|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2011.274.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 274 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
54e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2011/676/EU |
|
|
|
* |
Besluit van de Commissie van 20 april 2011 betreffende de mogelijke steun ten behoeve van Trèves nr. C 4/10 (ex NN 64/09) ten uitvoer gelegd door de Franse Republiek (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2585) ( 1 ) |
|
|
|
|
2011/677/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2011/678/EU |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
19.10.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 274/1 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 20 april 2011
betreffende de mogelijke steun ten behoeve van Trèves nr. C 4/10 (ex NN 64/09) ten uitvoer gelegd door de Franse Republiek
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2585)
(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2011/676/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I. PROCEDURE
|
(1) |
Uit diverse artikelen die in het voorjaar van 2009 in de media verschenen, heeft de Commissie opgemaakt dat het „Fonds de modernisation des équipementiers automobiles” (hierna „FMEA” genoemd) een bedrag van 55 miljoen EUR heeft geïnvesteerd in de onderneming Trèves. In brieven van 5 mei 2009, 11 juni 2009, 10 juli 2009 en 4 november 2009 heeft de Commissie de Franse autoriteiten hierover informatie gevraagd. Die autoriteiten hebben deze verzoeken beantwoord in brieven (of e-mailberichten) van 5 juni 2009, 23 juni 2009, 18 augustus 2009, 18 november 2009 en 23 december 2009. |
|
(2) |
Daarnaast heeft op verzoek van de Franse autoriteiten op 8 januari 2010 ten kantore van de Commissie een vergadering plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze vergadering hebben de Franse autoriteiten op 15 januari 2010 per e-mail aanvullende informatie verstrekt. |
|
(3) |
Op 29 januari 2010 heeft de Commissie Frankrijk per brief geïnformeerd over haar besluit om de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) in te leiden ten aanzien van de investering van het FMEA en een plan voor herschikking van bij de fiscus en de sociale zekerheid uitstaande schulden (ook wel „aanzuiveringsplan” genoemd) dat door de Franse overheid voor Trèves is goedgekeurd. Frankrijk heeft op 25 maart 2010 gereageerd op het inleiden van de formele onderzoeksprocedure. |
|
(4) |
Het besluit van de Commissie om de procedure in te leiden is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de desbetreffende steunmaatregelen te maken. |
|
(5) |
De Commissie heeft daarop van de volgende belanghebbenden opmerkingen ontvangen: de Italiaanse Republiek, de onderneming Trèves, het PSA Peugeot Citroën-concern, het Renault-concern, een concurrent van Trèves die anoniem wenst te blijven en van het FMEA (3). De Commissie heeft deze opmerkingen aan Frankrijk doorgezonden en dat land in de gelegenheid gesteld te reageren. Deze reactie werd op 5 oktober 2010 per brief ontvangen. Ook vond op 18 november 2010 een vergadering met de Franse autoriteiten plaats. Ten slotte ontving de Commissie op 21 december 2010 en 22 februari 2011 per e-mail nadere informatie. |
II. BESCHRIJVING VAN DE ONDERZOCHTE MAATREGELEN
|
(6) |
Alvorens de onderzochte maatregelen te beschrijven, moet nader worden ingegaan op het Fonds stratégique d'investissement (hierna „FSI” genoemd), het FMEA, de CDC Entreprises (beheersmaatschappij van het FMEA, zie punt II.1) en de onderneming Trèves, en op de maatregelen die ten behoeve van deze onderneming werden genomen (onderstaand punt II.2). Ten slotte zal worden ingegaan op de redenen voor het inleiden van de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de investering van het FMEA en het plan voor herschikking van bij de fiscus en de sociale zekerheid uitstaande schulden (onderstaand punt II.3). |
II.1. FSI, FMEA, CDC Entreprises
|
(7) |
Toen in 2008 de crisis begon, werd in Frankrijk het Fonds stratégique d'investissement (hierna „FSI” genoemd) opgericht om de Franse economie te ondersteunen. Kort daarna richtte het FSI samen met het PSA Peugeot Citroën-concern (hierna „PSA” genoemd) en het Renault-concern (hierna „Renault” genoemd) het FMEA op. Terwijl het FSI zich richt op alle soorten ondernemingen, ongeacht de bedrijfstak waarin deze actief zijn, is het FMEA alleen bedoeld voor toeleveranciers van de auto-industrie. |
|
(8) |
Het Fonds stratégique d'investissement is een fonds met een werkkapitaal van 20 miljard EUR dat in december 2008 door de Franse regering werd opgericht om tegemoet te komen aan de behoefte aan eigen vermogen van ondernemingen die van belang werden geacht voor de groei en het concurrentievermogen van de Franse economie. Volgens de directie van het FSI investeert het fonds alleen in ondernemingen die goede vooruitzichten op groei en concurrentievermogen voor de Franse economie hebben. |
|
(9) |
Het FSI is voor 49 % in handen van de Franse overheid en voor 51 % van de Caisse des dépôts et consignation (hierna „CDC” genoemd). De CDC „en haar dochterondernemingen vormen een openbaar concern ten dienste van het algemeen belang en de economische ontwikkeling” van Frankrijk (4). Haar directie wordt bij beschikking benoemd. |
|
(10) |
De raad van bestuur van het FSI wordt voorgezeten door de algemeen directeur van de CDC en bestaat naast de voorzitter uit zes bestuurders, onder wie een vertegenwoordiger van de CDC, twee vertegenwoordigers van de staat (de directeur-generaal Overheidsparticipaties en de directeur-generaal Ondernemingen). De drie andere leden vertegenwoordigen de belangen van de ondernemingen (de directeuren van SCOR, Essilor en Artémis). |
|
(11) |
Het FMEA is een gemeenschappelijk fonds voor investeringen in risicokapitaal, dat tot doel heeft de opkomst te stimuleren van concurrerende toeleveranciers voor de auto-industrie, die hun klanten mogelijkheden voor onderzoek en ontwikkeling kunnen aanbieden, alsmede een betere internationale benutting daarvan. Het doet zelf of samen met andere particuliere investeerders of andere fondsen investeringen van maximaal 60 miljoen EUR, die uitsluitend aan zijn deelnemers ten goede komen. |
|
(12) |
De oprichting van het FMEA (op 25 maart 2009) is een van de maatregelen in het kader van het steunprogramma voor de autobranche dat op 4 december 2008 door de Franse president werd aangekondigd. Er werd 600 miljoen EUR in het fonds gestort door het FSI (200 miljoen EUR), PSA (200 miljoen EUR) en Renault (200 miljoen EUR). |
|
(13) |
Het FMEA wordt beheerd door de CDC Entreprises, een dochteronderneming van de CDC. Investeringsbesluiten worden dus door CDC Entreprises genomen. |
|
(14) |
Het FMEA heeft een selectie- en een investeringscommissie, die belast zijn met het voorbereiden van de dossiers voorafgaand aan de investering door de beheersmaatschappij CDC Entreprises. De drie investeerders (PSA, Renault en het FSI) zijn gelijkelijk in deze commissies vertegenwoordigd. |
|
(15) |
In het huishoudelijk reglement van het FMEA is bepaald dat de selectiecommissie altijd door de beheersmaatschappij moet worden geraadpleegd over de strategische aard van investeringsprojecten. De adviezen van deze commissie zijn niet bindend voor de beheersmaatschappij. Zij worden bij twee derde meerderheid genomen. |
|
(16) |
De investeringscommissie moet worden geraadpleegd vóór elke uitgevoerde investering of desinvestering of over elke afwijking van de criteria en voorschriften van het investeringsbeleid. Uitspraken van deze commissie over een investerings- of desinvesteringsproject worden ook bij twee derde meerderheid van stemmen genomen en zijn niet bindend voor de beheersmaatschappij. Wanneer echter een van de drie investeerders tegenstemt, wordt het uitgebrachte advies beschouwd als een negatief advies. In dat geval wordt het investerings- of desinvesteringsproject teruggezonden naar de selectiecommissie. |
|
(17) |
CDC Entreprises is een grote speler op het gebied van investeringskapitaal in Frankrijk. Zij moet zich houden aan alle voorschriften van de Autoriteit Financiële Markten voor het beheer namens derden, en met name aan de voorschriften voor onafhankelijkheid bij de keuze van investeringen en het voorkomen van belangenconflicten. CDC Entreprises beheert onder meer de investeringen van het FSI in niet-beursgenoteerde mkb-bedrijven en investeringen namens de CDC en andere investeerders. |
|
(18) |
CDC Entreprises is een 100 % dochter van de CDC. De bestuursvoorzitter en de algemeen directeur van CDC Entreprises worden benoemd door haar raad van bestuur, waarvan de leden op hun beurt worden benoemd door de CDC. |
|
(19) |
CDC Entreprises heeft met het FSI een overeenkomst over ondersteuning en advisering gesloten. Op grond van deze overeenkomst ondersteunt een speciaal team van het FSI CDC Entreprises bij de voorselectie van investeringsprojecten (haalbaarheidsstudies en risicobeoordeling, onderzoek en ondersteuning bij de uitvoering van onder meer deze werkzaamheden) en het monitoren van de uitgevoerde investeringen. |
|
(20) |
Vanwege de organisatie en de werkwijze van de commissies binnen het FMEA mag alleen CDC Entreprises namens het FMEA verbintenissen aangaan. De besluiten van de commissies zijn niet bindend voor de beheersmaatschappij (behalve wanneer het gaat om afwijkingen van de criteria en voorschriften van het investeringsbeleid en het omgaan met belangenconflicten, waarvan in deze zaak geen sprake is). De Franse autoriteiten hebben aangegeven dat CDC Entreprises het tot op heden nog nooit opportuun heeft geacht om zich op het gebied van investeringen uit te spreken tegen de adviezen van de commissies. |
|
(21) |
Onderstaande afbeelding 1 geeft de verhoudingen weer tussen de Franse staat, CDC, CDC Entreprises, het FSI, het FMEA, PSA en Renault. Afbeelding 1 Verhoudingen tussen de Franse staat, CDC, CDC Entreprises, het FSI, het FMEA, PSA en Renault Caisse des dépôts (CDC) Franse staat 51 % 49 % 100 % FSI Renault PSA 20 miljard EUR CDC Entreprises 1/3 1/3 1/3 Beheer FMEA 600 miljoen EUR Toeleveranciers auto-industrie, waaronder Trèves |
II.2. Trèves en de maatregelen die voor deze onderneming werden genomen
|
(22) |
Trèves is gespecialiseerd in het vervaardigen van onderdelen voor het interieur van auto's. Het had vóór de uitvoering van het lopende herstructureringsplan ongeveer 6 500 werknemers (het herstructureringsplan heeft betrekking op 1 300 mensen). De onderneming heeft drie hoofdactiviteiten: akoestische uitrusting (5), stoelen en componenten, en textiel. Zij telde 9 fabrieken (waarvan 2 inmiddels zijn gesloten) en vestigingen in 14 landen (waaronder Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Portugal, Slovenië en de Tsjechische Republiek). 40 % van de omzet wordt in Frankrijk gerealiseerd. De belangrijkste afnemers zijn Renault, Peugeot SA, Volkswagen, Nissan en Toyota. |
|
(23) |
Kort voor het uitbreken van de crisis in 2008 begon Trèves de vruchten te plukken van een eerste herstructureringsplan, dat in 2005 van start was gegaan en was bedoeld om het aantal werknemers te verminderen en de productiecapaciteit te rationaliseren. Toen de crisis begon, besloot Trèves om zijn herstructureringsplan aan te passen en ingrijpender te maken en wilde het in het kader van een schikkingsprocedure met zijn geldschieters in gesprek gaan (6). |
|
(24) |
Dit leidde ertoe dat op 25 mei 2009 een schikkingsprotocol werd ondertekend door de aandeelhouder van Trèves (de Severt-holding, enig aandeelhouder), de bedrijven van het Trèves-concern, de geldschieters (de banken) en het FMEA. Dit protocol voorziet in de uitvoering van een herstructureringsplan (zie deel V.1.1 voor een beschrijving van dit plan). |
|
(25) |
Met de financiering van het herstructureringsplan was naar schatting een bedrag van [110-140] (*1) miljoen EUR gemoeid. Daarover hebben de verschillende partijen afspraken gemaakt in het protocol van 25 mei 2009. |
|
(26) |
De fabrikanten Peugeot en Renault zegden een bijdrage van 33,3 miljoen EUR aan de financiering toe […]. |
|
(27) |
Het Trèves-concern zou zich tot het uiterste inspannen om in de loop van het jaar 2009 [5-20] van de liquiditeitsbehoefte op te brengen. Dit komt neer op [5-30] miljoen EUR. |
|
(28) |
De banken verleenden een nieuw bankkrediet van [10-30] miljoen EUR. Daarnaast verstrekten de banken een consolideringslening van [30-60] miljoen EUR om de bestaande kredieten op de korte ([0-20] miljoen) en middellange termijn ([30-40] miljoen) af te lossen. Het nieuwe krediet en de consolideringslening moeten uiterlijk op […] 2014 volledig zijn afgelost. |
|
(29) |
Het FMEA steunde de onderneming met 55 miljoen EUR. Van dit bedrag werd [40-50] miljoen EUR ingebracht in de vorm van schuldpapier dat toegang tot het kapitaal geeft („obligations remboursables en action à parité ajustable — ORAPA”: in aandelen met aanpasbare pariteit converteerbare obligaties), effecten vergoed met een vaste coupon van [> 8] %. Daarnaast werd [5-15] miljoen EUR ingebracht door kapitaalverhoging (intekening op nieuwe gewone aandelen), waardoor het belang van het FMEA in het kapitaal van Trèves uitkwam op [< 50]. |
|
(30) |
De publieke schuldeisers stemden in met een betalingsregeling voor 18,4 miljoen EUR aan uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid […]. Dit plan voorziet in een herschikking van de afbetaling van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid, vermeerderd met boeten en heffingsrente. |
II.3. Redenen voor het inleiden van de procedure
|
(31) |
De financiering van het herstructureringsplan voor Trèves is gebaseerd op de inbreng van nieuwe middelen voor in totaal [100-120] miljoen EUR (dit is exclusief de consolideringslening). Van dit bedrag wordt 55 miljoen ingebracht door het FMEA. Daar komt nog de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid bij, voor een bedrag van 18,4 miljoen. In haar besluit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden vraagt de Commissie zich af of deze laatste twee maatregelen moeten worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(32) |
Ten aanzien van de investering van het FMEA zou volgens de Commissie uit een aantal aspecten blijken dat deze investering van de staat afkomstig is. Op het eerste gezicht lijkt deze investering met staatsmiddelen gedaan en aan de staat toerekenbaar (7). De twijfel van de Commissie vloeit met name voort uit haar bevindingen over het functioneren van het FSI, het FMEA en CDC Entreprises zoals hierboven omschreven. |
|
(33) |
Vervolgens laat de Commissie weten dat zij betwijfelt of genoemde investering voldoet aan het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie. Gelet op de situatie in de automobielsector en die van de onderneming, die bepaalde financiële moeilijkheden kende (8), kon de Commissie niet met zekerheid vaststellen of ten eerste de aannames uit het herstructureringsplan geloofwaardig, realistisch en voorzichtig waren, ten tweede de waardering van Trèves vóór de investering voorzichtig was en ten derde of het vooruitzicht op een intern rendement (hierna „IRR”) van [> 12 %] (9) gelet op het door het FMEA genomen risico als voldoende moest worden beschouwd. |
|
(34) |
Ten aanzien van de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden bij de fiscus en de sociale zekerheid vraagt de Commissie zich af of de handelwijze van de Franse overheid vergelijkbaar is met die van een particuliere schuldeiser die onder dezelfde omstandigheden tracht de hem verschuldigde bedragen te innen. De Commissie beschikte niet over alle informatie om te kunnen concluderen of de publieke schuldeisers op grond van de schikking van 25 mei 2009 in een positie verkeerden die ten minste even gunstig was als die van de particuliere schuldeisers van Trèves (de banken), die eveneens met een herschikking van hun vorderingen instemden door het verstrekken van een consolideringslening. De Commissie betwijfelt dus of de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid wel in overeenstemming is met het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie. |
|
(35) |
Indien ten slotte de twee bovengenoemde maatregelen als staatssteun zouden moeten worden aangemerkt, geeft de Commissie in haar inleidingsbesluit aan dat hun verenigbaarheid zou kunnen worden onderzocht op basis van de richtsnoeren van de Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (10) (hierna de „richtsnoeren” genoemd). De Commissie bevestigt evenwel dat zij in dit stadium niet met zekerheid kan vaststellen of aan alle voorwaarden van die richtsnoeren is voldaan. |
III. OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN
|
(36) |
Op 2 juli 2010 zond het Trèves-concern haar opmerkingen per brief aan de Commissie. Volgens Trèves vallen de bepalingen en voorwaarden van de investering van het FMEA in het Trèves-concern en de uitvoering van de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid niet onder artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(37) |
In de eerste plaats stelt Trèves dat de bewering over de toerekenbaarheid van de steun aan de staat ongegrond is omdat het Trèves-concern via het FMEA een verbintenis is aangegaan met twee grote internationale autofabrikanten die goed zijn voor [> 50] % van zijn omzet. Daarnaast bestrijdt Trèves de analyse van de Commissie dat de onderneming een beroep op staatsmiddelen zou hebben gedaan omdat enerzijds de middelen van het FMEA volgens Trèves afkomstig zijn van private partijen en anderzijds uit de bijdrage van andere private investeerders aan de financiering van de onderneming (de banken) blijkt dat de onderneming haar financiering op de markten kon aantrekken. |
|
(38) |
In de tweede plaats verwerpt het Trèves-concern met grote stelligheid de analyse van de Commissie ten aanzien van de economische situatie van Trèves tussen 2005 en 2008. Volgens Trèves verwart de Commissie de algemene crisis in de automobielsector in 2008 en de individuele situatie van de onderneming, die haar omzet tussen 1999 ([500-700] miljoen EUR) en 2004 ([900-1 100] miljoen EUR) onafgebroken en aanzienlijk zag toenemen. Deze groei werd namelijk doorkruist door de crisis die de automobielsector in het tweede halfjaar van 2008 trof. De herstructureringsplannen uit 2005 en 2009 waren niet bedoeld als oplossing voor de liquiditeitsproblemen maar voorzagen in rationalisering van de productiecapaciteit van de onderneming, om deze in een moeilijke conjunctuur te stimuleren, en waren niet bedoeld om de onderneming te laten overleven, zoals ook blijkt uit de stijging van de EBITDA (11) van Trèves tussen 2005 en 2007 en het herstel van haar resultaten vanaf 2009. |
|
(39) |
Verder bestrijdt het Trèves-concern het belang dat door de Commissie wordt gehecht aan de verklaringen van de Franse minister van Industrie dat Trèves failliet zou zijn gegaan als de staat niet te hulp was geschoten. Een subjectieve politieke verklaring in een bijzonder gespannen sociaal klimaat is niet relevant voor de daadwerkelijke financieel-economische situatie van een onderneming. |
|
(40) |
Derhalve zou de investering van het FMEA in Trèves zowel vanuit financieel als industrieel oogpunt ontegenzeggelijk verstandig zijn. De onderneming wijst erop dat het FMEA niet de enige investeerder was, maar dat een aantal andere potentiële investeerders zich heeft gemeld en dat private partners met het FMEA mee hebben geïnvesteerd. In tegenstelling tot hetgeen de Commissie lijkt te veronderstellen is er geen enkele strijdigheid tussen de financiële en de industriële grondslag voor de investering van het FMEA. Volgens het Trèves-concern is het in de automobielsector gangbaar dat een fabrikant een belang in een van zijn leveranciers neemt om hun industriële banden te versterken en om in financiële zin van diens groei te profiteren. |
|
(41) |
In de derde plaats benadrukt het Trèves-concern dat het beginsel van de verstandige investeerder in een markteconomie is geëerbiedigd. De voorwaarden van de investering zijn namelijk niet alleen bijzonder stringent, maar ook gunstig voor het FMEA. Daarnaast beschikte Trèves in 2008-2009 over een aantal wezenlijke troeven om snel weer rendabel te kunnen worden (aanwezigheid en groei in opkomende landen, diversificatie van het klantenbestand onder fabrikanten, duidelijke gerichtheid op onderzoek en ontwikkeling). Rekening houdend met deze troeven werd het industrieel en financieel herstructureringsplan van Trèves na een grondig onderzoek van de situatie van de onderneming ontwikkeld op basis van voorzichtige en redelijke prognoses. Ten slotte blijkt het verstandige karakter van de investering ook uit de goede resultaten van Trèves in de jaren 2009-2010. |
|
(42) |
Mocht de investering van het FMEA onder de bepalingen van artikel 107, lid 1, VWEU vallen, dan is het Trèves-concern tot slot van mening dat deze steun met de richtsnoeren verenigbaar is omdat de onderneming op langere termijn zeker weer levensvatbaar wordt, de herstructurering van Trèves de mededinging op geen enkele wijze vervalst en compenserende maatregelen zullen worden genomen, die voor een deel reeds tot uitvoering zijn gebracht ([…], inkrimping van de productiecapaciteit en van het aantal werknemers; ook blijft het vermeende staatsaandeel in de financiering van de herstructurering van Trèves beperkt tot het strikt noodzakelijke minimum van de herstructureringskosten). |
|
(43) |
Ten aanzien van de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid is het Trèves-concern allereerst van mening dat deze in overeenstemming is met de beginselen van de particuliere schuldeiser in een markteconomie. En dat de Commissie niet kan vooronderstellen dat een verstandige regeling van de financiële autoriteiten zou zijn uitgesloten wanneer het vastgestelde plan eventueel als steun zou worden aangemerkt. De regeling voorziet echter in boeten en heffingsrente met een rentepercentage dat hoger is dan de wettelijke rente waarop een private schuldeiser aanspraak zou kunnen maken, naast hypotheken van eerste rang […]. Verder is de overheid voor dit plan gezamenlijk opgetrokken met particuliere schuldeisers. |
|
(44) |
Op 22 juni 2010 zond het FMEA zijn opmerkingen per brief aan de Commissie. Het FMEA bestrijdt dat zijn investering in Trèves als staatssteun moet worden aangemerkt, allereerst vanwege de zelfstandige positie die het heeft bij de keuze van zijn investeringen en vervolgens vanwege zijn werkwijze om zijn doelstellingen te bereiken. |
|
(45) |
Het FMEA benadrukt dat het volledig onafhankelijk is bij het bepalen van zijn activiteiten. Deze onafhankelijkheid is niet alleen statutair vastgelegd, maar vloeit ook voort uit zijn bestuur. Als gemeenschappelijk fonds voor investeringen in risicokapitaal heeft het FMEA een beheersmaatschappij waarvoor de regels voor beheer namens derden gelden. De statutaire onafhankelijkheid van de beheersmaatschappij bij de keuze van haar investeringen (zij handelt immers in het belang van het vermogen van de deelnemers) draagt bij aan het waarborgen van de onafhankelijkheid van het FMEA bij investeringsbesluiten. De adviezen van de raadgevende commissies van het FMEA (de selectiecommissie en de investeringscommissie) kunnen alleen met goedkeuring van een van de twee fabrikanten worden uitgebracht. Tot op heden is de beheersmaatschappij (CDC Entreprises) nog nooit afgeweken van de adviezen van de commissies. Daarom is de invloed van de private investeerders (Renault en Peugeot) van doorslaggevend gewicht bij de selectie en de vaststelling van investeringsprojecten. |
|
(46) |
Verder is de investering van het FMEA in Trèves een goed voorbeeld van het investeringsbeleid van het FMEA, dat zich met name richt op ondernemingen met veel innovatief vermogen en een groot groei- en rendementspotentieel in de toeleveringsbranche voor de automobielsector. En Trèves is in Europa een vooraanstaand toeleverancier, waarvoor ook andere […] private fondsen belangstelling hadden. Uit de duidelijke verbetering van de resultaten van de onderneming vanaf 2010 blijkt het realiteitsgehalte en de relevantie van het door Trèves gepresenteerde herstructureringsplan. Door de tijdelijke problemen die de onderneming ondervond vanwege de economische en financiële crisis kon het FMEA daarnaast overeenstemming bereiken over een investering onder zeer beschermende voorwaarden. |
|
(47) |
Het FMEA is daarom van mening dat zijn investering niet als staatssteun kan worden aangemerkt. |
|
(48) |
Op 6 juli 2010 zond Renault zijn opmerkingen per brief aan de Commissie. Het bestrijdt allereerst de bewering van de Commissie dat er een verband zou bestaan tussen zijn deelname aan het FMEA en de lening die de staat het concern in april 2009 verstrekte. De onderneming wijst erop dat zij bij de oprichting van het fonds op 20 januari 2009 (12) geen enkele informatie had over een eventuele toekomstige lening van de staat aan de fabrikanten. De lening die in april 2009 aan het concern werd verstrekt, was bedoeld voor de financiering van de algemene behoeften van de onderneming vanwege de krimp op de financiële markten in de loop van het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009. |
|
(49) |
Daarnaast lagen aan de deelname van Renault aan het FMEA economische, industriële en financiële redenen ten grondslag: strategisch en financieel is het voor Renault namelijk noodzakelijk om zijn toelevering ook op de lange termijn zeker te stellen door te werken met gezonde en concurrerende toeleveranciers, in afwachting van het moment waarop de financiële investering gaat renderen. Zo kon Renault via het FMEA investeren in ondernemingen die voor de sector noodzakelijk zijn, waaronder Trèves, dat als toeleverancier voor de Europese automobielindustrie nog steeds een vitale positie heeft. Bij de investeringen van het FMEA wordt dus op dezelfde manier gewerkt als bij Renault, dat zelf een verstandig investeerder in een markteconomie is. |
|
(50) |
Tot slot is Renault het volledig eens met de opmerkingen van het FMEA in reactie op het besluit van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden, over zijn rol in het bestuur van het FMEA, over de werkwijze van het fonds, zijn onafhankelijkheid en over de onafhankelijke positie van de beheersmaatschappij ten opzichte van de overheid. |
|
(51) |
Op 6 juli 2010 zond PSA zijn opmerkingen per brief aan de Commissie. Volgens PSA is de investering van het FMEA in Trèves niet alleen rendabel maar ook in zijn economisch en strategisch belang. |
|
(52) |
De deelname van PSA aan het FMEA past in het gezamenlijke streven van de fabrikant en het fonds om te investeren in strategische ondernemingen met een groot innovatief vermogen die de toelevering kunnen garanderen en de toeleveringssector voor de automobielindustrie optimaal kunnen consolideren. Daarnaast is PSA van mening dat de investering van het FMEA voldoet aan zijn rendementseisen, gelet op het risico dat wordt gelopen. |
|
(53) |
Tot slot benadrukt PSA dat er geen enkel voorwaardelijk verband bestaat tussen zijn besluit om in het FMEA te stappen en het verstrekken van een lening van 3 miljard EUR door de Franse staat aan de fabrikant in maart 2009. |
|
(54) |
Op 23 juni 2010 zond een concurrent van Trèves die anoniem wil blijven zijn opmerkingen per brief aan de Commissie. Deze concurrent deelt de analyses van de Commissie uit het inleidingsbesluit van 29 januari 2010. Hij is namelijk van mening dat Trèves vóór het begin van de crisis in economische moeilijkheden verkeerde en dus geen gebruik mag maken van maatregelen uit het tijdelijke communautaire kader. Los van de economische situatie van Trèves moet daarnaast de staatssteun die het eventueel zou ontvangen gekoppeld worden aan uitgebreide compenserende maatregelen vanwege de aanzienlijke negatieve effecten op de mededinging. Een maatregel die alleen bedoeld is om een onderneming te ondersteunen die kunstmatig in leven wordt gehouden in een sector met een structurele overcapaciteit op de lange termijn is namelijk niet gerechtvaardigd. De concurrent is van mening dat Trèves verplicht zou moeten worden om zijn aanwezigheid op de markt te verkleinen door dochterondernemingen af te stoten of door zijn activiteiten drastisch in te perken en meer uit eigen middelen aan zijn herstructurering bij te dragen. |
|
(55) |
Op 15 juni 2010 zond de Italiaanse minister van Economische Ontwikkeling zijn opmerkingen per brief aan de Commissie. Hij deelt de „argumenten” (13) van de Commissie op twee wezenlijke punten: de investering van het FMEA is ongetwijfeld staatssteun vanwege de doorslaggevende aanwezigheid van overheidsmiddelen en dit type maatregel is bedoeld ter ondersteuning van ondernemingen die al vóór het tweede kwartaal van 2008 in moeilijkheden verkeerden in de zin van de richtsnoeren. |
IV. OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK
|
(56) |
Op 25 maart 2010 zonden de Franse autoriteiten de Commissie per brief hun opmerkingen over het inleiden van de formele onderzoeksprocedure op 29 januari 2010. |
|
(57) |
Volgens de Franse autoriteiten vallen de bepalingen en voorwaarden voor de investering van het FMEA in Trèves niet onder artikel 107, lid 1, VWEU omdat de investering niet met staatsmiddelen wordt gedaan, maar met in meerderheid private fondsen die niet aan de staat toerekenbaar zijn. De Franse autoriteiten menen dat deze investering alle kenmerken heeft van een verstandige investering in een markteconomie, zelfs wanneer de middelen van het FMEA als staatsmiddelen worden beschouwd of het investeringsbesluit aan de staat toerekenbaar zou zijn. Daarnaast zijn zij van mening dat de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid die met de publieke schuldeisers werd getroffen voldoet aan de criteria van de particuliere schuldeiser die tracht de hem verschuldigde bedragen te innen. |
|
(58) |
De Franse autoriteiten merken op dat bij de investering van het FMEA geenszins sprake is geweest van de overdracht van staatsmiddelen in de zin van de „Stardust Marine”-jurisprudentie (14). Voor wat betreft het aandeel van de fabrikanten PSA en Renault (2/3) zijn de middelen van het FMEA zuiver private middelen, en voor wat betreft het aandeel van het FSI (1/3) gaat het om middelen waarover de staat niet permanent de zeggenschap heeft, hoewel die middelen van publieke herkomst zijn. Het FSI is opgericht volgens het model van private investeringsfondsen en heeft de vorm van een naamloze vennootschap die moet concurreren met andere private investeringsfondsen. Het doet langlopende investeringen die op rendement zijn gericht. |
|
(59) |
Verder staat de beheersmaatschappij van het FMEA (CDC Entreprises) gelet op haar statuten en werkwijze niet onder het gezag van de overheid. In haar statuten is bepaald dat zij juridisch onafhankelijk van de CDC is en haar investeringen uitsluitend doet ten behoeve van haar deelnemers, concurrerend of in samenwerking met private investeerders. CDC Entreprises is dus volledig onafhankelijk in haar beheer van de middelen van het FMEA. Met betrekking tot de investering in Trèves heeft het zonder enige tussenkomst van de staat de aanbevelingen gevolgd van de selectie- en investeringscommissie van het FMEA. Derhalve concluderen de Franse autoriteiten enerzijds dat de geïnvesteerde middelen geen staatsmiddelen zijn omdat de overheid er niet onafgebroken de zeggenschap over heeft en zij dus niet ter beschikking van de nationale overheid staan, en anderzijds dat het investeringsbesluit niet aan de staat toerekenbaar is omdat CDC uitsluitend volledig onafhankelijk en in het belang van de deelnemers van het FMEA handelt. |
|
(60) |
Ten aanzien van de overeenstemming van de investering van het FMEA met het beginsel van de verstandige investeerder in een markteconomie wijzen de Franse autoriteiten erop dat in het investeringsbeleid van het FMEA de voorkeur wordt gegeven aan renderende en strategische projecten voor de automobielsector, met een sterke groei en een groot vermogen tot innovatie. In het geval van Trèves vond de investering plaats op basis van een realistisch en stringent Business Plan dat door meerdere particuliere analisten werd onderschreven. En de deelneming van het FMEA in het kapitaal van Trèves en de intekening op ORAPA vonden tegelijkertijd plaats met andere private investeerders en onder dezelfde voorwaarden („pari passu”- investeringen). Volgens de Franse autoriteiten is dit voldoende om te kunnen vaststellen dat de investering in overeenstemming is geweest met de gangbare werkwijze op de markt. |
|
(61) |
