ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.314.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 314

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
29 november 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1222/2011 van de Commissie van 28 november 2011 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1010/2009 wat betreft administratieve regelingen met derde landen inzake vangstcertificaten voor producten van de zeevisserij

2

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1223/2011 van de Commissie van 28 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1688/2005 wat betreft de bemonstering van koppels van herkomst van eieren en het microbiologische onderzoek van dergelijke monsters en monsters van bepaald vlees, bestemd voor Finland en Zweden ( 1 )

12

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1224/2011 van de Commissie van 28 november 2011 voor de toepassing van de artikelen 66 tot en met 73 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1225/2011 van de Commissie van 28 november 2011 voor de toepassing van de artikelen 42 tot en met 52 en de artikelen 57 en 58 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

20

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1226/2011 van de Commissie van 28 november 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

29

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/94/EU van de Commissie van 28 november 2011 tot wijziging van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs

31

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2011/764/GBVB van de Raad van 28 november 2011 tot intrekking van Besluit 2011/210/GBVB inzake een militaire operatie van de Europese Unie ter ondersteuning van humanitaire hulpoperaties naar aanleiding van de crisissituatie in Libië (EUFOR Libië)

35

 

 

2011/765/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 22 november 2011 inzake criteria voor de erkenning van opleidingscentra voor treinbestuurders, inzake criteria voor de erkenning van examinatoren van treinbestuurders en inzake criteria voor de organisatie van examens overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 7966)  ( 1 )

36

 

 

AANBEVELINGEN

 

 

2011/766/EU

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 22 november 2011 betreffende de procedure voor de erkenning van opleidingcentra en examinatoren voor treinbestuurders overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

41

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/1


Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren

De Europese Unie heeft op 16 mei 2011 de Unie van de Comoren ervan in kennis gesteld dat de Raad, namens de Europese Unie, de procedures heeft voltooid die vereist waren voor de inwerkingtreding van bovengenoemd protocol, dat op 31 december 2010 in Brussel is ondertekend.

Evenzo heeft de Unie van de Comoren de Europese Unie op 4 november 2011 medegedeeld dat haar sluitingsprocedures zijn voltooid.

Het protocol is bijgevolg krachtens artikel 14 op 4 november 2011 in werking getreden.


VERORDENINGEN

29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/2


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1222/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2011

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1010/2009 wat betreft administratieve regelingen met derde landen inzake vangstcertificaten voor producten van de zeevisserij

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (1), en met name artikel 12, lid 4, artikel 14, lid 3, artikel 20, lid 4, en artikel 52,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De administratieve regelingen met derde landen inzake vangstcertificaten voor visserijproducten zijn opgenomen in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1010/2009 van de Commissie van 22 oktober 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1005/2008 (2).

(2)

Met Noorwegen en Zuid-Afrika zijn op respectievelijk 4 mei 2011 en 21 september 2010 twee nieuwe administratieve regelingen inzake vangstcertificaten overeengekomen die gebaseerd zijn op elektronische traceerbaarheidssystemen.

(3)

Bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1010/2009 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1010/2009 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlagen I en II bij onderhavige verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(2)   PB L 280 van 27.10.2009, blz. 5.


BIJLAGE I

In bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1010/2009, komt afdeling 1 als volgt te luiden:

Afdeling 1

NOORWEGEN

VANGSTCERTIFICERINGSREGELING

Overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 wordt het in artikel 12 en bijlage II van die verordening bedoelde vangstcertificaat voor visserijproducten van vangsten door vissersvaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren, vervangen door het Noorse vangstcertificaat op basis van het door de Noorse autoriteiten beheerde Noorse elektronische traceerbaarheidssysteem voor het wegen en registreren van vangsten dat hetzelfde niveau van controle door de autoriteiten garandeert als op grond van de vangstcertificeringsregeling van de Europese Unie is vereist.

In aanhangsel 1 zijn exemplaren van het Noorse vangstcertificaat opgenomen dat het vangstcertificaat en het wederuitvoercertificaat van de Europese Unie vervangt.

De in artikel 14, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 bedoelde documenten mogen elektronisch worden doorgestuurd.

Noorwegen eist een vangstcertificaat voor de aanlanding en de invoer in Noorwegen van vangsten van vissersvaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat van de Europese Unie.

WEDERZIJDSE BIJSTAND

Ter bevordering van de uitwisseling van informatie en de wederzijdse bijstand tussen de bevoegde autoriteiten van Noorwegen en van de lidstaten van de Europese Unie wordt op basis van de bij Verordening (EG) nr. 1010/2009 vastgestelde uitvoeringsbepalingen inzake wederzijdse bijstand een systeem voor wederzijdsebijstandsverlening als bedoeld in artikel 51 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 ingesteld.

Aanhangsel I

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld

Image 3

Tekst van het beeld

Image 4

Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Aan bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 1010/2009 wordt de volgende afdeling toegevoegd:

Afdeling 7

ZUID-AFRIKA

VANGSTCERTIFICERINGSREGELING

Overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 wordt het in artikel 12 en bijlage II van die verordening bedoelde vangstcertificaat voor visserijproducten van vangsten door vissersvaartuigen die de vlag van Zuid-Afrika voeren, vervangen door Zuid-Afrikaanse vangstcertificaten, een door de Zuid-Afrikaanse autoriteiten beheerd elektronisch traceerbaarheidssysteem dat hetzelfde niveau van controle door de autoriteiten garandeert als op grond van de vangstcertificeringsregeling van de Europese Unie is vereist.

In aanhangsel 1 zijn exemplaren van de Zuid-Afrikaanse vangstcertificaten opgenomen die het vangstcertificaat en het wederuitvoercertificaat van de Europese Unie vervangen.

De in artikel 14, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 bedoelde documenten mogen elektronisch worden doorgestuurd.

Aanhangsel I

Image 5

Tekst van het beeld

Image 6

Tekst van het beeld

Image 7

Tekst van het beeld

29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1223/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1688/2005 wat betreft de bemonstering van koppels van herkomst van eieren en het microbiologische onderzoek van dergelijke monsters en monsters van bepaald vlees, bestemd voor Finland en Zweden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 9, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 853/2004 stelt specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vast. Die verordening voorziet in bijzondere garanties voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, bestemd voor de Finse en de Zweedse markt. Bijgevolg moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven die voornemens zijn in die lidstaten eieren in de handel te brengen, voldoen aan bepaalde voorschriften ten aanzien van salmonella.

(2)

Verordening (EG) nr. 1688/2005 van de Commissie van 14 oktober 2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft bijzondere garanties ten aanzien van salmonella voor de verzending naar Finland en Zweden van bepaalde soorten vlees en eieren (2) bevat voorschriften voor de bemonstering van koppels van herkomst van eieren die voor Finland en Zweden bestemd zijn. Zij stelt ook voorschriften vast met betrekking tot de microbiologische methoden voor het onderzoek van die monsters, alsook monsters van bepaald vlees van runderen en varkens en van pluimvee, dat bestemd is voor die twee lidstaten.

(3)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (3) bevat voorschriften om doeltreffende maatregelen te treffen voor de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers. Die maatregelen omvatten minimumbemonsteringsvoorschriften voor alle koppels van legkippen in het kader van de nationale bestrijdingsprogramma's voor salmonella.

(4)

Verordening (EU) nr. 517/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van bepaalde serotypes van salmonella bij legkippen van Gallus gallus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003 en Verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie (4) bevat voorschriften betreffende een testschema om na te gaan of vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om de prevalentie van die serotypes in koppels van legkippen te verminderen.

(5)

De voorschriften van de Verordeningen (EG) nr. 2160/2003 en (EU) nr. 517/2011 zijn van toepassing op alle koppels van legkippen in de Unie. Bijgevolg moeten in het belang van de vereenvoudiging van de wetgeving van de Unie en om dubbele bemonstering te vermijden de bemonsteringsvoorschriften in de Verordeningen (EG) nr. 2160/2003, (EG) nr. 1688/2005 en (EU) nr. 517/2011 worden geharmoniseerd.

(6)

Met name moeten de bemonsteringsvoorschriften die gelden voor koppels, als vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1688/2005, worden vervangen door de overeenkomstige voorschriften van de Verordeningen (EG) nr. 2160/2003 en (EU) nr. 517/2011. Aangezien de in die twee verordeningen vastgestelde voorschriften stringenter zijn, worden de bijzondere garanties voor Finland en Zweden door die wijziging niet in gevaar gebracht. Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1688/2005 moet daarom worden geschrapt.

(7)

Bovendien heeft de Internationale Organisatie voor normalisatie een nieuwe specifieke norm goedgekeurd voor de detectie van Salmonella spp. in uitwerpselen van dieren en in milieumonsters uit de primaire productiefase, met name EN/ISO-norm 6579-2002/Amd1:2007 Annex D: Detection of Salmonella spp. in animal faeces and in environmental samples from the primary production stage. Die norm moet in de Unie worden gebruikt voor monsters die zijn genomen in koppels van herkomst van eieren. Bijgevolg moeten de in Verordening (EG) nr. 1688/2005 vastgestelde bemonsteringsvoorschriften worden gewijzigd om naar die norm te verwijzen.

(8)

Verordening (EG) nr. 1688/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1688/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 4 en 5 worden vervangen door:

„Artikel 4

Bemonstering van koppels van herkomst van eieren

De bemonstering van koppels van herkomst van eieren, bestemd voor Finland en Zweden en onderworpen aan een microbiologische test, als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 853/2004, wordt uitgevoerd overeenkomstig:

a)

de minimumbemonsteringsvoorschriften voor legkoppels, als vastgesteld in de tabel in bijlage II, deel B, punt 1, bij Verordening (EG) nr. 2160/2003;

b)

de voorschriften voor het toezicht op legkoppels als vastgesteld in de bijlage, punt 2, bij Verordening (EU) nr. 517/2011.

Artikel 5

Microbiologische methoden voor het onderzoeken van de monsters

1.   Het microbiologisch testen op salmonella van de monsters die overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 4 zijn genomen, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in de volgende documenten beschreven methoden:

a)

in geval van vleesmonsters, als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3:

i)

EN/ISO 6579: Microbiology of food and animal feeding stuffs — Horizontal method for the detection of Salmonella spp. (Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders — Horizontale methode voor het aantonen van Salmonella spp.);

ii)

NMKL (Nordic Committee on Food Analysis) method No 71: Salmonella. Detection in food; of

iii)

voor vlees gevalideerde methoden op grond van de onder i) en ii) bedoelde methoden of andere internationaal aanvaarde protocollen, mits zij worden

gebruikt voor vlees van runderen en varkens en van pluimvee, en

gecertificeerd door een derde partij overeenkomstig het protocol dat is vastgesteld in norm EN/ISO 16140 Microbiology of food and animal feeding stuffs - Protocol for the validation of alternative methods (EN/ISO 16140);

b)

in geval van monsters van koppels, als bedoeld in artikel 4: EN/ISO 6579-2002/Amd1:2007 Annex D: Detection of Salmonella spp. in animal faeces and in environmental samples from the primary production stage.

2.   Wanneer de resultaten van de microbiologische tests, als bedoeld in lid 1, onder a), tussen lidstaten worden betwist, wordt de meest recente uitgave van EN/ISO 6579 als de referentiemethode beschouwd.”

2)

Bijlage III wordt geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(2)   PB L 271 van 15.10.2005, blz. 17.

(3)   PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(4)   PB L 138 van 26.5.2011, blz. 45.


