
|
(97) |
Gezien haar bijzondere structuur van economische groep in de zin van het mededingingsrecht, moet er rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen van de onbeperkte staatsgarantie die voortvloeit uit de EPIC-rechtsvorm van het IFP op alle entiteiten van de IFP-groep, dat wil zeggen op de overheidsinstelling zelf en op haar dochterondernemingen. Daarbij dienen twee fases te worden onderscheiden:
|
7.1.1.1 Dekking van het IFP door een onbeperkte staatsgarantie vanwege zijn EPIC-rechtsvorm
|
(98) |
In voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 heeft de Commissie geconcludeerd (68) dat de intrinsieke kenmerken van de rechtsvorm van de overheidsinstelling La Poste (69) en met name het bestaan van een garantie voor de voldoening van individuele schuldvorderingen en voor het voortbestaan van La Post of van haar verplichtingen, met zich brengen dat de Staat de rol van garantieverlener in laatste instantie speelt met betrekking tot de door de overheidsinstelling uitgeoefende economische activiteiten. |
|
(99) |
In dit geval is de Commissie van oordeel dat de in voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 gebruikte argumenten in hoofdzaak ook gelden voor de EPIC-rechtsvorm van het IFP en dat het ook voordeel put uit een bijzondere juridische situatie, zowel wat betreft de voldoening van schuldeisers als zijn voortbestaan in geval van insolventie. Ten aanzien van deze analyse verwijst de Commissie verder naar de argumenten die zij in deel 4.1 (Kwalificatie als steun) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 heeft uitgewerkt. |
A. Garantie voor de voldoening van individuele schuldvorderingen
|
(100) |
Eerst moet het argument van de Franse autoriteiten worden onderzocht dat a) het bestaan van een staatsgarantie ten gunste van EPIC's door de wetgeving of de rechtspraak wordt uitgesloten, b) alvorens aan te tonen dat, indien het IFP zich in een situatie van staking van betalingen bevindt, zijn schuldeisers van een gunstiger procedure zouden kunnen profiteren dan schuldeisers van ondernemingen die vallen onder het gemene recht. |
a) Verwerping van de argumenten van de Franse autoriteiten
|
(101) |
In tegenstelling tot wat de Franse autoriteiten stellen, kan de Commissie concluderen dat in het Franse recht het bestaan van impliciete garanties wordt aanvaard, en meer in het bijzonder het bestaan van een staatsgarantie op grond van de rechtsvorm van établissement public (overheidsinstelling). De Commissie verwerpt de argumenten van de Franse autoriteiten om de volgende redenen. |
|
(102) |
In de eerste plaats verwijst de Commissie, mutatis mutandis, naar de overwegingen 120 en 121 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 wanneer de Franse autoriteiten stellen dat in geen enkele tekst en geen enkel besluit het beginsel is verankerd dat de Staat een dekking garandeert voor de schulden van EPIC's. De Commissie is juist van oordeel dat, hoewel er geen enkele tekst en geen enkel besluit is waarin een expliciete staatsgarantie ten voordele van EPIC's wordt bevestigd of uitgesloten, dit niet betekent dat een impliciete garantie kan worden uitgesloten. |
|
(103) |
In de tweede plaats verwijst de Commissie, mutatis mutandis, naar de overwegingen 122, 123 en 124 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 wanneer de Franse autoriteiten stellen dat de afwezigheid van garanties volgens de Franse autoriteiten blijkt uit rechtspraak, in het bijzonder uit het arrest-Société de l'hôtel d'Albe (70) en de arresten in de zaak-Campoloro (71). Wat de eerste zaak betreft, heeft het arrest-Société de l'hôtel d'Albe, zoals de deskundige van de Commissie in de zaak-La Poste heeft benadrukt, niet precies betrekking op de situatie waarin sprake kan zijn van een garantie (72). Wat betreft de tweede zaak (73) is de Commissie juist van oordeel dat deze aantoont dat de aansprakelijkheid van de Staat bij de tenuitvoerlegging van de procedure voor de invordering van schulden van overheidsinstellingen alle kenmerken van een garantiemechanisme vertoont. |
|
(104) |
Ten derde oordeelt de Commissie dat het argument van de Franse autoriteiten als zou er sinds de inwerkingtreding van de LOLF (1 januari 2005) geen impliciete garantie gelden voor door EPIC's aangegane schulden, niet slaagt:
|
|
(105) |
Ten vierde verwerpt de Commissie het argument van de Franse autoriteiten dat indien er voor EPIC's een staatsgarantie zou gelden, er bij elke vorming van een nieuwe EPIC (ook door middel van een omzetting van rechtsvorm) garantiemaatregelen zouden moeten worden getroffen om de rechten van schuldeisers die vóór deze wijziging zijn ontstaan, te waarborgen; evenzeer verwerpt zij het logische tegendeel (modus tollens) dat aangezien een dergelijk mechanisme nooit is ingevoerd (77), er geen enkele garantie ten gunste van het IFP zou bestaan:
|
|
(106) |
In de laatste plaats verwijst de Commissie naar het deel van dit besluit inzake de aansprakelijkheid van de Staat, alsmede naar deel 4.1.1 A b) 3) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 wat betreft het door de Franse autoriteiten aangehaalde artikel van de heer Labetoulle (79), alsmede haar analyse van de rechtspraak in de zaak-Campoloro (80). |
|
(107) |
In tegenstelling tot wat de Franse autoriteiten stellen – een dergelijke garantie wordt volgens hen door de teksten uitgesloten – merkt de Commissie op dat het bestaan van impliciete garanties die zijn gekoppeld aan de rechtsvorm van établissement public wordt bevestigd door een notitie van de Conseil d'État uit 1995 in de zaak-Crédit Lyonnais, waaruit het bestaan van een impliciete staatsgarantie blijkt, op grond van het enkele feit dat de organisatie een établissement public is. (81) |
|
(108) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 142 tot en met 145 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, deelt de Commissie de interpretatie van de Franse autoriteiten niet dat deze zienswijze van de Conseil d'État niet kan worden getransponeerd naar het IFP. De Commissie benadrukt met name dat de Conseil d'État geenszins naar de taken van de instelling verwijst, noch naar de aanwezigheid of niet van een rekenplichtige ambtenaar bij de overheidsinstelling. De Franse autoriteiten lichten voorts niet toe waarom dit oordeel volgens hen enkel van toepassing is op overheidsinstellingen met een rekenplichtige ambtenaar. De Commissie verwerpt voorts de argumenten van de Franse autoriteiten dat deze zienswijze niet van toepassing is omdat deze dateert van vóór de LOLF en indruist tegen de latere rechtspraak van de Conseil d'État. De Commissie heeft in overweging 104, alsmede in voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 eraan herinnerd dat de LOLF geen belemmering vormt voor het bestaan van een impliciete staatgarantie ten gunste van het IFP. |
|
(109) |
Ten slotte, en zoals aangegeven in de overwegingen 146 en 147 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, neemt zij kennis van de notitie van de minister van Economie, Financiën en Industrie van 22 juli 2003, betreffende „de inventarisatie van maatregelen voor impliciete of expliciete staatsgarantie”, waaruit het bestaan blijkt van impliciete garanties die voortvloeien uit wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die „financiële gevolgen voor de Staat met zich brengen en inhouden”. Uit deze notitie blijkt dat een staatsgarantie uit zeer uiteenlopende rechtshandelingen kan voortvloeien (82) en dat door de oprichting van een overheidsinstelling een impliciete staatgarantie ten gunste van de schuldeisers kan ontstaan (83). |
b) Schuldeisers van het IFP hebben de garantie dat hun vorderingen worden voldaan
|
(110) |
In navolging van het betoog in deel 4.1.1. A b) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, wil de Commissie thans aantonen dat bij staking van betalingen van het IFP, de schuldeisers in een gunstiger situatie terecht zullen komen dan de schuldeisers van een onderneming die is onderworpen aan het handelsrecht. |
|
(111) |
Ten eerste zijn, aangezien het hier een établissement public betreft, de gebruikelijke belemmeringen voor de inlossing van een schuldvordering van een privaatrechtelijk orgaan hier niet van toepassing. Op grond van uitgebreider beschreven gegevens in de overwegingen 150 tot en met 154 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, concludeert de Commissie op dit eerste punt dat:
|
|
(112) |
Ten tweede, en om in de overwegingen 113 tot en met 117 uiteengezette redenen, is bij invordering van schulden van overheidsinstellingen die gerechtelijk zijn veroordeeld, de procedure die door de wet van 16 juli 1980 (en door diverse uitvoeringsbepalingen (84)) is ingesteld gunstiger voor de schuldeisers van het IFP dan de gerechtelijke procedures krachtens het gemene recht, aangezien zij niet kan leiden tot het tenietgaan van de vordering jegens het IFP. |
|
(113) |
Overeenkomstig de in de overwegingen 157 tot en met 161 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 uiteengezette analyse waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, merkt de Commissie in de eerste plaats op dat volgens de wet van 1980 (85) en de uitvoeringsmaatregelen daarvan (86), de Staat de bevoegde autoriteit is om de schulden van overheidsinstellingen in te vorderen en over belangrijke voorrechten beschikt: betalingsopdracht ambtshalve en de vrijmaking van voldoende middelen. |
|
(114) |
In navolging van de redenen die in de overwegingen 162 tot en met 168 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 zijn uiteengezet, waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, is zij van oordeel dat de specifieke procedure zoals gedefinieerd in de wet van 16 juli 1980 en de uitvoeringsbepalingen daarvan enkel een procedure vormen voor het voldoen van schuldvorderingen, met uitsluiting van een liquidatieprocedure en dat wanneer deze procedure is toegepast, de schuldvordering niet tenietgaat, terwijl na toepassing van de liquidatieprocedure met het slotvonnis wegens ontoereikende activa zonder sanctie schuldeisers het recht wordt ontzegd om verdere gerechtelijke stappen te nemen. De Commissie merkt ook op dat de wet van 16 juli 1980 en de uitvoeringsbepalingen daarvan de veronderstelling bij schuldeisers wekken dat er altijd de nodige middelen zijn of zullen zijn om de schuldvordering te voldoen die zij op de publiekrechtelijke entiteit hebben, doordat de betalingsopdracht tot een later tijdstip kan worden uitgesteld en de situatie van staking van betaling op geen enkel moment een reële mogelijkheid is. Deze twee aspecten brengen haar tot het oordeel dat een kastekort in voorkomend geval door de Staat wordt opgevangen of slechts tijdelijk is. Daarentegen biedt geen enkele liquidatieprocedure de mogelijkheid dat een externe partij aansprakelijk kan worden gesteld voor de schulden van de insolvente persoon, behalve uiteraard wanneer het gaat om garantieverschaffing. |
|
(115) |
Overeenkomstig de in de overwegingen 170 tot en met 180 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, is de Commissie van oordeel dat volgens Franse rechtsteksten de Staat gemachtigd is en zelfs wordt aangespoord om overheidsinstellingen, wanneer deze kampen met een kastekort, dotaties te geven - in plaats van bankkredieten -, deze dotaties kunnen de „aanvullende middelen” vormen zoals bedoeld in de wet van 16 juli 1980. Tevens is zij van oordeel dat deze teksten bij schuldeisers bekend zijn. Zij mogen dus met reden aannemen dat de toezichthoudende overheid de nodige middelen zal kunnen vrijmaken om hun vordering te voldoen. De Commissie acht het derhalve weinig waarschijnlijk dat de schuldeiser zijn vordering niet voldaan zal krijgen krachtens de procedures van de wet van 16 juli 1980. |
|
(116) |
Maar in tegenstelling tot wat zij in voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 ten aanzien van La Poste had geconcludeerd, stelt de Commissie dat in dit geval het IFP vrij aanzienlijke eigen middelen kan inzetten, omdat, zoals de Franse autoriteiten in overweging 44 hebben uiteengezet, de liquide middelen en beleggingen (150,3 miljoen EUR) eind 2007 ongeveer vijf keer zo veel bedroegen als de leningen en financiële verplichtingen (25,2 miljoen EUR). De Commissie erkent dus dat, gezien de huidige financiële staat van het IFP, het weinig waarschijnlijk lijkt dat het IFP in de nabije toekomst door een tekort aan eigen middelen zijn schulden niet zal kunnen voldoen en dat de Staat vervolgens genoodzaakt zal zijn in te grijpen. |
|
(117) |
Hoewel op dit moment weinig waarschijnlijk, is een situatie van ontoereikende activa van het IFP op lange termijn wel degelijk denkbaar. Doordat het in dat geval onmogelijk is om middelen in te zetten door de overdracht van activa, zal er een beroep moeten worden gedaan op andere garantiemechanismen (zoals voorschotten en het aansprakelijk stellen van de Staat). Voorts kunnen er, na afkondiging door de wetgever van een regeling ter bescherming van activa, geschillen over aansprakelijkheid buiten schuld van de Staat ontstaan, in geval van betalingsverzuiming door het IFP. (87) Op dit punt neemt de Commissie nota van het argument van de Franse autoriteiten (88) dat wanneer de Staat activa van een overheidsinstelling als „onontbeerlijk” voor de uitoefening van overheidstaken beschouwt en zich dus teweer stelt tegen de overdracht daarvan, de Staat daarom nog door niet door middel van garantiemechanismen gehouden is om schuldeisers te vergoeden. De Commissie merkt echter op dat de Franse autoriteiten hebben erkend (ook al spreken zij tegen dat het IFP er voordeel uit kan putten) dat de vertegenwoordiger van de Staat gebonden is aan de eis van continuïteit van de openbare dienstverlening bij de uitvoering van de procedure die door de wet van 16 juli 1980 (89) is ingesteld. De Commissie is bovendien van oordeel dat door een dergelijke keuze van de overheid om uit hoofde van handhaving van openbare dienstverlening niet over te gaan tot de overdracht van activa, de Staat buiten schuld aansprakelijk kan worden gesteld wegens inbreuk op het beginsel van gelijkheid voor overheidslasten. |
|
(118) |
Ten derde is de Commissie, om de redenen die reeds zijn uiteengezet in de overwegingen 185 tot en met 226 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, van oordeel dat in het weinig waarschijnlijke geval dat de schuldeiser niet kan worden vergoed aan de hand van de procedure die in de wet van 1980 is vastgelegd, de voor de schuldeiser resterende beroepsmogelijkheden om de Staat aansprakelijk te stellen, de kenmerken vertonen van een garantiemechanisme. |
|
(119) |
Hoewel de Franse autoriteiten menen dat de Staat in beginsel niet aansprakelijk kan worden gesteld – of dit nu wel of niet buiten schuld is (90) –, erkennen zij dat wanneer de vertegenwoordiger van de Staat gebonden is aan de eis van de continuïteit van de openbare dienstverlening bij de tenuitvoerlegging van de procedure die in de wet van 1980 is vastgelegd, het mogelijk is dat de rechter opdraagt de schuldeiser schadeloos te stellen. De Franse autoriteiten menen evenwel dat hieruit voor de schuldeiser geen enkel voordeel voortvloeit, omdat zijn schadeloosstelling te vergelijken zou zijn met de schadeloosstelling die hij zou hebben gekregen indien het gemene recht van toepassing was geweest. Wat dat betreft wijst de Commissie op bepaalde kenmerken van het bijzondere recht dat uit hoofde van de wet van 1980 is ingesteld: krachtens het gemene recht inzake gerechtelijke liquidatie krijgen de schuldeisers, met name concurrente schuldeisers, in principe niet hun volledige vorderingen voldaan, en meestal worden de schulden van een bedrijf in liquidatie niet door een derde betaald. |
|
(120) |
De Franse autoriteiten betwisten ook dat de mogelijkheden voor schadeloosstelling van schuldeisers door een beroep op de aansprakelijkheid als een vorm van garantie kunnen worden beschouwd. De Commissie meent daarentegen dat de aansprakelijkheid van de Staat (al dan niet buiten schuld) bij de tenuitvoerlegging van de procedure voor de invordering van schulden van publiekrechtelijke rechtspersonen - krachtens de wet van 16 juli 1980 - gelijk staat aan een garantiemechanisme uit oogpunt van het EU-recht, aangezien daarmee de voldoening van schuldvorderingen aan schuldeisers wordt gewaarborgd doordat de Staat verplicht is deze af te lossen als het IFP niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Bovendien tekent zich uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna „EHRM” genoemd) in de zaak-Société de gestion du port de Campoloro et Société fermière de Campoloro / Frankrijk (91) (hierna „de zaak-Campoloro” genoemd) een automatische garantie af. |
|
(121) |
In navolging van het betoog in de overwegingen 181 tot en met 184 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar de Commissie mutatis mutandis verwijst, is zij ten slotte van oordeel dat het voorstel van de Franse autoriteiten om het uitvoeringsdecreet van de wet van 1980 te verduidelijken, niet toereikend is om uit te sluiten dat er middelen worden vrijgemaakt dankzij een injectie met overheidsmiddelen:
|
|
(122) |
Om de redenen die reeds zijn uiteengezet in de overwegingen 204 tot en met 211 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, is de Commissie bovendien van mening dat de uitspraak van het EHRM in de voornoemde zaak-Campoloro aantoont dat de aansprakelijkheid van de Franse Staat in dit geval als een impliciete garantie voor de passiva van overheden werkt en aan geen enkele voorwaarde omtrent schade is gebonden:
|
|
(123) |
Om de redenen die reeds zijn uiteengezet in de overwegingen 212 tot en met 220 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, oordeelt de Commissie dat dit betoog niet wordt ontkracht door de opmerkingen van de Franse autoriteiten. Op grond van het voorafgaande en in navolging van de conclusie die ze heeft getrokken ten aanzien van de zaak-La Poste in overweging 222 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 en in het besluit tot inleiding van de procedure, concludeert de Commissie uit het voorafgaande dat, in de huidige stand van het Franse recht, een schuldeiser wiens schuldvordering na de toepassing van de procedures van de wet van 16 juli 1980 niet is voldaan, het totale bedrag volledig kan terugkrijgen ter hoogte van de niet ingeloste schuldvordering, door de Staat in laatste instantie aansprakelijk te stellen, in tegenstelling tot wat er gebeurt bij een liquidatieprocedure volgens het gemene recht, waarbij de terugbetaling van de schuldeiser is beperkt tot de waarde van de beschikbare activa. Op grond van het voorafgaande oordeelt de Commissie dat de aansprakelijkheid van de Staat wordt beschouwd als een garantie, dat in Franse rechtsteksten hieromtrent geen enkele beperking is vastgelegd, en dat deze garantie onlosmakelijk is verbonden met de publiekrechtelijke status van het orgaan dat de schuld is aangegaan. |
|
(124) |
Om redenen die reeds zijn uiteengezet in de overwegingen 223 tot en met 226 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, neemt de Commissie nota van het Franse voorstel om een clausule op te nemen in alle contracten van het IFP die een schuldvordering met zich brengen, om het risico te beperken dat de Staat buiten schuld aansprakelijk wordt gesteld, enkel op grond van de insolventie van het IFP. De Commissie blijft echter van oordeel dat een dergelijk juridisch kader nog steeds zwak is en de houdbaarheid ervan op lange termijn twijfelachtig, aangezien de uitzondering van aanvaard risico (risque accepté) als regel is vastgelegd in de rechtspraak, die altijd aan ontwikkeling onderhevig is. De Commissie meent dat een dergelijk voorstel op zich onvoldoende is omdat het niet op alle gevallen is toe te passen: er wordt niet door uitgesloten dat de staatsgarantie op elk soort aansprakelijkheid betrekking kan hebben (in het bijzonder buitencontractuele en strafrechtelijke aansprakelijkheid). Daarnaast is het onmogelijk om contractueel te bepalen dat de Staat niet instaat voor de schulden van het IFP jegens zijn schuldenaren, aangezien het IFP op grond van verschillende juridische mechanismen schulden kan hebben openstaan bij derden, met name in het geval van overname door een andere entiteit (100) die schuldvorderingen bezit die afkomstig zijn van in eerste instantie niet identificeerbare derden. De Commissie is, samengevat, van oordeel dat wat individuele schuldvorderingen van derden betreft, de onbeperkte staatsgarantie alleen kan worden „opgeheven” door een tekst van algemene aard waarin wordt aangegeven dat de Staat niet garant staat voor het IFP en die op elke situatie en elke soort externe partij zou zijn toe te passen. Bovendien zou in het theoretische geval dat een schuldeiser door de Franse voorstellen elke mogelijkheid wordt ontnomen om de Staat aansprakelijk te stellen teneinde zijn vordering vergoed te krijgen (een hypothese die volgens de Commissie niet is gestaafd), niet duidelijk door deze voorstellen kunnen worden vastgesteld wat er gebeurt in geval van insolventie (101) van het IFP. |
|
(125) |
Ten vierde zou een schuldeiser van een overheidsinstelling, zelfs als hij geen genoegdoening krijgt, rechtsgevolgen kunnen doen ontstaan naar aanleiding van een legitieme fout die hij heeft begaan bij de vorming van de schuldvordering, een fout op grond van het feit dat deze altijd zou worden gehonoreerd. |
|
(126) |
Om de redenen die reeds zijn uiteengezet in de overwegingen 227, 228 (eerste, tweede en derde streepje) en 229 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, oordeelt de Commissie dat aan de hand van de theorie van de rechtsschijn (102) kan worden bevestigd dat de schuldeisers van het IFP er op grond van een aantal onderling overeenstemmende aanwijzingen vanuit mochten gaan dat een dergelijke garantie wel degelijk bestond (en dit zelfs indien wordt verondersteld, quod non, dat de EPIC-rechtsvorm van het IFP juridisch gezien geen onbeperkte staatsgarantie met zich brengt). De voornaamste relevante aanwijzingen in het licht van de theorie van de rechtsschijn houden enerzijds verband met het feit dat schuldeisers er op grond van verschillende teksten (de wet van 16 juli 1980 en zijn uitvoeringsbepalingen) en officiële documenten (begrotingsdocumenten) van uit kunnen gaan dat de Staat instaat voor de schulden van EPIC's indien deze te maken krijgen met een kastekort, of aansprakelijk kan worden gesteld, en anderzijds met het feit dat het vertrouwen van schuldeisers in het bestaan van een dergelijke garantie tevens wordt versterkt doordat de rechtssituatie in deze die is ontstaan na de uitspraken in de zaak-Campoloro en de eerste procedures die door de Commissie zijn ingesteld over de EPIC-rechtsvorm, niet door de Franse autoriteiten zijn verduidelijkt, en, ten slotte, met het feit dat het gebrek aan duidelijke aanwijzingen over de gevolgen van een situatie van staking van betaling van een EPIC eveneens in deze richting wijst. |
|
(127) |
De Commissie wil er in dit geval aan toevoegen dat de mogelijke schuldeisers van het IFP vóór 7 juli 2006 contractuele betrekkingen hadden met een brancheorganisatie in de zin van wet nr. 43-612 van 17 november 1943, een privaatrechtelijke rechtspersoon die hun geen enkele aanleiding gaf te denken dat er enige staatsgarantie op van toepassing was. Derhalve kan de toepassing van de theorie van de rechtsschijn in voorkomend geval enkel relevant zijn met betrekking tot schuldvorderingen die na de omzetting van rechtsvorm van het IFP zijn ontstaan. |
|
(128) |
Zoals haar deskundige in de zaak-La Poste al heeft geconcludeerd, komt de Commissie tot de slotsom dat wat de na 7 juli 2006 ontstane schuldvorderingen betreft, het zo is dat, zelfs indien de door de Franse autoriteiten verdedigde theorie wordt aangehouden, schuldeisers enkel op onjuiste gronden kunnen hebben verondersteld dat de Staat gehouden was garant te staan voor de schulden van overheidsinstellingen en van het IFP in het bijzonder, hun vergissing legitiem was ten aanzien van bovengenoemde aspecten, wat rechtsgevolgen had kunnen hebben. In het uitzonderlijke geval dat schuldeisers er niet in zouden slagen hun vorderingen voldaan te zien, zouden zij er wel zeker van zijn dat deze ook niet kunnen tenietgaan. |
B. Garantie voor het voortbestaan van het IFP en/of zijn verplichtingen
|
(129) |
Om de redenen die reeds zijn uiteengezet in de overwegingen 230 tot en met 250 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 waarnaar zij mutatis mutandis verwijst, is de Commissie van oordeel dat de vordering niet zal tenietgaan, ook al slaagt de schuldeiser van een EPIC er binnen een redelijke termijn en na een beroep op de in het vorige deel beschreven procedures niet in om zijn vordering voldaan te krijgen, dit in tegenstelling tot de situatie waarin de schuldeiser van een privaatrechtelijke entiteit in liquidatie zou verkeren: die heeft geen enkele zekerheid over de voldoening van zijn vordering. |
|
(130) |
De Commissie benadrukt dat er geen sprake kan zijn van liquidatie met verdwijning van de overheidsinstelling door toedoen van de overheid waarbij de rechten en verplichtingen van de instelling komen te vervallen: immers, en ook al is dit in geen enkele tekst uitdrukkelijk vastgelegd, indien een overheid besluit dat de instelling moet verdwijnen, dan blijkt uit de praktijk en uit bepaalde fundamentele bestuursrechtelijke beginselen dat de rechten en verplichtingen van overheidsinstellingen die als zodanig verdwijnen, altijd worden overgenomen door een andere entiteit of, indien dit niet mogelijk is, door de Staat. Met andere woorden, schulden van overheidsinstellingen gaan altijd over op een andere rechtspersoon die deze niet kan afwijzen. Iedere schuldeiser weet dus zeker dat hij het recht dat voortvloeit uit zijn vordering bij een ander orgaan kan doen gelden, en dat zijn schuldvordering dus niet zal tenietgaan. |
|
(131) |
De Commissie verwijst voor een nadere uitwerking van de beoordeling naar de overwegingen 233 tot en met 250 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, die gestoeld is op het onderzoek van haar deskundige in de zaak-La Poste naar structurele veranderingen bij overheidsinstellingen en waarin drie redenen zijn vastgesteld waardoor overheidsinstellingen kunnen verdwijnen (103): de bestaansduur van de instelling loopt af, de taak komt te vervallen, en – het geval dat zich het vaakst voordoet – de taak wordt overgedragen, hetgeen noodzakelijkerwijs de overdracht van de rechten en plichten met zich brengt.