Ten aanzien van de toepassing van het beginsel van de particuliere schuldeiser in een markteconomie zijn de Franse autoriteiten van mening dat de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid die voor Trèves werd getroffen in overeenstemming is met de geest van dit criterium, namelijk dat een publieke schuldeiser net als een particuliere schuldeiser moet trachten de bedragen te innen die hem verschuldigd zijn door een debiteur die in financiële moeilijkheden verkeert. De Franse autoriteiten merken allereerst op dat de schulden van Trèves aan de fiscus en de sociale zekerheid geenszins zijn kwijtgescholden. Zij zijn van mening dat de twee wezenlijke aspecten voor het beoordelen van het criterium van de private schuldeiser, te weten het opleggen van boeten en heffingsrente en het toegepaste rentepercentage in dit geval aanwezig zijn. Op grond van de regeling moeten namelijk rente en boeten worden betaald, die werden vastgesteld voordat overeenstemming over de regeling werd bereikt en zijn meegenomen in de berekening van de door Trèves te betalen maandbedragen. Daarnaast wordt in artikel 1153 van het burgerlijk wetboek bepaald dat, tenzij contractueel anders overeengekomen, bij overschrijding van de betalingstermijn voor een aan een private schuldeiser verschuldigd bedrag veroordeling plaatsvindt tot betaling van vertragingsrente, waarvoor dan het wettelijke rentepercentage in rekening wordt gebracht. In 2009 (het jaar waarin de regeling werd vastgesteld) was dit 3,79 %. De jaarlijkse rente over de totale looptijd van de regeling bedraagt circa [5-10] %. Subsidiair wijzen de Franse autoriteiten erop dat gelijktijdig met de regeling voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid de financiers van het Trèves-concern hebben ingestemd met een herschikking van hun eigen vorderingen in de vorm van een consolideringslening. Ook de private schuldeisers van Trèves hebben dus ingestemd met een betalingsregeling om de inning van hun vorderingen veilig te stellen. |
|
(62) |
In eerste instantie stellen de Franse autoriteiten vast dat het merendeel van de ontvangen opmerkingen bevestigt dat de investering van het FMEA in Trèves niet als staatssteun kan worden aangemerkt. Zij zullen daarom niet verder op deze opmerkingen ingaan. |
|
(63) |
Ten aanzien van de opmerkingen van de Italiaanse autoriteiten en de naamloze vennootschap die zich als een concurrent van Trèves presenteert wensen de Franse autoriteiten de Commissie echter wel het volgende op te merken. |
|
(64) |
De Franse autoriteiten stellen vast dat de Italiaanse autoriteiten zich beperken tot de stelling dat de investering van het FMEA in Trèves als staatssteun moet worden aangemerkt vanwege de „doorslaggevende rol” van de publieke middelen. Deze bewering wordt op geen enkele wijze onderbouwd of gerechtvaardigd. |
|
(65) |
Ook menen de Franse autoriteiten dat de concurrent van Trèves, zonder dit aan te tonen, veronderstelt dat sprake is van staatssteun die onverenigbaar zou zijn met de richtsnoeren en met het tijdelijk kader dat de Commissie in december 2008 vaststelde vanwege de economische en financiële crisis. De gegevens waarop deze onderneming zich baseert zijn onjuist of uit hun verband gerukt en daarom onjuist en partijdig geïnterpreteerd. |
V. BEOORDELING VAN DE ONDERZOCHTE MAATREGELEN
|
(66) |
Wanneer de Commissie een nationale maatregel onderzoekt, moet zij allereerst nagaan of die maatregel kan worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Wanneer dat het geval blijkt te zijn, kan de Commissie vervolgens beoordelen in hoeverre deze maatregel kan worden beschouwd als met de gemeenschappelijke markt verenigbaar, op basis van de uitzonderingen op het beginsel van het verbod op staatssteun die in het VWEU worden toegestaan. Indien de onderzochte maatregel geen staatssteun is, is een beoordeling van de verenigbaarheid van de steun niet meer aan de orde. |
V.1. Beoordeling van de aanwezigheid van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU
|
(67) |
Volgens artikel 107, lid 1, VWEU zijn „steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”. |
|
(68) |
Deze bepaling noemt de criteria voor het aanmerken van een nationale maatregel als staatssteun. In zijn arrest van 15 juni 2006 zegt het Hof van Justitie dat deze criteria „de financiering van die maatregel door de staat of met staatsmiddelen, het bestaan van een voordeel voor een onderneming, de selectiviteit van die maatregel, de invloed ervan op het handelsverkeer tussen de lidstaten en de daaruit voortvloeiende vervalsing van de mededinging” zijn (15). |
|
(69) |
Deze criteria zijn cumulatief, en daarom moet aan alle criteria worden voldaan om een maatregel als staatssteun te kunnen aanmerken. Zodra de Commissie dus vaststelt dat aan een van deze criteria niet is voldaan, kan zij met zekerheid zeggen dat de onderzochte maatregel geen staatssteun is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
V.1.1. De investering van 55 miljoen door het FMEA
|
(70) |
Met betrekking tot de investering van 55 miljoen EUR door het FMEA in Trèves moet allereerst worden nagegaan of wordt voldaan aan het criterium van voordeel. |
|
(71) |
Volgens vaste rechtspraak (16) is een inbreng van middelen in een onderneming geen staatssteun wanneer deze inbreng plaatsvindt onder omstandigheden die aanvaardbaar zouden zijn voor een particuliere investeerder die onder normale omstandigheden van een markteconomie handelt („criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie”). |
|
(72) |
Wanneer in dit verband zou worden aangenomen dat het FMEA zijn belang in Trèves in de loop van 2012 zou verkopen, zou het intern rendement („IRR”) dat door het FMEA voor zijn investering is berekend uitkomen op [> 12] % per jaar. Dit staat voor het rendement vóór belastingen van de gehele investering van het FMEA, dus de directe inbreng van kapitaal van [5-15] miljoen EUR en de inbreng in de vorm van schuldpapier dat toegang geeft tot het kapitaal (ORAPA) voor een bedrag van [40-50] miljoen EUR. |
|
(73) |
Om te beoordelen of is voldaan aan het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie moet de Commissie zich dus uitspreken over de volgende vragen:
|
|
(74) |
De Commissie heeft bij de beantwoording van de vragen b) en d) overwegingen die respectievelijk betrekking hebben op de samenstelling van de investering van het FMEA en op de verdeling van de overwaarde. |
|
(75) |
Op basis van de beantwoording van deze vragen kan de Commissie vaststellen of het FMEA heeft gehandeld onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met degene die zouden zijn verlangd door een particuliere investeerder aan wiens investering een risico is verbonden dat voortvloeit uit de situatie in de automobielsector op het moment van de investering en die van de onderneming die bepaalde financiële moeilijkheden kende. |
|
(76) |
Zoals reeds aangegeven in overweging 23 begon Trèves kort voor het uitbreken van de financiële en economische crisis in 2008 de vruchten te plukken van een eerste herstructureringsplan, dat in 2005 van start was gegaan en was bedoeld om het aantal werknemers te verminderen en de productiecapaciteit te rationaliseren (17). Bij het uitbreken van de crisis heeft Trèves besloten zijn herstructureringsplan aan te passen en ingrijpender te maken. |
|
(77) |
Zo heeft Trèves vanaf het eind van de zomer in 2008 zijn herstructureringsplan een nieuwe impuls gegeven en konden eind december 2008, dus enkele maanden voor de schikking van 25 mei 2009, al de volgende resultaten worden genoteerd:
|
|
(78) |
Begin 2009 heeft Trèves toen in meer formele zin een nieuwe versie van het herstructureringsplan uitgewerkt. Daarbij kreeg het ondersteuning van onafhankelijk adviesbureau […]. Dit bureau heeft met name de liquiditeitsbehoefte doorgelicht die nodig werd geacht voor de financiering van het plan ([110-140] miljoen EUR, zie overweging 25 e.v.). |
|
(79) |
In de eerste plaats moet worden benadrukt dat de prognoses voor de toekomstige omzet die in het herstructureringsplan waren opgenomen als geloofwaardig en realistisch werden beoordeeld. Deze prognoses zijn namelijk gebaseerd op sterk lager ingeschatte orders van de fabrikanten. Zo liggen de voor 2009 verwachte volumes [15-25] % lager dan in 2008. Anderzijds wijken de prognoses niet af van de prognoses die tegelijkertijd door analisten in de automobielsector (bijvoorbeeld JD Power) werden gemaakt voor de verwachte opleving van de sector en het beeld in die sector voor 2011. Trèves heeft zijn toekomstige omzet dus op basis van een voorzichtige en serieuze raming van de volumes ingeschat. Het plan is ook voorzichtig over de ontwikkeling van de sector en mikt voor 2011 op een activiteitenniveau […] de afzet in 2008. |
|
(80) |
Vervolgens voorziet het plan in een sterke reductie van de kosten. Deze reductie wordt onder meer gerealiseerd door personeel efficiënter in te zetten en door besparingen op de exploitatiekosten[…] (18) […]. De kostenreductie wordt ook gerealiseerd door een aanzienlijke inkrimping van het personeelsbestand (bij de herstructurering gaat het in totaal om 1 300 mensen). |
|
(81) |
Uitgaande van deze maatregelen moet het herstructureringsplan tot de volgende resultaten leiden:
|
|
(82) |
Opgemerkt moet worden dat het FMEA alvorens verplichtingen aan te gaan bureau […] heeft gemachtigd om tussen medio maart en eind april 2009 een volledige audit van de situatie bij Trèves uit te voeren (het zogeheten „due diligence”-onderzoek). De teams van het FMEA hebben het herstructureringsplan ook zelf geanalyseerd en goedgekeurd. |
|
(83) |
Daarnaast heeft Trèves in het kader van zijn herstructurering toegezegd zijn „[…]”-activiteiten af te stoten, rekening houdend met het industriële en maatschappelijke evenwicht in verband met deze transactie en met het streven om bij te dragen aan het concurrentievermogen van het industriële apparaat van dit nieuwe Trèves-concern. |
|
(84) |
Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat het herstructureringsplan op basis waarvan het FMEA in Trèves heeft geïnvesteerd, als geloofwaardig en realistisch kan worden beschouwd. |
|
(85) |
Het eigen vermogen van Trèves vóór de investering van het FMEA is gewaardeerd op [15-40] miljoen EUR. Op basis hiervan verkreeg het FMEA [< 50] % van het kapitaal van Trèves via een kapitaalverhoging van [5-15] miljoen EUR. De Commissie moet nagaan of deze waardering correct en zorgvuldig is, gelet op de toenmalige situatie van de onderneming. |
|
(86) |
Er bestaan meerdere methoden voor het ramen van de waarde van het eigen vermogen van een onderneming (19). Een vaak gebruikte methode is die van het veelvoud van de EBITDA. Hiermee kan de waarde van het eigen vermogen van een onderneming in een bepaald jaar worden gewaardeerd door de EBITDA van dat jaar te vermenigvuldigen met een getal (het veelvoud) dat voor de sector passend wordt geacht en waarbij de netto schuld wordt afgetrokken van het resultaat. |
|
(87) |
Weer een andere methode is de zogenoemde „Discounted Cash Flow Analysis”. De nominaal beschikbare vrije cashflow („Free Cash Flow”) van de onderneming voor de komende jaren wordt geactualiseerd op basis van de gewogen gemiddelde kosten van het nominaal kapitaal (hierna „Weighted Average COST of Capital” of WACC genoemd) en de netto schuld wordt afgetrokken van de verkregen waarde. |
|
(88) |
Een derde methode is die van het veelvoud van de omzet. Hiermee kan de waarde van het eigen vermogen van een onderneming in een bepaald jaar worden gewaardeerd door de omzet van dat jaar te vermenigvuldigen met een getal (het veelvoud) dat voor de sector passend wordt geacht en waarbij de netto schuld wordt afgetrokken van het resultaat. |
|
(89) |
Om Trèves vóór de investering te waarderen heeft het FMEA de Discounted Cash Flow Analysis en de methode van het veelvoud van de omzet toegepast. Trèves had namelijk eind 2008 geen positieve EBITDA en daarom kon eerstgenoemde methode (die van het veelvoud van de EBITDA) niet worden gebruikt. |
|
(90) |
De Discounted Cash Flow Analysis was wel bruikbaar, en hiermee kon rekening worden gehouden met de vooruitzichten op herstel van de winstgevendheid, zodat in de waardering de verwachte positieve effecten van de verbeterde prestaties van de onderneming konden worden meegenomen. Voorzichtigheidshalve werd ook de methode van het veelvoud van de omzet toegepast, om de uitkomst van de andere methode te bevestigen. |
|
(91) |
Volgens de Discounted Cash Flow Analysis werden voor de onderneming de kapitaalkosten of sector-WACC, waarin de specifieke risico's van de sector waren verwerkt, geschat op 12 %. Vervolgens berekende het FMEA een meer voorzichtige WACC van [> 12] %, waarin specifieke extra risico-opslagen werden verwerkt in verband met de omvang van de onderneming en de niet-liquide aard van de investering. Uiteindelijk kwam het uit op een WACC van [> 12] %, om rekening te houden met het extra risico vanwege de veranderingen (herstructurering) binnen de onderneming. De waarde op lange termijn van de onderneming (de terminale waarde) wordt berekend op basis van de resultaten over 2011. Op deze manier heeft het FMEA de waarde van het eigen vermogen van het Trèves-concern vastgesteld op [15-40] miljoen EUR. |
|
(92) |
Bij de methode met het veelvoud van de omzet werd voor de omzet per ultimo 2008 een veelvoud van [0-1] gekozen en toegepast. Dit sluit aan bij de veelvouden die ten tijde van de transactie in de markt werden gebruikt voor vergelijkbare ondernemingen Benadrukt moet worden dat deze veelvouden eind 2008 en begin 2009 historisch lage niveaus bereikten vanwege de financiële en economische crisis die de automobielsector en zijn toeleveranciers zwaar trof (het langjarige gemiddelde van het veelvoud van de omzet voor de toeleveringssector van de automobielindustrie kwam namelijk uit op 0,51). Op basis van een veelvoud van [0-1] werd de waarde van het eigen vermogen van Trèves vastgesteld op [15-40] miljoen EUR. |
|
(93) |
Hoewel het veelvoud van [0-1] als historisch laag moet worden aangemerkt, heeft het FMEA de met dit veelvoud berekende waarde gehanteerd, en niet het veelvoud dat wordt verkregen uit een langjarige gemiddelde of een over meerdere jaren afgevlakt veelvoud. Evenmin heeft het FMEA gekozen voor de waardering die werd verkregen met de Discounted Cash Flow Analysis. Uit het bovenstaande blijkt dat de waardering van het eigen vermogen van Trèves vóór de investering van het FMEA correct en voorzichtig is. De waardering bevindt zich namelijk onderin het interval dat wordt bepaald volgens de Discounted Cash Flow Analysis en de veelvouden op de beurs. Een in deze situatie gemaakte waardering is een gunstig gegeven voor de particuliere investeerder omdat hiermee de vooruitzichten op overwaarde worden verbeterd. Er mag immers worden verwacht dat de waarderingsveelvouden weer naar hun gemiddelde historische niveaus zullen terugkeren. |
|
(94) |
Verder dient erop gewezen te worden dat de investering van het FMEA zich niet beperkt tot een inbreng van kapitaal van [5-15] miljoen EUR waarmee [< 50] % van de aandelen van het Trèves-concern worden verworven. Het FMEA heeft ook [40-50] miljoen EUR ingebracht in de vorm van schuldpapier dat toegang tot het kapitaal geeft (de zogenoemde ORAPA) en jaarlijks [> 8] % rente opbrengt. Dit is een ingewikkelde constructie die een particuliere investeerder ook zou hebben geëist in een sector zoals die van de toeleveranciers voor de automobielindustrie. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid ORAPA waarvan de pariteit afhangt van de prestaties van de onderneming is namelijk een van de meest stimulerende controlemechanismes die er bestaan. |
|
(95) |
Het door het FMEA ingevoerde systeem ziet er als volgt uit. De ORAPA kunnen worden terugbetaald door de uitgifte van nieuwe aandelen van Trèves. De pariteit wordt in 2011 bepaald door het bereiken van een positief bruto exploitatieresultaat van […] %. Wanneer deze drempel wordt bereikt, verwerft het FMEA […] % van het eigen vermogen door aflossing van de obligaties. Wordt de drempel niet gehaald, dan heeft dat tot gevolg dat het FMEA […] % van het eigen vermogen bezit. De directie van Trèves heeft er dus belang bij om dit positieve bruto exploitatieresultaat […] te behalen. De belangen van de financiële investeerder en die van de directeuren-aandeelhouders zijn dus sterk gekoppeld om de uiteindelijke waarde van de onderneming te maximaliseren. |
|
(96) |
Bij de methode die een particuliere investeerder doorgaans toepast, wordt het jaarlijkse interne rendement van het beoogde investeringsproject beoordeeld. Om het jaarlijkse interne rendement van een investering in een onderneming te berekenen, moet de waarde worden bepaald van het eigen vermogen van deze onderneming op het moment waarop de rentabiliteit wordt verwacht. |
|
(97) |
Zoals reeds aangegeven in de overwegingen 85 tot en met 87 bestaan er meerdere methoden voor het bepalen van de waarde van een onderneming. Voor het bepalen van de waarde van de onderneming in de loop van 2012 (het jaar waarin het FMEA zijn deelneming zou kunnen verkopen) (20) heeft het FMEA gewerkt met de methode van het veelvoud van de EBITDA. Deze methode wordt in de industrie vaak gebruikt om in te schatten wat een investeringsproject de investeerder in kapitaal of quasikapitaal zal opleveren. Verder gaat het FMEA bij het berekenen van de verwachte rentabiliteit op basis van de EBITDA uit van een relevante meting van het herstel van de onderneming, die zal worden gedaan tussen zijn investering (25 mei 2009) en eind 2011. Wanneer bovendien wordt uitgegaan van de verwachte EBITDA voor 2011 en niet van die voor 2012 (die hoger is), kiest het FMEA voor een voorzichtige benadering, waarin wordt nagegaan of het herstel van de onderneming naar tevredenheid in vrij korte tijd heeft plaatsgevonden (iets meer dan twee en een half jaar). |
|
(98) |
In dit geval is het door het FMEA berekende IRR dus gebaseerd op drie aannames uit het herstructureringsplan. Ten eerste zou de EBITDA van het Trèves-concern eind 2011 moeten uitkomen op [50-80] miljoen EUR. Ten tweede wordt de waarde van Trèves per ultimo 2011 vastgesteld op basis van een veelvoud van de EBITDA van [1-6]. Ten derde wordt de netto schuld per ultimo 2011 geschat op [50-150] miljoen EUR. De Commissie moet dus bepalen of deze drie aannames als geloofwaardig en realistisch moeten worden beschouwd op het moment waarop de investering van het FMEA plaatsvond. |
|
(99) |
In de eerste plaats moet voor de EBITDA-waarde voor 2011 worden benadrukt dat er in deze prognose vanuit wordt gegaan dat het herstructureringsplan wordt uitgevoerd. Zoals reeds aangegeven in de overwegingen 76 en volgende mag dit plan als geloofwaardig en realistisch worden beschouwd. Zo moet erop worden gewezen dat de verlaging van de kosten hoofdzakelijk tot stand komt door personeel efficiënter in te zetten en op de exploitatiekosten te besparen, met name door […]. De kostenreductie is ook gebaseerd op een aanzienlijke inkrimping van het personeelsbestand (bij de herstructurering gaat het in totaal om 1 300 mensen). |
|
(100) |
In de tweede plaats komt het veelvoud van de EBITDA ([1-6]) dat wordt gebruikt om de waarde van de onderneming te bepalen overeen met het gemiddelde veelvoud voor de sector over de periode 2000-2009 ([1-6]), veiligheidshalve verminderd met de standaardafwijking vanwege de veranderingen die de onderneming doormaakt. Dit veelvoud is iets hoger dan het veelvoud voor de sector op het moment van de investering (ongeveer 4,2). Het getuigt echter van voldoende voorzichtigheid om uit te gaan van een waarde van [1-6] bij de waardering voor eind 2011, vanwege het te verwachten herstel van de ratio. Dit herstel is overigens al flink ingetreden op het moment van de investering ([1-6] in december 2008 tegen [1-6] in mei 2009). Ook gelet op de langetermijnverwachtingen voor de sector, waaraan veelvouden tussen [1-6] en [1-6] zouden kunnen worden ontleend, lijkt dit veelvoud bijzonder voorzichtig. |
|
(101) |
In de derde plaats is in de prognoses van april 2009 sprake van een verlichting van de netto schuld, die zou dalen van [100-200] miljoen EUR eind 2008 tot [100-200] miljoen EUR eind 2010 (voor die tijd was deze schuld opgelopen van [100-200] miljoen EUR eind 2005 tot [100-200] miljoen EUR eind 2008). Gelet op de samengevoegde hoogte van de verwachte EBITDA voor de periode 2009-2011, de afwezigheid van hoge extra kosten voor investeringen in materiële en immateriële vaste activa en het ontbreken van extra voorzieningen om rekening te houden met de herstructureringskosten lijkt de prognose van een afname met [0-30] miljoen EUR voorzichtig. |
|
(102) |
Gelet op het bovenstaande mag worden geconcludeerd dat de berekening van het IRR op het moment van de investering uitgaat van redelijke aannames. |
|
(103) |
Ten aanzien van de vraag of het beoogde IRR van [> 12] % gelet op de risico's van de investering aanvaardbaar is, merkt de Commissie het volgende op. |
|
(104) |
Allereerst moet erop worden gewezen dat de berekening op basis van de gegevens uit de overwegingen 97 tot en met 100 in werkelijkheid uitkomt op een IRR van [> 15] %. Veiligheids- en voorzichtigheidshalve heeft het FMEA de verwachte EBITDA voor 2011 echter met […] % verminderd. Daarom is de IRR van [> 12] % waarvan in deze analyse wordt uitgegaan een IRR dat voortvloeit uit een pessimistisch scenario voor de ontwikkeling van de onderneming. Zoals reeds aangegeven komt het basisscenario immers uit op een IRR van [> 15] %, terwijl in een optimistisch scenario (EBITDA […] % hoger) het IRR rond de [> 20] % zal liggen. |
|
(105) |
Wel dient nu te worden opgemerkt dat vanwege de niet-liquide aard van de transactie niet kan worden gekeken naar vergelijkbare prijzen (bijvoorbeeld voor achtergestelde leningen) op het moment van de investering van het FMEA, om te beoordelen of de hoogte van het verwachte IRR correct is. Daarentegen kan aan de hand van meerdere bovenstaande gegevens wel het „bodem”-IRR van[> 12] % worden beoordeeld waarvan het FMEA in mei 2009 uitging. |
|
(106) |
Ten eerste moet erop worden gewezen dat de rendementen op investeringen in de toeleveringssector voor de automobielindustrie vaak laag zijn. Zo lag het gemiddelde IRR in de vijf jaar vóór de crisis van het tweede halfjaar van 2008 op 8,5 % (21). Professionele investeerders hebben echter vaak in deze sector geïnvesteerd omdat zij zich bewust waren van het winstpotentieel door de lage waardering van ondernemingen in deze sector [in vergelijking met andere sectoren]. Zo konden in 2006 uitzonderlijk hoge IRR (meer dan 20 % per jaar over een periode van drie jaar) worden genoteerd voor investeerders die op het dieptepunt van de markt in 2003 waren ingestapt. |
|
(107) |
Om de geconstateerde gemiddelde rendementen te overstijgen moet een professionele investeerder zich dus baseren op een grondige kennis van de markt (zoals het FMEA heeft gedaan) en een participatievorm ontwikkelen waarmee hij zijn rendement kan optimaliseren (hetgeen eveneens het geval is met de investering van het FMEA) (zie de informatie over de samenstelling van de investering in de overwegingen 94 en 95 en over de verdeling van de overwaarde in de overwegingen 110 en 111). |
|
(108) |
Vervolgens wijzen de Franse autoriteiten op een onderzoek van de Franse vereniging van kapitaalinvesteerders (Association Française des Investisseurs en Capital — AFIC), waarin de ontwikkeling wordt gevolgd van de prestaties van de sector kapitaalinvesteringen in Frankrijk. Dit onderzoek baseert zich op gegevens die werden verstrekt door meer dan 120 organisaties, die samen meer dan 500 investeringsfondsen beheren. Uit de werkzaamheden van de AFIC blijkt dat voor „ontwikkelingskapitaal” de netto resultaten uiteenlopen van 14,1 % eind 2007 tot 10,8 % eind 2008 (deze datum ligt dichter bij de datum van de investering van het FMEA). Ontwikkelingskapitaal is het deel van het investeringskapitaal dat relevant is voor het investeringsbeleid van het FMEA (minderheidsbelangen en injectie van nieuw geld). Rekening houdende met de vergoedingen voor de beheersmaatschappij, die worden geschat op ten hoogste […] komt het beoogde IRR voor „marktconforme” resultaten uit op een waarde tussen 12 en 15 %. |
|
(109) |
Tot slot kunnen aan de hand van de op het moment van de investering beschikbare parameters de gemiddelde gewogen kapitaalkosten („WACC”) worden vastgesteld op basis van het MEDAF beoordelingsmodel voor financiële activa (22) en voor de automobielsector in Frankrijk worden aangepast. Daarbij worden de specifieke extra risico-opslagen meegenomen die verband houden met de grootte van het Trèves-concern en de niet-liquide aard van de investering. Rekening houdend met deze extra gegevens die inherent zijn aan de risico-opslag, worden de bijbehorende WACC geschat op [> 12] % ten tijde van de investering en door het FMEA verhoogd tot [> 12] % (zie overweging 91). Opgemerkt moet echter worden dat de WACC het minimale rendement is dat door de kapitaalverstrekkers van een onderneming (aandeelhouders en schuldeisers) wordt geëist voor de financiering van investeringsprojecten. De voor Trèves berekende WACC geven dus een significante indicatie voor de aanvaardbaarheid van een „bodem”-IRR van [> 12] % (23). |
|
(110) |
Verder moet worden benadrukt dat de overwaarde van Trèves niet naar rato van hun respectieve belang in het kapitaal van Trèves zal worden verdeeld tussen het FMEA en de historische aandeelhouder. Voor het geval dat het FMEA in […] uitstapt, is namelijk in het akkoord tussen de aandeelhouders bepaald dat de eerste […] miljoen EUR van de waarde van de onderneming volledig aan het FMEA zullen worden toegekend (eerste tranche). Vervolgens wordt de opbrengst van de verkoop tussen […] miljoen EUR en een bedrag overeenkomend met de investering van het FMEA, gekapitaliseerd op […] % per jaar, verdeeld onder het FMEA ([…] %) en de historische aandeelhouders ([…] %) (tweede tranche). Ten slotte ontvangt het FMEA […] % van de opbrengst van de verkoop boven deze drempel en de historische aandeelhouders […] %. |
|
(111) |
Dit akkoord over de verdeling van de overwaarde beschermt het FMEA. Het FMEA krijgt zo een belangrijke garantie dat een IRR van [> 12] % op zijn investering snel zal zijn bereikt (dit rendement komt overeen met de hierboven omschreven WACC voor Trèves). Tot slot is dit akkoord een belangrijke stimulans voor de historische aandeelhouder en de directie van de onderneming om de doelstellingen van het herstructureringsplan te halen of zelfs te overtreffen, omdat dit plan voor het FMEA volgens het scenario uitkomt op een IRR van [> 12] %, [> 15] % of [> 20] %. |
|
(112) |
Uit het bovenstaande volgt daarom dat het verwachte IRR van [> 12] % redelijk was ten tijde van de investering en aanvaardbaar gelet op het risico van die investering. |
|
(113) |
Na onderzoek van het herstructureringsplan van Trèves, de waardering van de onderneming vóór de investering van het FMEA, de samenstelling van deze investering, de aannames die ten grondslag liggen aan een IRR van [> 12] % en de juistheid van de hoogte van dit IRR, met name gelet op de overeenkomst tussen de aandeelhouders over de verdeling van de overwaarde, moet worden vastgesteld dat het FMEA heeft gehandeld onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden die zouden zijn geëist door een particuliere investeerder wiens investering een risico loopt vanwege de situatie in de automobielsector ten tijde van de investering en de situatie van de onderneming, die bepaalde financiële moeilijkheden kende. Anders gezegd: de investering van 55 miljoen EUR door het FMEA voldoet aan het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie. Het Trèves-concern geniet dus geen voordeel door deze investering. |
V.1.2. Herschikkingsplan voor uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid
|
(114) |
De Franse overheid heeft een regeling getroffen voor de herschikking van de uitstaande schulden van Trèves aan de fiscus en de sociale zekerheid. Met deze regeling is een bedrag van 18,4 miljoen EUR gemoeid. De Commissie wil deze maatregel eerst toetsen aan het voordeelcriterium. |
|
(115) |
In de beschikkingen van de Commissie en in de jurisprudentie is een overeenkomst over de herschikking van schulden door een publieke schuldeiser geen staatssteun indien het gedrag van die schuldeiser kan worden vergeleken met dat van een private schuldeiser die „de hem verschuldigde bedragen tracht te verhalen en daartoe met de debiteur een regeling overeenkomt om de terugbetaling van de opgestapelde schulden te vergemakkelijken.” (24). |
|
(116) |
Voor de publieke schuldeisers van Trèves is de schuldenregeling een betere oplossing dan invordering. Bij invordering zouden de publieke schuldeisers namelijk vanwege de algehele schuldenlast van de onderneming slechts kunnen rekenen op een deel van hun vorderingen, die niet preferent zijn. In het kader van de schuldenregeling werden echter hypotheken van eerste rang […] (artikel […] van het schikkingsprotocol van 25 mei 2009) als zekerheid voor de schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid gesteld. Deze activa zijn omschreven in bijlage 7 van het protocol. Op 31 december 2008 bedroeg hun netto boekwaarde [25-35] miljoen EUR. Het bedrag van de zekerheden die ten gunste van de publieke schuldeisers werden gesteld dekt dus meer dan 140 % van het bedrag van hun vordering, die bestaat uit een hoofdsom (18,4 miljoen EUR), boete en heffingsrente (zie overweging 117). |
|
(117) |
Daarnaast ontvangen de publieke schuldeisers van Trèves rente. Het bedrag van 18,4 miljoen EUR is namelijk verhoogd met boeten van [1-2] miljoen en heffingsrente van [1-2] miljoen EUR. Het geheel moet tussen […] en […] worden voldaan in maandelijkse bedragen van […] EUR. Het bedrag aan boete en heffingsrente beloopt [2-4] miljoen EUR, te weten [10-20] % van de hoofdsom, hetgeen op de gemiddelde gewogen looptijd van de regeling neerkomt op een jaarlijkse rente van circa [0-10] %. Dit percentage was oorspronkelijk hoger dan de percentages die door de financiële instellingen werden gerekend voor de leningen aan Trèves in het kader van het schikkingsprotocol van 25 mei 2009 voor zowel het nieuwe krediet als de consolideringslening (25). |
|
(118) |
In dit verband moet ook worden benadrukt dat de regeling van de publieke schuldeisers op hetzelfde moment kwam als een belangrijke toezegging van de banken (consolideringslening van [30-60] miljoen en nieuw krediet van [10-30] miljoen). Bovendien wordt in het schikkingsprotocol expliciet aangegeven dat de aan de banken toegekende zekerheden achtergesteld zijn […], hetgeen betekent dat deze schuldeisers geen enkele zekerheid kunnen uitoefenen zolang niet alle preferente publieke schuldeisers volledig zijn betaald. |
|
(119) |
Bovendien werd van de schuld van Trèves aan de fiscus en de sociale zekerheid niets kwijtgescholden. |
|
(120) |
Ten slotte hebben de Franse autoriteiten bevestigd dat deze regeling geen verlenging of wijziging van een eerdere regeling is. |
|
(121) |
Uit het bovenstaande blijkt derhalve dat de regeling die door de Franse overheid met Trèves werd getroffen voor de herschikking van de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid is gebaseerd op de geloofwaardig geachte aannames uit het herstructureringsplan (zie deel V) en is gekoppeld aan voorwaarden die onder dezelfde omstandigheden aanvaardbaar zouden zijn voor een particuliere schuldeiser in een markteconomie. |
V.2. Conclusie met betrekking tot het bestaan van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU
|
(122) |
Gezien hetgeen hierboven in deel V.1 uiteen is gezet, blijkt dat het Trèves-concern door de investering van 55 miljoen EUR van het FMEA noch door het herschikkingsplan voor de uitstaande schulden aan de fiscus en de sociale zekerheid voor een bedrag van 18,4 miljoen EUR voordeel geniet. Derhalve zijn deze maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
VI. ALGEMENE CONCLUSIE
|
(123) |
Na diepgaand onderzoek van deze maatregelen stelt de Commissie vast dat zij geen staatssteun zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De twee maatregelen die ten behoeve van het Trèves-concern werden genomen, te weten een investering van 55 miljoen EUR door het Fonds de modernisation des équipementiers automobiles (FMEA) en een met de Franse Republiek getroffen regeling voor de herschikking van uitstaande schulden van 18,4 miljoen EUR aan de fiscus en de sociale zekerheid, zijn geen steun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 20 april 2011.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Vicevoorzitter
(1) PB C 133 van 22.5.2010, blz. 12.
(2) Zie voetnoot 1.
(3) De opmerkingen van de belanghebbenden zijn samengevat in deel III.
(4) Artikel L518-2 van het Frans monetair en financieel wetboek.
(5) Interieur en Akoestiek, Tapijt en Geluiddemping (HAPP).
(6) Deze procedure was bedoeld om tussen de directie van de onderneming en zijn (publieke en particuliere) schuldeisers een minnelijke schikking te bereiken over betalingstermijnen en/of schuldsanering (artikel 611-7 van de Franse handelswetgeving).
(*1) Dit valt onder het bedrijfsgeheim.