29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1224/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2011

voor de toepassing van de artikelen 66 tot en met 73 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

(codificatie)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 2289/83 van de Commissie van 29 juli 1983 houdende uitvoeringsbepalingen van de artikelen 70 tot en met 78 van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

TOEPASSINGSGBIED

Artikel 1

In deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld van de artikelen 66 tot en met 73 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

TITEL II

BEPALINGEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP INVOEREN VERRICHT DOOR INSTELLINGEN OF ORGANISATIES

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Verplichtingen van de instelling of organisatie van bestemming

Artikel 2

1.   De invoer met vrijstelling van de rechten bij invoer van voorwerpen als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 houdt voor de instelling of de organisatie van bestemming de verplichting in om:

a)

deze voorwerpen rechtstreeks over te brengen naar de aangegeven plaats van bestemming;

b)

deze op te nemen in haar inventarislijst;

c)

deze uitsluitend te gebruiken voor de in de genoemde artikelen vermelde doeleinden;

d)

elke controle te vergemakkelijken die de bevoegde autoriteiten noodzakelijk achten, teneinde na te gaan of aan de voorwaarden voor het verlenen van de vrijstelling is en nog steeds wordt voldaan.

2.   Het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, dient aan de bevoegde autoriteiten een verklaring over te leggen dat hij kennis heeft genomen van de verschillende in lid 1 opgesomde verplichtingen en dat hij zich ertoe verbindt deze te zullen naleven.

De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat de in de eerste alinea bedoelde verklaring wordt overgelegd, hetzij bij elke invoer, hetzij voor een aantal invoerhandelingen, hetzij eventueel voor de totale invoer die door de instelling of organisatie van bestemming wordt verricht.

Afdeling 2

Bepalingen die van toepassing zijn in geval van bruikleen, verhuur of overdracht

Artikel 3

1.   Wanneer het bepaalde van artikel 72, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wordt toegepast, dient de instelling of organisatie aan welke een voor gehandicapten bestemd voorwerp in bruikleen gegeven, verhuurd of overgedragen wordt, vanaf de datum van ontvangst ervan, dezelfde verplichtingen in acht te nemen als bedoeld in artikel 2 van de onderhavige verordening.

2.   Wanneer de instelling of organisatie waaraan een voorwerp in bruikleen gegeven, verhuurd of overgedragen wordt, in een andere lidstaat is gevestigd dan die waarin de instelling of organisatie is gevestigd die het voorwerp in bruikleen geeft, verhuurt of overdraagt, wordt bij de verzending van bedoeld voorwerp door het bevoegde douanekantoor van de lidstaat van vertrek overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 912 bis tot en met 912 octies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (4) een controle-exemplaar T 5 afgegeven om te waarborgen dat dit voorwerp wordt gebruikt voor een doel dat recht geeft op handhaving van de vrijstelling van de rechten bij invoer.

Hiertoe moet op het bedoelde controle-exemplaar T 5 in vak 104, onder de rubriek „andere”, een van de in bijlage I opgenomen vermeldingen zijn aangebracht.

3.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op bruikleen, verhuur of overdracht van reserveonderdelen, onderdelen of specifieke hulpstukken geschikt voor voorwerpen bestemd voor gehandicapten, alsmede op gereedschap voor het onderhoud, de controle, het kalibreren, of het herstel van deze voorwerpen, die op grond van artikel 67, lid 2, en artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling zijn ingevoerd.

HOOFDSTUK II

Bijzondere bepalingen betreffende de invoer met vrijstelling van voorwerpen op grond van artikel 67, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1186/2009

Artikel 4

1.   Om een voor blinden bestemd voorwerp op grond van artikel 67, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd.

Dit verzoek dient vergezeld te gaan van alle gegevens die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om vast te stellen of aan de voorwaarden voor het verlenen van de vrijstelling is voldaan.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd beslist rechtstreeks over het in lid 1 bedoelde verzoek.

HOOFDSTUK III

Bijzondere bepalingen betreffende de invoer met vrijstelling van voorwerpen op grond van artikel 68, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1186/2009

Artikel 5

1.   Om een voor gehandicapten bestemd voorwerp op grond van artikel 68, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd, een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

2.   Het in lid 1 bedoelde verzoek bevat de volgende gegevens betreffende het betrokken voorwerp:

a)

de door de fabrikant gebruikte nauwkeurige handelsbenaming van het voorwerp, de vermoedelijke indeling ervan in de gecombineerde nomenclatuur, alsmede de objectieve technische kenmerken op grond waarvan het kan worden beschouwd als speciaal te zijn ontworpen voor onderwijs aan, arbeid van of het verwerven van een plaats in de maatschappij door gehandicapten;

b)

de naam of firmanaam en het adres van de fabrikant en, in voorkomend geval, van de leverancier;

c)

het land van oorsprong van het voorwerp;

d)

de plaats van bestemming van het voorwerp;

e)

het specifieke gebruik waarvoor het voorwerp is bestemd;

f)

de prijs van het voorwerp of de douanewaarde ervan;

g)

het aantal voorwerpen van dezelfde soort.

Bij het verzoek dient documentatiemateriaal te worden bijgevoegd met alle dienstige gegevens over de kenmerken en technische bijzonderheden van het voorwerp.

Artikel 6

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd, beslist rechtstreeks over het in artikel 5 bedoelde verzoek.

Artikel 7

De geldigheidsduur van de vergunningen tot invoer met vrijstelling bedraagt zes maanden.

Rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van elke invoer kunnen de bevoegde autoriteiten echter een langere geldigheidsduur vaststellen.

HOOFDSTUK IV

Bijzondere bepalingen betreffende de invoer met vrijstelling van reserveonderdelen, onderdelen, of specifieke hulpstukken en gereedschap op grond van artikel 67, lid 2, en artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1186/2009

Artikel 8

Voor de toepassing van artikel 67, lid 2, en van artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wordt verstaan onder specifieke hulpstukken, de artikelen welke speciaal zijn ontworpen om met een bepaald voorwerp te worden gebruikt teneinde het rendement of de gebruiksmogelijkheden ervan te verbeteren.

Artikel 9

Om reserveonderdelen, onderdelen of specifieke hulpstukken en gereedschap op grond van artikel 67, lid 2, of van artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd.

Dit verzoek dient vergezeld te gaan van alle gegevens die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om vast te stellen, of aan de in artikel 67, lid 2, of in artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 10

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd, beslist rechtstreeks over het in artikel 9 bedoelde verzoek.

TITEL III

BEPALINGEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP INVOER VERRICHT DOOR BLINDEN EN ANDERE GEHANDICAPTEN

Artikel 11

Op de invoer met vrijstelling van de rechten bij invoer van voorwerpen als bedoeld in artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, die door de blinden zelf en voor hun eigen gebruik worden ingevoerd, zijn respectievelijk de bepalingen van de artikelen 4, 8, 9 en 10 van de onderhavige verordening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Op de invoer met vrijstelling van de rechten bij invoer van voorwerpen die door de gehandicapten zelf en voor hun eigen gebruik worden ingevoerd, zijn de volgende bepalingen van overeenkomstige toepassing:

a)

de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 7, wanneer het gaat om in artikel 68, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 bedoelde voorwerpen;

b)

de bepalingen van de artikelen 8, 9 en 10, wanneer het gaat om in artikel 68, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 bedoelde voorwerpen.

Artikel 13

De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het in de artikelen 4 en 5 bedoelde verzoek op een vereenvoudigde wijze wordt gedaan wanneer het betrekking heeft op voorwerpen welke zijn ingevoerd onder de in de artikelen 11 en 12 bedoelde voorwaarden.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 14

Verordening (EEG) nr. 2289/83 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 15

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.

(2)   PB L 220 van 11.8.1983, blz. 15.

(3)  Zie bijlage II.

(4)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE I

In artikel 3, lid 2, bedoelde vermeldingen

„Артикул за лицата с увреждания: продължаването на митническите освобождавания подлежи на спазване на член 72, параграф 2, втора алинея от Регламент (ЕО) № 1186/2009”;

„Objeto para personas minusválidas: se mantiene la franquicia subordinada al respeto del artículo 72, apartado 2, segundo párrafo, del Reglamento (CE) no 1186/2009”;

„Zboží pro postižené osoby: zachování osvobození za předpokladu splnění podmínek čl. 72 odst. 2 druhého pododstavce nařízení (ES) č. 1186/2009”;

„Genstand til handicappede personer: Fortsat fritagelse betinget af overholdelse af artikel 72, stk. 2, andet afsnit, i forordning (EF) nr. 1186/2009”;

„Gegenstand für Behinderte: Weitergewährung der Zollbefreiung abhängig von der Voraussetzung des Artikels 72 Absatz 2 zweiter Unterabsatz der Verordnung (EG) Nr. 1186/2009”;

„Kaubaartiklid puuetega inimestele: impordimaksudest vabastamise jätkamine, tingimusel et täidetakse määruse (EÜ) nr 1186/2009 artikli 72 lõike 2 teist lõiku”;

„Αντικείμενα προοριζόμενα για μειονεκτούντα άτομα: Διατήρηση της ατέλειας εξαρτώμενη από την τήρηση του άρθρου 72 παράγραφος 2 δεύτερο εδάφιο του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 1186/2009”;

„Article for the handicapped: continuation of relief subject to compliance with the second subparagraph of Article 72(2) of Regulation (EC) No 1186/2009”;

„Objet pour personnes handicapées: maintien de la franchise subordonné au respect de l’article 72, paragraphe 2, deuxième alinéa, du règlement (CE) no 1186/2009”;

„Oggetto per persone disabili: la franchigia è mantenuta a condizione che venga rispettato l’articolo 72, paragrafo 2, secondo comma del regolamento (CE) n. 1186/2009”;

„Invalīdiem paredzētas preces: atbrīvojuma turpmāka piemērošana atkarīga no atbilstības Regulas (EK) Nr. 1186/2009 72. panta 2. punkta otrajai daļai”;

„Neįgaliesiems skirtas daiktas: atleidimo nuo muitų taikymo pratęsimas laikantis Reglamento (EB) Nr. 1186/2009 72 straipsnio 2 dalies antrosios pastraipos nuostatų”;

„Áru behozatala fogyatékos személyek számára: a vámmentesség fenntartása az 1186/2009/EK rendelet 72. cikke (2) bekezdésének második albekezdésében foglalt feltételek teljesítése esetén”;

„Oġġett għal nies b’xi diżabilita’: tkomplija ta’ ħelsien mid-dazju suġġett għal osservanza tat-tieni subparagrafu ta’ l-Artiklu 72(2) tar-Regolament (KE) Nru 1186/2009”;

„Voorwerp voor gehandicapten: handhaving van de vrijstelling is afhankelijk van de nakoming van artikel 72, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1186/2009”;

„Artykuł przeznaczony dla osób niepełnosprawnych: kontynuacja zwolnienia z zastrzeżeniem zachowania warunków określonych w artikel 72 ust. 2 akapit drugi rozporządzenia (WE) nr 1186/2009”;

„Objectos destinados às pessoas deficientes: é mantida a franquia desde que seja respeitado o n.o 2, segundo parágrafo, do artigo 72.o do Regulamento (CE) n.o 1186/2009”;

„Articole pentru persoane cu handicap: menținerea scutirii este condiționată de respectarea dispozițiilor articolului 72 alineatul (2) al doilea paragraf din Regulamentul (CE) Nr. 1186/2009”;

„Tovar pre postihnuté osoby: naďalej oslobodený, ak spĺňa podmienky ustanovené v článku 72 odseku 2 druhom pododseku nariadenia (ES) č. 1186/2009”;

„Predmet za invalide: ohranitev oprostitve v skladu z drugim pododstavkom člena 72(2) Uredbe (ES) št. 1186/2009”;

„Vammaisille tarkoitetut tavarat: tullittomuus jatkuu, edellyttäen että asetuksen (EY) N:o 1186/2009 72 artiklan 2 kohdan toisen alakohdan ehtoja noudatetaan”;

„Föremål för funktionshindrade: Fortsatt tullfrihet under förutsättning att villkoren i artikel 72.2 andra stycket i förordning (EG) nr 1186/2009 uppfylls”.