|
|
(132) |
Op grond van de bevindingen van haar deskundige in de zaak-La Poste concludeert de Commissie ten slotte dat bij verdwijning van de overheidsinstelling die de taak uitvoerde, de schulden in de praktijk altijd overgaan op een andere rechtspersoon, die deze niet kan afwijzen. Schuldeisers van deze overheidsinstellingen – zoals het IFP – hebben dan ook de garantie dat hun uitstaande vorderingen niet teniet zullen gaan. |
C. Conclusie over de vraag naar het bestaan van een staatsgarantie ten gunste van het IFP
|
(133) |
Op grond van de gegevens die zijn verschaft om aan te tonen dat er een garantie bestaat op de voldoening van individuele schuldvorderingen en op het voortbestaan van verplichtingen van het IFP, concludeert de Commissie dat sinds de omzetting van rechtsvorm van het IFP op 7 juli 2006:
|
|
(134) |
Deze bijzonderheden zijn onlosmakelijk verbonden met de rechtsvorm van overheidsinstelling van het IFP en impliceren dat de Staat in laatste instantie garant staat. De conclusie is dus gerechtvaardigd dat het IFP uit hoofde van zijn EPIC-rechtsvorm een onbeperkte staatsgarantie geniet. |
|
(135) |
De onbeperkte staatsgarantie ten gunste van het IFP leidt tot een overdracht van staatsmiddelen in de zin van punt 2.1 van de voornoemde garantiemededeling. Het IFP betaalt namelijk geen enkele premie voor deze garantie. Zodoende is er zowel sprake van een voordeel voor de onderneming als een derving van middelen door de staat, aangezien deze afziet van de vergoeding die normaal gesproken gepaard gaat met garanties. Bovendien ontstaat door de garantie het risico dat in de toekomst mogelijk een beroep moet worden gedaan op middelen van de Staat, doordat deze zou kunnen worden verplicht de schulden van het IFP te voldoen (108). |
|
(136) |
De onbeperkte staatsgarantie ten gunste van het IFP is, tot slot, aan de Staat toe te rekenen, aangezien deze voortvloeit uit de combinatie van de publiekrechtelijke rechtsvorm van het IFP, de nationale rechtsbeginselen en twee specifieke wetten, te weten de wet van 25 januari 1985 (die het wetboek voor handelsrecht is geworden) en wet nr. 80-539 van 16 juli 1980 en haar uitvoeringsbepalingen. |
7.1.1.2 De privaatrechtelijke dochterondernemingen van de IFP-groep niet gedekt door de onbeperkte staatsgarantie
|
(137) |
Zoals de Commissie al heeft aangegeven in voornoemde beschikking betreffende zaak C 51/2005 (109), in het besluit tot inleiding van de procedure betreffende de onderhavige zaak, en in deel 2 (De IFP-groep), vormen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat volgens het mededingingsrecht een economische groep: het IFP is direct eigenaar van het gehele kapitaal van Axens en van het gehele kapitaal van Beicip-Franlab en indirect eigenaar van het gehele kapitaal van Prosernat. Het IFP oefent zeggenschap uit over zijn dochterondernemingen door de aanwezigheid van leidinggevend personeel in de besluitvormingsorganen van deze laatsten, het spreekt zich uit over onder meer de strategische richting en fundamentele beslissingen aangaande de toekomst van zijn dochterondernemingen en het heeft exclusieve overeenkomsten gesloten betreffende de overdracht van technologieën die onontbeerlijk zijn voor de verrichting van economische activiteiten van de dochterondernemingen (overeenkomsten waarin voorkeurrecht wederzijds is opgenomen (110), alsmede overeenkomsten inzake terbeschikkingstelling van bedrijfsruimten en personeel. De economische integratie van het IFP en zijn dochterondernemingen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat gaat dus ver genoeg om te concluderen dat er sprake is van een economische groep. Ook dient de precieze werkingssfeer van de staatgarantie te worden onderzocht om na te gaan of er, in het geval een van de privaatrechtelijke dochterondernemingen van het IFP haar verplichtingen niet kan voldoen, overheidsmiddelen kunnen worden ingezet om haar schuldeisers te vergoeden (met andere woorden, of de economische activiteiten van de dochters van het IFP wel of niet door de onbeperkte staatsgarantie worden gedekt). |
|
(138) |
UOP Limited spreekt zich niet uit over deze kwestie. Haar argumentatie berust op de perceptie die de spelers op de markt hebben van de entiteit „IFP/Axens” die volgens haar van dien aard is dat de IFP-groep er voordeel bij heeft, zowel ten aanzien van leveranciers als van klanten of kapitaalverschaffers. Dit aspect komt aan de orde in deel 7.1.4 van dit besluit, dat gewijd is aan het onderzoek naar de voordelen die de IFP-groep uit de maatregel put. |
|
(139) |
Daarentegen bestrijden de Franse autoriteiten, zoals aangegeven in overweging 47, dat er sprake is van een staatsgarantie ten gunste van de dochterondernemingen van het IFP, met name vanwege hun rechtsvorm van naamloze vennootschap naar gemeen recht. |
|
(140) |
In navolging van het betoog in deel 7.1.1.1 waarmee het bestaan van een onbeperkte staatsgarantie ten gunste van het IFP wordt aangetoond, onderzoekt de Commissie achtereenvolgens of de schuldeisers van de privaatrechtelijke dochterondernemingen van het IFP a) een garantie genieten voor de voldoening van hun individuele schuldvorderingen of b) een garantie op het voortbestaan van de verplichtingen van deze dochterondernemingen in geval van ontoereikende activa. |
A. De schuldeisers van de dochterondernemingen van het IFP hebben geen enkele garantie wat betreft de voldoening van hun individuele vorderingen
|
(141) |
De dochterondernemingen van het IFP hebben de rechtsvorm van naamloze vennootschappen. Als privaatrechtelijke rechtspersonen vallen zij geheel binnen het toepassingsgebied van de Franse gemeenrechtelijke procedures inzake sanering en gerechtelijke liquidatie (111) (anders dan hun controlerende aandeelhouder, die een overheidsinstelling is). |
|
(142) |
Alvorens te onderzoeken of de controlerende aandeelhouder – het IFP – aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn dochterondernemingen (b), moet de procedure inzake gerechtelijke liquidatie waaraan deze privaatrechtelijke dochterondernemingen zijn onderworpen in geval van staking van betaling (a) worden uiteengezet. |
a) De gemeenrechtelijke procedure inzake gerechtelijke liquidatie
|
(143) |
Gesteld dat een van de dochterondernemingen van de IFP-groep zich in een situatie van staking van betalingen bevindt (met andere woorden: dat zij haar opeisbare passiva niet meer met haar beschikbare activa kan voldoen), en dat een sanering te enen male onuitvoerbaar blijkt (112), dan leidt de gemeenrechtelijke procedure (113) tot een gerechtelijke liquidatie. De debiteur zal in voorkomend geval op zijn laatst binnen 45 dagen na de staking van betaling om inleiding van de procedure verzoeken (114) (tenzij hij reeds heeft verzocht om inleiding van een bemiddelingsprocedure). Een dergelijke procedure voor gerechtelijke liquidatie heeft dan tot doel de activiteiten van het bedrijf te beëindigen of om de activa ervan te gelde te maken door totale of separate verkoop van goederen en rechten. (115). In de uitspraak waarmee de gerechtelijke liquidatie wordt ingeleid (116), zal de rechter een rechter-commissaris aanwijzen en in zijn hoedanigheid van curator, een bewindvoerder of een persoon die wordt gekozen vanwege zijn kennis van zaken op dit gebied. De curator zal dan, in de maand van zijn benoeming, een verslag opstellen over de situatie waarin het bedrijf zich bevindt, en vervolgens overgaan tot de liquidatie en verificatie (117) van de schuldvorderingen (118). De opbrengst van de liquidatie wordt vervolgens verdeeld onder de schuldeisers naar gelang hun rang (geprivilegieerde en hypothecaire schuldeisers, schuldeisers die een bijzonder zakelijk zekerheidsrecht op roerende goederen genieten, concurrente ofwel niet geprivilegieerde schuldeisers, naar verhouding van hun vorderingen). |
|
(144) |
Wanneer er geen sprake meer is van opeisbare passiva en de curator over genoeg geldmiddelen beschikt om de schuldeisers te voldoen, of wanneer voortzetting van de faillissementsprocedure onmogelijk is geworden wegens ontoereikende activa, spreekt de rechter de beëindiging van de gerechtelijke liquidatie uit (119). Na beëindiging van de procedure wordt de debiteur beschermd door het beginsel van niet-hervatting van de rechtsvervolging. Met andere woorden, schuldeisers hebben door de uitspraak van beëindiging van de gerechtelijke liquidatie wegens gebrek aan activa niet de mogelijkheid de debiteur te laten vervolgen, tenzij (120) de vordering voortkomt uit een strafrechtelijke veroordeling of uit rechten die aan de persoon van de schuldeiser zijn verbonden. |
b) Ontbreken van een garantiemechanisme ten gunste van privaatrechtelijke dochterondernemingen van het IFP
|
(145) |
Zoals de deskundige van de Commissie in de zaak-La Poste reeds heeft uiteengezet, zijn bij sommige commerciële bedrijven zoals naamloze en besloten vennootschappen, de vennoten niet verplicht de schulden van de structuur waaraan zij deelnemen te voldoen, indien deze buiten hun inleg bij toetreding vallen. Als naamloze vennootschappen maken de dochterondernemingen van het IFP nu juist deel uit van deze categorie. Ook geldt voor de IFP-groep, evenals voor elke groep ondernemingen, dat in het geval van faillissement van een dochteronderneming met als rechtsvorm vennootschap met beperkt risico (in dit geval een naamloze vennootschap), de moedermaatschappij slechts tot de hoogte van haar inleg aansprakelijk kan worden gesteld (zoals geldt voor elke gewone aandeelhouder), indien er geen sprake is van borgstellingen, garanties, letters of intent of letters of comfort (121) waarmee zij uitdrukkelijker aansprakelijk wordt gesteld. |
|
(146) |
Aangezien het IFP en zijn dochterondernemingen in de zin van het mededingingsrecht tot een en dezelfde economische groep behoren, moet worden nagegaan of door de economische afhankelijkheidsrelatie waarin de dochterondernemingen zich ten opzichte van de moedermaatschappij bevinden, het IFP bij een faillissement van haar privaatrechtelijke dochterondernemingen al dan niet automatisch aansprakelijk kan worden gesteld volgens het Franse vennootschapsrecht en er dientengevolge publieke middelen moeten worden ingezet omdat de Staat voor het merendeel van de financiering zorg draagt en de overheidsinstelling een impliciete onbeperkte staatsgarantie heeft toegekend. |
|
(147) |
Ingevolge dit nadere onderzoek kan de Commissie concluderen dat in het Franse burgerlijk recht en het handelsrecht de aansprakelijkheid van de controlerende aandeelhouder in beginsel niet in het geding komt bij een faillissement van een van zijn dochterondernemingen, tenzij kan worden aangetoond dat de controlerende aandeelhouder in gebreke is gebleven met betrekking tot het beheer van zijn dochteronderneming (i). De recent voorgenomen en weer geschrapte hervormingen van het burgerlijk wetboek, die juist tot doel hadden om de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen uit te breiden tot betrekkingen tussen een moedermaatschappij en de dochterondernemingen van een groep, zijn een bevestiging, a contrario, dat een dergelijk beginsel op dit moment in het Franse recht ontbreekt (ii). |
i)
|
(148) |
Volgens de rechtsleer (122) kan een groep nooit zelf aan de basis staan van een getrapte aansprakelijkheid. In het Franse recht geldt het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid, zoals uiteengezet in artikel 1382 van het burgerlijk wetboek (123). Enkel door een strafbaar feit dat aan het gedrag van de moedermaatschappij is toe te rekenen, kan haar vermogen worden aangesproken. |
|
(149) |
Doordat in dit geval de moedermaatschappij van de IFP-groep een publiekrechtelijke rechtspersoon (het IFP) is, doet zich in deze kwestie vooraf een bijkomend probleem voor: vooraf dient te worden nagegaan of het in het Franse recht aan de bestuurs- dan wel aan de gewone rechter is om in voorkomend geval de eventuele aansprakelijkheid te onderzoeken van een publiekrechtelijke rechtspersoon met zeggenschap over een privaatrechtelijke rechtspersoon die in een procedure van gerechtelijke liquidatie is verwikkeld. |
|
(150) |
De Commissie merkt op dat, wat de aansprakelijkheidsvorderingen wegens ontoereikende activa betreft (124), het Tribunal des conflits lange tijd van oordeel is geweest dat de bevoegdheid berustte bij de gewone rechter indien de publiekrechtelijke rechtspersoon wettelijk bestuurder was (125) en bij de bestuursrechter indien de publiekrechtelijke rechtspersoon feitelijk bestuurder was (126). Maar naar het zich laat aanzien wordt de verdeling van de bevoegdheden tussen de administratieve en gewone rechter op dit gebied inmiddels bepaald door de aard van de prestaties: openbare dienstverlening of industriële dan wel commerciële activiteit.
|
|
(151) |
Wat betreft de naamloze vennootschappen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat – privaatrechtelijke dochterondernemingen die onder de zeggenschap staan van het IFP – blijkt uit de gegevens in het dossier, met name de gegevens die in overweging 159 worden aangehaald, dat hun doel economisch (133) is en geen openbare dienstverlening betreft. Daarnaast komt het merendeel van de middelen van deze bedrijven voort uit exploitatieopbrengsten die voortvloeien uit economische activiteiten en niet uit overheidsfinanciering. Tenslotte zij opgemerkt dat deze dochterondernemingen van het IFP op initiatief van een privaatrechtelijke rechtspersoon (134) als commerciële vennootschappen zijn opgericht (en niet door een publiekrechtelijke rechtspersoon, aangezien de omzetting van rechtsvorm tot EPIC voor het IFP pas op 7 juli 2006 plaatsvond). Ook lijken de activiteiten van Axens, Beicip-Franlab en Prosernat ononomstotelijk van industriële en commerciële aard te zijn en zou, in het geval van gerechtelijke liquidatie, de gewone rechter zonder enige twijfel bevoegd zijn om zich uit te spreken over een aansprakelijkheidstelling van het IFP. |
|
(152) |
Onder deze omstandigheden dient te worden nagegaan wanneer de controlerende aandeelhouder aansprakelijk is in het licht van de rechtspraak van het Cour de Cassation. Er gelden, zo blijkt, zeer strikte voorwaarden voor uitbreiding van een liquidatieprocedure ten aanzien van een bepaalde adressaat (de dochteronderneming) naar een andere rechtspersoon (de moedermaatschappij). Om een vergoeding te kunnen krijgen, zijn de slachtoffers van het optreden van een failliete dochteronderneming verplicht het verwijtbare gedrag van de moedermaatschappij te bewijzen, in het bijzonder: α) het feit dat de moedermaatschappij rechtspersoonlijkheid van haar dochteronderneming heeft ontzegd, en β) ondeugdelijk bestuur van het toezicht op de dochteronderneming. |
α) De moedermaatschappij ontzegt haar dochteronderneming rechtspersoonlijkheid
|
(153) |
De rechtspraak van het Cour de Cassation biedt in twee uitzonderlijke gevallen ruimte voor de mogelijkheid om de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uit te breiden naar het optreden van haar dochterondernemingen (135): enerzijds wanneer het vermogen van de dochterondernemingen wordt vermengd met dat van de moedermaatschappij („vermenging van vermogen”) en anderzijds wanneer de dochterondernemingen fictieve rechtspersonen zijn („fictieve rechtspersoonlijkheid”). |
|
(154) |
Het begrip „vermogensvermenging” (136) heeft meestal betrekking op een situatie waarin onmogelijk kan worden vastgesteld met welk van de boekhoudingen van de twee verschillende juridische entiteiten bepaalde activa of passiva verband houden. Om een dergelijke vermogensvermenging aan te tonen, is het niet voldoende dat de ondernemingen van de groep nauwe banden onderhouden. Evenmin kan enkel met de identiteit van de vennoten of bestuurders, noch zelfs met die van de vennootschapszetel (137), vermogensvermenging worden vastgesteld. De kans op vermogensvermenging kan meestal al worden uitgesloten aan de hand van de officiële bekrachtiging van de betrekkingen binnen een groep middels overeenkomsten die de moedermaatschappij en haar dochterondernemingen hebben ondertekend (138). |
|
(155) |
In twee recente zaken, Metaleurop (139) en AOL Liberté (140), lijkt het Cour de Cassation zelfs zijn greep op de voorwaarden voor uitbreiding van een procedure naar de moedermaatschappij van een groep te hebben verstevigd. Zelfs verregaande integratie van de ondernemingen van een groep heeft niet noodzakelijkerwijs vermogensvermenging tot gevolg. Volgens de rechtsleer (141)„dragen noch de cashmanagements- en valutaovereenkomsten tussen de twee entiteiten, noch uitwisselingen van personeel, noch door de moedermaatschappij verstrekte voorschotten, noch de greep van de moedermaatschappij op het beheer van haar dochteronderneming, de kenmerken van een algehele boekhoudkundige verwarring die een samenvoeging van vermogens rechtvaardigt.” Het lijkt dus buitengewoon moeilijk om een moedermaatschappij op grond van vermogensvermenging aansprakelijk te stellen vanwege het optreden van een van haar dochterondernemingen (142), aangezien het Cour de Cassation een zeer hoge bewijslast eist. |
|
(156) |
In deze kwestie kan worden vastgesteld dat de Commissie er reeds op heeft gewezen dat „[…] de rekeningen van het IFP en de betrokken dochterondernemingen gescheiden zijn, aangezien zij verschillende juridische entiteiten zijn” (143). Bovendien blijkt uit de overeenkomsten die het IFP en zijn dochterondernemingen hebben ondertekend, met name de exclusieve overeenkomsten inzake technologieoverdracht en de terbeschikkingstelling van personeel (144), geen sprake te zijn van een algemene boekhoudkundige verwarring die rechtvaardigt dat de vermogens worden bijeengevoegd in de zin van de rechtspraak van het Cour de Cassation, aangezien elke verrichting afzonderlijk boekhoudkundig is verwerkt in de respectievelijke balansen van elke entiteit van de IFP-groep, zoals onder meer in de delen 7.1.4 en 7.3 zal worden vastgesteld. |
|
(157) |
Wat het „fictieve karakter van de rechtspersoon” betreft, gaat het erom aan te tonen dat er elementen ontbreken in het contract van de vennootschapsakte van de dochteronderneming (affectio societatis) en zij dus niet werkelijk als vennootschap actief is. Het Hof van Cassatie (145) meent dat er sprake is van een fictieve vennootschap wanneer de rechtspersoon ten aanzien waarvan de procedure is ingeleid niet aantoonbaar bestaat, bij gebrek aan activiteiten die zich onderscheiden (146) van die van de belanghebbende, of deze nu een natuurlijke- of rechtspersoon is. |
|
(158) |
Op basis van vrij beschikbare informatie (147), merkt de Commissie ook op dat het IFP en Axens, Beicip-Franlab en Prosernat noch dezelfde contactgegevens, noch dezelfde bedrijfszetels hebben:
|
|
(159) |
Daarnaast zijn de door elke dochteronderneming uitgeoefende economische activiteiten reëel, zodat zij niet redelijkerwijs als fictief kunnen worden omschreven, ook al niet vanwege de hoge eisen die het Cour de Cassation stelt om een rechtspersoon als „fictief” aan te merken (155).
|
|
(160) |
Uit het voorgaande blijkt dat afgezien van het geval van beheersfouten dat in de overwegingen 161 tot en met 164 aan de orde komt, de zeer zeldzame gevallen – fictieve rechtspersoonlijkheid van de dochteronderneming of vermogensvermenging van de dochteronderneming en van de moedermaatschappij – waarin volgens de rechtspraak de moedermaatschappij vanwege haar dochterondernemingen aansprakelijk kan worden gesteld, in dit geval duidelijk niet opgaan. De Commissie is daarom van oordeel dat er niet aan de voorwaarden is voldaan om het IFP automatisch aansprakelijk te stellen in geval van liquidatie van zijn dochterondernemingen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat. |
β) Aansprakelijkheid wegens ondeugdelijk bestuur van de dochteronderneming door de moedermaatschappij
|
(161) |
Een ondeugdelijke uitoefening van het toezicht over de dochteronderneming is gewoonlijk een reden de moedermaatschappij aansprakelijk te stellen (156). Wanneer deze laatste fouten heeft gemaakt bij het toezicht dat zij moet uitoefenen op het beheer van haar dochterondernemingen, „is het uit hoofde van de rechtspraak toegestaan, met name bij groepen ondernemingen, de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij aan de orde te stellen” (157). Volgens de rechtsleer kan de moedermaatschappij, die zich heeft gedragen als wettelijk of feitelijk bestuurder van de dochteronderneming in moeilijkheden, in geval van liquidatie aansprakelijk worden gesteld wegens een beheersfout (158). Als vennoot van de dochteronderneming kan de moedermaatschappij namelijk aansprakelijk worden gehouden (159), als haar fouten kunnen worden verweten die ten grondslag liggen aan de problemen van de onderneming waarover zij zeggenschap heeft (160). |
|
(162) |
Het gemene recht voorziet dus in de aansprakelijkheid van de bestuurders ten opzichte van hun onderneming, haar vennoten en haar schuldeisers (161). Bij een groep zullen de schuldeisers van een van de dochterondernemingen die haar betalingen heeft gestaakt, proberen aan te tonen dat de moedermaatschappij als wettelijk dan wel feitelijk bestuurder (162) van de dochteronderneming heeft opgetreden. In dat geval is de aansprakelijkheid wegens schuld van een moedermaatschappij ten aanzien van haar dochteronderneming onder meer vastgelegd in het recht aangaande collectieve procedures (163) en, meer bepaald in het kader van de aansprakelijkheid wegens ontoereikende activa (164), op voorwaarde dat deze onderneming zich als bestuurder van haar dochteronderneming heeft gedragen (165). Wel behoort er bewijs te worden geleverd voor een dergelijke schuld en vooral voor het oorzakelijke verband tussen de schuld en de schade die door het gedrag van de dochteronderneming is geleden, om de moedermaatschappij wegens schuld aansprakelijk te kunnen stellen (166). |
|
(163) |
Hoe dan ook blijkt uit het voorgaande dat dergelijke vorderingen in geen geval vrijwaringszaken betreffen, omdat zij steeds berusten op de aansprakelijkheid wegens schuld van de moedermaatschappij. Met vorderingen tot vrijwaring kan bovendien geen algemeen beginsel van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij vanwege haar dochterondernemingen worden vastgesteld. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan het beginsel van aansprakelijkheidsbeperking tot de oorspronkelijke inleg voor naamloze vennootschappen, afgezien van de gevallen waarin deze naamloze vennootschappen fictieve entiteiten zijn of een vermogen hebben dat wordt vermengd met dat van hun moedermaatschappijen, die in dit geval kunnen worden genegeerd. |
|
(164) |
Uiteindelijk blijkt uit de rechtspraak van het Cour de Cassation dat het beroep op het beginsel van aansprakelijkheid wegens schuld van de moedermaatschappij bij het beheer van haar dochteronderneming in geen geval strookt met een mechanisme dat gelijk staat aan een garantieregeling. |
ii)
|
(165) |
In het huidige Franse recht lijkt het er volgens de bevindingen van een recent parlementair informatieverslag (167) dus op dat „uit de oplossingen die in de rechtspraak kunnen worden gevonden zich de belemmering aftekent van de rechtspersoonlijkheid met betrekking tot de toerekenbaarheid van de aansprakelijkheid” (168) (Nadruk toegevoegd). |
|
(166) |
Deze belemmering lijkt op dit punt aan de orde omdat er recent in Frankrijk een discussie is ontstaan over de vraag of het burgerlijk wetboek niet moeten worden hervormd teneinde de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen uit te breiden tot situaties van economische afhankelijkheid (169) (met name voor betrekkingen van dochterondernemingen met hun moedermaatschappij). Met name sommige in het reeds aangehaalde verslag genoemde consumentenorganisaties (170) lijken het te betreuren dat door de praktijk van „verdochtering” van ondernemingen, bepaalde entiteiten in een later geschil zich kunnen verzetten tegen de juridische afscherming van de ondernemingen van de groep wanneer de aansprakelijkheid van een dochteronderneming in het geding is, terwijl uit commerciële aanbiedingen en het geheel van prestaties een beeld werd geschetst van een volkomen geïntegreerde groep ondernemingen. |
|
(167) |
Aan de hand van artikel 1355 van het voorontwerp-Catala (171) is recent voorgesteld een nieuwe grondslag voor de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen in te stellen, met gevolgen voor het beginsel van juridische autonomie van de dochterondernemingen: „Art. 1355 Men is van rechtswege aansprakelijk voor de schade aangericht door degenen van wie men de levenswijze bepaalt of van wie men, in zijn eigen belang, de activiteiten organiseert, leidt en controleert. […]” |
|
(168) |
De opmerkingen van de opstellers van dit voorontwerp zijn verhelderend ten aanzien van de in deze tekst voorgestelde vernieuwingen op het gebied van niet-contractuele aansprakelijkheid voor de handelingen van anderen. Indien dit voorontwerp wordt aangenomen, wordt als mogelijke grondslag „het leiden en organiseren van activiteiten van anderen in het persoonlijk belang van degene die deze controle uitoefent” (172) toegevoegd, wat het huidige recht tamelijk ingrijpend zou wijzigen, en dat des te meer omdat deze aansprakelijkheid voortaan van zeer strikte aard zou zijn: ze is niet „onderworpen aan het bewijs van schuld van de aansprakelijke, maar aan het bewijs van een feit waarmee de rechtstreekse dader persoonlijk aansprakelijk kon worden gesteld indien hij niet onder controle van iemand anders had gehandeld” (173). |
|
(169) |
In lid 2 van artikel 1360 van het voorontwerp wordt dit beginsel toegepast op de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij van een groep ten aanzien van haar dochterondernemingen: „Art. 1360 […] Evenzo is degene aansprakelijk die de economische- of vermogensactiviteit van een beroepsbeoefenaar in een afhankelijkheidssituatie controleert, ook al handelt hij voor eigen rekening, wanneer het slachtoffer weet aan te tonen dat de geleden schade verband houdt met de uitoefening van de controle. Hetzelfde geldt met name voor moedermaatschappijen ten aanzien van de schade die hun dochterondernemingen hebben veroorzaakt of van de concessiegevers voor de schade die is aangericht door hun concessiehouders.” (Nadruk toegevoegd). |
|
(170) |
Uit het voorgaande blijkt dat, volgens het huidige Franse recht, de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij vanwege haar dochteronderneming a contrario inhoudt dat er bewijs wordt geleverd voor de schuld van eerstgenoemde in de situatie van laatstgenoemde, zoals hierboven reeds is uiteengezet. |
|
(171) |
Wat de te verwachten ontwikkeling van het Franse vigerende recht betreft, neemt de Commissie nota van het feit dat er lijkt te zijn afgezien van de op dit punt overwogen hervorming. In het kader van het eerder aangehaalde parlementaire verslag heeft de werkgroep van de commissie wetgeving zich tegenstander verklaard van een „sanctionering van aansprakelijkheid zonder schuld uit hoofde van economische afhankelijkheid” (Aanbeveling nr. 19). Van een hervorming in deze richting lijkt hoe dan ook te worden afgezien: zo komt ze niet voor in het proposition de loi no 657 portant réforme de la responsabilité civile (wetsvoorstel nr. 657 betreffende de hervorming van de wettelijke aansprakelijkheid) (174) dat tijdens de gewone zitting 2009-2010 werd ingediend (geregistreerd bij het Voorzitterschap van de Senaat op 9 juli 2010). |
|
(172) |
Samengevat: er bestaat in het huidige Franse recht geen impliciete en automatische aansprakelijkheidsstelling van moedermaatschappijen voor de handelingen van hun privaatrechtelijke dochterondernemingen die in een gerechtelijke liquidatieprocedure verkeren, in tegenstelling tot de aansprakelijkheid van de Staat indien zijn overheidsinstellingen niet aan hun verplichtingen voldoen. Deze laatste vorm van aansprakelijkheid bezit met name op grond van zijn automatische karakter de kenmerken van een garantiemechanisme. |
B. Wat betreft het voortbestaan van de dochterondernemingen van het IFP en/of het voortbestaan van hun verplichtingen beschikken hun schuldeisers over geen enkele garantie
|
(173) |
Op grond van het voorgaande kan de Commissie concluderen dat wanneer de dochterondernemingen van het IFP na een liquidatieprocedure als naamloze vennootschappen verdwijnen, hun rechten en verplichtingen ook verdwijnen. Hun controlerende aandeelhouder – het IFP – zal met een kapitaalinjectie vooraf (175) de verdwijning/liquidatie uiteraard weten te voorkomen. Met een dergelijke financiële bijdrage is het voortbestaan van de schuldvorderingen van derden ten aanzien van deze dochterondernemingen gewaarborgd. |
|
(174) |
Niettemin zou er dan sprake zijn van een strategische keuze van de overheidsinstelling en niet van een wettelijke verplichting die deze hoe dan ook moet nakomen. Voorts zou een dergelijke keuze binnen het strikte kader van het recht inzake staatssteun moeten plaatsvinden: indien deze kapitaalinjectie niet valt te rechtvaardigen als gedrag van een private investeerder in de markteconomie, blijft zij onderworpen aan de controle (en de goedkeuring) van de Europese Commissie, na kennisgeving door de Franse autoriteiten. |
|
(175) |
Daarom kan de Commissie concluderen dat in het geval van een liquidatieprocedure, de schuldeisers van de dochterondernemingen van het IFP geen enkele zekerheid hebben over de voldoening van hun schuldvorderingen. |
C. Conclusie over het ontbreken van een staatsgarantie voor de privaatrechtelijke dochterondernemingen van het IFP
|
(176) |
