ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.209.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 209

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
17 augustus 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/505/EU

 

*

Besluit van de Raad van 6 december 2010 betreffende het standpunt van de Europese Unie in het Gemengd Comité dat is opgericht bij Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, inzake de vervanging van bijlage II van die Overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 817/2011 van de Commissie van 11 augustus 2011 tot vaststelling van een verbod op de visserij op lom in het gebied EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

12

 

*

Verordening (EU) nr. 818/2011 van de Commissie van 11 augustus 2011 tot vaststelling van een verbod op de visserij op schelvis in EU-wateren en internationale wateren van Vb en VIa door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

14

 

*

Verordening (EU) nr. 819/2011 van de Commissie van 11 augustus 2011 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in gebied VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 820/2011 van de Commissie van 16 augustus 2011 tot goedkeuring van de werkzame stof terbutylazine overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie en bij Beschikking 2008/934/EG van de Commissie ( 1 )

18

 

*

Verordening (EU) nr. 821/2011 van de Commissie van 16 augustus 2011 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op vinylacetaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

24

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 822/2011 van de Commissie van 16 augustus 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

39

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 823/2011 van de Commissie van 16 augustus 2011 tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

41

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/506/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 augustus 2011 houdende wijziging van Beschikking 2005/240/EG tot toelating van een methode voor de indeling van geslachte varkens in Polen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5745)

43

 

 

2011/507/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 augustus 2011 houdende wijziging van Beschikking 2005/382/EG tot toelating van een methode voor de indeling van geslachte varkens in Hongarije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5746)

49

 

 

2011/508/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 augustus 2011 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Litouwen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5798)  ( 1 )

53

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Beschikking 2009/894/EG van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor houten meubelen ( PB L 320 van 5.12.2009 )

62

 

*

Rectificatie van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 8 juni 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen ( PB L 145 van 11.6.2010 )

63

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 6 december 2010

betreffende het standpunt van de Europese Unie in het Gemengd Comité dat is opgericht bij Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, inzake de vervanging van bijlage II van die Overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

(2011/505/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 2, onder b), in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (1), en met name artikel 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (2) (hierna „de overeenkomst” genoemd genoemd) is op 1 juni 2002 in werking getreden.

(2)

Artikel 18 van de overeenkomst voorziet in de mogelijkheid dat het Gemengd Comité per besluit wijzigingen kan goedkeuren van de overeenkomst, onder meer van bijlage II bij de overeenkomst, betreffende de coördinatie van socialezekerheidsregelingen.

(3)

Teneinde een coherente en correcte toepassing van de rechtshandelingen van de Unie te garanderen en administratieve en eventueel ook juridische problemen te vermijden, dient bijlage II bij de overeenkomst te worden gewijzigd, om de nieuwe rechtshandelingen van de Unie waarnaar in de overeenkomst thans niet wordt verwezen, te integreren.

(4)

Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van bijlage II bij de overeenkomst en van het protocol bij die bijlage te worden overgegaan.

(5)

Het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, is op dit besluit van toepassing. Het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken is eveneens op dit besluit van toepassing.

(6)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van dit besluit, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaten. Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(7)

De verbintenissen in de overeenkomst die onder titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, zijn ten aanzien van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk niet bindend als Unierechtelijke verplichtingen, maar blijven van toepassing als verplichtingen die voortvloeien uit een verbintenis tussen deze lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij artikel 14 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, wordt gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité dat is opgenomen in bijlage I bij dit besluit.

Artikel 2

De verklaring opgenomen in bijlage II bij dit besluit wordt goedgekeurd en geschiedt namens de Unie in het Gemengd Comité wanneer dit het besluit als bedoeld in artikel 1 vaststelt.

Gedaan te Brussel, 6 december 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

J. MILQUET


(1)   PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1.

(2)   PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6.


BIJLAGE I

ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2010 VAN HET GEMENGD COMITÉ

opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen

van …

ter vervanging van bijlage II bij de overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (hierna „de overeenkomst” genoemd), en met name op artikel 18,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst werd goedgekeurd op 21 juni 1999 en is op 1 juni 2002 in werking getreden.

(2)

Bijlage II bij de overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels werd laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 1/2006 van 6 juli 2006 (1) en dient thans te worden geactualiseerd om rekening te houden met de nieuwe wetgeving van de Europese Unie die sindsdien van kracht is geworden, meer bepaald Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (2) en de maatregelen die zijn goedgekeurd tot uitvoering van die verordening.

(3)

Verordening (EG) nr. 883/2004 heeft Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (3), vervangen.

(4)

Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van bijlage II bij de overeenkomst en van het protocol bij die bijlage in een juridisch bindende versie te worden overgegaan.

(5)

Bijlage II bij de overeenkomst moet worden gehandhaafd overeenkomstig de wijzigingen van de relevante rechtshandelingen in de Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (hierna „de overeenkomst” genoemd) wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is opgesteld in de volgende talen: het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Italiaans, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Slowaaks, het Sloveens, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …, …

Voor het Gemengd Comité

De voorzitter

De secretarissen

BIJLAGE

„BIJLAGE II

COÖRDINATIE VAN DE SOCIALEZEKERHEIDSSTELSELS

Artikel 1

1.   De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de rechtshandelingen van de Europese Unie toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij sectie A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels.

2.   In de in sectie A van deze bijlage genoemde rechtshandelingen omvat de uitdrukking „lidstaat/lidstaten” niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie, maar tevens Zwitserland.

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van deze bijlage nemen de overeenkomstsluitende partijen goede nota van de rechtshandelingen van de Unie vermeld in sectie B van deze bijlage.

2.   Voor de toepassing van deze bijlage nemen de overeenkomstsluitende partijen nota van de rechtshandelingen van de Unie vermeld in sectie C van deze bijlage.

Artikel 3

1.   Bijzondere bepalingen betreffende de overgangsregelingen voor de werkloosheidsverzekering voor onderdanen van bepaalde lidstaten van de Unie die beschikken over een Zwitserse verblijfsvergunning van minder dan één jaar, betreffende de Zwitserse uitkeringen voor steunbehoevenden, alsook betreffende de ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsuitkeringen van het wettelijke beroepsgebonden verzekeringsstelsel worden in een protocol bij deze bijlage opgesomd.

2.   Het protocol maakt integrerend deel uit van deze bijlage.

SECTIE A:   VERMELDE RECHTSHANDELINGEN

1.

Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (4 35), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en tot vaststelling van de inhoud van de bijbehorende bijlagen (5 36).

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Verordening (EG) nr. 883/2004 als volgt aangepast:

a)

aan bijlage I, Sectie I, wordt het volgende toegevoegd:

Zwitserland

Kantonnale wetgeving betreffende de voorschotten op de onderhoudsverplichtingen gebaseerd op de artikelen 131, lid 2, en 293, lid 2, van de federale burgerlijke wetgeving.”;

b)

aan bijlage I, Sectie II, wordt het volgende toegevoegd:

Zwitserland

Geboortetoelagen en adoptietoelagen krachtens de relevante kantonnale wetgeving gebaseerd op artikel 3, lid 2, van de federale wet inzake familiale uitkeringen.”;

c)

het volgende wordt toegevoegd aan bijlage II:

Duitsland-Zwitserland

a)

Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 25 februari 1964, zoals gewijzigd bij de Aanvullende Overeenkomsten nr. 1 van 9 september 1975 en nr. 2 van 2 maart 1989:

i)

punt 9b, lid 1, nrs. 1-4, van het finale protocol (toepasselijke wetgeving en recht op verstrekkingen bij ziekte voor inwoners van de Duitse exclave Büsingen);

ii)

punt 9e, lid 1, onder b), eerste, tweede en vierde zin, van het finale protocol (recht op vrijwillige ziekteverzekering in Duitsland bij vestiging in Duitsland);

b)

Overeenkomst inzake de werkloosheidsverzekering van 20 oktober 1982, als gewijzigd bij het aanvullende protocol van 22 december 1992:

i)

artikel 8, lid 5, voorziet in de betaling door Duitsland (gemeente Büsingen) van een bedrag gelijk aan de kantonnale bijdrage volgens Zwitsers recht als deel van de kosten van de arbeidsplaatsen die in het kader van werkgelegenheidsmaatregelen door onder deze bepaling vallende werknemers daadwerkelijk worden bezet.

Spanje-Zwitserland

Punt 17 van het finale protocol bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 13 oktober 1969, zoals gewijzigd bij de aanvullende overeenkomst van 11 juni 1982; personen die aangesloten zijn bij de Spaanse verzekering op grond van deze bepaling zijn vrijgesteld van de vereiste om toe te treden tot de Zwitserse ziekteverzekering.

Italië-Zwitserland

Artikel 9, lid 1, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 14 december 1962, gewijzigd bij Aanvullende Overeenkomst nr. 1 van 18 december 1963, de aanvullende overeenkomst van 4 juli 1969, het aanvullende protocol van 25 februari 1974 en Aanvullende Overeenkomst nr. 2 van 2 april 1980.”;

d)

het volgende wordt toegevoegd aan bijlage IV:

Zwitserland ”;

e)

aan bijlage VIII, deel 1, wordt het volgende toegevoegd:

Zwitserland

Alle aanvragen om ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het basisstelsel (federale wet inzake ouderdoms- en nabestaandenverzekering en federale wet inzake invaliditeitsverzekering), alsmede de ouderdomspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel).”;

f)

aan bijlage VIII, deel 2, wordt het volgende toegevoegd:

Zwitserland

Ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel).”;

g)

aan bijlage IX, deel II, wordt het volgende toegevoegd:

Zwitserland

Nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel (federale wet inzake ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen van het beroepsgebonden verzekeringsstelsel).”;

h)

het volgende wordt toegevoegd aan bijlage X:

„1.