BIJLAGE II

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EEG) nr. 2289/83 van de Commissie

(PB L 220 van 11.8.1983, blz. 15)

 

Verordening (EEG) nr. 1746/85 van de Commissie

(PB L 167 van 27.6.1985, blz. 23)

 

Punt I.18 van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1985

(PB L 302 van 15.11.1985, blz. 139)

 

Verordening (EEG) nr. 3399/85 van de Commissie

(PB L 322 van 3.12.1985, blz. 10)

uitsluitend artikel 1, punt 3

Verordening (EEG) nr. 735/92 van de Commissie

(PB L 81 van 26.3.1992, blz. 18)

 

Punt XIII.A.II.4 van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1994

(PB C 241 van 29.8.1994, blz. 274)

 

Punt 19.B.1 van bijlage II bij de Toetredingsakte van 2003

(PB L 236 van 23.9.2003, blz. 771)

 

Verordening (EG) nr. 1792/2006 van de Commissie

(PB L 362 van 20.12.2006, blz. 1)

uitsluitend punt 11.B.1 van de bijlage


BIJLAGE III

Concordantietabel

Verordening (EEG) nr. 2289/83

De onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, aanhef

Artikel 2, lid 1, aanhef

Artikel 2, lid 1, eerste streepje

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 2, lid 1, tweede streepje

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 2, lid 1, derde streepje

Artikel 2, lid 1, onder c)

Artikel 2, lid 1, vierde streepje

Artikel 2, lid 1, onder d)

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2, eerste alinea

Artikel 3, lid 2, eerste alinea

Artikel 3, lid 2, tweede alinea, aanhef

Artikel 3, lid 2, tweede alinea

Artikel 3, lid 2, tweede alinea, streepjes

Bijlage I

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 5

Artikel 7

Artikel 6

Artikel 10

Artikel 7

Artikel 13

Artikel 8

Artikel 14

Artikel 9

Artikel 15

Artikel 10

Artikel 16

Artikel 11

Artikel 17

Artikel 12

Artikel 18

Artikel 13

Artikel 19

Artikel 14

Artikel 20

Artikel 15

Bijlage II

Bijlage III


29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1225/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2011

voor de toepassing van de artikelen 42 tot en met 52 en de artikelen 57 en 58 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen

(codificatie)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 2290/83 van de Commissie van 29 juli 1983 houdende uitvoeringsbepalingen van de artikelen 50 tot en met 59 ter en van de artikelen 63 bis en 63 ter van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

In deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de artikelen 42 tot en met 52, 57 en 58 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1

Verplichtingen van de instelling of organisatie van bestemming

Artikel 2

1.   De invoer met vrijstelling van de rechten bij invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard als bedoeld in artikel 43, in artikel 44, lid 1, en in artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, hierna „voorwerpen” genoemd, houdt voor de instelling of organisatie van bestemming de verplichting in om:

a)

de voorwerpen rechtstreeks naar de aangegeven plaats van bestemming over te brengen;

b)

deze in haar inventarislijst op te nemen;

c)

elke controle die de bevoegde autoriteiten noodzakelijk achten te vergemakkelijken, teneinde na te gaan of aan de voorwaarden voor het verlenen van de vrijstelling is en nog steeds wordt voldaan.

Bovendien zal deze invoer, wanneer het gaat om voorwerpen als bedoeld in de artikelen 44, lid 1, en 45 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, met zich brengen dat de instelling of de organisatie waarvoor de voorwerpen bestemd zijn, verplicht is deze voorwerpen in de zin van artikel 46, onder b), van die verordening uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden te gebruiken.

2.   Het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, dient aan de bevoegde autoriteiten een verklaring over te leggen dat hij kennis heeft genomen van de verschillende in lid 1 opgesomde verplichtingen en dat hij zich ertoe verbindt deze te zullen naleven.

De bevoegde autoriteiten kunnen bepalen dat de in de eerste alinea bedoelde verklaring wordt overgelegd, hetzij bij elke invoer, hetzij voor een aantal invoerhandelingen, hetzij eventueel voor de totale invoer die door de instelling of organisatie van bestemming wordt verricht.

AFDELING 2

Bepalingen die van toepassing zijn in geval van bruikleen, verhuur of overdracht

Artikel 3

1.   Wanneer artikel 48, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wordt toegepast, dient de instelling of organisatie aan welke een voorwerp in bruikleen gegeven, verhuurd of overgedragen wordt, vanaf de datum van ontvangst ervan, dezelfde verplichtingen in acht te nemen als bedoeld in artikel 2 van de onderhavige verordening.

2.   Wanneer de instelling of organisatie waaraan een voorwerp in bruikleen gegeven, verhuurd of overgedragen wordt, in een andere lidstaat is gevestigd dan die waarin de instelling of organisatie is gevestigd die het voorwerp in bruikleen geeft, verhuurt of overdraagt, wordt bij de verzending van bedoeld voorwerp door het bevoegde douanekantoor van de lidstaat van vertrek overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 912 bis tot en met 912 octies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (4) een controle-exemplaar T 5 afgegeven om te waarborgen dat dit voorwerp wordt gebruikt voor een doel dat recht geeft op handhaving van de vrijstelling van de rechten bij invoer.

Hiertoe moet op het T 5- controle-exemplaar in vak 104, onder de rubriek „andere”, één van de in bijlage I opgenomen vermeldingen zijn aangebracht.

3.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op bruikleen, verhuur of overdracht van reserveonderdelen, onderdelen of specifieke hulpstukken bestemd voor wetenschappelijke instrumenten of apparaten, alsmede op het gereedschap voor het onderhoud, de controle, het kalibreren of het herstel van wetenschappelijke instrumenten of apparaten, die op grond van artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling zijn toegelaten.

HOOFDSTUK III

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE INVOER MET VRIJSTELLING VAN EEN VOORWERP VAN OPVOEDKUNDIGE, WETENSCHAPPELIJKE OF CULTURELE AARD OP GROND VAN ARTIKEL 43 VAN VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009

Artikel 4

Om een voorwerp op grond van artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd, een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

Dit verzoek dient vergezeld te gaan van alle gegevens die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om vast te stellen of aan de voorwaarden voor het verlenen van de vrijstelling is voldaan.

HOOFDSTUK IV

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE INVOER MET VRIJSTELLING VAN WETENSCHAPPELIJKE INSTRUMENTEN OF APPARATEN OP GROND VAN DE ARTIKELEN 44 EN 46 VAN VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009

Artikel 5

Met het oog op de toepassing van artikel 46, onder a), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 wordt onder objectieve technische kenmerken van een wetenschappelijk instrument of apparaat verstaan de kenmerken die voortvloeien uit de bouw van genoemd instrument of apparaat of uit de wijzigingen die aan een gangbaar type van een instrument of apparaat zijn aangebracht, waardoor het prestaties van hoog niveau kan leveren die niet vereist zijn voor industrieel of commercieel gebruik.

Wanneer op grond van de objectieve technische kenmerken het niet mogelijk is op ondubbelzinnige wijze vast te stellen of een instrument of een apparaat als een wetenschappelijk instrument of apparaat moet worden beschouwd, wordt nagegaan voor welke doeleinden de instrumenten of apparaten waarvoor de invoer met vrijstelling van de rechten bij invoer wordt gevraagd, wordt gebruikt. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat dit instrument of apparaat wordt gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden, wordt het aangemerkt als een wetenschappelijk karakter te bezitten.

Artikel 6

1.   Om wetenschappelijke instrumenten of apparaten op grond van artikel 44, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd.

2.   Het in lid 1 bedoelde verzoek bevat de volgende gegevens betreffende het betrokken instrument of apparaat:

a)

de door de fabrikant gebruikte nauwkeurige handelsbenaming van dat instrument of apparaat, de vermoedelijke indeling ervan in de Gecombineerde Nomenclatuur en de objectieve technische kenmerken op grond waarvan het wetenschappelijke karakter van het instrument of apparaat kan worden aangetoond;

b)

de naam of firmanaam en het adres van de fabrikant en, in voorkomend geval, van de leverancier;

c)

het land van oorsprong van het instrument of apparaat;

d)

de plaats waar het instrument of apparaat zal worden gebruikt;

e)

het specifieke gebruik waarvoor het instrument of apparaat is bestemd;

f)

de prijs van het instrument of apparaat of de douanewaarde ervan;

g)

het aantal instrumenten of apparaten van dezelfde soort.

Bij het verzoek dient documentatiemateriaal te worden gevoegd met alle dienstige gegevens over de kenmerken en technische bijzonderheden van het instrument of apparaat.

Artikel 7

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd, beslist rechtstreeks over alle in artikel 6 bedoelde verzoeken.

Artikel 8

De geldigheidsduur van de vergunningen tot invoer met vrijstelling bedraagt zes maanden.

Rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van elke invoer kunnen de bevoegde autoriteiten echter een langere geldigheidsduur vaststellen.

HOOFDSTUK V

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE INVOER MET VRIJSTELLING VAN RESERVEONDERDELEN, SPECIFIEKE ONDERDELEN OF TOEBEHOREN OF VAN GEREEDSCHAP OP GROND VAN ARTIKEL 45 VAN VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009

Artikel 9

Voor de toepassing van artikel 45, onder a), van Verordening (EG) nr. 1186/2009, wordt verstaan onder specifieke hulpstukken, de artikelen welke speciaal zijn ontworpen om met een bepaald wetenschappelijk instrument of apparaat te worden gebruikt, teneinde het rendement of de gebruiksmogelijkheden ervan te verbeteren.

Artikel 10

Om reserveonderdelen, onderdelen of specifieke hulpstukken, dan wel gereedschap op grond van artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd.

Dit verzoek dient vergezeld te gaan van alle gegevens die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht om vast te stellen of aan de in artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 11

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd, beslist rechtstreeks over het in artikel 10 bedoelde verzoek.

Artikel 12

Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de vergunningen tot invoer met vrijstelling die op grond van artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 worden verleend.

HOOFDSTUK VI

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE INVOER MET VRIJSTELLING VAN MEDISCHE INSTRUMENTEN OF APPARATEN OP GROND VAN DE ARTIKELEN 57 EN 58 VAN VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009

Artikel 13

1.   Om medische instrumenten of apparaten op grond van de artikelen 57 en 58 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie van bestemming, of diens gevolmachtigde, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin deze instelling of organisatie is gevestigd.

2.   Het in lid 1 bedoelde verzoek moet inzake het betrokken instrument of apparaat de volgende gegevens bevatten:

a)

de door de fabrikant gebruikte nauwkeurige handelsbenaming van dat instrument of apparaat en de vermoedelijke indeling ervan in de Gecombineerde Nomenclatuur;

b)

de naam of firmanaam en het adres van de fabrikant en, in voorkomend geval, van de leverancier;

c)

het land van oorsprong van het instrument of apparaat;

d)

de plaats waar het instrument of apparaat zal worden gebruikt;

e)

het gebruik waarvoor het instrument of apparaat is bestemd.

3.   Indien het een schenking betreft dienen in het verzoek eveneens te worden vermeld:

a)

de naam of firmanaam en het adres van de schenker;

b)

de verklaring van de aanvrager dat:

i)

de schenking van de betrokken instrumenten of apparaten geenszins met commerciële bijbedoelingen bij de schenker geschiedt, en dat

ii)

de schenker op geen enkele wijze is verbonden met de fabrikant van de instrumenten of apparaten waarvoor vrijstelling wordt gevraagd.

Artikel 14

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de instelling of organisatie van bestemming is gevestigd, beslist rechtstreeks over alle verzoeken.

Artikel 15

De artikelen 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op reserveonderdelen, onderdelen en specifieke hulpstukken en op het gereedschap voor het onderhoud, de controle, het kalibreren of het herstellen van de op grond van artikel 52, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 met vrijstelling ingevoerde instrumenten of apparaten.

Artikel 16

Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VII

BEPALINGEN BETREFFENDE DE GEGEVENS DIE AAN DE COMMISSIE EN DE LIDSTATEN DIENEN TE WORDEN VERSTREKT

Artikel 17

1.   Elke lidstaat geeft aan de Commissie de lijst op van de instrumenten, apparaten, reserveonderdelen, onderdelen, hulpstukken en gereedschap waarvan de prijs of de douanewaarde hoger is dan 5 000 euro en waarvan hij met toepassing van de artikelen 7, 11 of 14 de invoer met vrijstelling van rechten heeft toegestaan of geweigerd.