Op grond van het voorgaande kan de Commissie concluderen dat in tegenstelling tot de schuldeisers van het IFP, de schuldeisers van de privaatrechtelijke dochterondernemingen van de IFP-groep noch een garantie hebben voor de voldoening van hun individuele schuldvorderingen, noch een garantie voor het voortbestaan van deze naamloze vennootschappen in geval van liquidatie. Hieruit blijkt dat deze privaatrechtelijke dochterondernemingen niet worden gedekt door de onbeperkte staatsgarantie die het IFP uit hoofde van zijn rechtsvorm geniet. De Commissie baseert haar analyse op het feit dat de schuldeisers van de privaatrechtelijke dochterondernemingen van het IFP:
|
|
(177) |
De Commissie onderstreept dat zij reeds tot soortgelijke conclusies is gekomen in andere gevallen, waar zij heeft geoordeeld dat een naamloze vennootschap die voor 100 % in handen is van een overheidsinstelling of van de Staat zelf, niet wordt gedekt door de onbeperkte overheidsgarantie die haar aandeelhouder geniet. Wat betreft de naamloze vennootschappen die rechtstreeks in handen van de Staat zijn, is de Commissie in 2003 in de zaak-EdF (176) tot het oordeel gekomen dat de omvorming van een EPIC tot een gemeenrechtelijke naamloze vennootschap - en dus haar onderwerping aan het gemene recht inzake faillissementen - tot gevolg heeft dat de garantie die de onderneming tot dan heeft genoten, wordt opgeheven. Deze uitspraak is onlangs bevestigd toen La Poste zelf werd omgevormd tot naamloze vennootschap (177) die voor 100 % in handen is van de Staat. Wat betreft naamloze vennootschappen in handen van overheidsinstellingen, heeft de Commissie in het voornoemde besluit betreffende de oprichting van La Banque Postale erkend dat er voor haar geen sprake van een onbeperkte staatsgarantie kan zijn (178), alleen al door de rechtsvorm van naamloze vennootschap van dergelijke dochterondernemingen die volledig eigendom zijn van een overheidsinstelling (in dit geval van La Poste, die destijds een aan een EPIC gelijk te stellen publiekrechtelijke rechtsvorm bezat). |
7.1.2 ECONOMISCHE AARD VAN DE ACTIVITEITEN VAN HET IFP DIE DOOR DE ONBEPERKTE STAATSGARANTIE ZIJN GEDEKT
|
(178) |
Zoals de Commissie al in haar voorgaande besluiten en beschikkingen inzake het IFP heeft aangegeven (179), vervult het IFP krachtens zijn statuten drie taken:
|
|
(179) |
Zoals in overweging 31 wordt beschreven, beschouwen de Franse autoriteiten het IFP als een onderzoeksorganisatie met een drievoudige missie van algemeen belang (onderzoek, opleiding en documentatie). |
|
(180) |
De Commissie is tevens van oordeel dat het IFP, gelet op de taken die het zijn toevertrouwd betreft, kan worden gekwalificeerd als „onderzoeksorganisatie” in de zin van punt 2.2. d) van de kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (180) (hierna „het O&O&I-steunkader” genoemd): het IFP heeft in de eerste plaats tot taak fundamenteel onderzoek (181), industrieel onderzoek (182) of experimentele ontwikkeling (183) te verrichten, en de resultaten van deze activiteiten te verspreiden door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht. |
|
(181) |
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie (184) kan de overheidsfinanciering van activiteiten die door een onderzoeksorganisatie worden verricht (dus ook het feit dat deze door een onbeperkte overheidsgarantie zijn gedekt) met zich brengen dat er een steunmaatregel wordt toegekend (185), mits het orgaan in kwestie een economische activiteit uitoefent, ofwel een activiteit die bestaat uit het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt (186), en zulks ongeacht zijn rechtsvorm of de wijze waarop het wordt gefinancierd. |
|
(182) |
Wat betreft de precieze economische (of niet-economische) aard van de activiteiten van de onderzoeksorganisaties, heeft de Commissie in haar beschikkingspraktijk toegelicht (187) wat zij in beide categorieën relevant acht. |
|
(183) |
Wat de voornaamste activiteiten van de onderzoeksorganisaties betreft, is de Commissie van oordeel dat er in principe sprake is van niet-economische activiteiten, met name wanneer het gaat om:
|
|
(184) |
Zij is voorts van oordeel dat activiteiten inzake technologieoverdracht (licentiering, creatie van spin-offs of andere vormen van door de onderzoeksorganisatie gecreëerde vormen van kennisbeheer) geen economisch karakter hebben indien het om „interne activiteiten” (188) gaat en alle inkomsten uit deze activiteiten opnieuw in de primaire activiteiten van de onderzoeksorganisaties worden geïnvesteerd. |
|
(185) |
Daarentegen is de Commissie van oordeel dat met name contractonderzoek in opdracht van het bedrijfsleven, het verhuren van onderzoeksinfrastructuur en consultancyactiviteiten (189) op economische activiteiten duiden. |
|
(186) |
In dit geval worden zowel de niet-economische activiteiten van het IFP gedekt door de onbeperkte staatsgarantie die het uit hoofde van zijn EPIC-rechtsvorm is toegekend, (wat op zich geen probleem oplevert met betrekking tot de staatssteunregels) als zijn economische activiteiten, die van tweeërlei aard zijn. |
|
(187) |
Hoewel de Franse autoriteiten de meeste activiteiten van het IFP als niet-economisch beschouwen – zoals aangegeven in overweging 31 – hebben zij in hun brieven van 13 januari en 16 juli 2010 erkend dat, het IFP afgezien van de exclusieve activiteiten van zijn dochterondernemingen, diensten verleende die in hoofdzaak bestonden uit de verhuur van materieel en bedrijfsruimten, de terbeschikkingstelling van personeel en het verschaffen van juridische diensten ten behoeve van zijn dochterondernemingen, alsmede contractonderzoek voor rekening van derden en van zijn dochterondernemingen. Zoals aangegeven in overweging 185 hebben dergelijke activiteiten wel degelijk een economisch karakter in de betekenis die de Commissie er gewoonlijk aan geeft. |
|
(188) |
Wat de tweede soort economische activiteiten betreft, zijn vormen van technologieoverdracht zoals licentiering, creatie van spin-offs of andere soorten van door de onderzoeksorganisatie gecreëerde vormen van kennisbeheer, in beginsel geen economische activiteiten, zoals al in overweging 184 is gesteld, als deze intern tot stand worden gebracht en de inkomsten volledig worden geherinvesteerd in publiek onderzoek. Maar in dit geval zijn, zoals de Commissie heeft geconcludeerd in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, de zeer specifieke betrekkingen die het IFP en sommige van zijn privaatrechtelijke dochterondernemingen onderhouden, zodanig dat „[…] bepaalde activiteiten van IFP niet als niet-economische activiteiten kunnen worden beschouwd omdat zij door de dochterondernemingen van IFP commercieel worden geëxploiteerd”. (190) De Commissie is dan ook tot de conclusie gekomen dat de betrokken dochterondernemingen niet kunnen worden beschouwd als marktdeelnemers die los van hun moedermaatschappij opereren omdat hun activiteiten deel uitmaken van de ontwikkelingsstrategie van het IFP, het IFP niet alleen juridische maar ook feitelijke zeggenschap uitoefent, uit de exclusieve overeenkomsten een sterke economische integratie blijkt en het IFP en de betrokken dochterondernemingen bij de marktdeelnemers van de betrokken sectoren een gemeenschappelijk imago hebben. De technologieoverdrachten tussen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat moeten derhalve worden gekenschetst als economische activiteiten in de zin van het mededingingsrecht, zeker als zij voortkomen uit industriële onderzoeksactiviteiten. (191) |
7.1.3 REIKWIJDTE VAN HET ONDERHAVIGE BESLUIT
|
(189) |
Uit deel 7.1.1 blijkt dat alleen de rechtstreekse activiteiten van het IFP door de staatsgarantie worden gedekt, in tegenstelling tot de activiteiten van zijn privaatrechtelijke dochterondernemingen, die niet onder de dekking van die garantie vallen. |
|
(190) |
Voorts kan van alle rechtstreekse activiteiten van het IFP enkel de staatsgarantie voor economische activiteiten eventueel staatssteun vormen, mits ook is voldaan aan alle andere in artikel 107, lid 1, VWEU, bepaalde voorwaarden. |
|
(191) |
Tenslotte blijkt uit deel 7.1.2 dat deze economische activiteiten zich enerzijds beperken tot contractonderzoek door het IFP, en anderzijds tot overdrachten van technologieën die tot het exclusieve werkterrein behoren van de dochterondernemingen Axens, Prosernat et Beicip-Franlab, alsmede tot de activiteiten betreffende de verhuur van infrastructuur, de terbeschikkingstelling van personeel en juridische dienstverlening. |
7.1.4 BESTAAN VAN EEN SELECTIEF VOORDEEL VOOR DE IFP-GROEP
|
(192) |
Om de voordelen te analyseren die de IFP-groep mogelijk put uit de onbeperkte staatgarantie die aan haar moedermaatschappij (het IFP) wegens haar EPIC-rechtsvorm is verleend, zal de Commissie in twee fases te werk gaan: eerst onderzoekt zij de eventuele voordelen die bij de moedermaatschappij zijn ontstaan (7.1.4.1), alvorens de voordelen te onderzoeken die mogelijk op haar dochterondernemingen zijn overgegaan (7.1.4.2). |
7.1.4.1 Voordelen die zijn ontstaan bij het IFP
|
(193) |
In het voornoemde besluit tot inleiding van de procedure heeft de Commissie overeenkomstig punt 2.1.3 van voornoemde garantiemededeling aangegeven dat zij van oordeel was dat het IFP uit zijn EPIC-rechtsvorm voornamelijk voordeel zou kunnen putten door gunstigere financieringsvoorwaarden (192) op de kapitaalmarkten, aangezien de gemeenrechtelijke procedure op het gebied van sanering en gerechtelijke liquidatie niet van toepassing is op publiekrechtelijke rechtspersonen. Voorts heeft de Commissie opgemerkt dat bij een faillissement van de overheidsinstelling, staatsgarantie geldt voor alle schuldvorderingen van het IFP, die, zoals is toegelicht in punt 71 van het besluit tot inleiding van de procedure, „niet alleen van financiële, maar ook van commerciële of nog andere aard kunnen zijn”, in het bijzonder schuldvorderingen van leveranciers (van wie de facturen niet zouden zijn betaald) of van klanten (voor wie geen diensten zouden zijn verricht). |
|
(194) |
Na de betrokken maatregel uitgebreid te hebben onderzocht is de Commissie tot het oordeel gekomen dat er onderzoek moet worden gedaan naar het mogelijke voordeel voor het IFP ten aanzien van zijn betrekkingen met financiële en bancaire instellingen (A), met zijn leveranciers (B) en met zijn klanten (C). |
A. Ontbreken van een voordeel ten aanzien van de betrekkingen met bancaire en financiële instellingen
|
(195) |
Hoewel de Commissie in het voornoemde besluit tot inleiding van de procedure erkent dat het IFP geen rating heeft van een ratingbureau (193), wijst zij er op dat de aan het IFP toegekende financieringen noodzakelijkerwijs zijn onderworpen aan een inschatting van het wanbetalingsrisico door de schuldeisers (194). Overwegende dat het IFP „een beroep doet op de kredietmarkt om zijn schuld te financieren”, geeft zij aan dat zij in de vooronderzoeksfase niet kan uitsluiten dat het IFP een economisch voordeel zou kunnen putten uit het feit dat, bij de beoordeling door de financiële markten, rekening wordt gehouden met de rol van garantieverlener in laatste instantie die de Staat speelt ten aanzien van de schulden van het IFP. |
|
(196) |
Na uitvoering van een uitgebreid onderzoek neemt de Commissie nota van de door Frankrijk ingediende gegevens die in overweging 64 hierboven worden vermeld, en die zijn samengevat in Tabel 1 bij deze overweging. Tabel 1 Schuldenlast van het IFP in de periode 2005 – 2010
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(197) |
Uit deze gegevens blijkt dat, wat de looptijden van meer dan één jaar betreft, het IFP sinds zijn omzetting van rechtsvorm niet bij kredietinstellingen heeft geleend, dat wil zeggen in de periode tussen 2006 en 2009 waarvan gegevens beschikbaar zijn. Over dezelfde periode na de omzetting van rechtsvorm heeft het IFP slechts één keer een lening afgesloten met een looptijd van minder dan één jaar, in 2009, voor het verwaarloosbare bedrag van […] (*) EUR. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de toenmalige rente van [Bank nr. 3] (**) (EONIA + […] (*)%) met […] (*) basispunten hoger lag (bij voor het overige gelijke omstandigheden) dan de door het IFP in 2005 bij [Bank nr. 1] (**) (EONIA + […] (*)%) bedongen rente, toen het nog een privaatrechtelijke rechtspersoon was en dus nog niet de staatsgarantie genoot die het nu wel uit hoofde van zijn rechtsvorm van overheidsinstelling geniet. |
|
(198) |
Wat specifiek het jaar 2010 betreft, hebben de Franse autoriteiten gesteld dat het IFP vier kredietlijnen van […] (*) EUR werd aangeboden, tegen jaarrentes variërend tussen EONIA + […] (*)% bij [Bank nr. 4] (**) (plus een reserveringsprovisie van […] (*)%, of […] (*) EUR) of bij [Bank nr. 5] (**) (plus reserveringsprovisie van […] (*)%, of […] (*) EUR) en EONIA + […] (*)% bij [Bank nr. 3] (**) (plus reserveringsprovisie van […] (*)%, of […] (*) EUR) of bij [Bank nr. 1] (**) (plus reserveringsprovisie van […] (*)%, of […] (*) EUR). Het IFP heeft ook een ander spot-aanbod gekregen van [Bank nr. 3] (**) (afhankelijk van de periode waarvoor een bedrag wordt opgenomen), tegen een tarief gelijk aan EURIBOR + […] (*)%. De Commissie merkt op dat deze rentepercentages overeenkomen met de percentages die het IFP voor zijn omzetting van rechtsvorm in 2006 bedong, toen het nog een privaatrechtelijke rechtspersoon was zonder dekking van een staatsgarantie. |
|
(199) |
Op grond van het voorgaande erkent de Commissie dat het IFP in de periode tussen zijn omzetting van rechtsvorm en 2010 geen economisch voordeel uit zijn EPIC-rechtsvorm heeft geput in zijn betrekkingen met bancaire en financiële instellingen. Met andere woorden, het blijkt dat in de betrokken periode het mogelijke voordeel dat de onderneming had kunnen putten uit de onbeperkte staatsgarantie in de vorm van leningen tegen een gunstigere rente dan op de markt, zich niet heeft voorgedaan. |
|
(200) |
Deze conclusie heeft natuurlijk alleen betrekking op het verleden. De Commissie kan er geen gevolgtrekking aan verbinden voor wat betreft toekomstige gedragingen van marktdeelnemers of de ontwikkeling van hun perceptie van de invloed van de staatsgarantie op het wanbetalingsrisico van het IFP. Ook moeten de Franse autoriteiten in hun toekomstige jaarlijkse verslagen aan de Commissie informatie verschaffen over de omvang van de schulden van het IFP en de voorwaarden die er voor gelden, en bewijs aandragen dat deze leningen marktconform zijn; of zij dienen het overeenkomende bruto-subsidie-equivalent bij de schattingen van de maximumbedragen van het effect van de garantie te voegen, volgens een methode die strookt met de methode die in de tabel 6 bij overweging 300 is beschreven. |
|
(201) |
Ten slotte neemt de Commissie nota van het voorstel van de Franse autoriteiten om voor elke transactie in het financieringscontract (voor elk instrument waarop een contract van toepassing is), de volgende schriftelijke vermelding in te voegen: „De emissie/het programma/de lening is door geen enkele directe of indirecte staatsgarantie gedekt. In geval van insolventie is de Staat niet verplicht financieel in de plaats te treden van La Poste ter betaling van de schuldvordering.” |
|
(202) |
Samen met alle andere verplichtingen waaraan Frankrijk dient te voldoen, zal met deze verbintenis in voorkomend geval de uitzondering van het vrijwillig aanvaard risico een rol kunnen spelen en worden de eventuele negatieve gevolgen van de garantie aanzienlijk beperkt, ook al is hiermee de kwestie van het bestaan van een garantie nog niet geregeld. |
B. Voordeel ten aanzien van betrekkingen met de leveranciers
|
(203) |
In tegenstelling tot wat de Franse autoriteiten stellen (zie overweging 65), is het wat de leveranciers betreft, niet voldoende dat het IFP krachtens het recht van de Europese Unie of het nationale recht verplicht is op te roepen tot mededinging om elk voordeel teniet te doen dat voortvloeit uit zijn EPIC-rechtsvorm: in het kader van georganiseerde openbare aanbestedingen kan elke kandidaat-leverancier inspelen op de onmogelijkheid van een faillissement van het IFP wanneer hij op een uitnodiging tot inschrijving reageert. Ook dient er, wat overheidsaankopen betreft, een onderscheid te worden gemaakt tussen prijsdalingen dankzij de grotere efficiency die voortvloeit uit de mededinging tussen de inschrijvers voor aanbestedingen – een waar „maatschappelijk voordeel”, zoals de Commissie in een door de Franse autoriteiten aangehaald verslag heeft gesteld – en de prijsdalingen die het gevolg zijn van een gunstigere waardering door hun medecontractanten van het wanbetalingsrisico van een entiteit waarvan zij weten dat deze door de rechtsvorm van overheidsinstelling wordt beschermd tegen het risico van gerechtelijke liquidatie. Hoewel deze beide factoren de inkoopprijzen voor de overheid meestal doen dalen, zijn ze intrinsiek verschillend. De Commissie kan de effecten van de tweede factor dan ook in geen geval aan de eerste toeschrijven. |
|
(204) |
Om een schatting te maken van de prijsdaling die het gevolg is van een gunstiger beoordeling van het risico op wanbetaling door de leveranciers van een EPIC, gaat de Commissie in haar redenering uit van de dekkingskosten van het overeenkomende risico. Bij afwezigheid van een staatsgarantie zou de leverancier van het IFP die op een vergelijkbare garantie wil krijgen (dat wil zeggen, volledige dekking van het wanbetalingsrisico van zijn medecontractant) gebruik kunnen maken van de diensten van een gespecialiseerde krediet- of verzekeringsinstelling. Tegenwoordig wordt een dergelijke overname van het wanbetalingsrisico vaak aangeboden door ondernemingen die gespecialiseerd zijn in factoring (195). |
|
(205) |
De Commissie merkt op dat de vergoeding voor een dergelijke factoringdienst uit twee onderdelen bestaat:
|
|
(206) |
In hun brief van 26 november 2010, hebben de Franse autoriteiten aangegeven dat volgens hen de opvattingen van de Commissie over de rol van factoring berust op een niet geheel juist inzicht in de redenen waarom een bedrijf een beroep doet op dergelijke diensten. De Franse autoriteiten erkennen weliswaar dat de factoringbedrijven diensten kunnen leveren op het gebied van kasmiddelen, invordering en het waarborgen van schuldvorderingen, maar stellen dat zij deze diensten gezamenlijk of afzonderlijk kunnen aanbieden. Op grond van een in 2009 door de Banque de France verrichte studie (197) voegen zij hieraan toe dat van deze diensten, het gedelegeerd beheer (ofwel een financiering zonder invordering van de schulden) een overheersende rol zal spelen in het aanbod van de factoringbedrijven. Het beroep op factoring zou zodoende steeds vaker beperkt blijven tot een eenvoudige kasverrichting voor de leverancier. De Commissie neemt nota van deze opmerking. |
|
(207) |
Daarnaast hebben de Franse autoriteiten sinds 2004 het bedrag van de door het IFP aan factoringbedrijven (198) verrichte betalingen doorgegeven (voor voorzieningen ten behoeve van twee soorten activiteiten: economische en niet-economische): Tabel 2 Beroep op factoring door de leveranciers van het IFP in de periode 2004 – 2010
|
|
(208) |
De Franse autoriteiten merken op dat sinds de omzetting van rechtsvorm van het IFP in 2006, de betalingen aan factoringbedrijven zijn toegenomen. Volgens hen wordt hiermee de redenering van de Commissie ten aanzien van de beoordeling door derden van het wanbetalingsrisico van EPIC's ontkracht. Zij zijn namelijk van oordeel dat, als het wanbetalingsrisico van het IFP vanaf 2006 zou zijn gedekt, er vanaf 2006 minder vaak een beroep op de diensten van deze factoringbedrijven zou zijn gedaan, of zelfs helemaal niet. |
|
(209) |
Aangezien het gebruik van factoring, zoals de Franse autoriteiten zelf in overweging 206 aangeven, steeds meer verband houdt met voorschotten in contanten (toename van diensten op het gebied van gedelegeerd beheer), en steeds minder met de overname van het risico ter zake van wanbetaling (daling van diensten aangaande invordering, financiering en garantie), en het in de rekeningen van het IFP niet mogelijk is het beroep op factoring van zijn leveranciers per soort verrichting te onderscheiden, is de Commissie juist van oordeel dat de door het IFP geconstateerde ontwikkeling haar redenering niet ontkracht en al helemaal niet aantoont dat de leveranciers van het IFP tot de slotsom waren gekomen dat het risico van wanbetaling van laatstgenoemde na zijn omzetting van rechtsvorm was toegenomen. |
|
(210) |
De Commissie erkent dat zij geen exacte schatting kan geven van de premie die nodig is om de leveranciers in te dekken tegen het risico van wanbetaling van het IFP, indien er geen sprake is van een staatsgarantie voor IFP. De Commissie wijst er wel op dat wanneer de in overweging 205, punt b), vermelde factoringcommissie in werkelijkheid drie afzonderlijke prestaties bestrijkt (invordering, financiering en garantie tegen het risico ter zake van wanbetaling), het genoemde maximale bedrag van 2,5 % van de gegarandeerde omzet in ieder geval een bovengrens is van de enkel voor het wanbetalingsrisico geldende noodzakelijke dekkingspremie. |
|
(211) |
Hoe dan ook kunnen de Franse autoriteiten nog altijd kiezen voor een preciezere berekeningsmethode van het voordeel dat de overheidsinstelling uit de garantie put in zijn betrekkingen met leveranciers. In voorkomend geval zou de Commissie een positief besluit kunnen vaststellen ten aanzien van deze methode, die gebaseerd is op een economisch deskundigenrapport dat op tegenspraak werd besproken in het kader van het onderzoek. Frankrijk zou er gebruik van kunnen maken om tegemoet te komen aan de plicht tot informatieverschaffing die in het dispositief van dit besluit is gespecificeerd. |
|
(212) |
Wat de bedragen in kwestie betreft, hebben de Franse autoriteiten in hun brief van 26 november 2010 aangegeven dat de aanschafkosten van deze goederen en diensten rechtstreeks zijn opgenomen in de exploitatiequota van het bij de aanschaf van deze goederen en diensten betrokken personeel (200). Overigens brengen die geen kosten van betekenis met zich mee voor wat betreft de doorfacturering van gedetacheerde personeelsleden en bedrijfsruimten, aangezien de totale kosten reeds zijn opgenomen in de structurele kosten van de instelling. |
|
(213) |
Tot besluit: het gemiddelde jaarlijkse bedrag van goederen en diensten die louter voor economische activiteiten zijn aangeschaft, vertegenwoordigt slechts een klein deel (201) van de gemiddelde jaaromzet van het IFP. Afgaande op informatie die het IFP via zijn boekhoudsysteem heeft vergaard, bedragen de gemiddelde kosten van de voorzieningen die het IFP heeft aangeschaft om zijn contractonderzoek tussen 2006 en 2009 uit te voeren, […] (*) EUR per jaar. |
|
(214) |
De Commissie is van oordeel dat het IFP een reëel economisch voordeel heeft genoten dat bestaat uit een verlaging van de door haar berekende leveranciersprijzen, ingegeven door hun gunstigere beoordeling van het wanbetalingsrisico van de onderneming. Hoewel de Commissie niet precies kan aangeven hoe groot dit voordeel is, is zij van mening dat het niet meer kan zijn dan een bedrag in de orde van […] (*) EUR gemiddeld per jaar (202) in de betrokken periode (2006-2009). |
|
(215) |
De Commissie merkt tot besluit op dat een dergelijk voordeel ten aanzien van de betrekkingen van het IFP met zijn leveranciers selectief is, aangezien de garantie voor concurrenten, die onderworpen blijven aan gemeenrechtelijke sanerings- en liquidatieprocedures, niet te vergelijken is met de garantie die onlosmakelijk is verbonden met de rechtsvorm die het IFP bezit. |
C. Voordeel ten aanzien van betrekkingen met klanten
|
(216) |
Wat betreft de onderzoeksactiviteiten van het IFP, neemt de Commissie nota van de opmerking van UOP Limited dat, in het geval van technologieoverdracht, die van nature riskant is, afnemers bijzonder ontvankelijk zijn voor de garanties die hun kunnen worden verschaft, zowel wat contractuele als buitencontractuele aansprakelijkheid betreft. |
|
(217) |
Wat de buitencontractuele aansprakelijkheid betreft, hebben de Franse autoriteiten in hun brief van 13 januari 2010 echter gesteld dat zowel privaatrechtelijke vennootschappen als overheidsinstellingen in Frankrijk aan het gemene recht zijn onderworpen (artikel 1382 van het burgerlijk wetboek betreffende met name de regeling aangaande aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (203). Zij hebben hieraan toegevoegd dat de activiteiten van het IFP bijzondere kenmerken vertoonden vanwege het gebruik van laboratoriumgereedschap en van brandbaar, explosief dan wel giftig materiaal, die een aanzienlijk „industrieel” risico inhouden (204), in de betekenis die verzekeraars hier meestal aan geven. Het IFP heeft daarom verschillende verzekeringscontracten afgesloten om niet alleen de klassieke risico's te dekken (wettelijke aansprakelijkheid) maar ook specifieke risico's, zoals risico's met ioniserende bronnen of risico's met machinebreuk bij putranden. Wat betreft de dekking van zijn wettelijke aansprakelijkheid, zijn in het verzekeringscontract van het IFP vier risico's gedekt: de wettelijke aansprakelijkheid inzake exploitatie, de wettelijke aansprakelijkheid na levering, de wettelijke beroepsaansprakelijkheid en aantastingen van het milieu. |
|
(218) |
Uit het voorgaande blijkt dat het IFP zich op geen enkele wijze heeft onttrokken aan zijn buitencontractuele aansprakelijkheid jegens de Staat door het risico te nemen om in geval van schade een beroep te doen op de garantie die het uit hoofde van zijn EPIC-rechtsvorm geniet, maar dat het daarentegen op de markt de verzekeringscontracten ter dekking van dit risico heeft afgesloten. |
|
(219) |
Wat de contractuele aansprakelijkheid betreft, blijkt uit de informatie die de Franse autoriteiten in reactie op de opmerkingen van UOP Limited hebben gegeven – in het bijzonder de informatie die in overweging 91 is weergegeven – dat, wat de levering van diensten betreft, de aansprakelijkheid van het IFP ten opzichte van zijn klanten (of het nu om zijn eigen dochterondernemingen of om derden gaat) „beperkt blijft tot […] (*)% van de daadwerkelijk ontvangen vergoeding, met een plafond dat in voorkomend geval tot […] (*)% kan reiken”, zodat het IFP in geen geval kan worden gedwongen het werk onbeperkt over te doen indien een klant meent dat het een ondeugdelijke prestatie heeft geleverd. Daarnaast neemt de Commissie nota van de opmerking van de Franse autoriteiten dat een contractpartij op grond van het beginsel van niet-cumuleerbaarheid van de aansprakelijkheid zich niet kan beroepen op buitencontractuele aansprakelijkheid om een vergoeding te verkrijgen voor geleden schade als gevolg van een contractuele relatie (205). |
|
(220) |
Gezien de staatsgarantie voor het IFP blijven klanten er echter van verzekerd dat het IFP nooit in een situatie van gerechtelijke liquidatie zal komen te verkeren en dus altijd aan zijn contractuele verplichtingen zal kunnen voldoen. In het theoretische geval dat dit niet gebeurt, zijn klanten verzekerd van een vergoeding. |
|
(221) |
Op grond van haar redenering in de overwegingen 204 en volgende ten aanzien van de betrekkingen met leveranciers, is de Commissie van mening dat bij het ontbreken van een staatsgarantie, een klant die dezelfde bescherming wenst, geneigd zal zijn om bij een financiële tussenpersoon (een bancaire instelling of bijvoorbeeld een verzekeringsmaatschappij) een uitvoeringsgarantie (in het Engels, een „performance bond” genoemd) te verkrijgen, om zich te verzekeren van de afwikkeling van het contract dat hem aan het IFP bindt. Het doel van een dergelijke bescherming is om de klant een financiële vergoeding te garanderen in geval van schade wegens volledige of gedeeltelijke contractbreuk. |
|
(222) |
Op dit punt neemt de Commissie er nota van dat Frankrijk, zij het met enig voorbehoud, erkent – zoals vermeld in overweging 66 – dat „het enige vermeende effect dat voor het IFP zou kunnen worden vastgesteld, zou bestaan uit een lastenverlichting door het ontbreken van uitvoeringsgaranties”. De Franse autoriteiten concluderen aldus, zonder dit verder te preciseren, dat op grond van „bedragen die gewoonlijk worden bedongen door banken en verzekeringsmaatschappijen om dit soort dienst te leveren, blijkt dat het resultaat van een dergelijke verlichting een verwaarloosbaar bedrag vertegenwoordigt”. |
|
(223) |
De Commissie wijst er in de eerste plaats op dat tal van factoren van invloed zijn op de berekening van de kosten van een uitvoeringsgarantie, waaronder het soort contract en het bedrag waarvoor de dekking geldt, het personeelsbestand, de financiële situatie, het risico van wanbetaling en de schadelast van de onderneming waarvan de prestaties zijn gedekt, alsmede andere, puur financiële factoren, zoals de honoraria of de commissies van tussenpersonen. Op grond van vrij beschikbare informatie (206) meent de Commissie dat dit bedrag gewoonlijk varieert tussen 1 % en 5 % van de gegarandeerde omzet. |
|
(224) |
Het tarief dat gespecialiseerde tussenpersonen voor deze dekking hanteren, berust op statistische technieken, eventueel verfijnd naar risicosoort, zodanig dat het niet mogelijk is om a priori een forfaitair percentage voor een uitvoeringsgarantie vast te stellen. De uiteindelijke prijs hangt uiteindelijk af van het geschatte bedrag aan mogelijke verliezen en van de kans dat deze worden geleden. Terwijl er in bepaalde sectoren een „opleveringscontract” kan worden voorgesteld (bijvoorbeeld in de civiele techniek, overheidsgebouwen en open? werken of internationale handel), lijkt een inspanningsverplichting het maximaal haalbare als het gaat om contractonderzoek (O&O is van nature een riskant terrein). De afnemer van het onderzoek heeft daarbij geen enkele zekerheid of de resultaten van deze prestaties exploiteerbaar zullen zijn. De Commissie merkt in dit verband op dat het bedrag dat de klanten van het IFP (dochterondernemingen inbegrepen) contractueel is gegarandeerd, beperkt blijft tot éénmaal de prijs van de verrichte onderzoekswerkzaamheden. |