(7) Volgens vaste rechtspraak (zie met name het Arrest van het Hof van 21 maart 1991, Italië tegen de Commissie, C-305/89, Jurispr. blz. I-1603, punt 13) mag namelijk geen onderscheid worden gemaakt tussen de gevallen waarin de steun rechtstreeks door de staat wordt verleend, en die waarin hij wordt verleend door van overheidswege ingestelde of aangewezen publiek- of privaatrechtelijke beheersorganen. Het Europese recht kan namelijk niet toestaan dat de voorschriften voor toezicht op staatssteun kunnen worden omzeild door eenvoudigweg zelfstandige instellingen op te richten die worden belast met de uitkering van steun. Zoals door het Hof bevestigd in zijn arrest van 16 mei 2002 (Frankrijk tegen de Commissie, het zogenoemde „Stardust Marine”-arrest, C-482/99, Jurispr. blz. I-4397) kunnen maatregelen evenwel enkel als steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden beschouwd indien zij enerzijds rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen zijn bekostigd en anderzijds aan de staat toerekenbaar zijn.
(8) Eind 2008 bestonden de financiële moeilijkheden van Trèves hoofdzakelijk uit een daling van de omzet ([650-700] miljoen EUR, [20-25] % lager dan in 2007) en een verlies van [40-50] miljoen EUR aan het eind van het boekjaar.
(9) In het inleidingsbesluit is sprake van een IRR van [> 15 %]. Dit kan als volgt worden verklaard: het verwachte IRR van de investering van het FMEA is [> 15] %. Veiligheidshalve verlaagt het FMEA de EBITDA voor het boekjaar 2011 met […] % (zie noot 11). Daarmee komt het IRR uit op [> 12 %]. Deze waarde wordt in dit besluit gebruikt als referentierendement. Het in het inleidingsbesluit genoemde IRR van [> 15] % was een gemiddeld rendement: tussen het rendement van [> 15] % zonder afwaardering en de [> 12] % met afwaardering.
(10) PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.
(11) Afkorting voor „Earnings before interest, taxes, depreciation, and amortization”: winst vóór rente, belastingen, toevoegingen aan afschrijvingen en voorzieningen.
(12) Hier moet worden opgemerkt dat het FMEA juridisch gezien pas op 25 maart 2009 werd opgericht. Op deze datum werd het reglement van het fonds door de deelnemers ondertekend en werd door deze investeerders ingetekend op de eerste tranche. Feitelijk begon het fonds in oprichting echter zijn werkzaamheden al eind januari.
(13) Hier moet worden opgemerkt dat de Commissie in haar inleidingsbesluit slechts twijfel uit.
(14) Arrest van het Hof van 16 mei 2002, Franse Republiek tegen de Commissie, C-482-99, Jurispr. blz. I-4397.
(15) Arrest van het Hof van 15 juni 2006, AIRR Liquide Industries België, C-393/04 en C-41/05, Jurispr. blz. I-5293, punt 28.
(16) Zo meent het Gerecht dat „moet worden beoordeeld of een particuliere investeerder die qua omvang vergelijkbaar is met de organen die de overheidssector beheren, in vergelijkbare omstandigheden ertoe had kunnen worden gebracht, een even grote kapitaalinbreng te doen, mede gelet op de ten tijde van de inbreng beschikbare informatie en te verwachten evolutie. Daarbij komt dat, ofschoon het gedrag van een particuliere investeerder, waarmee de deelneming van een publieke investeerder die doelstellingen van economisch beleid nastreeft, moet worden vergeleken, niet noodzakelijkerwijs het gedrag behoeft te zijn van een gewone investeerder die zijn kapitaal belegt om daaruit op min of meer korte termijn een rendement te halen, het toch ten minste het gedrag moet zijn van een particuliere holding of een particuliere groep van ondernemingen met een algemene of sectoriële structuurpolitiek, die wordt geleid door het uitzicht op rendement op langere termijn”, Arrest van het Gerecht van 21 mei 2010, Frankrijk e.a. tegen Commissie, T-425/04, T-444/04, T-450/04 et T-456/04, punt 216. Zie ook de volgende mededelingen van de Commissie: Toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag bij deelnemingen van overheidsinstanties, Bull. EG, nr. 9-1984; Mededeling van de Commissie aan de lidstaten. Toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag en van artikel 5 van Richtlijn 80/723/EEG op openbare bedrijven in de industriesector (PB C 307/3 van 13.11.1993).
(17) Na een daling van [6-8] % van 2005 ([900-950] miljoen EUR) op 2006 ([800-850] miljoen EUR) was de omzet van Trèves namelijk vanaf 2007 weer met [4-7] % gestegen ([850-900] miljoen EUR). Ook de rentabiliteit van de onderneming kende een flink herstel aangezien haar EBITDA steeg tot [50-60] miljoen EUR in 2007, […] % hoger dan in 2006 ([30-40] miljoen EUR) en […] % hoger dan de EBITDA in 2005 ([40-50] miljoen).
(18) […].
(19) Per definitie is de waarde van het eigen vermogen van een onderneming gelijk aan de waarde van de onderneming, verminderd met de netto schuld.
(20) De mogelijke verkoop door het FMEA van zijn belang in 2012 is een werkhypothese, waarbij op basis van de resultaten over 2011 een waardering wordt gemaakt van het rendement dat de investering in 2012 zou kunnen hebben. Volgens het aandeelhouderspact staat het het FMEA volledig vrij om zijn belang in de eerste […] jaar van zijn investering te houden of te verkopen. […] Verder valt de verdeling van de overwaarde bij een eventuele verkoop van de onderneming hoe dan ook gunstig uit voor het FMEA (zie de overwegingen 110 en 111 van het besluit).
(21) Deze meting is gedaan op basis van een significante index van de beurskoersen van de belangrijkste toeleveranciers voor de auto-industrie. Als de crisis wordt meegerekend, daalt het gemiddelde IRR over de vijf jaar vóór 1 december 2009 tot 4,7 %
(22) Modèle d'évaluation des actifs financiers — MEDAF.
(23) De berekende WACC zijn gebaseerd op [0-10] % kosten voor de schuld en [10-20] % kosten voor het eigen vermogen. Vanwege de gemengde samenstelling van de investering van het FMEA (inbreng in kapitaal en inbreng in converteerbare obligaties) is het niet juist om bij een beoordeling van deze investering alleen naar de kosten van de schuld of naar die van het eigen vermogen te kijken. Zo zien we bijvoorbeeld dat de vordering van het FMEA voor de ORAPA preferent is (voorrecht van „nieuw geld”). Daarnaast heeft het FMEA voor het nieuwe krediet van [10-30] miljoen EUR dat door de banken werd verstrekt op basis van de ORAPA een „ pari passu ”-positie bedongen voor een significant deel van dat krediet, namelijk een tranche van [10-20] miljoen EUR. De hoogte van de WACC lijkt dus de beste indicator. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de kosten van het eigen vermogen van [10-20] %, die om bovenstaande redenen in ieder geval niet als zodanig kunnen worden aangehouden, lager zijn dan het IRR van [> 15] % waarvan in het basisscenario wordt uitgegaan en dat overeenkomt met het door het FMEA geëiste rendement.
(24) Arrest van het Hof van 29 april 1999, Spanje tegen Commissie (het zogenoemde „Tubacex”-arrest, C-342/96, Jurispr. blz. I-2459.
(25) Bij de vaststelling van deze percentages werden zij echter verhoogd met een marge op basis van de EURIBOR-percentages, die zwevend zijn. De vergelijking met het vaste percentage van [0-10] % gaat dus enigszins mank, hoewel de door de banken gehanteerde percentages sinds 25 mei 2009 nooit hoger zijn geweest dan [0-10] %.
|
19.10.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 274/15 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2011
betreffende steunmaatregel C3/09 (ex NN 41 A-B/03), uitgevoerd door Portugal ten behoeve van het ophalen, het vervoer, de behandeling en de vernietiging van slachthuisafval
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4888)
(Slechts de tekst in de Portugese taal is authentiek)
(2011/677/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
I. PROCEDURE
|
(1) |
Ten gevolge van een klacht heeft de Commissie op 15 november 2002 de Portugese autoriteiten een verzoek om informatie verzonden betreffende de invoering van een parafiscale heffing voor de financiering van het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten, verkregen bij de slachting van herkauwers en pluimvee, in overeenstemming met wetsdecreet nr. 197/2002 van 25 september 2002 (1) (hierna genoemd „wetsdecreet nr. 197/2002”). De Portugese autoriteiten hebben bij schrijven van 20 januari 2003 geantwoord. |
|
(2) |
Aangezien uit de verstrekte inlichtingen is gebleken dat het desbetreffende mechanisme in werking is gesteld zonder de voorafgaande toestemming van de Commissie, is het in het register van niet-gemelde steunmaatregelen ingeschreven onder de nummers NN 41 A-B/03. |
|
(3) |
Bij schrijven van 16 en 30 april 2003 hebben de diensten van de Commissie de Portugese autoriteiten om nieuwe informatie verzocht over de betrokken regeling. Deze beschikten over een periode van vier weken om hun antwoord mee te delen. |
|
(4) |
Bij schrijven van 5 mei en 6 juni 2003, respectievelijk geregistreerd op 5 mei en 10 juni 2003, heeft de permanente vertegenwoordiging van Portugal bij de Europese Unie in naam van de Portugese autoriteiten extra tijd gevraagd om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, rekening houdend met de tijd die nodig is om deze te verzamelen. |
|
(5) |
Bij schrijven van 25 juli 2003 hebben de diensten van de Commissie een verlenging van vier weken toegestaan. |
|
(6) |
Aangezien de diensten van de Commissie binnen die periode van vier weken, zoals bepaald in de bovengenoemde laatste brief, geen antwoord hebben ontvangen, hebben zij de Portugese autoriteiten een aanmaning gezonden met de vermelding dat zij de Commissie bij het uitblijven van een reactie van de betrokken autoriteiten zouden voorstellen een bevel tot het verstrekken van informatie te geven in de zin van artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 (thans artikel 108 VWEU) van het EG-Verdrag (2). |
|
(7) |
Bij schrijven van 5 februari 2004, geregistreerd op dezelfde dag, heeft de permanente vertegenwoordiging van Portugal bij de Europese Unie aan de Commissie het antwoord van de Portugese autoriteiten op het schrijven van 16 en 30 april 2003 van de diensten van de Commissie gegeven. |
|
(8) |
Bij schrijven van 11 november 2004 hebben de diensten van de Commissie de Portugese autoriteiten om nieuwe informatie verzocht over de betrokken regeling. Deze beschikten over een periode van vier weken om hun antwoord mee te delen. |
|
(9) |
Bij schrijven van 30 december 2004, geregistreerd op 5 januari 2005, heeft de permanente vertegenwoordiging van Portugal bij de Europese Unie in naam van de Portugese autoriteiten extra tijd gevraagd om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, rekening houdend met de tijd die nodig is om deze te verzamelen. |
|
(10) |
Bij schrijven van 17 januari 2005 hebben de diensten van de Commissie een tweede keer de gevraagde verlenging van de periode toegestaan. |
|
(11) |
Aangezien de diensten van de Commissie binnen die nieuwe toegekende periode geen antwoord hebben ontvangen, hebben ze de Portugese autoriteiten bij schrijven van 12 april 2005 een nieuwe aanmaning toegezonden met opnieuw de vermelding dat zij de Commissie bij het uitblijven van een antwoord binnen de vier weken zouden voorstellen een bevel tot het verstrekken van informatie te geven in de zin van artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999. |
|
(12) |
De termijn voor het bovengenoemde antwoord is in mei 2005 verstreken. Aangezien de Commissie bij het verstrijken van de vermelde termijn geen antwoord had ontvangen, heeft ze Portugal bij beschikking van 21 februari 2006 (3) bevolen haar alle informatie te verstrekken waarom Portugal was verzocht, waarbij de Commissie preciseerde dat zij zich het recht voorbehield om, als een antwoord van de Portugese autoriteiten zou uitblijven, de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden (zie punt 80 van het bevel tot het verstrekken van informatie). |
|
(13) |
Aangezien de gevraagde inlichtingen niet zijn verstrekt, heeft de Commissie op 28 januari 2009 besloten om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden. De beslissing is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (4). De Commissie heeft de andere lidstaten en belanghebbenden verzocht om hun opmerkingen over de desbetreffende steun kenbaar te maken. |
|
(14) |
Aangezien de Commissie binnen de voorgeschreven termijn geen opmerkingen van Portugal heeft ontvangen, heeft ze bij schrijven van 18 maart 2009 Portugal een aanmaning gestuurd. Op 14 april 2009 heeft Portugal aan de Commissie zijn opmerkingen doen toekomen, evenals een kopie van de wetsdecreten nr. 393-B/98 en nr. 244/2003. Andere opmerkingen zijn ontvangen op 15 juni 2009 van ETSA — Empresa de Transformação de Subprodutos Animais, SA. |
|
(15) |
Op 1 juli 2009 heeft de Commissie de opmerkingen van ETSA aan Portugal doorgegeven. Portugal heeft hieromtrent geen opmerkingen aan de Commissie kenbaar gemaakt. |
|
(16) |
Ten gevolge van de opmerkingen van ETSA hebben de diensten van de Commissie bij schrijven van 19 februari 2010 aan de Portugese autoriteiten bijkomende opheldering gevraagd. De Portugese autoriteiten hebben bij schrijven van 27 april 2010 geantwoord. |
|
(17) |
Bij schrijven van 1 februari 2011 hebben de diensten van de Commissie aan de Portugese autoriteiten gevraagd om toelichting te geven en te antwoorden op de vragen, die de diensten van de Commissie reeds voordien hadden gesteld en waarop de Portugese autoriteiten geen volledig antwoord hebben gegeven. |
|
(18) |
Bij schrijven van 24 februari 2011 hebben de Portugese autoriteiten een verlenging van 30 dagen voor de toegekende antwoordtermijn gevraagd. |
|
(19) |
Bij schrijven van 28 februari 2011 hebben de diensten van de Commissie de verlenging van 30 dagen voor de antwoordtermijn toegekend. De Portugese autoriteiten hebben bij schrijven van 1 april 2011 op de vragen van de diensten van de Commissie geantwoord. |
|
(20) |
Bij schrijven van 20 juni 2011 hebben de diensten van de Commissie de Portugese autoriteiten ervan op de hoogte gebracht dat zij aan de Commissie zullen voorstellen om een voorwaardelijke positieve beschikking te geven, met uiteenzetting van de toegepaste voorwaarden. |
II. BESCHRIJVING
|
(21) |
Volgens de informatie van de Portugese autoriteiten zijn tussen 1 januari en 14 oktober 1998 in Portugal 66 gevallen van boviene spongiforme encefalopathie („BSE”) vastgesteld. Ten gevolge van het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid heeft de Commissie Beschikking 98/653/EG van 18 november 1998 vastgesteld inzake spoedmaatregelen die noodzakelijk zijn geworden wegens het voorkomen van boviene spongiforme encefalopathie in Portugal (5) en heeft ze spoedmaatregelen opgelegd die noodzakelijk waren geworden door de gevallen van BSE die zich in Portugal hebben voorgedaan, waarbij met name de verzending van bepaalde dieren en dierlijke bijproducten vanuit het Portugese grondgebied naar de andere lidstaten is verboden. |
|
(22) |
Om de gevolgen te verzachten van de maatregelen die zijn genomen in het kader van de bestrijding van boviene spongiforme encefalopathie (BSE), draagt de Portugese staat sinds 1999 de totale kosten die zijn verbonden aan het ophalen, de verwerking en de vernietiging van de bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee. Bij wetsdecreet nr. 393-B/98 van 4 december 1998 (6) (hierna „wetsdecreet nr. 393-B/98”) heeft de Portugese staat effectief de verantwoordelijkheid en de kosten van het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten op zich genomen. |
|
(23) |
Wetsdecreet nr. 393-B/98 voorziet in artikel 4, lid 3, de mogelijkheid om aan de slachtcentra een heffing op te leggen om de vernietiging van bepaalde grondstoffen te financieren. Volgens de informatie van de Portugese autoriteiten is deze heffing niet aan de slachtcentra opgelegd. |
|
(24) |
De Portugese autoriteiten verklaarden dat zij niet over voldoende specifieke middelen beschikten om de gepaste behandeling van het afval te garanderen en dat zij daardoor gedwongen waren om voor de uitvoering van deze diensten een beroep te doen op private dienstverleners die, door hun aard, vallen onder de verantwoordelijkheid van de staat. |
|
(25) |
De Portugese autoriteiten verduidelijkten dat deze openbare dienst aan de private sector is toegekend met respect voor de bepalingen van wetsdecreet nr. 197/99 van 8 juni 1999 (7), dat het nationale instrument is voor de omzetting van de Richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 tot wijziging van de Richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, overheidsopdrachten voor leveringen respectievelijk overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (8). De private ondernemingen, belast met de uitvoering van de betrokken dienstverlening, zijn geselecteerd, rekening houdend met hun geschiktheid en hun technische capaciteit om de goede uitvoering van de openbare dienst, die hun is toegekend, te garanderen, evenals met de spoed waarmee moest worden gereageerd om deze producten op een veilige, snelle en efficiënte wijze te behandelen. De Portugese autoriteiten hebben een voorbeeld gegeven van een dienstencontract, geldig tussen 1 september 2004 en 31 december 2004. |
|
(26) |
Volgens de informatie van de Portugese autoriteiten zijn de parameters, die aan de basis lagen van de berekeningen voor de betaling van de diensten, vooraf vastgelegd in het gezamenlijk besluit nr. 96/99 van 25 januari 1999 (9). Dit besluit is geregeld gecontroleerd en gewijzigd bij gezamenlijk besluit nr. 324/2001 van 6 april 2001 (10) en bij gezamenlijk besluit nr. 124/2002 van 19 februari 2002 (11). |
|
(27) |
Met Beschikking 2000/766/EG (12) heeft de Raad het gebruik van bijna alle soorten dierlijke bijproducten in de voeding van dieren verboden en de vernietiging ervan in alle lidstaten, inclusief in Portugal, bevolen. |
|
(28) |
De Portugese autoriteiten hebben verklaard dat ten gevolge van deze beslissing de hoeveelheid afval bij dit proces toenam en bijgevolg ook de kosten voor deze acties stegen. |
|
(29) |
Bij Beschikking 2001/376/EG (13) heeft de Commissie beslist om Beschikking 98/653/EG, aangenomen in verband met Portugal, te handhaven. |
|
(30) |
Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (14) bevat specifieke bepalingen betreffende het verzamelen, verwerken en vernietigen van dierlijke bijproducten, van toepassing op verschillende categorieën bijproducten. |
|
(31) |
De Portugese autoriteiten hebben gepreciseerd dat zij, om hun verbintenissen in dit verband na te komen, hebben beslist om de kosten van de desbetreffende acties over te dragen aan de economische spelers van de sector, volgens het beginsel dat de vervuiler betaalt en zonder te vergeten dat de zorg om de bescherming van de volksgezondheid in elk geval gewaarborgd moet blijven en onder hun verantwoordelijkheid blijft. Op die manier keurden zij de regeling goed, waarin bij wetsdecreet nr. 197/2002 van 25 september 2002 is voorzien. |
|
(32) |
Sinds oktober 2002, de datum van de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002, worden de kosten die zijn verbonden met het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van het vlees van zoogdieren en pluimvee gefinancierd uit de opbrengsten van een parafiscale heffing voor slachtcentra, importeurs van rund- en varkensvlees met been en de ontvangers van uit een andere lidstaat afkomstig rund- of varkensvlees met been. |
|
(33) |
Bij schrijven van 20 januari 2003 hebben de Portugese autoriteiten aangegeven dat onderstaande betrokkenen vrijgesteld zijn van de betaling van de heffing:
|
|
(34) |
Betreffende de precieze bestemming van de inkomsten uit de inning van de heffing hebben de Portugese autoriteiten verklaard dat deze uitsluitend worden aangewend voor de financiering van de acties in verband met de diensten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee, inclusief GRM. |
|
(35) |
In bijlage 1 bij wetsdecreet nr. 197/2002 wordt het bedrag van de heffing, zoals hierna vermeld, proportioneel weergegeven per gewicht en in functie van de betrokken soort:
|
||||||||||||||||||
|
(36) |
Betreffende de financiering van de diensten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van GRM is in artikel 2, lid 2, van wetsdecreet nr. 197/2002 bepaald dat specifiek en enkel aan de slachtcentra een heffing van een vast bedrag van 0,30 EUR/kg/GRM wordt opgelegd. |
|
(37) |
Alle heffingen worden bij verleggingsprocedure betaald aan een openbare instantie, het Institut National d'Intervention et Garantie Agricole (INGA). De heffingen bij de marktdeelnemers vormen de inkomsten van INGA en worden rechtstreeks aan deze instantie betaald. |
|
(38) |
Zoals bepaald in de overwegingen 32 en 33 van dit besluit preciseert artikel 4 van wetsdecreet nr. 197/2002 dat de slachtcentra ook de mogelijkheid hebben om zich te organiseren, hetzij door rechtstreeks de diensten van derden in te roepen om het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten te verzorgen, hetzij door dat zelf te doen, steeds met inachtneming van de geldende wettelijke bepalingen en met uitzondering van GRM. Wanneer de slachtcentra het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten, afkomstig uit hun eigen centrum — met uitzondering van GRM — zelf uitvoeren, is de te betalen heffing in bijlage 2 bij wetsdecreet nr. 197/2002 als volgt bepaald:
|
||||||||||||||||||
|
(39) |
Wanneer de slachtcentra het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van alle bijproducten, afkomstig uit hun eigen centrum en in uitsnijderijen, met uitzondering van GRM, uitvoeren, worden zij volledig vrijgesteld van de betaling van deze heffing. |
|
(40) |
In overeenstemming met artikel 5 van wetsdecreet nr. 197/2002 is INGA de verantwoordelijke instantie voor de controle van de betaling van de heffing door de slachtcentra. Deze houden daartoe actuele lijsten bij met het aantal karkassen en hun gewicht. Onder de bevoegdheid van INGA valt eveneens de controle van de betaling van heffingen voor de import en de ontvangst van producten uit de Europese Unie; de handelaren en ontvangers moeten geactualiseerde lijsten van de uitgevoerde operaties bijhouden. |
|
(41) |
Indien de slachtcentra voor die laatste oplossing kiezen, moeten zij voordien de desbetreffende projecten ter goedkeuring aan INGA voorleggen en elke eventuele controle die de bevoegde instantie wil uitvoeren, toelaten. |
|
(42) |
De Portugese autoriteiten hebben verzekerd dat de heffing zich ertoe beperkt de kosten te dragen van deze operaties bij de centra en dat de dienst enkel wordt geleverd aan de instanties die de bijproducten, waarvan een vernietiging verplicht is, produceren. |
|
(43) |
Betreffende de overeenkomst tussen de inkomsten van de heffing en de kosten van de diensten die hiermee worden gefinancierd, verklaarden de Portugese autoriteiten dat de heffingen, als bepaald in bijlage I en II bij wetsdecreet nr. 197/2002 en de heffing, als bepaald in artikel 2, lid 2, voor GRM, berekend zijn op basis van de werkelijke kosten van de te leveren diensten, rekening houdend met de aard van de bijproducten per diersoort en met het feit of daar al dan niet sprake van is. |
|
(44) |
De Portugese autoriteiten beschouwen deze financiering in elk opzicht als een compensatie door de gebruikers voor de levering van een openbare dienst van algemeen belang. De bedragen die de belastingplichtige handelaren betalen, staan rechtstreeks in verhouding tot de hoeveelheid afval die effectief aan de openbare dienst wordt bezorgd en tot de werkelijke kosten van de vernietiging van dat afval. Om deze beweringen te staven, hebben de Portugese autoriteiten voor de jaren 1999 tot 2005 de documenten met kostenberekeningen van de diensten verstrekt, en voor 2003 een document met cijfermateriaal over de inkomsten van de heffing voor verschillende typen bijproducten, geïmporteerde producten en nationale producten. |
|
(45) |
Betreffende de vraag of de geïmporteerde producten effectief op dezelfde manier als de nationale producten van het systeem kunnen profiteren, garanderen de Portugese autoriteiten dat, overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt, de heffingen voor de slachtcentra, voor de import en het intracommunautaire handelsverkeer van vlees met been overeenstemmen met de kosten voor de behandeling van alle bijproducten, afkomstig uit de kringloop tot bij de eindgebruiker. |
|
(46) |
De import van vlees met been brengt voor de Portugese autoriteiten het bestaan van bijproducten met zich mee en wordt er bijgevolg gebruikgemaakt van de dienst voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging, wat de toepassing van deze heffingen rechtvaardigt. |
|
(47) |
De Portugese autoriteiten zijn van mening dat de financiële acties van openbaar belang zijn aangezien sinds de BSE-crisis is gebleken dat de verwijdering van inbeslagnames uit slachtcentra om gezondheidsredenen een openbare dienstverlening van de staat moet zijn gezien het belang ervan voor de bescherming van de volks- en diergezondheid en de milieubescherming. |
|
(48) |
Het systeem, dat is ingesteld bij wetsdecreet nr. 197/2002, is ingetrokken bij wetsdecreet nr. 244/2003 van 7 oktober 2003 (15) (hierna „wetsdecreet nr. 244/2003”), dat op 22 oktober 2003 van kracht werd. Dat voerde een algemeen stelsel in, evenals een overgangsregeling voor dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie geschikt zijn. |
|
(49) |
Het algemene stelsel bepaalt dat de slachtcentra, de uitsnijderijen, de incubatiecentra, de ondernemingen voor eiproducten op eigen initiatief of door derden het ophalen, het vervoer, de opslag, de behandeling, de verwerking en de vernietiging van materiaal uit categorie 1, 2 en 3, geproduceerd in de specifieke eenheid, moeten bevorderen in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad door een plan uit te werken dat vooraf aan de Veterinaire Dienst (DG V) ter goedkeuring wordt voorgelegd. |
|
(50) |
De slachtcentra, de uitsnijderijen, de incubatiecentra, de ondernemingen voor eiproducten moeten een vernietigings- of gebruiksplan voor materiaal uit categorie 3 opstellen en laten goedkeuren door DG V binnen 90 dagen na de datum van de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 244/2003 of vanaf het begin van hun activiteit. Betreffende categorie 3 en tot de goedkeuring van de plannen door DG V verzorgt INGA de diensten voor het ophalen, het vervoer, de bewerking, de tijdelijke opslag en de vernietiging van bijproducten, in overeenstemming met wetsdecreet nr. 197/2002. Voor de goedkeuring van het plan voor materiaal uit categorie 3 moeten de eigenaars van slachtcentra, uitsnijderijen, incubatiecentra en ondernemingen voor eiproducten de heffingen, bepaald in bijlage 1 bij wetsdecreet nr. 197/2002, betalen, met uitzondering van de instanties die vallen onder het alternatief stelsel, waarin door dit wetsdecreet is voorzien, en die de heffingen uit bijlage 2 bij wetsdecreet nr. 197/2002 moeten betalen. |
|
(51) |
Op grond van de overgangsregeling garandeert INGA ook nog steeds deze diensten voor materiaal uit categorieën 1 en 2. |
|
(52) |
Voor materiaal uit categorie 1 en 2 moeten de slachtcentra en uitsnijderijen een vernietigings- of gebruiksplan voorleggen binnen de 30 dagen na het verstrijken van de overgangsregeling in november 2005. Voor de goedkeuring van het plan moeten zij 0,35 EUR/kg materiaal van categorie 1 of 2 betalen. De belastingplichtigen zijn echter vrijgesteld van de betaling van de heffing zodra het vernietigings- of gebruiksplan is goedgekeurd. |
|
(53) |
Wanneer de slachtcentra en uitsnijderijen aan DG V een plan voorleggen met de nodige handelingen voor de verwijdering van materiaal uit categorie 1 en 2, dragen zij de verantwoordelijkheid voor de kosten die inherent zijn aan deze activiteiten en zijn zij onderworpen aan de controles van de autoriteiten. Op grond van artikel 3, lid 4, van wetsdecreet nr. 244/2003 loopt de regeling af twee jaar na de inwerkingtreding van dit wetsdecreet. |
|
(54) |
De overgangsregeling van wetsdecreet nr. 244/2003 liep in november 2005 af. De Portugese autoriteiten hebben in hun schrijven van 1 april 2011 verklaard dat sinds het verstrijken van de overgangsregeling van wetsdecreet nr. 244/2003 de kosten van de handelingen voor de vernietiging van bijproducten van slachtcentra en uitsnijderijen worden gedragen door de marktdeelnemers via de herwaardering van het afval, dat tot biobrandstof wordt verwerkt, en de export van meel. |
|
(55) |
Bij haar beslissing om een procedure in te leiden, heeft de Commissie gewag gemaakt van onderstaande twijfels inzake het bestaan van steun en de eventuele verenigbaarheid ervan, ten voordele van dienstverlenende bedrijven voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van het desbetreffende materiaal, en van slachtcentra en uitsnijderijen, importeurs van rund-, varkens- en pluimveevlees met been, intracommunautaire handelaren en veehouders. |
|
(56) |
De Commissie herhaalt met name de vragen uit het eerste verzoek om informatie. Betreffende de steun ten voordele van dienstverlenende bedrijven voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van het desbetreffende materiaal heeft de Commissie twijfels over de aard van de dienst van algemeen belang, zoals de Portugese autoriteiten aan de betrokken activiteiten willen toekennen, vooral met het oog op het arrest-Altmark (16). Betreffende de steun voor slachtcentra en uitsnijderijen, importeurs van rund-, varkens- en pluimveevlees met been, evenals voor intracommunautaire handelaren van de sector, heeft de Commissie twijfels geuit over het feit of de bijdrage, die door de sector via de desbetreffende heffing wordt betaald, overeenkomt met de werkelijke economische kosten van de dienstverlening die door de ophaaldiensten wordt geleverd, en de Commissie heeft hierover cijfermateriaal gevraagd. Ten slotte heeft de Commissie betreffende de steun voor veehouders twijfels geuit over de voordelen van het systeem voor hen, aangezien zij niet aan deze heffing onderworpen waren. |
|
(57) |
De Commissie heeft vervolgens een voorlopig onderzoek ingesteld naar de verenigbaarheid van de betreffende maatregelen met de richtsnoeren die sinds 1998 van toepassing zijn en heeft bij haar beslissing om een procedure in te leiden vastgesteld dat zij niet over voldoende informatie beschikt om tot de slotsom te komen dat de desbetreffende maatregelen verenigbaar zijn. |
III. OPMERKINGEN DOOR PORTUGAL
|
(58) |
Bij zijn eerste opmerkingen wijst Portugal op de specifieke situatie van het land gedurende 1998 ten gevolge van BSE. Portugal vermeldt vooral Beschikking 98/653/EG die de verzending vanuit Portugal naar andere lidstaten of naar derde landen van bepaalde producten, onder andere vleesbeendermeel, als dusdanig of als bestanddeel van andere producten, verbiedt. In die context stelde Portugal een plan voor toezicht, controle en uitroeiing van BSE op dat door het Permanent Veterinair Comité van de Commissie is goedgekeurd. Op 18 april 2001 besliste de Commissie om het embargo voor Portugal te handhaven. Dat is pas in 2004 opgeheven bij Verordening (EG) nr. 1993/2004 van de Commissie (17). |
|
(59) |
Portugal benadrukt bijgevolg dat tussen 1998 en 2004 alle maatregelen zijn genomen om het hoofd te bieden aan een noodsituatie die de volksgezondheid in gevaar bracht. De Portugese autoriteiten wilden toestaan dat maatregelen onmiddellijk van kracht werden tot de marktdeelnemers zichzelf zouden organiseren om zelf deze taken op zich te nemen, terwijl zij onder de controle van de staat bleven. Portugal is van oordeel dat de bescherming van de volksgezondheid een rechtsgoed is dat „hoger” is dan alle andere, wat een afwijking van de reglementering betreffende staatssteun rechtvaardigt. |
|
(60) |
Volgens Portugal hebben de goedkeuring van Beschikking 98/653/EG en verschillende verlengingen verhinderd dat de maatregelen van de Portugese staat om de BSE-crisis op te lossen, marktverstoringen zouden veroorzaken en zo de handelsbetrekkingen tussen de lidstaten zouden belemmeren. Portugal wijst erop dat, aangezien er op de verzending van bovengenoemde producten een embargo was, er geen handel was, wat inhoudt dat er geen concurrentieverstoring kon plaatsvinden. |
|
(61) |
In de eerste plaats stelt Portugal dat er in 1998 geen steun is toegekend en bewijst dat aan de hand van de datum van de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 393-B/98 van 4 december 1998. Pas vanaf dan heeft de Portugese staat uitzonderlijk en tijdelijk de verantwoordelijkheid genomen voor het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten. |
|
(62) |
Sinds de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 393-B/98 heeft Portugal de kosten gedragen in verband met het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten tot de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002. Portugal geeft hierbij aan dat het nemen van deze maatregelen door de staat beschouwd moet worden als een handeling van korte duur, aangezien de regeling vervolgens is gewijzigd en de heffing is ingevoerd als middel om de financiering voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee, inclusief gespecificeerd risicomateriaal (GRM), te verhalen op de sector. |
|
(63) |
Betreffende de kosten van bovengenoemde maatregelen stelt Portugal dat de parameters, die de basis vormden voor de berekeningen van de compensatie, voordien bij wetsdecreet zijn vastgesteld en gepubliceerd in het publicatieblad. De Portugese autoriteiten noemen drie besluiten (18). Deze besluiten vermelden de prijzen van de diensten (ophalen, vervoer, verwerking en verpakking van de „big bags” per kg product). De kosten voor deze handelingen, die voor rekening zijn van de verwerkingseenheden voor dierlijke bijproducten, die niet bij slachtcentra horen, zijn in aanmerking genomen. De lopende uitgaven, zoals kosten voor elektriciteit, brandstof, lonen, verzekeringen, enz., zijn eveneens in aanmerking genomen. Deze parameters zijn dezelfde voor alle dienstverleners. De Portugese autoriteiten geven aan dat de winst tussen 30 en 39,5 % lag, wat volgens hen een evenwichtige marge is, of zelfs minder dan het gemiddelde voor het boekjaar van economische activiteiten. De Portugese autoriteiten voegden de berekeningen toe voor de toepassing van de parameters die tot de vastlegging van de prijzen in de besluiten hebben geleid. |
|
(64) |
Tot slot is Portugal van mening dat de toegekende steun verenigbaar kan worden verklaard door een afwijking toe te staan van het beginsel dat de vervuiler betaalt, gelet op het feit dat deze steun overeenkwam met de kosten van de geleverde diensten en dat de geldende richtsnoeren op dat moment (communautaire richtsnoeren inzake staatssteun betreffende TSE-tests, gestorven dieren en slachthuisafval (19)) steun tot 100 % van de werkelijke kosten toestonden vanwege de korte duur ervan. |
|
(65) |