Deze lijst bevat de nauwkeurige handelsbenaming van de in de eerste alinea opgesomde voorwerpen, alsmede de uit acht cijfers bestaande GN-code. Deze lijst bevat bovendien de vermelding van de fabrikant of fabrikanten, het land of de landen van oorsprong en de prijs of de douanewaarde van de bedoelde voorwerpen.

2.   De in lid 1 bedoelde opgave wordt gedaan tijdens het eerste en het derde kwartaal van elk jaar voor de betrokken voorwerpen waarvoor tijdens het daaraan voorafgaande halfjaar een vergunning tot invoer met vrijstelling van rechten werd verleend of geweigerd.

3.   De Commissie geeft deze lijsten door aan de andere lidstaten.

Artikel 18

Teneinde een uniforme toepassing van de bepalingen van de Unie te waarborgen worden de in artikel 17 bedoelde lijsten op geregelde tijdstippen door het Comité douanewetboek onderzocht.

HOOFDSTUK VIII

BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE INVOER VAN UITRUSTING MET VRIJSTELLING UIT HOOFDE VAN DE ARTIKELEN 51 EN 52 VAN VERORDENING (EG) Nr. 1186/2009

Artikel 19

1.   Om de invoer van uitrusting met vrijstelling uit hoofde van de bepalingen van de artikelen 51 en 52 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 te verkrijgen, dient het hoofd van de instelling of organisatie voor wetenschappelijk onderzoek met zetel buiten de Unie of diens gevolmachtigde, het verzoek hiertoe te doen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin zich de instelling of organisatie voor wetenschappelijk onderzoek met zetel in de Unie bevindt.

2.   Het in lid 1 bedoelde verzoek dient de volgende gegevens in te houden:

a)

een kopie van de overeenkomst inzake wetenschappelijke samenwerking, gesloten tussen de in de Unie en in derde landen gelegen onderzoekinstellingen;

b)

de nauwkeurige handelsomschrijving van deze uitrusting, alsmede de hoeveelheid en de waarde ervan en, in voorkomend geval, de vermoedelijke indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur;

c)

het land van oorsprong en van herkomst van de uitrusting;

d)

de plaats waar de uitrusting dient te worden gebruikt;

e)

het gebruik en de gebruiksduur waarvoor deze uitrusting is bestemd.

Artikel 20

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat, waarin de instelling of organisatie met zetel in de Unie is gevestigd, een verzoek ontvangt om invoer met vrijstelling van rechten bij invoer van uitrusting als bedoeld in artikel 51 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, worden het verzoek en de daarop betrekking hebbende documentatie naar de Commissie gezonden, zodat alvorens door voornoemde bevoegde autoriteit een besluit wordt genomen, in het Comité douanewetboek het verzoek kan worden besproken.

Op verzoek van de Commissie worden haar voor bedoelde bespreking zo nodig bijkomende inlichtingen verstrekt.

2.   De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit stelt de Commissie van het door haar genomen besluit inzake de rechtenvrije invoer in kennis.

Artikel 21

Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Verordening (EEG) nr. 2290/83 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 23

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.

(2)   PB L 220 van 11.8.1983, blz. 20.

(3)  Zie bijlage II.

(4)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE I

In artikel 3, lid 2, bedoelde vermeldingen

‘Стоки на ЮНЕСКО: продължаването на митническите освобождавания подлежи на спазване на член 48, параграф 2, първа алинея от Регламент (ЕО) № 1186/2009’;

„Objeto UNESCO: se mantiene la franquicia subordinada al respeto del artículo 48, apartado 2, primer párrafo, del Reglamento (CE) no 1186/2009”;

„Zboží UNESCO: zachování osvobození za předpokladu splnění podmínek čl. 48 odst. 2 prvního pododstavce nařízení (ES) č. 1186/2009”;

„UNESCO-varer: Fortsat fritagelse betinget af overholdelse af artikel 48, stk. 2, første afsnit, i forordning (EF) nr. 1186/2009”;

„UNESCO-Gegenstand: Weitergewährung der Zollbefreiung abhängig von der Voraussetzung des Artikels 48 Absatz 2 erster Unterabsatz der Verordnung (EG) Nr. 1186/2009”;

„UNESCO kaup: impordimaksudest vabastamise jätkamine, tingimusel et täidetakse määruse (EÜ) nr 1186/2009 artikli 48 lõike 2 esimest lõiku”;

„Αντικείμενο UNESCO: Διατήρηση της ατέλειας εξαρτώμενη από την τήρηση του άρθρου 48 παράγραφος 2 πρώτο εδάφιο του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 1186/2009”;

„UNESCO goods: continuation of relief subject to compliance with the first subparagraph of Article 48(2) of Regulation (EC) No 1186/2009”;

„Objet UNESCO: maintien de la franchise subordonné au respect de l'article 48, paragraphe 2, premier alinéa, du règlement (CE) no 1186/2009”;

„Oggetto UNESCO: è mantenuta la franchigia a condizione che venga rispettato l'articolo 48, paragrafo 2, primo comma del regolamento (CE) n. 1186/2009”;

„UNESCO preces: atbrīvojuma turpmāka piemērošana atkarīga no atbilstības Regulas (EK) Nr. 1186/2009 48. panta 2. punkta pirmajai daļai”;

„UNESCO prekės: atleidimo nuo muitų taikymo pratęsimas laikantis Reglamento (EB) Nr. 1186/2009 48 straipsnio 2 dalies pirmosios pastraipos nuostatų”;

„UNESCO-áruk: a vámmentesség fenntartása az 1186/2009/EK rendelet 48. cikke (2) bekezdésének első albekezdésében foglalt feltételek teljesítése esetén”;

„Oġġetti tal-UNESCO: tkomplija ta' ħelsien mid-dazju suġġetta għal osservanza ta' l-ewwel subparagrafu ta' l-Artikolu 48(2) tar-Regolament (KE) Nru 1186/2009”;

„UNESCO-voorwerp: handhaving van de vrijstelling is afhankelijk van de nakoming van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1186/2009”;

„Towary UNESCO: kontynuacja zwolnienia z zastrzeżeniem zachowania warunków określonych w art. 48 ust. 2 akapit pierwszy rozporządzenia (WE) nr 1186/2009”;

„Objectos UNESCO: é mantida a franquia desde que seja respeitado o n.o 2, primeiro parágrafo, do artigo 48.o do Regulamento (CE) n.o 1186/2009”;

„Articole UNESCO: menținerea scutirii este condiționată de respectarea prevederilor articolului 48 alineatul (2) primul paragraf din Regulamentul (CE) Nr. 1186/2009”;

„Tovar UNESCO: naďalej oslobodený, pokiaľ spĺňa podmienky ustanovené v článku 48 odseku 2 prvom pododseku nariadenia (ES) č. 1186/2009”;

„Blago UNESCO: ohranitev oprostitve v skladu s prvim pododstavkom člena 48(2) Uredbe (ES) št. 1186/2009”;

„UNESCO-tavarat: tullittomuus jatkuu, edellyttäen että asetuksen (EY) N:o 1186/2009 48 artiklan 2 kohdan 1 alakohdan ehtoja noudatetaan”;

„UNESCO-varor: Fortsatt tullfrihet under förutsättning att villkoren i artikel 48.2 första stycket i förordning (EG) nr 1186/2009 uppfylls”.


BIJLAGE II

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EEG) nr. 2290/83 van de Commissie

(PB L 220 van 11.8.1983, blz. 20)

 

Verordening (EEG) nr. 1745/85 van de Commissie

(PB L 167 van 27.6.1985, blz. 21)

 

Punt I.19 van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1985

(PB L 302 van 15.11.1985, blz. 139)

 

Verordening (EEG) nr. 3399/85 van de Commissie

(PB L 322 van 3.12.1985, blz. 10)

uitsluitend artikel 1, punt 4

Verordening (EEG) nr. 3893/88 van de Commissie

(PB L 346 van 15.12.1988, blz. 32)

 

Verordening (EEG) nr. 1843/89 van de Commissie

(PB L 180 van 27.6.1989, blz. 22)

 

Verordening (EEG) nr. 734/92 van de Commissie

(PB L 81 van 26.3.1992, blz. 15)

 

Punt XIII A.II.5 van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1994

(PB C 241 van 29.8.1994, blz. 274)

 

Punt 19.B.2 van bijlage II bij de Toetredingsakte van 2003

(PB L 236 van 23.9.2003, blz. 772)

 

Verordening (EG) nr. 1792/2006 van de Commissie

(PB L 362 van 20.12.2006, blz. 1)

uitsluitend punt 11.B.2 van de bijlage


BIJLAGE III

Concordantietabel

Verordening (EEG) nr. 2290/83

De onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, aanhef

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, aanhef

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, eerste streepje

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder a)

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, tweede streepje

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder b)

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, derde streepje

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder c)

Artikel 2, lid 1, tweede alinea

Artikel 2, lid 1, tweede alinea

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2, eerste zin

Artikel 3, lid 2, eerste alinea

Artikel 3, lid 2, tweede zin, aanhef

Artikel 3, lid 2, tweede alinea

Artikel 3, lid 2, tweede alinea, lijst met vermeldingen

Bijlage I

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 12

Artikel 9

Artikel 13

Artikel 10

Artikel 14

Artikel 11

Artikel 15

Artikel 12

Artikel 15 bis

Artikel 13

Artikel 15 quater

Artikel 14

Artikel 15 quinquies

Artikel 15

Artikel 15 sexies

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 18

Artikelen 18 bis

Artikel 19

Artikel 18 ter

Artikel 20

Artikel 18 quater

Artikel 21

Artikel 19

Artikel 22

Artikel 20

Artikel 23

Bijlage II

Bijlage III


29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/29


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1226/2011 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 29 november 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

59,8

IL

98,1

MA

52,7

TN

143,0

TR

82,9

ZZ

87,3

0707 00 05

EG

188,1

TR

108,0

ZZ

148,1

0709 90 70

MA

36,3

TR

131,9

ZZ

84,1

0805 20 10

MA

67,0

ZZ

67,0

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

HR

50,4

IL

77,8

TR

76,7

ZZ

68,3

0805 50 10

TR

59,7

ZA

49,5

ZZ

54,6

0808 10 80

CA

104,5

CL

90,0

CN

74,9

MK

36,4

NZ

41,5

US

134,2

ZA

148,1

ZZ

89,9

0808 20 50

CN

72,7

TR

137,2

ZZ

105,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/31


RICHTLIJN 2011/94/EU VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2011

tot wijziging van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (1), en met name artikel 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG bevat het model dat de lidstaten moeten hanteren voor de invoering van het nationale rijbewijs. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, dient de verwijzing naar de Gemeenschap op het rijbewijs te worden vervangen door een verwijzing naar de Europese Unie. Het model dient tevens te worden bijgewerkt om rekening te houden met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie.

(2)

Overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG moet op het modelrijbewijs van de Europese Unie worden vermeld welke voertuigcategorie de houder mag besturen.

(3)

In het licht van de nieuwe categorieën voertuigen die zijn ingevoerd bij Richtlijn 2006/126/EG, moet het modelrijbewijs van de Europese Unie worden bijgewerkt. Met name rijbewijzen van categorie AM (bromfietsen) en categorie A2 (motorrijwielen) zijn ingevoerd en zullen met ingang van 19 januari 2013 van toepassing zijn. Het modelrijbewijs van de Europese Unie dient derhalve te worden aangepast.

(4)

Richtlijn 2006/126/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(5)

De lidstaten worden aangespoord om, voor zichzelf en in het belang van de Unie, hun eigen tabel op te stellen waarin, voor zover mogelijk, de correlatie tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen is weergegeven en deze tabel openbaar te maken.

(6)

De bepalingen van deze richtlijn zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het rijbewijs,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 19 januari 2013.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 403 van 30.12.2006, blz. 18.