Aanvullende uitkeringen (federale wet inzake aanvullende uitkeringen van 19 maart 1965) en vergelijkbare uitkeringen waarin de kantonnale wetgeving voorziet.

2.

Pensioenen bij precaire sociale situaties in het kader van de invaliditeitsverzekering (artikel 28, alinea 1a, van de federale wet inzake de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959, als gewijzigd op 7 oktober 1994).

3.

Niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen bij werkloosheid, waarin de kantonnale wetgeving voorziet.

4.

Niet op premie- of bijdragebetaling berustende buitengewone invaliditeitspensioenen voor gehandicapten (artikel 39 van de federale wet op de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959) die vóór zij arbeidsongeschikt werden, niet onderworpen waren aan de Zwitserse arbeidswetgeving als werknemer of zelfstandige.”;

i)

het volgende wordt toegevoegd aan bijlage XI:

Zwitserland

1.

Artikel 2 van de federale wet op de ouderdoms- en nabestaandenverzekering alsmede artikel 1 van de federale wet op de invaliditeitsverzekering, die de vrijwillige verzekering in deze takken regelen voor Zwitserse onderdanen die in een staat woonachtig zijn waarop deze overeenkomst niet van toepassing is, zijn tevens van toepassing op personen die buiten Zwitserland woonachtig zijn en onderdaan zijn van de andere staten waarop deze overeenkomst van toepassing is, alsmede op vluchtelingen en staatlozen die op het grondgebied van deze staten wonen, wanneer deze personen ten laatste één jaar gerekend vanaf de dag waarop de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering is stopgezet na ten minste vijf jaar ononderbroken verzekerd te zijn geweest, toetreden tot de vrijwillige verzekering.

2.

Wanneer iemand, na ten minste vijf jaar ononderbroken verzekerd te zijn geweest, ophoudt verzekerd te zijn bij de Zwitserse ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsverzekering, dan heeft die persoon het recht om met instemming van de werkgever die verzekering voort te zetten wanneer hij voor rekening van een werkgever in Zwitserland in een staat werkt waarop deze overeenkomst niet van toepassing is, op voorwaarde dat het verzoek daartoe ingediend wordt binnen een termijn van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop de verzekering werd stopgezet.

3.

Verplichte verzekering bij de Zwitserse ziekteverzekering en vrijstellingsmogelijkheden

a)

De Zwitserse wettelijke bepalingen betreffende de verplichte ziekteverzekering zijn van toepassing op de volgende personen die niet in Zwitserland woonachtig zijn:

i)

personen die uit hoofde van titel II van de verordening aan de Zwitserse wettelijke bepalingen onderworpen zijn;

ii)

personen voor wie Zwitserland overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 van de verordening de kosten draagt;

iii)

personen die in het genot zijn van een werkloosheidsuitkering van de Zwitserse verzekering;

iv)

de gezinsleden van de in i) en iii) genoemde personen of van een werknemer of zelfstandige die in Zwitserland woonachtig en bij de Zwitserse ziekteverzekering aangesloten is, tenzij deze gezinsleden in een van de volgende staten woonachtig zijn: Denemarken, Spanje, Hongarije, Portugal, Zweden of het Verenigd Koninkrijk;

v)

de gezinsleden van de in ii) genoemde personen of van een gepensioneerde die in Zwitserland woonachtig en bij de Zwitserse ziekteverzekering aangesloten is, tenzij deze gezinsleden in een van de volgende staten woonachtig zijn: Denemarken, Portugal, Zweden of het Verenigd Koninkrijk.

„Gezinsleden” zijn personen die als gezinsleden worden beschouwd door de wetgeving van de staat waar de woonplaats is gevestigd.

b)

De onder a) genoemde personen kunnen op verzoek van de verplichte verzekering worden vrijgesteld indien en zolang zij in een van de volgende staten wonen en aantonen dat zij daar tegen ziekte verzekerd zijn: Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, en, in de onder a), nrs. iv) en v), bedoelde gevallen, Finland, en, in de onder a), nr. ii), bedoelde gevallen, Portugal.

Dit verzoek

aa)

moet worden ingediend binnen drie maanden na ingang van de verzekeringsplicht in Zwitserland; wordt het verzoek in een gerechtvaardigd geval na deze termijn ingediend, dan gaat de vrijstelling in vanaf het begin van de verzekeringsplicht;

bb)

is van toepassing op alle gezinsleden die in dezelfde staat woonachtig zijn.

4.

Wanneer een persoon op wie uit hoofde van titel II van de verordening de Zwitserse wettelijke bepalingen van toepassing zijn, uit hoofde van punt 3, letter b), bij de ziekteverzekering aangesloten is van een andere staat waarvoor deze overeenkomst geldt, dan worden de kosten van de verstrekkingen bij niet-arbeidsongevallen gelijkelijk verdeeld tussen het orgaan van de Zwitserse verzekering voor arbeidsongevallen, niet-arbeidsgebonden ongevallen en beroepsziekten, en het bevoegd orgaan van de ziekteverzekering van de andere staat, als er aanspraak is op prestaties van beide organen. Wanneer er bij een arbeidsongeval, een ongeval op weg van of naar het werk, of bij een beroepsziekte, ook recht zou bestaan op prestaties van het orgaan van de ziekteverzekering van het woonland, dan worden deze kosten niettemin betaald door de Zwitserse verzekeraar tegen (arbeids)ongevallen en beroepsziekten.

5.

Op de personen die in Zwitserland werken, maar er niet woonachtig zijn en die op grond van punt 3, onder b), aangesloten zijn bij de wettelijke ziekteverzekering van hun woonland, alsmede op hun gezinsleden, zijn de bepalingen van artikel 19 van de verordening van toepassing tijdens een verblijf in Zwitserland.

6.

Voor de toepassing van de artikelen 18, 19, 20 en 27 van de verordening in Zwitserland draagt de bevoegde verzekeraar alle gefactureerde kosten.

7.

De verzekeringstijdvakken voor daguitkeringen die zijn vervuld bij een verzekering in een andere staat waarop deze overeenkomst van toepassing is, worden meegeteld om een eventuele reserve in de daguitkeringsverzekering in geval van moederschap of ziekte te verkleinen of op te heffen wanneer de persoon zich binnen drie maanden na stopzetting van de buitenlandse verzekering bij een Zwitserse verzekeraar verzekert.

8.

Een werknemer of zelfstandige die niet langer valt onder de Zwitserse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering omdat hij zijn winstgevende bezigheid in Zwitserland, die hem de noodzakelijke bestaansmiddelen bezorgde, heeft moeten opgeven als gevolg van een ongeval of ziekte, wordt beschouwd als verzekerd krachtens deze verzekering voor wat de toekenning van revalidatiemaatregelen betreft, alsook tijdens de duur van deze revalidatiemaatregelen, tot aan de betaling van een invaliditeitspensioen, voor zover hij buiten Zwitserland geen nieuwe baan heeft.”.

2.

Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (6).

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt Verordening (EG) nr. 987/2009 als volgt aangepast:

a)

het volgende wordt toegevoegd aan bijlage 1:

„Regeling tussen Zwitserland en Frankrijk van 26 oktober 2004 tot vaststelling van de bijzondere procedures voor de terugbetaling van verstrekkingen van de ziekteverzekering

Regeling tussen Zwitserland en Italië van 20 december 2005 tot vaststelling van de bijzondere procedures voor de terugbetaling van verstrekkingen van de ziekteverzekering”.

3.

Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap (7) verplaatsen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (8), zoals van toepassing tussen Zwitserland en de lidstaten voor de inwerkingtreding van dit besluit, en wanneer ernaar wordt verwezen in de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 of (EG) nr. 987/2009 of indien het gevallen uit het verleden betreft.

4.

Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap (9) verplaatsen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 (10), zoals van toepassing tussen Zwitserland en de lidstaten voor de inwerkingtreding van dit besluit, en wanneer ernaar wordt verwezen in de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 of (EG) nr. 987/2009 of indien het gevallen uit het verleden betreft.

5.

Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (11).

SECTIE B:   RECHTSHANDELINGEN WAARVAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN GOEDE NOTA NEMEN

1.

Besluit nr. A1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (12).

2.

Besluit nr. A2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake de wetgeving die van toepassing is op gedetacheerde werknemers en zelfstandigen die tijdelijk buiten de bevoegde lidstaat werken (13).

3.

Besluit nr. A3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 17 december 2009 betreffende de samentelling van ononderbroken vervulde detacheringstijdvakken op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad en Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parelement en de Raad (14).

4.

Besluit nr. E1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de praktische regelingen voor de overgangsperiode voor de elektronische uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (15).

5.

Besluit nr. F1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot prioriteitsregels bij samenloop van gezinsuitkeringen (16).

6.

Besluit nr. H1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende het kader voor de overgang van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 van de Raad naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de toepassing van besluiten en aanbevelingen van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (17).

7.

Besluit nr. H2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de werkmethodes en de samenstelling van de Technische Commissie voor gegevensverwerking van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (18).

8.

Besluit nr. H3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 15 oktober 2009 betreffende de in aanmerking te nemen datum voor het bepalen van de omrekeningskoersen als bedoeld in artikel 90 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (19).

9.

Besluit nr. H4 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 22 december 2009 betreffende de samenstelling en de werkmethoden van de Rekencommissie van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (20).