|
(225) |
Wat betreft de door het IFP verrichte onderzoekswerkzaamheden, erkent de Commissie dat zij geen exacte schatting kan geven van het premiebedrag dat nodig is voor een inspanningsverplichting jegens de klanten (dochterondernemingen inbegrepen). In hun brief van 26 november 2010 hebben de Franse autoriteiten desgevraagd aangegeven dat zij evenmin over gegevens beschikten ten aanzien van de hoogte van de door de markt gevraagde premies om de specifieke O&O-risico's te dekken. De Commissie is echter van oordeel dat de door de markt verlangde premie ter dekking van een dergelijk risico (dat beperkt blijft tot de onderzoeksinspanningsverplichting en dus lager is dan het risico van de oplevering van een contract) logischerwijs lager moet zijn dan de gemaximaliseerde schattingen in overweging 223. De Commissie is tevens van oordeel dat het bedrag van maximaal 5 % van de omzet, gegenereerd door de gedekte verrichting, in elk geval hoger is dan de premie die nodig is voor de dekking van een dergelijk risico. |
|
(226) |
Wat betreft het bedrag van de economische activiteiten die door een dergelijke garantie kunnen worden gedekt, herinnert de Commissie eraan dat deze activiteiten in twee soorten zijn onder te verdelen: 1) infrastructuurverhuur, terbeschikkingstelling van onderzoekspersoneel en verlening van juridische diensten, alsmede contractonderzoek door het IFP (zowel voor rekening van derden als voor rekening van zijn dochterondernemingen), en 2) technologieoverdracht van het IFP aan zijn dochterondernemingen op het exclusieve werkterrein van Axens en Prosernat. Voor de activiteiten van het IFP op het exclusieve werkterrein van zijn dochteronderneming Beicip-Franlab (207) heeft de Commissie reeds vastgesteld dat zij volledig worden gefinancierd door de inkomsten die zijn vergaard op de adviesmarkt ten aanzien van de exploitatie van olievelden, en als opdrachtgever voor olie-exploitatiesoftware. De Commissie heeft in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 vastgesteld dat er geen sprake is van een overdracht van overheidsfinanciering van het IFP aan zijn dochteronderneming Beicip-Franlab, omdat de zakelijke betrekkingen tussen hen onder gewone marktvoorwaarden tot stand zijn gekomen. Aangezien de vergoedingen van Beicip-Franlab aan het IFP de kosten van de werkzaamheden van deze laatste op het exclusieve werkterrein van zijn dochteronderneming „ruim” dekken (208), kan de Commissie concluderen dat het berekende tarief dusdanig is dat een eventueel bijkomend effect van de staatsgarantie op de door het IFP gedragen onderzoekskosten hoe dan ook reeds ten laste van Beicip-Franlab zou komen. De dekking door de staatsgarantie van de zakelijke betrekkingen tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij is hier dus niet van dien aard dat er sprake is van een concurrentievoordeel met betrekking tot de activiteiten van het IFP op het exclusieve onderzoeksterrein van zijn dochteronderneming Beicip-Franlab. Derhalve vormt de eventuele dekking door de staatsgarantie geen staatssteun op grond van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(227) |
Wat betreft de activiteiten van het eerste soort die het IFP zowel voor rekening van derden als van zijn dochterondernemingen verricht, hebben de Franse autoriteiten in hun brief van 26 november 2010 de Commissie in kennis gesteld van het bedrag aan economische activiteiten die het IFP tussen 2006 en 2009 heeft verricht. Uit deze informatie blijkt dat het jaarlijkse gemiddelde bedrag van de onderzoeksprestaties die op deze periode betrekking heeft, in de orde van […] (*) EUR is, waarvan […] (*) EUR voor rekening van derden, en […] (*) EUR voor rekening van dochterondernemingen. |
|
(228) |
Voor dezelfde periode hebben de Franse autoriteiten voorts de gegevens verschaft betreffende de administratieve diensten die het IFP voor zijn dochterondernemingen heeft verricht. Uit deze informatie blijkt dat het jaarlijkse bedrag dat het IFP aan zijn dochterondernemingen heeft doorberekend, sinds 2006, in de orde is van […] (*) EUR voor gedetacheerd personeel en van […] (*) EUR voor verblijfkosten (209). |
|
(229) |
Wat de activiteiten van het tweede soort betreft, te weten de activiteiten inzake technologieoverdracht van het IFP aan zijn dochterondernemingen op het exclusieve werkterrein van Axens en Prosernat, moet er eerst op worden gewezen dat de bedragen voor de activiteiten van 2006 al in de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 zijn vermeld:
|
|
(230) |
Wat de volgende jaren betreft, is Frankrijk, overeenkomstig artikel 5, lid 1, van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, verplicht om tot de datum waarop de exclusieve overeenkomsten verstrijken „jaarlijks een uitvoerig verslag bij de Commissie in te dienen van de door IFP op de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat uitgevoerde projecten”. Aan de hand van de gegevens in deze verslagen kan een precieze berekening worden gemaakt van het jaarlijkse bedrag aan onderzoeksactiviteiten van het IFP voor rekening van en op het exclusieve werkterrein van zijn dochterondernemingen. |
|
(231) |
Frankrijk heeft de Commissie tot op heden de jaarverslagen 2007, 2008 en 2009 gestuurd. De voor de verwerking van boekhoudkundige gegevens noodzakelijke termijn in aanmerking genomen, wordt het verslag voor 2010 in de loop van 2011 ingediend. |
|
(232) |
Op de exclusieve werkterreinen van Axens worden deze activiteiten voor de jaren 2007-2009 samengevat in Tabel 3 in deze overweging. Tabel 3 Activiteiten van lFP op de exclusieve werkterreinen van Axens tussen 2007 en 2009
|
||||||||||||||||||||
|
(233) |
De onderzoeksprestaties van het IFP op het exclusieve werkterrein van Axens hebben dus een economische activiteit gegenereerd van […] (*) EUR in 2007, […] (*) EUR in 2008, en […] (*) EUR in 2009, wat vergelijkbaar is met wat de Commissie voor het jaar 2006 in de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 heeft vastgesteld ([…] (*) EUR). |
|
(234) |
Op de exclusieve werkterreinen van Prosernat zijn de economische activiteiten in 2007-2009 in Tabel 4 in deze overweging samengevat. Tabel 4 Activiteiten van het IFP op de exclusieve werkterreinen van Prosernat tussen 2007 en 2009
|
||||||||||||||||||||
|
(235) |
De onderzoeksprestaties van het IFP op het exclusieve werkterrein van Prosernat hebben dus een economische activiteit gegenereerd van […] (*) EUR in 2007, […] (*) EUR in 2008, en […] (*) EUR in 2009, wat vergelijkbaar is met wat de Commissie voor het jaar 2006 in de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 heeft vastgesteld ([…] (*) EUR). |
|
(236) |
Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat het IFP bij de uitoefening van zijn economische activiteiten een reëel economisch voordeel heeft genoten, aangezien het geen premie hoefde te betalen voor een uitvoeringsgarantie of ten minste voor een inspanningsverplichting, die het zijn klanten voor zijn onderzoeksactiviteiten heeft kunnen aanbieden, waaronder zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat op hun exclusieve werkterreinen. Zonder het precieze bedrag van dit voordeel te kunnen vaststellen, en met inachtneming van de specificiteit van het gedekte risico, is de Commissie van oordeel dat het hoe dan ook – per verrichting, per jaar – de bedragen kan overstijgen die zijn opgenomen in Tabel 5 in deze overweging: Tabel 5 Bovengrenzen van het economisch voordeel van het IFP in zijn betrekkingen met klanten vanwege de onbeperkte staatsgarantie (2006-2009)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(237) |
Hoe dan ook kunnen de Franse autoriteiten nog altijd een preciezere methode aanmelden ter berekening van het voordeel dat het overheidsbedrijf uit de garantie put in zijn betrekkingen met leveranciers. In voorkomend geval zou de Commissie een positief besluit kunnen vaststellen ten aanzien van deze methode, die gebaseerd is op een economisch deskundigenrapport dat op tegenspraak werd besproken in het kader van het onderzoek. Frankrijk zou er gebruik van kunnen maken om tegemoet te komen aan de plicht tot informatieverstrekking die in het dispositief van dit besluit is gespecificeerd. |
|
(238) |
De Commissie merkt tot besluit op dat een dergelijk voordeel ten aanzien van de betrekkingen van het IFP met zijn leveranciers selectief is, aangezien de garantie voor concurrenten, die onderworpen blijven aan gemeenrechtelijke sanerings- en liquidatieprocedures, niet te vergelijken is met de door de Staat afgegeven garantie die onlosmakelijk is verbonden met de rechtsvorm die het IFP bezit. |
7.1.4.2 Op de privaatrechtelijke dochterondernemingen van de IFP-groep overgegane voordelen
|
(239) |
Wat de dochterondernemingen van het IFP betreft, heeft de Commissie in het besluit tot inleiding van de procedure aangegeven niet te kunnen uitsluiten dat in het stadium van het vooronderzoek, „elk voordeel dat zou voortvloeien uit de EPIC-rechtsvorm van het IFP, waaronder de mogelijkheid om voordeliger te lenen, ook in het voordeel kan zijn van de drie dochterondernemingen” (212). |
|
(240) |
Om redenen die in deel 7.1.1.2 zijn weergegeven en omdat een algemene aansprakelijkheid van een aandeelhouder vanwege zijn dochterondernemingen in het Franse recht ontbreekt, is er na afronding van dit uitgebreide onderzoek geen reden aan te nemen dat het IFP – en dus ook de Franse Staat – aansprakelijk kunnen zijn voor de voldoening van schuldvorderingen van derden met betrekking tot de economische activiteiten van Axens en Prosernat, mochten deze ondernemingen aan een procedure van gerechtelijke liquidatie worden onderworpen. |
|
(241) |
Niettemin zij opgemerkt dat de Commissie hoewel zij in voornoemd besluit betreffende steunmaatregel N 531/2005 heeft gesteld – zoals ook in overweging 177 van dit besluit in herinnering is gebracht – dat La Banque Postale onderworpen blijft aan het gemene recht inzake sanering en gerechtelijke liquidatie en dus zelf geen onbeperkte staatsgarantie kan genieten, zich evengoed over de vraag heeft gebogen of de effecten van een overheidsgarantie die de enige aandeelhouder van een dochteronderneming geniet, naar haar kunnen worden overgedragen (213). |
|
(242) |
Preciezer: de Commissie was tot de opvatting gekomen (214) dat de functionele organisatiestructuur van de groep geleid had tot vage scheidslijnen tussen de aandeelhouder (La Poste) en de dochteronderneming (La Banque Postale), vanwege het gecombineerde effect van i) het gebruik door de dochteronderneming van menselijke en materiële hulpbronnen haar ter beschikking gesteld door haar moedermaatschappij, en ii) de vergoeding voor deze hulpbronnen op basis van door de moedermaatschappij gedragen kosten, zodat bij een economisch voordeel dat zou leiden tot een daling van de kosten van La Poste, de vergoeding van La Banque Postale aan haar moedermaatschappij evenredig zou zijn verminderd, waardoor op zijn minst sprake is van een gedeeltelijk overgaan van een economisch voordeel op de dochteronderneming. |
|
(243) |
Evenzo heeft de Commissie in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 geoordeeld dat er sprake was van een zekere poreusheid, met name in de keuze van de door het IFP gehanteerde tarieven voor de aan Axens en Prosernat geleverde prestaties op hun exclusieve werkterrein, waardoor de zakelijke betrekkingen in de groep niet onderhorig zouden zijn aan de logica van de markt, maar daarentegen de mogelijkheid in zich zouden bergen van een kruissubsidiëring van de economische activiteiten van de dochterondernemingen met overheidsgeld dat de moedermaatschappij ter beschikking was gesteld. Zoals in overweging 226 in herinnering is gebracht, heeft de Commissie geconcludeerd dat de betrekkingen tussen het IFP en zijn dochteronderneming Beicip-Prosernat (*5) onder gewone marktvoorwaarden tot stand zijn gekomen. |
|
(244) |
In voornoemde zaak betreffende La Banque Postale oordeelde de Commissie dat de Franse autoriteiten de verplichting moesten aangaan een mechanisme in te stellen waarmee de mogelijk bij de moedermaatschappij aanwezige voordelen op het niveau van de dochterondernemingen kon worden geneutraliseerd. Wat de financieringsvoorwaarden betreft, bestond deze verplichting eruit om, „bij elke transactie schriftelijk in de financieringsovereenkomst (voor elk onder een overeenkomst vallend instrument) te laten opnemen dat overeenkomstig het Franse recht (met name de noodzaak van uitdrukkelijke toestemming van de wetgever voor elke garantie), op deze financiering geen enkele directe of indirecte staatgarantie, van welke aard dan ook, van toepassing zal zijn. Deze contractuele bepaling moet met de uitgifteprospectus van elke transactie openbaar worden gemaakt.” (215) |
|
(245) |
Wat de leningsvoorwaarden voor de dochterondernemingen van het IFP (Axens, Beicip-Franlab, Prosernat) betreft, hebben de Franse autoriteiten zich er in dit geval toe verbonden om schriftelijk bij elke transactie in het financieringscontract te laten opnemen (voor elk onder een contract vallend instrument), dat „overeenkomstig het Franse recht (met name de noodzaak van uitdrukkelijke toestemming van de wetgever voor elke garantie) op de onderhavige financieringstransactie geen enkele directe of indirecte staatgarantie, van welke aard dan ook, van toepassing zal zijn”. |
|
(246) |
Wat betreft het gebruik door de dochterondernemingen van menselijke hulpbronnen en materiaal die door hun moedermaatschappij ter beschikking zijn gesteld, geldt dat – zoals de Commissie in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 heeft opgemerkt – „zou er inderdaad sprake zijn van steun voor economische activiteiten, dan zou dit volgens de Commissie tot uiting moeten komen in het niveau van de vergoedingen die door de dochterondernemingen aan de moedermaatschappij zijn betaald, en die in de rekeningen van het IFP zijn opgenomen” (216). Maar in het onderzoek van de boekhouding van het IFP zijn de enige kostenaspecten die nog niet voor 2006 in haar voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 door de Commissie in aanmerking zijn genomen en voor de jaren daarop in de door de Franse autoriteiten ingediende jaarlijkse verslagen, de aspecten die verband houden met de dekking, op grond van de onbeperkte staatsgarantie, van de door het IFP geleverde prestaties ten behoeve van zijn dochterondernemingen. Aangezien de premie voor een uitvoeringsgarantie of ten minste een inspanningsverplichting niet door de Staat is betaald, kon zij evenmin worden verrekend in de voor de dochterondernemingen verrichte diensten. |
|
(247) |
Er is daarom reden aan te nemen dat het economische voordeel dat bij de overheidsinstelling is ontstaan vanwege de aan zijn rechtsvorm verbonden garantie, is overgegaan op zijn privaatrechtelijke dochterondernemingen Axens en Prosernat. |
|
(248) |
De Franse autoriteiten hebben het bestaan bevestigd van contracten die het IFP en zijn dochterondernemingen Axens, Prosernat en Beicip-Franlab met hun gemeenschappelijke leveranciers hebben ondertekend. Hiervan is melding gemaakt door de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure en door UOP Limited in haar opmerkingen (zoals aangegeven in overweging 73). Volgens de Franse autoriteiten hebben deze contracten echter alleen betrekking op het dienstreizen (per lucht en spoor) van het personeel van de diverse entiteiten. De Commissie is van oordeel dat als de dochterondernemingen voordeel hebben kunnen putten uit gunstigere inkoopvoorwaarden voor de IFP-groep, wat voor deze voorzieningen niet vaststaat, dit eerder zou zijn vanwege volumekortingen die eventueel door deze leveranciers bij groepsaankopen werden aangeboden, dan vanwege een mogelijk garantie-effect. Maar zelfs indien ervan uit wordt gegaan dat de analyse in deel 7.1.4.1 B ook van toepassing kan zijn op de dochterondernemingen wat betreft de samen met IFP ingekochte voorzieningen, en dat ook zij worden begunstigd door het feit dat het IFP vanwege de garantie minder hoeft te betalen voor deze prestaties, dan nog zouden de bedragen in kwestie dermate verwaarloosbaar zijn dat de Commissie twijfelt of hier van een werkelijk economisch voordeel kan worden gesproken. |
|
(249) |
Overeenkomstig de conclusies van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 zijn daarom [bijdragen van het IFP] aan activiteiten op de werkterreinen van Axens en Prosernat” (217) de enige activiteiten waarmee voordeel kan worden geput uit de dekking van de aan de moedermaatschappij verleende staatsgarantie voor de onderzoeksprestaties op de exclusieve werkterreinen van de dochterondernemingen. Wat de voordelen betreft die op Axens en Prosernat zijn overgegaan, is de Commissie weliswaar niet in staat te achterhalen hoeveel deze precies bedragen, maar is zij van oordeel dat ze door de specifieke aard van het gedekte risico in elk geval – per prestatie en per jaar – niet zullen uitkomen boven de bedragen die in Tabel 5 in overweging 236 worden vermeld. |
|
(250) |
De Commissie is van oordeel dat een dergelijk door het IFP aan zijn privaatrechtelijke dochters Axens en Prosernat overgedragen voordeel selectief is, aangezien concurrenten niet onder zulke gunstige omstandigheden toegang hebben tot de technologie, de menselijke hulpbronnen en het materieel van het IFP. |
7.1.5 VERVALSING VAN DE MEDEDINGING EN ONGUNSTIGE BEÏNVLOEDING VAN HET HANDELSVERKEER
|
(251) |
De onderzochte maatregel kan leiden tot een vermindering van de exploitatiekosten van het IFP voor de prestaties die het aan derden levert (contractonderzoek), en tot een vermindering van de exploitatiekosten van Axens en Prosernat voor de prestaties die zij van hun moedermaatschappij toegewezen krijgen (onderzoek op hun exclusieve werkterrein, contractonderzoek, terbeschikkingstelling van personeel en materiaal, verrichting van administratieve diensten), wat een bevoordeling van de IFP-groep en dus een vervalsing van de mededinging in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, tot gevolg heeft. |
|
(252) |
De markten waarop de IFP-groep actief is – in het bijzonder die van het contractonderzoek wat het IFP betreft, die van de katalysatoren en technologie voor de raffinage- en petrochemische industrie wat de dochteronderneming Axens betreft, en die van studies, diensten en volledige installaties op het gebied van gasbehandeling en zwavelterugwinning wat de dochteronderneming Prosernat betreft – staan in ruime mate open voor het handelsverkeer in de Europese Unie. Een dergelijke maatregel kan dus ongunstige gevolgen hebben voor concurrerende ondernemingen die gelijksoortige economische activiteiten op de betrokken markten ontplooien of voornemens zijn dit te doen. |
|
(253) |
Onder deze omstandigheden kan het bestaan van een onbeperkte staatsgarantie ten gunste van het IFP de mededinging vervalsen en het handelsverkeer ongunstig beïnvloeden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
7.1.6 CONCLUSIE MET BETREKKING TOT STEUNKARAKTER VAN DE MAATREGEL
|
(254) |
De staatsgarantie die het IFP dankzij zijn rechtsvorm van overheidsinstelling geniet, leidt dus tot een aan de Staat toe te rekenen overdracht van staatsmiddelen en vervalst de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten of dreigt deze te vervalsen door begunstiging van de IFP-groep. |
|
(255) |
De Commissie concludeert dat deze garantie staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
7.2 ONRECHTMATIGHEID VAN DE STEUNMAATREGEL
|
(256) |
Vóór zijn omzetting van rechtsvorm was het IFP een privaatrechtelijke rechtspersoon: een brancheorganisatie in de zin van wet nr. 43-612 van 17 november 1943. Op grond hiervan viel het IFP onder gemeenrechtelijke procedures aangaande sanering en gerechtelijke liquidatie en genoot het geen staatgarantie op grond van een EPIC-rechtsvorm. |
|
(257) |
Bij decreet van 6 juli 2006, vastgesteld op grond van de programmawet nr. 2005-781 van 13 juli 2005, is het IFP op 7 juli 2006 een EPIC geworden. Deze omzetting van rechtsvorm ligt aan de basis van de onbeperkte staatsgarantie die het IFP is verleend. De maatregel in kwestie moet dus als nieuwe steun worden aangemerkt, in de zin van artikel 1, punt c), van de procedureverordening. |
|
(258) |
Overeenkomstig artikel 2, punt 1 van de procedureverordening zijn lidstaten verplicht om tijdig elke nieuwe steunmaatregel ter kennis te brengen. Aangezien de omzetting van rechtsvorm van het IFP niet formeel door Frankrijk is aangemeld, maar slechts toevalligerwijs in het kader van een andere procedure is gesignaleerd en de effectieve uitvoering van de maatregel niet afhankelijk is gesteld van de voorafgaande goedkeuring aan de Commissie, betekent de uitvoering door de Franse regering van de steunmaatregel in kwestie een schending van artikel 108, lid 3, VWEU. |
|
(259) |
Bijgevolg beschouwt de Commissie deze maatregel als onrechtmatige steun, in de zin van artikel 1, punt f), van de procedureverordening. |
7.3 VERENIGBAARHEID VAN DE STEUNMAATREGEL
7.3.1 STEUN OP HET GEBIED VAN CONTRACTONDERZOEK EN VAN DIENSTPRESTATIES DOOR HET IFP
|
(260) |
De dienstprestaties bestaan uit de verhuur van onderzoeksinfrastructuur, terbeschikkingstelling van personeel, en juridische dienstverlening (voor rekening van de dochterondernemingen). |
|
(261) |
Het contractonderzoek bestaat voor het IFP over het algemeen uit ondersteuning van een klant (een derde of een dochteronderneming (218) die onderzoek wil uitvoeren om een wetenschappelijk of technisch verschijnsel beter te begrijpen of te beheersen (219). Het verzoek kan meer of minder concreet zijn en het IFP meer of minder speelruimte laten – van een eenvoudige vervulling van een door de klant nauw omschreven bestek tot een volledig onderzoek met aanbevelingen. […] (*) Op grond van elk verzoek doet het IFP een technisch-commercieel voorstel, met contractuele uitvoeringsvoorwaarden, waarover dan met de klant wordt onderhandeld. De Franse autoriteiten hebben het contractonderzoek en de dienstprestaties door het IFP toegelicht voor zijn drie taakgebieden (CREP, CRRP, CRME). |
|
(262) |
Wat het Centre de Résultat Exploration-Production (CREP) betreft, gaat het om het valideren of verbeteren van de methodes, technologieën en software die door het onderzoekscentrum zijn ontwikkeld. Daarnaast stelt CREP voor enkele van deze activiteiten de industriële partners rekenapparatuur en algoritmen van het IFP ter beschikking of zeldzame deskundigheid die niet als onderdeel van een commerciële dienst door een private partij worden geleverd. Deze prestaties kunnen in de volgende categorieën worden onderverdeeld:
|
|
(263) |
Wat het Centre de Résultat Raffinage-Pétrochimie (CRRP) betreft heeft het contractonderzoek bijvoorbeeld bestaan uit hulp bij het tot stand brengen door een buitenlandse universiteit van activiteiten (224) die aansluiten op de specifieke competenties van het IFP op het gebied van katalysatoren, bij werkzaamheden betreffende de […] (*) (225) om verschijnselen van […] (*) te begrijpen, of om […] (*) te bestuderen (226). |
|
(264) |
Wat het Centre de Résultat Moteurs-Énergie (CRME) betreft, heeft het contractonderzoek, voor rekening van automobielproducenten, bijvoorbeeld bestaan uit […] (*) op basis […] (*), van een […] (*) en van een methode (227) van het IFP, en een studie […] (*) (228) voortkomend uit onderzoek van het IFP […] (*), of van tests van […] (*) inzake door het IFP ontwikkelde (229) […] (*). |
|
(265) |
Uit deze beschrijving blijkt dat het contractonderzoek dat het IFP voor rekening van derden verricht, hetzij betrekking heeft op technische haalbaarheidsstudies die aan onderzoeksactiviteiten voorafgaan, of op het verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden binnen de taakgebieden van het instituut, of op het gebruik van de kennis en de technologie die door het IFP zijn ontwikkeld om nieuwe producten, processen of diensten te ontwikkelen. |
|
(266) |
De Franse autoriteiten hebben het contractonderzoek en de diensten ten behoeve van derden van het IFP voor de periode 2004-2009 becijferd. Uit de verstrekte gegevens blijkt dat dit onderzoek jaarlijks ongeveer [0-5] (**)% van het totale budget van het IFP vertegenwoordigt (ofwel […] (*) EUR aan verrichtingen op een budget van ongeveer 300 miljoen EUR). Deze economische activiteit kan binnen de overheidsinstelling daarom als onbetekenend worden gekenschetst. |
7.3.1.1 Geval van een overdracht van staatssteun aan derden of aan de dochterondernemingen
|
(267) |
Wanneer een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk, overeenkomstig punt 3.1.2 van het O&O&I-kaderregeling, sporadisch economische activiteiten verricht, zoals verhuur van apparatuur, diensten voor ondernemingen of het uitvoeren van onderzoekscontracten, heeft de publieke financiering van deze economische activiteiten over het algemeen staatssteun tot gevolg. Indien echter kan worden aangetoond dat de overheidsfinanciering in haar geheel naar de eindbegunstigde is overgedragen en dat de tussenpersoon er geen enkel voordeel uit heeft geput, kan het oordeel luiden dat deze geen staatssteun heeft genoten. |
|
(268) |
Aangezien in dit geval de onderzoeksorganisatie (het IFP) contractonderzoek verricht terwijl deze een onbeperkte overheidsgarantie geniet, moet dit als staatssteun wroden beschouwd tenzij kan worden aangetoond dat de staatssteun, door de verkoopprijs van deze prestaties, volledig aan de klanten kon worden overgedragen. |
|
(269) |
Het contractonderzoek van het IFP wordt verrekend op basis van de totale kosten (230), plus een marge die afhangt van de uitkomst van de onderhandelingen met de klant, zoals beschreven in overweging 261. Dat neemt niet weg dat het enige kostenaspect dat niet door de overheidsinstelling in aanmerking lijkt te zijn genomen, precies overeenkomt met de premie van de uitvoeringsgarantie (of de inspanningsverplichting) van het IFP. |
|
(270) |
Wat het door het IFP voor rekening van zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat verrichte contractonderzoek betreft, is de Commissie van oordeel dat het uit de garantie resulterende economische voordeel hetzij bij het IFP berust en in voorkomend geval voor andere doelen kan worden aangewend, hetzij – de bijzondere banden met hun moedermaatschappij in aanmerking genomen – door middel van verrekening wordt overgedragen aan de dochterondernemingen:
|
|
(271) |
Indien, wat derde klanten betreft, evenzo kan worden vastgesteld dat een bedrag dat met deze bijkomende kosten overeenkomt door de toegepaste verrekening stelselmatig aan derden is overgedragen, dan zou een nauwkeurig onderzoek van de overgedragen steun zeer waarschijnlijk aan het licht brengen dat het om de-minimisbedragen (231). Er blijkt immers uit de door de Franse autoriteiten verschafte informatie dat het merendeel van de gefactureerde prestaties minder […] (*) EUR aan omzet (ofwel een maximaal bedrag te dekken van het wanbetalingsrisico van […] (*) EUR) genereren, aangezien het grootste contract niet meer bedraagt dan […] (*) EUR (ofwel een maximaal bedrag te dekken wanbetalingsrisico van […] (*) EUR). |
|
(272) |
Er kan echter niet worden uitgesloten dat de winstmargestrategie van het IFP een volledige overdracht aan de klant van het bedrag aan staatssteun voor contractonderzoek soms in de weg heeft gestaan. In een dergelijk geval moet de niet-betaling van de garantiepremie aan de Staat ter dekking van de overeenkomsten voor contractonderzoek ten behoeve van derden, worden beschouwd als een aanvullende overheidsfinanciering ten behoeve van de overheidsinstelling. |
|
(273) |
De desbetreffende overheidsgelden zouden dan op drie manieren kunnen worden gebruikt:
|
7.3.1.2 Verenigbaarheid van een aan een onderzoeksorganisatie toegekende staatsgarantie voor contractonderzoek en bijkomende dienstprestaties ten behoeve van haar hoofdactiviteit van zelfstandig openbaar onderzoek
|
(274) |
Alvorens de bijzonderheden van deze zaak te onderzoeken, wil de Commissie het in haar beschikkingspraktijk ingenomen beginselstandpunt bevestigen dat een onbeperkte staatsgarantie ter dekking van economische activiteiten altijd onverenigbare staatssteun vormt (232). In het algemeen is de Commissie van oordeel dat onbeperkte garanties in een economische sector die open staat voor concurrentie, onverenigbaar zijn met het VWEU, met name omdat een dergelijke garantie de Staat aansprakelijk maakt voor alle risico's van een economische activiteit zonder dat de begunstigde onderneming de kosten van deze dekking draagt, en er een moreel risico ontstaat: de van elke faillissementsdreiging gevrijwaarde, begunstigde onderneming wordt ertoe aangezet meer risico's te nemen dan wanneer zij de negatieve gevolgen van haar optreden geheel zelf zou dragen. Op grond van het evenredigheidsbeginsel kunnen dergelijke onbeperkte garanties meestal niet worden gerechtvaardigd door opdrachten van algemeen economisch belang, aangezien het bij een onbeperkte staatsgarantie onmogelijk blijkt te controleren of het bedrag van de steun niet hoger is dan de nettokosten van de openbaredienstverlening (233). |
|
(275) |