BIJLAGE

Bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

BEPALINGEN BETREFFENDE HET MODELRIJBEWIJS VAN DE EUROPESE UNIE

2)

In punt 1 worden de woorden „rijbewijs van Europees model” vervangen door „modelrijbewijs van de Europese Unie”.

3)

De tekst in punt 3, onder c), wordt vervangen door:

„c)

het onderscheidingsteken van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek; de onderscheidingstekens zijn:

B: België

BG: Bulgarije

CZ: Tsjechië

DK: Denemarken

D: Duitsland

EST: Estland

GR: Griekenland

E: Spanje

F: Frankrijk

IRL: Ierland

I: Italië

CY: Cyprus

LV: Letland

LT: Litouwen

L: Luxemburg

H: Hongarije

M: Malta

NL: Nederland

A: Oostenrijk

PL: Polen

P: Portugal

RO: Roemenië

SLO: Slovenië

SK: Slowakije

FIN: Finland

S: Zweden

UK: Verenigd Koninkrijk.”.

4)

De tekst in punt 3, onder e), met betrekking tot de eerste pagina van het rijbewijs wordt vervangen door:

„e)

de vermelding „model van de Europese Unie” in de taal/talen van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft en de vermelding „rijbewijs” in de overige talen van de Gemeenschap, gedrukt in roze letters en op een zodanige wijze dat deze de achtergrond van het rijbewijs vormen:

 

Свидетелство за управление на МПС

 

Permiso de Conducción

 

Řidičský průkaz

 

Kørekort

 

Führerschein

 

Juhiluba

 

Άδεια Οδήγησης

 

Driving Licence

 

Permis de conduire

 

Ceadúas Tiomána

 

Patente di guida

 

Vadītāja apliecība

 

Vairuotojo pažymėjimas

 

Vezetői engedély

 

Liċenzja tas-Sewqan

 

Rijbewijs

 

Prawo Jazdy

 

Carta de Condução

 

Permis de conducere

 

Vodičský preukaz

 

Vozniško dovoljenje

 

Ajokortti

 

Körkort;”.

5)

Op bladzijde 2 van het rijbewijs bij punt 3:

wordt de tekst in de punten a) 10 en a) 11 vervangen door:

„10.

de datum van eerste afgifte per categorie (deze datum moet bij iedere latere vervanging of inwisseling op het nieuwe rijbewijs worden vermeld); in elk datumveld moeten twee cijfers worden ingevuld en wel in de volgende volgorde: dag.maand.jaar (DD.MM.JJ);

11.

de datum waarop de geldigheidsduur afloopt voor elke categorie; in elk datumveld moeten twee cijfers worden ingevuld en wel in de volgende volgorde: dag.maand.jaar (DD.MM.JJ).”;

bij punt 12, onder a), eerste streepje, worden de woorden „geharmoniseerde codes van de Gemeenschap” vervangen door „geharmoniseerde codes van de Europese Unie”;

de tekst in punt 12, onder a), code 95 wordt vervangen door:

„bestuurder, houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid, die voldoet aan de vakbekwaamheidsvereisten van Richtlijn 2003/59/EG tot … [bv.: 95(01.01.12)]”;

de tekst onder b) wordt vervangen door:

„b)

een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het rijbewijs voor de rubrieken 1, 2, 3, 4 a), 4 b), 4 c), 5, 10, 11 en 12;

Indien een lidstaat deze vermeldingen in een andere nationale taal dan een van de volgende talen (Bulgaars, Deens, Duits, Engels, Ests, Fins, Frans, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Roemeens, Slowaaks, Sloveens, Spaans, Tsjechisch, Zweeds) wenst te stellen, moet hij het rijbewijs opstellen in twee talen waaronder een van de bovengenoemde talen, onverminderd de overige bepalingen van deze bijlage;”;

onder c), worden de termen „rijbewijs van Europees model” vervangen door „modelrijbewijs van de Europese Unie”.

6)

Het volgende punt c) wordt toegevoegd aan punt 4:

„c)

Informatie op de voor- en achterzijde van de kaart dient met het oog leesbaar te zijn, waarbij voor de punten 9 tot en met 12 aan de achterzijde een letterkorps van minimaal 5 punten moet worden gebruikt.”.

7)

Het rijbewijs van Europees model wordt vervangen door:

MODELRIJBEWIJS VAN DE EUROPESE UNIE

Bladzijde 1

Image 8

Bladzijde 2

Image 9

8)

Het specimen rijbewijsmodel wordt geschrapt.


BESLUITEN

29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/35


BESLUIT 2011/764/GBVB VAN DE RAAD

van 28 november 2011

tot intrekking van Besluit 2011/210/GBVB inzake een militaire operatie van de Europese Unie ter ondersteuning van humanitaire hulpoperaties naar aanleiding van de crisissituatie in Libië (EUFOR Libië)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 1 april 2011 Besluit 2011/210/GBVB vastgesteld (1).

(2)

In een brief van 27 oktober 2011 heeft de operationeel commandant van de Europese Unie aangekondigd dat het operationeel hoofdkwartier op 10 november 2011 zal worden gesloten. Daarom moet Besluit 2011/210/GBVB overeenkomstig artikel 13, lid 3, daarvan met ingang van 10 november 2011 worden ingetrokken.

(3)

In Besluit 2008/975/GBVB van de Raad van 18 december 2008 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena) (2) zijn de procedures voor de controle en het afleggen van rekening en verantwoording van een operatie vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2011/210/GBVB wordt ingetrokken met ingang van 10 november 2011. De intrekking laat de procedures onverlet die in Besluit 2008/975/GBVB zijn vastgesteld voor de controle en het afleggen van rekening en verantwoording van een operatie.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 28 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitster

K. SZUMILAS


(1)   PB L 89 van 5.4.2011, blz. 17.

(2)   PB L 345 van 23.12.2008, blz. 96.


29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/36


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 22 november 2011

inzake criteria voor de erkenning van opleidingscentra voor treinbestuurders, inzake criteria voor de erkenning van examinatoren van treinbestuurders en inzake criteria voor de organisatie van examens overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 7966)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/765/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (1), en met name artikel 23, lid 3, onder b), en artikel 25, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om te garanderen dat het kwaliteitsniveau van de opleiding en de examens van treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders passend en vergelijkbaar is, zodat ze in alle lidstaten kunnen worden gecertificeerd, moeten op het niveau van de Unie gemeenschappelijke criteria worden vastgesteld met betrekking tot de procedures voor de erkenning van opleidingscentra en voor examinatoren van treinbestuurders.

(2)

Om wederzijdse aanvaarding van de examens mogelijk te maken, moet het kwaliteitsniveau van de opleidingen en examens in alle lidstaten redelijk en vergelijkbaar zijn.

(3)

De opleidingscentra moeten bekwaam zijn op het gebied van de opleidingen die zij verstrekken. De opleidingscentra moeten met name over technische en operationele bekwaamheid beschikken, moeten in staat zijn cursussen te organiseren en moeten over voldoende personeel en apparatuur beschikken.

(4)

Er moeten met name bepalingen worden vastgesteld voor opleidingscentra welke behoren tot spoorwegondernemingen of infrastructuurbeheerders die een aanvraag indienen voor veiligheidscertificaten of veiligheidsvergunningen. Om de administratieve lasten te verlichten, moeten lidstaten de mogelijkheid krijgen om de erkenning van dergelijke opleidingscentra te combineren met het proces voor de toekenning van veiligheidscertificaten of -vergunningen.

(5)

Examinatoren van treinbestuurders moeten ervaren en bekwaam zijn met betrekking tot het onderwerp van de examens die zij wensen af te nemen. De eisen met betrekking tot de bekwaamheid van een examinator moeten betrekking hebben op aspecten als examenmethoden, vaardigheden en pedagogische bekwaamheid. De bevoegde autoriteit moet op individuele basis nagaan of de bekwaamheid van een persoon of entiteit die een erkenning als examinator van treinbestuurders aanvraagt, passend is voor het afnemen van examens op de respectieve bekwaamheidsgebieden.

(6)

Examinatoren van treinbestuurders moeten de examens op onafhankelijke en onpartijdige wijze afnemen. De personen of entiteiten die zich kandidaat stellen voor de erkenningsprocedure moeten aan de bevoegde autoriteit aantonen dat zij deze voorwaarden vervullen.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 32 van Richtlijn 2007/59/EG bedoelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In dit besluit worden de criteria vastgesteld voor de erkenning van opleidingscentra die professionele opleiding verstrekken aan treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders, voor de erkenning van examinatoren van treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders en voor de organisatie van examens overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG.

Dit besluit is van toepassing op:

a)

opleidingscentra die cursussen verstrekken aan treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders met betrekking tot de in artikel 23 van Richtlijn 2007/59/EG gespecificeerde opleidingstaken;

b)

de examinatoren van treinbestuurders die bevoegd zijn om de bekwaamheid te controleren van kandidaat-treinbestuurders of treinbestuurders die gecertificeerd wensen te worden overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2007/59/EG.

Artikel 2

Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „kandidaat”: een entiteit of afzonderlijke persoon die een onderneming heeft opgericht die een erkenning aanvraagt om cursussen te verstrekken met betrekking tot de in artikel 23, leden 5 en 6, van Richtlijn 2007/59/EG vermelde opleidingstaken, inclusief een afzonderlijke persoon die een aanvraag indient om te worden erkend als examinator, zoals vermeld in artikel 25, leden 1 en 2, van Richtlijn 2007/59/EG;

b)   „opleider”: een persoon met de relevante vaardigheden en bekwaamheid om cursussen voor te bereiden, te organiseren en uit te voeren;

c)   „examinator”: een persoon met de relevante vaardigheden en bekwaamheid, welke erkend is om examens af te nemen en te beoordelen met het oog op de toepassing van Richtlijn 2007/59/EG;

d)   „examen”: het proces waarbij op één of meerdere manieren, zoals schriftelijk, mondeling en praktisch, de bekwaamheid van een treinbestuurder of kandidaat-treinbestuurder wordt geverifieerd overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG;

e)   „examencentrum”: een entiteit die is opgericht om examens af te nemen van treinbestuurders overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2007/59/EG;

f)   „erkenning”: een formele verklaring betreffende de bekwaamheid van een persoon of entiteit om opleidingstaken uit te voeren of examens af te nemen, afgegeven door een autoriteit die daartoe door de lidstaat is aangewezen;

g)   „bevoegde autoriteit”: de bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2007/59/EG of een ander orgaan dat door de lidstaat is aangewezen voor de erkenning van opleidingscentra en examinatoren of waaraan deze taak is gedelegeerd.

HOOFDSTUK 2

OPLEIDINGSCENTRA

Artikel 3

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Opleidingscentra moeten aan alle deelnemers op onafhankelijke wijze cursussen verstrekken.

Met name in gevallen waarin het opleidingscentrum opleiding verstrekt aan personen die in dienst zijn bij het bedrijf dat eigenaar is van het opleidingscentrum en aan andere personen, met de opleiding onafhankelijk zijn van de belangen van het bedrijf dat eigenaar is van het opleidingscentrum en onpartijdig zijn voor alle deelnemers. Opleidingscentra passen dezelfde regels toe op personen die in dienst zijn bij het bedrijf dat eigenaar is van het opleidingscentrum en op andere personen. De lidstaten zien erop toe dat maatregelen worden genomen om te garanderen dat dit beginsel wordt geëerbiedigd.

Artikel 4

Bekwaamheidseisen

1.   Kandidaten moeten blijk geven van technische en operationele bekwaamheid en geschiktheid om cursussen te organiseren die passend zijn voor de opleidingstaken. Opleidingscentra moeten over voldoende personeel en apparatuur beschikken en actief zijn in een omgeving die geschikt is voor opleidingen die tot doel hebben treinbestuurders voor te bereiden op de examens voor het verkrijgen of behouden van licenties en certificaten overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG.