10.

Besluit nr. H5 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 18 maart 2010 betreffende de samenwerking bij de bestrijding van fraude en fouten in het kader van Verordening (EG) nr. 883/2004 van de Raad en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (21).

11.

Besluit nr. P1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de interpretatie van artikel 50, lid 4, artikel 58, en artikel 87, lid 5, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad voor de toekenning van invaliditeitsuitkeringen en ouderdoms- en nabestaandenpensioenen (22).

12.

Besluit nr. S1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de Europese ziekteverzekeringskaart (23).

13.

Besluit nr. S2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de technische specificaties voor de Europese ziekteverzekeringskaart (24).

14.

Besluit nr. S3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 tot vaststelling van de verstrekkingen die onder artikel 19, lid 1, en artikel 27, lid 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad en artikel 25, onder A) 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad vallen (25).

15.

Besluit nr. S4 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 2 oktober 2009 betreffende vergoedingsprocedures voor de toepassing van de artikelen 35 en 41 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (26).

16.

Besluit nr. S5 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 2 oktober 2009 betreffende de interpretatie van het begrip verstrekkingen zoals gedefinieerd in artikel 1, onder va), van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad, bij ziekte en moederschap, zoals bedoeld in de artikelen 17, 19, 20 en 22, artikel 24, lid 1, de artikelen 25 en 26, artikel 27, leden 1, 3, 4 en 5, de artikelen 28 en 34, en artikel 36, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de vaststelling van de ingevolge de artikelen 62, 63 en 64 van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad te vergoeden bedragen (27).

17.

Besluit nr. S6 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 22 december 2009 betreffende de inschrijving in de lidstaat van de woonplaats krachtens artikel 24 van Verordening (EG) nr. 987/2009 en de opstelling van de inventarissen, als bedoeld in artikel 64, lid 4, van Verordening (EG) nr. 987/2009 (28).

18.

Besluit nr. S7 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 22 december 2009 betreffende de overgang van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 naar de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 en de toepassing van de vergoedingsprocedures (29).

19.

Besluit nr. U1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende artikel 54, lid 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot verhoging van werkloosheidsuitkeringen wegens gezinsleden ten laste (30).

20.

Besluit nr. U2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de werkingssfeer van artikel 65, lid 2, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht op werkloosheidsuitkeringen van volledig werklozen die geen grensarbeiders zijn en die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonden (31).

21.

Besluit nr. U3 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de draagwijdte van het begrip gedeeltelijke werkloosheid zoals dat van toepassing is op de in artikel 65, lid 1, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werklozen (32).

SECTIE C:   RECHTSHANDELINGEN WAARVAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN NOTA NEMEN

1.

Aanbeveling nr. U1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de wetgeving welke van toepassing is op werklozen die in deeltijd beroeps- of handelsactiviteiten verrichten op het grondgebied van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan zij wonen (33).

2.

Aanbeveling nr. U2 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de toepassing van artikel 64, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad op werklozen die hun echtgeno(o)t(e) of partner vergezellen die een beroepswerkzaamheid uitoefent in een andere dan de bevoegde staat (34).

PROTOCOL

bij bijlage II bij de overeenkomst

I.   Werkloosheidsverzekering

De volgende regelingen gelden voor werknemers die onderdaan zijn van Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië en Slowakije tot en met 30 april 2011 en voor werknemers die onderdaan zijn van Bulgarije en Roemenië tot en met 31 mei 2016.

1.

Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering van werknemers in loondienst die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor minder dan een jaar, is de volgende regeling van toepassing:

1.1.

Alleen de werknemers die in Zwitserland premies hebben betaald gedurende de minimumperiode als voorgeschreven door de federale wet inzake de verplichte werkloosheidsverzekering en de vergoeding in geval van insolvabiliteit (LACI) (4 35) en die voldoen aan de overige voorwaarden om aanspraak te maken op een werkloosheidsuitkering, hebben recht op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering onder de in de wet vastgestelde voorwaarden.

1.2.

Een gedeelte van de ontvangen premies voor de werknemers die gedurende een te korte periode premies hebben betaald om in Zwitserland overeenkomstig punt 1.1 recht te hebben op een werkloosheidsuitkering, wordt overeenkomstig het bepaalde in punt 1.3 aan hun landen van herkomst terugbetaald als bijdrage in de kosten van de uitkeringen aan deze werknemers bij volledige werkloosheid; deze werknemers hebben bijgevolg geen recht op de uitkeringen van de werkloosheidsverzekering bij volledige werkloosheid in Zwitserland. Zij hebben echter recht op de vergoedingen bij weerverlet en insolvabiliteit van de werkgever. De uitkeringen bij volledige werkloosheid worden door het land van herkomst uitbetaald op voorwaarde dat de werknemers zich ter beschikking van de diensten voor arbeidsvoorziening stellen. De in Zwitserland vervulde tijdvakken van verzekering worden in aanmerking genomen alsof zij in het land van herkomst waren vervuld.

1.3.

Het gedeelte van de voor de werknemers volgens punt 1.2 ontvangen premies wordt jaarlijks terugbetaald overeenkomstig de onderstaande bepalingen:

a)

het totaal van de premies van deze werknemers wordt per land berekend op grond van het jaarlijkse aantal in dienst genomen werknemers en het gemiddelde van de voor elke werknemer betaalde jaarlijkse premies (werkgevers- en werknemerspremies);

b)

van het aldus berekende bedrag zal een met het percentage van de werkloosheidsuitkeringen ten opzichte van alle andere soorten uitkeringen, als vermeld in punt 1.2, overeenkomend gedeelte worden terugbetaald aan de landen van herkomst van de werknemers en voor Zwitserland zal een reserve voor latere uitkeringen worden aangelegd (5 36);

c)

Zwitserland verstrekt elk jaar een afrekening van de terugbetaalde premies. Op verzoek van het land van herkomst worden de berekeningsbases en het bedrag van de terugbetalingen medegedeeld. De landen van herkomst delen jaarlijks aan Zwitserland het aantal personen mee die in aanmerking komen voor werkloosheidsuitkeringen volgens punt 1.2.

2.

Mochten er zich voor een lidstaat moeilijkheden met het einde van het terugbetalingsstelsel of voor Zwitserland met het samentellingssysteem voordoen, dan kan een van de overeenkomstsluitende partijen het Gemengd Comité inschakelen.

II.   Uitkeringen voor steunbehoevenden

Uitkeringen voor steunbehoevenden die worden toegekend op grond van de Zwitserse federale wet inzake de invaliditeitsverzekering van 19 juni 1959 (LAI) en op grond van de federale wet van 20 december 1946 op de ouderdoms- en nabestaandenverzekering (LAVS) zoals gewijzigd op 8 oktober 1999, worden uitsluitend toegekend indien de betrokken persoon in Zwitserland woonachtig is.

III.   Beroepsverzekering voor ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsuitkeringen

Niettegenstaande artikel 10, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zal de vertrekuitkering, als bedoeld in de federale wet van 17 december 1993 inzake de vrije overgang in de beroepsverzekering voor ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitsuitkeringen, worden uitbetaald op verzoek van een werknemer of een zelfstandige die voornemens is Zwitserland definitief te verlaten en die niet meer onderworpen zal zijn aan de Zwitserse wetgeving overeenkomstig de bepalingen van titel II van de verordening, op voorwaarde dat deze persoon Zwitserland verlaat binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.


(1)   PB L 270 van 29.9.2006, blz. 67.

(2)   PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)   PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.

(4)   PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)   PB L 284 van 30.10.2009, blz. 43.

(6)   PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.

(7)   PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.

(8)   PB L 177 van 4.7.2008, blz. 1.

(9)   PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1.

(10)   PB L 39 van 10.2.2009, blz. 29.

(11)   PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46.

(12)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 1.

(13)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 5.

(14)   PB C 149 van 8.6.2010, blz. 3.

(15)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 9.

(16)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 11.

(17)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 13.

(18)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 17.

(19)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 56.

(20)   PB C 107 van 27.4.2010, blz. 3.

(21)   PB C 149 van 8.6.2010, blz. 5.

(22)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 21.

(23)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 23.

(24)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 26.

(25)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 40.

(26)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 52.

(27)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 54.

(28)   PB C 107 van 27.4.2010, blz. 6.

(29)   PB C 107 van 27.4.2010, blz. 8.

(30)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 42.

(31)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 43.

(32)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 45.

(33)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 49.

(34)   PB C 106 van 24.4.2010, blz. 51.

(35)  Momenteel twaalf maanden.

(36)  Terugbetaalde premies voor de werknemers die hun recht op een werkloosheidsuitkering in Zwitserland zullen uitoefenen na premies te hebben betaald gedurende ten minste twaalf maanden — tijdens verscheidene verblijven — over een periode van twee jaar.


BIJLAGE II

VERKLARING

over de verklaring over het bijwonen door Zwitserland van vergaderingen van comités

De Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers genoemd in het tweede streepje van de verklaring over het bijwonen door Zwitserland van vergaderingen van comités en commissies (PB L 114 van 30.4.2002, blz. 72) voortaan begrepen als verwijzende naar de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels als opgericht bij artikel 71 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad.


VERORDENINGEN

17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/12


VERORDENING (EU) Nr. 817/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 augustus 2011

tot vaststelling van een verbod op de visserij op lom in het gebied EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2011 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2011 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2011 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 augustus 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)   PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

26/T&Q

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

USK/567EI.