In het onderhavige geval zij er op gewezen dat de Franse wetgeving het IFP openbaredienstverplichtingen heeft opgelegd die bestaan uit een drievoudige opdracht van onderzoek, opleiding en documentatie. Anders dan diensten van algemeen economisch belang (234) vallen ze buiten het bestek van economische activiteiten in de zin van het recht van de Europese Unie. Met dekking door een statutaire overheidsgarantie van deze niet-economische activiteiten wordt dus op geen enkele wijze staatssteun verleend. Overigens zijn de activiteiten van het IFP hoofdzakelijk van niet-economische aard. Derhalve zal het effect van de garantie die het IFP uit hoofde van haar rechtscorm geniet, voornamelijk deze niet-economische activiteiten gelden, en slechts sporadisch nevenprestaties op het gebied van contractonderzoek en diensten. |
|
(276) |
Integendeel, wanneer met een dergelijke garantie de economische activiteiten van de onderzoeksorganisaties worden gedekt, bijvoorbeeld contractonderzoek of dienstprestaties zonder dat daarvoor marktprijzen worden berekend, wordt de onderzoeksorganisatie daarmee staatssteun toegekend die, zoals hierboven is uitgelegd, hetzij bovenop de overheidsfinanciering komt van haar niet-economische activiteiten van algemeen belang (onafhankelijk openbaar onderzoek), hetzij bovenop de financiering komt van haar andere economische activiteiten op het gebied van contractonderzoek en dienstprestaties, hetzij, ten laatste, bovenop de financiering van technologieoverdrachten aan Axens en Prosernat (235). |
|
(277) |
In de eerste twee gevallen moet echter worden vastgesteld dat ondanks de a priori onbeperkte aard van de staatsgarantie, het bij uitzondering mogelijk is om a posteriori, voor de jaren 2006-2009, een bovengrens te schatten van het bruto-subsidie-equivalent van de effecten van deze garantie (de niet aan de Staat betaalde risicopremie) die (voor zover deze bij het IFP behouden is gebleven) bovenop de reeds door de Staat aan het IFP uitgekeerde overheidsmiddelen is gekomen, ter dekking van de nettokosten van zijn onafhankelijke openbare contractonderzoek of dienstprestaties. |
|
(278) |
De Commissie wijst er in dit verband met nadruk op dat het contractonderzoek en de door de staatsgarantie gedekte dienstprestaties zich beperken tot „nevenactiviteiten” ten opzichte van de hoofdactiviteit van onafhankelijk openbaar onderzoek, ofwel economische activiteiten die:
|
|
(279) |
Deze nevenactiviteiten kunnen bestaan uit de uitvoering van onderzoekscontracten, deskundigenonderzoeken of technische dan wel wetenschappelijke consultancy, waarbij in voorkomend geval infrastructuur, apparatuur en materiaal of sterk innovatieve technologieën worden ingezet, gefinancierd of ontwikkelt in het kader van de onafhankelijke openbare onderzoekswerkzaamheden waarvoor ze ook noodzakelijk zijn en waarvan er geen of weinig andere in de wereld zijn (236), buiten de door een of meer vergelijkbare onderzoeksorganisaties aangeboden prestaties, waarvan het gebruik de deskundigheid en vaardigheden vereist van onderzoekers, wetenschappers, ingenieurs, vormgevers en technici die hoofdzakelijk in dienst zijn van de onderzoeksorganisatie om bij te dragen aan haar zelfstandige publieke onderzoekswerkzaamheden. |
|
(280) |
Dankzij deze prestaties kan bovendien de wetenschappelijke kennis tussen het publiek onderzoek en industrie worden gedeeld, door klantenondernemingen toegang te bieden tot experimentele middelen, tot technologieën en tot de knowhow van het personeel van het IFP en door het IFP de mogelijkheid te bieden zijn vertrouwde werkzaamheden met concrete ervaringen te verrijken en aldus zijn zelfstandige publieke onderzoeksactiviteiten te verbeteren. Met deze kruisbestuiving op het gebied van wetenschappelijke kennis kunnen alle betrokken partijen en de Europese Unie als geheel hun voordeel doen. |
|
(281) |
Zoals in overweging 266 is aangegeven, vertegenwoordigden het contractonderzoek en de diensten in de periode tussen 2004 en 2009 slechts [0-5] (**)% van de totale begroting van het IFP, een buitengewoon beperkt aandeel. |
|
(282) |
Voorts liggen de voor elke klant berekende bedragen voor de prestaties meestal lager dan […] (*) EUR aan omzet, waardoor het maximaal geschatte bedrag aan steun meestal te verwaarlozen is, want in de grootte van […] (*) EUR per contract. De Commissie meent daarom dat deze steun in verhouding staat tot de doelstelling van gemeenschappelijke belang om wetenschappelijke kennis in de Europese Unie te verspreiden. |
|
(283) |
De Commissie is van mening dat de dekking door de staatsgarantie de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig kan veranderen dat het belang van de Unie wordt geschaad in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, mits deze nevenactiviteiten slechts een zeer klein deel blijven uitmaken van de budgetten die bestemd zijn voor de voornaamste onderzoeksopdracht van het IFP, en in aanmerking genomen dat deze activiteiten in objectieve termen van gemeenschappelijk belang een positief effect hebben. |
|
(284) |
In het kader van de jaarlijks met betrekking tot de maatregel in kwestie in te dienen verslagen, is het aan de Franse autoriteiten om het bewijs te leveren dat aan deze voorwaarde ook in de toekomst wordt voldaan. Twijfels over de aard van de nevenactiviteiten van het contractonderzoek en de diensten, dienen de Commissie uiteraard onmiddellijk ter kennis te worden gebracht. In voorkomend geval dienen eventuele steunmaatregelen te worden gemeld, waarbij rekening wordt gehouden met het effect van de staatsgarantie. |
|
(285) |
In dat verband neemt de Commissie ook nota van het voorstel van de Franse autoriteiten om in elk contract waarin economische activiteiten van het IFP - en dus ook zijn contractuele onderzoeksactiviteiten en dienstprestaties - worden gespecificeerd, een clausule van niet-aansprakelijkheid van de Staat in te voegen, zodat er in voorkomend geval sprake zal zijn van vrijwillig aanvaard risico, en eventuele negatieve gevolgen van de garantie aanzienlijk worden beperkt. |
7.3.2 STEUN AAN DE IFP-GROEP OP DE EXCLUSIEVE WERKTERREINEN VAN AXENS EN PROSERNAT
7.3.2.1 Grondslag voor het onderzoek naar de verenigbaarheid van de steun
|
(286) |
Aangezien het een steunmaatregel betreft ten behoeve van O&O-werkzaamheden door het IFP, zijn de regels om deze op zijn verenigbaarheid te onderzoeken de regels betreffende staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. |
|
(287) |
Aangezien de rechtsvorm van het IFP op 7 juli 2006 werd gewijzigd, moet de onbeperkte staatsgarantie in kwestie zijn verleend vóór 1 januari 2007, de datum waarop het O&O&I-steunkader in werking trad. Wat het onderzoek naar de verenigbaarheid van deze maatregel betreft zal de Commissie, overeenkomstig haar mededeling betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (237), deze niet - aangemelde steun ook toetsen aan de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie van 1996, aangezien deze van kracht was toen de steun werd verleend. |
|
(288) |
Aangezien de dekking van de economische activiteiten van het IFP door de onbeperkte staatsgarantie die het vanwege zijn EPIC-rechtsvorm is verleend, niet in de tijd is begrensd en het, zoals in overweging 277 is uiteengezet, bij uitzondering mogelijk is een schatting van het maximale effect van de garantie te kwantificeren, zal de Commissie echter ook de dekking door de onbeperkte staatsgarantie van de overheidsinstelling op de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat ook op haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt toetsen aan het O&O&I-steunkader, en zulks met ingang van 1 januari 2007, de dag dat dit steunkader in werking trad. In ieder geval blijven de conclusies van het onderzoek onveranderd, welke kaderregeling ook wordt gebruikt. |
7.3.2.2 Onderzoeksfasen
|
(289) |
In het kader van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 (238) heeft de Commissie geoordeeld dat de activiteiten die het IFP met zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat op hun exclusieve werkterreinen heeft verricht, inderdaad onder de definitie van O&O vallen, aangezien er voor elk project probleempunten werden vastgesteld met betrekking tot componenten, onderlinge betrekkingen en/of kenmerken van de doelprocessen of –producten. De werkzaamheden werden vooraf tot en met de goedkeuringsfase uitgevoerd door personeel dat voornamelijk bestond uit onderzoekers en technici, de methodes waren gebaseerd op experimenten, interpretatie en modellering. De resultaten van de projecten hadden een groot bereik en werden geoctrooieerd. De Commissie heeft ook geconstateerd dat soortgelijke activiteiten van andere partijen in de sector gewoonlijk werden geclassificeerd als onderzoeksactiviteiten (239). De analyse van de innovatieve aspecten van de onderzoeksactiviteiten werd uitgevoerd op basis van de internationaal erkende normen uit het Frascati-handboek (240). |
|
(290) |
Wat het jaar 2006 betreft, heeft de Commissie in voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 (241) onderzoek gedaan naar werkzaamheden die werden verricht in het kader van tussen het IFP en Axens, enerzijds, en het IFP en Prosernat, anderzijds, gesloten onderzoekscontracten. De Commissie heeft hieruit geconcludeerd dat deze werkzaamheden, enerzijds, bestonden uit industriële onderzoeksactiviteiten en, anderzijds, uit haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van industriële onderzoeksprojecten in de zin van de O&O-kaderregeling van 1996. Voor deze classificatie van onderzoeksactiviteiten werd uitgegaan van specifieke voorbeelden en toelichting uit het Frascati-handboek, en zulks voor elke onderzoeksactiviteit van het IFP en Axens, enerzijds, en van het IFP en Prosernat, anderzijds. |
|
(291) |
Daarnaast hebben de Franse autoriteiten, in het kader van de overeenkomstig voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 ingediende verslagen, de in 2007, 2008 en 2009 op de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat uitgevoerde projecten ondergebracht in de twee bovengenoemde categorieën, uit de O&O-kaderregeling van 1996 of, anders in de categorieën industriële onderzoeksactiviteiten in de zin van punt 2.2.f) en technische haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van industriële onderzoeksactiviteiten in de zin van punt 5.2 van het O&O&I-steunkader van 2006. Deze werkzaamheden betroffen het onderzoek naar nieuwe synthesemethoden of de verbetering daarvan, op een schaal die geen verband houdt met de industriële schaal. Zij beoogden de validering van concepten en vielen daarom onder industrieel onderzoek in de zin van de O&O-kaderregeling van 1996 en van het O&O&I-steunkader. De Commissie heeft samenvattende jaaroverzichten van elk project ontvangen, tezamen met de in het kader van voornoemde steunmaatregel C 51/2005 jaarlijks ingediende verslagen. |
|
(292) |
Voor de daaropvolgende jaren herinnert de Commissie eraan dat, overeenkomstig voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, Frankrijk verplicht is de Commissie jaarlijks een verslag in te dienen, met daarin nauwkeurige inlichtingen over de IFP-projecten, onderverdeeld naar onderzoekscategorie. |
7.3.2.3 In aanmerking komende kosten
|
(293) |
In het kader van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 (242) (voor 2006), en in de verslagen over 2007, 2008 en 2009 komen de kosten van de projecten die tot de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat behoren, overeen met de in aanmerking komende uitgaven, zoals omschreven in Bijlage II van de O&O-kaderregeling van 1996, en met de in aanmerking komende kosten in de zin van punt 5.1.4 van het O&O&I-steunkader. |
|
(294) |
Ter herinnering: de kosten van onderzoeksactiviteiten die het IFP Axens en Prosernat berekende, omvatten de kosten die rechtstreeks aan de projecten zijn toe te rekenen en hebben betrekking op toelevering, reiskosten, verzekeringen en documentatie, evenals op leveranties en klein materiaal. Ze omvatten ook andere kosten die de projecten zijn toe te rekenen, zoals uitgaven voor onderzoekspersoneel, de afschrijving van vaste materiële en immateriële activa en andere algemene kosten. Deze kosten vloeien rechtstreeks voort uit onderzoeksactiviteiten en worden aan de verschillende onderzoeksprojecten toegerekend in verhouding tot de tijd die het onderzoekspersoneel aan elk project besteedt. Overigens worden de kosten van de horizontale O&O-projecten waarbij gebruik wordt gemaakt van werkwijzen en apparatuur die ook bij andere O&O-projecten worden gebruikt, in verhouding tot de kosten van elk O&O-project toegerekend. |
|
(295) |
Deze kosten komen overeen met de volgende categorieën: kosten van advies- en soortgelijke diensten, personeelsuitgaven, kosten van apparatuur, uitrusting, gronden en gebouwen, evenals bijkomende algemene kosten en andere exploitatiekosten, overeenkomstig de categorieën van in aanmerking komende kosten van de O&O-kaderregeling van 1996 en het O&O&I-steunkader. |
|
(296) |
Voor de komende jaren moet ook deze informatie zijn opgenomen in de door de Franse autoriteiten in te dienen jaarlijkse verslagen. |
7.3.2.4 Steunintensiteit
|
(297) |
Uit de O&O-kaderregeling van 1996 blijkt dat de maximaal toegestane intensiteit 75 % bedraagt voor technische haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van industriële onderzoeksprojecten (punt 5.4) en 50 % voor industriële onderzoeksprojecten (punt 5.3). |
|
(298) |
Blijkens het O&O&I-steunkader mag de steunintensiteit, berekend op grond van de subsidiabele kosten van het project, niet hoger zijn dan 50 % voor industrieel onderzoek (punt 5.1.2 b) en 65 % voor onderzoek dat voorafgaat aan industriële onderzoeksactiviteiten bij grote bedrijven (punt 5.2. b). Er zij aan herinnerd dat de door de staatsgarantie gedekte activiteiten enkel betrekking hebben op industrieel onderzoek en technische haalbaarheidsonderzoeken van het IFP, aangezien de werkzaamheden op het gebied van preconcurrentiële ontwikkeling in de zin van de O&O-kaderregeling van 1996 (of van experimentele ontwikkeling in de zin van het O&O&I-steunkader) volledig met eigen middelen door Axens en Prosernat worden gefinancierd op basis van op de markten verkregen inkomsten. |
|
(299) |
De Commissie heeft tabel 6 bij overweging 300 opgesteld op basis van de projectoverzichten waarin de jaarlijkse kosten per project en per onderzoeksfase zijn opgenomen alsook op basis van het overzicht van de eigen middelen van het IFP. |
|
(300) |
Hierbij heeft de Commissie een conservatieve benadering gevolgd en alle kosten opgenomen die direct of indirect voortvloeien uit de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat, en alle andere inkomsten dan de door Axens en Prosernat betaalde vergoedingen buiten beschouwing gelaten (243). Voorzichtigheidshalve heeft de Commissie in deze tabel ook alle mogelijke gevolgen van de onbeperkte staatsgarantie opgenomen, in het – overigens weinig waarschijnlijke – geval dat zij alle door het IFP zouden zijn aangewend voor de financiering van onderzoeksactiviteiten op de exclusieve werkterreinen van Axens en van Prosernat (gevolgen van de garantie in de betrekkingen met de leveranciers en met de klanten; niet alleen de dochterondernemingen, maar ook derden). Tabel 6 Maximale schatting van het totale bedrag aan overheidsfinanciering van het lFP voor activiteiten op de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat tussen 2006 en 2009
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(301) |
Op basis van de jaarlijsten van projecten die tussen 2006 en 2009 werden uitgevoerd, heeft de Commissie per onderzoeksfase gecontroleerd of de toegestane intensiteiten in acht zijn genomen. Zij hield daarbij rekening met het maximaal mogelijke effect van de onbeperkte staatsgarantie die het IFP uit hoofde van zijn rechtsvorm geniet. De geschatte bovengrens van de dekkingspremies van de verschillende risico's werd als aanvullende steun opgenomen. In alle gevallen, zelfs indien alle eventuele effecten van de garantie in de betrekkingen met klanten en leveranciers worden meegerekend, blijft de bovengrens van de steunintensiteit duidelijk binnen de maximaal toegestane intensiteit. Samengevat is de Commissie van mening dat de door de O&O-kaderregeling van 1996 en het O&O&I-steunkader toegestane steunintensiteiten in acht zijn genomen. |
|
(302) |
Voor de daaropvolgende jaren herinnert de Commissie eraan dat, overeenkomstig voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, Frankrijk verplicht is jaarlijks een verslag in te dienen, zodat de Commissie kan nagaan of de steunintensiteiten per onderzoeksfase en per project eveneens in acht zijn genomen. Vanaf 2010 moeten in dit verslag alle projecten zijn opgenomen die op de werkterreinen van Axens en Prosernat worden uitgevoerd, ingedeeld per onderzoekscategorie, waarbij, naast de kosten per onderzoekfase, het bedrag aan overheidsfinanciering en de door het IFP en zijn dochterondernemingen uitgetrokken eigen middelen, de bovengrens van het garantiepremiebedrag wordt gespecificeerd, in een schatting volgens de in dit besluit beschreven methode, met inbegrip van de eventuele effecten op de leningsvoorwaarden van het IFP, overeenkomstig de in overweging 200 uiteengezette redenering. |
7.3.2.5 Cumulatie
|
(303) |
De bepalingen op het gebied van cumulatie, zoals aangegeven in punt 5.12 van de O&O-kaderregeling van 1996 of in punt 8 van het O&O&I-steunkader, worden in acht genomen. De Commissie heeft het totale bedrag aan overheidsfinanciering berekend, ongeacht van de herkomst ervan, met inbegrip van het maximale effect op de onbeperkte staatsgarantie voor de jaren 2006-2009. |
|
(304) |
Met ingang van 2010 zullen de Franse autoriteiten dezelfde methode toepassen in de jaarlijks bij de Commissie in te dienen verslagen. |
7.3.2.6 Stimulerend effect
|
(305) |
Uit hoofde van de O&O-kaderregeling van 1996 en van het O&O&I-steunkader, dienen de steunmaatregelen een stimulerend effect te hebben, namelijk bij de begunstigde een gedragsverandering teweeg brengen die hem ertoe zal brengen zijn O&O-(en innovatie-) activiteiten op te voeren. De volgende criteria zijn over het algemeen voldoende om aan te tonen dat er sprake is van een stimulerend effect bij projecten waarvoor steun onder de drempel voor een nader onderzoek blijft: toename van de omvang van het project, toename van de reikwijdte, toename van de projectsnelheid en toename van het bedrag dat met O&O&I is gemoeid. Indien kan worden aangetoond dat op ten minste een van deze onderdelen sprake is van een duidelijk effect, zal de Commissie over het algemeen oordelen dat het steunvoornemen een stimulerend effect heeft, het normale gedrag van een onderneming in de betrokken sector in aanmerking genomen (247). |
|
(306) |
De Commissie verwijst naar de in de overwegingen 196, 197 en 198 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 beschreven analyse betreffende het strategische belang, dat wordt begeleid en gevalideerd door technische comités, voor onderzoeken die het IFP en zijn dochterondernemingen hebben uitgevoerd op het gebied van de veiligstelling op de lange termijn van de energievoorziening, in het bijzonder wat betreft de vernieuwing en toename van de olie- en aardgasproductie, (een succesvollere exploratie en een verbetering van het terugwinningspercentage en van de exploitatie van onconventionele reserves), de ontwikkeling van raffinageprocessen, conversietechnologieën, de ontwikkeling van innoverende brandstoffen en efficiënte motortechnologieën, de diversificatie van energiebronnen voor brandstofproductie, waarvan een groot aantal tot de prioriteiten van de Europese Unie behoort wat betreft onderzoek, energie- en milieubeleid. |
|
(307) |
Wat het jaar 2006 betreft, wijst de Commissie nogmaals op haar analyse in overweging 199 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, waaruit naar voren komt dat het IFP en zijn dochterondernemingen dankzij de overheidssteun waarvan de staatsgarantie een onlosmakelijk onderdeel is, aanvullende onderzoeksactiviteiten hebben kunnen verrichten die anders, door de technologische risico's of het zeer onzekere rendement op de investeringen, niet mogelijk zouden zijn geweest. |
|
(308) |
De Commissie constateert op grond van de door de Franse autoriteiten jaarlijks ingediende verslagen dat deze ontwikkeling in 2007, 2008 en 2009 is doorgezet. In deze verslagen hebben de Franse autoriteiten per project het stimulerende effect van de steun aangegeven, met betrekking tot onder meer de reikwijdte en snelheid van het project en de toename van het totale aan O&O bestede bedrag. |
|
(309) |
Zo heeft de IFP-groep in 2007 op het exclusieve werkterrein van Axens onder meer proefprojecten uitgevoerd, […] (*) (248). […] (*). Zonder overheidssteun waren deze producten pas jaren later naar de markt gebracht: de O&O-projecten zouden later zijn gelanceerd en hun ontwikkeling zou trager zijn verlopen, en […] (*). |
|
(310) |
Daarnaast heeft de staatssteun op het exclusieve werkterrein van Prosernat de start van het project […] (*) betreffende […] (*), de ontwikkeling en octrooiering van oorspronkelijke processen van […] (*) (249) […] (*) mogelijk gemaakt. Voor [een dergelijk project] (**) waren delicate en ingewikkelde handelingen nodig die aanzienlijke menselijke, technische, en financiële investeringen vergden, investeringen die een onderneming als Prosernat niet alleen kan opbrengen. De door het IFP geboden overheidssteun was dus onontbeerlijk. Zo beschikte alleen het IFP over speciale teams die de modellen konden uitwerken die nodig waren voor de procesontwikkeling, alsmede de laboratoriumapparatuur waarmee bestanddelen die schadelijk zijn voor de gezondheid, kunnen worden behandeld. |
|
(311) |
Op het exclusieve werkterrein van Axens konden in 2008 dankzij de staatsteun wetenschappelijke en technische obstakels worden overwonnen in […] (*). Daarnaast heeft het project […] (*) (250) ook grote vooruitgang geboekt. Dankzij de staatsteun kon het IFP samen met industriële partners een […] (*) proces ontwikkelen dat via een licentie op de markt zal worden vrijgegeven. Met de ontwikkelingswerkzaamheden van een proces van dit type zijn zowel […] (*), als […] (*) gemoeid. |
|
(312) |
Voorts is op het exclusieve werkterrein van Prosernat een project […] (*) met betrekking tot CO2-afvang in rookgassen opgezet. De afvang/opslag van CO2 (251) (CCS) is een erkende manier om de opwarming van het klimaat te verminderen. Gezien de samenstelling van de rookgassen en hun geringe druk is het IFP nieuwe technologische uitdagingen aangegaan. Prosernat had dit proces niet met eigen middelen kunnen ontwikkelen, gezien de onzekerheid omtrent de structuur, de omvang, de inzet en de regelgeving van de toekomstige markt op het gebied van CO2-afvang. |
|
(313) |
Het project […] (*) in 2009 met betrekking tot de […] (*) processen op het exclusieve werkterrein van Axens kan als voorbeeld worden aangehaald. Doel was de ontwikkeling van […] (*) alsmede de verbetering van bepaalde processen […] (*). Dankzij overheidsgeld kon […] (*) worden bestudeerd, waardoor een aanzienlijke verbetering van […] (*) mogelijk werd. Met het project […] (*) konden, dankzij de overheidsfinanciering, oplossingen worden verkend waarvoor bestaande technologieën niet voldeden, […] (*). Evenzo werd het project […] (*) voortgezet met betrekking tot katalysatoren waarmee na vooruitberekening het aanbod op de zich snel uitbreidende markt voor […] (*) kon worden gediversifieerd. Zonder overheidssteun zouden katalysatoren veel geleidelijker zijn ontwikkeld en zouden de prestaties minder snel zijn verbeterd. Op het gebied van […] (*), konden dankzij de overheidssteun met het project […] (*), dat innovatieve katalysatoren betrof, […] (*) nieuwe wegen worden verkend en kon de omvang van het project […] (*), dat tot doel had technologische grenzen te verkennen (in het bijzonder variaties van het draagvermogen) om te kunnen […] (*), verder reiken dan bestaande prestaties. |
|
(314) |
Verder konden op het exclusieve werkterrein van Prosernat door de overheidssteun, bijvoorbeeld O&O-activiteiten op het gebied van […] (*) die gaandeweg terzijde waren geschoven, worden hervat en voortgezet. Dankzij de overheidssteun kon zo worden voorkomen dat bestaande technologische verworvenheden verloren zouden gaan en kon een scala aan […] (*)-processen op de markt worden gehandhaafd. Evenzo werd het project […] (*) inzake CO2 –afvang […] (*) dankzij overheidssteun voortgezet. |
|
(315) |
De Commissie merkt tevens op dat de almaar positievere indicatoren waarmee O&O-inspanningen van het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat worden gemeten en die zij in overweging 200 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 had vastgesteld, ook tussen 2007 en 2009 een stijgende lijn vertoonden. Tabel 7 Ontwikkeling van de indicatoren ter meting van de inspanningen van het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat in 2007, 2008 en 2009
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
(316) |
Daarnaast wijst de Commissie nogmaals op wat ze in de overwegingen 201, 202 en 203 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 heeft vastgesteld: het aandeel van de O&O-uitgaven in de omzet van de IFP-groep is bijzonder groot, terwijl het moet zien te gedijen in een klimaat van voortdurend veranderende nationale regelgevingen, met name op het gebied van milieunormen of regelingen ter bescherming van de intellectuele eigendom. |
|
(317) |
Zoals zij reeds heeft gedaan in overweging 204 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, neemt de Commissie nota van de diversiteit en de structuur van het aanbod, alsmede van de concurrentiewerking (252) op de markt voor raffinage- of petrochemische processen. Dienaangaande merkt zij op dat de concurrentiepositie van bepaalde concurrenten aanzienlijk comfortabeler is dan die van de IFP-groep; zo heeft UOP Limited een wereldwijd marktaandeel van rond de 57 % tegen slechts 7 % voor de IFP-groep. Ook is de Commissie van mening dat de overheidssteun voor O&O-projecten van de IFP-groep noch in aard, noch in omvang een belemmering vormt voor de dynamische prikkels die van de markt voor raffinagetechnologieën uitgaan. Overigens moet worden opgemerkt dat de commerciële partners van de Europese Unie, met name de Verenigde Staten, ook aanzienlijke middelen uittrekken voor de financiering van onderzoek op energiegebied. Daarmee konden O&O-projecten van de concurrenten van de IFP-groep worden ondersteund. Zo hebben concurrenten van de IFP-groep, waaronder UOP Limited, aanzienlijke overheidssteun gekregen (253) of indirecte overheidssteun genoten dankzij partnerschappen met onderzoeksinstituten en universiteiten. |
|
(318) |
De Commissie concludeert dat de staatssteun voor de IFP-groep op het exclusieve werkterrein van zijn dochterondernemingen Axens et Prosernat in 2006, 2007, 2008 en 2009 een stimulerend effect heeft gehad. |
|
(319) |
Of de controle op het stimulerend effect van de steun wordt gehandhaafd, moet blijken uit de jaarlijkse verslagen die Frankrijk met ingang van 2010 bij de Commissie indient, tot aan het einde van de exclusieve overeenkomsten tussen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat. |
|
(320) |
Op grond van al het voorgaande concludeert de Commissie dat de staatssteun die de IFP-groep is verleend voor activiteiten op het exclusieve werkterrein van de dochterondernemingen Axens en Prosernat, waaronder de steun die verband houdt met de effecten van de onbeperkte staatsgarantie die het IFP geniet, overeenstemt met de bepalingen van de O&O-kaderregeling van 1996, alsmede met die van het O&O&I-steunkader, mits de daarin vermelde voorwaarden in acht worden genomen. |
7.3.3 CONCLUSIE OVER DE VERENIGBAARHEID VAN DE BETROKKEN MAATREGEL
|
(321) |
De Commissie concludeert dat de betrokken maatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, mits de in de delen 7.3.1 en 7.3.2 vermelde voorwaarden in acht worden genomen. |
8 NEUTRALITEIT WAT BETREFT DE EIGENDOMSSTRUCTUUR
|
(322) |
De Commissie wijst er met nadruk op dat zij op geen enkele wijze ter discussie stelt dat het IFP staatseigendom is, noch vecht zij de status van publiekrechtelijke rechtspersoon als zodanig aan. |
|
(323) |
Volgens artikel 345 VWEU is de Gemeenschap neutraal met betrekking tot de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten. Geen enkele bepaling in het Verdrag staat er aan in de weg dat de Staat (geheel of gedeeltelijk) ondernemingen bezit. Desalniettemin dienen de mededingingsregels gelijkelijk te worden toegepast op private en publieke ondernemingen. Geen van deze twee soorten ondernemingen mag door de toepassing van deze regels worden bevoordeeld of benadeeld. |
|
(324) |
In dit geval vloeit de garantie die het IFP geniet, niet voort uit het eigendom, maar uit de rechtsvorm van de onderneming. Lidstaten zijn vrij om de rechtsvorm van ondernemingen te kiezen, maar moeten daarbij wel de mededingingsregels van het Verdrag eerbiedigen. In het bijzonder betekent het enkele feit dat de staatgarantie automatisch aan een bepaalde rechtsvorm is gekoppeld, niet dat deze garantie geen steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, mits aan de daarin vermelde voorwaarden is voldaan (254), |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Met de toekenning per 7 juli 2006 door Frankrijk van de rechtsvorm van établissement public à caractère industriel et commercial (EPIC) aan het IFP, kreeg het een onbeperkte overheidsgarantie (hierna „de staatsgarantie” genoemd) verleend voor al zijn activiteiten.