Sinds oktober 2002 is de rechtsgrondslag voor de betaling van kosten wetsdecreet nr. 197/2002. De Portugese autoriteiten zijn van oordeel dat deze heffingen rekening hielden met de waarden voor de vergoeding van de handelingen die de verwerkingseenheden van bijproducten moesten uitvoeren. Aangezien de crisis nog steeds actueel is, vinden de Portugese autoriteiten dat een staatstussenkomst als tussenfase nog steeds gerechtvaardigd is. |
|
(66) |
Bij de toen uitgevoerde simulaties is rekening gehouden met de totale lasten die de bedrijven moesten dragen, evenals met een redelijke winst. De Portugese autoriteiten hebben de berekening op basis van kosten en lasten voor 2003 opnieuw gemaakt. Deze bewijst volgens hen het evenwicht tussen de inkomsten en de kosten voor de werking van de nieuwe ingevoerde juridische regeling, dat de heffingen voor de financiering van de diensten bepaalt. |
|
(67) |
De Portugese autoriteiten verklaren bovendien dat de financiering van de diensten voor ophaling, vervoer, verwerking en vernietiging van bijproducten van vlees van pluimvee niet afkomstig was uit de heffingen, geïnd bij de slachtcentra en de importeurs van karkassen, halve karkassen en andere delen van runderen en varkens met been. Ze verduidelijken dat de interpretatie van de bepalingen van artikel 2, lid 1, van wetsdecreet nr. 197/2002 moet worden gezien in verband met de bepalingen van bijlage 1 die er worden vermeld; er is opgenomen dat de financiering van diensten voor ophaling, vervoer, verwerking en vernietiging van bijproducten van vlees uitgevoerd wordt door drie categorieën handelaren: slachtcentra voor rundvee, varkens, schapen/geiten, pluimvee en andere, importeurs van karkassen, halve karkassen en andere delen van runderen en varkens met been, en intracommunautaire importeurs van dezelfde producten. Bijlage 1 bevat een kolom met de bedragen die worden opgelegd aan de slachtcentra van pluimvee die het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten, afkomstig van de slachting van pluimvee, niet stimuleren, rekening houdend met het feit dat de meeste geïmporteerde karkassen van pluimvee geen bijproducten opleveren. |
|
(68) |
De Portugese autoriteiten verklaren ook dat het verschil tussen beide heffingen, vastgelegd in bijlage 2 bij wetsdecreet nr. 197/2002, gerechtvaardigd wordt door de kosten, verbonden aan de bijproducten afkomstig van uitsnijderijen. |
|
(69) |
De Portugese autoriteiten melden dat in overeenstemming met de wetsdecreten nr. 197/2002 en nr. 244/2003 geen verhaal van de heffingen op de veehouders wordt voorzien, hoewel deze kosten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging de facto op de hele vleessector zijn verhaald. De Portugese autoriteiten leveren hieromtrent twee facturen voor diensten, van 22 oktober 2002 en 28 oktober 2003, die volgens hen aantonen dat de kosten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging de facto door de slachtcentra op de veehouders zijn verhaald. |
|
(70) |
Tot slot verzekeren de Portugese autoriteiten dat de dienstverlenende ondernemingen geen middelen hebben ontvreemd ten voordele van eventuele concurrerende activiteiten, aangezien deze ondernemingen uitsluitend activiteiten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten uitvoerden. |
|
(71) |
Portugal vermeldt eveneens dat de overgangsregeling, opgericht bij wetsdecreet nr. 244/2003, in november 2005 is verstreken en dat sindsdien de instellingen die bijproducten voortbrachten, volledig de verantwoordelijkheid hebben overgenomen, die de staat tijdelijk in hun plaats op zich had genomen. Sinds november 2005 dragen de handelaren alle kosten door de herwaardering van het afval, dat tot biobrandstof wordt verwerkt, en de export van meel. |
|
(72) |
Ten slotte menen de Portugese autoriteiten dat ze hebben voldaan aan de voorwaarden van de geldende richtsnoeren, gelet op het feit dat de handelaren van wie die bijproducten afkomstig waren, geleidelijk de handelingen voor de vernietiging van bijproducten hebben betaald door middel van de heffing. |
IV. OPMERKINGEN VAN BETROKKENEN
|
(73) |
Bij schrijven van 15 juni 2009 heeft ETSA zijn opmerkingen gegeven. De groep ETSA bestaat uit de ondernemingen ITS — Indústria Transformadora de Subprodutos Animais, SA en SEBOL — Comércio e Indústria de Sebo, SA. Deze leveren diensten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten uit categorieën 1, 2 en 3 aan Portugal en behoren tot de ondernemingen die Portugal heeft aangesproken om gedurende de desbetreffende periode de vermelde diensten te leveren. ETSA wordt dan ook beschouwd als ontvanger van de staatssteun en als eventueel betrokkene in de procedure C 3/09. |
|
(74) |
Inleidend brengt ETSA de context van de BSE-crisis in herinnering, waardoor Portugal voorzorgsmaatregelen moest treffen (o.a. het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten uit categorieën 1, 2 en 3) in de strijd tegen de ziekte en om het infectierisico te beperken en zo de volksgezondheid en het milieu te beschermen. De goedkeuring van deze maatregelen vloeit in grote mate voort uit de communautaire wetgeving. |
|
(75) |
Gedurende 1998-2005 heeft INGA door onderhandse gunning de diensten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van afval aan de ondernemingen ITS en SEBOL toegekend. ETSA wijst erop dat alle ondernemingen die de voorwaarden voor de vereiste diensten vervulden, in dezelfde omstandigheden in aanmerking zijn genomen. Tot 10 oktober 2002 moest INGA voor dit type dienstverlening een beroep doen op erkende ondernemingen en de hiermee verbonden kosten dragen, in overeenstemming met artikel 6 van wetsdecreet nr. 393-B/98. De parameters voor de berekening van de vergoeding zijn bepaald door het gezamenlijke besluit nr. 96/99 en de prijs is vastgelegd naar rato van het gewicht van de grondstof. Deze kon worden herzien bij een wijziging van de voorwaarden voor het verstrekken van de dienst. De prijs, betaald aan SEBOL en ITS, hield rekening met de geschatte kosten voor het verstrekken van de dienst, met name met het gewicht en het volume van het op te halen en te behandelen afval, evenals met de uitvoering en het beheer van het ophaalsysteem van karkassen in het bedrijf dat, onder andere, voorzag in een snelle ophaling na de melding van de dood van het dier. |
|
(76) |
ETSA benadrukt dat, hoewel de gunning voor de dienstverlening niet door een aanbesteding is gebeurd, het bedrag van de vergoeding de respectievelijke kosten dekte, rekening houdend met de gecombineerde inkomsten, en dat zij zo nauwelijks een redelijke en legitieme winstmarge konden realiseren. ETSA geeft aan dat volgens hen het niveau van de vergoeding altijd in overeenstemming was met de doelmatigheid, aangezien de prijs die INGA betaalde, overeenkwam met de gemiddelde Europese prijs voor gelijkaardige diensten, en de prijzen die tot 2005 zijn betaald, lagen volgens ETSA in werkelijkheid lager dan diegene die later zijn toegepast in identieke overeenkomsten voor de dienstverstrekking, afgesloten door gunning van openbare aanbestedingen, bedoeld om de bepaling van de vergoeding in functie van de marktcriteria te vereenvoudigen. |
|
(77) |
Vanaf 2005 zijn de dienstverrichtingcontracten toegekend in het kader van internationale openbare aanbestedingen. Er zijn drie aanbestedingen uitgeschreven: rundvee/paardachtigen op nationaal niveau, schapen/geiten (zuiden) en schapen/geiten (noorden). ITS heeft een offerte ingediend via een consortium, waaraan het contract is toegekend. Er zijn drie dienstverrichtingcontracten afgesloten voor de drie vermelde loten. Bij de voorwaarden vermeldt ETSA met name het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van afval, het bijhouden van een register en permanente en geactualiseerde archieven omtrent deze operaties. IFAP (Instituto de Financiamento da Agricultura e Pescas) controleert de naleving van deze voorwaarden. |
|
(78) |
ETSA benadrukt dat de prijzen in de afgesloten overeenkomsten bij voorbaat op een objectieve en transparante manier zijn bepaald naar rato van het gewicht en de soort van de betrokken dieren. Volgens ETSA zijn deze prijzen bepaald volgens de voorwaarden van de markt en bieden zij een garantie op een gepaste dekking van de gemaakte kosten door de naleving van de verplichtingen van de openbare aanbesteding, als neergelegd in de dienstverrichtingscontracten en de desbetreffende wetgeving. |
|
(79) |
Op basis van deze elementen besluit ETSA dat het geen gebruik heeft gemaakt van onrechtmatige steun, maar dat het geld eenvoudigweg de legitieme vergoeding voor de verrichting van een openbare dienst was. |
V. BEOORDELING
1. BESTAAN VAN STEUN VOLGENS ARTIKEL 107, LID 1, VWEU
|
(80) |
In overeenstemming met artikel 107, lid 1, VWEU, behoudens de in dit Verdrag bepaalde afwijkingen, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(81) |
De artikelen 107 tot 109 VWEU werden van toepassing op de sector varkensvlees bij artikel 21 van Verordening (EEG) nr. 2759/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor deze producten (20), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 van de Raad (21). Zij werden van toepassing op de sector rundvlees bij artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor deze producten (22), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1152/2007 van de Raad (23). Voor de goedkeuring hiervan werden deze artikelen van toepassing op dezelfde sector bij artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad (24). Zij werden van toepassing op de sector schapen- en geitenvlees bij artikel 22 van Verordening (EG) nr. 2467/98 van de Raad van 3 november 1998 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor deze producten (25), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005. Zij werden van toepassing op de sector schapen- en geitenvlees bij artikel 19 van Verordening (EG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor deze producten (26), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006 van de Raad (27). Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (de zogenaamde „integrale-GMO-verordening”) (28) heeft deze verschillende verordeningen ingetrokken en bepaalt in artikel 180 dat de regels voor staatssteun van toepassing zijn op de bovenvermelde producten. |
|
(82) |
De aard van de steun moet worden bepaald op het niveau van alle begunstigden bij het ophalen, het vervoer, de behandeling en de vernietiging van slachtafval en de financiering daarvan. De Commissie heeft de volgende categorieën van potentiële begunstigden van het in Portugal ingevoerde systeem geïdentificeerd:
|
|
(83) |
Betreffende de evaluatie van de eventuele steun had de Commissie bij haar beslissing om een procedure in te leiden vier perioden vastgesteld, rekening houdend met de toepassing van de verschillende desbetreffende communautaire bepalingen voor de analyse van eventuele steunmaatregelen. De Commissie beschouwt als volgt: de periode van 1998 tot 31 december 1999, datum vóór de inwerkingtreding van de richtsnoeren inzake de staatssteun voor landbouw; de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2002, datum vóór de inwerkingtreding van de richtsnoeren inzake de staatssteun voor de verwijdering van slachthuisafval en gestorven dieren, evenals voor de kosten van de opsporing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (OSE); de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2006, datum vóór de inwerkingtreding van de nieuwe landbouwrichtsnoeren 2007-2013 (29); en de periode vanaf 1 januari 2007 tot heden. |
|
(84) |
Gelet op de nieuwe informatie van de Portugese autoriteiten, met name over de toepassing van het bovengenoemde wetsdecreet nr. 244/2003 en de verschillende financieringswijzen van de eventuele steun, wijzigt de Commissie de opdeling in de verschillende perioden enigszins en houdt in haar evaluatie voor elke groep eventuele begunstigden rekening met de volgende perioden:
|
1.1. BESTAAN VAN EEN SELECTIEF VOORDEEL
|
(85) |
Volgens de vaste rechtspraak van het Hof wordt als steun beschouwd elke tussenkomst die, in welke vorm ook, direct of indirect ondernemingen zou begunstigen of die moet worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming in normale marktvoorwaarden niet zou krijgen (30). Bovendien wordt als steun beschouwd elke tussenkomst die, in verschillende vormen, de lasten verlicht die normaal gezien drukken op het budget van een onderneming; dit is weliswaar geen subsidie in de strikte betekenis van het woord, maar is hierdoor van dezelfde aard en heeft identieke gevolgen (31). |
1.1.1. Selectief voordeel voor de dienstverlenende bedrijven
|
(86) |
De Commissie constateert dat de activiteit van het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van het desbetreffende materiaal een economische activiteit is aangezien deze het verstrekken van diensten tegen betaling is en kan worden uitgevoerd door verschillende economische actoren op de communautaire markt. Deze constateringen worden onderschreven door de informatie van ETSA en herhaald in overweging 73 en volgende van dit besluit. |
|
(87) |
Betreffende deze economische activiteit hebben de Portugese autoriteiten aangehaald dat de dienstverlenende bedrijven voor de diensten in kwestie een openbare dienst hebben verstrekt in het algemeen belang, gerechtvaardigd om redenen betreffende de volksgezondheid en de milieubescherming. Portugal heeft in deze context zijn specifieke situatie met het oog op de BSE-crisis benadrukt. Portugal wijst bijgevolg op het feit dat alle maatregelen zijn genomen om het hoofd te bieden aan een noodsituatie die de volksgezondheid in gevaar bracht. De Portugese autoriteiten wilden daarom toestaan dat de maatregelen onmiddellijk van kracht werden tot de marktdeelnemers zich zouden organiseren om zelf deze taken op zich te nemen, terwijl zij onder de controle van de staat bleven (zie de overwegingen 21 en 59 van dit besluit). |
|
(88) |
ETSA stelt in zijn opmerkingen dat het geen onrechtmatige steun heeft gekregen, maar dat alle fondsen gewoonweg de legitieme vergoeding waren voor het verstrekken van een openbare dienst (zie overweging 79 van dit besluit). |
|
(89) |
Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Altmark (32) blijkt dat overheidssubsidies om de verstrekking van openbare diensten toe te staan, niet vallen onder de toepassing van artikel 107 VWEU, aangezien dergelijke subsidies moeten worden beschouwd als compensatie voor de uitgevoerde verrichtingen door de begunstigde ondernemingen om de openbare dienstverplichtingen uit te voeren. Het Hof bepaalt echter dat de volgende voorwaarden verenigd moeten zijn:
|
|
(90) |
De toepassing van de rechtspraak Altmark in dit geval brengt de Commissie tot de volgende overwegingen: |
a) Echte dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU
|
(91) |
In de eerste plaats dient te worden onderzocht of dit geval een echte dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU is. |
|
(92) |
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat, behalve in de sectoren waarin er communautaire regelgeving ter zake voorhanden is, de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken ten aanzien van de aard van de diensten die als diensten van algemeen economisch belang kunnen worden aangemerkt. Derhalve is het de taak van de Commissie ervoor te zorgen dat deze beoordelingsmarge zonder kennelijke fout wordt toegepast betreffende de definitie van diensten van algemeen economisch belang. |
|
(93) |
Sinds 1990 is geconstateerd dat zich verschillende overdraagbare spongiforme encefalopathieën (OSE) hebben voorgedaan, afzonderlijk bij mensen en bij dieren. Sinds 1996 stapelden de bewijzen zich op inzake de gelijkenis met de BSE-agens (boviene spongiforme encefalopathie) en de nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Sinds 1990 heeft de Gemeenschap een reeks maatregelen getroffen voor de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van dieren met het oog op het risico van BSE. Deze maatregelen zijn gebaseerd op de vrijwaringsbepalingen van de richtlijnen inzake veterinairrechtelijke en ecologische maatregelen. Bij Beschikking 2000/766/EG waren de lidstaten verplicht om dierlijk afval in de zin van Richtlijn 90/667/EEG van de Raad (33) op te halen, te vervoeren, te verwerken, op te slaan of te vernietigen in overeenstemming met de genoemde richtlijn, met Beschikking 97/735/EG van de Commissie (34) en met Beschikking 1999/534/EG van de Raad (35). In die zin heeft Verordening (EG) nr. 1774/2002 veterinairrechtelijke voorschriften opgesteld die van toepassing zijn op dierlijke bijproducten, niet bestemd voor menselijke consumptie, en verplichtingen ingevoerd voor de lidstaten om erop toe te zien dat gepaste maatregelen worden genomen en er voldoende infrastructuur bestaat voor het ophalen, het vervoer en de vernietiging van dierlijke bijproducten. |
|
(94) |
Gelet op het feit dat het Hof heeft erkend dat het beheer van bepaald afval het onderwerp kan zijn van een dienst van algemeen economisch belang (36) en rekening houdend met de specifieke situatie van de bovengenoemde BSE-crisis, heeft de Commissie geen bezwaren betreffende de aard van de dienst van algemeen economisch belang die de Portugese autoriteiten wilden geven aan deze activiteit voor het ophalen en de latere vernietiging van karkassen en ander dierlijk afval, niet geschikt voor consumptie, van 1999 tot 2005, de periode waarin Portugal geheel (1999 tot 2003) of gedeeltelijk (2003 tot 2005) de verantwoordelijkheid voor deze operaties op zich heeft genomen. Deze beslissing is gerechtvaardigd om redenen van volksgezondheid en milieubescherming en valt hierom onder het begrip „algemeen economisch belang” in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU. |
b) Uitvoering van de openbare dienstverplichting
|
(95) |
Het arrest-Altmark eist een mandaat in de vorm van een of meer officiële besluiten met een bindende juridische waarde in nationaal recht. Betreffende de eerste voorwaarde in het arrest-Altmark wordt vastgesteld dat het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten, niet geschikt voor menselijke consumptie, in Portugal verplicht zijn gesteld bij wetsdecreet nr. 393-B/98 en wetsdecreet nr. 244/2003. Artikel 6 van wetsdecreet nr. 393-B/98 bepaalt dat INGA, verantwoordelijk voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten, niet geschikt voor menselijke consumptie, de ondernemingen voor de uitvoering van deze dienst kiest. Het gezamenlijke besluit nr. 95/99 heeft voordien de parameters bepaald voor de berekening van de vergoeding van de openbare dienst, evenals andere verplichtingen in verband met de verstrekking van de dienst, zoals de verplichting voor de onderneming om alle bijproducten nationaal op te halen in overeenstemming met de veterinairrechtelijke en technische normen, als bepaald in de wetgeving. |
|
(96) |
De Portugese autoriteiten houden vol dat de verplichtingen van de dienstverstrekkende ondernemingen duidelijk in de dienstverrichtingcontracten zijn vermeld. Als voorbeeld hebben zij aan de Commissie een dienstverrichtingcontract uit 2003 overgelegd, dat is afgesloten in overeenstemming met wetsdecreet nr. 393-B/98. |
|
(97) |
De Commissie stelt vast dat de verplichtingen van de dienstverstrekkende onderneming duidelijk zijn vermeld in het dienstverrichtingscontract dat de Portugese autoriteiten aan de Commissie hebben overgelegd. Gelet op de bepalingen van wetsdecreet nr. 393-B/98 en het gezamenlijke besluit, evenals op het dienstverrichtingscontract dat als voorbeeld is overgelegd, besluit de Commissie dat aan de eerste voorwaarde van de Altmark-rechtspraak is voldaan. |
c) Op objectieve en transparante wijze vooraf bepaalde parameters
|
(98) |
Betreffende de tweede voorwaarde stelt de Commissie — op basis van de informatie waarover zij beschikt — dat de parameters voor de berekening van de vergoeding voordien op objectieve en transparante wijze zijn bepaald. De gezamenlijke besluiten, overgelegd door de Portugese autoriteiten, vermelden ook de berekeningsmethode en de subsidiabele kosten (zie overweging 26 van dit besluit). Deze gegevens zijn regelmatig gecontroleerd met het oog op vorige berekeningen. Vanaf 2005 zijn procedures voor overheidsopdrachten toegepast. Gelet op de informatie waarover zij beschikt, stelt de Commissie dat aan de tweede voorwaarde van de Altmark-rechtspraak is voldaan. |
d) Noodzakelijke compensatie om de kosten van de dienst te dekken
|
(99) |
Betreffende de derde voorwaarde hebben de Portugese autoriteiten en de derde partij verklaard dat de compensatie niet hoger was dan hetgeen nodig is om alle of de gedeeltelijke kosten, gemaakt bij de uitvoering van de openbare dienstverplichtingen, te dekken, waarbij de daarmee verband houdende inkomsten en een redelijke winst voor de uitvoering van deze verplichtingen in aanmerking worden genomen. |
|
(100) |
Herhaaldelijk, met name bij het inleiden van de onderzoeksprocedure, heeft de Commissie aan de Portugese autoriteiten gevraagd om bijzonderheden over de berekeningsmethode van de werkelijke economische kosten van de prestaties. De Portugese autoriteiten hebben documenten overgelegd met de kosten van de dienstverleners per jaar voor de periode 1999-2005 en hebben deze vergeleken met de bedragen die INGA aan de dienstverleners voor de verstrekking van de diensten heeft betaald. Deze documenten tonen aan dat de compensatie, betaald door INGA aan de dienstverlenende ondernemingen, niet hoger was dan hetgeen nodig is om alle of de gedeeltelijke kosten, gemaakt bij de uitvoering van de dienst, te dekken. De overhandigde documenten tonen aan dat de compensatie ook rekening houdt met een winst van 30 tot 39,5 %, afhankelijk van het jaar (zie overweging 62 van dit besluit). |
|
(101) |
De Portugese autoriteiten hebben verzekerd dat de middelen niet konden worden afgeleid naar eventuele andere concurrerende activiteiten van de ondernemingen (kruissubsidiëring) aangezien de gekozen dienstverleners geen andere activiteiten uitvoerden. |
|
(102) |
Gelet op de door de Portugese autoriteiten overgelegde informatie, stelt de Commissie echter vast dat zij niet kan concluderen dat de winst „redelijk” was in de zin van de Altmark-rechtspraak. |
|
(103) |
In zijn opmerkingen bevestigt ETSA dat de vergoeding van de geleverde dienst op passende wijze overeenstemt met de gemaakte kosten door een winstmarge te hanteren die geen bijzonder voordeel met zich meebrengt en dat in de periode voor 2005 het niveau van de vergoeding van de openbare dienst overeenkwam met het Europese gemiddelde en lager lag dan het niveau van de vergoeding die was vastgelegd in het dienstverrichtingscontract dat bij aanbesteding is toegekend. |
|
(104) |
Hieromtrent moet de Commissie vaststellen dat noch de Portugese autoriteiten, noch de derde partij, documenten hebben overgelegd die deze beweringen staven. |
|
(105) |
De Commissie kan dan ook niet concluderen dat in deze zaak aan de derde voorwaarde van het arrest-Altmark is voldaan. |
e) Evaluatie van de kosten van een gemiddelde onderneming
|
(106) |
Gelet op het feit dat voor 2005 de dienstverstrekkende ondernemingen niet zijn gekozen in het kader van openbare aanbestedingen, vereist het arrest-Altmark een vergelijkende evaluatie met de kosten van een gemiddelde onderneming. De Portugese autoriteiten hebben geen elementen overgelegd die aantonen dat de kostenevaluatie is uitgevoerd op basis van een evaluatie van de kosten van een gemiddelde onderneming. |
|
(107) |
De Commissie heeft dan ook besloten dat in dit geval niet aan de vier criteria van de Altmark-rechtspraak is voldaan en dat de mogelijkheid van voordeel voor de dienstverstrekkende ondernemingen niet kan worden uitgesloten gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 393-B/98 en 2005, de einddatum van de overgangsregeling dat bij wetsdecreet nr. 244/2003 is ingesteld. |
|
(108) |
De overheidsbetalingen gebeurden aan bepaalde ondernemingen, met name aan ondernemingen die belast werden met de dienstverlening. De desbetreffende maatregel kan bijgevolg als specifiek worden beschouwd. |
|
(109) |
De Commissie besluit hieruit dat een selectief voordeel voor de dienstverleners gedurende de periode tussen 1998 en 2005, de einddatum van de overgangsregeling dat bij wetsdecreet nr. 244/2003 is ingesteld, niet kan worden uitgesloten. |
1.1.2. Selectief voordeel voor de slachtcentra en de uitsnijderijen, de importeurs van rund-, varkens- en pluimveevlees met been, de intracommunautaire importeurs, d.e. de handelaren in/ontvangers van rund- en varkensvlees met been
|
(110) |
In de zaak GEMO (37) beschouwde het Hof van Justitie dat het feit dat de activiteit van het ophalen en de verwijdering van dode dieren en slachthuisafval, waarvan de slachtcentra en de veehouders profiteerden, is uitgevoerd door private ondernemingen de eventuele kwalificatie van staatssteun niet aantast, aangezien de overheid aan de oorsprong ligt van de regeling van deze activiteit. |
|
(111) |
In dit geval liggen ook de Portugese autoriteiten aan de oorsprong van de regeling voor deze activiteit en de financiering ervan, bepaald door de wetsdecreten nr. 393-B/98, nr. 197/2002 en nr. 244/2003. De Commissie concludeert op dit punt dat deze regelingen bijgevolg toe te schrijven zijn aan de staat. |
|
(112) |
In de zaak GEMO heeft het Hof gepreciseerd dat de financiële belasting, voortvloeiend uit de verwijdering van dode dieren en slachthuisafval, moet worden beschouwd als een inherente kost van de economische activiteit van veehouders en slachtcentra (38). Het Hof heeft dan ook besloten dat artikel 107, lid 1, VWEU moet worden geïnterpreteerd in de zin dat een regeling die voor veehouders en slachtcentra het ophalen en de verwijdering van dode dieren en slachthuisafval gratis verzekert, moet worden beschouwd als staatssteun ten voordele van landbouwers en slachtcentra. |
Periode tussen 9 december 1998 en 9 oktober 2002, voor de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002
|
(113) |
In dit geval kan men stellen dat de verwijdering van dode dieren en van slachthuisafval niet enkel voor de slachtcentra en de uitsnijderijen een aan de activiteit inherente kost betekent, maar ook voor de importeurs van rund-, varkens- en pluimveevlees met been, evenals voor de handelaren in/ontvangers van rund- en varkensvlees met been. De Commissie is van oordeel dat de beschreven financiering van het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee door de begrotingstoewijzingen van de staat vóór de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002 tot gevolg had dat de gebruikers van deze dienst waren vrijgesteld van een aan hun activiteit inherente belasting. |
|
(114) |
De Commissie concludeert dat er een voordeel bestaat voor de periode vóór de oplegging van een parafiscale heffing. |
Periode tussen 10 oktober 2002 en november 2005
|
(115) |
Betreffende de periode na de inwerkingstelling van wetsdecreet nr. 197/2002 en wetsdecreet nr. 244/2003 is de financiering van bovenstaande activiteiten toegekend uit een parafiscale heffing, ingevoerd bij wetsdecreet nr. 197/2002 en gewijzigd bij wetsdecreet nr. 244/2003. Vrijgesteld van de betaling van de heffing waren volgens de regeling van wetsdecreet nr. 197/2002 de slachtcentra die zorgen voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van alle desbetreffende bijproducten, met uitzondering van GRM, hetzij in hun eigen ruimten, hetzij in uitsnijderijen, aangezien deze eenheden betreffende de behandeling van hun eigen bijproducten voorwaarden voor autonomie hebben gecreëerd (zie punt 2 van bijlage 2 van het bovengenoemde wetsdecreet), evenals de importeurs en intracommunautaire handelaren in ontbeend vlees, aangezien dat geen bijproducten oplevert die verplicht moeten worden behandeld volgens de communautaire en nationale wetgeving. Wetsdecreet nr. 244/2003 voorziet in een vrijstelling voor bovengenoemde marktdeelnemers op voorwaarde dat een vernietigings- of gebruiksplan wordt goedgekeurd volgens de specifieke voorwaarden, vereist voor de verschillende categorieën materiaal. |
|
(116) |
Om te kunnen evalueren of er een voordeel bestaat voor de slachtcentra en uitsnijderijen, importeurs van rund-, varkens- en pluimveevlees met been en de intracommunautaire handelaren, d.w.z. de belastingplichtige handelaren/ontvangers van rund- en varkensvlees met been, moet worden nagegaan in welke mate de bijdrage uit de heffing beantwoordt aan de werkelijke economische kosten van de geleverde prestaties bij de ophaaldienst. |
|
(117) |
De Commissie stelt vast dat de Portugese autoriteiten bij schrijven van 20 januari 2003 hebben verklaard dat de heffingen, als bepaald in bijlage I en II bij wetsdecreet nr. 197/2002 en de heffing, als bepaald in artikel 2, lid 2, voor GRM, berekend zijn op basis van de werkelijke kosten van de te leveren diensten, rekening houdend met de aard van de bijproducten per diersoort en met het feit of daar al dan niet sprake van is. |
|
(118) |
De Portugese autoriteiten beschouwen deze financiering in elk opzicht als een compensatie door de gebruikers voor de levering van een openbare dienst van algemeen belang. De bedragen die de belastingplichtige marktdeelnemers betalen, zijn geenszins forfaitair maar staan rechtstreeks in verhouding tot de hoeveelheid afval die effectief aan de openbare dienst wordt bezorgd en tot de werkelijke kosten van de verwijdering van dat afval. |
|
(119) |
Om deze beweringen te staven, hebben de Portugese autoriteiten documenten met cijfermateriaal voor 2003 overgelegd, waarin de werkelijke economische kosten van de geleverde diensten worden vergeleken met de bijdragen uit de desbetreffende heffing. Voor het resterende deel van 2002, na de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002 in oktober 2002, hebben de Portugese autoriteiten geen documenten met cijfermateriaal betreffende de inkomsten uit deze heffing overgelegd. |
|
(120) |
Voor 2004 en 2005 hebben de Portugese autoriteiten documenten met cijfermateriaal betreffende de kosten van de uitgevoerde operaties verstrekt, maar niet de inkomsten van de heffing, opgelegd aan de marktdeelnemers die hun vernietigings- en gebruiksplan nog niet hadden goedgekeurd en die hierdoor nog de heffing, opgelegd door de overgangsregeling bij wetsdecreet nr. 244/2003, moesten betalen. |
|
(121) |
Op basis van de documenten die de Portugese autoriteiten hebben overgelegd, kan de Commissie voor 2002, 2004 en 2005 niet vaststellen dat de bijdragen van de belastingplichtigen rechtstreeks in verhouding staan tot de hoeveelheid afval die effectief aan de ophaaldienst is geleverd en tot de werkelijke kosten van de verwijdering van dat afval. |
|
(122) |
De Commissie concludeert dat er voor 2003 geen voordeel bestaat aangezien de bijdragen van de belastingplichtigen van de heffing rechtstreeks in verhouding stonden tot de kosten die door de ontvangen diensten werden veroorzaakt. |
|
(123) |
De Commissie kan echter niet uitsluiten dat er een voordeel bestaat voor de slachtcentra en uitsnijderijen, importeurs van niet rund-, varkens- of pluimveevlees met been en de intracommunautaire handelaren, d.w.z. de belastingplichtige handelaren/ontvangers van rund- en varkensvlees met been gedurende de periode tussen oktober 2002 en 1 januari 2003 en in 2004 en 2005. |
1.1.3. Selectief voordeel voor de veehouders
Periode tussen 9 december 1998 en 9 oktober 2002, voor de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002
|
(124) |
In dit geval kan men stellen dat de verwijdering van dode dieren en van slachthuisafval niet enkel voor de slachtcentra en de uitsnijderijen een aan de activiteit inherente kost betekent, maar ook voor de veehouders op wie door de wetten van de markt minstens een deel van de belasting van de genoemde diensten wordt verhaald. In overeenstemming met de bovengenoemde rechtspraak GEMO is de Commissie van oordeel dat de beschreven financiering van het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee door de begrotingstoewijzingen van de staat vóór de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002 tot gevolg had dat de gebruikers van deze dienst waren vrijgesteld van een aan hun activiteit inherente belasting. |
|
(125) |
De Commissie concludeert dat er een voordeel bestaat voor de periode vóór de oplegging van de parafiscale heffing. |
Periode tussen 10 oktober 2002 en november 2005
|
(126) |
Zoals hierboven vermeld, zouden de maatregelen die door de Portugese autoriteiten zijn getroffen voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee de veehouders vrijstellen van belastingen die hen in normale omstandigheden gedeeltelijk ten laste zouden vallen. Uit wetsdecreet nr. 197/2002 en de overgangsregeling, als bepaald in wetsdecreet nr. 244/2003, blijkt dat de veehouders niet aan de desbetreffende heffing onderworpen zijn. De Portugese autoriteiten hebben verklaard dat de kosten van het ophalen voor einde 2005 op de hele keten zijn verhaald. De Commissie stelt vast dat de twee door de Portugese autoriteiten overgelegde facturen inderdaad voorzien in verhaal van de heffing op basis van wetsdecreet nr. 197/2002 en van wetsdecreet nr. 244/2003 op een van de slachtcentra in oktober 2002 en oktober 2003. De bewering van de Portugese autoriteiten dat, in overeenstemming met de wetten van de markt, de kosten zijn verhaald op de hele keten, onder andere op de veehouders, wordt gestaafd door de overgelegde documenten. De Commissie concludeert hieruit dat de veehouders de bij hun activiteit behorende kosten hebben gedragen en hierdoor geen specifiek voordeel hebben genoten. |
|
(127) |
De Commissie stelt vast dat de veehouders enkel gedurende de periode voor de toepassing van de heffing een voordeel hebben genoten. |
|
(128) |
Met het oog op het voorafgaande concludeert de Commissie dat er een voordeel bestond inzake het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten ten voordele van slachtcentra, uitsnijderijen en importeurs voor alle perioden, met uitzondering van 2003, en ten voordele van veehouders enkel gedurende de periode voor de toepassing van de heffing. |
1.2. VOORDELEN GEFINANCIERD MET BEHULP VAN STAATSMIDDELEN
|
(129) |
Artikel 107, lid 1, VWEU heeft betrekking op steun, toegekend door de lidstaten of met behulp van staatsmiddelen. Met andere woorden: de desbetreffende maatregel moet ten laste zijn van de staat en met behulp van staatsmiddelen zijn toegekend. |
|
(130) |
In dit geval is de financiering van de kosten in verband met het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van het vlees van zoogdieren en pluimvee tussen 1999 en oktober 2002 toegekend uit de directe inkomsten van de staat en vanaf oktober 2002 uit de inkomsten van een parafiscale heffing, opgelegd aan de slachtcentra, de importeurs van rund- en varkensvlees met been en de intracommunautaire handelaren, d.w.z. gebruikers/ontvangers van rund- en varkensvlees met been. |
|
(131) |
