ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.243.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 243

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
21 september 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/620/EU

 

*

Besluit van de Raad van 12 juli 2011 betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen

1

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 934/2011 van de Commissie van 20 september 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

2

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 935/2011 van de Commissie van 20 september 2011 met betrekking tot invoercertificaten waarvoor de aanvragen in de eerste 7 dagen van september 2011 zijn ingediend in het kader van het tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit, dat wordt beheerd bij Verordening (EG) nr. 620/2009

4

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 936/2011 van de Commissie van 20 september 2011 houdende vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van invoercertificaten die in de periode van 1 tot en met 7 september 2011 zijn aangevraagd voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en houdende schorsing van de indiening van de certificaataanvragen

5

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/78/EU van de Commissie van 20 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14, stam AM65-52, als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

7

 

*

Richtlijn 2011/79/EU van de Commissie van 20 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde fipronil als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

10

 

*

Richtlijn 2011/80/EU van de Commissie van 20 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde lambda-cyhalothrin als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

13

 

*

Richtlijn 2011/81/EU van de Commissie van 20 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde deltamethrin als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

16

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2011/621/GBVB van de Raad van 21 september 2011 tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie bij de Afrikaanse Unie

19

 

 

AANBEVELINGEN

 

 

2011/622/EU

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 20 september 2011 betreffende de procedure om aan te tonen in welke mate bestaande spoorlijnen voldoen aan de fundamentele parameters van de technische specificaties inzake interoperabiliteit ( 1 )

23

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 12 juli 2011

betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen

(2011/620/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft namens de Unie onderhandeld over een Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen („de overeenkomst”).

(2)

De overeenkomst zal de wederzijdse bescherming van de geografische aanduidingen van de respectieve partijen mogelijk maken en bijdragen tot de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de buurlanden van de EU.

(3)

De overeenkomst dient te worden ondertekend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt een machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen, onder voorbehoud van de sluiting van genoemde overeenkomst (1).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon/personen aan te wijzen die bevoegd is/zijn om de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

J. VINCENT-ROSTOWSKI


(1)  De tekst van de overeenkomst zal samen met het besluit betreffende de sluiting ervan worden bekendgemaakt.


VERORDENINGEN

21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/2


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 934/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 september 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

EC

23,1

MK

31,3

XS

31,8

ZZ

28,7

0707 00 05

TR

106,2

ZZ

106,2

0709 90 70

TR

103,0

ZZ

103,0

0805 50 10

AR

69,0

CL

80,1

UY

66,0

ZA

81,5

ZZ

74,2

0806 10 10

CL

79,6

EG

116,3

MK

85,4

TR

109,4

US

271,3

ZA

63,5

ZZ

120,9

0808 10 80

AR

148,7

CL

154,0

CN

82,6

NZ

118,4

US

123,7

ZA

108,7

ZZ

122,7

0808 20 50

AR

217,1

CN

81,9

TR

116,8

ZA

162,6

ZZ

144,6

0809 30

TR

147,1

ZZ

147,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 935/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

met betrekking tot invoercertificaten waarvoor de aanvragen in de eerste 7 dagen van september 2011 zijn ingediend in het kader van het tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit, dat wordt beheerd bij Verordening (EG) nr. 620/2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 620/2009 van de Commissie van 13 juli 2009 tot vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit (3) zijn voorschriften vastgesteld voor het indienen van invoercertificaataanvragen en het afgeven van invoercertificaten.

(2)

In artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 is bepaald dat, in het geval dat certificaataanvragen zijn ingediend voor een grotere hoeveelheid dan die welke beschikbaar is voor de invoertariefcontingentsperiode of de deelperiode daarvan, een toewijzingscoëfficiënt moet worden vastgesteld voor elk van de hoeveelheden waarvoor een certificaataanvraag is ingediend. De invoercertificaataanvragen die op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 620/2009 zijn ingediend tussen 1 en 7 september 2011 hebben betrekking op een grotere dan de beschikbare hoeveelheid. Derhalve moet worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven en moet de toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen voor het contingent met volgnummer 09.4449 die in de periode van 1 en 7 september 2011 zijn ingediend overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 620/2009, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 0,465148 %.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)   PB L 182 van 15.7.2009, blz. 25.


21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 936/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

houdende vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van invoercertificaten die in de periode van 1 tot en met 7 september 2011 zijn aangevraagd voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en houdende schorsing van de indiening van de certificaataanvragen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Gezien Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (3), en met name artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De hoeveelheden waarop de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009 in de periode van 1 tot en met 7 september 2011 bij de bevoegde autoriteiten ingediende invoercertificaataanvragen betrekking hebben, zijn groter dan de onder volgnummer 09.4380 beschikbare hoeveelheden.

(2)

Derhalve dient overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1301/2006 een toewijzingscoëfficiënt te worden vastgesteld aan de hand waarvan certificaten voor volgnummer 09.4380 kunnen worden afgegeven. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009 dient de indiening van nieuwe aanvragen van certificaten voor dat volgnummer te worden geschorst tot het einde van het verkoopseizoen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Op de hoeveelheden waarvoor in het kader van Verordening (EG) nr. 891/2009 invoercertificaataanvragen zijn ingediend in de periode van 1 tot en met 7 september 2011, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.

2.   De indiening van nieuwe certificaataanvragen voor de in de bijlage vermelde volgnummers wordt geschorst tot het einde van het verkoopseizoen 2010/11.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)   PB L 254 van 26.9.2009, blz. 82.


BIJLAGE

SUIKER CXL-concessies

Verkoopseizoen 2010/2011

In de periode van 1.9.2011 tot en met 7.9.2011 ingediende aanvragen

Volgnr.

Land

Toewijzingscoëfficiënt

(%)

Nieuwe aanvragen

09.4317

Australië

Geschorst

09.4318

Brazilië

 

09.4319

Cuba

Geschorst

09.4320

Andere derde landen

Geschorst

09.4321

India

Geschorst

Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.


Balkansuiker

Verkoopseizoen 2010/2011

In de periode van 1.9.2011 tot en met 7.9.2011 ingediende aanvragen

Volgnr.

Land

Toewijzingscoëfficiënt

(%)

Nieuwe aanvragen

09.4324

Albanië

 

09.4325

Bosnië en Herzegovina

Geschorst

09.4326

Servië

 

09.4327

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

 

09.4328

Kroatië

 

Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.


Suiker voor uitzonderlijke en suiker voor industriële invoer

Verkoopseizoen 2010/2011

In de periode van 1.9.2011 tot en met 7.9.2011 ingediende aanvragen

Volgnr.