2. De dekking door de staatsgarantie van de niet-economische activiteiten van het IFP, in het bijzonder zijn opleidingsactiviteiten met het oog op meer en beter gekwalificeerde menselijke hulpbronnen, zijn onafhankelijke O&O-activiteiten met het oog op een bredere kennis en een beter begrip, en zijn activiteiten ter verspreiding van onderzoeksresultaten, vormen geen staatsteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
3. De dekking door de staatsgarantie van technologieoverdrachten door het IFP op de terreinen zoals bedoeld in de met haar dochteronderneming Beicip-Franlab gesloten exclusieve overeenkomst inzake ontwikkeling, commercialisering en gebruik, vormt geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
4. De dekking door de staatsgarantie van de technologieoverdrachten door het IFP op de terreinen zoals bedoeld in de met haar dochterondernemingen Axens en Prosernat gesloten overeenkomsten en vermeld in artikel 3, lid 1, van de Beschikking van de Commissie van 16 juli 2008 betreffende de steunmaatregel die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de IFP-groep (hierna „beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005” genoemd), vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
5. De dekking door de staatsgarantie van het contractonderzoek en de diensten die het IFP zowel voor rekening van derden als van dochterondernemingen heeft verricht, vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
Artikel 2
Indien de in artikel 1, lid 3, van het onderhavige besluit bedoelde overeenkomst tussen het IFP en zijn dochteronderneming Beicip-Franlab wordt gewijzigd, geeft Frankrijk van deze overeenkomst kennis aan de Commissie, waarbij Frankrijk rekening houdt met het eventuele effect van de staatsgarantie in de beoordeling van het eventuele totaalbedrag van de overheidsfinanciering, tenzij staatssteun door de nieuwe contractuele voorwaarden kan worden uitgesloten.
Artikel 3
Tussen 7 juli 2006 en 31 december 2009 vormde de dekking door de staatsgarantie van de in artikel 1, leden 4 en 5, van het onderhavige besluit bedoelde economische activiteiten, staatssteun die verenigbaar is met de interne markt.
Artikel 4
Vanaf 1 januari 2010 en tot aan de beëindiging van de exclusieve, in artikel 3, lid 1 van de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 bedoelde overeenkomsten tussen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat, vormt de dekking door de staatgarantie van de in artikel 1, lid 4, van het onderhavige besluit bedoelde economische activiteiten, staatssteun die verenigbaar is met de interne markt, mits de in artikelen 5 en 6 van dit besluit bepaalde voorwaarden in acht zijn genomen.
Artikel 5
1. Het in artikel 4, lid 2, van de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 genoemde jaarlijkse financiële verslag bevat, behalve de reeds in artikel 5, lid 1, van dit besluit genoemde onderdelen, de onderdelen die in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel worden vermeld.
2. Het jaarlijkse financiële verslag bevat het bedrag, de rente en de contractvoorwaarden van de door het IFP afgesloten leningen gedurende de betrokken jaarperiode, alsmede een schatting van het bruto-subsidie-equivalent van de eventuele rentesubsidie die verband houdt met de staatsgarantie, tenzij kan worden aangetoond dat deze leningsovereenkomsten overeenstemmen met normale marktvoorwaarden, hetzij door hun voorwaarden te vergelijken met de door het IFP vóór zijn omzetting van rechtsvorm verkregen voorwaarden, hetzij volgens een preciezere, vooraf door de Commissie goedgekeurde methode.
3. Het jaarlijkse financiële verslag bevat het bedrag voor de goederen en diensten die het IFP bij de leveranciers heeft ingekocht, ten behoeve van de economische prestaties die in artikel 1, leden 4 en 5, van het ondehavige besluit worden bedoeld, gedurende de jaarlijkse betrokken periode, alsmede een maximale schatting van het bruto subsidie-equivalent van de steun die voortvloeit uit een gunstiger beoordeling door de leveranciers van het risico dat de onderneming niet aan haar verplichtingen voldoet. Deze schatting wordt hetzij gemaakt aan de hand van een standaardpercentage van 2,5 % op het bedrag van de verrichte aankopen, hetzij volgens een vooraf door de Commissie goedgekeurde methode.
4. Het jaarlijkse financiële verslag bevat het bedrag van de in artikel 1, leden 4 en 5, van het onderhavige besluit bedoelde economische activiteiten van het IFP gedurende de betrokken jaarlijkse periode, alsmede een maximale schatting van het bruto subsidie-equivalent van de steun die voortkomt uit het niet betalen van een premie die overeenkomt met een aan de begunstigden van deze economische prestaties aangeboden uitvoeringsgarantie, of – ten minste – inspanningsverplichting. Deze schatting wordt gemaakt aan de hand van een standaardpercentage van 5 % van het bedrag voor de geleverde prestaties, of op grond van een vooraf door de Commissie goedgekeurde methode.
Artikel 6
1. Het totale bedrag van de overheidsmiddelen die zijn toegewezen voor de activiteiten van het IFP op de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat, met inbegrip van het maximale effect van de staatsgarantie zoals dit volgens artikel 5, leden 2, 3 en 4, van het onderhavige besluit is geschat, is lager dan de maximale intensiteit die is toegestaan door de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie.
2. Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde drempel wordt overschreden, wordt de overtollige steun in voorkomend geval terugbetaald door de betrokken dochteronderneming – Axens of Prosernat – aan het IFP.
Artikel 7
Met ingang van 1 januari 2010 vormt de dekking van de staatsgarantie van de in artikel 1, lid 5, bedoelde economische activiteiten, staatssteun die verenigbaar is met de interne markt, mits de in artikel 8 van het onderhavige besluit bepaalde voorwaarden in acht worden genomen.
Artikel 8
1. De activiteiten van het IFP op het gebied van contractonderzoek en dienstprestaties van het IFP, die worden genoemd in artikel 1, lid 5, van het onderhavige besluit, blijven ondergeschikt te blijven aan de hoofdactiviteit van onafhankelijk openbaar onderzoek.
2. Om als nevenactiviteiten te worden beschouwd, dienen de activiteiten op het gebied van contractonderzoek en dienstprestaties van het IFP:
|
— |
het normale functioneren, de onafhankelijkheid en de neutraliteit van het IFP niet ongunstig te beïnvloeden; |
|
— |
tegen een marktprijs te worden aangeboden, of bij het ontbreken daarvan, tegen een prijs die, afgezien van het mogelijke effect van de staatsgarantie, een afspiegeling is van de de totale kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge; |
|
— |
boekhoudkundig apart te worden verwerkt van de onafhankelijke publieke onderzoeksactiviteiten (boekhoudkundige scheiding van de respectievelijke kosten en financieringen) en de winsten die zij genereren, dienen volledig te worden geherinvesteerd in de hoofdactiviteit, onafhankelijk publiek onderzoek; |
|
— |
onlosmakelijk te zijn verbonden met de hoofdactiviteit van onafhankelijk publiek onderzoek van het IFP, door, met name, het gebruik van dezelfde infrastructuur, apparatuur, technologie en materialen, of het gebruik van de diensten van dezelfde onderzoekers, wetenschappers, ingenieurs, ontwerpers of technici; |
|
— |
niet onder de toepassing te vallen van de in artikel 3, lid 1, van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 bedoelde exclusieve overeenkomsten tussen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat, in voorkomend geval verlengd of gewijzigd overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 en artikel 12, lid 2, van het onderhavige besluit; |
|
— |
niet meer dan een zeer gering deel uit te maken van de begroting van het IFP te behoeve van zijn onafhankelijke publieke onderzoeksactiviteiten. |
3. Frankrijk dient elk jaar bij de Commissie een verslag in over de activiteiten op het gebied van contractonderzoek en dienstprestaties van het IFP, waarin precies is aangegeven welk percentage het daarvoor uitgetrokken bedrag vertegenwoordigt in de middelen die het IFP uittrekt voor zijn onafhankelijke publieke onderzoeksactiviteiten.
Artikel 9
1. De Franse autoriteiten en het IFP nemen voor elke transactie de volgende vermelding op in het financieringscontract (voor elk instrument dat onder een contract valt):
„De emissie/het programma/de lening is door geen enkele directe of indirecte staatsgarantie gedekt. In geval van insolventie is de Staat niet verplicht financieel in de plaats te treden van het IFP ter betaling van de schuldvordering.”
2. De Franse autoriteiten voegen een gelijkluidende clausule in, waarin afstand wordt gedaan van de aansprakelijkheid van de Staat, in elk contract betreffende contractonderzoek of diensten, als bedoeld in artikel 1, lid 5, van het onderhavige besluit.
3. De Franse autoriteiten voegen een gelijkluidende clausule in, waarin afstand wordt gedaan van de aansprakelijkheid van het IFP en van de Staat, in elk contract dat een schuldvordering van de naamloze vennootschappen Axens, Beicip-Franlab, et Prosernat met zich brengt.
4. Het IFP onthoudt zich van elke borgstelling, garantie, letter of intent of letter of comfort ten voordele van de naamloze vennootschappen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat die niet overeenstemmen met normale marktvoorwaarden.
Artikel 10
Frankrijk brengt de Commissie individueel steunmaatregelen ter kennis waarvan de bedragen hoger liggen dan is bepaald in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, daarbij rekening houdende met het eventuele effect van de staatsgarantie.
Artikel 11
Binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van dit besluit stelt Frankrijk de Commissie op de hoogte van de maatregelen die het heeft genomen om de beschikking na te leven.
Artikel 12
1. De artikelen 4, 5 en 6 van het onderhavige besluit zijn van toepassing tot aan de beëindiging van de in artikel 3, lid 1, van beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 bedoelde exclusieve overeenkomsten tussen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat.
2. Wanneer de Franse autoriteiten de Commissie, overeenkomstig artikel 3, lid 2 van beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, een verlenging of wijziging van deze exclusieve overeenkomsten ter kennis brengen, houden ze bij de vaststelling van het totale bedrag van de overheidsfinanciering rekening met het effect van de staatsgarantie.
Artikel 13
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2011.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Vicevoorzitter
(1) PB C 83 van 30.3.2010, blz. 47. - Vanaf 1.12.2009 zijn de artikelen 87 en 88 VEG respectievelijk de artikelen 107 en 108 VWEU geworden. De bepalingen in beide verdragen zijn inhoudelijk identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar, respectievelijk, de artikelen 87 en 88 VEG. Daarnaast bevat het VWEU een aantal terminologische wijzigingen; zo werd „Gemeenschap” gewijzigd in „Unie” en „gemeenschappelijke markt” in „interne markt”.
(2) PB L 1 van 3.1.1994, blz. 1.
(3) PB C 259 van 11.10.2008, blz. 12.
(4) Het Institut Français du Pétrole heet per 13 juli 2010 Institut Français du Pétrole Énergies Nouvelles. Deze verandering in benaming is doorgevoerd krachtens artikel 81 van de loi no 2010-788 du 12 juillet 2010 portant engagement national pour l'environnement (wet nr. 2010-788 van 12 juli 2010 inzake een nationaal engagement ten behoeve van het milieu) (de zgn. wet-Grenelle 2). (Persbericht van het IFP van 13 juli 2010, beschikbaar op de site http://www.ifpenergiesnouvelles.fr/actualites/communiques-de-presse/ [laatst geraadpleegd op 28.6.2011]).
(5) Beschikking 2009/157/EG van de Commissie van 16 juli 2008 betreffende de steunmaatregel die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de groep Institut Français du Pétrole (IFP)(C 51/05 (ex NN 84/05)) (PB L 53 van 26.2.2009, blz. 13).
(6) Besluit van de Commissie van 16 juli 2008 betreffende steunmaatregel C 35/08 (ex NN 11/08) – Onbeperkte staatsgarantie ten gunste van het IFP – Uitnodiging, overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag, opmerkingen te maken (PB C 259 van 11.10.2008, blz. 12).
(7) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(8) PB L 274 van 19.10.2010, blz. 1.
(9) Zie over deze kwestie met name overweging 19 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007. Vóór de omvorming van La Poste tot naamloze vennootschap in 2010, was haar EPIC-rechtsvorm onderwerp van rechtspraak. In zijn arrest van 18 januari 2001 (2e burgerlijke kamer) heeft het Franse Cour de Cassation echter het beginsel bekrachtigd dat La Poste gelijkgesteld werd met een EPIC. Met dit arrest werd het beginsel bekrachtigd dat het Cour d'Appel van Douai in een arrest van 22 oktober had geformuleerd. Daarnaast onderstreepte de commissie Economische Zaken in een aan de Franse Senaat gericht rapport uit 2003 dat „iedereen weet dat de moederorganisatie La Poste sinds de hervorming van 1990 onder een status valt die vergelijkbaar is met die van een industriële en commerciële overheidsinstelling (EPIC).”
(10) Zie de respectieve delen 2.1 (De IFP-groep) van voornoemd besluit tot inleiding van de procedure en van de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(11) Het betreft:
|
a) |
een exclusieve kaderlicentieovereenkomst, met een looptijd van tien jaar, die de dochteronderneming het recht geeft de huidige en toekomstige intellectuele eigendom van het IFP te gebruiken, voornamelijk op het gebied van processen die op haar werkterrein worden toegepast, zodat zij technische diensten kan verlenen aan klanten met betrekking tot deze processen en op hen het recht kan overdragen om de daarmee samenhangende technologieën te gebruiken in de vorm van subconcessies van octrooilicenties; |
|
b) |
een exclusieve licentieovereenkomst voor producten, met een looptijd van tien jaar, die de dochteronderneming het recht geeft de huidige en toekomstige technologie van het IFP op het terrein waarop zij actief is met het oog op de vervaardiging en verkoop aan haar klanten van katalysatoren, adsorbanten, afvangtechnologie, uitrusting, en andere producten en software die door IFP zijn ontwikkeld, en |
|
c) |
een overeenkomst voor industrieel onderzoek, met een looptijd van tien jaar, waarbij [IFP zijn dochteronderneming de resultaten van zijn onderzoek op het gebied van raffinage en petrochemie aanbiedt, zodat zij, indien zij dit wenst, het onderzoek kan voortzetten in het kader van een gezamenlijk met het IFP uit te voeren project, en vervolgens de desbetreffende resultaten exploiteert.] (*1) Zo niet, dan kan IFP zijn resultaten aan andere ondernemingen aanbieden. Elke partner draagt de kosten van zijn deelname aan het project, en aan het eind van het onderzoeksproject bezit IFP de eigendomsrechten op de producten en processen, terwijl zijn dochteronderneming over de eigendomsrechten op de verschillende industrialisatiefasen van de producten en processen beschikt. |
(*1) Delen van deze tekst zijn vervangen om redenen van vertrouwelijkheid. Zij parafraseren de onleesbaar gemaakte informatie om de samenhang en begrijpelijkheid van de beschikking te waarborgen. Deze delen worden tussen haakjes weergegeven, gevolgd door twee asterisken.
(*2) Deze tekst is op bepaalde plaatsen bewerkt om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens openbaar worden gemaakt. Die plaatsen worden aangegeven met drie punten tussen vierkante haakjes en gemarkeerd met een asterisk.
(12) Bij brief van 18 januari 2009 hebben de Franse autoriteiten de Commissie een kopie van de aanvullende overeenkomsten doen toekomen, met betrekking tot de contracten tussen het IFP en zijn dochterondernemingen Axens en Prosernat, overeenkomstig artikel 6 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005. Wat Axens betreft, werd de aanvullende overeenkomst […] (*) [in] (**) 2009 ondertekend door […] (*) IFP en […] (*) Axens. Wat Prosernat betreft, werd de aanvullende overeenkomst [in] (**) 2009 […] (*) ondertekend door […] (*) IFP en […] (*) Prosernat.
(13) Mededeling van de Commissie - Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5).
(14) Met deze minimale vergoedingen wordt de steun aan elke dochteronderneming feitelijk beperkt tot een maximum van 75 % van de kosten van haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van werkzaamheden op het gebied van industrieel onderzoek, 50 % van de kosten op het gebied van industrieel onderzoek en 25 % van de kosten van preconcurrentiële ontwikkelingsactiviteiten.
(15) Uit overweging 18 van het besluit tot inleiding van de procedure blijkt dat de Commissie voornemens is de effecten van de omvorming van het IFP in een EPIC op het IFP en zijn dochterondernemingen als enige marktdeelnemer te onderzoeken. In overweging 36 van het besluit tot inleiding van de procedure wordt toegelicht dat deze ene entiteit wordt beschouwd als mogelijke begunstigde van onbeperkte staatssteun.
(16) In Frankrijk bestaan er, naast overheden zoals de Staat en lagere overheden, twee belangrijke categorieën publiekrechtelijke rechtspersonen: de Établissements Publics en Groupes d'Intérêt Public, die zijn ingesteld krachtens de wet van 15 juli 1982. Binnen de établissements Publics kan een principieel onderscheid worden gemaakt tussen établissements publics à caractère administratif (openbare administratieve instellingen) (EPA's), die zijn belast met traditionele administratieve taken, en établissements publics à caractère industriel et commercial (openbare instellingen met een industrieel of commercieel karakter) (EPIC's), die economische activiteiten uitoefenen.
(17) Zie onder meer het arrest van 21 december 1987 (eerste civiele kamer).
(18) Dezelfde argumenten komen uitvoeriger aan de orde in deel 2.1 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, in de overwegingen 20, 21 en 22.
(19) Zie ook deel 2.2 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, de overwegingen 23 t/m 30.
(20) Krachtens artikel 21 van het decreet van 6 juli 2006, „is IFP op het gebied van financieel en boekhoudkundig beheer onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op industriële en commerciële bedrijven.” Ook al beschikt het IFP niet over een rekenplichtige ambtenaar, sommige elementen duiden erop dat ook de schulden van EPIC's in geval van sluiting worden overgedragen aan de Staat of een andere overheidsinstelling. De Commissie verwijst naar de voorbeelden van Charbonnages de France en van ERAP in de overwegingen 49 en 50 van het besluit tot inleiding van de procedure, die aantonen dat in het geval van ontbinding van een EPIC, zelfs zonder rekenplichtige ambtenaar, een overdracht van rechten en verplichtingen aan een andere publieke entiteit niet alleen mogelijk is, maar ook dat de markt er duidelijk vanuit gaat.
(21) Zie ook deel 2.3 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, overwegingen 31 t/m 36.
(22) Zie ook deel 2.4 van genoemd Besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007, overweging 37.
(23) Vgl. onder meer de brieven van de Franse autoriteiten van 18 juli 2006, van 30 januari 2008 en van 26 juni 2008.
(24) De Commissie wijst erop dat deze argumenten reeds naar voren zijn gebracht in deel 3 („Opmerkingen en voorstellen van de Franse autoriteiten”) van genoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007. Voor een beter begrip van de uiteenzetting zal de Commissie er zo vaak mogelijk naar verwijzen.
(25) Arrest van de Conseil d'État, 1 april 1938, Société de l'hôtel d'Albe, Recueil blz. 341.
(26) Arresten van de Conseil d'État in de zaak-Campoloro (10 november 1999 en 18 november 2005). Zie overweging 59 van het besluit tot inleiding van de procedure.
(27) Vgl. de opmerkingen van de Franse autoriteiten van 23 januari 2008 en 27 oktober 2009 in het kader van de zaak-La Poste, waarnaar zij mutatis mutandis hebben verwezen voor de huidige procedure betreffende IFP.
(28) Vgl. Jaarverslag van de Conseil d'État 2006, blz. 69.
(29) Vgl. opmerkingen van de Franse autoriteiten van 27 oktober 2009 in het kader van het besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(30) De Franse autoriteiten benadrukken dat er juist een expliciete garantie moest worden toegekend tijdens de omvorming in 1991 van de overheidsdienst voor post en telecommunicatie tot een zelfstandige rechtspersoon, wat niet nodig zou zijn geweest indien La Poste, in haar hoedanigheid van een met een EPIC gelijkgestelde instelling, op grond van haar rechtsvorm een staatsgarantie had genoten. Evenzo zijn er expliciete garanties verleend aan ERAP en aan de Agence Française du Développement, beide EPIC's.
(31) D. Labetoulle, „ La responsabilité des AAI dotées de la personnalité morale: coup d'arrêt à l'idée de „garantie de l'État” ”, in: RJEP/CJEG nr. 635, oktober 2006.
(32) Vgl. de opmerkingen van de Franse autoriteiten van 23 januari 2008 in het kader van de zaak-La Poste.
(33) Conseil d'État, 10 november 1999, Société de gestion du port de Campoloro, Recueil blz. 3409
(34) Conseil d'État, 18 november 2005, Société de gestion du port de Campoloro.
(35) P. Bon, Le Préfet face à l'inexécution par une collectivité territoriale d'un jugement la condamnant pécuniairement, in: RFDA, maart/april 2006, blz. 341; C. Landais et F. Lenica, Le pouvoir de substitution du préfet en cas d'inexécution de la chose jugée par les collectivités territoriales,in: AJDA, 23 januari 2006, blz. 137.
(36) Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties, PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14.
(37) In het geval van insolventie van het IFP zou de te volgen procedure moeten worden vastgesteld en openbaar gemaakt.
(38) Deze procedure zou hetzij de privaatrechtelijke procedure moeten zijn, hetzij een procedure die de schuldeisers van het IFP niet meer rechten geeft dan de rechten die krachtens het handelsrecht op hen van toepassing zouden zijn.
(39) Volgens de Franse autoriteiten is inachtneming van deze criteria voldoende om enig voordeel uit te sluiten, maar niet noodzakelijk. Zij stellen dat het vooral onlogisch is om ervan uit te gaan dat het beweerde bestaan van twijfel over de toe te passen procedure in geval van insolvabiliteit kan leiden tot betere financieringsvoorwaarden.
(40) Volgens Frankrijk zou de onderneming in dergelijke omstandigheden eerst genoodzaakt zijn onderhandelingen te beginnen met haar schuldeisers voor het opstellen van een saneringsplan van de passiva. Indien dat plan niet bevredigend blijkt of de financiële problemen hiermee niet opgelost worden, en indien er geen nieuwe overeenkomst met de schuldeisers wordt gesloten, kunnen dezen, of sommige van hen, in tweede instantie een zaak aanspannen bij de bevoegde rechter ter veroordeling van de schuldenaar en ter erkenning van hun schuldvordering. Dan zou de procedure zoals ingesteld in de wet van 16 juli 1980 in werking treden. Zij zou ertoe kunnen leiden dat de toezichthoudende overheid zich in de plaats stelt van de directie van het IFP teneinde de noodzakelijke besluiten te nemen tot betaling van de schulden met de middelen van de instelling. Indien tijdens de procedure zoals ingesteld in de wet van 16 juli 1980 blijkt dat de activa van het IFP ontoereikend zijn en het voor de toezichthoudende overheid dus materieel onmogelijk is om de noodzakelijke middelen vrij te maken voor betaling van het verschuldigde bedrag doordat er geen activa meer kunnen worden overgedragen, wordt de desbetreffende procedure volgens de Franse autoriteiten afgesloten.
(41) Artikel L. 225-258 van de Code de commerce bepaalt dat wanneer het eigen vermogen van een vennootschap minder dan de helft van zijn kapitaal is gaan bedragen, de algemene vergadering dit moet vaststellen en moet besluiten of er wordt overgegaan tot vervroegde ontbinding van de vennootschap. Indien niet tot ontbinding wordt overgegaan, dient de vennootschap uiterlijk bij de afsluiting van het tweede begrotingsjaar na het jaar waarin de verliezen zijn vastgesteld, haar kapitaal aan te vullen tot een bedrag dat ten minste gelijk is aan de helft van het maatschappelijk kapitaal, door dit te verminderen indien het kapitaal niet op een andere wijze is aangevuld.
(42) Zie arrest van 21 maart 1991, zaak C-303/88 Italië/Commissie, Jurispr. blz. I-1433, punt 21.
(43) Zie onder meer arrest van 16 mei 2002, zaak C-482/99 Frankrijk/Commissie (zaak Stardust Marine), Jurispr. blz. I-4397, punten 68 t/m 83.
(44) Besluit van de Commissie van 21 december 2005 betreffende steunmaatregel N 531/05 - Frankrijk - Maatregelen in verband met het oprichten en functioneren van La Banque Postale.
(45) Arrest van 12 september 2007, zaak T-68/03, Olympiaki Aeroporia Ypiresies AE/Commissie, Jurispr. 2007, bladzijde II-2911; zie, wat dit betreft, tevens arrest van 1 juli 2008, zaak T-266/02, Deutsche Post AG/Commissie, Jurispr. 2008, blz. II-1233, punt 92: „Bovendien moet de Commissie onderzoeken of er sprake is van een werkelijk voordeel voor de begunstigde van een steunmaatregel.”
(46) Décret no 81-501. Op het moment dat de Franse autoriteiten hun voorstel deden, was het uitvoeringsdecreet decreet nr. 81-501 van 12 mei 1981, ter uitvoering van de loi du 16 juillet 1980 relative aux astreintes prononcées en matière administrative et à l'exécution des jugements par les personnes morales de droit public et relatif à la „section du rapport et des études” du Conseil d'État (wet van 16 juli 1980 betreffende opgelegde dwangsommen in bestuurszaken en de tenuitvoerlegging van vonnissen door publiekrechtelijke rechtspersonen en betreffende de „section du rapport et des etudes” van de Conseil d'État).
(47) Aldus gewijzigd, zou het decreet luiden:
„wanneer er na het aflopen van deze termijn geen gevolg is gegeven aan de aanmaning, legt de vertegenwoordiger van de Staat of de toezichthoudende overheid de uitgave vast in de begroting van de in gebreke blijvende lagere overheid of overheidsinstelling. In voorkomend geval worden de noodzakelijke middelen in de begroting van de overheid of de instelling vrijgemaakt, door de kredieten die voor andere uitgaven zijn bestemd en nog vrij kunnen worden ingezet te verlagen, of de middelen te verhogen” (wijzigingen onderstreept).
(48) De Franse autoriteiten verwijzen naar overweging 68 van het besluit tot inleiding van de procedure, waarin de Commissie, aangaande het voorstel van de Franse autoriteiten om het uitvoeringsdecreet van de wet van 16 juli 1980 te wijzigen, stelt dat „niet wordt uitgesloten dat in het theoretische geval waarin de middelen van het IFP uitgeput zouden zijn, de schuldeiser wiens vordering niet is voldaan in het kader van de toepassing van de wet van 1980 gerechtelijke stappen neemt om de Staat aansprakelijk te stellen op grond van afbreuk aan het beginsel van gelijkheid voor overheidslasten.”
(49) Conseil d'État, 16 november 1998, Sille: „In eerste instantie overwegende dat, zoals de eerste rechters hebben besloten, hoewel de aansprakelijkheid van de overheid in het gedrang zou kunnen komen, zelfs buiten schuld, op grond van het beginsel van gelijkheid van burgers voor overheidslasten, in het geval waarin een rechtmatige maatregel bijzondere schade van een zekere ernst tot gevolg heeft ten nadele van een natuurlijke of rechtspersoon, zulks in het onderhavige geval niet geldt, aangezien de heer Sille als makelaar had moeten weten welke problemen gepaard gaan met de verwezenlijking van een bouwproject zoals het project waarvoor in het onderhavige geval plannen bestonden en voor de verwezenlijking waarvan met name de bepalingen van het bestemmingsplan moesten worden gewijzigd en de instemming van de gemeenteraad was vereist, en de heer Sille er normaliter rekening mee moest houden dat de gemeenteraad het project zou kunnen afwijzen, gezien de negatieve resultaten van het openbare onderzoek en de vijandige reacties op het project; overwegende dat hij dit risico met kennis van zaken voor lief heeft genomen, en derhalve niet op geloofwaardige wijze staande kan houden dat hij abnormale schade heeft geleden en dat de gemeente de zware financiële gevolgen moet dragen die voor hem zijn ontstaan doordat van dit project is afgezien.”