2.   Kandidaten moeten met name:

a)

beschikken over een efficiënte beheersstructuur die garandeert dat opleiders over voldoende kwalificaties en ervaring beschikken om opleidingen te verstrekken die in overeenstemming zijn met de in Richtlijn 2007/59/EG vastgestelde eisen;

b)

beschikken over de nodige personeelsleden, faciliteiten, apparatuur en accommodatie voor de aangeboden opleiding en het geraamde aantal deelnemers aan de opleiding;

c)

ervoor zorgen dat de praktijkopleiding wordt verstrekt door opleiders die houder zijn van zowel een geldige treinbestuurdersvergunning als een geldig certificaat voor het thema waarop de opleiding betrekking heeft of een vergelijkbaar type lijn/rollend materieel, en die minstens drie jaar professionele rijervaring hebben. Als de opleider niet beschikt over een geldig certificaat voor de desbetreffende infrastructuur/rollend materieel, moet een bestuurder die beschikt over een geldig certificaat voor de desbetreffende infrastructuur/rollend materieel aanwezig zijn tijdens de opleiding, overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder e), van Richtlijn 2007/59/EG;

d)

meedelen welke methode zij voornemens zijn te gebruiken om de inhoud, organisatie en duur van de cursussen, opleidingsplannen en bekwaamhedenprogramma’s vast te stellen;

e)

voorzien in systemen om de opleidingsactiviteiten te registreren, inclusief informatie over de deelnemers, opleiders en het aantal en doel van de cursussen;

f)

beschikken over een systeem voor kwaliteitsbeheer of gelijkwaardige procedures om te garanderen dat de systemen en procedures adequaat zijn en beantwoorden aan de eisen van Richtlijn 2007/59/EG;

g)

voorzien in beheer van de vakbekwaamheid, permanente opleiding en maatregelen om de vakbekwaamheid van opleiders op peil te houden;

h)

aantonen dat zij beschikken over procedures om opleidingsmethoden, hulpmiddelen en apparatuur te actualiseren, inclusief opleidingsliteratuur en -software, en documenten die door de infrastructuurbeheerder worden verstrekt, zoals reglementen met operationele regels, signalen of veiligheidssystemen.

3.   Een lidstaat mag aanvullende eisen vaststellen voor opleidingen met betrekking tot infrastructuur op zijn grondgebied.

4.   Kandidaten voor opleidingen over specifieke communicatie en terminologie voor procedures inzake spoorwegexploitatie en -veiligheid moeten zich kandidaat stellen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de infrastructuur is gevestigd waarop de communicatie en terminologie betrekking hebben.

Artikel 5

Opleidingscentra die behoren tot een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder

1.   Een lidstaat mag toestaan dat een kandidaat die tot een spoorwegonderneming of een infrastructuurbeheerder behoort, exclusief opleiding verstrekt aan personeel van het bedrijf waartoe het behoort, voor zover dat opleidingscentrum voldoet aan alle eisen van artikel 4 van dit besluit; een dergelijk opleidingscentrum kan worden erkend in combinatie met de procedure voor de veiligheidscertificering of -vergunning overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (2).

2.   In dat geval mag de erkenningsverklaring worden aangebracht op het desbetreffende veiligheidscertificaat of de desbetreffende veiligheidsvergunning.

3.   De activiteiten en het beheer van de in lid 1 vermelde kandidaten worden zodanig georganiseerd en gestructureerd dat belangenconflicten worden voorkomen.

Artikel 6

Nieuwe of nieuw uitgeruste lijn en nieuw geïntroduceerd rollend materieel

Met betrekking tot nieuwe of nieuw uitgeruste lijnen of nieuw geïntroduceerd rollend materieel mag een lidstaat voorwaarden vaststellen waaronder een erkend opleidingscentrum praktische opleidingen mag organiseren die afwijken van artikel 4, lid 2, onder c).

Deze afwijking is strikt beperkt tot het geval waarin nog geen opleider beschikbaar is die al over een certificaat voor de nieuwe of nieuw uitgeruste lijn of voor het nieuwe rollend materieel beschikt.

De opleider moet voldoen aan alle andere eisen van artikel 4, lid 2, onder c), met betrekking tot de licentie en het certificaat, zoals bepaald in de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2007/59/EG, en met betrekking tot de vereiste beroepservaring.

HOOFDSTUK 3

EXAMINATOREN

Artikel 7

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Kandidaten moeten bevestigen dat zij examens zullen afnemen op onpartijdige en niet-discriminerende wijze, vrij van alle druk en stimulansen die hun oordeel, het resultaat van de examens of de wijze waarop het examen wordt afgenomen, kunnen beïnvloeden.

Daartoe zal de bevoegde autoriteit een verklaring opstellen die door de kandidaat moet worden ondertekend. Deze verklaring wordt bij het aanvraagformulier gevoegd.

Artikel 8

Bekwaamheidseisen

1.   Kandidaten moeten bekwaam en ervaren zijn met betrekking tot het onderwerp van de examens die zij wensen af te nemen.

De gevraagde ervaring moet worden opgedaan door in de praktijk het beroep uit te oefenen gedurende minstens vier jaar, en dit tijdens een periode van hoogstens vijf jaar vóór de datum waarop de aanvraag wordt ingediend.

De vereiste periode van beroepservaring mag perioden omvatten van ervaring als beheerder van treinbestuurders met een geldige treinbestuurdersvergunning en aanvullend certificaat of als opleider voor opleidingstaken die relevant zijn voor de ingediende aanvraag.

2.   Met betrekking tot praktijkexamens aan boord van treinen moet de kandidaat houder zijn van zowel een geldige treinbestuurderslicentie als een geldig certificaat inzake het onderwerp van het examen of een soortgelijk type lijn/rollend materieel. Als de examinator niet beschikt over een geldig certificaat voor de infrastructuur/het rollend materieel waarop het examen betrekking heeft, moet een bestuurder die beschikt over een certificaat voor die infrastructuur/dat rollend materieel aanwezig zijn tijdens het examen, overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder e), van Richtlijn 2007/59/EG.

De kandidaat moet over minstens vier jaar beroepservaring beschikken, opgedaan binnen een periode van hoogstens vijf jaar vóór de datum waarop de aanvraag wordt ingediend. De kennis van de kandidaat moet up-to-date zijn op het ogenblik van de aanvraag.

3.   Voorts moeten de kandidaten aan de volgende minimumcriteria voldoen:

a)

ze moeten de taal van het examen kunnen verstaan en spreken op minstens niveau B2 van het door de Raad van Europa (3) vastgestelde Europese kader voor taalkennis (European Framework for Language Competence, EFLC);

b)

ze moeten beschikken over de vaardigheden en de pedagogische bekwaamheid die vereist is voor het afnemen van examens, en moeten een grondige kennis hebben van de relevante examenmethodes en examendocumenten;

c)

ze moeten aantonen hoe ze hun professionele bekwaamheid met betrekking tot de onderwerpen waarover zij examens afnemen, up-to-date zullen houden;

d)

ze moeten vertrouwd zijn met de certificeringsregeling voor treinbestuurders.

4.   Een lidstaat mag aanvullende eisen vaststellen voor examinatoren die examens afnemen met betrekking tot infrastructuur op zijn grondgebied.

HOOFDSTUK 4

ORGANISATIE VAN EXAMENS

Artikel 9

Gemeenschappelijke criteria voor de organisatie van examens

Examens die worden georganiseerd om de bekwaamheid van treinbestuurders te beoordelen overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2007/59/EG moeten beantwoorden aan de volgende criteria:

a)

in het geval van examens die door twee of meer personen worden afgenomen, moet minstens de persoon die het examen leidt een erkend examinator zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;

b)

als het examen betrekking heeft op het praktische gedeelte van de bekwaamheid als treinbestuurder, moet de examinator houder zijn van een vergunning van treinbestuurder en van een aanvullend certificaat voor het gebruik van de infrastructuur en het rollend materieel waarop het examen betrekking heeft, of van een soortgelijk type lijn/rollend materieel; als de examinator niet beschikt over een geldig certificaat voor de infrastructuur/het rollend materieel waarop het examen betrekking heeft, moet een bestuurder die beschikt over een certificaat voor die infrastructuur/dat rollend materieel aanwezig zijn tijdens het examen, overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder e), van Richtlijn 2007/59/EG;

c)

examens moeten op transparante wijze worden afgenomen en voldoende lang duren om met documenten te kunnen aantonen dat alle relevante onderwerpen van de bijlagen bij Richtlijn 2007/59/EG aan bod zijn gekomen;

d)

in gevallen waarin de examinator aan de treinbestuurder of kandidaat-treinbestuurder de opleiding verstrekt heeft over het onderwerp waarop het examen betrekking heeft, wordt het examen afgenomen door een tweede examinator, die niet betrokken was bij de voorbereidende opleiding;

e)

bij de voorbereiding van het examen wordt bijzondere aandacht besteed aan de vertrouwelijkheid van de examenvragen.

Artikel 10

Nieuwe of nieuw uitgeruste lijn en nieuw geïntroduceerd rollend materieel

Met betrekking tot nieuwe of nieuw uitgeruste lijnen of nieuw geïntroduceerd rollend materieel mag een lidstaat voorwaarden vaststellen waaronder een erkende examinator examens mag afnemen die afwijken van artikel 9.

Deze afwijking is strikt beperkt tot het geval waarin nog geen examinator beschikbaar is die al over een certificaat voor de nieuwe of nieuw uitgeruste lijn of voor het nieuwe rollend materieel beschikt.

De examinator moet voldoen aan alle andere eisen van artikel 4, lid 2, onder c), met betrekking tot de licentie en het certificaat, zoals bepaald in de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2007/59/EG, en met betrekking tot de vereiste beroepservaring.

HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Overgangsperiode

Als een spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder al examinatoren heeft geselecteerd voor het afnemen van examens van zijn eigen personeel, overeenkomstig nationale bepalingen en eisen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit, mag een lidstaat beslissen dat de geselecteerde examinatoren de examens verder mogen afnemen overeenkomstig de volgende voorwaarden:

a)

De spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder heeft de examinator geselecteerd in het kader van een overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG afgegeven veiligheidscertificaat of -vergunning, binnen de grenzen van het toepassingsgebied dat door de bevoegde autoriteit is vastgesteld, en tot het verstrijken van dit veiligheidscertificaat of deze veiligheidsvergunning;

b)

de spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder controleert of voldaan is aan de in dit besluit vastgestelde eisen met betrekking tot de door hen geselecteerde examinatoren; als een examinator niet aan een eis voldoet, neemt de spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder passende maatregelen om te garanderen dat de eisen voor examinatoren worden nageleefd.

Artikel 12

Aanvraag

Dit besluit is van toepassing met ingang van 15 mei 2012.

Voor opleidingscentra die al opleidingsdiensten verstrekken op de datum waarop dit besluit van toepassing wordt, is dit besluit van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Artikel 13

Addressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 november 2011.

Voor de Commissie

Siim KALLAS

Vicevoorzitter


(1)   PB L 315 van 3.12.2007, blz. 51.

(2)   PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44.

(3)   Common European Framework of Reference for Languages: Learning, Teaching, Assessment, 2001 (Cambridge University Press voor de Engelse versie - ISBN 0-521-00531-0). Eveneens beschikbaar op de website van de Raad van Europa: http://www.coe.int/T/DG4/Portfolio/documents/Common%20European%20Framework%20hyperlinked.pdf


AANBEVELINGEN

29.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/41


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 22 november 2011

betreffende de procedure voor de erkenning van opleidingcentra en examinatoren voor treinbestuurders overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/766/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om te garanderen dat het kwaliteitsniveau van de opleiding en de examens van treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders passend en vergelijkbaar is, zodat zij in alle lidstaten kunnen worden gecertificeerd, wordt aanbevolen op EU-niveau gemeenschappelijke criteria en procedures te hanteren voor zowel de erkenning van opleidingscentra als examinatoren voor machinisten en kandidaat-machinisten alsmede inzake de kwaliteitseisen waaraan examinatoren dienen te voldoen.