Type invoer

Toewijzingscoëfficiënt

(%)

Nieuwe aanvragen

09.4380

Uitzonderlijke invoer

20,0133

Geschorst

09.4390

Industriële invoer

 

Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.


RICHTLIJNEN

21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/7


RICHTLIJN 2011/78/EU VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14, stam AM65-52, als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14 is in die lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is stam AM65-52 van Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14 overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn. De beoordeling van stam SA3A van Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14 voor gebruik in die productsoort is nog niet afgerond.

(3)

Italië is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 11 juli 2008 het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 6 mei 2011 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de beoordelingen blijkt dat van als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen gebruikte biociden die stam AM65-52 van Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14 bevatten, kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14, stam AM65-52, in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen.

(6)

Niet alle mogelijke toepassingen zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Daarom is het passend dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

(7)

Gezien de vastgestelde mogelijke risico’s bij beroepsmatig gebruik zonder persoonlijke beschermingsmiddelen is het passend te bepalen dat toelatingen van het product voor beroepsmatig gebruik alleen worden verleend voor gebruik met afdoende persoonlijke beschermingsmiddelen, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s voor de beroepsmatige gebruiker op een andere wijze tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gereduceerd.

(8)

Gezien de mogelijkheid van indirecte blootstelling van de mens door de consumptie van levensmiddelen ten gevolge van toepassingen die in het kader van de beoordeling zijn onderzocht, is het passend te bepalen dat in voorkomend geval moet worden nagegaan of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4). Er dienen maatregelen te worden aangenomen om te garanderen dat de geldende maximumgehalten aan residuen niet worden overschreden.

(9)

De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden die als werkzame stof stam AM65-52 van Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14 bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(10)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit met zich meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), punt ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(11)

Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG.

(12)

Richtlijn 98/8/EG moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1)   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 september 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 oktober 2013.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2)   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)   PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.

(3)   PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(4)   PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.


BIJLAGE

Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheid van de werkzame stof in het biocide zoals het op de markt wordt gebracht

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 (behalve voor producten die meer dan één werkzame stof bevatten; in dat geval is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die wordt vastgesteld in het laatste besluit voor de opneming van de werkzame stoffen daarvan)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (*1)

„46

Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14, stam AM65-52

n.v.t.

Geen relevante onzuiverheden

1 oktober 2013

30 september 2015

30 september 2023

18

Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen.

Voor beroepsmatig gebruik toegelaten producten moeten met afdoende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product wordt aangetoond dat de risico’s voor de beroepsmatige gebruiker op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

Voor producten die Bacillus thuringiensis subsp. israelensis serotype H14, stam AM65-52, bevatten waarvan residuen kunnen achterblijven in levensmiddelen of diervoeders, gaan de lidstaten na of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL’s) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 of Verordening (EG) nr. 396/2005 en nemen zij de nodige risicobeperkende maatregelen om te garanderen dat de geldende MRL’s niet worden overschreden.”


(*1)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm.


21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/10


RICHTLIJN 2011/79/EU VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde fipronil als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Fipronil is in die lijst opgenomen voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is fipronil overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18.

(3)

Frankrijk is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 6 februari 2009 het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 6 mei 2011 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de beoordelingen blijkt dat van als insecticiden gebruikte biociden die fipronil bevatten, kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet fipronil in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen.

(6)

Niet alle mogelijke toepassingen zijn aan bod gekomen bij de beoordeling op het niveau van de Unie, die alleen betrekking had op beroepsmatig gebruik binnenshuis waarbij het product wordt aangebracht op plaatsen die voor mensen en huisdieren na het aanbrengen normaliter onbereikbaar zijn. Daarom is het passend voor te schrijven dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

(7)

De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden die als werkzame stof fipronil bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(8)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit met zich meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(9)

Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG.

(10)

Richtlijn 98/8/EG moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 september 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 oktober 2013.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)   PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.


BIJLAGE

Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheid van de werkzame stof in het biocide zoals het op de markt wordt gebracht

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 (behalve voor producten die meer dan één werkzame stof bevatten; in dat geval is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die wordt vastgesteld in het laatste besluit voor de opneming van de werkzame stoffen daarvan)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (*1)

„47

fipronil

(±)-5-amino-1-(2,6-dichloor-α,α,α,-trifluor-p-tolyl)-4-trifluormethylsulfinylpyrazool-3-carbonitril (1:1)

EC-nr.: 424-610-5

CAS-nr.: 120068-37-3

950  g/kg

1 oktober 2013

30 september 2015

30 september 2023

18

Bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie is alleen gekeken naar beroepsmatig gebruik binnenshuis waarbij het product wordt aangebracht op plaatsen die na het aanbrengen normaliter onbereikbaar zijn voor mensen en huisdieren. Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen.”


(*1)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm


21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/13


RICHTLIJN 2011/80/EU VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde lambda-cyhalothrin als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Lambda-cyhalothrin is in die lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is lambda-cyhalothrin overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn.

(3)

Zweden is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 8 september 2008 het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 6 mei 2011 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de beoordelingen blijkt dat van als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen gebruikte biociden die lambda-cyhalothrin bevatten, kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet lambda-cyhalothrin in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen.

(6)

Niet alle mogelijke toepassingen zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Daarom is het passend dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

(7)

Gezien de vastgestelde risico’s voor het aquatische en het terrestrische ecosysteem wanneer geëmitteerde producten in afvalwaterzuiveringsinstallaties terechtkomen, is het passend te bepalen dat producten niet worden toegelaten voor toepassingen die in dergelijke emissies resulteren, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van zowel artikel 5 als bijlage VI van Richtlijn 98/8/EG zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen.

(8)

Gezien de vastgestelde risico’s bij beroepsmatig gebruik zonder persoonlijke beschermingsmiddelen is het passend te bepalen dat toelatingen van het product voor beroepsmatig gebruik alleen worden verleend voor gebruik met afdoende persoonlijke beschermingsmiddelen, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s voor de beroepsmatige gebruiker op een andere wijze tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gereduceerd.

(9)

Gezien de mogelijkheid van indirecte blootstelling van de mens door de consumptie van levensmiddelen ten gevolge van toepassingen die in het kader van de beoordeling zijn onderzocht, is het passend te bepalen dat in voorkomend geval moet worden nagegaan of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4). Er dienen maatregelen te worden aangenomen om te garanderen dat de geldende maximumgehalten aan residuen niet worden overschreden.

(10)

De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden die als werkzame stof lambda-cyhalothrin bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(11)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit met zich meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), punt ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(12)

Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG.

(13)

Richtlijn 98/8/EG moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1)   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 september 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 oktober 2013.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2)   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)   PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.

(3)   PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(4)   PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.