Soort

Lom (Brosme brosme)

Gebied

EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII

Datum

9.7.2011


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/14


VERORDENING (EU) Nr. 818/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 augustus 2011

tot vaststelling van een verbod op de visserij op schelvis in EU-wateren en internationale wateren van Vb en VIa door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2011 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2011 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2011 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 augustus 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)   PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

25/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

HAD/5BC6A.

Soort

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

Gebied

EU-wateren en internationale wateren van Vb en VIa

Datum

4.7.2011


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/16


VERORDENING (EU) Nr. 819/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 augustus 2011

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in gebied VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn (2), zijn de quota voor 2011 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2011 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2011 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 augustus 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme zaken en visserij


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)   PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

24/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

POK/56-14

Soort

Koolvis (Pollachius virens)

Gebied

VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb, XII en XIV

Datum

4.7.2011


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 820/2011 VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

tot goedkeuring van de werkzame stof terbutylazine overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie en bij Beschikking 2008/934/EG van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2) wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft van toepassing op werkzame stoffen waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie (3). Terbutylazine is een werkzame stof waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig die verordening.

(2)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (4) en (EG) nr. 1490/2002 (5) van de Commissie zijn de nadere bepalingen voor de uitvoering van de tweede en derde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht voor eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Terbutylazine was in die lijst opgenomen.

(3)

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1095/2007 van de Commissie van 20 september 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1490/2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 2229/2004 houdende nadere bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (6) heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na inwerkingtreding van die verordening ingetrokken. Bijgevolg is bij Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (7), terbutylazine niet opgenomen.

(4)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend met het oog op de toepassing van de versnelde procedure, als vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen.

(5)

De aanvraag is ingediend bij het Verenigd Koninkrijk, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 was aangewezen als rapporteur-lidstaat. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(6)

Het Verenigd Koninkrijk heeft de door de aanvrager ingediende aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Op 3 februari 2010 heeft het dat verslag bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en bij de Commissie ingediend. De EFSA heeft het aanvullende verslag voor commentaar aan de overige lidstaten en aan de aanvrager toegezonden en de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over terbutylazine op 20 december 2010 aan de Commissie voorgelegd (8). Het ontwerpbeoordelingsverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 17 juni 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor terbutylazine.

(7)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die terbutylazine bevatten, in het algemeen zullen blijven voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet terbutylazine overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 worden goedgekeurd.

(8)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang met artikel 6 daarvan, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk om bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen.

(9)

Onverminderd de conclusie dat terbutylazine moet worden goedgekeurd, is het met name wenselijk nadere bevestigende informatie te verlangen.

(10)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(11)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 ten gevolge van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009, moet echter aan het volgende worden voldaan. De lidstaten moeten na goedkeuring zes maanden de tijd krijgen om de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die terbutylazine bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van de bijwerking van het volledige dossier conform bijlage III, zoals bepaald in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de uniforme beginselen.

(12)

Uit de ervaring die is opgedaan met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (9) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op.

(13)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (10) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van terbutylazine en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, uiterlijk op 31 december 2011. In de bijlage bij die beschikking moet de regel betreffende terbutylazine worden geschrapt. Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van werkzame stof

De in bijlage I omschreven werkzame stof terbutylazine wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden goedgekeurd.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   Indien nodig moeten de lidstaten de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die terbutylazine als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2012 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de eisen van bijlage II bij voornoemde richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de kolom betreffende de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat terbutylazine bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 december 2011 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als terbutylazine de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 december 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken; of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast terbutylazine nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 december 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Wijziging van Beschikking 2008/934/EG

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende terbutylazine geschrapt.

Artikel 5

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)   PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(4)   PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(5)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(6)   PB L 246 van 21.9.2007, blz. 19.

(7)   PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(8)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance terbuthylazine. EFSA Journal 2011; 9(1):1969. [133 blz.] doi:10.2903/j.efsa.2010.1969. Online te vinden op: www.efsa.europa.eu.

(9)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.

(10)   PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE I

Benaming, Identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Terbutylazine

CAS-nr. 5915-41-3

CIPAC-nr. 234

N2-tert-butyl-6-chloor-N4-ethyl-1,3,5-triazine-2,4-diamine

≥ 950 g/kg

Onzuiverheden:

 

propazine: maximaal 10 g/kg

 

atrazine: maximaal 1 g/kg

 

simazine: maximaal 30 g/kg

1 januari 2012

31 december 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 genoemde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over terbutylazine (met name de aanhangsels I en II), dat op 17 juni 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

a)

de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid en/of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden;

b)

het risico voor zoogdieren en aardwormen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten, alsook de verplichting om bewakingsprogramma's uit te voeren om mogelijke grondwaterverontreinigingen in kwetsbare gebieden te onderzoeken.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

1.

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, waaronder informatie over de relevantie van de onzuiverheden;

2.

de gelijkwaardigheid tussen de specificaties van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, en die van het in de toxiciteitsonderzoeken gebruikte testmateriaal;

3.

de beoordeling van de blootstelling van het grondwater aan de ongeïdentificeerde metabolieten LM1, LM2, LM3, LM4, LM5 en LM6;

4.

de relevantie van de metabolieten MT1 (N-tert-butyl-6-chloor-1,3,5-triazine-2,4-diamine), MT 13 (4-(tert-butylamino)-6-(ethylamino)-1,3,5-triazine-2-ol of 6-hydroxy -N2-ethyl-N4- tert-butyl-1,3,5-triazine-2,4-diamine), MT14 (4-amino-6-(tert-butylamino)-1,3,5-triazine-2-ol of N-tert-butyl-6-hydroxy-1,3,5-triazine-2,4-diamine), en van de ongeïdentificeerde metabolieten LM1, LM2, LM3, LM4, LM5 en LM6 ten aanzien van kanker, indien terbutylazine krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 wordt ingedeeld als „verdacht van het veroorzaken van kanker”.

De aanvrager moet uiterlijk op 30 juni 2012 de in de punten 1 en 2 bedoelde informatie, uiterlijk op 30 juni 2013 de in punt 3 bedoelde informatie en binnen zes maanden na de kennisgeving van het indelingsbesluit betreffende die stof de in punt 4 bedoelde informatie indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Aantal

Benaming, Identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (*1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„16

Terbutylazine

CAS-nr. 5915-41-3

CIPAC-nr. 234

N2-tert-butyl-6-chloor-N4-ethyl-1,3,5-triazine-2,4-diamine

≥ 950 g/kg

Onzuiverheden:

 

propazine: maximaal 10 g/kg

 

atrazine: maximaal 1 g/kg

 

simazine: maximaal 30 g/kg

1 januari 2012

31 december 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 genoemde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over terbutylazine (met name de aanhangsels I en II), dat op 17 juni 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

a)

de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid en/of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden;

b)

het risico voor zoogdieren en aardwormen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten, alsook de verplichting om bewakingsprogramma's uit te voeren om mogelijke grondwaterverontreinigingen in kwetsbare gebieden te onderzoeken.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

1.

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, met toereikende analytische gegevens, waaronder informatie over de relevantie van de onzuiverheden;

2.

de gelijkwaardigheid tussen de specificaties van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, en die van het in de toxiciteitsonderzoeken gebruikte testmateriaal;

3.

de beoordeling van de blootstelling van het grondwater aan de ongeïdentificeerde metabolieten LM1, LM2, LM3, LM4, LM5 en LM6;

4.

de relevantie van de metabolieten MT1 (N-tert-butyl-6-chloor-1,3,5-triazine-2,4-diamine), MT 13 (4-(tert-butylamino)-6-(ethylamino)-1,3,5-triazine-2-ol of 6-hydroxy -N2-ethyl-N4- tert-butyl-1,3,5-triazine-2,4-diamine), MT14 (4-amino-6-(tert-butylamino)-1,3,5-triazine-2-ol of N-tert-butyl-6-hydroxy-1,3,5-triazine-2,4-diamine), en van de ongeïdentificeerde metabolieten LM1, LM2, LM3, LM4, LM5 en LM6 ten aanzien van kanker, indien terbutylazine krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 wordt ingedeeld als „verdacht van het veroorzaken van kanker”.

De aanvrager moet uiterlijk op 30 juni 2012 de in de punten 1 en 2 bedoelde informatie, uiterlijk op 30 juni 2013 de in punt 3 bedoelde informatie en binnen zes maanden na de kennisgeving van het indelingsbesluit betreffende die stof de in punt 4 bedoelde informatie indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”


(*1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/24


VERORDENING (EU) Nr. 821/2011 VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op vinylacetaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ("de Unie"),

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), en met name artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 4 december 2010 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) aangekondigd ("bericht van inleiding") dat zij een antidumpingprocedure zou inleiden ten aanzien van de invoer in de Unie van vinylacetaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna "de VS" of "het betrokken land" genoemd).

(2)

De procedure is ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 22 oktober 2010 werd ingediend door Ineos Oxide Ltd ("de klager"), die goed is voor een groot deel - in dit geval meer dan 25 % - van de totale productie van vinylacetaat door de bedrijfstak van de Unie. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal betreffende de dumping van het product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een antidumpingprocedure in te leiden.

2.   Bij de procedure betrokken partijen

(3)

De Commissie heeft de klager, andere bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten/exporteurs in het betrokken land, importeurs, handelaren, gebruikers, leveranciers en verenigingen, alsmede de vertegenwoordigers van de Verenigde Staten van Amerika van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(4)

Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(5)

De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar de vier bekende producenten-exporteurs in het betrokken land. Drie van deze producenten-exporteurs hebben op de vragenlijst geantwoord. De vierde producent-exporteur heeft medewerking aan het onderzoek afgewezen en is er later van in kennis gesteld dat hij overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening zou worden behandeld als een niet-medewerkende onderneming.