(2)

Om de wederzijdse aanvaarding van examens mogelijk te maken moet het kwaliteitsniveau van de opleidingen en examens in alle lidstaten redelijk en vergelijkbaar zijn.

(3)

In de erkenningsverklaring moet worden gespecificeerd op welke bekwaamheidsgebieden het opleidingscentrum opleidingen mag aanbieden en op welke bekwaamheidsgebieden een examinator examens van treinbestuurders mag afnemen. Binnen de grenzen van de in de erkenningsverklaring omschreven bekwaamheidsgebieden moet het erkende opleidingscentrum toestemming krijgen om opleidingen te organiseren en moeten erkende examinatoren in de hele Unie examens kunnen afnemen.

(4)

Het is mogelijk dat de bevoegde instanties niet over de specifieke ervaring en de vereiste kennis beschikken voor de erkenning van opleidingscentra en examinatoren voor wat de algemene taalkennis van treinbestuurders betreft. In dat geval mogen de lidstaten door opleidingscentra uitgereikte getuigschriften van vakbekwaamheid aanvaarden overeenkomstig het door de Raad van Europa vastgestelde Europese kader voor taalkennis (European Framework for Language Competence).

(5)

Een aantal lidstaten hebben reeds examencentra opgericht om examens voor treinbestuurders te organiseren of werken aan de oprichting daarvan. In dit geval mogen de lidstaten de bevoegdheid voor de erkenning van examinatoren onder specifieke nationale voorwaarden delegeren aan de examencentra,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

Voorwerp

1.

In deze aanbeveling worden de aanbevolen praktijken en procedures uiteengezet voor de erkenning van opleidingscentra die beroepsopleidingen geven aan treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders en voor de erkenning van examinatoren van treinbestuurders en kandidaat-treinbestuurders overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG van de Europese Parlement en de Raad (1).

Aanvraag van een erkenning voor een opleidingscentrum

2.

Een opleidingscentrum moet een schriftelijke aanvraag indienen om te worden erkend of om zijn erkenning te laten vernieuwen of wijzigen bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar zijn hoofdvestiging zich bevindt of waar het zijn hoofdvestiging wenst te vestigen, behoudens in het in punt 6 bedoelde geval.

3.

Wanneer een opleidingscentrum uit meer dan één juridische entiteit bestaat, dient elke juridische entiteit een afzonderlijke erkenning aan te vragen.

4.

Bij de aanvraag moeten bewijsstukken worden gevoegd waaruit blijkt dat het opleidingscentrum voldoet aan de eisen van Richtlijn 2007/59/EG en Besluit 765/2011 van de Commissie (2).

5.

In de aanvragen moet worden gespecificeerd voor welke opleidingstaken de erkenning wordt aangevraagd. De aanvraag mag betrekking hebben op opleidingstaken op één of meer bekwaamheidsgebieden. Ze moet worden gestructureerd overeenkomstig de volgende bekwaamheidsgebieden:

a)

algemene vakkennis als bedoeld in bijlage IV bij Richtlijn 2007/59/EG;

b)

vakkennis inzake rollend materieel als bedoeld in bijlage V bij Richtlijn 2007/59/EG;

c)

vakkennis inzake infrastructuur als bedoeld in bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG;

d)

taalvaardigheid als bedoeld in bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG (algemene taalkennis en/of specifieke communicatie en terminologie in het kader van de spoorwegexploitatie en veiligheidsprocedures).

6.

Een opleidingscentrum waarvan de belangrijkste vestiging zich in een andere lidstaat bevindt dan die waar de infrastructuur zich bevindt, kan worden erkend door de bevoegde instantie van de lidstaat waar de infrastructuur zich bevindt.

7.

Wanneer een opleidingscentrum dat reeds door een bevoegde instantie van een lidstaat overeenkomstig deze aanbeveling en Besluit 765/2011 is erkend een erkenning aanvraagt voor opleidingstaken betreffende de vakkennis inzake infrastructuur, beperken de bevoegde instanties van andere lidstaten hun beoordeling tot de eisen die specifiek verband houden met de betrokken infrastructuur en worden zij geacht de reeds in de loop van vorige erkenningsprocedures beoordeelde aspecten niet opnieuw te onderzoeken.

Afgifte van een erkenningsverklaring voor een opleidingscentrum

8.

De bevoegde instantie verleent uiterlijk twee maanden na ontvangst van alle vereiste documenten een erkenningsverklaring.

9.

De bevoegde instantie baseert haar besluit over de aanvraag op de elementen waarmee de aanvrager aantoont dat zijn onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid worden gewaarborgd.

10.

Een erkenningsverklaring dient de volgende informatie te bevatten:

a)

de naam en het adres van de bevoegde instantie;

b)

de naam en het adres van het opleidingscentrum;

c)

de opleidingstaken waarvoor het opleidingscentrum overeenkomstig punt 5 opleidingen mag aanbieden;

d)

het overeenkomstig punt 15 toegekende identificatienummer van het opleidingscentrum;

e)

de vervaldatum van de erkenningsverklaring.

Geldigheid, wijziging en vernieuwing van een erkenningsverklaring voor een opleidingscentrum

11.

Een erkenningsverklaring voor een opleidingscentrum is vijf jaar geldig. De bevoegde instantie kan de geldigheidsduur voor alle of een deel van de in de verklaring vermelde opleidingstaken in gemotiveerde gevallen inkorten.

12.

Een opleidingscentrum dat over een geldige erkenningsverklaring beschikt, kan te allen tijde toestemming vragen om zijn opleidingstaken uit te breiden. Op basis van de door de aanvrager ingediende passende aanvullende documenten wordt daartoe een gewijzigde erkenningsverklaring afgegeven. In dit geval wordt de vervaldatum van de gewijzigde verklaring niet gewijzigd.

13.

Indien het opleidingscentrum niet langer aan de eisen voor één of meer van de in de erkenningsverklaring genoemde opleidingstaken voldoet, dient het de onmiddellijk te stoppen met het aanbieden van opleiding voor deze taken en de bevoegde instantie die de erkenningsverklaring heeft afgegeven daar schriftelijk van op de hoogte te brengen. De bevoegde instantie beoordeelt de meegedeelde informatie en verleent een gewijzigde erkenningsverklaring. In dit geval wordt de vervaldatum van de verklaring niet gewijzigd.

14.

Op verzoek van een opleidingscentrum moet een erkenningsverklaring worden vernieuwd en afgegeven onder dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke erkenningsverklaring. De bevoegde instantie kan een vereenvoudigde procedure instellen wanneer de voorwaarden voor de erkenning niet zijn gewijzigd. Er moet een overzicht worden toegevoegd van de gedurende de vorige twee jaren georganiseerde opleidingsactiviteiten. Wanneer de vorige geldigheidsperiode overeenkomstig punt 11 is ingekort tot een periode van minder dan twee jaar, moet een overzicht voor de hele periode worden ingediend.

Register van opleidingscentra

15.

In het in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2007/59/EG bedoelde register moet elk erkend opleidingscentrum met een individueel identificatienummer worden aangeduid. Het identificatienummer wordt bepaald op basis van de nationale regelgeving, maar moet de afkorting bevatten van de lidstaat waar het erkende opleidingscentrum gevestigd is.

16.

In het nationale register worden in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

a)

de naam en het adres van het erkende opleidingscentrum;

b)

de opleidingstaken waarvoor het opleidingscentrum erkend is en cursussen mag aanbieden overeenkomstig de betreffende bijlagen van Richtlijn 2007/59/EG;

c)

het identificatienummer;

d)

de vervaldatum van de erkenningsverklaring;

e)

de contactgegevens.

17.

Om ervoor te zorgen dat het register up-to-date blijft, dienen erkende opleidingscentra de bevoegde instantie die de erkenningsverklaring heeft afgegeven in kennis te stellen van elke wijziging van de in het register gepubliceerde gegevens. De lidstaten kunnen verlangen dat aanvullende gegevens in het register worden opgenomen en dat zij in kennis worden gesteld van wijzigingen van die gegevens.

Schorsing en intrekking van erkenningen

18.

Wanneer uit door een bevoegde instantie of lidstaat overeenkomstig de artikelen 26, 27 of 29 van Richtlijn 2007/59/EG uitgevoerde evaluaties of controles blijkt dat een opleidingscentrum niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, wordt de erkenningsverklaring van het betrokken centrum door de bevoegde instantie ingetrokken of geschorst.

19.

Indien een bevoegde instantie van oordeel is dat een door een bevoegde instantie van een andere lidstaat erkend opleidingscentrum niet aan de verplichtingen van Richtlijn 2007/59/EG en Besluit 765/2011 voldoet, stelt zij de bevoegde instantie van de lidstaat die de erkenningsverklaring heeft afgegeven, daarvan in kennis. De bevoegde instantie die de erkenningsverklaring heeft afgegeven onderzoekt deze informatie binnen vier weken en stelt de verzoekende bevoegde instantie in kennis van de resultaten van haar onderzoeken en besluiten.

20.

Wanneer de bevoegde instantie van oordeel is dat het opleidingscentrum niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, dient zij de erkenningsverklaring te schorsen of in te trekken.

Beroepsprocedure

21.

De bevoegde instantie stelt het opleidingscentrum schriftelijk in kennis van de redenen voor haar besluit.

22.

In geval van een schorsing of intrekking dient de bevoegde instantie het opleidingscentrum duidelijk mee te delen aan welke eisen het niet meer voldoet. De bevoegde instantie kan, voor de schorsing of intrekking in werking treedt, een termijn vaststellen waarbinnen het opleidingscentrum maatregelen dient te nemen om opnieuw aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen. Zij stelt het opleidingscentrum in kennis van de procedure die het opleidingscentrum kan volgen om beroep aan te tekenen tegen haar besluit.

23.

De bevoegde instantie dient een administratieve beroepsprocedure op te zetten zodat het betrokken opleidingscentrum beroep kan aantekenen tegen een betwist besluit.

Opleidingscentra voor taalopleidingen

24.

Een lidstaat kan een opleidingscentrum voor algemene taalopleidingen erkennen op basis van een getuigschrift waarin bevestigd wordt dat de aanvrager bekwaam is om algemene taalopleidingen te geven. Deze bekwaamheid dient in overeenstemming te zijn met de beginselen en methode van het door de Raad van Europa vastgestelde Europese kader voor taalkennis (European Framework for Language Competence) (3). De lidstaat kan aanvullende regels vaststellen om het gebruik van deze optie in overeenstemming te brengen met de nationale praktijken inzake de certificering van taalopleidingscentra.

25.

Voor de opleiding inzake specifieke communicatie en terminologie inzake spoorwegexploitatie en veiligheidsprocedures moet een erkenning overeenkomstig de bepalingen van deze aanbeveling worden verlangd. Aanvragen om te worden erkend als opleidingscentrum inzake specifieke communicatie en terminologie voor procedures inzake spoorwegexploitatie en -veiligheid moeten worden ingediend bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar de infrastructuur waarop de communicatie en terminologie betrekking hebben, zich bevindt.

Aanvraag van een erkenning als examinator

26.

Om als examinator te worden erkend, moet een schriftelijke aanvraag worden ingediend bij de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat.

27.

Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor de erkenning als examinator voor infrastructuurkennis, met inbegrip van trajectkennis en exploitatievoorschriften, is de bevoegde instantie van de lidstaat waar de infrastructuur zich bevindt verantwoordelijk voor de erkenning.

28.

Een aanvraag kan namens een kandidaat worden ingediend door zijn of haar werkgever.

29.

Bij de aanvraag moeten bewijsstukken worden gevoegd waaruit blijkt dat de examinator voldoet aan de eisen van Richtlijn 2007/59/EG en Besluit 765/2011.

30.