(50) Conseil d'État, 10 juli 1996, Meunier: „Oordelend dat de keuze om de winkel op een bepaalde plaats te vestigen en een brief van de burgemeester met betrekking tot de mogelijkheid van grondbewegingen ertoe leidden dat de betrokkene willens en wetens de risico's van instabiliteit had aanvaard waaraan zijn onderneming was blootgesteld, heeft het Cours administrative d'appel zijn soevereine oordeel geveld. Met het oordeel dat de geleden schade die voortvloeide uit een situatie waaraan de betrokkene zich willens en wetens had blootgesteld, hem geen recht op schadeloosstelling bood, heeft het Hof de regels met betrekking tot de aansprakelijkheid van publiekrechtelijke rechtspersonen niet miskend.”
(51) Arrest van 21 mei 2010, gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04, Frankrijk/Commissie (nog niet bekendgemaakt in de Jurispr.). In dit arrest concludeert het Gerecht dat de Commissie niet heeft aangetoond „dat de economische positie van FT ten gevolge van dit aanbod zou zijn verbeterd [de ontwerpovereenkomst voor een aandeelhoudersvoorschot is niet door FT getekend, noch is het voorschot verleend] ten opzichte van de situatie waarin deze onderneming zich bevond (…)” (punt 254), en dat „[u]it het feit alleen dat de staat eenzijdig een kredietlijn van een bepaald bedrag heeft aangeboden, kan de Commissie echter niet afleiden dat dit aanbod de begunstigde een economisch voordeel oplevert, zonder daarbij rekening te houden met de voorwaarden die aan de tenuitvoerlegging van die kredietovereenkomst zijn verbonden, inzonderheid met de voorwaarden inzake toekenning en terugbetaling van dit krediet, vooral wanneer de begunstigde dat aanbod niet heeft aanvaard, maar zich heeft geherfinancierd tegen de op de markt geldende voorwaarden.” (punt 255) (Nadruk toegevoegd door de Franse autoriteiten).
(52) Arrest van 7 maart 1990, zaak C-69/88, H. Krantz GmbH & Co. / Ontvanger der Directe Belastingen en Staat der Nederlanden, Jurispr. 1990, blz. I-583.
(53) Arrest van 2 september 2010, zaak C-399/08 P, Europese Commissie / Deutsche Post AG (nog niet bekendgemaakt in de Jurispr.)
(54) De Franse autoriteiten verwijzen naar hun brieven van 7 mei en 9 juni 2008.
(55) De Franse autoriteiten verwijzen naar hun antwoord op de brief van de Commissie van 3 augustus 2007.
(56) PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
(57) Europese Commissie, A report on the functioning of public procurement markets in the EU van 3.2.2004.
(58) UOP Limited verklaart actief te zijn als leverancier van producten en diensten aan bedrijven op het gebied van olieraffinaderij, gasbehandeling, petrochemische productie en het merendeel van de be- en verwerkende industrie. In het bijzonder geeft zij aan licenties te ontwikkelen, uit te voeren en deze te laten exploiteren, en zorg te dragen voor het onderhoud van procestechnologieën, zoals verwerking van ruwe olie, de productie van schone motorbrandstoffen, de ontzwaveling van motorbrandstoffen en petrochemische technologieën. Ook produceert zij katalysatoren, moleculaire zeven, absorptieapparatuur en andere gespecialiseerde apparatuur. Daarnaast is zij aanwezig in verscheidene lidstaten van de Europese Unie (Oostenrijk, België, de Tsjechische Republiek, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Ierland, Italië, Nederland, Portugal, Polen, Slowakije, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk), is zij vertegenwoordigd in België, Frankrijk en Duitsland en bezit zij twee productiefabrieken, de ene in Brimsdown, Enfield (Groot-Brittanië) en de ander in Reggio Calabria (Italië).
(59) UOP Limited verwijst naar pagina http://www.axens.net/about/history.html, zoals deze er op 20.11.2008 uitzag.
(60) Bijv. ten aanzien van het volume en de zuiverheid van de productstromen en het grondstoffenverbruik.
(61) De Franse autoriteiten verwijzen naar voornoemd besluit betreffende steunmaatregel N 531/2005, voetnoot 3.
(62) Deze notitie bestaat sinds […] (*), en is regelmatig door […] (*) geactualiseerd en gevalideerd. De Franse autoriteiten hebben bij hun brief de versie […] (*) gevoegd.
(63) De Franse autoriteiten verwijzen naar de brief van UOP Limited van 23 januari 2009, waarin volgens hen de onder punt 3 (b) van de brief van 28 november 2008 uiteengezette argumentatie wordt herhaald.
(64) Deze kaderlicentie geeft Axens het recht de huidige en toekomstige intellectuele eigendom van het IFP te gebruiken, voornamelijk op het gebied van processen die op haar werkterrein worden toegepast, zodat zij technische diensten kan verlenen aan klanten met betrekking tot deze processen en op hen het recht kan overdragen om de daarmee samenhangende technologieën te gebruiken in de vorm van subconcessies van octrooilicenties.
(65) Deze productlicentie geeft Axens het recht de huidige en toekomstige technologie van het IFP te gebruiken op het terrein waarop zij actief is met het oog op de vervaardiging en verkoop aan haar klanten van katalysatoren, absorbanten, afvangtechnologie, uitrusting, en andere producten en software die door het IFP zijn ontwikkeld.
(66) […] (*).
(67) Brief van de Franse autoriteiten van 13 oktober 2008, punt 203.
(68) Zie deel 4.1.1 C „Conclusie over het bestaan van een staatsgarantie ten gunste van La Poste”, in de overwegingen 251 t/m 255 van voornoemde besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(69) Zoals uiteengezet in overweging 12 (voetnoot 11) was deze rechtsvorm te vergelijken met een EPIC vóór de wijziging van de rechtsvorm van La Poste in die van een naamloze vennootschap.
(70) Beschikking van de Conseil d'État, 1 april 1938, société de l'hôtel d'Albe, Recueil blz. 341.
(71) Arresten van de Conseil d'État met betrekking tot de zaak-Campoloro (10 november 1999 en 18 november 2005).
(72) In dit arrest heeft de Raad van State enkel geweigerd gehoor te geven aan het verzoek van de schuldeiser, dat rechtstreeks aan de minister van Openbare Werken was gericht. Voor een garantie wordt insolventie verondersteld. De Staat is niet enkel op verzoek van de schuldeiser verplicht de schuld van een overheidsinstelling in te lossen.
(73) De Commissie verwijst naar haar analyse van de zaak-Camporolo in deel 4.1.1.A.b)3) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(74) In het geval van ontoereikende activa van het IFP na de wijziging van zijn rechtsvorm zouden alle schuldeisers echter weer in een vergelijkbare situatie terechtkomen, wat de datum waarop hun schuldvordering ontstond ook moge zijn. Allen zouden worden geconfronteerd met de niet-toepasbaarheid op het IFP van de gemeenrechtelijke procedures inzake sanering en liquidatie van de bedrijven in moeilijkheden. Alle schuldeisers van het IFP zouden ervan verzekerd zijn dat hun schuldvorderingen uiteindelijk worden vergoed, zoals uiteengezet in punt A. b).
(75) Het feit dat artikel 34 van de LOLF niet van toepassing is op deze tweede categorie, verklaart dat de rechtspraak inzake garantie uit hoofde van concessiehouders na 2001 stand heeft gehouden. Zo kan ook worden verklaard waarom steeds wanneer de Staat aandeelhouder of vennoot is van een onderneming of holding waarvoor de schuldengarantie niet krachtens de Code de commerce wordt beperkt, de Staat niet verplicht is dit in begrotingswetgeving vast te leggen. De Commissie wijst er met nadruk op dat de hier bestudeerde garantie voortvloeit uit de EPIC-rechtsvorm van het IFP, dat er sprake is van een garantie die de Staat en IFP bindt (de schuldeisers van deze laatste zijn slechts indirecte begunstigden), en dat de garantie niet alleen betrekking heeft op de voldoening van individuele schuldvorderingen, maar ook op de instandhouding van het IFP en/of zijn verplichtingen.
(76) Arrest van 26 juni 2008, zaak T-442/03, SIC/Commissie, Jurispr. 2008 blz. II-1161, punten 124 t/m 127. Zie voorts de voornoemde garantiemededeling.
(77) In het bijzonder niet tijdens de omvorming van het IFP, France Télécom, Gaz de France, EdF en ADP.
(78) Volgens de Franse autoriteiten zou het, in tegenstelling tot de voorgaande situatie, niet nodig zijn geweest een expliciete garantie toe te kennen voor de schulden die waren aangegaan door de Administration des postes et télécommunications en die zijn overgedragen aan La Poste, indien voor deze onderneming op grond van haar rechtsvorm een staatsgarantie had gegolden. Dit is echter wel gebeurd middels een arrêté van 31 december 1990.
(79) D. Labetoulle, La responsabilité des AAI dotées de la personnalité morale: coup d'arrêt à l'idée de „garantie de l'État” , in: RJEP/CJEG nr. 635, oktober 2006.
(80) Wat dit punt betreft, verwijst de Commissie eveneens naar deel 4.1.1.A b) 3) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(81) De Commissie verwijst naar de overwegingen 139, 140 en 141 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007. Het volgende deel van de notitie werd openbaar gemaakt door de opstellers van het Verslag voor 1995 (blz. 219): „Bij het wetsvoorstel betreffende de maatregelen van de Staat in het kader van de saneringsplannen van Crédit Lyonnais en Comptoir des Entrepreneurs is de Conseil d'État […] van oordeel dat de staatsgarantie voor deze instelling zonder expliciete wettelijke bepaling zal voortvloeien uit het feit dat het orgaan een overheidsinstelling is.”
(82) Zie punt 5 van de bijlage bij deze notitie waarin diverse rechtshandelingen worden vermeld, waaronder bijvoorbeeld „de ministeriële brief of enige andere grondslag.”
(83) In een toelichting bij deze notitie, en wel bij deel drie („Uit ervaring met het beroep op garantie en rechtspraak van de Raad tekent zich een aantal schoolvoorbeelden af van impliciete garantie die in kaart dienen te worden gebracht”) wordt aangegeven dat „bepaalde juridische modaliteiten de aansprakelijkheid van hun aandeelhouders inhouden, in het bijzonder de sociétés en nom collectif (SNC) en de GIE (groupement momentané d'entreprises). In het geval van beide laatste vormen gaan externe partijen systematisch op zoek naar de Staat als aandeelhouder. Dit geldt ook voor de oprichting van overheidsinstellingen en bepaalde deelnemingen in naamloze vennootschappen.”
(84) Aan de toepasselijke teksten – de wet van 16 juli 1980, het decreet van 20 mei 2008 ter vervanging van het decreet van 12 mei 1981 en de circulaire van 16 oktober 1989 – wordt herinnerd in het gedeelte betreffende de beschrijving van de maatregel in het onderhavige besluit.
(85) De wet van 16 juli 1980 luidt: „indien het besluitvormend orgaan van de overheid of de instelling deze middelen niet heeft vrijgemaakt (…) voorziet de toezichthoudende overheid hierin en gaat deze in voorkomend geval over tot een betalingsopdracht.”
(86) Het decreet van 12 mei 1981, dat op dit punt niet is gewijzigd door het decreet van 2008, luidt dat de vertegenwoordiger van de Staat of toezichthoudende autoriteit „in voorkomend geval de noodzakelijke middelen vrijmaakt door de kredieten die voor andere uitgaven zijn bestemd en nog vrij kunnen worden ingezet, te verlagen of de middelen te verhogen.”
(87) De Commissie verwijst naar deel 4.1.1.A.b.3 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(88) In het kader van de zaak-La Poste weerspraken de Franse autoriteiten in hun op 27 oktober 2009 gezonden notitie de „onmogelijkheid” eigen middelen in te zetten op grond van twee argumenten: het eerste, dat betrekking had op door La Poste gehanteerde tarieven, is niettemin niet van toepassing op de onderhavige omstandigheden, aangezien de tarieven van het IFP niet vallen onder sectorale regelgeving, wat wel geldt voor die van La Poste.
(89) De Commissie verwijst naar de punten 112 en 113 van de notitie die de Franse autoriteiten in het kader van de zaak-La Poste op 23 januari 2008 hebben gezonden.
(90) Voor een nadere toelichting van het standpunt van de Franse autoriteiten, zie onder meer deel 3.1.1.B.a) 2) van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(91) EHRM, 6 december 2006, Société de gestion du port de Campoloro et Société fermière de Campoloro / Frankrijk, nr. 57516/00. Het EHRM heeft in de zaak-Campoloro beslist dat de volledige schulden van de gemeente Santa-Maria-Poggio aan de verzoekende ondernemingen voor rekening van de Staat kwamen.
(92) Het arrest luidt: „[De Franse regering] is van oordeel dat alleen objectieve redenen die uitsluitend betrekking hebben op het feit dat de gemeente in de materiële onmogelijkheid verkeert voldoende ontvangsten vrij te maken, de volledige tenuitvoerlegging van de vonnissen hebben vertraagd”; „De regering stelt dan ook dat de nationale overheden, de Staat of de gemeenten niet bewust of met opzet hebben nagelaten de vonnissen ten uitvoer te leggen. Het ontbreken van tegoeden is geen voorwendsel, maar een realiteit die te wijten is aan de insolventie van de rechtspersoonlijkheid die schulden heeft openstaan”; „Het feit dat de schuld niet is ingelost, vloeit uitsluitend voort uit de financiële problemen van de gemeente en deze omstandigheden lijken niet dusdanig te zijn dat de lagere overheid daarmee aan haar verplichtingen ontkomt, noch dat de schuldenlast wordt afgewenteld op de Staat (Conseil d'État, gemeente Batz sur Mer, 25 september 1970). In het interne recht bestaat er geen enkele rechtsgrond voor een situatie waarbij de Staat voor de betaling van schadevergoedingen in de plaats treedt van de gemeente. Deze indeplaatstreding zou evenmin kunnen zijn gestoeld op artikel 6, lid 1, van het EVRM, aangezien een dergelijke oplossing niet in overeenstemming zou zijn met het begrip zelf van rechtspersoonlijkheid, waarvoor onafhankelijkheid en een afzonderlijk vermogen worden verondersteld.”
(93) „Zo is er in het interne recht geen enkele maatregel voorzien waarmee een oplossing wordt geboden voor de situatie van staking van betaling van de gemeente.” „De Staat kan de verplichting om rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen niet naast zich neerleggen met het argument dat er onvoldoende kredieten zijn of dat lokale overheden zelfstandig functioneren waarvoor de Staat tot dusver geen garantie heeft kunnen bieden, aangezien de gemeente niet in staat is haar schulden af te lossen. De eisers maken daarom bezwaar tegen het onvermogen van de Staat om positieve maatregelen te treffen waarmee de gemeente haar financiële verplichtingen had kunnen nakomen.” „De eisers stellen vast dat de Conseil d'État in zijn arrest van 18 november 2005 heeft geoordeeld dat de wetgever de vertegenwoordiger van de Staat de bevoegdheid heeft willen geven zich in de plaats te stellen van de organen van een decentrale overheid teneinde de middelen vrij te maken of te creëren waarmee een rechterlijke beslissing volledig ten uitvoer kan worden gelegd indien deze overheid nalaat de tenuitvoerlegging van het decreet te waarborgen. Op grond van deze tekortkomingen van de Franse Staat verzoeken de eisers dat er een inbreuk op artikel 6, lid 1, en de daaruit voortvloeiende schadeloosstelling wordt vastgesteld, wat geenszins indruist tegen het begrip rechtspersoonlijkheid, en evenmin tegen de begrippen onafhankelijkheid en afzonderlijk vermogen.”
(94) „De onmogelijkheid deze vonnissen ten uitvoer gelegd te zien, ontneemt de betrokkenen het recht op ongestoord genot van hun eigendom, wat aan de orde is in de eerste zin van de eerste alinea van artikel 1 van protocol 1. De regering heeft deze inmenging op geen enkele wijze onderbouwd en het Hof is van oordeel dat het gebrek aan middelen geen gegronde reden is voor een dergelijk verzuim." In het geheel bezien is het Hof van oordeel dat de eisende ondernemingen een speciale en buitensporige last hebben ondervonden en nog ondervinden doordat de bedragen die zij door de tenuitvoerlegging van voornoemde vonnissen van 10 juli 1992 hadden moeten ontvangen, niet zijn uitgekeerd. Dit is een schending van artikel 1 van protocol 1.”
(95) „Gezien het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Staat de betaling dient te waarborgen aan de eisers, of in voorkomend geval aan hun rechthebbenden, van de schuldvorderingen waarop zij recht hebben sinds de vonnissen van de bestuursrechter van Bastia van 10 juli 1992 (ibidem), inclusief rente, tot op de dag waarop het onderhavige arrest is gewezen.”
(96) De Commissie wijst met nadruk op de woordkeuze van het EHRM: het heeft het niet over een eventuele aansprakelijkheid van de Staat, maar is van oordeel dat de Staat de betaling dient te „waarborgen”. Deze woordkeuze duidt meer op garantie dan op aansprakelijkheid.
(97) Een juridisch mechanisme uit het interne recht kan dus worden geïnterpreteerd als een impliciete garantie.
(98) EHRM, 13 mei 1980, Artico/Italië, serie A nr. 37: het EHRM heeft besloten dat wanneer een tekortkoming aan een andere persoon dan de Staat kan worden toegerekend, deze Staat, die schuldenaar is van de garantie zoals vastgelegd in artikel 6, lid 1, zodanig dient te handelen dat de eiser het effectieve recht geniet dat hem uit hoofde van dit artikel toekomt.
(99) EHRM, 19 maart 1997, Bourdov/Rusland, nr. 59498/00: het Hof is eveneens van oordeel dat „een overheid het gebrek aan tegoeden niet als voorwendsel mag gebruiken om haar schuld niet in te lossen”.
(100) De Commissie verwijst onder meer naar de redenering die zij in het besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 uitwerkt over de aansprakelijkheid van de Staat ten aanzien van de opslorping door een overheidsinstelling van een andere structuur, waarvan zij tegelijkertijd de rechten en verplichtingen op zich neemt. Als zij vervolgens de schulden van deze structuur bij een externe partij zou moeten inlossen, zou in geen enkel contract of juridisch document zijn vastgelegd dat de Staat niet verplicht is de schulden van de overheidsinstelling bij schuldeisers van de opgeslorpte structuur terug te betalen, aangezien een dergelijke situatie niet kon worden voorzien. Zo kan IFP door een mechanisme van omzetting (fusie, overname) van bepaalde structuren binnen de openbare sector schulden opbouwen bij externe partijen, terwijl het contractueel onmogelijk is vooraf een beperking van de staatsgarantie vast te leggen.
(101) Zoals in sectie B van het onderhavige deel zal worden aangetoond, had een schuldeiser van het IFP die met een verzoek om tenuitvoerlegging geen vergoeding van zijn individuele schuld kon bewerkstelligen, nog altijd kunnen hopen die vergoeding te verkrijgen in het kader van een door de Staat gefinancierde algehele sanering van het IFP.
(102) Het begrip „oneigenlijke dwaling” die rechtsgevolgen kan doen ontstaan houdt verband met de theorie van de rechtsschijn. Volgens het Franse juridische woordenboek van Cornu wordt onder „rechtsschijn” het volgende verstaan: „De indruk die — al dan niet bedoeld — ontstaat uit de vereniging van uiterlijke kenmerken waaruit gewoonlijk een toestand of een functie naar voren komt (hoedanigheid van gevolmachtigde, erfgenaam, eigenaar …), en die doen geloven dat de persoon die deze kenmerken vertoont, deze toestand of functie ook daadwerkelijk heeft.” De theorie van de rechtsschijn is „een pretorische theorie op grond waarvan rechtsschijn voldoende is om gevolgen te doen ontstaan jegens derden, die de werkelijkheid ten gevolge van een legitieme fout hebben miskend.” De theorie van de rechtsschijn wordt zowel in de rechtspraak (EHRM, 7 juni 2001, Kress) als in het privaatrecht toegepast wanneer men rechtsgevolgen moet doen ontstaan voor een contract waarbij een van de partijen legitiem enkel op de rechtsschijn heeft vertrouwd. Er zij in dit verband ook gewezen op het voorbeeld van het schijnbare verblijfsadres of in het publiekrecht het voorbeeld van de ambtenaar-de-facto wiens decreten als rechtmatig kunnen worden aangemerkt. Voordeel van deze theorie is dat hiermee gemakkelijker het bestaan van een juridisch attribuut of een rechtsgevolg kan worden aangetoond indien dit in geen enkele tekst uitdrukkelijk is vastgelegd.
(103) Onderscheid gemaakt aan de hand van het proefschrift van S. Carpi-Petit, Les successions en droit administratif, PUR, 2006.
(104) De Commissie kent niet één voorbeeld van een tekst gewijd aan de verdwijning van schulden.
(105) Volgens het juridisch woordenboek Cornu wordt onder „vermogen” het volgende verstaan: „Een geheel van activa en verplichtingen van eenzelfde persoon (dat wil zeggen de rechten en lasten die in geld kunnen worden uitgedrukt).”
(106) De deskundige van de Commissie in de zaak-La Poste verwijst naar het enige voorbeeld van een verdwijning van een overheidsinstelling die het einde van haar levensduur had bereikt: de liquidatie van de thematische universiteit van Agen (arrest van 15 juli 2002, Journal Officiel de la République française van 23.7.2002). In artikel 1 van het arrest is bepaald dat de vereffenaar tot taak heeft „de minister van Hoger Onderwijs een voorstel te doen over de verdeling tussen de Université Bordeaux I en de Université Bordeaux IV van de activa, schuldvorderingen, schulden en het resterende saldo na afloop van de vereffening.” Er is dus expliciet bepaald dat de schulden van de ontbonden overheidsinstelling worden overgedragen aan andere publiekrechtelijke rechtspersonen.
(107) Zie de overwegingen 25 (derde streepje) en 45, alsmede voetnoot 20.
(108) Arrest van 13 juni 2000, gevoegde zaken, T-204/97 en T-270/97, EPAC/Commissie, Jurispr. 2000 blz. II-2267, punten 80 en 81.
(109) Deel 7.1 van de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(110) Artikelen 3-1, c) van de overeenkomst voor industrieel onderzoek tussen het IFP en Axens en van de overeenkomst voor industrieel onderzoek tussen het IFP en Prosernat, artikel III.2 van de overeenkomst tussen het IFP en Beicip-Franlab.
(111) Er zij aan herinnerd dat in artikel 2 van de wet van 25 januari 1985, nu artikel L. 620-2 van het Franse Code de commerce, het volgende wordt bepaald: „Sanering en gerechtelijke liquidatie zijn van toepassing op alle handelaren, alle personen die zijn ingeschreven in het Franse beroepsregister („répertoire des métiers”), alle landbouwers en alle privaatrechtelijke rechtspersonen” (Nadruk toegevoegd).
(112) Vgl. artikel L. 640-1 alinea 1 van het Code de commerce.
(113) De door de wet van 26 juli 2005 ingestelde vereenvoudigde procedure zou niet van toepassing zijn op de dochterondernemingen Axens, Beicip-Franlab en Prosernat. Zoals in artikel L.641-2 van de Code de commerce is vastgesteld, is deze vereenvoudigde procedure van toepassing indien de activa van de debiteur geen onroerend goed omvatten, indien de onderneming niet meer dan vijf werknemers telde in de zes maanden voorafgaande aan de inleiding van de procedure, en indien de omzet, exclusief belastingen, van de onderneming gelijk is aan of minder bedraagt dan 750 000 EUR. In geval van gerechtelijke liquidatie worden deze dochterondernemingen onderworpen aan de „gemeenrechtelijke” procedure, die in de overwegingen 143 en 144 wordt samengevat.
(114) Vgl. artikel L. 640-4 van de Code de commerce.
(115) Vgl. artikel L. 640-1 van de Code de commerce.
(116) Vgl. artikel L. 641-1, alinea 2, van de Code de commerce.
(117) Vgl. artikel L. 641-4, alinea 1, van de Code de commerce. In de tweede alinea van hetzelfde artikel wordt aangegeven dat niet-bevoorrechte schuldvorderingen (dat wil zeggen: de schuldvordereingen waarop geen enkele bijzondere garantie van toepassing is) in principe niet worden geverifieerd als blijkt dat de activa volledig opgaan aan gerechtelijke kosten en bevoorrechte schuldvorderingen.
(118) Vanaf de openbaarmaking van het liquidatievonnis moeten alle schuldeisers van de betrokken dochteronderneming van het IFP, van wie de vordering van vóór het inleidingsvonnis dateert, hun vorderingen indienen bij de vertegenwoordiger van de schuldeisers, en wel binnen twee maanden na publicatie van het inleidingsvonnis in het Bulletin Officiel des Annonces Civiles et Commerciales (BODACC).
(119) Vgl. de artikelen L.643-9 e.v. van de Code de commerce.
(120) Er bestaan enkele uitzonderingen op het beginsel van niet-hervatting van vervolging van de debiteur, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van: 1) een persoonlijk faillissement van de debiteur; 2) een veroordeling tot bankroet van de debiteur; 3) een eerdere procedure van gerechtelijke liquidatie (beëindigd wegens ontoereikende activa), minder dan vijf jaar vóór de inleiding van de betrokken procedure; 4) fraude ten aanzien van een of meerdere schuldeisers (de rechtbank geeft dan toestemming tot hervatting van alle individuele acties van schuldeisers ten aanzien van de debiteur). Ten slotte kan de procedure na te zijn beëindigd wegens ontoereikende activa weer worden ingeleid als blijkt dat de activa niet zijn verkocht of dat maatregelen waarbij schuldeisers een belang hebben, niet in aanmerking zijn genomen tijdens de procedure.
(121) Mestre (Lamy Sociétés Commerciales, 2003, no1914) omschrijft de letter of intent als „een document dat door een moedermaatschappij is gericht aan de crediteurbank van haar dochteronderneming, waarmee deze moedermaatschappij de geadresseerde allerlei verzekeringen geeft ten aanzien van de verplichtingen die de dochteronderneming namens haar is aangegaan”. Volgens Cozian, Viandier, en Deboissy (Droit des Sociétés, Litec 16de editie, nrs. 1992 e.v.), „door de letter of intent te ondertekenen, belooft de moedermaatschappij de schuldeiser erop toe te zien dat de dochteronderneming haar verplichtingen nakomt”. Volgens de informatie die de Franse autoriteiten hebben toegezonden, worden de verplichtingen van de privaatrechtelijke dochterondernemingen van de IFP-groep niet uitdrukkelijk gegarandeerd door het IFP.
(122) B. Grimonprez, 2009, „ Pour une responsabilité des sociétés mères du fait de leurs filiales ”, in: Revue des sociétés, blz. 715, punt 8.
(123) In dit artikel wordt gesteld: „Elke daad waardoor aan een ander schade wordt berokkend, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.”
(124) Vgl. artikel L. 651-2 van het Code de commerce.
(125) Tribunal de Commerce, 2 juli 1984, Commissaire de la République du Loiret / TGI d'Orléans, Receuil blz. 449; AJDA 1984.562, concl. Lateboulle.
(126) Tribunal de Commerce, 23 januari 1989, Préfet de la Loire / Tribunal de commerce de Saint-Étienne, Receuil, blz. 291; D. 1989.367, concl. Mme F. Flipo; D. 1898.370, notitie P. Amselek en F. Derrida.
(127) Conclusies van de Commissaire du gouvernement, Emmanuel Glaser, in de zaak Conseil d'État (3/8 SSR), 5 december 2005, Département de la Dordogne, nr. 259748. Zie onder meer Bulletin Juridique des Collectivités Locales nr. 2/06, blz. 138-143: La faillite d'un comité d'expansion économique entraîne-t-elle la responsabilité du département qui l'a créé?.
(128) Tribunal de Commerce, 15 november 1999, Comité d'expansion de la Dordogne / Département de la Dordogne: Recueil, blz. 479; AJDA 1999.992, chron. Mme P. Fombeur en M. Guyomar.
(129) Tribunal de Commerce, 8 februari 1873, Recueil, 1ste suppl. 61, concl. David; GAJA, 15e ed., nr. 1.
(130) Tribunal de Commerce, 20 november 2006, SEM Olympique d'Alès en Cévennes, Receuil, concl. Stahl.
(131) SEM Olympique d'Alès en Cévennes had onder meer tot doel betaalde sportieve evenementen te organiseren, spelers aan te werven en op te leiden en met alle middelen promotie te voeren voor de profclub van de stad.
(132) De financiering van SEM Olympique d'Alès en Cévennes geschiedde door middel van exploitatieopbrengsten die voor een groot deel voortkwamen uit recettes, publiciteit, „sponsoring” en subsidies van de nationale voetbalbond alsmede van de Franse voetbalfederatie.
(133) Verkoop van katalysatoren en technologieën voor raffinage- en petrochemische industrie voor Axens; ontwikkeling en verspreiding van software op het gebied van de exploratie van olievelden, alsmede studies en advies voor Beicip-Franlab; verkoop van installaties op het gebied van gasbehandeling en zwavelterugwinning en bijbehorende diensten voor Prosernat.