De betalingen aan de dienstverstrekkers, toegekend uit de directe inkomsten van de staat, zijn voordelen die met behulp van staatsmiddelen zijn gefinancierd. Het feit dat deze openbare dienst uit de nationale begroting is gefinancierd, vanaf 1999 en voor de toepassing van de heffing in 2002, houdt in dat de ondernemingen die deze dienst uitvoeren, in aanmerking komen voor overheidsmiddelen om de uitgaven die voortvloeien uit de genoemde dienst, te dekken. |
|
(132) |
De heffingen, toegepast tussen september 2002 en november 2005, vallen niet onder het toepassingsgebied van de bepalingen van het VWEU betreffende staatssteun, tenzij deze de financieringswijze vormen van een steunmaatregel en bijgevolg integrerend deel uitmaken van deze maatregel (39). |
|
(133) |
Alle heffingen worden bij verleggingsregeling aan INGA betaald. De heffingen bij de marktdeelnemers vormen de inkomsten van INGA en worden rechtstreeks aan deze instantie betaald. |
|
(134) |
Om een heffing als een integrerend onderdeel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken, moet er krachtens de desbetreffende nationale regeling een dwingend bestemmingsverband bestaan tussen de heffing en de steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd (40). |
|
(135) |
Gelet op het feit dat de heffingen inkomsten voor INGA vormden en direct aan deze instelling zijn betaald, stelt de Commissie dat de heffing een integrerend onderdeel van de steunmaatregel is. |
|
(136) |
Betreffende de vraag of de inkomsten uit parafiscale heffingen in dit geval al dan niet als staatsmiddelen kunnen worden beschouwd, moet worden opgemerkt dat voor staatsmiddelen geen onderscheid mag worden gemaakt tussen gevallen waarbij de steun rechtstreeks door de staat wordt toegekend of door openbare of private instellingen die door de staat zijn aangeduid of opgericht. Op 15 juli 2004 heeft het Hof van Justitie in zijn arrest in de zaak Pearle (41) opgemerkt dat verplichte bijdragen die door een intermediair orgaan worden geïnd bij alle ondernemingen van een bepaalde bedrijfssector, alleen dan niet als staatsmiddelen kunnen worden beschouwd als is voldaan aan alle vier de volgende voorwaarden:
|
|
(137) |
Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat aan de eerste voorwaarde van het arrest-Pearle e.a. niet is voldaan in die zin dat de maatregel is ingevoerd bij wetsdecreet om een door de staat vastgesteld beleid uit te voeren in de strijd tegen BSE. |
|
(138) |
Bovendien wordt aan de derde en vierde voorwaarde niet voldaan aangezien de financieringswijze bij de genoemde wetsdecreten is geregeld. Bijgevolg hebben de Portugese autoriteiten de mogelijkheid om in te grijpen in de vaststelling van de financieringswijze van de maatregel. |
|
(139) |
Aangezien niet aan alle voorwaarden van het arrest-Pearle is voldaan en aangezien de staat een beslissende controle op de financieringswijze van de steunmaatregel uitoefent, is de Commissie van oordeel dat de opbrengsten van de parafiscale heffingen staatsmiddelen vormen. |
1.3. CONCURRENTIEVERSTORING/ONGUNSTIGE BEÏNVLOEDING VAN HET HANDELSVERKEER
|
(140) |
Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie komt een verbetering van de concurrentiepositie van een onderneming dankzij staatssteun in het algemeen neer op verstoring van de concurrentie ten opzichte van andere, concurrerende ondernemingen die de betrokken steun niet ontvangen (42). |
|
(141) |
De maatregel kan invloed hebben op de positie van Portugal in de vleessector (43). Aangezien de Portugese ondernemingen hun activiteiten ontplooien op een zeer concurrerende internationale markt, kan worden gesteld dat deze maatregel de concurrentie vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(142) |
De Portugese autoriteiten hebben aangehaald dat er door het embargo op de verzending van levende runderen en vleesbeendermeel als dusdanig of als bestanddeel van andere producten geen handel was, wat inhoudt dat er geen concurrentieverstoring kon plaatsvinden. |
|
(143) |
In dat opzicht moet erop worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak (44) steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ook dan ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen wanneer de begunstigde onderneming niet zelf deelneemt aan de uitvoer maar zich in een situatie bevindt waarin zij moet concurreren met producten uit andere lidstaten. Immers, wanneer een staat steun toekent aan een onderneming kan de binnenlandse productie in stand blijven of stijgen, met het gevolg dat de kansen van ondernemingen uit andere lidstaten om hun producten naar de markt van eerstbedoelde staat uit te voeren, afnemen. |
|
(144) |
In deze omstandigheden stelt de Commissie dat het feit dat de verzending van bovengenoemde producten vanuit Portugal naar andere lidstaten verboden was, geen invloed heeft op het feit dat de steun de mededinging kan vervalsen en het handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden. |
1.4. CONCLUSIES
|
(145) |
De Commissie is van oordeel dat de maatregel, ingevoerd bij wetsdecreet nr. 393-B/98, nr. 197/2002 en nr. 244/2003 inzake het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van dierlijke bijproducten, staatssteun vormt ten voordele van slachtcentra, uitsnijderijen en importeurs gedurende de toepassingsperiode van wetsdecreet nr. 393-B/98 tot het einde van de overgangsregeling, ingevoerd bij wetsdecreet nr. 244/2003, met uitzondering van 2003, waarvoor de Portugese autoriteiten hebben kunnen aantonen dat er geen voordeel was. |
|
(146) |
Betreffende de veehouders stelt de Commissie dat de maatregel staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, voor de periode vóór de toepassing van de heffing. |
|
(147) |
Betreffende de dienstverlenende ondernemingen concludeert de Commissie dat tijdens de periode tussen de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 393-B/98 en 2005, de einddatum voor de toepassing van de overgangsregeling ingevoerd bij wetsdecreet nr. 244/2003, eventuele staatssteun niet kan worden uitgesloten. |
2. ONWETTIGHEID VAN DE STEUN
|
(148) |
De Commissie stelt vast dat Portugal de steunmaatregelen sinds 1999 en de regelingen, als bepaald bij wetsdecreten nr. 197/2002 en nr. 244/2003, niet heeft meegedeeld in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU. Artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999 definieert „onrechtmatige steun” als nieuwe steun die in strijd met artikel 93, lid 3, van het Verdrag tot uitvoering wordt gebracht. |
|
(149) |
Uit het feit dat de door Portugal getroffen maatregelen elementen van staatssteun bevatten, volgt dat het om nieuwe, niet aan de Commissie meegedeelde, steun gaat, die bijgevolg onrechtmatig is in de zin van het VWEU. |
|
(150) |
Het onderzoek naar de verenigbaarheid van eventuele steun gebeurt in twee delen: in een eerste deel onderzoekt de Commissie de verenigbaarheid van de steun die is toegekend aan dienstverlenende ondernemingen; in een tweede deel onderzoekt zij de verenigbaarheid van eventuele steun die is toegekend aan slachtcentra en uitsnijderijen, aan importeurs en intracommunautaire handelaren uit de sector en aan veehouders. |
|
(151) |
Aangezien het gaat om steun die is gefinancierd door middel van een parafiscale heffing vanaf 2002, moeten zowel de financiële acties, d.w.z. de steun zelf, als de financiering ervan door de Commissie onderzocht worden wanneer de financiering een integrerend onderdeel van de steunmaatregel is. Het Hof stelt dat wanneer de financieringswijze van steun, met name met behulp van verplichte bijdragen, een integrerend onderdeel van de steunmaatregel is, bij het onderzoek hiervan door de Commissie rekening moet worden gehouden met deze financieringswijze (45). Zoals aangetoond in overweging 135 van dit besluit, moet de financieringswijze worden beschouwd als zijnde een integrerend onderdeel van de steunmaatregel. |
3. ONDERZOEK NAAR DE VERENIGBAARHEID VAN STEUN
3.1. ANALYSE IN HET LICHT VAN DE GELDENDE BEPALINGEN VOOR NIET-AANGEMELDE STEUNMAATREGELEN
3.1.1. Steun ten voordele van dienstverlenende ondernemingen
a) Verenigbaarheid van steun op grond van artikel 106, lid 2, VWEU
|
(152) |
Er zijn uitzonderingen op het verbod van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(153) |
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat compensatie van openbare diensten niet als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is aan te merken wanneer deze aan bepaalde voorwaarden voldoet (zie overweging 89 van dit besluit). Wanneer compensatie voor de openbare dienst niet aan deze voorwaarden voldoet en wanneer aan de algemene criteria voor de toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU is voldaan, is deze compensatie echter wel aan te merken als staatssteun die verenigbaar kan worden verklaard met het VWEU met toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU indien hij voor het beheer van de diensten van algemeen economisch belang noodzakelijk is en de ontwikkeling van het handelsverkeer niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie. De Commissie heeft de voorwaarden bepaald om tot een dergelijk evenwicht te komen. Reeds in haar mededeling inzake diensten van algemeen belang in Europa van 2001 (46) heeft de Commissie gepreciseerd dat er op gelet dient te worden dat beperkingen door de regels van het EG-Verdrag, en met name beperkingen van de mededinging en beperkingen van de vrijheden van de interne markt, niet verder gaan dan wat voor een effectieve tenuitvoerlegging van de openbare dienst noodzakelijk is. Dat houdt met name in dat de vergoeding niet hoger mag zijn dan de netto bijkomende kosten, veroorzaakt door de taak die aan de betrokken onderneming is toegekend. De Commissie heeft deze voorwaarden ook later gepreciseerd in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensaties voor de openbare dienst (47) en in haar besluit van 28 november 2005 inzake de toepassing van artikel 86, lid 2 (48). Betreffende de berekening van de compensatie heeft de Commissie verklaard dat het bedrag van de compensatie niet hoger mag zijn dan hetgeen nodig is om de kosten, gemaakt bij de uitvoering van de openbare dienstverplichtingen, te dekken, waarbij de daarmee verband houdende inkomsten en een redelijke winst voor de uitvoering van deze verplichtingen in aanmerking worden genomen. De redelijke winst kan met name — geheel of gedeeltelijk — productiviteitswinsten omvatten die de betrokken ondernemingen tijdens een afgesproken en beperkte periode behalen, zonder dat zulks iets afdoet aan het kwaliteitsniveau dat de staat voor die diensten heeft vastgelegd. |
|
(154) |
Punt 18 van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensaties voor de openbare dienst verduidelijkt dat onder „redelijke winst” dient te worden begrepen een vergoeding op het eigen kapitaal waarmee rekening wordt gehouden met het risico voor de onderneming, of het ontbreken daarvan door het optreden van de staat, met name wanneer deze laatste uitsluitende of bijzondere rechten toekent. Normaal gesproken mag dit percentage niet hoger liggen dan het gemiddelde percentage dat in de betrokken sector tijdens de laatste jaren is vastgesteld. In sectoren waar er geen onderneming bestaat die met de met de dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming valt te vergelijken, kan de vergelijking worden gemaakt met ondernemingen uit andere lidstaten of zo nodig uit andere sectoren, op voorwaarde dat met de specifieke kenmerken van elke onderneming rekening wordt gehouden. Om te bepalen wat een redelijke winst is, kan de lidstaat stimulerende criteria invoeren, afhankelijk van met name de kwaliteit van de aangeboden dienst en de productiviteitswinsten. |
|
(155) |
Zoals toegelicht in overweging 99 en volgende van dit besluit kan de Commissie op basis van de door de Portugese autoriteiten overlegde elementen, niet concluderen dat bij de berekening van de compensatie rekening is gehouden met een redelijke winst die niet hoger ligt dan het gemiddelde percentage in de sector. De diensten van de Commissie hebben herhaaldelijk aan de Portugese autoriteiten gevraagd om de noodzakelijke elementen te leveren om te kunnen vaststellen of in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor een afwijking van staatssteun, toegekend in de vorm van een openbare dienst van economisch belang. De elementen, overgelegd door de Portugese autoriteiten, vermelden nergens een vergelijking met andere ondernemingen om een gemiddeld percentage voor de betrokken sector vast te stellen. |
|
(156) |
De Commissie kan dus niet besluiten tot de verenigbaarheid van steun ten voordele van dienstverleners in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU. |
b) Verenigbaarheid van steun op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU
|
(157) |
Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU voorziet in de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Om in aanmerking te komen voor de afwijking in het bovengenoemde punt moet de steun aan de ontwikkeling van de desbetreffende sector kunnen bijdragen. |
|
(158) |
In dit geval verklaren de Portugese autoriteiten alle kosten in verband met het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van het vlees van zoogdieren en pluimvee sinds 1999 te hebben gedragen. Sinds oktober 2002 wordt de financiering van de kosten in verband met het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van het vlees van zoogdieren en pluimvee toegekend uit de inkomsten van een heffing voor slachtcentra, importeurs van rund- en varkensvlees met been en intracommunautaire handelaren, d.w.z. gebruikers/ontvangers van rund- en varkensvlees met been, wanneer deze niet met de handelingen zelf zijn belast. |
|
(159) |
Volgens punt 23.3 van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector 2000-2006 (49) (hierna „de richtsnoeren”) en de mededeling van de Commissie inzake de bepaling van regels, van toepassing op de evaluatie van onrechtmatige staatssteun (50) moet elke onrechtmatige staatssteun in de zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999 worden geëvalueerd in overeenstemming met de regelgeving en richtsnoeren die van kracht zijn op het moment waarop de steun wordt toegekend. In 2002 heeft de Commissie de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun betreffende TSE-tests, gestorven dieren en slachthuisafval goedgekeurd. Deze richtsnoeren waren van toepassing tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 (51). Punt 44 van de TSE-richtsnoeren voorziet in een uitzondering op het beginsel dat onrechtmatige steun moet worden geëvalueerd in overeenstemming met de regelgeving die van kracht is op het moment dat de steun is toegekend, met name voor gevallen in verband met slachthuisafval. Volgens punt 47 van de TSE-richtsnoeren past de Commissie de beginselen op basis van punt 11.4 van de richtsnoeren toe voor onrechtmatige steun inzake slachthuisafval, toegekend voor einde 2002. Bijgevolg is punt 47 van de TSE-richtsnoeren de toepasselijke wettelijke basis voor de evaluatie van toegekende steun vanaf 1999. |
|
(160) |
In overeenstemming met punt 194, onder c), van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 en sinds de inwerkingtreding van deze richtsnoeren op 1 januari 2007 past de Commissie de TSE-richtsnoeren niet meer toe, behalve voor onrechtmatige steun, toegekend vóór 1 januari 2007 en bedoeld in punt 43 en volgende van deze richtsnoeren. Punt 47 van de TSE-richtsnoeren blijft dus de geldende bepaling voor onrechtmatige steun inzake slachthuisafval vanaf 1 januari 2003. |
|
(161) |
Punt 47 van de TSE-richtsnoeren voorziet een reeks bepalingen inzake slachthuisafval. |
|
(162) |
Volgens punt 47 van de TSE-richtsnoeren heeft de Commissie ten aanzien van staatssteun voor slachthuisafval sinds januari 2001 een reeks individuele beschikkingen gegeven, op grond waarvan staatssteun is toegestaan tot 100 % van de kosten voor het verwijderen van gespecificeerd risicomateriaal, vleesbeendermeel en diervoeder dat dergelijke producten bevat, dat moest worden verwijderd op grond van de nieuwe communautaire wetgeving op het gebied van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (OSE). Deze beschikkingen waren met name gebaseerd op punt 11.4 van de landbouwrichtsnoeren, rekening houdend met het kortetermijnkarakter van de steun en met de noodzaak om op de langere termijn het beginsel „de vervuiler betaalt” in acht te nemen. Bij uitzondering heeft de Commissie toegestaan dat dergelijke staatssteun ook wordt verleend aan andere marktdeelnemers dan diegenen die levende dieren produceren, bijvoorbeeld slachthuizen. Op onrechtmatige steun die vóór het einde van 2002 is verleend voor vergelijkbare kosten in verband met nieuwe communautaire wetgeving inzake TSE's, zal de Commissie dezelfde beginselen toepassen, onverminderd de naleving van de andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht. |
|
(163) |
Punt 47 van de TSE-richtsnoeren wijst erop dat de Commissie uitzonderlijk heeft aanvaard dat dergelijke staatssteun ook wordt toegekend aan andere handelaren dan zij die in de productie van levende dieren werken, bijvoorbeeld aan slachtcentra. In het verleden heeft de Commissie beslist dat deze uitzondering ook van toepassing is op andere ondernemingen die werkzaamheden uitvoeren die nauw verband houden met de productie van levende dieren, zoals destructiebedrijven. |
|
(164) |
Op basis van punt 11.4 van de landbouwrichtsnoeren heeft de Commissie steun toegestaan tot een bedrag van 100 % van de werkelijke kosten voor maatregelen, zoals veterinairrechtelijke controles, testen en andere opsporingsonderzoeken, de aankoop en administratie van geneesmiddelen en fytosanitaire producten en de vernietiging van oogst op voorwaarde dat:
|
|
(165) |
Volgens punt 47 van de TSE-richtsnoeren zijn ook deze beginselen van toepassing. |
|
(166) |
BSE is een overdraagbare ziekte die een bedreiging voor de volksgezondheid vormt. Het is een dierziekte waarvan de primaire uitbraak onmiddellijk aan de Commissie en aan de andere lidstaten moet worden gemeld (52). De bedoeling van de steunmaatregel is om te garanderen dat de noodzakelijke preventiemaatregelen inzake het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging worden uitgevoerd in overeenstemming met de veterinairrechtelijke wetgeving, van kracht tussen 1999 en 2005 in de vleessector. |
|
(167) |
De Commissie merkt in dat opzicht op dat Portugal heeft aangegeven dat het alle kosten in verband met het ophalen, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van vlees van zoogdieren en pluimvee sinds 1999 tot einde 2002 heeft gedragen in de context van noodmaatregelen, goedgekeurd door de Commissie in het kader van Beschikking 98/653/EG die de export van vleesmeel, beendermeel en vleesbeendermeel afkomstig van zoogdieren, verbiedt. Ze merkt bovendien op dat de maatregelen voor het embargo van rundvlees ten opzichte van Portugal pas met de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 1993/2004 zijn opgeheven. |
|
(168) |
De Commissie benadrukt daarenboven dat, in overeenstemming met punt 33 en 34 van de TSE-richtsnoeren, de ondernemingen zijn gekozen en vergoed in overeenstemming met de marktbeginselen, op niet discriminerende wijze (zie overweging 21 en volgende van dit besluit). Gelet op de dringendheid van de te nemen maatregelen kan de Commissie in dit geval aanvaarden dat de Portugese autoriteiten gekozen hebben voor dienstverleners in overeenstemming met wetsdecreet nr. 197/99 van 8 juni 1999 dat, volgens de informatie van de Portugese autoriteiten, het nationale instrument is voor de omzetting van Richtlijn 97/52/EG, zonder een beroep te doen op openbare aanbestedingen (zie overweging 24 van dit besluit). |
|
(169) |
De Portugese autoriteiten hebben aangegeven dat wetsdecreet nr. 197/2002 is bedoeld om hun verbintenissen in de context van Beschikking 2000/766/EG na te komen, waarbij ook het beginsel „de vervuiler betaalt” in acht is genomen (zie de overwegingen 65 en 66 van dit besluit). Zij hebben bevestigd dat de middelen niet konden worden afgeleid naar eventuele andere concurrerende activiteiten van de dienstverstrekkende ondernemingen, aangezien de enige activiteit van deze ondernemingen effectief het ophalen, de verwerking, het vervoer en de vernietiging van dierlijke bijproducten was. |
|
(170) |
De Commissie stelt bovendien vast dat de verantwoordelijkheid van de dienst en de financiering ervan zijn overgedragen aan de handelaren, rekening houdend met de overgangsfase, via het systeem dat bij wetsdecreet nr. 244/2003 is ingevoerd. |
|
(171) |
Gelet op de bijzondere omstandigheden en de dringende situatie, veroorzaakt door het risico op verspreiding van BSE tussen 1999 en 2004, en door het feit dat het systeem, dat bij wetsdecreet nr. 244/2003 is ingevoerd, voorzag in een geleidelijke overgang van de verantwoordelijkheid en de financiering van de diensten naar de handelaren van de sector, is de Commissie van oordeel dat de steun beschouwd kan worden als van korte duur en dat het beginsel „de vervuiler betaalt” op lange termijn in acht is genomen. |
|
(172) |
Op basis van de beschikbare informatie kan de Commissie concluderen dat de steun die is toegekend tussen 1999 en 2002, in aanmerking komt voor de afwijking, als bepaald in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. |
|
(173) |
Voor de steun die is toegekend van 2003 tot november 2005, is de Commissie van oordeel dat — gezien de dringendheid van de situatie tot eind 2004 en het feit dat de regeling van het wetsdecreet voorzag in een geleidelijke overdracht van de verantwoordelijkheid en de financiering van de diensten, zoals hierboven vermeld, — de steun kan worden beschouwd als verenigbaar en in overeenstemming met punt 47 van de TSE-richtsnoeren, indien deze beantwoordt aan de werkelijke kosten van de ontvangen prestaties. |
|
(174) |
Zoals aangegeven in overweging 100 van dit besluit, hebben de Portugese autoriteiten aangetoond dat de steun beantwoordt aan de werkelijke kosten van de diensten van de dienstverlenende ondernemingen voor de periode van 1999 tot 2005. |
|
(175) |
Op basis van de beschikbare informatie concludeert de Commissie dan ook dat de steun die is toegekend tussen 2003 en november 2005 aan de dienstverleners, in aanmerking komt voor de afwijking, als bepaald in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. |
3.1.2. Steun aan slachtcentra en uitsnijderijen, aan importeurs en intracommunautaire handelaren van de sector, evenals aan veehouders
|
(176) |
Zoals de Commissie in overwegingg 166 van dit besluit heeft vastgesteld, bracht het risico op verspreiding van BSE in Portugal bijzondere omstandigheden en een noodsituatie teweeg. Gelet op deze bijzondere situatie en door het feit dat het systeem, dat bij wetsdecreet nr. 244/2003 is ingevoerd, voorzag in een geleidelijke overdracht van de verantwoordelijkheid en de financiering van de diensten naar de handelaren van de sector, is de Commissie van oordeel dat de steun kan worden beschouwd als van korte duur en dat het beginsel „de vervuiler betaalt” op lange termijn in acht is genomen. In overeenstemming met haar vroegere praktijk, oordeelt de Commissie in dit geval dat de steun uit hoofde van punt 47 van de TSE-richtsnoeren uitzonderlijk kon worden toegekend aan andere betrokkenen van de sector, met name aan slachtcentra en uitsnijderijen, aan importeurs en intracommunautaire handelaren van de sector. |
|
(177) |
Zoals de Commissie dit ook heeft vastgesteld voor de dienstverlenende ondernemingen, is de steun toegekend in overeenstemming met de beginselen, als genoemd in punt 47 van de TSE-richtsnoeren. |
|
(178) |
Betreffende de slachtcentra en uitsnijderijen, importeurs en intracommunautaire handelaren van de sector kan de Commissie dus besluiten dat de toegekende steun in aanmerking komt voor de afwijking, als bepaald in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. |
|
(179) |
Betreffende de veehouders besluit de Commissie eveneens dat, gezien de omstandigheden als vermeld in overweging 160 en volgende van dit besluit, de steun is toegekend in overeenstemming met de beginselen, als bedoeld in punt 47 van de TSE-richtsnoeren, en in aanmerking komt voor de afwijking, als bepaald in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. |
3.2. FINANCIERING VAN DE STEUN
|
(180) |
Sinds oktober 2002, de datum van de inwerkingtreding van wetsdecreet nr. 197/2002, wordt de financiering van de kosten in verband met het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van het vlees van zoogdieren en pluimvee toegekend uit de inkomsten van een parafiscale heffing voor slachtcentra, importeurs van rund- en varkensvlees met been en intracommunautaire handelaren, d.w.z. handelaren in/ontvangers van rund- en varkensvlees met been. |
|
(181) |
In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof (53), is de Commissie normaal van mening dat de financiering van staatssteun via verplichte heffingen invloed kan hebben op de steun door een beschermend effect dat verder gaat dan de eigenlijke steun. De bijdragen waarvan sprake zijn inderdaad verplichte heffingen. Volgens dezelfde rechtspraak stelt de Commissie dat steun niet enkel kan worden gefinancierd door parafiscale heffingen, die eveneens uit andere lidstaten geïmporteerde producten belasten. |
|
(182) |
Rekening houdend met deze rechtspraak en met het feit dat de maatregel is toegekend met behulp van staatsmiddelen en er dus sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU, moet worden nagegaan of deze een discriminerend karakter heeft dat strijdig is met artikel 110 VWEU aangezien producten uit andere lidstaten ook aan de betaling van deze heffing onderworpen zijn. |
|
(183) |
De Portugese autoriteiten hebben de belasting van geïmporteerd vlees met been gerechtvaardigd door het feit dat deze geïmporteerde producten op dezelfde manier kunnen profiteren van het systeem als de nationale producten, aangezien het bestaan van vlees met been het bestaan van bijproducten die gebruikmaken van de diensten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging, veronderstelt. |
|
(184) |
Gelet op de informatie waarover de Commissie beschikt, zijn de heffingen opgelegd aan de slachtcentra, aan de importeurs van karkassen, halve karkassen en andere delen van runderen en varkens met been (zie artikel 2, lid 2, van wetsdecreet nr. 197/2002) en dienden deze om de dienst voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van het vlees van zoogdieren en pluimvee te garanderen (artikel 1, lid 1, van wetsdecreet nr. 197/2002). |
|
(185) |
Deze informatie leidde bij de Commissie tot twijfels over de overeenstemming tussen de geïnde heffingen voor de belastingplichtigen en de diensten die hiervan gebruikmaken. De Commissie heeft vastgesteld dat zij niet kan uitsluiten dat er een systeem bestaat dat mogelijk discriminerend is voor de uit andere lidstaten geïmporteerde producten die de heffing zouden moeten betalen. |
|
(186) |
Later hebben de Portugese autoriteiten verzekerd dat de financiering van diensten voor het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten van pluimvee niet afkomstig was van de heffingen die geïnd waren bij slachtcentra en importeurs van karkassen, halve karkassen en andere delen van runderen en varkens met been, maar in overeenstemming met bijlage 1 bij wetsdecreet nr. 197/2002 van slachtcentra van pluimvee die het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van bijproducten, afkomstig van het slachten van pluimvee, niet aanmoedigden. De importeurs van en handelaren in karkassen van pluimvee zijn vrijgesteld van de heffing, rekening houdend met het feit dat de meeste geïmporteerde karkassen van pluimvee geen bijproducten opleveren. |
|
(187) |
Betreffende de importeurs van en handelaren in karkassen, halve karkassen en andere delen van runderen en varkens met been, hebben de Portugese autoriteiten daarentegen aangehaald dat deze geïmporteerde delen met been wel bijproducten opleveren. |
|
(188) |
Al bij het verzoek om informatie en later, bij de inleiding van de procedure, heeft de Commissie aan de Portugese autoriteiten gevraagd om te garanderen dat de geïmporteerde producten op dezelfde manier voor het mechanisme in aanmerking zouden komen als de nationale producten en dat zij zo op cijfermatige wijze zouden bewijzen dat voor een bepaalde referentieperiode er een financiële gelijkwaardigheid is tussen de bedragen die geïnd werden op producten van rund- en varkensvlees met been, afkomstig uit andere lidstaten, en de kosten van de diensten waarvan deze uitsluitend voordeel halen (zie punt 37, onder h), van het besluit om de procedure in te leiden). |
|
(189) |
De Portugese autoriteiten hebben verzekerd dat de geïmporteerde delen met been op dezelfde manier voordeel halen uit de diensten voor ophalen, vervoer, verwerking en vernietiging van bijproducten van vlees als de nationale producten, maar zij hebben hieromtrent geen precieze cijfers en gegevens verstrekt. |
|
(190) |
Aan de hand van de beschikbare informatie kan de Commissie momenteel niet concluderen dat de heffing, ingevoerd bij wetsdecreet nr. 197/2002 en geïnd op geïmporteerde producten, gelijkwaardig is aan het overeenkomstige bedrag van de diensten waarvoor de bijproducten, afkomstig van deze geïmporteerde producten in aanmerking komen, en dat bijgevolg de geïmporteerde producten in dezelfde mate als de nationale producten kunnen gebruikmaken van de door de staatssteun gefinancierde diensten. |
|
(191) |
Uit hoofde van artikel 3, lid 2, van wetsdecreet nr. 244/2003 moeten de slachtcentra, de uitsnijderijen, de incubatiecentra en ondernemingen voor eiproducten de heffingen, als bepaald in bijlage 1 bij wetsdecreet nr. 197/2002, betalen, met uitzondering van de instanties die vallen onder de alternatieve regeling, als bepaald in dit wetsdecreet, en die de heffingen uit bijlage 2 moeten betalen tot de goedkeuring van het vernietigingsplan van het materiaal uit categorie 3. Voor het materiaal uit categorie 1 en 2 moesten zij vóór de goedkeuring van het plan 0,35 EUR/kg materiaal betalen (artikel 5, lid 1, van wetsdecreet nr. 244/2003). |
|
(192) |
Betreffende de wijzigingen aangebracht door de invoering van wetsdecreet nr. 244/2003 voor het heffingsysteem, heeft de Commissie aan de Portugese autoriteiten gevraagd om aan te tonen dat de geïmporteerde producten in dezelfde mate konden profiteren van de genoemde diensten als de nationale producten. |
|
(193) |
De Portugese autoriteiten hebben bevestigd dat de heffing, ingevoerd bij wetsdecreet nr. 244/2003, gebaseerd is op de werkelijk gecreëerde bijproducten en dat de geïmporteerde producten in dezelfde mate van de genoemde diensten gebruik konden maken. De Commissie stelt echter vast dat de Portugese autoriteiten geen cijfermateriaal hebben overgelegd om deze beweringen te staven. |
|
(194) |
Bij gebrek aan elementen ter controle, kan de Commissie niet concluderen dat de heffing, ingevoerd bij wetsdecreet nr. 244/2003, gelijk is aan het overeenkomstige bedrag van de diensten waarvoor de bijproducten, afkomstig van deze geïmporteerde producten in aanmerking komen, en dat bijgevolg de geïmporteerde producten in dezelfde mate als de nationale producten gebruik kunnen maken van de door de staatssteun gefinancierde diensten. |
|
(195) |
De Commissie stelt vast dat het heffingsysteem, ingevoerd op basis van wetsdecreet nr. 197/2002 en de overgangsregeling, ingevoerd bij artikel 3, lid 2, en artikel 5, lid 2, van wetsdecreet nr. 244/2003 niet in overeenstemming zijn met artikel 110 VWEU door het bestaan van een mogelijk discriminerend systeem ten opzichte van producten, geïmporteerd uit andere lidstaten, die eveneens verplicht zijn om de heffing te betalen. |
VI. CONCLUSIES
|
(196) |
De Commissie betreurt dat Portugal onrechtmatig steun heeft toegekend ten voordele van het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van slachthuisafval in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU. |
|
(197) |
De steun ten voordele van het ophalen, het vervoer, de verwerking en de vernietiging van slachthuisafval voldoet aan de communautaire bepalingen die van toepassing zijn op het niveau van de begunstigden. De financiering van deze steun via het heffingsysteem, ingevoerd op basis van wetsdecreet nr. 197/2002 en de overgangsregeling, ingevoerd bij artikel 3, lid 2, en artikel 5, lid 2, van wetsdecreet nr. 244/2003 is daarentegen niet in overeenstemming met de interne markt door het mogelijk discriminerende gevolg ten opzichte van uit andere lidstaten geïmporteerde producten, waarvoor eveneens de heffing moet worden betaald. |
|
(198) |
De Commissie vindt het gepast om in dit geval een voorwaardelijk besluit vast te stellen en gebruik te maken van de mogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 659/1999, volgens welk de Commissie aan een positief besluit voorwaarden kan verbinden die haar in staat stelt de steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen, alsmede verplichtingen kan opleggen die het toezicht op de naleving van het besluit mogelijk maken. |
|
(199) |
Teneinde de schending van artikel 110 VWEU, te compenseren en aldus met terugwerkende kracht de potentiele discriminatie ongedaan te maken, moet Portugal binnen een termijn en volgens de voorwaarden die door de Commissie zijn vastgesteld het deel van de heffing dat is geïnd op de uit andere lidstaten afkomstige producten terugbetalen. Met deze compensatie zou de desbetreffende steun verenigbaar worden met het Verdrag. |
|
(200) |
De voorwaarden voor de genoemde terugbetaling worden vastgesteld door de Commissie. Zo moet Portugal aan de personen die de heffing hebben betaald, het deel dat tussen de aanvangsdatum van de toepassing van de heffing, als bepaald bij wetsdecreet nr. 197/2002, en de datum van de laatste toepassing van deze heffing voor het verstrijken van de overgangsregeling, ingesteld bij wetsdecreet nr. 244/2003, is geheven over uit andere lidstaten afkomstige producten, terugbetalen. Portugal dient daarbij onderstaande voorwaarden volledig in acht nemen:
|
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De staatssteun die Portugal op basis van wetsdecreet nr. 393-B/98 van 4 december 1998 heeft toegekend, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 2
1. De staatssteun die door Portugal is verleend op basis van wetsdecreet nr. 197/2002 van 25 september 2002 en van de overgangsregeling, ingevoerd bij artikel 3, lid 2, van wetsdecreet nr. 244/2003 van 7 oktober 2003, is verenigbaar met de interne markt op voorwaarde dat Portugal aan de personen die de heffing hebben betaald, het deel dat tussen de aanvangsdatum van de toepassing van de heffing, als bepaald bij wetsdecreet nr. 197/2002, en de datum van de laatste toepassing van deze heffing voor het verstrijken van de overgangsregeling, ingesteld bij wetsdecreet nr. 244/2003, is geheven op uit andere lidstaten afkomstige producten, terugbetaalt.