In de aanvraag moet worden gespecificeerd voor welke bekwaamheidsgebieden een examinator de erkenning aanvraagt. De aanvraag mag betrekking hebben op één of meer bekwaamheidsgebieden. Ze moet worden gestructureerd overeenkomstig de volgende bekwaamheidsgebieden:

a)

algemene vakkennis als bedoeld in bijlage IV bij Richtlijn 2007/59/EG;

b)

vakkennis inzake rollend materieel als bedoeld in bijlage V bij Richtlijn 2007/59/EG;

c)

vakkennis inzake infrastructuur als bedoeld in bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG;

d)

taalvaardigheid als bedoeld in bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG (algemene taalkennis en/of specifieke communicatie en terminologie op het gebied van spoorwegexploitatie en veiligheidsprocedures).

Afgifte van een erkenningsverklaring voor een examinator

31.

De bevoegde instantie beoordeelt alle door de aanvrager ingediende documenten. Wanneer de aanvrager aan alle eisen voldoet, verleent zij zo snel mogelijk en uiterlijk twee maanden na ontvangst van alle vereiste documenten een erkenningsverklaring.

32.

Een erkenningsverklaring dient minstens de volgende informatie te bevatten:

a)

de naam en het adres van de bevoegde instantie;

b)

de naam of de namen, het adres en de geboortedatum van de aanvrager; de vermelding van de geboorteplaats van de aanvrager in de erkenningsverklaring is facultatief;

c)

de bekwaamheidsgebieden waarop de erkende examinator examens mag afnemen;

d)

de talen waarin de erkende examinator examens mag afnemen;

e)

het overeenkomstig punt 10, onder d), aan de examinator toegekende identificatienummer;

f)

de vervaldatum van de erkenningsverklaring.

Geldigheid, wijziging en vernieuwing van een erkenningsverklaring voor een examinator

33.

Een erkenningsverklaring voor een examinator is vijf jaar geldig. De bevoegde instantie kan de geldigheidsduur voor alle of een deel van de in de verklaring vermelde bekwaamheidsgebieden in gemotiveerde gevallen inkorten.

34.

De houder van een geldige erkenningsverklaring kan te allen tijde om een wijziging vragen teneinde nieuwe bekwaamheidsgebieden toe te voegen. Op basis van de door de aanvrager ingediende passende aanvullende documenten wordt daartoe een gewijzigde erkenningsverklaring afgegeven. De vervaldatum van de gewijzigde verklaring wordt niet gewijzigd.

35.

Wanneer een erkenningsverklaring moet worden aangepast omdat de examinator niet langer aan de eisen voor één of meer in de verklaring genoemde bekwaamheidsgebieden voldoet, dient de examinator onmiddellijk te stoppen met het afnemen van examens op deze bekwaamheidsgebieden en de bevoegde instantie daar schriftelijk van in kennis te stellen. De bevoegde instantie beoordeelt de meegedeelde informatie en verleent een gewijzigde erkenningsverklaring. De vervaldatum van de gewijzigde verklaring wordt niet gewijzigd.

36.

Op verzoek van een examinator moet een erkenningsverklaring worden vernieuwd en afgegeven onder dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke erkenningsverklaring. De bevoegde instantie kan een vereenvoudigde procedure instellen wanneer de voorwaarden voor de erkenning niet zijn gewijzigd. In ieder geval dienen examinatoren die een vernieuwing aanvragen een overzicht te verstrekken van de bekwaamheden die zij tijdens de verstreken periode hebben verworven en van de tijdens de jongste twee jaren afgenomen examens. Wanneer de vorige geldigheidsperiode overeenkomstig punt 33 was ingekort tot een periode van minder dan twee jaar, moet een overzicht voor de hele periode worden ingediend.

Register van examinatoren

37.

In het in artikel 20, lid 3, van Richtlijn 2007/59/EG bedoelde register moet elke examinator met een individueel identificatienummer worden aangeduid. Het identificatienummer wordt bepaald op basis van de nationale regelgeving, maar moet de afkorting bevatten van de lidstaat waar de examinator is gevestigd.

38.

In het nationale register worden in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

a)

de naam, het adres en de geboortedatum van de erkende examinator;

b)

de bekwaamheidsgebieden waarop de erkende examinator examens mag afnemen;

c)

de talen waarin de erkende examinator examens mag afnemen;

d)

het overeenkomstig punt 37 aan de examinator toegekende identificatienummer;

e)

wanneer een werkgever namens een examinator overeenkomstig punt 28 een aanvraag indient, de naam en het adres van de werkgever (in andere gevallen is de vermelding van de naam en het adres van de werkgever facultatief);

f)

de vervaldatum van de erkenningsverklaring;

g)

de contactgegevens.

39.

Om ervoor te zorgen dat het register up-to-date blijft, dient een erkend examinator of zijn of haar werkgever de bevoegde instantie die de erkenningsverklaring heeft afgegeven in kennis te stellen van elke wijziging van de in het register opgenomen gegevens. De lidstaten kunnen verlangen dat aanvullende gegevens in het register worden opgeslagen en dat zij in kennis worden gesteld van wijzigingen van die gegevens.

40.

De in de punt 38, onder a), b) en c), bedoelde gegevens moeten publiek toegankelijk worden gemaakt. Andere in punt 38 vermelde gegevens moeten openbaar worden gemaakt overeenkomstig de nationale regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.

Schorsing en intrekking van erkenningen

41.

Wanneer uit door de bevoegde instantie of de lidstaten overeenkomstig de artikelen 26, 27 of 29 van Richtlijn 2007/59/EG uitgevoerde evaluaties of controles blijkt dat de examinator niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, dient de bevoegde instantie zijn of haar erkenningsverklaring in te trekken of te schorsen.

42.

Indien een bevoegde instantie van oordeel is dat een door een bevoegde instantie van een andere lidstaat erkende examinator niet aan één of meer van de bij Richtlijn 2007/59/EG en Besluit 765/2011 vastgestelde eisen voldoet, stelt zij de bevoegde instantie van de lidstaat die de erkenningsverklaring heeft afgegeven daarvan in kennis en vraagt zij deze instantie de nodige controles uit te voeren.

43.

Indien de bevoegde instantie van de laatstgenoemde lidstaat van oordeel is dat de examinator niet langer aan de eisen voldoet, dient zij de erkenningsverklaring in te trekken of te schorsen, de examinator onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van de redenen die aan de basis liggen van haar besluit en haar besluit mee te delen aan de bevoegde instantie die haar op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de examinator niet aan de eisen voldoet.

Beroepsprocedure

44.

De bevoegde instantie stelt de examinator schriftelijk in kennis van de redenen voor haar besluit.

45.

In geval van een schorsing of intrekking dient de bevoegde instantie duidelijke informatie te verstrekken over de eisen waar de examinator niet langer aan voldoet. De bevoegde instantie kan, voor de schorsing of intrekking in werking treedt, een termijn vaststellen waarbinnen de examinator de nodige stappen dient te nemen om opnieuw aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen.

46.

De bevoegde instantie dient een administratieve beroepsprocedure in te stellen zodat kandidaten of examinatoren beroep kunnen aantekenen tegen een betwist besluit.

Taalexamens

47.

Om de algemene taalkennis van een kandidaat te beoordelen en hem of haar als examinator te erkennen mag een lidstaat zich baseren op een getuigschrift dat is uitgereikt overeenkomstig de gangbare praktijken in de sector van de taalopleidingen. Dit getuigschrift moet bevestigen dat de kandidaat bekwaam is om examens af te nemen overeenkomstig de beginselen en methode van het door de Raad van Europa vastgestelde Europese kader voor taalkennis (European Framework for Language Competence). De lidstaat kan aanvullende regels vaststellen om het gebruik van deze optie in overeenstemming te brengen met de nationale praktijken inzake de certificering van de taalkennis van examinatoren.

48.

Voor de beoordeling van de bekwaamheid op het gebied van specifieke communicatie en terminologie inzake spoorwegexploitatie en veiligheidsprocedures moet een erkenning overeenkomstig de bepalingen van deze aanbeveling worden verlangd. Aanvragen om te worden erkend als examinator die bekwaam is om examens af te nemen over specifieke communicatie en terminologie inzake spoorwegexploitatie en veiligheidsprocedures moeten worden ingediend bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar de infrastructuur waarop de communicatie en terminologie betrekking hebben, zich bevindt.

Erkenning van examencentra

49.

Een lidstaat kan eisen dat examencentra worden erkend op basis van een bij de bevoegde instantie ingediende schriftelijke aanvraag.

50.

De bevoegde instantie dient een erkenningsverklaring af te geven voor het examencentrum overeenkomstig de nationale regelgeving en procedures en op basis van criteria van onafhankelijkheid, bekwaamheid en onpartijdigheid. De erkenning van examencentra gebeurt door toepassing van de punten 26 tot en met 48.

51.

De bevoegde instantie kan examencentra belasten met de erkenning van hun eigen examinatoren op voorwaarde dat zij aan de in punt 53 vastgestelde eisen voldoen.

52.

Voor de toepassing van punt 54 dient elk examencentrum een register bij te houden van alle examinatoren die het heeft erkend. Dat register moet de in punt 38 bedoelde informatie bevatten.

53.

Een examencentrum is verantwoordelijk voor het beheer van zijn examinatoren en dient ervoor te zorgen dat zij overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG en Besluit 765/2011 over de nodige bekwaamheden beschikken.

54.

Examinatoren mogen alleen toestemming krijgen om examens af te nemen in het kader van de activiteiten van het examencentrum waartoe zij behoren.

55.

Informatie over een erkend examencentrum moet publiek toegankelijk worden gemaakt in het register waarin punt 38 voorziet, zonder evenwel informatie te verstrekken over de individuele examinatoren die voor het centrum werken. De naam van het examencentrum moet worden vermeld in plaats van het in punt 37 bedoelde identificatienummer.

56.

De bevoegde instantie stelt het examencentrum schriftelijk in kennis van de redenen voor haar besluit.

57.

In geval van een schorsing of intrekking dient de bevoegde instantie duidelijke informatie te verstrekken over de eisen waaraan het examencentrum niet langer voldoet. De bevoegde instantie kan, vóór de schorsing of intrekking in werking treedt, een termijn vaststellen waarbinnen het examencentrum de nodige stappen dient te nemen om opnieuw aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen.

58.

De bevoegde instantie dient een administratieve beroepsprocedure in te stellen zodat kandidaten of examencentra beroep kunnen aantekenen tegen een betwist besluit.

Transparante evaluatieregels

59.

De evaluatie- en quoteringsbeginselen en de manier waarop de resultaten worden weergegeven, moeten vóór het examen bekend worden gemaakt.

60.

Machinisten of kandidaat-machinisten moeten inzage krijgen in de evaluatie- of examenresultaten en moeten de mogelijkheid krijgen een herziening te vragen in geval van een gemotiveerde negatieve beslissing over de door hen afgelegde examens.

Kwaliteitscontroles en toezicht door de bevoegde instantie

61.

Voor de uitoefening van haar toezichthoudende opdracht overeenkomstig de artikelen 26, 27 of 29 van Richtlijn 2007/59/EG kan een bevoegde instantie verlangen dat:

a)

zij toegang krijgt tot alle documenten die relevant zijn voor de opstelling, uitvoering en beoordeling van examens;

b)

een rapportageprocedure wordt vastgesteld waarbij bepaalde informatie regelmatig of op verzoek wordt meegedeeld;

c)

op de examens toezicht wordt uitgeoefend door vertegenwoordigers van de bevoegde instantie.

Gedaan te Brussel, 22 november 2011.

Voor de Commissie

Siim KALLAS

Vicevoorzitter


(1)   PB L 315 van 3.12.2007, blz. 51.

(2)  Zie bladzijde 36 van dit Publicatieblad.

(3)   Common European Framework of Reference for Languages: Learning, Teaching, Assessment, 2001 (Cambridge University Press voor de Engelse versie — ISBN 0-521-00531-0). Eveneens beschikbaar op de website van de Raad van Europa: http://www.coe.int/T/DG4/Portfolio/documents/Common%20European%20Framework%20hyperlinked.pdf