BIJLAGE

Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheid van de werkzame stof in het biocide zoals het op de markt wordt gebracht

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 (behalve voor producten die meer dan één werkzame stof bevatten; in dat geval is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die wordt vastgesteld in het laatste besluit voor de opneming van de werkzame stoffen daarvan)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (*1)

„48

lambda-cyhalothrin

Mengsel (1:1) van (R)-α-cyaan-3-fenoxybenzyl-(1S,3S)-3-[(Z)-2-chloor-3,3,3-trifluorpropenyl]-2,2-dimethylcyclopropaancarboxylaat en (S)-α-cyaan-3-fenoxybenzyl-(1R,3R)-3-[(Z)-2-chloor-3,3,3-trifluorpropenyl]-2,2-dimethylcyclopropaancarboxylaat

CAS-nr.: 91465-08-6

EC-nr.: 415-130-7

900  g/kg

1 oktober 2013

30 september 2015

30 september 2023

18

Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen.

Producten die op zodanige wijze worden gebruikt dat emissies naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie niet kunnen worden vermeden, worden niet toegelaten, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen.

Voor beroepsmatig gebruik toegelaten producten moeten met afdoende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product wordt aangetoond dat de risico’s voor de beroepsmatige gebruiker op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

Voor producten die lambda-cyhalothrin bevatten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, gaan de lidstaten na of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL’s) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 of Verordening (EG) nr. 396/2005 en nemen zij de nodige risicobeperkende maatregelen om te garanderen dat de geldende MRL’s niet worden overschreden.”


(*1)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm.


21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/16


RICHTLIJN 2011/81/EU VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde deltamethrin als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Deltamethrin is in die lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is deltamethrin overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn.

(3)

Zweden is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 27 juni 2008 het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 6 mei 2011 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de beoordelingen blijkt dat van als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen gebruikte biociden die deltamethrin bevatten, kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet deltamethrin in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen.

(6)

Niet alle mogelijke toepassingen zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Daarom is het passend dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

(7)

Gezien de vastgestelde risico’s voor het aquatische ecosysteem wanneer producten worden gebruikt voor het creëren van afschermende barrières binnenshuis, met emissies van een zekere omvang naar afvalwaterzuiveringsinstallaties als gevolg, is het passend te bepalen dat producten niet worden toegelaten voor toepassingen die in dergelijke emissies resulteren, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van zowel artikel 5 als bijlage VI van Richtlijn 98/8/EG zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen.

(8)

De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden die als werkzame stof deltamethrin bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(9)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit met zich meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(10)

Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG.

(11)

Richtlijn 98/8/EG moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 september 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 oktober 2013.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)   PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.


BIJLAGE

Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheid van de werkzame stof in het biocide zoals het op de markt wordt gebracht

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 (behalve voor producten die meer dan één werkzame stof bevatten; in dat geval is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die wordt vastgesteld in het laatste besluit voor de opneming van de werkzame stoffen daarvan)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (*1)

„49

Deltamethrin

(S)-α-cyaan-3-fenoxybenzyl-(1R,3R)-3-(2,2-dibroomvinyl)-2,2-dimethylcyclopropaancarboxylaat

CAS-nr.: 52918-63-5

EC-nr.: 258-256-6

985  g/kg

1 oktober 2013

30 september 2015

30 september 2023

18

Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen.

Producten worden niet toegelaten voor toepassingen binnenshuis die in emissies naar afvalwaterzuiveringsinstallaties resulteren waarvan de omvang bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie als onaanvaardbaar risico is aangemerkt, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen.”


(*1)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm


BESLUITEN

21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/19


BESLUIT 2011/621/GBVB VAN DE RAAD

van 21 september 2011

tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie bij de Afrikaanse Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, artikel 31, lid 2, en artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 6 december 2007 Gemeenschappelijk Optreden 2007/805/GBVB (1) vastgesteld houdende benoeming van de heer Koen VERVAEKE tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie ("SVEU") bij de Afrikaanse Unie ("AU"). Zijn huidige mandaat is op 31 augustus 2011 afgelopen.

(2)

Het mandaat van de SVEU moet daarom worden verlengd van 1 september 2011 tot en met 30 juni 2012.

(3)

De SVEU zal zijn mandaat uitvoeren in een mogelijkerwijs verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als neergelegd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie

Het mandaat van de heer Koen VERVAEKE als SVEU bij de AU wordt verlengd tot en met 30 juni 2012. Het mandaat van de SVEU kan eerder worden beëindigd indien de Raad daartoe op voorstel van de hoge vertegenwoordiger ("HV") besluit.

Artikel 2

Beleidsdoelstellingen

Het mandaat van de SVEU is gebaseerd op de alomvattende beleidsdoelstellingen van de EU ter ondersteuning van de Afrikaanse inspanningen om een vreedzame, democratische en welvarende toekomst op te bouwen, zoals beschreven in de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU. Deze doelstellingen omvatten:

a)

het verbeteren van de politieke dialoog van de EU en verder uitbouwen van de betrekkingen met de AU;

b)

het versterken van het partnerschap tussen de EU en de AU op alle gebieden die in de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU zijn omschreven, en daarmee bijdragen tot de ontwikkeling en uitvoering van die strategie in partnerschap met de AU, zulks met inachtneming van het beginsel van de Afrikaanse eigen verantwoordelijkheid en in nauwere samenwerking met vertegenwoordigers van Afrika op multilaterale fora in coördinatie met de multilaterale partners;

c)

het samenwerken met en steun verlenen aan de AU door institutionele ontwikkeling te ondersteunen en de betrekkingen tussen de instellingen van de EU en de AU te intensiveren, onder meer via ontwikkelingsbijstand, zulks ter bevordering van:

vrede en veiligheid: voorspellen, voorkomen, beheersen van, bemiddelen bij, en oplossen van conflicten, ondersteunen van inspanningen ter bevordering van vrede en stabiliteit, ondersteunen van de wederopbouw na conflicten;

mensenrechten en bestuur: bevorderen en beschermen van de mensenrechten; bevorderen van de fundamentele vrijheden en het eerbiedigen van de rechtsstaat; via de politieke dialoog en financiële en technische bijstand de Afrikaanse inspanningen ter bewaking en verbetering van goed bestuur ondersteunen; de versterking van participatieve democratie en van verantwoordingsplicht ondersteunen; de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad ondersteunen en de inspanningen om alle aspecten van het vraagstuk van kinderen en gewapende conflicten aan te pakken, blijven bevorderen;

duurzame groei, regionale integratie en handel: de inspanningen die gericht zijn op interconnectiviteit ondersteunen en de toegang van de bevolking tot water en sanitaire voorzieningen, energie en informatietechnologie vergemakkelijken; een stabiel, efficiënt en geharmoniseerd wettelijk kader voor het bedrijfsleven bevorderen; Afrika helpen zich in het wereldhandelssysteem te integreren; de Afrikaanse landen helpen de EU-regels en -normen na te leven; Afrika helpen bij de bestrijding van de gevolgen van klimaatverandering;

investeren in mensen: inspanningen op het gebied van gender, gezondheid, voedselzekerheid en onderwijs ondersteunen, uitwisselingsprogramma's, netwerken van universiteiten en excellentiecentra bevorderen, de diepere oorzaken van migratie aanpakken.