(6)

De Commissie heeft ook vragenlijsten gestuurd naar de klager en de andere in de klacht vermelde producent van de Unie.

(7)

Gezien het kennelijk grote aantal niet-verbonden importeurs dat bij dit onderzoek betrokken kon zijn, is in het bericht van inleiding vermeld dat werd overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef samen te stellen. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, is alle niet-verbonden importeurs verzocht zich bij de Commissie kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. Aangezien slechts twee importeurs zich binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn hadden gemeld, werd echter besloten dat een steekproef niet nodig was. Twee importeurs in de Unie hebben naar behoren op de vragenlijst geantwoord en in de gebouwen van een van hen vond een controlebezoek plaats.

(8)

Een aantal belanghebbenden maakte zich echter bekend als gebruiker. Zij kregen een speciaal voor gebruikers opgestelde vragenlijst toegestuurd. Twaalf ondernemingen hebben op de vragenlijst geantwoord en in de gebouwen van twee van hen werden controlebezoeken uitgevoerd.

(9)

De Commissie heeft alle gegevens die voor een voorlopige vaststelling van dumping, schade als gevolg hiervan en het belang van de Unie nodig werden geacht, ingewonnen en gecontroleerd, en heeft bij de volgende ondernemingen ter plaatse een controle uitgevoerd:

(a)

producenten in de Unie

Ineos Oxide Ltd, Verenigd Koninkrijk

Wacker Chemie AG, Duitsland

(b)

producenten-exporteurs in het betrokken land

Celanese Ltd.

The Dow Chemical Company

LyondellBasell Industries, Acetyls, LLC

(c)

niet-verbonden ondernemingen in het betrokken land

Terminal, Verenigde Staten [naam van belanghebbende en exacte locatie vertrouwelijk]

(d)

verbonden en niet-verbonden ondernemingen in de Unie

Celanese Chemicals Europe GmbH, Duitsland

Lyondell Chemie Nederland B.V., Nederland

Terminal, Unie [naam van belanghebbende en exacte locatie vertrouwelijk]

(e)

verbonden ondernemingen buiten de Unie en de Verenigde Staten van Amerika

Dow Europe GmbH, Zwitserland

(f)

importeurs

Gantrade Ltd, Verenigd Koninkrijk

(g)

gebruikers

Vinavil, Mapei, Italië

Synthomer, Verenigd Koninkrijk

3.   Onderzoektijdvak

(10)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 ("het onderzoektijdvak" of "OT"). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot het einde van het OT ("de beoordelingsperiode").

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

4.   Betrokken product

(11)

Het betrokken product wordt gedefinieerd als vinylacetaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2915 32 00 .

(12)

Vinylacetaat ("VAM" of "het betrokken product") is een van azijnzuur afgeleide chemische grondstof.

(13)

Vinylacetaat wordt voor tal van toepassingen gebruikt. Het grootste gedeelte van het geproduceerde vinylacetaat wordt gebruikt als input in twee downstreamproducten: polyvinylacetaat en polyvinylalcohol. Deze downstreamproducten zijn een belangrijke polymeer in verschillende industrieën. Vinylacetaatpolymeren worden gewoonlijk gebruikt bij de productie van verf, kleefstoffen, coatings en textielafwerkstoffen.

(14)

Uit het onderzoek is gebleken dat slechts één soort van het betrokken product bestaat.

5.   Soortgelijk product

(15)

Uit het onderzoek is gebleken dat door de bedrijfstak van de Unie in de Unie geproduceerd en verkocht vinylacetaat en het in het betrokken land geproduceerd en naar de Unie uitgevoerd vinylacetaat dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken en toepassingen hadden. Daarom worden deze producten voorlopig beschouwd als soortgelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

1.   Normale waarde

(16)

Om de normale waarde te bepalen, werd eerst vastgesteld dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers van de respectieve producenten-exporteurs in het betrokken land representatief was, d.w.z. dat de totale verkochte hoeveelheid, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening, ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid van het betrokken product die naar de Unie was uitgevoerd.

(17)

De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke producent-exporteur kon worden geacht in het kader van normale handelstransacties, als bedoeld in artikel 2, lid 4, van de basisverordening, te hebben plaatsgevonden. Hiertoe werd het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers tijdens het OT vastgesteld.

(18)

Binnenlandse verkooptransacties werden winstgevend geacht wanneer de prijs per eenheid gelijk was aan of hoger dan de productiekosten. Daarom werden de productiekosten op de binnenlandse markt tijdens het OT vastgesteld.

(19)

Ingeval meer dan 80 % van de verkochte hoeveelheid op de binnenlandse markt boven de kostprijs was verkocht en de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger was dan de gewogen gemiddelde productiekosten, werd de normale waarde berekend als het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen, ongeacht of deze winstgevend waren of niet. Wanneer het volume van de winstgevende verkoop 80 % of minder van het totale verkoopvolume bedroeg of wanneer de gewogen gemiddelde verkoopprijs onder de gewogen gemiddelde productiekosten lag, was de normale waarde gebaseerd op de gewogen gemiddelde prijs van alleen de winstgevende binnenlandse verkoop.

2.   Uitvoerprijs

(20)

Uit het onderzoek is gebleken dat vinylacetaat uit het betrokken land naar de Unie werd uitgevoerd hetzij i) via in de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen, hetzij ii) voor één producent-exporteur via een verbonden handelsonderneming buiten de Unie.

(21)

In beide gevallen werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de wederverkoopprijzen aan de eerste onafhankelijke afnemers in de Unie, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, naar behoren gecorrigeerd voor alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, en winst.

3.   Vergelijking

(22)

De normale waarde en de uitvoerprijs van de respectieve producenten-exporteurs werden vergeleken op af-fabriekbasis.

(23)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Waar nodig en gerechtvaardigd zijn correcties voor verschillen in kosten voor laden, lossen, op- en overslag, vervoers- en verzekeringskosten, kredietkosten, kortingen, commissies en invoerrechten aangebracht.

4.   Dumpingmarge

(24)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de dumpingmarge voor de medewerkende producenten-exporteurs in de Verenigde Staten van Amerika vastgesteld door de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs te vergelijken.

(25)

Om de dumpingmarge voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs vast te stellen, werd eerst nagegaan in welke mate zij niet hadden meegewerkt. Hiertoe werd de door de medewerkende producenten/exporteurs gemelde omvang van de uitvoer naar de Unie vergeleken met de invoerstatistieken van Eurostat.

(26)

Aangezien het niveau van medewerking in de Verenigde Staten van Amerika hoog was (meer dan 90%), werd het voorlopig wenselijk geacht de residuele dumpingmarge voor producenten/exporteurs die geen medewerking verleenden in dit land vast te stellen op het niveau van het hoogste recht dat op de invoer van een medewerkende exporteur was ingesteld. Deze kwestie kan later in het definitieve stadium opnieuw worden bekeken.

(27)

Op basis van bovengenoemde methodologie worden de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-invoerprijs grens Unie, vóór inklaring, vastgesteld op:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Celanese Ltd.

12,1  %

LyondellBasell Acetyls, LLC

13,0  %

The Dow Chemical Company

13,8  %

Alle andere ondernemingen

13,8  %

D.   SCHADE

1.   Productie in de Unie en bedrijfstak van de Unie

(28)

De klacht werd ingediend door Ineos Oxide Ltd, een producent van vinylacetaat in de Unie, die goed is voor een groot gedeelte van de totale productie in de Unie. Een tweede producent in de Unie, Wacker GmbH, steunde de inleiding van de procedure. Bijgevolg werd de klacht gesteund door producenten in de Unie die goed zijn voor meer dan 25 % van de totale productie van vinylacetaat, geproduceerd door de bedrijfstak van de Unie. Daarom is de procedure ingeleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

(29)

Een derde in de Unie gevestigde producent (Celanese Europe GmbH) bleek verbonden te zijn met een in het betrokken land gevestigde producent-exporteur. Volgens de tijdens het onderzoek verkregen informatie werd voorlopig vastgesteld dat deze producent volledig werd gecontroleerd door de in de VS gebaseerde Celanese Corporation die een beslissende rol speelt in de belangrijkste Europese bedrijfsactiviteiten, zoals bedrijfsplanning, productiecontrole, aankoop en verkoop.

(30)

Gezien het bovenstaande werd geoordeeld dat de relatie van Celanese Europe GmbH binnen de groep niet van dien aard was dat zij aanleiding gaf tot een gedrag dat verschilt van dat van andere niet-verbonden producenten in de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening. Er werd ook geoordeeld dat de onderneming door deze relatie kon worden beschermd tegen de negatieve gevolgen van schade veroorzakende dumping. Verder zou de opname van een dergelijke onderneming in de schadebevindingen de algemene gegevens over de samenstelling van de bedrijfstak van de Unie vertekenen.

(31)

Op grond hiervan werd voorlopig vastgesteld dat Celanese Europe GmbH moest worden uitgesloten van de definitie van de bedrijfstak van de Unie.

(32)

Daarom vormen de twee producenten Ineos Oxide Ltd en Wacker GmbH, die goed zijn voor 100 % van de productie in de Unie, de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Zij worden hierna "de bedrijfstak van de Unie" genoemd.