(134) Als brancheorganisatie was IFP geen overheidsinstelling maar een privaatrechtelijke rechtspersoon (CE, 5 / 3 SSR, 7 december 1984, 16900 22572, gepubliceerd in de Rechtspraak -Lebon). Deze interpretatie werd bevestigd in een advies van de Sectie financiën van de Conseil d'État in 1997, nadat de minister van Economie, financiën en industrie een en ander aanhangig had gemaakt (Sectie financiën - Advies nr. 360 991 van 26 augustus 1997).
(135) Vgl. artikel L. 621-2 alinea 2 van de Code de commerce: „Op verzoek van een curator, bewindvoerder, het openbaar ministerie of ambtshalve, kan de ingeleide procedure worden uitgebreid naar een of meer personen in geval van vermenging van hun vermogens met die van de debiteur of van een fictieve rechtspersoon. Met dit doel blijft de rechtbank die de procedure heeft ingeleid, bevoegd.” (Nadruk toegevoegd).
(136) B. Grelon et C. Dessus-Larrivé, „ La confusion de patrimoines au sein d'un groupe ”, in: Rev. sociétés 2006. 281, nr. 3.
(137) Zie onder meer overweging 158.
(138) Com. 16 okt. 2001, Act. proc. coll. 2001-20, nr. 256; Com. 8 januari. 2002, Act. proc. coll. 2002-6, nr. 70.
(139) Cour de Cassation, Chambre commerciale, 19 april 2005, nr. 05-10094 (Metaleurop), D. 2005. AJ. 1225, obs. A. Lienhard en somm. 2013, obs. F.-X. Lucas; JCP E 2005. 721, notitie B. Rolland et chron. 1274, obs. P. Petel.
(140) Com. 10 januari. 2006, Rev. sociétés 2006. 629, notitie P. Rousel Galle.
(141) Zie voetnoot 117.
(142) P. Roussel Galle, bovenvermelde notitie; P. Delmotte, Les critères de la confusion de patrimoines dans la jurisprudence de la Cour de cassation, RJDA 2006-6. 539, nr. 14.
(143) Vgl. overweging 132 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(144) En dus a fortiori het door UOP Limited in haar opmerkingen vermelde feit dat de werknemers van Axens en van het IFP vaak samen hun klanten bezoeken.
(145) Com. 13 okt. 1998, Bull. Joly 1999. 58, notitie P. Seerlooten.
(146) De auteurs van het parlementaire verslag dat in overweging 165 wordt vermeld, stellen aldus dat er volgens de rechtspraak sprake is van een fictieve vennootschap die de uitbreiding van een saneringsprocedure rechtvaardigt, indien zij is opgericht ter vergoeding van de passiva van een andere, aan een collectieve procedure onderworpen vennootschap, waarvan de activiteiten in dezelfde bedrijfsruimten, met dezelfde bestuurders, dezelfde klanten en dezelfde franchiseovereenkomst zijn voortgezet.
(147) Onder meer op de volgende sites: http://www.ifpenergiesnouvelles.fr; http://www.axens.net/; http://www.beicip.com/index.php/eng; http://www.prosernat.com/en/ [geraadpleegd op 28.6.2011].
(148) Adres: 1 & 4, avenue de Bois-Préau, 92852 Rueil-Malmaison Cedex – France.
(149) Adres: Rond-point de l'échangeur de Solaize, BP 3, 69360 Solaize – France.
(150) Adres: Hélioparc Pau-Pyrénées, 2, avenue du Président Pierre Angot, 64000 Pau – France.
(151) Adres: 89, boulevard Franklin Roosevelt – BP 50802, 92508 Rueil-Malmaison Cedex – France.
(152) Adres: 232, Avenue Napoléon Bonaparte – BP 213, 92502 Rueil-Malmaison – France.
(153) Adres: 100 -101, Terrasse Boieldieu, 92800 Puteaux – France.
(154) Informatie op 28 juni 2011 beschikbaar op deze site: http://www.prosernat.com/en/contactus/zoom_image_img20080715219.php.
(155) Cour de Cassation, Chambre commerciale, 18 december 2007, nr. 06-14093.
(156) P. Delebecque, „ Groupes de sociétés et procédures collectives: confusion de patrimoines et responsabilités des membres du groupe ”, in: Rev. proc. coll. 1998/2, blz. 129, spéc. Nr. 14.
(157) Eerder aangehaald parlementair verslag, blz. 63.
(158) B. Grimonprez, „ Pour une responsabilité des sociétés mères du fait de leurs dochterondernemingen ”, reeds aangehaald, punt 10.
(159) Ibidem, punt 11.
(160) D. Schmidt, „ La responsabilité civile dans les relations de groupes de sociétés ”, in: Rev. sociétés 1981, blz. 725.
(161) Externe partijen kunnen in theorie aansprakelijk worden gesteld op grond van de artikelen L. 223-22 en L. 225-251 C. com.
(162) Wat het feitelijk bestuur betreft, moet worden opgemerkt dat de kwalificatie van de moedermaatschappij als feitelijk bestuurder niet stelselmatig is en dat de rechter die deze in concreto beoordeelt, precieze handelingen eist die aan de moedermaatschappij kunnen worden toegeschreven en aantoont dat zij, zonder daartoe te zijn gelegitimeerd, direct of indirect een positieve en zelfstandige activiteit heeft uitgeoefend ten aanzien van het beheer van de dochteronderneming; zie onder meer Com. 9 mei 1978, D. 1979. 419, notitie M. Vasseur. Adde, J.-L. Rives-Langes, „La notion de dirigeant de fait”, D. 1975. chron. 41; D. Tricot, „Les critères de la gestion de fait”, Dr. en patr. jan. 1996, blz. 24, geciteerd door B. Grimonprez, (eerder vermeld), punt 13.
(163) Buiten het recht aangaande collectieve procedures heeft het Cour de Cassation, Chambre commerciale, 26 maart 2008, nr. 07-11.619, Ademe/Elf Aquitaine, kort geleden geoordeeld dat als een moedermaatschappij mogelijk wegens schuld aansprakelijk kan worden gesteld in het kader van haar bemoeienissen met haar dochteronderneming, een moedermaatschappij niet enkel op grond van haar participatie in de dochteronderneming verplicht is deze te financieren opdat zij aan haar verplichtingen kan voldoen (ook al is deze dochteronderneming belast met openbare dienstverlening die een risico voor het algemeen belang kan inhouden).
(164) Vgl. artikel L. 651-2 van het Code de commerce.
(165) De auteurs van voornoemd parlementair verslag geven bijvoorbeeld aan dat naar aanleiding van het arrest-Metaleurop van het Cour de Cassation van 19 april 2005, het documentatie- en studiecentrum van het Hof zou hebben aangegeven dat „bepaalde gedragingen (…) van een moedermaatschappij ten aanzien van haar dochteronderneming feitelijk beheersfouten zouden kunnen zijn, met ontoereikende activa bij haar dochteronderneming als gevolg”.
(166) In het bijzondere geval van milieuschade, en gezien het essentiële karakter voor de gemeenschap van schuldvorderingen op het gebied van milieu en van het gevaar dat kan ontstaan als zij niet worden ingelost, is artikel L. 512-17 van de Code de l'environnement inzake het herstel van gebieden na de beëindiging van hun exploitatie kort geleden gewijzigd teneinde de moedermaatschappij aansprakelijk te kunnen stellen in geval van ondeugdelijk handelen met ontoereikende activa als gevolg waardoor de dochteronderneming niet meer aan haar milieuherstelverplichtingen kan voldoen. Artikel 512-17 van de Code de l'environnement, als gewijzigd door de loi no 2010-788 du 12 juillet 2010 portant engagement national pour l'environnement (vgl. artikel 277), bepaalt: „Wanneer een exploitant een dochteronderneming is in de zin van artikel L. 233-1 van het Code de commerce en er een gerechtelijke liquidatieprocedure jegens haar is ingeleid of uitgesproken, kan de curator, de bewindvoerder, het openbaar ministerie of de vertegenwoordiger van de Staat in het departement, de rechter die de gerechtelijke liquidatie heeft ingeleid of uitgesproken inschakelen om vast te stellen of de moedermaatschappij een ernstige fout heeft begaan die mede heeft geleid tot een tekort aan activa van de dochteronderneming en om hem wanneer een dergelijke fout is vastgesteld, te vragen een deel of de gehele financiering van de herstelmaatregelen van het gebied of van de gebieden die aan het eind van hun exploitatie verkeren, ten laste te leggen van de moedermaatschappij.” (Nadruk toegevoegd). Wat het causale verband betreft, zie Paris, 15 januari 1999, Bull. Joly 1999. 626, § 137, notitie B. Saintourens.
(167) Informatieverslag nr. 558 (2008-2009) van Alain Anziani en Laurent Béteille, opgesteld namens de Commissie wetgeving, voorgelegd aan de Senaat op 15 juli 2009, betreffende de wettelijke aansprakelijkheid (beschikbaar op de site van de Senaat: http://www.senat.fr/rap/r08-558/r08-5581.pdf).
(168) Voornoemd parlementair rapport, blz. 62.
(169) Uit hoofde van de eerste alinea van artikel 1384 van de Code civil: „Men is niet alleen aansprakelijk voor de schade die men door eigen toedoen heeft berokkend, maar ook voor de schade die is veroorzaakt door het toedoen van personen aan wie men verantwoording verschuldigd is, of zaken die men onder zijn hoede heeft”. De auteurs van het voornoemde parlementaire verslag merken op dat de rechtspraak rechtscheppend is geweest door aansprakelijkheidsregelingen in te stellen waarin geen enkele tekst voorzag, of het nu gaat om risicoaansprakelijkheid, om aansprakelijkheid voor handelingen van anderen of aansprakelijkheid voor burenoverlast. Tot op heden is in de rechtspraak de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij voor handelingen van haar dochterondernemingen niet omschreven.
(170) In dit geval de organisatie Consommation, Logement et Cadre de Vie (CLCV) „alsmede de organisatie” UFC-Que choisir; vgl. het eerder aangehaalde parlementaire verslag, blz. 62 en blz. 65.
(171) Verslag aan de minster van Justitie, ingediend op 22 september 2005: Avant-projet de réforme du droit des obligations (articles 1101 à 1386 du code civil) et du droit de la prescription (articles 2234 à 2281 du code civil) (Voorontwerp van de hervorming van het verbintenissenrecht (artikelen 1101-1386 van de Code civil) en het verjaringsrecht (artikelen 2234-2281 van de Code civil)).
(172) Voornoemd voorontwerp-Catala, blz. 166.
(173) Voornoemd voorontwerp-Catala, blz. 177.
(174) Beschikbaar op de site van de Senaat: http://www.senat.fr/leg/ppl09-657.pdf
(175) Wat dat betreft wijst de Commissie erop dat de herkapitalisatie van de dochteronderneming Prosernat, die de Franse autoriteiten vermelden in hun opmerkingen bij punt 46, in maart 2006 heeft plaatsgehad (ofwel vóór de omzetting van rechtsvorm van het IFP van 7 juli 2006), en zich dus heeft voorgedaan in een periode dat deze nog niet was gedekt door een onbeperkte staatsgarantie.
(176) Beschikking 2005/145/EG van de Commissie van 16 december 2003 betreffende de door Frankrijk ten uitvoer gelegde staatssteun aan EdF en aan de elektriciteits- en gassector (PB L 49, 22.2.2005, blz. 9). Zie vooral overweging 135 van de beschikking: „Volgens de Commissie zal het feit dat EdF onder het gemene faillissementsrecht wordt gebracht, tot gevolg hebben dat de onbeperkte overheidsgarantie die zij geniet komt te vervallen.” (Nadruk toegevoegd).
(177) Zie artikel 2 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007: „de onbeperkte garantie voor La Poste komt met de effectieve omzetting van de onderneming in een naamloze vennootschap te vervallen”.
(178) De Commissie verwijst naar voetnoot 3 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel N 531/2005: „Als gemeenrechtelijke naamloze vennootschap zal de Banque Postale onder gemeenrechtelijke bepalingen vallen, inzonderheid loi no85-98 relative au règlement et à la liquidation judiciaire des entreprises. Dientengevolge zal zij geen onbeperkte staatsgarantie genieten.” (Nadruk toegevoegd).
(179) Zie overweging 18 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005, alsmede overweging 6 van het besluit tot inleiding van de procedure.
(180) Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1.
(181) In de zin van punt 2.2. e) van het O&O&I-steunkader.
(182) In de zin van punt 2.2. f) van het O&O&I-steunkader.
(183) In de zin van punt 2.2. g) van het O&O&I-steunkader.
(184) Arrest van 23 april 1991, zaak C-41/90, Hoefner & Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, punt 21; arrest van 19 februari 2002, zaak C-309/99, J. C. J. Wouters e.a. / Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, Jurispr. 2002, blz. I-1577, punten 46 e.v.
(185) Mits ook aan de andere voorwaarden in artikel 107, lid 1, VWEU is voldaan.
(186) Arrest van 16 juni 1987, zaak 118/85, Commissie / Italië, Jurispr. 1987, blz. 2599, punt 7; arrest van 18 juni 1998, zaak C-35/96, Commissie/Italië, Jurispr. 1998, blz. I-3851, punt 36; arrest-Wouters, reeds aangehaald, punt 46.
(187) Deze praktijk wordt onder meer beschreven in punt 3.1.1 van het O&O&I-steunkader.
(188) Zie voetnoot 25 van het O&O&I-steunkader: met „interne” bedoelt de Commissie een situatie waarin het kennisbeheer van een of meer onderzoeksorganisaties hetzij wordt uitgevoerd door een afdeling of een dochteronderneming van de onderzoeksorganisatie, hetzij samen met andere onderzoeksorganisaties.
(189) Zie voetnoot 24 van het O&O&I-steunkader.
(190) Zie overweging 151 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(191) Zie voornoemde overweging 181 van de beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005: de overheidssteun heeft slechts betrekking op de industriële ontwikkelingsfasen.
(192) Zie de punten 90 en 98 van het besluit tot inleiding van de procedure.
(193) In het geval van ondernemingen waarvan de kredietwaardigheid door onafhankelijke ratingbureaus wordt beoordeeld, zoals La Poste, heeft de Commissie in punt 4.1.2 a) van het besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007 aangetoond dat de door de rechtsvorm van overheidsinstelling toegekende garantie het voor een begunstigde onderneming mogelijk maakt kredietvoorwaarden te verkrijgen die gunstiger zijn dan de voorwaarden die zij zou hebben verkregen op grond van eigen verdiensten.
(194) Zie punt 101 van het besluit tot inleiding van de procedure, alsmede punt 102, waarin de Commissie onder meer een verslag van de Franse senaat aanhaalt. Daarin staat vermeld dat de Commissie financiën ten aanzien van het Réseau Ferré National heeft verklaard: „Dit [financierings]mechanisme, in combinatie met de impliciete onbeperkte en onvoorwaardelijke staatsgarantie, dankzij zijn EPIC-rechtsvorm, biedt het Réseau Ferré National aanzienlijke mogelijkheden voor het aangaan van leningen, tegen rentes die zeer dicht in de buurt komen van die van de SNCF”.
(*3) uitgezonderd wijziging leasingelementen voor consolidatie&SPLIT;n voor de consolidatie
(*4) aangezien de gegevens elk jaar op 31/12 worden ingediend, zijn de gegevens van 2010 niet bekend.
(195) Er zij aan herinnerd dat factoring een contract is waarbij een „factor” (een gespecialiseerde kredietinstelling) tegen een vergoeding de schuldvorderingen van een leverancier op diens klanten koopt. De leverancier wordt een drievoudige dienst verleend: de factor kent hem een voorschot in contanten toe, neemt hem de terugvordering van schulden uit handen, en garandeert dat ze worden betaald (in geval er niet wordt betaald, zoals wanneer de klant in gebreke blijft, is het risico nog steeds voor de factor). Wat dit laatste punt betreft, moet er op worden gewezen dat het een uitvoeringsgarantie betreft, aangezien de factor zich ertoe verbindt de verkoper de facturen te betalen die hij heeft uitgeschreven. Het insolventierisico van de koper en het risico van niet-betaling komen ten laste van de factor.
(196) De Commissie baseert deze schatting op vrij beschikbare informatie. Zie onder meer de financiële informatiesites http://www.netpme.fr en http://www.banque-info.com, en in het bijzonder het artikel over factoring van dhr. Luc Bernet-Rollande, consultant en opleider in de bank- en financiële wereld op de sites: http://www.banque-info.com/fiches-pratiques-bancaires/l-affacturage en http://www.netpme.fr/banque-entreprise/2-affacturage.html [geraadpleegd op 28.6.2011].
(197) Op grond van door Banque de France geleverde gegevens, merken de Franse autoriteiten op dat het deel van de prestaties dat een totaal aanbod omvat met daarin bovengenoemde prestaties, continu blijft teruglopen: van 45 % in 2008 naar 35 % in 2009 ten gunste van het gedelegeerd beheer waarvan het aandeel is gestegen van 35 % naar 49 %. Volgens ditzelfde onderzoek zou de verdeling van factoringactiviteiten per soort activiteit in 2009 als volgt zijn: invordering, financiering en garantie (uitgezonderd gedelegeerd beheer): 35,5 %; invordering en financiering (uitgezonderd gedelegeerd beheer): 6,9 %; gedelegeerd beheer: 49,1 %; invordering en garantie: 0,3 %; omgekeerde factoring: 3,8 % (het gaat er hierbij om dat de debiteur de factor kan vragen in zijn plaats te treden om de schulden met zijn voornaamste leveranciers te vereffenen. Voor de leverancier geldt de garantie dat hij contant en zonder regres wordt betaald. De koper behoudt betalingstermijnen, bindt leveranciers aan zich, ondersteunt hun cashflow en verkrijgt een disconto voor de contante betaling); Consortium: 3,8 %; Anderen: 2,5 %.
(198) De Franse autoriteiten merken hier terecht op dat wanneer de leveranciers contant zijn betaald, er niet kan worden vastgesteld of zij wel of niet een factorovereenkomst in gedelegeerd beheer hebben gesloten, net zoals het niet mogelijk is om, wanneer de factor in plaats van zijn leverancier wordt betaald, de precieze reikwijdte te kennen van de prestaties in onderaanneming door de factor van de leverancier, bijvoorbeeld of de leverancier wel of niet voor een factorverrichting met garantie heeft gekozen.
(199) Op de eerste tien maanden van het jaar.
(200) Zoals in het kader van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 is uiteengezet, worden de kosten van verscheidene verwervingen en personeelsuitgaven boekhoudkundig uitgesplitst, zodat de twee soorten activiteiten (economische en niet-economische) van de overheidsinstelling en hun kosten en financieringen duidelijk in de boekhouding van het IFP zijn te onderscheiden.
(201) Dit geringe bedrag (in de orde van […] (*)%) is te verklaren doordat de goederen en diensten die specifiek verband houden met economische activiteiten, voornamelijk betrekking hebben op honoraria, onderaannemingen, vervoerkosten en de aankoop van niet-investeringsgoederen die rechtstreeks te maken hebben (en aan de klant zijn doorberekend) met de desbetreffende onderzoeksprestatie.
(202) Dit bedrag wordt behaald door de jaarlijkse omzet ([…] (*) EUR) te vermenigvuldigen met het vastgestelde maximumpercentage ter dekking van het risico dat IFP in gebreke blijft (2,5 %). Elk jaar zou het, bij gebruik van dezelfde berekeningswijze en met inachtneming van verschillen in omzet, om de volgende bedragen gaan: […] (*) EUR in 2007, […] (*) EUR in 2008, […] (*) EUR in 2009. Voor 2006 moet er eveneens theoretisch 48,5 % (= (365-188)/365) worden berekend, in verband met de prorata temporis, aangezien de garantie pas van kracht is met ingang van 7 juli 2006, de 188ste dag van 2006, waarop de rechtsvorm van het IFP werd gewijzigd, ofwel een maximum van […] (*) EUR.
(203) De voorwaarden van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zijn overigens strikt bepaald: nodig is (i) een onrechtmatige daad (ii) schade, en (iii) een oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade.
(204) Vanwege het belang van dit risico hebben IFP en een hoofdmaatschappij een overeenkomst gesloten. Er werd gekozen voor een medeverzekeraar om de met de overeenkomst verband houdende winsten en risico's te delen.
(205) Cass. civ. 2, 9 juni 1993: „Overwegende dat deze tekst [artikel 1382 van de Code civil] niet van toepassing is op het herstel van schade die verband houdt met de uitvoering van een contractuele verplichting.”
(206) Volgens de in uitvoeringsgaranties gespecialiseerde site http://www.performancesuretybonds.com [geraadpleegd op 28.6.2011].
(207) Zie de overwegingen 149 t/m 151 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(208) Zie overweging 149 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(209) De verblijfkosten komen overeen met de financieringsstromen, gegenereerd door de verhuur van materiaal en bedrijfsruimten (laboratoria) en van bijkomende diensten (juridische dienstverlening).
(210) De steunintensiteit is de verhouding tussen de publieke gelden en de totale kosten van het onderzoeksproject, hier 11,3/56,4 = 20 %.
(211) Deze bedragen zijn de uitkomst van de vermenigvuldiging van de jaarlijkse omzet (die voor elk jaar in de kolom „Omzet” is terug te vinden) met het maximale percentage ter dekking van de uitvoeringsgarantie (5 %). Voor 2006 zou in theorie een percentage van 48,5 % (= (365-188)/365) op deze opbrengst kunnen worden toegepast om rekening te houden met de prorata temporis, aangezien de garantie pas op 7 juli 2006 is ingegaan, de 188ste dag van het jaar 2006, toen de rechtsvorm van het IFP werd gewijzigd.
(212) Zie overweging 104 van het besluit tot inleiding van de procedure.
(213) Zie overweging 8 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel N 531/2005: „De onbeperkte staatsgarantie voor La Poste wordt aan een afzonderlijke procedure onderworpen. De gevolgen van deze garantie voor La Banque Postale worden echter in dit besluit behandeld.” (Nadruk toegevoegd).
(214) Zie de overwegingen 88 t/m 91 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel N 531/2005.
(*5) Schrijffout, lees „Beicip-Franlab” in plaats van „Beicip-Prosernat”.
(215) Zie overweging 96 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel N 531/2005.
(216) Zie overweging 132 van de beschikking.
(217) Zie overweging 154 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(218) Er zij aan herinnerd dat het contractonderzoek, indien het voor rekening van de dochterondernemingen wordt verricht, betrekking heeft op thema's die niet tot de exclusieve werkterreinen van Axens en Prosernat behoren.
(219) De Franse autoriteiten zetten uiteen dat het bijvoorbeeld kan gaan om een geologische studie op grond van door de klant geleverde gegevens, van laboratoriumproeven voor […] (*), of de berekening van het rendement van materiaal dat door de klant ter beschikking is gesteld.
(220) De Franse autoriteiten hebben de voorbeelden voor genoemd gebruik:
|
— |
van onderzoeksapparatuur […] (*) voor een evaluatie […] (*) of om tests uit te voeren […] (*); |
|
— |
van onderzoeksapparatuur […] (*) ter uitvoering van een testprogramma van […] (*) of om een […] (*) te testen; |
|
— |
van een […] (*) speciaal door IFP aangepast voor zijn onderzoekswerk betreffende […] (*) en van […] (*) voor […] (*); |
|
— |
van de bij IFP ontwikkelde methode […] (*) om een studie te verrichten van […] (*); |
|
— |
van celproeven, aangepast voor […] (*) of […] (*); |
(221) De Franse autoriteiten hebben onder meer het voorbeeld genoemd van het gebruik van een […] (*) voor […] (*).
(222) De Franse autoriteiten hebben onder meer de voorbeelden van gebruik genoemd van:
|
— |
deskundigenonderzoek […] (*); |
|
— |
haalbaarheidsonderzoek betreffende […] (*); |
(223) De Franse autoriteiten hebben onder meer de volgende voorbeelden van gebruik genoemd:
|
— |
haalbaarheidsonderzoek […] (*), haalbaarheidsonderzoek […] (*): deskundigenonderzoek betreffende […] (*) ontwikkeld met […] (*); |
|
— |
studie […] (*) op de locatie van […] (*), project […] (*): deskundigenonderzoek op het gebied van […] (*) – validering en verbetering van […] (*); |
|
— |
[…] (*) in het kader van het project […] (*) (validering van het concept van […] (*)) voor rekening van […] (*). |
(224) Het betrof […] (*), de onlangs in […] (*) gestichte universiteit waarvoor het contractonderzoek werd gefactureerd in het kader van een onderzoeksconsortium waarvan het IFP deel uitmaakt, […] (*) dat optrad voor rekening van […] (*).
(225) De onderzoekswerkzaamheden werden uitgevoerd voor rekening van de […] (*). De […] (*) maken het met name mogelijk […] (*) op grond van de […] (*).
(226) De studie is uitgevoerd voor rekening van de […] (*): IFP heeft onder meer […] (*) geverifieerd en aanbevelingen gedaan over […] (*), gebruikt voor […] (*).
(227) […] (*), die dit instrument kende, heeft IFP gevraagd het toe te passen op […] (*).
(228) […] (*) heeft IFP gevraagd […] (*) aan te passen, teneinde […] (*) te testen.
(229) […] (*) heeft IFP gevraagd zijn knowhow te gebruiken met betrekking tot de […] (*) voor de geldigheidscontrole van […] (*).
(230) […] (*).
(231) Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5).
(232) De Commissie wijst in het bijzonder op punt 4.1.b van voornoemde garantiemededeling, alsmede op de punten 118 t/m 123 van de communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun aan spoorwegondernemingen (PB C 184 van 22.7.2008, blz. 13) (hierna „richtsnoeren inzake spoorwegondernemingen” genoemd).
(233) Zie met name punt 120 van voornoemde richtsnoeren inzake spoorwegondernemingen, overweging 127 van voornoemde EdF-beschikking, overweging 311 van voornoemd besluit betreffende steunmaatregel C 56/2007.
(234) Hoewel de term „diensten van algemeen economisch belang” niet nader in het Verdrag wordt omschreven, „wordt er over het algemeen van uitgegaan dat de term verwijst naar diensten van economische aard, waarvoor de lidstaten of de Gemeenschap op grond van een criterium van algemeen belang openbaredienstverplichtingen van toepassing verklaren” (Commissie, Groenboek over diensten van algemeen belang, 21 mei 2003, punt 17 [nadruk toegevoegd]).
(235) De analyse van de verenigbaarheid van een dergelijk gebruik van staatsteun komt in deel 7.3.2 aan de orde.
(236) Met name omdat het gaat om „prototypes” of „proefprojecten” in de zin van punt 2.2. g) van het O&O&I-steunkader, waarvaan de productie te kostbaar zou zijn als ze uitsluitend voor presentatie- en valideringsdoeleinden door de klanten van het IFP zouden worden gebruikt.
(237) PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.
(238) Zie de overwegingen 168 t/m 171 van de beschikking.
(239) Zie, wat dit betreft, de site van SINTEF: http://www.sintef.no/default.aspx?id=490 [geraadpleegd op 28.6.2011].
(240) Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), 2002. „The Measurement of Scientific and Technological Activities, Proposed Standard Practice for Surveys on Research and Experimental Development”
(241) Zie de overwegingen 168 t/m 171 van de beschikking.
(242) Zie de overwegingen 168 t/m 171 van de beschikking.
(243) De eigen middelen bestaan uit dividenden en royalty's en andere opbrengsten, zoals inkomsten uit door het IFP gedeponeerde octrooien. De Commissie heeft in haar onderzoek slechts rekening gehouden met de vergoedingen die door Axens en Prosernat zijn betaald.
(244) Gegevens uit voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005 voor 2006 en uit de door de Franse autoriteiten ingediende jaarverslagen voor 2007-2009.
(245) Zie de twee laatste onderdelen van tabel 5 bij overweging 236.
(246) Gewogen gemiddelde van de toegestane steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en haalbaarheidstudies.
(247) Zie punt 6 van het O&O&I-steunkader.
(248) […] (*).
(249) […] (*).
(250) Met dit proces […] (*) kan […] (*). Het gaat om een essentiële bouwsteen voor […] (*)-ketens die bestemd zijn voor […] (*). De […] (*)-keten is bovendien van belang voor […] (*).
(251) Afvang door naverbranding is een van de processen waarmee tijdens de verbranding van koolwaterstof of kool wordt vermeden dat er weer CO2 in de atmosfeer komt.
(252) De Commissie merkt vooral op dat prijsconcurrentie niet de voornaamste reden is voor de differentiëring van het beschikbare marktaanbod, omdat de klanten een technologie kiezen op grond van verschillende criteria waarvan installatiekosten en rendement van de investeringen als cruciaal worden beschouwd, maar geen enkel verband houden met de gesteunde onderzoeksprojecten.
(253) De Commissie verwijst naar overweging 204 van voornoemde beschikking betreffende steunmaatregel C 51/2005.
(254) Zie met name punt 1.5 van de garantiemededeling waarin het neutraliteitsbeginsel wordt bevestigd, alsmede punt 1.2 waarin wordt uitgelegd dat een staatsgarantie eenvoudigweg kan voortvloeien uit de rechtsvorm (tweede en vierde streepje van dat punt).