Voorts zal de EUSR een toonaangevende rol spelen bij de uitvoering van de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU die gericht is op verdere ontwikkeling en consolidatie van het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU.

Artikel 3

Mandaat

Het mandaat van de SVEU, dat erop gericht is de aspecten van het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)/Gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) uit te voeren die verband houden met de in artikel 2 genoemde doelstellingen, omvat het volgende:

a)

vergroten van de algemene invloed van de EU in, en coördineren van de dialoog met de AU en de AU-Commissie in Addis Abeba over het hele scala aan GBVB/GVDB-kwesties die vallen onder de betrekkingen tussen de EU en de AU, in het bijzonder het partnerschap voor vrede en veiligheid, en het operationeel worden van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsstructuur ondersteunen;

b)

zorgen voor een passend niveau van politieke vertegenwoordiging waarin zowel het belang van de EU als partner van de AU op politiek, financieel en institutioneel vlak als de vereiste koerswijziging in dat partnerschap als gevolg van het groeiend politiek profiel van de AU op wereldvlak tot uitdrukking komen;

c)

mocht de Raad daartoe besluiten, de standpunten en beleidsinitiatieven van de EU vertegenwoordigen wanneer de AU een belangrijke rol speelt in een crisissituatie waarvoor geen SVEU is aangesteld;

d)

helpen om meer samenhang, consistentie en coördinatie te brengen in beleidsinitiatieven en -maatregelen van de EU ten aanzien van de AU, en bijdragen aan de versterking van de coördinatie van de partnergroep in ruimere zin en haar betrekkingen met de AU;

e)

bijdragen aan de uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de EU voor zover dat relevant is voor de AU, met inbegrip van de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten, in het bijzonder de richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten alsook inzake geweld tegen en uitbanning van discriminatie van vrouwen en meisjes en het beleid van de EU betreffende vrouwen, vrede en veiligheid;

f)

alle relevante ontwikkelingen op AU-niveau op de voet volgen en daarover verslag uitbrengen;

g)

nauwe contacten onderhouden met de AU-Commissie, de andere AU-organen, en de missies van de Afrikaanse subregionale organisaties en die van de AU-lidstaten bij de AU;

h)

de betrekkingen en de samenwerking tussen de AU en de Afrikaanse subregionale organisaties faciliteren, met name op gebieden waarop de EU steun verleent;

i)

desgevraagd advies en steun verlenen aan de AU op de in de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU beschreven gebieden;

j)

desgevraagd advies en steun verlenen bij de opbouw van de crisisbeheersingscapaciteit van de AU;

k)

handelen in samenspraak met en ter ondersteuning van SVEU's met een mandaat in lidstaten of regio's van de AU, op basis van een duidelijke taakverdeling; en

l)

nauwe contacten onderhouden en de coördinatie bevorderen met belangrijke internationale partners van de AU die in Addis Abeba aanwezig zijn, in het bijzonder met de Verenigde Naties, maar ook met niet-overheidsactoren, betreffende het hele scala aan GBVB/GVDB-kwesties die vallen onder het partnerschap tussen de EU en de AU.

Artikel 4

Uitvoering van het mandaat

1.   De SVEU is onder het gezag van de HV belast met de uitvoering van het mandaat.

2.   Het Politiek en Veiligheidscomité ("PVC") onderhoudt een bevoorrechte relatie met de SVEU en vormt het eerste contactpunt van de SVEU met de Raad. Onverminderd de bevoegdheden van de HV zorgt het PVC binnen het kader van het mandaat voor strategische aansturing en politieke leiding ten behoeve van de SVEU.

3.   De SVEU werkt nauw samen met de Europese Dienst voor extern optreden ("EDEO").

Artikel 5

Financiering

1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de kosten in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 september 2011 tot en met 30 juni 2012 beloopt 715 000 EUR.

2.   De uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.

3.   Voor het uitgavenbeheer wordt een overeenkomst gesloten tussen de SVEU en de Commissie. De SVEU legt voor alle uitgaven verantwoording af aan de Commissie.

Artikel 6

Vorming en samenstelling van het team

1.   Binnen de grenzen van zijn mandaat en de daartoe vrijgemaakte financiële middelen is de SVEU belast met de samenstelling van zijn team. In het team dient de voor het mandaat vereiste deskundigheid inzake specifieke beleidsvraagstukken aanwezig te zijn. De SVEU brengt de Raad en de Commissie onmiddellijk op de hoogte van de samenstelling van zijn team.

2.   De lidstaten, de instellingen van de Unie en de EDEO kunnen voorstellen personeel te detacheren bij de SVEU. De bezoldiging van deze gedetacheerde personeelsleden komt ten laste van respectievelijk de betrokken lidstaat, de betrokken instelling of de EDEO. Deskundigen die door de lidstaten bij de instellingen van de Unie of de EDEO zijn gedetacheerd, kunnen eveneens aan de SVEU worden toegewezen. Internationaal aangeworven personeel moet de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben.

3.   Al het gedetacheerde personeel blijft onder het administratieve gezag van de detacherende lidstaat, van de instelling van de Unie of van de EDEO, en voert zijn taken uit en handelt in het belang van het mandaat van de SVEU.

Artikel 7

Voorrechten en immuniteiten van de SVEU en zijn personeel

De voorrechten, immuniteiten en andere garanties die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het goede verloop van de missie van de SVEU en van zijn medewerkers, worden met de ontvangende partij(en) naargelang het geval overeengekomen. De lidstaten en de Commissie verlenen daartoe alle nodige steun.

Artikel 8

Beveiliging van gerubriceerde EU-informatie

De SVEU en de leden van het personeel van de SVEU leven de beginselen en minimumnormen inzake beveiliging na die zijn vastgelegd in Besluit 2011/292/EU van de Raad van 31 maart 2011 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (2).

Artikel 9

Toegang tot informatie en logistieke steun

1.   De lidstaten, de Commissie en het secretariaat-generaal van de Raad zorgen ervoor dat de SVEU toegang krijgt tot alle relevante informatie.