2.   Bepaling van de relevante markt van de Unie

(33)

Om vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie, als omschreven in de overwegingen 28 e.v., aanmerkelijke schade heeft geleden, werd onderzocht in hoeverre de productie van de bedrijfstak van de Unie van het betrokken product voor eigen gebruik bij de analyse in aanmerking moest worden genomen.

(34)

Het betrokken product wordt immers door de bedrijfstak van de Unie verkocht aan zowel a) de vrije markt als b) de markt voor eigen gebruik (binnen dezelfde groep van de onderneming). Op de markt voor eigen gebruik wordt het betrokken product gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van diverse producten, gebruikt in verf, kleefstoffen, coatings enz.

(35)

In deze context moet de verkoop van het betrokken product voor gebruik als grondstof voor de vervaardiging van andere producten voor ondernemingen in dezelfde groep worden beschouwd als verkoop voor "eigen gebruik", indien aan ten minste een van de volgende twee voorwaarden wordt voldaan: i) de verkoop vindt niet plaats tegen marktprijzen of ii) de afnemer heeft geen vrije keuze van leverancier binnen dezelfde groep ondernemingen. Tijdens het onderzoek werd voorlopig geconstateerd dat de verkoop aan verbonden entiteiten die het betrokken product aankopen als grondstof voor de vervaardiging van een verschillend product als verkoop voor eigen gebruik moest worden beschouwd; er werd geconstateerd dat deze verbonden entiteiten overeenkomstig het handelsbeleid van de ondernemingen geen vrije keuze van leverancier hadden.

(36)

Dit onderscheid was relevant voor de schadeanalyse. Voor eigen gebruik bestemd vinylacetaat bleek niet rechtstreeks te concurreren met de invoer uit het betrokken land. De voor verkoop op de vrije markt bestemde productie bleek daarentegen wel direct te concurreren met die invoer, omdat die verkoop onder normale marktvoorwaarden plaatsvond; dit houdt de vrije keuze van een leverancier in. Dit rechtvaardigde het onderscheid tussen de markt voor eigen gebruik en de vrije markt bij de analyse van bepaalde schade-indicatoren.

(37)

In dit verband werd geconstateerd dat de volgende economische factoren met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs konden worden onderzocht onder verwijzing naar de totale activiteit, d.w.z. met inbegrip van het eigen gebruik van de bedrijfstak van de Unie: productie, capaciteit, capaciteitsbenutting, investeringen, voorraden, werkgelegenheid, productiviteit, lonen en grootte van de dumpingmarge. Dat komt doordat die indicatoren worden beïnvloed ongeacht de vraag of het product downstream voor verdere verwerking binnen een onderneming of een groep van ondernemingen wordt gebruikt of op de vrije markt wordt verkocht.

(38)

Wat winstgevendheid, kasstroom, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken betreft, werd de analyse alleen op het niveau van de vrije markt uitgevoerd omdat het feit dat de prijzen op de markten voor eigen gebruik niet representatief zijn voor de normale marktomstandigheden van invloed is op de betrouwbaarheid van die indicatoren.

(39)

De andere economische indicatoren met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie, namelijk verbruik, verkoop, marktaandelen en prijzen op de markt van de Unie werden hoofdzakelijk geanalyseerd en beoordeeld op basis van de situatie op de vrije markt, met name waar meetbare marktvoorwaarden bestaan en waar transacties plaatsvinden onder normale marktvoorwaarden, wat een vrije leverancierskeuze inhoudt.

(40)

Voor die indicatoren werd de markt voor eigen gebruik echter in aanmerking genomen en vergeleken met de gegevens voor de vrije markt om vast te stellen of het waarschijnlijk was dat de situatie van de markt voor eigen gebruik de op de analyse van alleen de vrije markt gebaseerde bevindingen zou veranderen.

3.   Verbruik in de Unie

(41)

Het verbruik in de Unie werd vastgesteld door de totale ingevoerde hoeveelheid vinylacetaat, gebaseerd op de gegevens van Eurostat en getoetst aan de door de producenten-exporteurs voor invoer uit het betrokken land verstrekte en gecontroleerde gegevens, toe te voegen aan de totale verkoop op de markt van de Unie door de bedrijfstak van de Unie en de andere in de Unie gevestigde producent.

(42)

Gezien het kleine aantal leveranciers en de noodzaak om vertrouwelijke bedrijfsgegevens overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening te beschermen, is de ontwikkeling van het verbruik geïndexeerd.

Tabel 1

Verbruik in de Unie

Index (2007 = 100)

2007

2008

2009

OT

Totaal verbruik

100

90

87

99

Markt voor eigen gebruik

100

96

100

104

Vrije markt

100

88

82

97

(43)

In de beoordelingsperiode nam het verbruik op de totale markt van de Unie en op de vrije markt licht af met 1 % respectievelijk 3 %. Tijdens dezelfde periode werd echter een toename met 4 % op de markt voor eigen verbruik geregistreerd.

4.   Invoer uit het betrokken land

4.1.   Omvang en marktaandeel

(44)

De omvang en het marktaandeel van de invoer uit het betrokken land ontwikkelden zich als volgt:

Tabel 2

Invoer uit de Verenigde Staten van Amerika

Omvang invoer (t)

2007

2008

2009

OT

Verenigde Staten van Amerika

103 192

146 800

133 763

152 445

(Index 2007 = 100)

100

142

130

148

Marktaandeel op totale markt

(Index 2007 = 100)

100

159

150

149

Marktaandeel op vrije markt

(Index 2007 = 100)

100

162

157

152

Bron: Eurostat en van belanghebbenden verkregen informatie via de antwoorden op de vragenlijst.

(45)

Tijdens de beoordelingsperiode nam de invoer op de totale markt van de Unie (markt voor eigen gebruik en vrije markt) uit het betrokken land met 48 % toe. Dit leidde tot een vergroting van het marktaandeel met 49 % tijdens dezelfde periode. Het marktaandeel op de vrije markt steeg met 52 %.

4.2.   Invoerprijzen en prijsonderbieding

(46)

De gemiddelde prijzen van de invoer uit het betrokken land ontwikkelden zich als volgt:

Tabel 3

Prijs van de invoer uit de Verenigde Staten van Amerika

Invoerprijzen (EUR/t)

2007

2008

2009

OT

Verenigde Staten van Amerika

774

814

541

573

(Index 2007 = 100)

100

105

70

74

Bron: Eurostat

(47)

Hoewel in het OT een lichte stijging is geconstateerd, zijn de totale gemiddelde invoerprijzen uit het betrokken land tussen 2007 en het einde van het OT met 26 % gedaald.

(48)

Voor de verkoopprijzen op de markt van de Unie is een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt en de gemiddelde prijzen van de invoer uit het betrokken land. De relevante verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie werden zo nodig gecorrigeerd tot het niveau af fabriek, dit wil zeggen exclusief vervoerskosten in de Unie en na aftrek van rabatten en kortingen.

(49)

Deze prijzen zijn vergeleken met de prijzen die door de medewerkende producenten-exporteurs uit de VS worden aangerekend, zonder kortingen, en in voorkomend geval gecorrigeerd tot de cif-prijs, grens Unie, met een correctie voor de kosten van inklaring en de kosten na invoer.

(50)

Uit de vergelijking is gebleken dat de invoer van het betrokken product van alle medewerkende exporteurs tijdens het OT in de Unie werd verkocht tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden. De gemiddelde onderbieding, uitgedrukt als percentage van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, bedroeg 17,9 %, gebaseerd op de gecontroleerde gegevens van de medewerkende producenten-exporteurs. Deze prijsonderbieding ging gepaard met een negatieve prijsontwikkeling en een aanzienlijke inzakking van de prijs.

5.   Invoer uit andere derde landen

(51)

Onderstaande tabel laat de ontwikkelingen van de invoer uit andere derde landen zien.

Tabel 4

Uit andere derde landen ingevoerde hoeveelheid

Omvang invoer (t)

2007

2008

2009

OT

Verenigde Staten van Amerika

103 192

146 800

133 763

152 445

(Index 2007 = 100)

100

142

130

148

Saudi-Arabië

0

0

0

73 156

Andere

88 138

52 414

15 937

8 198

Index (2007 = 100)

100

59

18

9

Marktaandeel op totale markt

(Index 2007 = 100)

100

66

21

9

Marktaandeel op vrije markt

(Index 2007 = 100)

100

68

22

10

Bron: Eurostat

(52)

Aan het begin van de beoordelingsperiode concurreerde de invoer uit het betrokken land met andere landen, waaronder Taiwan, Oekraïne en Rusland. Aan het einde van de beoordelingsperiode was de invoer uit deze traditionele bronnen gedaald tot bijna nul.

(53)

Een nieuw exporterend land, Saudi-Arabië, dat tijdens het OT op de markt van de Unie actief werd, voerde in het OT circa 73 000 ton uit. Het effect van deze ontwikkeling op de bedrijfstak van de Unie wordt besproken in de overwegingen 91 e.v.

6.   Situatie van de bedrijfstak van de Unie

6.1.   Algemeen

(54)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een evaluatie van alle economische factoren en indicatoren in verband met de staat van de bedrijfstak van de Unie van 2007 tot het einde van het OT.

(55)

Macro-economische indicatoren (productie, productiecapaciteit, capaciteitsbenutting, verkoophoeveelheden, marktaandeel, werkgelegenheid, productiviteit, lonen en grootte van de dumpingmarges) alsook micro-economische indicatoren (voorraden, verkoopprijzen, winstgevendheid, kasstroom en rendement van investeringen, vermogen om kapitaal aan te trekken, investeringen en productiekosten) werden op het niveau van de hele bedrijfstak van de Unie beoordeeld. De beoordeling was gebaseerd op de informatie uit de door de bedrijfstak van de Unie ingediende gecontroleerde vragenlijsten.