2. Portugal dient daarbij onderstaande voorwaarden volledig in acht nemen:
|
— |
indien personen die de heffing hebben betaald, kunnen aantonen dat de heffing is geïnd op uit andere lidstaten geïmporteerde producten, kunnen zij om gedeeltelijke terugbetaling verzoeken in verhouding tot dat deel van de opbrengst van de heffing dat is gebruikt voor de financiering van steun waarvan uitsluitend nationale producten hebben geprofiteerd. Deze verzoeken tot terugbetaling worden ingediend binnen een conform het nationale recht vastgestelde termijn van ten minste zes maanden, te rekenen vanaf de bekendmaking van dit besluit; |
|
— |
Portugal bepaalt in welke mate geïmporteerde producten eventueel zijn gediscrimineerd. Hiertoe moet Portugal de verhouding nagaan tussen de totale inkomsten uit de in dit besluit beoordeelde heffing op de nationale producten in een bepaalde referentieperiode en de voordelen die uitsluitend voor deze producten zijn toegekend; |
|
— |
de terugbetaling moet uiterlijk binnen zes maanden na de indiening van het verzoek plaatsvinden; |
|
— |
de terug te betalen bedragen omvatten de rente vanaf de datum waarop zij zijn betaald tot de datum waarop zij daadwerkelijk worden terugbetaald. Deze rente wordt berekend aan de hand van het referentiepercentage van de Commissie dat is bepaald volgens de methode voor de vaststelling van de referentie- en disconteringspercentages (55); |
|
— |
de Portugese autoriteiten aanvaarden elk redelijk bewijs van de belastingplichtigen waaruit de bedragen blijken die zij voor de heffing hebben betaald op uit andere lidstaten afkomstige producten; |
|
— |
het recht op terugbetaling mag niet aan andere voorwaarden worden onderworpen, met name niet de voorwaarde dat de belasting niet is doorberekend; |
|
— |
voor het geval de belastingplichtige de belasting nog niet heeft betaald, zien de Portugese autoriteiten formeel af van de betaling van het proportionele deel hiervan met betrekking tot de uit andere lidstaten afkomstige producten waarvoor is aangetoond dat het bestemd was voor de financiering van het deel van de steun waarvan uitsluitend nationale producten voordeel hebben gehad. Zij zien eveneens af van een eventuele achterstandsrente; |
|
— |
indien de Commissie dat vraagt, verbindt Portugal zich ertoe een volledig verslag waaruit de goede uitvoering van de terugbetalingsmaatregel blijkt, voor te leggen; |
|
— |
indien in een andere lidstaat een heffing is gelegd op dezelfde producten als die waarvoor de heffing in Portugal is betaald, dienen de Portugese autoriteiten aan de personen die de heffing hebben betaald, dat deel terug te betalen dat geheven is op de uit deze andere lidstaat afkomstige producten; |
|
— |
Portugal verbindt zich ertoe dit besluit aan alle potentiële betrokkenen bij de heffing bekend te maken. |
Artikel 3
Portugal deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan voldoen.
Artikel 4
Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2011.
Voor de Commissie
Dacian CIOLOȘ
Lid van de Commissie
(1) „Diário da República, I Série A”, nr. 222 van 25 september 2002, blz. 6535.
(2) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(3) Beschikking C(2006) 576, meegedeeld aan Portugal bij schrijven SG(2006) D/200772 van 21 februari 2006.
(4) PB C 109 van 13.5.2009, blz. 9.
(5) PB L 311 van 20.11.1998, blz. 23.
(6) „Diário da República, I Série A”, nr. 280 van 4 december 1998, blz. 6708.
(7) „Diário da República, I Série A”, nr. 132 van 8 juni 1999, blz. 3171.
(8) PB L 328 van 28.11.1997, blz. 1.
(9) „Diário da República, II Série”, nr. 20 van 25 januari 1999, blz. 935.
(10) „Diário da República, II Série”, nr. 82 van 6 april 2001, blz. 6270.
(11) „Diário da República, II Série”, nr. 42 van 19 februari 2002, blz. 3158.
(12) PB L 303 van 7.12.2000, blz. 32.
(13) PB L 132 van 15.5.2001, blz. 17.
(14) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.
(15) „Diário da República, I Série A”, nr. 232 van 7 oktober 2003, blz. 6603.
(16) Arrest van het Hof van 24 juli 2003 in zaak C-280/00, Altmark Trans et Regierungspräsidium Magdeburg, Jurisprudentie blz. I-7747.
(17) PB L 344 van 20.11.2004, blz. 12.
(18) Gezamenlijk besluit nr. 96/99 van 25 januari 1999, gezamenlijk besluit nr. 324/2001 van 6 april 2001 en gezamenlijk besluit nr. 124/2002 van 19 februari 2002.
(19) PB C 324 van 24.12.2002, blz. 2.
(20) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 1; EE 03 F9, blz. 86.
(21) PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2.
(22) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21.
(23) PB L 258 van 4.10.2007, blz. 3.
(24) PB L 148 van 28.6.1968, blz. 24; EE 03 F2 blz. 157.
(25) PB L 312 van 20.11.1998, blz. 1.
(26) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77; EE 03 F9 blz. 151.
(27) PB L 119 van 4.5.2006, blz. 1.
(28) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
(29) PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1.
(30) Bovenvermeld arrest-Altmark, punt 84.
(31) Arrest van 22 mei 2003 in zaak C-355/00, Freskot, Jurisprudentie blz. I-5263, punt 83.
(32) Bovenvermeld, punt 88 en volgende.
(33) PB L 363 van 27.12.1990, blz. 51.
(34) PB L 294 van 28.10.1997, blz. 7.
(35) PB L 204 van 4.8.1999, blz. 37.
(36) Arrest van het Hof van 23 mei 2000 in zaak C-209/98, FFAD, Jurisprudentie blz. I-3743, punt 75; zie eveneens arrest van het Hof van 20 november 2003 in zaak C-126/01, GEMO, Jurisprudentie blz. I-13769, punt 21.
(37) Bovenvermeld arrest-GEMO, punt 26.
(38) Bovenvermeld, punt 31.
(39) Arrest van het Hof van 21 oktober 2003 in gevoegde zaken C-261/01 en C-262/01, Van Calster e.a., Jurisprudentie blz. I-12272, punt 51.
(40) Arrest van het Hof van 13 januari 2005 in zaak C-355/02, Streekgewest, Jurisprudentie blz. I-85, punt 26.
(41) Arrest van het Hof van 15 juli 2004 in zaak C-345/02, Pearle e a., Jurisprudentie blz. I 7164, punt 41; zie ook arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 20 september 2007 in zaak T-136/05, EARL Salvat père et fils e a./Commissie, Jurisprudentie blz. II 4063, punt 161 en volgende.
(42) Arrest van het Hof van Justitie van 17 december 1979 in zaak C-730/79, Philip Morris Holland/Commissie, Jurisprudentie blz. 2671, punt 11 en 12.
(43) De productie van rundvlees in de EU (15) bedroeg in 1999 7 691 101 t en in 2002 7 466 476 t, waarvan in 1999 door Portugal 95 765 t en in 2002 105 019 t werd geproduceerd. De productie van varkensvlees bedroeg in 1999 voor de EU (15) 17 983 476 t en in 2002 17 729 855 t waarvan Portugal in 1999, 344 209 t en in 2002 328 038 t heeft geproduceerd (bron: Eurostat).
(44) Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 september 2000 in zaak T-55/99, CETM/Commissie, Jurisprudentie blz. II-3213, punt 86; arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 1991 in zaak C-303/88, Italië/Commissie, Jurisprudentie blz. I-1433, punt 27.
(45) Arrest-Van Calster e.a., bovenvermeld, punt 51.
(46) Mededeling van de Commissie — Diensten van algemeen belang in Europa (PB C 17 van 19.1.2001, blz. 4).
(47) PB C 297 van 29.11.2005, blz. 4.
(48) PB L 312 van 29.11.2005, blz. 67.
(49) PB C 28 van 1.2.2000, blz. 2.
(50) PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.
(51) Zie punt 194, punt c) van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 (PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1).
(52) Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58).
(53) Arrest van 25 juni 1970 in zaak 47/69, Frankrijk/Commissie, Jurisprudentie 1969-1970, blz. 391, punt 20.
(54) Mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 273 van 9.9.1997, blz. 3).
(55) Zie voetnoot 54.
|
19.10.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 274/36 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 27 juli 2011
betreffende de door België ten uitvoer gelegde staatssteun ter financiering van de opsporing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE) bij runderen (steunmaatregel C 44/08 (ex NN 45/04))
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5457)
(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)
(2011/678/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea, (1)
Na de belanghebbenden overeenkomstig genoemd artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (2),
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Naar aanleiding van in januari en februari 2004 ontvangen klachten heeft de Commissie een informeel onderzoek ingesteld naar de door België verleende steun ter dekking van de kosten van tests voor de opsporing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij runderen (hierna „BSE-tests” genoemd). |
|
(2) |
Naar aanleiding van deze klachten heeft de Commissie de Belgische autoriteiten bij schrijven van 27 januari 2004 om informatie verzocht over de betrokken maatregel. Op hetzelfde ogenblik hebben de Belgische autoriteiten overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) een steunmaatregel betreffende de opsporing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE) bij dieren aangemeld (bij brief van 23 januari 2004, geregistreerd op 28 januari 2004), ingeschreven onder nummer N 54/04. |
|
(3) |
Bij brieven van 6 februari 2004 en 14 mei 2004, geregistreerd op respectievelijk 11 februari 2004 en 19 mei 2004, hebben de Belgische autoriteiten schriftelijke gegevens aan de Commissie verstrekt. |
|
(4) |
Bij brief van 19 juli 2004 heeft de Commissie België meegedeeld dat de maatregel was overgeheveld naar het register van niet-aangemelde steunmaatregelen onder nummer NN 45/04, omdat duidelijk was geworden dat reeds uitbetalingen hadden plaatsgevonden. |
|
(5) |
Op 1 september 2004 vond een informele bijeenkomst van de Belgische autoriteiten en de diensten van de Commissie plaats. |
|
(6) |
Bij brieven van 16 september 2004 en 22 februari 2007, geregistreerd op respectievelijk 20 september 2004 en 22 februari 2007, hebben de Belgische autoriteiten aanvullende informatie verstrekt. |
|
(7) |
Bij brief van 26 november 2008 heeft de Commissie België in kennis gesteld van haar besluit om de in artikel 108, lid 2, VWEU bedoelde procedure ten aanzien van de maatregel in te leiden. Dat besluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3). De Commissie heeft belanghebbenden uitgenodigd hun standpunten ten aanzien van de betrokken maatregel kenbaar te maken. |
|
(8) |
Bij brief van 19 december 2008, geregistreerd op 26 december 2008, heeft België gevraagd om verlenging van de antwoordtermijn. Deze verlenging is verleend bij brief van 13 januari 2009. Daarop heeft België bij brief van 25 februari 2009, geregistreerd op 6 maart 2009, opmerkingen gemaakt. |
|
(9) |
De Commissie heeft geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
|
(10) |
De Commissie heeft naar aanleiding van de opmerkingen van België bij schrijven van 17 juli 2009 België een aantal aanvullende vragen gesteld. België heeft daarop bij brief van 4 september 2009, geregistreerd op 8 september 2009, om verlenging van de antwoordtermijn gevraagd. De Commissie heeft het antwoord van België ontvangen bij brief van 16 oktober 2009, geregistreerd op 20 oktober 2009. |
|
(11) |
Op 2 oktober 2009 en 30 oktober 2009 vond er een bijeenkomst plaats tussen de Belgische autoriteiten en de diensten van de Commissie. |
|
(12) |
België heeft naar aanleiding van deze twee bijeenkomsten op 14 december 2009 een op 16 december 2009 geregistreerd pakket aanvullende informatie toegestuurd. Naar aanleiding van het gelijktijdig door de Belgische mededingingsautoriteiten uitgevoerde onderzoek naar mogelijke afspraken tussen laboratoria, heeft België op 21 januari 2010, 29 september 2010, alsook op 17 januari 2011 om verlenging van de termijn gevraagd, welke door de Commissie is verleend. |
|
(13) |
Op 22 februari 2011 heeft de Commissie een laatste verzoek om informatie toegestuurd, waarop de Belgische autoriteiten bij schrijven van 6 april 2011 geantwoord hebben. De Commissie heeft België een verlenging van de aanvullende termijn verleend, opdat het in afwachting van de resultaten van het onderzoek van de Belgische mededingingsautoriteiten een antwoord zou kunnen geven op de vragen. |
|
(14) |
De Belgische autoriteiten hebben geantwoord bij schrijven van 19 mei 2011, geregistreerd op 25 mei 2011. |
2. BESCHRIJVING
2.1. Historisch overzicht (4)
|
(15) |
In januari 2004 ontving de Commissie een klacht ten aanzien van een ontwerp van Koninklijk Besluit waarmee zou worden beoogd parafiscale heffingen in te voeren ter financiering van de BSE-tests. |
|
(16) |
Naar aanleiding van die klacht hebben de diensten van de Commissie de Belgische autoriteiten om nadere toelichting verzocht. In antwoord op dit verzoek om inlichtingen gaven de Belgische autoriteiten aan dat er voor runderen van meer dan 30 maanden alsook voor runderen van meer dan 24 maanden die zijn geslacht in het kader van een noodslachting, sinds 1 januari 2001 verplicht een BSE-test moet worden uitgevoerd (5). Daarbij deden zij tevens aanmelding van een ontwerp van Koninklijk Besluit inzake de financiering van de opsporing van TSE bij dieren (hierna het „TSE-KB” genoemd. Dit ontwerp van Koninklijk Besluit werd geregistreerd onder nummer N 54/04. De Belgische autoriteiten gaven te kennen dat dit nieuwe ontwerp van Koninklijk Besluit een wijziging inhield van het in 2001 door België aangemelde en door de Commissie bij Beschikking N 21/02 van 13 februari 2002 (6) goedgekeurde ontwerp van Koninklijk Besluit, alsook van een ander in 2003 informeel met de Commissie besproken ontwerp. Geen van beide ontwerpen is echter ooit ten uitvoer gelegd en aldus is het in 2004 aangemelde ontwerp een omwerking daarvan. |
|
(17) |
Uit de door België overgelegde informatie blijkt dat de kosten van de BSE-tests (te weten de kosten van monsterneming en analyse) vanaf 1 januari 2001 (7) gedragen zijn door de Schatkist. Vanaf 1 januari 2002 werden de kosten van deze tests voorgefinancierd door het Belgisch Interventie en Restitutie Bureau (hierna „BIRB” genoemd), dit in afwachting van een politiek besluit ten aanzien van het te hanteren financieringsstelsel. |
|
(18) |
Naar aanleiding van een aantal opmerkingen van de zijde van de diensten van de Commissie ten aanzien van het aangemelde ontwerp van Koninklijk Besluit (N 54/04) hebben de Belgische autoriteiten in mei 2004 een nieuw ontwerp van Koninklijk Besluit ingediend. Daarmee werd beoogd tegemoet te komen aan de door de Commissie geformuleerde opmerkingen en in dat ontwerp werd bepaald dat vanaf 1 januari 2003 voor elk geslacht rund dat aan een snelle BSE-test onderworpen is geweest een retributie van 10,70 EUR moet worden betaald. De Belgische autoriteiten vermeldden verder dat de gedurende 2002 uitgevoerde voorgefinancierde tests volledig waren bekostigd met indirecte staatssteun, te weten parafiscale heffingen. Bovendien gaven de Belgische autoriteiten aan dat vanaf 1 januari 2003 met parafiscale heffingen maximaal een bedrag van 40 EUR per test werd gefinancierd. De Belgische autoriteiten hebben gedetailleerde overzichten verstrekt met daarop een uiteenzetting van de kosten van de BSE-tests, alsook een raming van de financiering van deze tests met parafiscale heffingen en retributies. De Belgische autoriteiten gaven aan dat werd beoogd het financieringsstelsel voor de retributies uit te voeren per 1 juli 2004 en de parafiscale heffingen per 1 januari 2005. |
|
(19) |
Gezien het feit dat het aangemelde ontwerp van Koninklijk Besluit aangaf dat er reeds vanaf 1 januari 2002 steun was toegekend en heffingen waren geïnd, is de maatregel op 19 juli 2004 geregistreerd onder nummer NN 45/04 als niet-aangemelde steunmaatregel. België heeft daarop de onder nummer N 54/04 geregistreerde aanmelding ingetrokken. |
|
(20) |
Uit de door België in 2004 overgelegde informatie blijkt dat het de bedoeling was om de tests voor te financieren en dat het bedrag later moest worden terugbetaald. Een deel van de heffingen zou moeten worden aangewend ter vergoeding van de kosten van de voorgefinancierde tests. |
|
(21) |
In hun schrijven van 16 september 2004 maakten de Belgische autoriteiten melding van een nieuw ontwerp van Koninklijk Besluit waarin de idee om per getest rund een retributie van 10,70 EUR te heffen, wordt gehandhaafd. Het totale in dit nieuwe ontwerp van Koninklijk Besluit genoemde bedrag zou dienen ter financiering van de BSE-tests op runderen die zouden worden geslacht vanaf de inwerkingtreding van het ontwerp van Koninklijk Besluit. De terugbetaling van de bedragen boven het maximumbedrag van 40 EUR dat was toegestaan krachtens de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun betreffende TSE-tests, gestorven dieren en slachthuisafval (8) van 24 december 2002 (hierna „TSE-richtsnoeren” genoemd) en die na 1 januari 2003 werden voorgefinancierd, zou geregeld worden in een ander ontwerp van Koninklijk Besluit dat zou worden voorgelegd aan de Commissie. Dat Koninklijk Besluit is op 15 oktober 2004 (9) goedgekeurd en op 1 december 2004 in werking getreden. |
|
(22) |
Volgens de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens vertegenwoordigen de tijdens de periode tussen 1 januari 2003 (10) en 30 juni 2004 boven het maximum van 40 EUR voorgefinancierde kosten een totaalbedrag van 15 237 646 EUR. Volgens de Belgische autoriteiten werd sinds 30 juni 2004 het maximumbedrag van 40 EUR aangehouden (11). |
|
(23) |
In hetzelfde schrijven van 16 september 2004 verstrekten de Belgische autoriteiten twee informatiefiches overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1/2004 van de Commissie van 23 december 2003 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten (12). |
|
(24) |
Voor de twee maatregelen werden twee vrijstellingen afgekondigd onder de nummers XA 53/04 en XA 54/04. Zoals aangegeven in overweging 19 en volgende van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, dekt de onder nummer XA 53/04 vrijgestelde maatregel de voorfinanciering van BSE-tests (13) met een maximaal steunbedrag van 40 EUR per test en is deze ingevoerd per 1 januari 2003. De wet van 27 december 2002 inzake de algemene Uitgavenbegroting voor 2003 vormt de rechtsgrondslag van deze maatregel. Krachtens de onder nummer XA 54/04 vrijgestelde maatregel geldt per 15 oktober 2004 een maximaal steunbedrag van 33,38 EUR per test. Deze steunmaatregel is voor onbepaalde duur. De wet van 27 december 2003 inzake de algemene Uitgavenbegroting voor 2004 vormt de rechtsgrondslag voor deze maatregel. |
|
(25) |
In hetzelfde schrijven van 16 september 2004 en in antwoord op de door de diensten van de Commissie gestelde vragen hebben de Belgische autoriteiten aangegeven dat de voor de uitvoering van de tests geselecteerde laboratoria moesten voldoen aan nauw omschreven voorwaarden ten aanzien van de uitvoering van de analyses in kwestie. |
|
(26) |
Kort na de brieven van 14 mei 2004 en 16 september 2004 meldden de Belgische autoriteiten twee ontwerpen van Koninklijk Besluit aan inzake de financiering van de activiteiten van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (hierna „FAVV” genoemd). Met deze twee ontwerpen werd beoogd een heffing en een retributie in te stellen ter financiering van de activiteiten van het FAVV. Deze maatregelen waren onderwerp van de in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure vermelde Beschikking C(2005) 4203 van 9 november 2005 inzake de steunmaatregelen van de staten N 9/05 en N 10/05 (hierna „Beschikking N 9/05 en N 10/05” genoemd). Deze maatregelen zijn vastgesteld bij het Koninklijk Besluit van 10 november 2005 ter vastlegging van de heffingen bepaald bij artikel 4 van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het FAVV (14), alsook bij het Koninklijk Besluit van 10 november 2005 betreffende retributies bepaald bij artikel 5 van de wet van 9 december 2004 houdende de financiering van het FAVV (15). Beide Koninklijke Besluiten zijn op 1 januari 2006 in werking getreden. Het Koninklijk Besluit inzake de heffingen voorziet in de intrekking van het in overweging 21 genoemde Koninklijk Besluit van 15 oktober 2004. |
|
(27) |
In concreto is met het Koninklijk Besluit inzake de retributies voor slachthuizen de verplichting ingesteld om een retributie te betalen van 10,70 EUR per getest rund of geteste eenhoevige. Met het Koninklijk Besluit inzake de heffingen wordt beoogd een deel van de BSE-tests te bekostigen, dit ten laste van de verschillende sectoren. De totale kostprijs van een BSE-test bedraagt 44,08 EUR, waarvan 12 EUR voor de monsterneming (krachtens het Koninklijk Besluit inzake de retributies voor een bedrag van 10,70 EUR gefinancierd door het slachthuis, en voor een bedrag van 1,30 EUR middels de heffing) en verder voor een bedrag van 32,08 EUR gefinancierd door de heffing. De totale kostprijs wordt direct door het FAVV overgemaakt aan de laboratoria. In haar Beschikking N 9/05 en N 10/05 heeft de Commissie vastgesteld dat de financiering van het FAVV middels de retributies geen staatssteun is, dat de financiering van de globale steekproefsgewijze controles middels de forfaitaire heffingen geen staatssteun is, dat de financiering van een deel van de kosten van de BSE-tests middels heffingen verenigbare staatssteun is, en dat de financiering van de overige tests/controles met betrekking tot de productie/verkoop verenigbare staatssteun is. |
|
(28) |
In december 2006 heeft de Commissie België een aantal nieuwe vragen in verband met zaak NN 45/04 toegezonden. Deze vragen hadden onder meer betrekking op de kwestie van de terugbetaling van de vanaf 1 januari 2003 als voorfinanciering overgemaakte bedragen. |
|
(29) |
De Belgische autoriteiten gaven in hun antwoord van 22 februari 2007 te kennen dat zij voornemens zijn alle uitgaven in verband met de BSE-analyses over een periode van 15 jaar te vergoeden. In feite is er met het nieuwe financieringsstelsel voor het FAVV een solidair recuperatiesysteem tot stand gebracht. Elke marktdeelnemer betaalt sinds 1 januari 2006 een bijdrage aan het FAVV, en een deel van die heffing wordt gebruikt om de in het verleden gemaakte voorfinancieringskosten terug te verkrijgen. Alle actieve marktdeelnemers die tijdens de desbetreffende periode runderen hielden, dragen op gelijke wijze bij aan het systeem. |
2.2. Inhoud van de klachten tegen het ontwerp van het TSE-KB
|
(30) |
Volgens de klachten tegen het ontwerp van het TSE-KB geldt de heffing voor alle soorten in Belgische slachthuizen geslachte dieren en zou de heffing aldus tevens voor ingevoerde producten geïnd worden. Volgens een van de klagers is een substantieel percentage van de in Belgische slachthuizen geslachte dieren afkomstig uit andere lidstaten. Volgens de klagers is de heffing een vorm van discriminatie van de ingevoerde dieren, aangezien de inkomsten daaruit gebruikt worden om de kosten van BSE-tests die zijn uitgevoerd op Belgische runderen terug te winnen. |
2.3. Door de Commissie in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure naar voren gebrachte twijfels
|
(31) |
Allereerst dient te worden opgemerkt dat het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure betrekking heeft op de financiering van de opsporing van TSE bij dieren in België vanaf 1 januari 2001, alsook op de financieringsmechanismen van deze steun, met uitzondering van de bij beschikking door de Commissie goedgekeurde steunmaatregelen wegens de verenigbaarheid ervan met de interne markt. Dit betekent concreet dat de bij Beschikking N 9/05 en N 10/05 goedgekeurde steunmaatregelen (die betrekking hebben op de heffingen en de retributies ter financiering van het FAVV) niet zullen worden beoordeeld wat betreft de verenigbaarheid met de staatssteunregels zoals die van kracht waren op het moment van toekenning van de staatssteun. Dat betekent dat het onderhavige besluit uitsluitend betrekking heeft op steunmaatregelen ter financiering van de BSE-tests gedurende de periode van 2001 tot en met 2006, alsook op de financieringswijze daarvan, dit gezien het feit dat de steunmaatregelen voor de BSE-tests tijdens die periode zijn voorgefinancierd en deze voorfinanciering over meerdere jaren dient te worden terugbetaald. |
|
(32) |
Er zij voor alle duidelijkheid gewezen op het terminologische onderscheid tussen retributie en heffing. Enerzijds zijn er rechten of retributies ter bekostiging van een verrichte dienst. In dit geval gaat het om 10,70 EUR, sinds 1 december 2004 geïnd op basis van het TSE-KB en vervolgens op basis van het Koninklijk Besluit inzake de retributies ter financiering van het FAVV. Anderzijds zijn er de zogenoemde heffingen die op basis van het KB van 10 november 2005 geïnd worden door het FAVV en betaald dienen te worden door op Belgisch grondgebied opererende bedrijven in zeven verschillende sectoren (zie tevens overweging 29 van Beschikking N 9/05 en N 10/05). |
|
(33) |
De Commissie heeft in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure vastgesteld dat de steunmaatregelen ter financiering van de BSE-tests in België werden en worden gefinancierd door middel van subsidies en een stelsel van geldelijke heffingen, bestaande uit retributies en heffingen. Een deel van de inkomsten uit die retributies en heffingen zou zijn aangewend ter terugbetaling van de voor deze tests verstrekte voorfinanciering. |
|
(34) |
De Commissie heeft dienaangaande een aantal problemen vastgesteld en aangegeven dat zij aanvullende informatie nodig heeft om tot een eindoordeel te kunnen komen over de maatregelen in kwestie. Ten eerste zijn er vragen gerezen ten aanzien van het mogelijke bestaan van een voordeel voor degenen voor wie de diensten zijn verricht. Het is namelijk niet duidelijk of de retributies voor de BSE-tests wel voldoende waren ter dekking van dat deel van de kosten van de tests dat niet gedekt werd door met de interne markt verenigbare steunmaatregelen. Het is niet exact bekend wat deze tests kosten en ook is niet duidelijk uit welke bron de aanvullende financiering afkomstig is ingeval de retributies niet genoeg zijn geweest om de totale kosten van de BSE-tests te dekken. Tevens kon niet worden vastgesteld of de voorwaarden waaronder het FAVV de diensten leverde, overeenstemden met de marktprijs, met name gezien het feit dat de Belgische autoriteiten niet duidelijk hebben aangegeven of de laboratoria zijn aangewezen op basis van een open en transparante procedure. |
|
(35) |
Ten tweede was het heffingsmechanisme niet duidelijk; met name is niet duidelijk vastgesteld wie de ontvangende partijen waren en wie de afdragende partijen waren. Ook het mechanisme ter vergoeding van de voorgefinancierde kosten in verband met de BSE-test was niet duidelijk. Bovendien waren er nog vragen ten aanzien van de eisen waaraan de parafiscale heffingen moesten voldoen om als conform de staatssteunregels te kunnen worden aangemerkt, met name wat betreft de uitsluiting van ingevoerde producten van de parafiscale heffingen en wat betreft de vraag of uitgevoerde producten op gelijke wijze profijt trokken van de met de heffingen gefinancierde steunmaatregel, en of de heffingen van invloed waren op de prijs van de eindproducten zoals die tot stand komt op basis van vraag en aanbod op de vrije markt. |