2.   De delegaties van de Unie en/of de lidstaten, naargelang van het geval, verlenen logistieke steun in de regio.

Artikel 10

Veiligheid

Overeenkomstig het beleid van de Unie inzake de veiligheid van personeel dat op grond van titel V van het Verdrag wordt ingezet in operaties buiten de Unie, neemt de SVEU alle redelijkerwijs haalbare maatregelen voor de beveiliging van het personeel dat rechtstreeks onder zijn gezag staat, in overeenstemming met zijn mandaat en de veiligheidssituatie in het gebied waarvoor hij bevoegd is; met name:

a)

stelt hij een missiespecifiek veiligheidsplan op, dat missiespecifieke materiële, organisatorische en procedurele beveiligingsmaatregelen voor het beheer van personeelsbewegingen naar en binnen het missiegebied, het beheer van veiligheidsincidenten en een noodplan en een evacuatieplan voor de missie behelst;

b)

zorgt hij ervoor dat alle buiten de Unie ingezette personeelsleden gedekt zijn door een op de omstandigheden in het missiegebied afgestemde verzekering tegen grote risico's;

c)

zorgt hij ervoor dat alle buiten de Europese Unie ingezette leden van zijn team, ook het ter plaatse aangeworven personeel, voor of bij aankomst in het missiegebied een passende beveiligingsopleiding hebben genoten waarvan de inhoud is bepaald op basis van de risicoklasse waarin het missiegebied is ingedeeld;

d)

zorgt hij ervoor dat alle naar aanleiding van geregelde beveiligingsbeoordelingen overeengekomen aanbevelingen worden opgevolgd, en brengt hij aan de Raad, de Commissie en de HV schriftelijk verslag uit over de uitvoering daarvan en over andere veiligheidskwesties, in het kader van zijn tussentijds verslag en zijn verslag over de uitvoering van het mandaat.

Artikel 11

Rapportage

De SVEU brengt geregeld mondeling en schriftelijk verslag uit aan de HV en aan het PVC. De SVEU brengt zo nodig tevens verslag uit aan de werkgroepen van de Raad. De geregelde schriftelijke verslagen worden verspreid via het COREU-netwerk. Op aanbeveling van de HV of het PVC kan de SVEU ook verslag uitbrengen aan de Raad Buitenlandse Zaken.

Artikel 12

Coördinatie

1.   De SVEU bevordert de algehele politieke coördinatie van de Unie. Hij helpt ervoor te zorgen dat alle instrumenten van de Unie ter plaatse op coherente wijze worden ingezet om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken. Daartoe worden de activiteiten van de SVEU gecoördineerd met die van de Commissie, en in voorkomend geval met die van de andere SVEU's die actief zijn in de regio. De SVEU brengt regelmatig verslag uit aan de missies van de lidstaten en aan de delegaties van de Unie.

2.   Ter plaatse worden nauwe contacten onderhouden met de hoofden van de delegaties van de Unie en de missiehoofden van de lidstaten, die alles doen wat in hun vermogen ligt om de SVEU bij te staan in de uitvoering van zijn mandaat. De SVEU onderhoudt eveneens contacten met andere internationale en regionale actoren ter plaatse.

Artikel 13

Toetsing

De uitvoering van dit besluit en de samenhang ervan met andere bijdragen van de Unie in de regio worden op gezette tijden getoetst. De SVEU legt de Raad, de Commissie en de HV eind januari 2012 een voortgangsverslag, en aan het eind van zijn mandaat een uitvoerig verslag over de uitvoering van het mandaat voor.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 september 2011.

Gedaan te Brussel, 21 september 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. SAWICKI


(1)   PB L 323 van 8.12.2007, blz. 45.

(2)   PB L 141 van 27.5.2011, blz. 17.


AANBEVELINGEN

21.9.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/23


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2011

betreffende de procedure om aan te tonen in welke mate bestaande spoorlijnen voldoen aan de fundamentele parameters van de technische specificaties inzake interoperabiliteit

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/622/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

Volgens punt 7.3.4 van de bijlage bij Besluit 2011/275/EU van de Commissie van 26 april 2011 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „infrastructuur” van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (1) zijn sommige bestaande lijnen die niet worden verbeterd of vernieuwd, geschikt voor TSI-conforme voertuigen en voldoen zij aan de fundamentele eisen van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (2). In dergelijke gevallen moet de infrastructuurbeheerder het infrastructuurregister kunnen aanvullen overeenkomstig bijlage D bij Besluit 2011/275/EU. Er dient een gemeenschappelijke procedure te worden aanbevolen om aan te tonen in welke mate bestaande lijnen voldoen aan de fundamentele parameters van de bij Besluit 2011/275/EU vastgestelde TSI.

BEVEELT AAN:

De in de bijlage vastgestelde procedure dient te worden toegepast om aan te tonen in welke mate bestaande vaste installaties in overeenstemming zijn met de fundamentele parameters van de technische specificaties inzake interoperabiliteit.

Gedaan te Brussel, 20 september 2011.

Voor de Commissie

Siim KALLAS

Vicevoorzitter


(1)   PB L 126 van 14.5.2011, blz. 53.

(2)   PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1.


BIJLAGE

Procedure om aan te tonen in welke mate bestaande spoorlijnen voldoen aan de fundamentele parameters van de technische specificaties inzake interoperabiliteit

1.   Inleiding

1.1.   Technisch toepassingsgebied

Deze procedure heeft betrekking op de volgende subsystemen van structurele aard van het spoorwegsysteem in de Unie:

a)

infrastructuur, en

b)

energie

Deze subsystemen zijn opgenomen in de lijst van subsystemen van bijlage II, punt 1, bij Richtlijn 2008/57/EG.

1.2.   Geografisch toepassingsgebied

Het geografische toepassingsgebied van deze procedure is het spoorwegsysteem in de Unie als gedefinieerd in Richtlijn 2008/57/EG.

1.3.   Definities

Voor de toepassing van deze procedure wordt verstaan onder:

a)   „BI”: bestaande infrastructuur (vaste installaties) die vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 2008/57/EG in gebruik is genomen of lijnen die na de inwerkingtreding van Richtlijn 2008/57/EG in gebruik zijn genomen maar niet onder de EG-keuringsprocedure vallen;

b)   „beoordeling van de overeenstemming van de BI”: controle of de fundamentele parameters van een subsysteem en/of een onderdeel van bestaande lijnen aan de eisen van de ter zake geldende TSI's voldoet;

c)   „beoordelingscertificaat voor BI”: een document dat door een onafhankelijke beoordelaar is opgesteld op basis van een beoordeling van de overeenstemming van de BI;

d)   „beoordelingsverklaring voor BI”: het document dat door een aanvrager wordt verstrekt na de ontvangst van een beoordelingscertificaat voor de BI.