(56)

Er zij op gewezen dat de klager zijn productie-installaties pas in 2007 verwierf; bijgevolg konden de gegevens voor bepaalde schade-indicatoren (winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement op investeringen, kasstroom) voor 2007 niet worden verkregen. Daarom bestrijkt de analyse voor deze indicatoren de periode 2008 tot het einde van het OT. Voor de resterende indicatoren waren cijfers voor 2007 beschikbaar. Voor die indicatoren bestrijkt de analyse daarom de gehele beoordelingsperiode (van 2007 tot het einde van het OT).

(57)

De klager richt zich op de volledige levering van het betrokken product aan de vrije markt, terwijl de andere producent in de Unie vooral aandacht besteedt aan de markt voor eigen gebruik met slechts een kleine, voor de vrije markt bestemde fractie. Rekening houdend met het feit dat de gegevens voor de schadeanalyse hoofdzakelijk afkomstig zijn van slechts twee bronnen, waarvan een hoofdzakelijk gericht is op de markt voor eigen gebruik, en gelet op het feit dat gebleken is dat voor een aantal schade-indicatoren een onderscheid moet worden gemaakt tussen de totale markt en de vrije markt, moesten de gegevens met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie worden geïndexeerd om de vertrouwelijkheid ervan te behouden overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening.

6.2.   Macro-economische indicatoren

6.2.1.   Productie, productiecapaciteit en capaciteitsbenutting

(58)

Onderstaande tabel laat de ontwikkeling zien van de productie, de productiecapaciteit en de capaciteitsbenutting van de totale bedrijfstak van de Unie:

Tabel 5

Totale productie, productiecapaciteit en capaciteitsbenutting in de Unie

(Index 2007 = 100)

2007

2008

2009

OT

Totale productie

100

105

102

92

Totale productiecapaciteit

100

121

126

143

Totale capaciteitsbenutting

100

87

81

64

(59)

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de totale productie in de Unie in de beoordelingsperiode met 8 % gedaald.

(60)

In dezelfde periode steeg de productiecapaciteit met 43 %. Deze toename van de capaciteit hield echter geen verband met de installatie van nieuwe productielijnen maar met de verbeterde efficiëntie bij de benutting van de bestaande capaciteit.

(61)

De combinatie van deze twee factoren, namelijk de afname van de geproduceerde hoeveelheid en de toename van de productiecapaciteit tijdens dezelfde periode, heeft geleid tot een significante verlaging van de capaciteitsbenutting met 36 % in de beoordelingsperiode.

6.2.2.   Omvang van de verkoop en marktaandeel

(62)

Onderstaande cijfers geven de omvang van de verkoop, het marktaandeel en de gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Unie aan, uitgesplitst naar totale markt, markt voor eigen gebruik en vrije markt.

Tabel 6

Omvang van de verkoop en marktaandeel

(Index 2007 = 100)

2007

2008

2009

OT

Totale verkoop

100

99

96

88

Marktaandeel (%)

100

110

111

88

Verkoop op de markt voor eigen gebruik

100

111

109

113

Marktaandeel (%)

100

115

108

109

Verkoop op de vrije markt

100

89

86

67

Marktaandeel (%)

100

102

104

69

(63)

De totale omvang van de verkoop daalde in de beoordelingsperiode met 12 %. Deze daling was nog groter op de vrije markt, waar de verkoop tussen 2007 en het einde van het OT met 33 % achteruitging. De markt voor eigen gebruik volgde een tegenovergestelde trend en de omvang van de verkoop nam in dezelfde periode met 13 % toe.

(64)

De daling van de verkochte hoeveelheid werd weerspiegeld in het marktaandeel dat tussen 2007 en het einde van het OT afnam met 11 % voor de gehele markt en met 31 % op de vrije markt. De markt voor eigen gebruik volgde opnieuw een tegenovergestelde trend en steeg met 9 % in dezelfde periode.

6.2.3.   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

Tabel 7

Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(Index 2007 = 100)

2007

2008

2009

OT

Totaal aantal werknemers

100

96

98

100

Totale productiviteit (eenheid/werknemer)

100

109

104

92

Totale jaarlijkse lonen

0

100

95

88

(65)

De totale werkgelegenheid bleef stabiel tussen 2007 en het einde van het OT. Er zij op gewezen dat de productie van vinylacetaat niet arbeidsintensief is en de werkgelegenheidscijfers zijn daarom niet nauw gekoppeld aan de productiecijfers. De werkgelegenheid is dan ook niet van significant belang als indicator in deze sector.

(66)

Tijdens de beoordelingsperiode nam de totale productiviteit per werknemer af met 8 % tussen 2007 en het einde van het OT. Deze ontwikkeling volgde de daling van de productie en de stijging van de productiecapaciteit, zoals uiteengezet in de overwegingen 58 e.v.

6.2.4.   Hoogte van de werkelijke dumpingmarge

(67)

De dumpingmarges zijn aangegeven in het onderdeel over dumping hierboven. Alle vastgestelde marges liggen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. Bovendien kan het effect van de werkelijke dumpingmarge, gezien de omvang en de prijzen van de invoer met dumping, niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

6.3.   Micro-economische indicatoren

6.3.1.   Algemene opmerkingen

(68)

De micro-economische indicatoren (voorraden, verkoopprijzen, winstgevendheid, kasstroom, en rendement van investeringen, vermogen om kapitaal aan te trekken en productiekosten) werden geanalyseerd op het niveau van de gehele bedrijfstak van de Unie, zoals vastgesteld in de overwegingen 28 e.v.

(69)

Van bovengenoemde indicatoren moest de beoordeling van de winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement van investeringen en kasstroom worden gericht op de vrije markt, wat betekent dat zij hoofdzakelijk de door de klager verstrekte gegevens zou weerspiegelen. Gezien het bovenstaande kon de ontwikkeling van de indicatoren winst en kasstroom om vertrouwelijksredenen niet in de vorm van een index worden aangegeven.

(70)

Zoals uiteengezet in overweging 56 kon de klager bovendien voor 2007 geen gegevens verstrekken betreffende bepaalde schade-indicatoren; daarom werd de analyse van die indicatoren uitgevoerd voor de periode 2008-einde van het OT.

6.3.2.   Voorraden

(71)

Onderstaande cijfers laten de ontwikkeling van de voorraden van de bedrijfstak van de Unie in elke beoordelingsperiode zien:

Tabel 8

Voorraden

Index (2007 = 100)

2007

2008

2009

OT

Totale voorraden

100

86

49

69

(72)

De voorraden namen in de beoordelingsperiode af met 31 %. Deze indicator mag echter niet als relevant voor deze sector worden beschouwd, aangezien de producenten van vinylacetaat op order produceren en beperkte voorraden aanhouden. De voorraden komen immers overeen met slechts enkele leveringsweken.

6.3.3.   Verkoopprijzen

(73)

De volgende tabel laat de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie zien, uitgesplitst naar totale markt, markt voor eigen gebruik en vrije markt.

Tabel 9

Verkoopprijzen

Index (2007 = 100)

2007

2008

2009

OT

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid totale markt

100

107

74

84

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid op markt voor eigen gebruik

100

115

82

92

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid op vrije markt

100

102

69

77

(74)

De verkoopprijzen voor de totale markt van de Unie namen in de beoordelingsperiode af met 16%. De verkoopprijzen daalden op beide markten; de daling was echter scherper op de vrije markt (–23 %) dan op de markt voor eigen gebruik (–8 %).

6.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, rendement van investeringen, vermogen om kapitaal aan te trekken en investeringen

(75)

De winstgevendheid voor het soortgelijke product op de vrije markt werd vastgesteld als de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie, uitgedrukt als percentage van de omzet.

(76)

De winstgevendheid op de vrije markt nam in de beoordelingsperiode af. Tijdens het OT werden voor elke maand verliezen gemeld. Dit was het effect van een sterke daling van zowel de verkochte hoeveelheden als de verkoopprijzen.

(77)

Uit onderstaande tabel blijkt dat de bedrijfstak van de Unie zijn investeringen in het betrokken product heeft verhoogd, ook al daalde de winstgevendheid. De investeringen waren hoofdzakelijk bedoeld om de productietechnologie en het productieproces te verbeteren en te handhaven om de efficiëntie te vergroten.

Tabel 10

Investeringen

Index (2008 = 100)

2007

2008

2009

OT

Totale investeringen

n.v.t.

100

129

127

(78)

De investeringen namen tijdens de beoordelingsperiode met 27 % toe.

(79)

Ondanks de toename van de investeringen beantwoordde het rendement op de investeringen (ROI) van het betrokken product niet aan het verwachte rendement en daalde het tussen 2008 en het einde van het OT.

(80)

Tussen 2008 en het einde van het OT werd ook een daling van de kasstroom geconstateerd. Dat wijst op een constante verslechtering van het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kasstroom te genereren en bijgevolg op een verzwakking van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(81)

Door de toename van zijn investeringen heeft de bedrijfstak daarom aangetoond dat hij nog steeds beschikt over het vermogen om kapitaal aan te trekken; dit vermogen wordt echter aangetast door de inzakkende verkoop en de toenemende moeilijkheden om kasstroom te genereren.