3. DOOR BELGIË GEMAAKTE OPMERKINGEN
|
(36) |
De opmerkingen van België in reactie op de door de Commissie in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure geuite twijfels zijn op 27 februari 2009 bij de Commissie binnengekomen en kunnen als volgt worden samengevat: |
3.1. Kwalificatie van de financiering van de BSE-tests als staatssteun
|
(37) |
België betwist van meet af aan dat de Commissie de financiering van de BSE-tests als staatssteun aanmerkt, en wel omdat deze tests verplicht zijn. België stelt dat het krachtens Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (16) met het oog op de bescherming van de volksgezondheid verplicht is dergelijke BSE-tests uit te voeren. Ter staving van zijn stelling haalt het twee arresten (17) aan waarin het Hof van Justitie oordeelt dat de kosten van controles ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid niet beschouwd kunnen worden als een vergoeding voor een dienst en dat de overheid deze kosten zelf behoort te dragen. België erkent dat deze arresten betrekking hebben op het vrije verkeer van goederen en niet op staatssteun, maar is van mening dat de redenering van deze arresten tevens kan worden toegepast op staatssteun. |
|
(38) |
Bovendien geeft België aan dat gezien het feit dat Verordening (EG) nr. 999/2001 niet bepaalt dat de kosten van de controles gedragen moeten worden door de ondernemingen, het de lidstaten vrij staat om voor een „normaal” stelsel ter financiering van de BSE-tests te opteren. Dientengevolge dient, aldus België, het selectiviteitscriterium dat eigen is aan staatssteun te worden afgemeten aan dit normale stelsel (18). Er zou slechts sprake kunnen zijn van staatssteun indien bepaalde sectoren of ondernemingen een betere behandeling krijgen dan binnen het door België gekozen normale stelsel beschikbaar is. België geeft aan dat de Commissie van mening lijkt te zijn dat de kosten in de regel gedragen dienen te worden door de veehouders, hoewel dit niet uit de toepasselijke regelgeving blijkt. Indien verschillen in de vormgeving van de financiering van de BSE-tests zouden kunnen leiden tot verstoring van de mededinging, dan dient dit volgens België te worden opgelost door middel van harmonisering van de wetgeving (19) en kan dit op generlei wijze worden opgevat als problematische staatssteun. België haalt tevens het GEMO-arrest (20) aan, maar is van mening dat het geen gevolgen heeft voor zijn aanpak in deze specifieke kwestie. In zijn schrijven van 16 oktober 2009 stelt België nog eens het niet eens te zijn met het feit dat de Commissie in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure de maatregel als staatssteun aanmerkt. Desalniettemin heeft België er met het oog op de goede samenwerking voor gekozen in eerste instantie mee te gaan met de logica van de Commissie en gaat het in op de in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure gestelde punten. |
3.2. Kwalificatie van de retributie
|
(39) |
België is van mening dat de retributie van 10,70 EUR per getest rund niet als staatssteun beschouwd mag worden. |
|
(40) |
Volgens België is er slechts sprake van staatssteun indien één of meer ondernemingen een groter voordeel wordt toegekend. Bij een retributie kan derhalve slechts sprake zijn van enig voordeel indien het ontvangen bedrag hoger is dan het betaalde bedrag. Indien een deel van de BSE-tests wordt gefinancierd door de overheid, is het uiteindelijke voordeel dat de veehouder geniet gelijk aan de kosten van de test na aftrekking van de betaalde retributie. |
|
(41) |
België trekt deze redenering verder door, door te argumenteren dat wanneer gelden teruggevorderd worden, dit er op neerkomt dat van de veehouder een hogere totale betaling geëist wordt. Indien de totale kosten van de test dienen te worden terugbetaald, houdt dit immers in dat die kosten uiteindelijk worden verhoogd met het bedrag van de reeds betaalde retributie. |
|
(42) |
België voert aan dat in de rechtspraak van het Hof slechts sprake is van staatssteun indien de inkomsten uit de heffingen gebruikt worden ten gunste van een specifieke groep en deze niet in gelijke mate ten goede komen van de subjecten die aan de heffing hebben bijgedragen (21). In het onderhavige geval geldt de retributie van 10,70 EUR per getest rund voor de bij de productie van rundvlees betrokken economische subjecten. Het voor de test aangewende bedrag van 10,70 EUR vertegenwoordigt voor hen geen enkel economisch voordeel en kan dientengevolge niet worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU. |
|
(43) |
Volgens België heeft de Commissie in haar Beschikking N 9/05 en N 10/05 een soortgelijke redenering gevolgd. België geeft aan dat de retributie van 10,70 EUR in die beschikking niet als staatssteun is aangemerkt (zie overweging 98 van die beschikking). In Beschikking N 21/02 werd een soortgelijke redenering gevolgd. Daarin werd een gedeelte van de deels door de heffingen op de sector gefinancierde kosten van de BSE-tests niet als staatssteun aangemerkt. |
|
(44) |
In hun schrijven van 16 oktober 2009 gaven de Belgische autoriteiten aan dat de retributie ten laste kwam van de veehouder en dat die een deel van de kosten van de BSE-tests betrof. In antwoord op de vraag van de Commissie of het bedrag van de retributie overeenstemde met de daadwerkelijke economische kosten van de door de laboratoria verrichte diensten, antwoordde België dat de retributie slechts betrekking had op een deel van de kosten van de BSE-tests, zoals aangegeven in Beschikking N 9/05 en N 10/05. De door de Commissie in de overwegingen 61 t/m 66 van die beschikking gevolgde redenering, te weten dat de kosten van de verrichte diensten overeenkwamen met het bedrag van de retributies, had betrekking op andere diensten dan de BSE-tests. België herhaalt dat wat de BSE-tests betreft in Beschikking N 9/05 en N 10/05 werd geconcludeerd dat de dienstverrichting in de vorm van BSE-tests wel degelijk staatssteun was, maar dat het bedrag van de retributie (10,70 EUR) daarentegen geen steun was en van de kosten van de tests diende te worden afgetrokken. |
3.3. Geen overcompensatie en testprijzen overeenkomstig de marktprijzen
|
(45) |
België verwijst naar punt 132 van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 (22) (hierna „landbouwrichtsnoeren 2007-2013” genoemd), waarin is vermeld dat een bedrag van 40 EUR per test „momenteel zowat de beste prijs in de Gemeenschap” is. Sinds juli 2005 bedragen de tarieven van het FAVV minder dan 40 EUR. Volgens de Belgische autoriteiten betekent dit dat de in België gehanteerde tarieven in overeenstemming zijn met de marktprijs. In haar Beschikking N 9/05 en N 10/05 heeft de Commissie erkend dat de laboratoria aangewezen zijn na open, transparante en non-discriminatoire procedures en dat niet kan worden gesteld dat de dienstverleners (de laboratoria) staatssteun ontvangen. Sindsdien is de situatie ongewijzigd gebleven. Daarnaast voeren de Belgische mededingingsautoriteiten momenteel een onderzoek uit naar mogelijke prijsafspraken tussen de laboratoria voor de BSE-tests. Volgens de Belgische autoriteiten geeft dit duidelijk aan dat zij op geen enkele wijze bereid zijn de laboratoria een extra hoog tarief te betalen. In het schrijven van 16 oktober 2009 gaven de Belgische autoriteiten aan dat het onderzoek naar mogelijke prijsafspraken tussen de laboratoria zou worden voortgezet en dat dit onderzoek in principe in het eerste kwartaal van 2010 moest zijn afgerond. |
3.4. Heffingen op de uitvoer en de invoer
|
(46) |
De Belgische autoriteiten geven aan dat de heffingen en retributies nimmer zijn toegepast op de invoer en uitvoer. Uitsluitend in België gevestigde ondernemingen dienen een heffing te betalen en de retributie van 10,70 EUR dient uitsluitend te worden betaald voor in België geslachte runderen van meer dan 30 maanden. |
|
(47) |
België benadrukt dat de Commissie deze maatregelen reeds in het kader van Beschikking N 9/05 en N 10/05 heeft onderzocht en toen tot de slotsom was gekomen dat deze heffingen niet discriminerend waren ten opzichte van ingevoerde of uitgevoerde producten, noch strijdig met de bepalingen van het Verdrag. |
3.5. Geen vast mechanisme waarmee de slachthuizen de retributie verhalen op de producenten of andere marktdeelnemers
|
(48) |
De Belgische autoriteiten geven aan dat de slachthuizen de kosten van de retributies aan hun klanten doorberekenen, net zoals enig ander normaal bedrijf zijn kosten aan zijn klanten doorberekent. Vervolgens doen de normale marktmechanismen hun werk met deze doorberekening. Bovendien is het volstrekt gangbaar dat de kosten van de retributie worden weergegeven als aparte post op de facturen aan de producenten. In dit verband verwijst België naar de overwegingen 93 en 95 van Beschikking N 9/05 en N 10/05, waarin wordt aangegeven dat voldaan is aan de criteria van punt 25 van de TSE-richtsnoeren. |
3.6. Kwalificatie van de begunstigden als kleine of middelgrote onderneming (kmo)
|
(49) |
België geeft aan dat alle boerenbedrijven in België kmo's zijn, en wel op basis van de volgende criteria: zij hebben minder dan 250 personen in dienst, de jaarlijkse omzet bedraagt niet meer dan 40 miljoen EUR of anderszins heeft de balans een waarde van minder dan 27 miljoen EUR, en de onderneming is tot slot niet voor 25 % of meer in handen van een andere onderneming of andere ondernemingen die geen kmo's zijn. |
3.7. Opmerkingen ten aanzien van de verenigbaarheid van de steun gedurende de drie in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure genoemde perioden (2001-2003; 2003-2007; na 2007)
|
(50) |
België maakt geen bijzondere opmerkingen ten aanzien van de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2003, aangezien de Commissie zelf in overweging 80 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure tot de slotsom komt dat het geheel naar alle waarschijnlijkheid verenigbaar is. Wel geeft het aan dat de steun niet meer bedragen heeft dan 100 % van de gemaakte kosten en dat het bereid is om indien nodig nadere inlichtingen te verstrekken daaromtrent. |
|
(51) |
België wijst er daarbij echter op dat deze inlichtingen slechts subsidiair zijn, omdat het ervan uitgaat dat er in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van staatsteun gezien het feit dat het België vrij staat om zelf te bepalen hoe de BSE-tests worden gefinancierd. |
|
(52) |
België geeft aan dat er gedurende de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2007 op geen enkele wijze steun is uitbetaald die de prijs van de test te boven gaat. België verwijst daarbij naar Beschikking N 9/05 en N 10/05 waarin deze kwestie reeds was onderzocht. |
|
(53) |
Wat de periode na 1 januari 2007 betreft, heeft België nimmer steun verleend van meer dan 40 EUR, aangezien de kosten van de tests onder de 40 EUR lagen. |
|
(54) |
In aanvulling op zijn opmerkingen geeft België een gedetailleerde chronologie van de in het kader van de financiering van de BSE-tests getroffen maatregelen. Aangezien deze inlichtingen voor het leeuwendeel in het beschrijvende deel van het onderhavige besluit zijn weergegeven, is deze chronologie niet nog eens uitgebreid in dit onderdeel weergegeven. Niettemin is een aantal elementen hierna uiteengezet. |
|
(55) |
De chronologie van de financiering van de BSE-tests is als volgt:
|
|
(56) |
De prijzen voor de BSE-tests zijn als volgt:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
3.8. Antwoorden op de aanvullende vragen van de Commissie
|
(57) |
In zijn schrijven van 16 oktober 2009 heeft België een aantal verduidelijkingen aangebracht in antwoord op de door de Commissie op 24 juli 2009 gestelde vragen naar aanleiding van de door België ingediende opmerkingen. Allereerst herhaalde België daarin zijn standpunt dat de lidstaten niet verplicht zijn om de kosten van de BSE-tests door te berekenen aan de marktdeelnemers. Aangezien het gaat om kosten in verband met de bescherming van de volksgezondheid, kunnen de kosten van de door de overheid opgelegde controles slechts worden beschouwd als vergoeding voor een dienst en opgelegd aan de marktdeelnemers. Desalniettemin heeft België er met het oog op de goede samenwerking voor gekozen de vragen van de Commissie te beantwoorden en daarmee in eerste instantie mee te gaan met de logica van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. |
|
(58) |
Wat betreft de financiering door de Gemeenschap bevestigde België dat deze wel degelijk in de eerder overgedragen cijfers was opgenomen. |
|
(59) |
Vervolgens zette België wat betreft de financiering in die periode van 30 juni 2004 tot en met 31 december 2005 uiteen dat deze was uitgevoerd door het FAVV met gebruikmaking van financiële middelen die het had overgenomen van de organisatie waaruit het was voortgekomen. Er was in deze periode dus geen sprake van parafiscale heffingen. |
|
(60) |
De Commissie had vragen gesteld ten aanzien van het verband tussen het bedrag van 15 237 646 EUR en het in de opmerkingen van België genoemde bedrag van 67 156 527,65 EUR (zie overweging 55). België antwoordde daarop dat het bedrag van 15 237 646 EUR integraal onderdeel uitmaakt van het bedrag van 67 156 527,65 EUR. Bovendien gaven de Belgische autoriteiten aan nog nadere berekeningen te willen uitvoeren om te bekijken of het genoemde bedrag wel geheel correct was. |
|
(61) |
Wat de retributies betreft, gaf België uitdrukkelijk aan dat deze ten laste kwamen van de veehouders en dus niet als staatssteun beschouwd kunnen worden. België verwijst dienaangaande naar Beschikking N 9/05 en N 10/05, waarin stond dat van de totale prijs van 44,08 EUR slechts een bedrag van 33,38 EUR kon worden aangemerkt als staatssteun. De 10,70 EUR vormden dus geen steun en zijn dientengevolge bij de beoordeling of al dan niet aan het maximale bedrag van 40 EUR per test werd voldaan, van de testprijs afgetrokken. |
|
(62) |
Ten overvloede gaf België nog aan dat het enige verschil met het in Beschikking N 9/05 en N 10/05 door de Commissie goedgekeurde stelsel bestond uit de indexering van het retributiebedrag, dat gestegen is van 10,70 EUR naar 11,07 EUR. |
|
(63) |
In zijn schrijven van 1 december 2009 brengt België enige correcties aan op de eerder ingediende cijfers ten aanzien van het aantal uitgevoerde tests. België geeft daarbij aan dat deze alle voordien zowel voorafgaand als na het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure verstrekte cijfers vervangen. |
|
(64) |
Genoemde correcties zijn gebaseerd op het feit dat het eerder in aanmerking genomen aantal afgenomen monsters incorrect was. De eerste berekeningen waren namelijk gebaseerd op de aanname dat er drie monsters per uur zouden worden afgenomen, terwijl er in het veld in werkelijkheid 12 monsters per uur werden afgenomen. Deze stijging van het aantal tests per uur heeft geleid tot lagere kosten per afgenomen monster, hetgeen ook gevolgen heeft voor de totale kosten per test, gezien het feit dat de kosten van de test deels gebaseerd zijn op een kostprijs per uur, die nu dus dankzij het grotere aantal afgenomen monsters per uur lager is komen te liggen. Bovendien is het aantal gedurende 2003 en 2004 geslachte dieren verlaagd ten opzichte van de eerder verstrekte gegevens. De in het schrijven van België van 1 december 2009 genoemde getallen betreffen het aantal voor menselijke consumptie bestemde geslachte runderen dat voor de jaren 2003 en 2004 is gemeld aan de Commissie.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(65) |
Op basis van de in overweging 64 weergegeven tabel komt België tot de slotsom dat de totale kostprijs van de BSE-tests sinds 1 juli 2004 onder de 40 EUR ligt. |
|
(66) |
De Belgische autoriteiten hebben op basis hiervan tevens een rectificatie aangebracht op de voor de inleiding van de formele onderzoeksprocedure verstrekte en in overweging 25 van het inleidingsbesluit weergegeven tabel. De laatste geleverde cijfers geven de werkelijke toestand weer en niet langer schattingen. Uit deze inlichtingen blijkt dat het totale voorgefinancierde bedrag niet zoals eerder geschat 15 237 789,90 EUR bedraagt, maar 6 619 810,74 EUR.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(67) |
België geeft tevens aan dat indien uit het onderzoek van de Belgische mededingingsautoriteiten blijkt dat de prijzen voor de door de laboratoria uitgevoerde BSE-tests als gevolg van mogelijke illegale prijsafspraken tussen de laboratoria kunstmatig hoog waren, het alles in het werk zal stellen om het te veel betaalde terug te vorderen, zo nodig door gerechtelijke procedures voor de bevoegde rechtbanken aan te spannen. |
|
(68) |
In hun schrijven van 6 april 2011 stellen de Belgische autoriteiten nog eens dat de retributie van 10,70 EUR uitsluitend betrekking heeft op de betaling van de BSE-tests door de ontvangende partij die deze dienst daadwerkelijk op dat moment ontvangt en dat deze niet wordt aangewend voor de terugbetaling van de voorfinanciering van de eerdere BSE-tests. |
|
(69) |
In hetzelfde schrijven van 6 april 2011 geven de Belgische autoriteiten aan dat het totale door de BIRB voorgefinancierde bedrag 67 156 527,65 EUR bedraagt. Het FAVV heeft deze som als volgt deels terugbetaald:
|
|
(70) |
België heeft aangegeven dat de regering had besloten de terugbetaling van de voorfinanciering aan het BIRB op te schorten en dat de terugontvangen bedragen dientengevolge zouden worden opgenomen in het positieve saldo van het FAVV. Het saldo dient te worden beschouwd als de terugbetaling van de BSE-tests. |
|
(71) |
Wat betreft de betaling door de producent van de kosten van de BSE-tests, stelt België nogmaals dat er geen specifiek stelsel bestaat in het kader waarvan slachthuizen verplicht zijn het retributiebedrag voor de BSE-tests aan de producent te factureren, maar dat dit spontaan gebeurde. België heeft een aantal voorbeelden van facturen overgelegd waaruit duidelijk blijkt dat het retributiebedrag als aparte post op de factuur in rekening wordt gebracht. Het gaat om de aankooplijst van het slachthuis voor de producent, waarop het retributiebedrag wordt afgetrokken van het totale door het slachthuis aan de producent voor de aankoop van het dier te betalen bedrag. Voor België is dit een bewijs dat de producent uiteindelijk degene is de BSE-tests aan het FAVV betaalt. |
|
(72) |
In hun laatste schrijven van 25 mei 2011 geven de Belgische autoriteiten aan dat voor de steunbedragen een cumulatie zou kunnen worden toegepast van de de-minimissteun krachtens Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun in de landbouwsector en de visserijsector (24) met de 40 EUR verenigbare steun per test, en dit voor de periode waarin die verordening van toepassing was. |
4. OPMERKINGEN VAN DERDEN
|
(73) |
De Commissie heeft in het kader van de onderhavige procedure geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
5. BEOORDELING
5.1. Beoordeling of er al dan niet sprake is van staatssteun
|
(74) |
Om te beginnen heeft België in zijn opmerkingen naar aanleiding van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure aangegeven dat het van mening is dat de kosten van de BSE-tests, wegens het verplichte karakter ervan, door de lidstaten worden gefinancierd en dat de communautaire wetgeving op generlei wijze bepaalt dat de kosten van de controles gedragen moeten worden door de ondernemingen. Uit de landbouwrichtsnoeren 2007-2013 alsook uit de staande praktijk van de Commissie blijkt evenwel duidelijk dat wanneer de tests niet overal evenveel kosten, dit tot verstoring van de mededinging kan leiden en dat de meeste lidstaten steun biedt ter dekking van de prijzen van deze test. Dit maakt het noodzakelijk de omvang van die steun te reguleren teneinde de door deze steun veroorzaakte verstoring van de mededinging tot een minimum te beperken. In het bijzonder is in de TSE-richtsnoeren duidelijk vermeld dat door de lidstaten verstrekte steun het risico van verstoring van de mededinging met zich brengt. Zo staat in punt 24 van de TSE-richtsnoeren bijvoorbeeld dat „Met ingang van 1 januari 2003 mag het totaal van de directe en de indirecte overheidssteun voor verplichte BSE-tests van voor menselijke consumptie geslachte runderen, met inbegrip van betalingen door de Gemeenschap, niet meer bedragen dan 40 EUR per test. Het maakt daarbij niet uit of de verplichting om te testen op communautaire dan wel op nationale wetgeving berust.” Deze richtsnoeren zijn aan de lidstaten voorgelegd met de oproep de nodige nuttige maatregelen te treffen en hun stelsels in overeenstemming te brengen met deze richtsnoeren. Verder komt de kwalificatie als staatssteun in verband met de BSE-tests in punt 132, onder f), en volgende van de landbouwrichtsnoeren 2007-2013. Er zij bovendien nog op gewezen dat de Belgische autoriteiten geen beroep hebben aangetekend tegen Beschikking N 9/05 en N 10/05, waarin een deel van de financiering van de BSE-tests als staatssteun werd aangemerkt. Dat betekent impliciet dat de Belgische autoriteiten instemden met het feit dat steun ter financiering van de BSE-tests als staatssteun werd aangemerkt. |
|
(75) |
Uit deze elementen kan worden afgeleid dat voor zover België betwist dat steun ter financiering van de BSE-tests als staatssteun wordt aangemerkt, op grond van het verplichte karakter van de tests, zulks geheel ongefundeerd is gezien de reeds jarenlang geldende en daadwerkelijk toegepaste regelgeving. |
|
(76) |
De Commissie gaat bijgevolg nader in op de maatregelen in kwestie op basis van artikel 107 VWEU. Artikel 107, lid 1, VWEU bepaalt dat, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt zijn, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(77) |
Een maatregel valt binnen de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU indien aan de vier volgende voorwaarden wordt voldaan: 1) de maatregel moet door de staat of via staatsmiddelen worden gefinancierd en aan de staat zijn toe te schrijven; 2) hij moet op selectieve wijze betrekking hebben op bepaalde ondernemingen of productiesectoren; 3) hij moet een economisch voordeel voor de begunstigde ondernemingen opleveren, en 4) hij moet het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. |
|
(78) |
In de volgende overwegingen worden deze vier criteria toegepast op de maatregelen die mogelijkerwijze een vorm van staatssteun zijn. |
|
(79) |
Zoals reeds vermeld in overweging 55, is er gebruikgemaakt van meerdere financieringsstelsels ter bekostiging van de BSE-tests. In het onderhavige besluit wordt bij het onderzoek van de vraag of er al dan niet staatsmiddelen bij betrokken waren, een onderscheid gemaakt tussen de verschillende financieringswijzen van de BSE-tests. |
5.1.1. Aanwezigheid van staatsmiddelen
5.1.1.1.
|
(80) |
In de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 werden de kosten van de BSE-tests in hun geheel door de Schatkist gefinancierd. Het lijdt dan ook geen twijfel dat de financiering plaatsvond met staatsmiddelen. |
5.1.1.2.
|
(81) |
In de daaropvolgende periode, d.w.z. van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2004, werden de tests in afwachting van een permanente financieringsregeling voorgefinancierd door het BIRB. Het BIRB is een federale publieke instantie met rechtspersoonlijkheid en komt voort uit de reorganisatie van de Belgische dienst voor bedrijfsleven en landbouw (BDBL) en de afdeling Landbouw van de voormalige Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen (CDCV). Het is een semioverheidsinstantie van de categorie „B” onder de hoede van de minister van Landbouw en Middenstand. Het BIRB is een erkend betaalorgaan binnen het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en wordt gefinancierd door het EOGFL (25). Het bureau kan onder meer belast worden met taken voortvloeiend uit het landbouwbeleid van de federale regering of de gewestelijke regeringen. Met het oog op een evenwichtige administratieve begroting ontvangt het BIRB financiële middelen van de overheid, die als post op de begroting van het federale overheidsorgaan waaronder het valt (de Federale Overheidsdienst Economie) voorkomen, alsook bepaalde eigen middelen (inkomsten uit een aantal retributies en een aantal bescheiden beleggingen). Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat financiering via het BIRB gelijk staat aan financiering uit staatsmiddelen. |
5.1.1.3.
|
(82) |
In de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 november 2004 werden de tests voorgefinancierd door het FAVV. De toentertijd van kracht zijnde wetgeving (d.w.z. in hoofdzaak de wet van 4 februari 2004 inzake de oprichting van het FAVV (26)) gaf aan dat het FAVV met name gefinancierd werd uit uiteenlopende bronnen, zoals opbrengsten uit rechten, heffingen en retributies, opbrengsten uit administratieve boeten, toevallige baten, giften en legaten, enz. (27). Het FAVV is een overheidsinstantie met rechtspersoonlijkheid van de categorie A overeenkomstig de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut (28). Uit het voorgaande blijkt dat het, ingeval van door het FAVV verstrekte financiële middelen, om staatsmiddelen gaat en dat de overheid beslist over de besteding daarvan, gezien het feit dat het FAVV onder de voor de volksgezondheid bevoegde minister ressorteert. |
5.1.1.4.
|
(83) |
In de periode van 1 december 2004 (datum van inwerkingtreding van het Koninklijk Besluit van 15 oktober 2004) tot en met 31 december 2005 (datum van inwerkingtreding van de Koninklijke Besluiten van 10 november 2005) werden de BSE-tests gefinancierd middels een retributie van 10,70 EUR per getest rund, aangevuld met financiering door het FAVV uit diens reserves en het door de Schatkist ter beschikking gestelde terug te betalen voorschot. |
|
(84) |
De deelfinanciering voor rekening van het FAVV en afkomstig uit eigen middelen, staat gelijk aan financiering met staatsmiddelen (zie overweging 82). |
|
(85) |
Wat betreft de vraag of de retributies al dan niet staatsmiddelen zijn, dient te worden opgemerkt dat dit inderdaad het geval kan zijn indien blijkt dat de retributies niet het totaal van de werkelijke kosten dekken van de diensten waarvoor deze worden afgedragen. Indien de kosten van de verrichte diensten en de retributie niet overeenkomen, vormt het overige gedeelte staatsmiddelen waarover de overheidsinstantie waaraan de retributie wordt overgemaakt, vrij kan beschikken. Om die reden is het van belang na te gaan of de aan het FAVV voor de BSE-test afgedragen retributies al dan niet betalingen zijn voor daadwerkelijk door het FAVV aan de bedrijven geleverde diensten en of die al dan niet gebaseerd zijn op de marktprijs (zie overweging 54 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure). Deze vraag wordt hierna behandeld bij het onderzoek betreffende het begrip voordeel. |
5.1.1.5.