2.   Procedure om aan te tonen dat bestaande lijnen voldoen aan de technische specificaties inzake interoperabiliteit

2.1.   Doel

Volgens Besluit 2011/275/EU betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „infrastructuur” van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem zijn sommige bestaande lijnen die niet worden verbeterd of vernieuwd, geschikt voor TSI-conforme voertuigen en voldoen zij aan de fundamentele eisen van Richtlijn 2008/57/EG.

Om aan te tonen dat bestaande vaste installaties in overeenstemming zijn met de ter zake geldende TSI's kan de volgende procedure worden toegepast zonder dat een nieuwe toestemming voor de ingebruikneming is vereist.

Deze procedure is niet verplicht, maar kan op vrijwillige basis worden toegepast.

2.2.   Procedure om aan te tonen in welke mate voldaan wordt aan de fundamentele parameters van de TSI

1.   Om aan te tonen dat de infrastructuur aan de fundamentele parameters van de TSI voldoet, moet de procedure voor de beoordeling van de overeenstemming van BI worden gevolgd, waarbij de aanvrager de in de punten 2, 3, 5.2 en 5.4 vastgestelde verplichtingen in acht neemt en op zijn eigen verantwoordelijkheid verzekert en verklaart dat het betrokken subsysteem waarop de bepalingen van punt 4 zijn toegepast, in overeenstemming is met de eisen van de ter zake geldende TSI('s).

2.   De aanvrager vraagt een onafhankelijke beoordelaar naar keuze om de overeenstemming van het subsysteem te beoordelen.

De aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:

a)

naam en adres van de aanvrager en, indien de aanvraag wordt ingediend door zijn gemachtigde, ook diens naam en adres;

b)

de technische documentatie.

3.   Technische documentatie

3.1.

De aanvrager stelt de technische documentatie op en stelt ze ter beschikking van de onafhankelijke beoordelaar als bedoeld in punt 4. De documentatie moet het mogelijk maken aan te tonen in welke mate de bestaande subsystemen voldoen aan de fundamentele parameters van de ter zake geldende TSI('s).

3.2.

De technische documentatie bevat, indien van toepassing, de volgende elementen:

a)

een algemene beschrijving van het bestaande subsysteem;

b)

de documenten die nodig zijn voor de samenstelling van het technisch dossier;

c)

een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen en/of andere relevante technische specificaties waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt en/of van de overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/57/EG aangemelde nationale technische voorschriften, en indien de geharmoniseerde of nationale normen niet zijn toegepast, een beschrijving van de wijze waarop aan de eisen van de relevante TSI('s) is voldaan; wanneer de geharmoniseerde of nationale normen gedeeltelijk zijn toegepast, wordt in de technische documentatie gespecificeerd welke delen zijn toegepast;

d)

de gebruiksvoorwaarden van het subsysteem (tijd-, afstand- of slijtagegebonden beperkingen, enz.);

e)

de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om de werking en het onderhoud van het subsysteem te begrijpen;

f)

de onderhoudsvoorschriften en technische documentatie betreffende het onderhoud van het subsysteem;

g)

alle in de relevante TSI('s) gespecificeerde technische eisen waarmee bij het onderhoud of de exploitatie van het subsysteem rekening moet worden gehouden;

h)

andere relevante technische bewijsstukken die aantonen dat eerdere controles of tests onder vergelijkbare omstandigheden met goed gevolg zijn uitgevoerd door deskundige instanties.

3.3.

De aanvrager houdt de technische documentatie tijdens de volledige levensduur van het subsysteem ter beschikking van de relevante nationale autoriteiten.

4.   Procedure om aan te tonen in welke mate voldaan is aan de fundamentele parameters van de TSI

4.1.

De door de aanvrager gekozen onafhankelijke beoordelaar houdt rekening met de resultaten van onderzoeken, controles en tests die door de aanvrager of andere instanties zijn uitgevoerd.

4.2.

Het bewijsmateriaal dat de onafhankelijke beoordelaar verzameld heeft, moet geëigend en voldoende zijn om aan te tonen in welke mate voldaan is aan de eisen van de relevante TSI('s) en dat alle vereiste en geëigende controles en tests zijn uitgevoerd.

4.3.

Wanneer het bestaande subsysteem aan de eisen van de toepasselijke TSI('s) voldoet, verleent de onafhankelijke beoordelaar een beoordelingscertificaat voor BI.

5.   Beoordelingsverklaring voor BI

5.1.

De aanvrager stelt voor het subsysteem een schriftelijke beoordelingsverklaring op en bewaart deze gedurende de volledige levensduur van het subsysteem. In de beoordelingsverklaring voor BI wordt het subsysteem beschreven.

5.2.

De beoordelingsverklaring en de begeleidende documenten worden opgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2.5.

5.3.

Een afschrift van de beoordelingsverklaring van de BI wordt op verzoek aan de relevante autoriteiten verstrekt.

6.   Technisch dossier

6.1.

De onafhankelijke beoordelaar is verantwoordelijk voor de samenstelling van het technisch dossier dat de beoordelingsverklaring van de BI vergezelt.

6.2.

Het technisch dossier dat de beoordelingsverklaring van de BI vergezelt, wordt opgevraagd bij de aanvrager.

6.3.

De aanvrager bewaart gedurende de volledige levensduur van het subsysteem een exemplaar van het technisch dossier; dit dient te worden toegezonden aan elke andere lidstaat die daarom verzoekt.

2.3.   Te beoordelen eigenschappen

De eigenschappen die moeten worden beoordeeld bij de toepassing van de procedure om aan te tonen in welke mate aan de fundamentele parameters van de TSI is voldaan, zijn opgesomd in:

Tabel 1 voor het subsysteem infrastructuur van het conventionele spoorwegsysteem,

Tabel 2 voor het subsysteem energie van het conventionele spoorwegsysteem,

Tabel 3 voor het subsysteem infrastructuur van het hogesnelheidsspoorwegsysteem,

Tabel 4 voor het subsysteem energie van het hogesnelheidsspoorwegsysteem,

Tabel 1

Beoordeling van het subsysteem „infrastructuur” van het conventionele spoorwegsysteem om aan te tonen dat het bestaande subsysteem aan de eisen van de TSI voldoet

Te beoordelen eigenschappen (TSI CR INF)

Bestaande lijn waarvan geen EG-keuring plaatsvindt

Bijzondere keurings-procedures

(TSI CR INF)

1

2

Vrijeruimteprofiel (4.2.4.1)

X

6.2.4.1

Minimumspoorafstand (4.2.4.2)

X

6.2.4.2

Maximumhelling (4.2.4.3)

X

 

Minimumboogstraal voor bochten in horizontale alignementen (4.2.4.4)

X

 

Minimumboogstraal voor bochten in verticale alignementen (4.2.4.5)

X

 

Nominale spoorwijdte (4.2.5.1)

X

 

Verkanting (4.2.5.2)

X

 

Overgang van de verkanting (4.2.5.3)

X

 

Verkantingstekort (4.2.5.4)

X

6.2.4.3

Equivalente coniciteit (4.2.5.5.1) — ontwerpwaarde

n.v.t.