|
(86) |
Ten aanzien van de periode volgend op de inwerkingtreding van de Koninklijke Besluiten van 10 november 2005, d.w.z. de periode vanaf 1 januari 2006, is het de vraag of de bij die Koninklijke Besluiten vastgestelde retributies en heffingen al dan niet staatsmiddelen zijn. Deze vraag is reeds onderzocht in het kader van Beschikking N 9/05 en N 10/05. In overweging 44 werd in algemene zin aangegeven dat de heffingen staatsmiddelen waren en dat de retributies staatsmiddelen zouden kunnen zijn indien zou blijken dat deze retributies niet de totale werkelijke kosten zouden dekken van de diensten die zij werden geacht te vergoeden. Wat de BSE-tests betreft, dient te worden vastgesteld dat deze gedeeltelijk gefinancierd werden door de retributies en gedeeltelijk middels heffingen. In Beschikking N 9/05 en N 10/05 werd geconcludeerd dat de financiering van een deel van de met de BSE-tests gemoeide kosten geen staatssteun was, alsook dat de financiering middels de heffingen verenigbare staatssteun was. Zoals in overweging 34 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure is aangegeven, zijn de bij beschikking van de Commissie goedgekeurde steunmaatregelen geen onderwerp van het onderhavige besluit en zullen deze dan ook niet opnieuw worden onderzocht. |
|
(87) |
Niettemin blijkt uit de na het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure door België overgelegde informatie dat in 2005 en 2006 de inkomsten uit de heffingen gedeeltelijk zijn aangewend ter terugbetaling van de voorfinanciering van de BSE-tests die in de periode van 1 januari 2003 tot 1 december 2004 het bedrag van 40 EUR te boven ging. Daarvan werd in Beschikking N 9/05 en N 10/05 echter geen gewag gemaakt. Een deel van de heffingen werd dientengevolge aangewend ter financiering van de in de periode van 1 januari 2003 tot 1 december 2004 uitgevoerde BSE-tests, dit met het doel om de voorgefinancierde kosten van de verplichte BSE-tests boven het maximaal toegestane bedrag van 40 EUR op niet-individuele basis van de veehouders terug te verkrijgen. |
|
(88) |
Het feit dat een deel van de heffingen werd aangewend ter terugbetaling van de voorfinanciering van de tests verandert niets aan de kwalificatie als staatsmiddelen, zoals in Beschikking N 9/05 en N 10/05. |
5.1.2. Selectief voordeel voor een onderneming
|
(89) |
Om na te gaan of er een voordeel bestaat, moet onderscheid worden gemaakt tussen de uit staatsmiddelen, inclusief de heffingen, gefinancierde maatregelen enerzijds en de uit de retributies gefinancierde maatregelen anderzijds. |
|
(90) |
Wat de uit staatsmiddelen, inclusief de heffingen, gefinancierde maatregelen betreft, is de Commissie altijd van mening geweest (29) dat indien een lidstaat de kosten van verplichte controles ten aanzien van de productie of de verkoop van producten financiert, dit dient te worden beschouwd als een selectief voordeel voor de ondernemingen (30). De staat heeft immers de lasten verlicht die normaliter deel uitmaken van het budget van een onderneming. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de veehouders, slachthuizen en andere entiteiten die zich toeleggen op de verwerking, behandeling, verkoop en afzet van van runderen afkomstige producten waarvoor krachtens de in de betrokken periode geldende wetgeving BSE-tests moesten worden verricht, een economische activiteit uitoefenen en middels de financiering van de BSE-tests door de overheid staatssteun genoten hebben, en dit vanaf 1 januari 2001. |
|
(91) |
De door België aangevoerde argumenten (zie overweging 37 en volgende) dat de financiering van de BSE-tests is opgelegd teneinde de volksgezondheid te beschermen en dat het aan de lidstaat is om al dan niet te opteren voor het normale financieringsstelsel voor de BSE-tests, kunnen om de in overweging 74 genoemde redenen niet worden aanvaard. Ten aanzien van de specifiekere vraag of er al dan niet sprake is van selectiviteit, heeft België aangevoerd dat er slechts sprake kan zijn van selectiviteit voor zover bepaalde sectoren of ondernemingen een voorkeursbehandeling zouden krijgen ten opzichte van het normale stelsel. Dat er ten aanzien van de financiering van de BSE-tests verschillen bestaan tussen de lidstaten en dat dit tot verstoring van de mededinging kan leiden, is volgens België geen staatssteunkwestie, maar een kwestie van harmonisering van de wetgevingen. |
|
(92) |
Dat argument kan echter niet worden aanvaard. Zoals reeds in Beschikking N 9/05 en N 10/05 is weergegeven, wordt aan het selectiviteitscriterium voldaan indien enkele specifieke ondernemingen of economische sectoren als enige voordeel uit een regeling trekken. In het onderhavige geval komt de financiering van de BSE-tests door de overheid op nationaal niveau slechts ten goede aan een specifieke sector, te weten de sector die de aan BSE-tests onderworpen dieren fokt. Op communautair niveau levert de financiering van de BSE-tests ten gunste van Belgische ondernemingen door de overheid of met behulp van staatsmiddelen deze ondernemingen een voordeel op ten opzichte van de buitenlandse concurrenten die de verplichte BSE-tests niet door hun overheid of uit staatsmiddelen gefinancierd zien. In de preambule van de TSE-richtsnoeren (punten 8 en 9) was duidelijk aangegeven dat de harmonisering uit hoofde waarvan de sector de kosten zou moeten gaan dragen, slechts langzaam voortschreed en dat de Commissie om die reden had besloten haar beleid ten aanzien van staatssteun in verband met de kosten van BSE-tests te verduidelijken en te wijzigen. In punt 24 van de TSE- richtsnoeren staat dat de verplichting tot uitvoering van de tests op communautaire dan wel op nationale wetgeving berust. Daaruit blijkt duidelijk dat er geen sprake is van communautaire harmonisering ten aanzien van de verplichting tot het uitvoeren van de tests, hetgeen op zijn beurt impliceert dat er om die reden sprake kan zijn van selectieve steunmaatregelen die de ondernemingen van een bepaalde lidstaat bevoordelen. De uit staatsmiddelen, waaronder de heffingen, gefinancierde maatregelen verschaffen bijgevolg een selectief voordeel aan de veehouders, slachthuizen en andere entiteiten die zich toeleggen op de verwerking, behandeling, verkoop en afzet van van runderen afkomstige producten die krachtens de geldende wetgeving aan een BSE-onderzoek moesten worden onderworpen, doordat zij de door deze begunstigden te dragen kosten verlichten. Deze voordelen worden niet toegekend door middel van directe betalingen, maar door de tenlasteneming van de kosten van de BSE-tests door de overheid, die deze kosten rechtstreeks betaalt aan de laboratoria die deze tests verrichten op verzoek van de slachthuizen en de kosten vervolgens factureren aan het FAVV. |
|
(93) |
Wat de uit de retributies gefinancierde steunmaatregelen betreft, is het van belang na te gaan of er met deze retributies al dan niet een voordeel is toegekend. Zoals aangegeven in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure (overwegingen 61 en 62) is er slechts dan sprake van een voordeel wanneer de retributies in kwestie lager zijn dan de werkelijke kosten van de daadwerkelijk door het FAVV aan de marktdeelnemers geleverde diensten. Tevens dient te worden nagegaan of die retributies specifiek geïnd zijn voor diensten die het FAVV daadwerkelijk aan de ondernemingen geleverd heeft. In concreto rijst de vraag of er een voordeel is toegekend aan de slachthuizen en producenten die gedurende de periode van 1 december 2004 tot en met 31 december 2005 de retributie van 10,70 EUR per getest rund hebben betaald en of de door het FAVV verrichte diensten hun daadwerkelijk ten goede kwamen. |
|
(94) |
De Belgische autoriteiten hebben in antwoord op het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure aangegeven dat de retributie van 10,70 EUR per getest rund, naast de eigen reserves van het FAVV en de terug te betalen voorschotten van de Schatkist, voor het FAVV de enige financieringsbron was ter dekking van de kosten van de BSE-tests. De retributie wordt betaald door de slachthuizen. De Belgische autoriteiten hebben vermeld dat er voor de slachthuizen geen enkele wettelijke verplichting bestaat om het bedrag aan hun klanten te factureren, maar dat de slachthuizen in de dagelijkse praktijk de kosten van de retributie als aparte post factureren. België heeft dat aangetoond met een aantal voorbeelden van facturen waaruit duidelijk blijkt dat de slachthuizen het bedrag van de retributie afzonderlijk aan de producenten factureren. België is van mening dat het niet nodig is om de manier waarop de slachthuizen de door hen betaalde retributie aan de producenten of andere potentiële ontvangers van de diensten doorberekenen formeel te reguleren, omdat de kosten op soortgelijke wijze bij de producenten in rekening wordt gebracht als de overige aan de slacht verbonden kosten. |
|
(95) |
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de in overweging 44 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure geuite twijfel ten aanzien van de hoogte van de retributie voor de slachthuizen, in die zin dat deze veel hoger zouden zijn dan voor de overige ontvangers van de dienst, nu is weggenomen door de door België overgelegde informatie ten aanzien van de facturering van het bedrag van de retributie aan de producenten. |
|
(96) |
Wat betreft de vraag of de prijs voor de BSE-tests in België overeenkomt met de marktprijs, heeft België de Commissie in de eerste plaats laten weten dat de door het FAVV berekende prijzen sinds juli 2005 onder de 40 EUR liggen, terwijl in de landbouwrichtsnoeren 2007-2013 wordt gesteld dat 40 EUR destijds zowat de beste prijs was in de Gemeenschap. Dat duidt erop dat de prijzen overeenstemmen met de in de betrokken periode elders in Europa gangbare prijzen. In de tweede plaats heeft België op het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure geantwoord dat de situatie identiek was aan de in Beschikking N 9/05 en N 10/05 onderzochte situatie. In die beschikking werd geconcludeerd dat de aanwijzing van de dienstverrichters had plaatsgevonden op basis van open en non-discriminatoire procedures (zie overweging 82 van Beschikking N 9/05 en N 10/05). In de derde plaats neemt de Commissie nota van de toezegging van België om alle beschikbare juridische middelen in te zetten om het te veel voor de tests betaalde bedrag terug te vorderen indien de Belgische mededingingsautoriteiten constateren dat er sprake was van illegale prijsafspraken tussen de laboratoria en dat zij de prijzen kunstmatig hoog hebben gehouden. Op basis van deze overwegingen komt de Commissie tot de slotsom dat de retributies niet als staatsmiddelen kunnen worden beschouwd aangezien de aan het FAVV afgedragen retributies voor de BSE-tests niets anders dan betalingen voor daadwerkelijk door het FAVV aan de bedrijven geleverde diensten zijn en dat deze waren gebaseerd op de marktprijs. |
|
(97) |
Er kan in overeenstemming met Beschikking N 9/05 en N 10/05 worden geconcludeerd dat noch de slachthuizen, noch de producenten met de retributie een voordeel is verschaft, omdat de retributie bestemd is ter dekking van de kosten van een dienst die de tot betaling van de retributie verschuldigde partij daadwerkelijk ten goede is gekomen, alsook omdat de prijs van de test gebaseerd is op de marktprijs. Met deze conclusie kan tevens tot de slotsom worden gekomen dat er geen sprake was van bekostiging met staatsmiddelen doordat de prijs van de test conform is aan de marktprijs. |
5.1.3. Verstoring van de mededinging en gevolgen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten
|
(98) |
Wat betreft de overige voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 107, lid 1, VWEU zij vermeld dat de maatregel van invloed kan zijn op de positie van België in de betrokken sector (31). Daar Belgische ondernemingen op een uiterst concurrerende internationale markt opereren, vervalst de maatregel de mededinging of dreigt deze de mededinging te vervalsen (32) en heeft deze gevolgen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten. |
5.1.4. Conclusies ten aanzien van de aard van de steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU
|
(99) |
De Commissie is in het licht van het voorgaande van mening dat de financiering van de BSE-tests met heffingen en andere staatsmiddelen zoals hiervoor beschreven een met staatsmiddelen bekostigd voordeel vormt. Zodra dit voordeel de handel tussen lidstaten mogelijk ongunstig beïnvloedt, vervalst het de mededinging of dreigt het deze te vervalsen doordat bepaalde ondernemingen en producten worden bevoordeeld. Het voordeel is toegekend aan de veehouders, slachthuizen en entiteiten die zich toeleggen op de verwerking, behandeling, verkoop en afzet van van runderen afkomstige producten die krachtens de geldende wetgeving aan een BSE-onderzoek moesten worden onderworpen. De Commissie komt aldus tot de slotsom dat deze maatregelen onder artikel 107, lid 1, VWEU vallen. Bij het deel van de BSE-tests dat met retributies is gefinancierd, is daarentegen geen sprake van steun, aangezien de tot betaling van de retributie verschuldigde partijen de diensten ontvangen tegen de marktprijs. |
5.2. Onwettigheid van de steun
|
(100) |
Sinds 1 januari 2001 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie geen kennisgeving gedaan, in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU, van de steunmaatregelen ter financiering van de BSE-test. De onder Verordening (EG) nr. 1/2004 vallende steunmaatregelen zijn vrijgesteld van de aanmeldingsplicht, mits zij aan de in die verordening gestelde voorwaarden voldoen. Zij zijn evenwel onwettig indien niet aan die voorwaarden is voldaan. |
5.3. De financiering van de steunmaatregelen
|
(101) |
Aangezien het om gedeeltelijk door middel van een parafiscale heffing gefinancierde staatssteun gaat, te weten de zogenoemde „heffing”, dienen de met de steun gefinancierde maatregelen alsook de financiering van de steunmaatregelen zelf door de Commissie te worden onderzocht. De mogelijke onverenigbaarheid van de financiering van de staatssteun met de interne markt zou namelijk tevens de steunmaatregelen zelf onverenigbaar maken, zelfs indien bij de toekenning van de steun de toepasselijke mededingingsregels in acht zouden zijn genomen. |
|
(102) |
Volgens vaste rechtspraak vallen heffingen niet binnen de werkingssfeer van de bepalingen van het VWEU betreffende staatssteun, tenzij zij de wijze van financiering van een steunmaatregel vormen, zodat zij integrerend onderdeel uitmaken van deze maatregel (33). Om een heffing of een gedeelte van een heffing als integrerend deel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken, moet er krachtens de relevante nationale regeling noodzakelijkerwijs een dwingend bestemmingsverband bestaan tussen de heffing en de steun (34), in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd. Indien een dergelijk verband bestaat, heeft de opbrengst van de heffing rechtstreeks invloed op de omvang van de steun (35) en bijgevolg op de beoordeling van de verenigbaarheid ervan met de interne markt (36). |
|
(103) |
Er dient dan ook te worden onderzocht of de sinds 1 juli geïnde heffing aan de in overweging 102 genoemde criteria voldoet, waarna dient te worden vastgesteld welke rechtsinstrumenten tijdens de verschillende perioden van toepassing waren. De gefinancierde steun viel onder een vrijstelling, doch deze vrijstelling is niet van toepassing op het financieringsstelsel van de steun. Dat betekent dat er een oordeel dient te worden geveld over de wettigheid van het financieringsstelsel gedurende de gehele periode in kwestie. |
5.3.1. Van 1 juli 2004 tot 31 december 2005
|
(104) |
In deze periode werd de steun voorgefinancierd door het FAVV alsook met de retributies krachtens het Koninklijk Besluit van 15 oktober 2004 (laatstgenoemde zijn evenwel geen onderwerp van dit onderdeel aangezien het geen steunmaatregelen betreft — zie overweging 97). Er dient te worden nagegaan of het financieringsstelsel integrerend onderdeel uitmaakt van de steunmaatregel. Uit de geldende wetgeving blijkt in ieder geval niet dat er sprake zou zijn van een dwingend bestemmingsverband tussen de financieringswijze van het FAVV en de financiering van de BSE-tests, noch dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs wordt aangewend ter financiering van de steunmaatregel. De wet van 4 februari 2000 inzake de oprichting van het FAVV voorziet in meerdere financieringsbronnen voor het FAVV (zie overweging 82). Bovendien kan niet worden vastgesteld of de opbrengst van de heffing rechtstreeks invloed heeft op de omvang van de steun, aangezien de tests enerzijds worden gefinancierd met de retributies en anderzijds — wat het overige gedeelte betreft — door het FAVV. Het bedrag van de door het FAVV betaalde steun varieert aldus naargelang de hoogte van de prijs van de tests en niet naargelang de aan het FAVV afgedragen heffingen. Er bestaat bijgevolg geen dwingend bestemmingsverband tussen de inkomsten uit de heffingen en de terugbetaling van de voorfinanciering. |
5.3.2. Vanaf 1 januari 2006
|
(105) |
Vanaf die datum werden de heffingen gereguleerd bij het Koninklijk Besluit inzake de heffingen ter financiering van het FAVV. In Beschikking N 9/05 en N 10/05 is het stelsel van financiering middels de heffingen onderzocht en werd de conclusie getrokken dat de financieringswijze van een deel van de kosten in verband met de BSE-tests niet discriminerend was voor ingevoerde of uitgevoerde producten en dat deze niet strijdig was met de bepalingen van het Verdrag (37). Zoals aangegeven in overweging 31, heeft dit besluit geen betrekking op de eerder goedgekeurde maatregelen. Gezien het feit dat België heeft aangegeven dat een deel van de heffingen sinds 1 januari 2006 wordt aangewend voor de terugbetaling van de voorgefinancierde bedragen voor voorafgaand aan die datum uitgevoerde BSE-tests, is de Commissie evenwel bevoegd het financieringsstelsel te onderzoeken, voor zover de heffingen dienen ter financiering van de terugbetaling van de voorgefinancierde BSE-tests. |
|
(106) |
België heeft aangegeven dat, afgezien van de indexering van de retributie, het financieringsstelsel niet is gewijzigd. Het enige element dat is veranderd, betreft de aanwending van de uit de heffingen voortvloeiende inkomsten, ter terugbetaling van de voorfinanciering van de BSE-kosten in 2006. |
|
(107) |
Op de vraag of de financiering integrerend onderdeel uitmaakt van de steunmaatregel, dient ontkennend te worden geantwoord. De aanwending van de heffingen na 2006 ten behoeve van de terugbetaling van de voorfinanciering van de tests is niet van invloed geweest op het bedrag van de toegekende steun. Bovendien hebben de Belgische autoriteiten aangegeven dat de terugbetaling op basis van het solidariteitsbeginsel plaatsvindt, en wel zodanig dat elke marktdeelnemer een afdracht aan het FAVV doet en een deel van deze heffing wordt aangewend ter dekking van de in het verleden in verband met de voorfinanciering van de BSE-tests gemaakte kosten. Alle actieve marktdeelnemers die in de betrokken periode houders waren van runderen dragen in gelijke mate bij aan het stelsel, doch zijn niet de enige partij die aan het geheel bijdragen. Dientengevolge komt de Commissie tot de slotsom dat de financiering van de steun geen integrerend onderdeel uitmaakt van de steunmaatregel in kwestie. |
5.4. Beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregelen
|
(108) |
Indien steun staatssteun is en onder artikel 107, lid 1, VWEU valt, dient te worden onderzocht of de steun als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd op grond van artikel 107, leden 2 en 3, VWEU. |
|
(109) |
Ten aanzien van de maatregel in kwestie zou enkel artikel 107, lid 3, onder c), VWEU toepasselijk kunnen zijn. Daarin wordt bepaald dat steunmaatregelen ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. |
|
(110) |
Overeenkomstig punt 23.3 van de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun in de landbouwsector (38) voor 2000-2006 (hierna „landbouwrichtsnoeren 2000/2006” genoemd) en de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (39), dient elke vorm van onwettige steun in de zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (40) te worden beoordeeld volgens de regels en richtsnoeren die van toepassing zijn op het tijdstip waarop de steun is verleend. De Commissie heeft in 2002 de TSE-richtsnoeren vastgesteld. Die richtsnoeren waren tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 van toepassing (41). In punt 44 van de TSE-richtsnoeren is bepaald dat, afgezien van gevallen betreffende, onder meer, BSE-tests, onrechtmatige steun in de zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt beoordeeld overeenkomstig de regels en de richtsnoeren die op het tijdstip van de steunverlening golden. Aangezien de steun is toegekend tussen 1 januari 2001 en 31 december 2005 vormen de TSE-richtsnoeren het voor het onderzoek naar deze steunmaatregelen relevante kader. |
|
(111) |
Overeenkomstig punt 194, onder c), van de landbouwrichtsnoeren 2007-2013 past de Commissie vanaf 1 januari 2007 de TSE-richtsnoeren uitsluitend nog toe op de in punt 43 en volgende van deze TSE-richtsnoeren genoemde onwettige steunmaatregelen. |
|
(112) |
Er kunnen wat betreft de toepasselijkheid van de verschillende wettelijke bepalingen twee perioden worden onderscheiden. |
5.4.1. De periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002: toepasselijkheid van punt 11.4 van de landbouwrichtsnoeren 2000-2006 waarnaar verwezen wordt in punt 45 van de TSE-richtsnoeren
|
(113) |
Punt 45 van de TSE-richtsnoeren bepaalt dat wat onrechtmatige staatssteun voor BSE-tests betreft die vóór de toepassingsdatum van de TSE-richtsnoeren (d.w.z. voor 1 januari 2003) is verleend, de Commissie de verenigbaarheid zal beoordelen aan de hand van punt 11.4 van de landbouwrichtsnoeren 2000-2006 en haar sinds 2001 gevolgde praktijk om dergelijke steun tot 100 % toe te staan. |
|
(114) |
Overeenkomstig punt 11.4 van de landbouwrichtsnoeren 2000-2006 dient de steunmaatregel, om als verenigbaar te worden beschouwd:
Ingeval de steun is toegekend in het kader van communautaire en/of nationale en/of regionale steunregelingen, zal de Commissie verzoeken om bewijs dat er geen risico op overcompensatie bestaat als gevolg van een mogelijke cumulatie van maatregelen in het kader van verscheidene regelingen. Ingeval steun van de Gemeenschap is goedgekeurd, dienen de datum en de kenmerken van de desbetreffende beschikking of het desbetreffende besluit van de Commissie te worden vermeld. |
|
(115) |
Reeds in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure werd geconcludeerd dat aan de eerste drie voorwaarden was voldaan (zie overweging 80 van dat besluit). De Belgische autoriteiten hebben in hun opmerkingen naar aanleiding van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure overigens bevestigd aldus te werk te zijn gegaan. BSE is een overdraagbare ziekte die een gevaar vormt voor de gezondheid van de mens. Bij deze dierziekte dient de primaire haard rechtstreeks te worden gemeld aan de Commissie en de overige lidstaten overeenkomstig Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (42). Met de steunmaatregel wordt beoogd BSE te bestrijden door geslachte en gestorven dieren te onderzoeken. Met de compensatie van de door de veehouders gedragen kosten werd beoogd te bewerkstelligen dat de maatregelen daadwerkelijk ten uitvoer zouden worden gelegd. Alle maatregelen worden getroffen overeenkomstig het Gemeenschapsrecht of worden erdoor aanbevolen (43). |
|
(116) |
Wat de vierde voorwaarde betreft, wordt in de door België verstrekte informatie gewag gemaakt van de financiering van BSE-tests met een prijs tussen de 111,81 EUR en 63,45 EUR gedurende deze periode (zie overweging 56). Deze prijs bestaat uit de kosten van de laboratoriumanalyse, de kosten van de monsterneming door een dierenarts, alsook de kosten van de testkit. De Commissie acht deze kosten in overeenstemming met de in punt 11.4.5 van de landbouwrichtsnoeren 2000-2006 weergegeven kosten, waaronder de sanitaire controles, de tests en andere opsporingsmaatregelen. |
|
(117) |
Al met al kan worden geconcludeerd dat de gedurende de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 verleende steun verenigbaar is. |
5.4.2. De periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005: toepasselijkheid van punt 21 en volgende van de TSE-richtsnoeren
|
(118) |
De Commissie heeft conform punt 23 van de TSE-richtsnoeren besloten steunmaatregelen tot 100 % van de kosten van TSE-tests te blijven toestaan, overeenkomstig de beginselen van punt 11.4 van de landbouwrichtsnoeren 2000-2006 (zie overweging 114). |
|
(119) |
Overeenkomstig de TSE-richtsnoeren dient bovendien tevens aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:
|
|
(120) |
Zoals reeds in de overwegingen 115 en 116 werd aangegeven, is aan alle vier voorwaarden van de landbouwrichtsnoeren 2000-2006 voldaan. |
|
(121) |
Ten aanzien van de voorwaarde van maximaal 40 EUR per test merkt de Commissie op dat dit maximale bedrag tussen 1 januari 2003 en 30 juni 2004 is overschreden. Overeenkomstig de door België verstrekte informatie bedroeg het totale over deze periode teveel uitgekeerde bedrag 6 619 810,74 EUR. Vanaf 1 juli 2004 bedroegen de totale kosten per test minder dan 40 EUR (zie overweging 64). De Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat deze bedragen zowel de nationale als de betalingen van de Gemeenschap betroffen (zie overweging 58). |
|
(122) |
Ten aanzien van de voorwaarde dat de steun moet worden betaald aan de marktdeelnemer bij wie de monsters voor de tests zijn genomen en dat indien de steun aan de laboratoria wordt uitgekeerd, er dient te worden aangetoond dat het volledige bedrag van de staatssteun aan de marktdeelnemer wordt doorgegeven (punt 25 van de TSE-richtsnoeren), komt de Commissie tot de slotsom dat deze is vervuld. |
|
(123) |
Zoals reeds aangegeven in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, hebben de Belgische autoriteiten te kennen gegeven dat de kosten van de BSE-tests rechtstreeks aan de laboratoria worden betaald. De marktdeelnemers hoeven in verband met de BSE-tests op runderen op geen enkele wijze laboratoriakosten te betalen. Dit is conform hetgeen in overweging 95 van Beschikking N 9/05 en N 10/05 werd vastgesteld voor het soortgelijke systeem. Zoals eerder aangegeven, vormt de retributie het enige deel van de kosten dat aan de producenten wordt doorberekend (zie overweging 93 en volgende). Dit deel van de financiering van de BSE-tests kan echter niet worden aangemerkt als staatssteun. Dientengevolge komt het volledige steunbedrag ten goede aan de marktdeelnemer. |
5.4.3. Vanaf 1 januari 2006
|
(124) |
Wat de periode vanaf 1 januari 2006 betreft, verwijst de Commissie naar Beschikking N 9/05 en N 10/05 aangezien met dit besluit niet wordt beoogd terug te komen op de in die beschikking goedgekeurde staatssteun. |
5.4.4. Conclusie
|
(125) |
Tot besluit dient te worden vastgesteld dat de staatssteun ter financiering van de BSE-tests die gedurende de periode 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004 het bedrag van 40 EUR per test te boven gaat (een totaalbedrag van 6 619 810,74 EUR) niet verenigbaar is met de interne markt. |
5.5. Terugbetaling van de voorgefinancierde bedragen
|
(126) |
Zoals eerder aangegeven, werden de tests bekostigd met staatsmiddelen waarbij gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004 het maximumbedrag van 40 EUR per test werd overschreden. |
|
(127) |
België heeft besloten om met ingang van 1 januari 2006 het teveel betaalde bedrag te doen terugbetalen door middel van de heffingen ter financiering van het FAVV, aanvankelijk over een periode van 15 jaar, doch later geheel afgeblazen. De Belgische autoriteiten geven voor dat laatste als reden op dat het in de praktijk moeilijk is om de gelden op individuele basis terug te vorderen, aangezien een aantal marktdeelnemers is overleden of de bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt. |
|
(128) |
In een later schrijven, gedateerd 6 april 2011, hebben de Belgische autoriteiten aangegeven dat het FAVV in de loop van de 2005 en 2006 was overgegaan tot terugbetaling met behulp van FAVV-middelen. |
|
(129) |
De voorgestelde wijze van terugvordering voldoet echter niet aan de vereisten ten aanzien van de terugvordering van onwettige en niet verenigbare staatssteun. Overeenkomstig de rechtspraak bestaat het doel van de terugvordering eruit de situatie op de markt van voor de toekenning van de steun te herstellen. Dat doel is bereikt wanneer de onwettige en met de interne markt onverenigbare steun is terugbetaald door de begunstigde en deze daarmee het uit deze steun voortvloeiende voordeel ten opzichte van zijn concurrenten verliest en aldus de voorafgaand aan de verstrekking van de steun bestaande situatie wordt hersteld (44). Dit terug te betalen steunbedrag wordt vermeerderd met een door de Commissie vast te stellen passende rente lopend vanaf de datum dat de onwettige steun aan de begunstigde ter beschikking is gesteld tot aan het moment van terugbetaling ervan (45). Er dient overeenkomstig Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (46) samengestelde interest te worden aangerekend, hetgeen in dit geval niet is gebeurd. Bovendien bepaalt artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 dat de lidstaten alles in het werk moeten stellen om te zorgen voor een onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie. De door België voorgestelde en deels uitgevoerde terugvorderingsregeling voldoet niet aan de in deze overweging genoemde vereisten en kan dan ook niet worden beschouwd als terugvordering in de zin van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999. |
6. CONCLUSIES
|
(130) |
De Commissie komt tot de slotsom dat de financiering van de BSE-tests met de retributies geen steunmaatregel is. |
|
(131) |
De Commissie concludeert dat de financiering van de BSE-tests uit staatsmiddelen een steunmaatregel is ten gunste van de veehouders, slachthuizen en andere entiteiten die zich toeleggen op de verwerking, behandeling, verkoop en afzet van van runderen afkomstige producten die krachtens de geldende wetgeving aan een BSE-onderzoek moesten worden onderworpen. De steunmaatregel is verenigbaar voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 en voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2005. De steunmaatregel is onverenigbaar voor de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004, en wel voor een door België aangegeven bedrag van 6 619 810,74 EUR, zijnde de totale steun die het maximumbedrag van 40 EUR per test te boven ging. |
|
(132) |
De Commissie constateert dat België gedurende de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2004 de steun voor de financiering van de BSE-tests in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU onwettig ten uitvoer heeft gelegd. Vanaf 1 januari 2003 viel de steunmaatregel onder een vrijstellingsverordening, maar omdat niet aan de voorwaarden van die vrijstellingsverordening is voldaan, is de steunmaatregel onwettig. |
|
(133) |
De onwettige en niet met de interne markt verenigbare steun die het maximumbedrag van 40 EUR per test te boven ging, dient te worden teruggevorderd, met uitzondering van steun voor specifieke projecten die op het moment van de toekenning van de steun voldeden aan alle in de toepasselijke de-minimisverordening gestelde voorwaarden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De met de retributies gefinancierde maatregelen zijn geen steunmaatregelen.
2. De financiering van de BSE-tests uit staatsmiddelen is voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 en voor de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2005 een met de interne markt verenigbare steunmaatregel ten gunste van de veehouders, slachthuizen en andere entiteiten die zich toeleggen op de verwerking, behandeling, verkoop en afzet van van runderen afkomstige producten die aan een BSE-onderzoek moesten worden onderworpen.
3. De financiering van de BSE-tests uit staatsmiddelen gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004 is wat betreft de bedragen onder de 40 EUR per test een met de interne markt verenigbare steunmaatregel ten gunste van de veehouders, slachthuizen en andere entiteiten die zich toeleggen op de verwerking, behandeling, verkoop en afzet van van runderen afkomstige producten die aan een BSE-onderzoek moesten worden onderworpen. De bedragen boven de 40 EUR per test zijn niet met de interne markt verenigbaar en moeten worden teruggevorderd, met uitzondering van steun voor specifieke projecten die op het moment van de toekenning van de steun voldeden aan alle in het toepasselijke de-minimisverordening gestelde voorwaarden.
4. België heeft gedurende de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2004 de steun voor de financiering van de BSE-tests in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU onwettig ten uitvoer gelegd.
Artikel 2
1. België treft de nodige maatregelen om de in artikel 1, leden 3 en 4, bedoelde onwettige en onverenigbare steun terug te vorderen van de begunstigden.
2. De terug te vorderen steun omvat rente te rekenen vanaf de datum waarop de steun de begunstigden ter beschikking is gesteld tot aan de datum van terugvordering ervan.
3. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004.
4. De terugvordering geschiedt onverwijld overeenkomstig de nationaalrechtelijke procedures, voor zover deze procedures een onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van dit besluit toelaten.
Artikel 3
De terugvordering van de in artikel 1, leden 3 en 4, bedoelde steun geschiedt onmiddellijk en daadwerkelijk.
België zorgt ervoor dat dit besluit binnen vier maanden na de datum van kennisgeving ervan wordt uitgevoerd.
Artikel 4
1. Binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van dit besluit verstrekt België de Commissie de volgende informatie:
|
a) |
de lijst van begunstigden die de in artikel 1, leden 3 en 4, bedoelde steun hebben ontvangen en het totale bedrag aan steun dat elke begunstigde heeft ontvangen; |
|
b) |
het totale bedrag (hoofdvordering plus terugvorderingsrente) dat van de begunstigden moet worden teruggevorderd; |
|
c) |
een gedetailleerde beschrijving van reeds genomen of geplande maatregelen om aan het onderhavige besluit te voldoen; |
|
d) |
documenten die aantonen dat de begunstigden zijn aangemaand de steun terug te betalen. |
2. België houdt de Commissie op de hoogte van de voortgang van de voor de uitvoering van dit besluit genomen nationale maatregelen, totdat de in artikel 1, leden 3 en 4, bedoelde steun volledig is teruggevorderd.
3. Na afloop van de in lid 1 genoemde termijn van twee maanden dient België op eenvoudig verzoek van de Commissie een verslag in over de reeds genomen en geplande maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het verslag verstrekt ook gedetailleerde informatie over de reeds van de begunstigden teruggevorderde steunbedragen en terugvorderingsrente.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België.
Gedaan te Brussel, 27 juli 2011.
Voor de Commissie
Dacian CIOLOȘ
Lid van de Commissie
(1) De artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag zijn sinds 1 december 2009 de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”). De respectieve bepalingen zijn in wezen identiek. Voor zover van toepassing, dienen in dit besluit de verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU te worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag.
(2) PB C 11 van 16.1.2009, blz. 8.
(3) Zie voetnoot 2.
(4) Uitsluitend de voor het uiteindelijke besluit relevante elementen zijn weergegeven — de overige elementen zijn vermeld in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure.
(5) De Belgische autoriteiten verwijzen voor wat de verplichte tests betreft naar Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1).
(6) Steunmaatregel van de staten nr. N 21/02 — België — Financiering van de kosten van de verplichte BSE-tests
(7) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001, voert België snelle BSE-tests uit op alle voor de slacht aangeboden runderen van meer dan 30 maanden, alsook op alle runderen van meer dan 24 maanden die zijn geslacht in het kader van een noodslachting. Bovendien wordt er tevens een BSE-test uitgevoerd op elk runderkadaver van meer dan 24 maanden.
(8) PB C 324 van 24.12.2002, blz. 2.
(9) Belgisch Staatsblad van 8.11.2004, blz. 75290.
(10) Overeenkomstig de TSE-richtsnoeren mag de totale staatssteun vanaf 1 januari 2003 niet meer bedragen dan 40 EUR.
(11) Zie de tabel in overweging 25 van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure.
(12) PB L 1 van 3.1.2004, p. 1.
(13) PB C 105 van 30.4.2005, blz. 3.
(14) Belgisch Staatsblad van 21.11.2005, blz. 49941.
(15) Belgisch Staatsblad van 21.11.2005, blz. 49918.
(16) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.
(17) Arrest van het Hof van 5 februari 1976 in zaak 87/75, Bresciani/Amministrazione Italiana delle Finanze, Jurispr. blz. 129, punt 10, en arrest van het Hof van 15 december 1993 in de gevoegde zaken C-277/91, C-318/91 en C-319/91, Ligur Carni Srl e.a./Unità Sanitaria Locale n. XV di Genova e.a., Jurispr. blz. I-6621, punt 29-31.
(18) Arrest van het Gerecht van 18 december 2008 in de gevoegde zaken T-211/04 en T-215/04, Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. blz. II-3745, punten 143-146.
(19) België haalt het voorbeeld aan van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn, waarin de lidstaten in artikel 27 alsook in de bijlagen IV en V verplicht worden om een aanvang te nemen met de inning van bepaalde heffingen ter financiering van bepaalde controles.
(20) Arrest van het Hof van 20 november 2003 in zaak C- 126/01, Ministère de l'Économie, des Finances et de l'Industrie/GEMO SA, Jurispr. blz. I-13769.
(21) Arrest van het Hof van 11 maart 1992 in de gevoegde zaken C-78/90 t/m C-83/90, Compagnie commerciale de l'Ouest e.a./receveur principal des douanes de La Palice Port, Jurispr. blz. I-1847, punt 35; arrest van het Hof van 2 augustus 1993 in zaak C-266/91, Celulose Beira Industrial SA/Fazenda Pública, Jurispr. blz. I-4337, punt 21; arrest van het Hof van 11 juni 1992 in de gevoegde zaken C-149/91 en C-150/91, Sanders Adour e.a./Directeur des services fiscaux des Pyrénées Atlantiques, Jurispr. blz. I-3899, punt 27; en arrest van het Hof van 16 december 1992 in zaak C-17/91, Lornoy/Belgische staat, Jurispr. blz. I-6523, punt 32.
(22) PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1.
(23) Deze heffingen en retributies zijn bij Beschikking N 9/05 en N 10/05 goedgekeurd.
(*1) In deze kosten zijn de laboratoriumkosten, de kosten van de dierenartsen die de analyses namens de overheid uitvoeren, alsook de kosten van de kits voor de monsterneming inbegrepen.
(24) PB L 325 van 28.10.2004, blz. 4.
(25) Bron: www.birb.be
(26) Belgisch Staatsblad van 18.2.2000, blz. 5053.
(27) Zie artikel 10 van de wet van 4 februari 2000.
(28) BS van 24.3.1954, blz. 2210.
(29) Zie met name overweging 23 van Beschikking N 9/05 en N 10/05, waarin staat dat de Commissie steeds van mening is geweest dat financiering door de staat van de kosten van verplichte controles die direct verband houden met de productie of de afzet van een product, een selectief voordeel is voor deze ondernemingen.
(30) Zie de TSE-richtsnoeren, bijvoorbeeld de punten 7 en 12.
(31) België was in 2004 goed voor 2,1 % van de landbouwproductie in de EU (bron: Landbouw in de EU — Statistische en economische informatie 2005).
(32) Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie wijst verbetering van de concurrentiepositie van een onderneming door toekenning van staatssteun in het algemeen op verstoring van de concurrentie ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in dezelfde sector die niet dergelijke steun ontvangen (arrest van het Hof van 17 september 1980 in zaak 730/79, Philip Morris Holland BV/Commissie, Jurispr. blz. 2671 punten 11 en 12).
(33) Arrest van het Hof van 13 januari 2005 in zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant/Staatssecretaris van Financiën, Jurispr. blz. I-85, punt 25.
(34) Arrest Streekgewest, reeds aangehaald, punt 26; arrest van het Hof van 27 oktober 2005 in de gevoegde zaken C-266/04 tot C-270/04, C-276/04 en C-321/04 tot C-325/04, Nazairdis SAS e.a./Caisse nationale de l'organisation autonome d'assurance vieillesse des travailleurs non salariés des professions industrielles et commerciales (Organic), Jurispr. blz. I-9481, punten 46 t/m 49.
(35) Arrest van het Hof van 15 juni 2006 in de gevoegde zaken C-393/04 en C 41/05, Air Liquide/Ville de Seraing et Province de Liège, Jurispr. blz. I-5293, punt 46; arrest Streekgewest, reeds aangehaald, punt 28
(36) Arrest van het Hof van 25 juni 1970 in zaak 47/69, Frankrijk/Commissie, Jurispr. blz. 487, punten 17, 20 en 21.
(37) Zie overweging 100 en volgende van Beschikking N 9/05 en N 10/05.
(39) PB C 119 van 22.5.2002 blz. 22.
(40) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(41) Zie punt 194, onder c), van de landbouwrichtsnoeren 2007-2013.
(42) PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58.
(43) Zie Verordening (EG) nr. 999/2001.
(44) Arrest van het Hof van 4 april 1995 in zaak. C-348/93, Commissie/Italië, Jurispr. blz. I-673, punt. 27.
(45) Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999.