 

Equivalente coniciteit (4.2.5.5.2) — in bedrijf

Open punt

6.2.4.5

Spoorstaafkopprofielen voor hoofdspoor (4.2.5.6)

n.v.t.

 

Spoorstaafneiging (4.2.5.7)

X

 

Spoorbuigstijfheid (4.2.5.8)

n.v.t.

 

Vergrendeling (4.2.6.1)

X

 

Geometrie van wissels en kruisingen in bedrijf (4.2.6.2)

n.v.t.

 

Maximaal toegestane ongeleide opening van vaste kruisstukharten (4.2.6.3)

X

6.2.4.7

Weerstand van het spoor tegen verticale belasting (4.2.7.1)

X

6.2.5

Weerstand van het spoor tegen langskrachten (4.2.7.2)

X

6.2.5

Weerstand van het spoor tegen laterale krachten (4.2.7.3)

X

6.2.5

Weerstand van nieuwe bruggen tegen verkeersbelastingen (4.2.8.1)

n.v.t.

 

Verticale belasting van nieuwe beddingen en andere gronddrukeffecten (4.2.8.2)

n.v.t.

 

Weerstand van nieuwe kunstwerken over of naast de sporen (4.2.8.3)

n.v.t.

 

Weerstand van bestaande bruggen en beddingen tegen verkeersbelastingen (4.2.8.4)

X

6.2.4.9

Vaststelling van onmiddellijke actie-, interventie- en alarmgrenzen (4.2.9.1)

n.v.t.

 

Vaststelling van de scheluwtegrens waarbij onmiddellijke actie is vereist (4.2.9.2)

n.v.t.

 

Vaststelling van afwijking van de spoorwijdte waarbij onmiddellijke actie is vereist (4.2.9.3)

n.v.t.

 

Vaststelling van de verkantingsgrens waarbij onmiddellijke actie is vereist (4.2.9.4)

n.v.t.

 

Nuttige perronlengte (4.2.10.1)

X

 

Perronbreedte en -rand (4.2.10.2)

X

 

Perronkoppen (4.2.10.3)

X

 

Perronhoogte (4.2.10.4)

X

 

Perronoverstek (4.2.10.5)

X

 

Maximumdrukvariaties in tunnels (4.2.11.1)

X

6.2.4.6

Geluids- en trillingsdrempels en milderende maatregelen (4.2.11.2)

Open punt

 

Beveiliging tegen elektrische schokken (4.2.11.3)

Zie TSI ENE

 

Veiligheid in spoorwegtunnels (4.2.11.4)

Zie TSI SRT

 

Zijwindeffecten (4.2.11.5)

Open punt

 

Afstandmarkeringen (4.2.12.1)

X

 

Toiletledigingsinstallaties (4.2.13.2)

X

6.2.4.10

Wasstraten voor de reiniging van de buitenzijde (4.2.13.3)

X

6.2.4.10

Drinkwaterbevoorradingsinstallatie (4.2.13.4)

X

6.2.4.10

Brandstofbevoorrading (4.2.13.5)

X

6.2.4.10

Elektrische voeding (4.2.13.6)

X

6.2.4.10


Tabel 2

Beoordeling van het subsysteem „energie” van het conventionele spoorwegsysteem om aan dat het bestaande subsysteem aan de eisen van de TSI voldoet.

Te beoordelen eigenschappen (TSI CR ENE)

Bestaande lijn waarvan geen EG-keuring plaatsvindt

Bijzondere keurings-procedures

(TSI CR ENE)

1

2

Spanning en frequentie (4.2.3)

X

 

Parameters inzake prestaties systeem (4.2.4)

X

6.2.4.1

Continuïteit van de energievoorziening tijdens storingen in tunnels (4.2.5)

X

 

Stroomvoerend vermogen, gelijkstroomsystemen, stilstaande treinen (4.2.6)

X

 

Recuperatieremming (4.2.7)

X

6.2.4.2

Coördinatie van elektrische beveiliging (4.2.8)

X

6.2.4.3

Harmonische en dynamische effecten voor wisselstroomsystemen (4.2.9)

X

6.2.4.4

Geometrie van de bovenleiding: rijdraadhoogte (4.2.13.1)

X

 

Geometrie van de bovenleiding: variatie in rijdraadhoogte (4.2.13.2)

X

 

Geometrie van de bovenleiding: zijdelingse afwijking (4.2.13.3)

X

 

Omgrenzingsprofiel stroomafnemers (4.2.14)

X

 

Gemiddelde opdrukkracht (4.2.15)

X

 

Dynamisch gedrag stroomafnemers en kwaliteit stroomafname (4.2.16)

X

6.1.4.1, 6.2.4.5

Tussenafstand stroomafnemers (4.2.17)

X

 

Rijdraadmateriaal (4.2.18)

X

 

Fasescheidingssecties (4.2.19)

X

 

Systeemscheidingssecties (4.2.20)

X

 

Beheer van energievoorziening bij gevaar (4.4.2.3)

X

 

Onderhoudsvoorschriften (4.5)

X

6.2.4.6

Beveiliging tegen elektrische schokken (4.7.2, 4.7.3, 4.7.4)

X

 


Tabel 3

Beoordeling van het subsysteem „infrastructuur” van het hogesnelheidsspoorwegsysteem om aan te tonen dat het bestaande subsysteem aan de eisen van de TSI voldoet.

Te beoordelen eigenschappen (TSI HS INF)

Bestaande lijn waarvan geen EG-keuring plaatsvindt

Bijzondere keurings-procedures

(TSI HS INF)

1

2

Nominale spoorwijdte (4.2.2)

X

 

Minimumprofiel van de infrastructuur (4.2.3)

X

6.2.6.1

Minimumspoorafstand (4.2.4)

X

 

Stijgende en dalende maximumhellingen (4.2.5)

X

 

Minimumboogstraal (4.2.6)

X

 

Spoorverkanting (4.2.7)

X

 

Verkantingstekort (4.2.8)

X

 

Equivalente coniciteit (ontwerpwaarde) (4.2.9.2)

n.v.t.

 

Minimumwaarden voor gemiddelde spoorwijdte (4.2.9.3.1)

n.v.t.

 

Kwaliteit van spoorgeometrie en beperkingen ten opzichte van afzonderlijke afwijkingen (4.2.10)

n.v.t.

 

Spoorstaafneiging (4.2.11),

X

6.2.6.4

Vergrendeling (4.2.12.1)

X

 

Beweegbare puntstukken (4.2.12.2)

X

 

Geometrische eigenschappen (4.2.12.3)

n.v.t.

 

Mechanische weerstand van het spoor (4.2.13)

X

 

Treinbelastingen op kunstwerken (4.2.14)

X

 

Algemene spoorbuigstijfheid (4.2.15)

Open punt

6.2.6.3

Maximumdrukvariaties in tunnels (4.2.16),

X

6.2.6.5

Zijwindeffecten (4.2.17)

X

 

Elektrische karakteristieken (4.2.18)

X

 

Geluid en trillingen (4.2.19)

n.v.t.

 

Toegang tot perrons (4.2.20.1)

X

 

Nuttige perronlengte (4.2.20.2)

X

 

Perronhoogte en afstand tot het hart van het spoor (4.2.20.4-5)

X

 

Sporenplan langs de perrons (4.2.20.6)

X

 

Het voorkomen van elektrische schokken op perrons (4.2.20.7)

Zie HS ENE

 

Toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit (4.2.20.8)

Zie TSI PRM

 

Brandveiligheid en veiligheid in spoorwegtunnels (4.2.21)

Zie TSI SRT

 

Toegang tot spoorinstallaties voor onbevoegden (4.2.22)

X

 

Vluchtpaden voor de ontruiming van treinstellen buiten de stations (4.2.23)

X

 

Lengte opstelspoor (4.2.25.1)

X

 

Opstelspoorhellingen (4.2.25.2)

X

 

Boogstralen (4.2.25.3)

X

 

Vaste installaties voor het onderhoud van treinen (4.2.26)

X

 


Tabel 4

Beoordeling van het subsysteem „energie” van het hogesnelheidsspoorwegsysteem om aan te tonen dat het bestaande subsysteem aan de eisen van de TSI voldoet.

Te beoordelen eigenschappen (TSI HS ENE)

Bestaande lijn waarvan geen EG-keuring plaatsvindt

Bijzondere keurings-procedures

(TSI HS ENE)

1

2

Spanning en frequentie (4.2.2)

X

 

Prestaties en geïnstalleerd vermogen (4.2.3)

X

 

Recuperatieremming (4.2.4)

X

 

Continuïteit van de stroomvoorziening tijdens storingen (4.2.7)

n.v.t.

 

Algemeen ontwerp en maatvoering van de bovenleiding (4.2.9)

X

 

Overeenkomst bovenleiding/infrastructuurprofiel (4.2.10)

X

 

Rijdraadmateriaal (4.2.11)

X

 

Golfsnelheid in de rijdraad (4.2.12)

n.v.t.

 

Statische opdrukkracht (4.2.14)

n.v.t.

 

Gemiddelde opdrukkracht (4.2.15)

X

 

Kwaliteit stroomafname (4.2.16)

X

4.2.16.2.1, 4.2.16.2.3

Verticale verplaatsing van het contactpunt (4.2.17)

X

 

Stroomvoerend vermogen van de bovenleiding (4.2.18)

X

 

Stroomvoerend vermogen bij stilstand (4.2.20)

X

 

Fasescheidingssecties (4.2.21)

X

 

Systeemscheidingssecties (4.2.22)

X

 

Coördinatie van elektrische beveiliging (4.2.23)

X

 

Harmonische en dynamische effecten (4.2.25)

n.v.t.

 

Beheer van energievoorziening bij gevaar (4.4.1)

X

 

Onderhoud - Verantwoordelijkheden fabrikant (4.5.1)

n.v.t.

 

Onderhoud — Verantwoordelijkheden infrastructuurbeheerder (4.5.2)

n.v.t.

 

Beveiliging tegen elektrische schokken (4.7.1, 4.7.2, 4.7.3)

X

 

2.4.   Eisen waaraan een onafhankelijke beoordelaar dient te voldoen

1.   Een door de aanvrager geselecteerde onafhankelijke beoordelaar stelt de beoordeling van de overeenstemming van de BI op. Een onafhankelijke beoordelaar kan een externe entiteit zijn of een interne afdeling van de infrastructuurbeheerder.

2.   Inzake spoorweginfrastructuur dient de onafhankelijke beoordelaar te beschikken over:

a)

een passende technische opleiding;

b)

voldoende kennis van de eisen die gesteld worden aan de beoordeling die hij opstelt en voldoende ervaring met de uitvoering van deze controles;

c)

de capaciteit om als formele neerslag van de uitgevoerde beoordeling een beoordelingscertificaat voor BI en technische documentatie op te stellen.

3.   Wanneer de onafhankelijke beoordelaar deel uitmaakt van de infrastructuurbeheerder, dient hij aan de volgende eisen te voldoen:

a)

de beoordelaar en zijn personeel zijn organisatorisch te onderscheiden en beschikken over rapportagemethoden die hun onpartijdigheid waarborgen;

b)

de beoordelaar, noch zijn personeel zijn verantwoordelijk voor de exploitatie of het onderhoud van de door hen beoordeelde producten en zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot hun beoordelingsactiviteiten in het gedrang kunnen brengen;

c)

de beoordelaar verleent zijn diensten uitsluitend aan de onderneming waarvan hij deel uitmaakt.

2.5.   Beoordelingsverklaring

1.   De beoordelingsverklaring voor BI en de begeleidende documenten moeten worden gedateerd en ondertekend.

2.   De verklaring wordt in dezelfde taal als die van het technisch dossier opgesteld en moet de volgende gegevens bevatten:

a)

de verwijzingen naar de procedure om aan te tonen dat bestaande lijnen aan de technische specificaties inzake interoperabiliteit voldoen;

b)

naam en adres van de aanvrager of zijn in de EU gevestigde gemachtigde (vermeld het de firmanaam en het volledige adres; in het geval van een gemachtigde, tevens de firmanaam van de aanvrager vermelden);

c)

een beknopte beschrijving van het subsysteem;

d)

naam en adres van de onafhankelijke beoordelaar die de beoordeling van de overeenstemming van de BI heeft uitgevoerd;

e)

de referenties van de documenten in het technische dossier;

f)

alle ter zake relevante voorlopige of definitieve bepalingen waaraan het subsysteem moet voldoen, met name, in voorkomend geval, exploitatiebeperkingen of -voorwaarden;

g)

indien tijdelijk, de geldigheidstermijn van de beoordelingsverklaring;

h)

de identiteit van de ondertekenaar.