7.   Conclusie inzake schade

(82)

De analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie laat een neerwaartse trend voor de belangrijkste schade-indicatoren zien. Ondanks een vrij stabiel verbruik daalde de totale productie met 8 % in de beoordelingsperiode. Tijdens dezelfde periode verloor de bedrijfstak van de Unie 11 % van het totale marktaandeel en 33 % van het marktaandeel op de vrije markt. De capaciteitsbenutting daalde met 36 %. In dezelfde periode nam de invoer uit het betrokken land toe met 48 %.

(83)

Tijdens de beoordelingsperiode nam het totale verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie af met 12 %. Een sterkere neerwaartse trend wat de verkochte hoeveelheden betreft, kon worden geconstateerd op de vrije markt, waar de verkoop tijdens de beoordelingsperiode met 33 % omlaag ging.

(84)

De daling van de verkoopvolumes van de bedrijfstak van de Unie ging gepaard met een totale prijsdaling van 16 %. Zoals voor de verkochte hoeveelheden was de situatie nog slechter op de vrije markt waar een prijsdaling met 23 % werd geconstateerd. Het verkoopverlies tezamen met de prijsdaling had gevolgen voor de winstniveaus en leidde tot verliezen in elke maand van het OT.

(85)

De enige indicatoren die een positieve trend lieten zien, waren de investeringen die met 27 % toenamen, alsook het vermogen om kapitaal aan te trekken. De investeringen leverden echter niet het verwachte rendement op en daalden tussen 2008 en het einde van het OT.

(86)

Gezien het bovenstaande heeft het onderzoek bevestigd dat, mocht de situatie voortduren, de tijdens het onderzoek geconstateerde verliezen waarschijnlijk zouden leiden tot het einde van de omvangrijke productie van voor de vrije markt bestemd vinylacetaat door de bedrijfstak van de Unie.

(87)

Gezien de hierboven vermelde omstandigheden heeft de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade geleden.

E.   OORZAAK VAN DE SCHADE

1.   Inleiding

(88)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening werd onderzocht of de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade is veroorzaakt door de invoer met dumping uit het betrokken land. Verder zijn andere bekende factoren dan invoer met dumping, die de bedrijfstak van de Unie schade kunnen hebben berokkend, onderzocht om ervoor te zorgen dat de door die factoren veroorzaakte schade niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

2.   Effect van de invoer uit de VS

2.1.   Algemeen

(89)

Er is een duidelijke samenhang tussen de toename van de invoer met dumping tussen 2007 en het einde van het OT en het verlies van marktaandeel door de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode. Het onderzoek heeft ook het bestaan vastgesteld van de negatieve prijseffecten van de invoer met dumping, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Unie continu zijn onderboden en zijn winstgevendheid bijgevolg is verminderd.

(90)

Sommige partijen voerden aan dat de stijging van de invoer gewoonweg de invoer verving die vroeger door andere importerende landen werd verricht en/of te wijten was aan de toenemende vraag op de EU-markt. De invoercijfers (zie tabel 2) noch de verbruikscijfers (zie tabel 1) kunnen dit argument echter bevestigen. In deze context zij erop gewezen dat, zoals aangegeven in overweging 43, het verbruik in de beoordelingsperiode vrij stabiel was en zelfs licht is gedaald, terwijl de invoer uit de VS met 48 % is gestegen.

3.   Gevolgen van andere factoren

3.1.   Gevolg van de invoer uit andere derde landen

3.1.1.   Gevolg van de invoer uit Saudi-Arabië

(91)

Sommige belanghebbenden hebben aangevoerd dat de invoer van VAM uit Saudi-Arabië de oorzaak is van de schade van de bedrijfstak van de Unie.

(92)

Saudi-Arabië is immers, zoals vermeld in overweging 53 hierboven, de op één na grootste exporteur van VAM in de Unie na de VS. De invoer uit Saudi-Arabië is pas tijdens het OT op de markt gekomen.

(93)

De cijfers van Eurostat in tabel 11 hieronder laten de prijzen van de invoer uit Saudi-Arabië en andere derde landen zien.

Tabel 11

Verkoopprijzen van de uitvoer uit andere derde landen

Euro/t

2007

2008

2009

OT

Saudi-Arabië

n.b.

n.b.

n.b.

636

(Index OT = 100)

0

0

0

100

Andere

878

919

473

633

(Index 2007 = 100)

100

105

54

72

(94)

Uit de tabel blijkt dat de gemiddelde invoerprijs uit Saudi-Arabië van 636 euro vergelijkbaar was met die uit andere derde landen die gemiddeld 633 euro bedroeg, terwijl hij 11 % hoger was dan de gemiddelde VS-prijs van 573 euro.

(95)

Het feit dat de Saudi's actief zijn in hetzelfde prijssegment als andere importeurs met een significant prijsverschil in vergelijking met de VS-uitvoer toont aan dat de Saudische producenten-exporteurs zich anders gedragen dan de VS in termen van prijsbepaling en in termen van het mogelijke effect op de producenten in de Unie.

(96)

Om deze redenen kan voorlopig worden geconcludeerd dat de invoer uit Saudi-Arabië niet het oorzakelijke verband verbreekt tussen de invoer met dumping uit de VS en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.

3.2.   Gevolgen van de economische crisis

(97)

Sommige belanghebbenden voerden aan dat de afname van de productie en de verkochte hoeveelheden van de bedrijfstak van de Unie moest worden toegeschreven aan het dalende verbruik. Deze partijen stelden ook dat de neerwaartse trend in de gemiddelde verkoopprijzen door de wereldwijde economische crisis werd veroorzaakt.

(98)

Andere belanghebbenden argumenteerden dat alle petrochemische producenten, waaronder VAM-producenten, tijdens de economische crisis ernstige verliezen hebben geleden en dat daarom de door de bedrijfstak van de Unie geleden verliezen niet mogen worden toegeschreven aan de invoer met dumping uit het betrokken land.

(99)

Zoals vermeld in de overwegingen 41, 42 en 43 is uit dit onderzoek echter gebleken dat de daling van het verbruik van de Unie op de vrije markt tijdens de beoordelingsperiode te verwaarlozen was. Daarom kan het effect van de economische crisis in termen van een daling van het verbruik niet verantwoordelijk zijn voor de steile daling van het verkoopvolume, zoals aangegeven in de overwegingen 62, 63 en 64.

(100)

De analyse van de winstgevendheidscijfers van de vrije markt van de bedrijfstak van de Unie heeft aan het licht gebracht dat de VAM-activiteiten bijzondere verliezen hebben geleden in vergelijking met andere soortgelijke geproduceerde chemische producten. Bovendien herstelde de winstgevendheid van deze andere producten zich na de crisis, terwijl het slecht bleef gaan met de VAM-activiteiten. Dit leidt tot de voorlopige conclusie dat, hoewel de VAM-activiteiten zeer waarschijnlijk door de economische crisis zijn getroffen, er een onderscheid moet worden gemaakt tussen deze activiteiten en die van andere petrochemische sectoren wegens de verliezen die de klager ook na de crisis is blijven lijden en die direct verband hielden met de invoer uit de VS tegen lage prijzen. Het argument wordt daarom voorlopig afgewezen.

(101)

In het licht van het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de economische crisis niet tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade in die mate heeft bijgedragen dat zij het oorzakelijke verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de VS verbreekt.

3.3.   Zelf toegebrachte schade

(102)

Verscheidene belanghebbenden voerden aan dat de klager had bijgedragen tot zijn precaire situatie door tijdens de recessie extra productiecapaciteit op te bouwen. Er werd betoogd dat de daling van de verkoop en de winst daarom werd veroorzaakt door de combinatie van de recessie en de slechte bedrijfsvoering door de klager.

(103)

Verscheidene belanghebbenden voerden verder aan dat de in de fabriek van de klager gebruikte technologie de voornaamste schadeoorzaak is. Tijdens de beoordelingsperiode heeft de klager het hoofd moeten bieden aan verscheidene productieonderbrekingen en situaties van overmacht en er werd aangevoerd dat de daling van de verkoop van de klager moest worden toegeschreven aan de talrijke stopzettingen van de productie en niet aan de invoer met dumping uit de VSA. Soortgelijke argumenten werden aangedragen wat de winstgevendheid van de klager betreft.

(104)

Wat betreft het argument dat de klager zijn productiecapaciteit tijdens de mondiale economische neergang niet had mogen opvoeren, wordt eraan herinnerd dat de klager geen nieuwe capaciteit heeft gecrëerd maar zijn productiecapaciteit gewoonweg heeft uitgebreid door de optimalisering van de bestaande processen. Dit moet worden beschouwd als een redelijke bedrijfsvoering op een markt waar het totale verbruik stabiel is maar waar de verkoop inzakt wegens de concurrentie door invoer tegen lage prijzen. Dit argument wordt daarom voorlopig afgewezen.

(105)

Wat betreft het argument dat door technische problemen bij de klager veroorzaakte productieonderbrekingen tot de door de klager geleden schade hebben geleid, heeft het onderzoek aangetoond dat het productieproces voor VAM een cyclisch onderhoud en een cyclische sluiting van de fabriek op geregelde, geplande tijdstippen vereist. Daarom moeten drie van de vijf stopzettingen van de productie als onderdeel van de regelmatige exploitatie van een VAM-fabriek worden beschouwd.

(106)

Verder werd geconstateerd dat alle drie geplande onderbrekingen gebaseerd waren op bewuste beslissingen van de klager om de productie te stop te zetten wanneer de door de invoer met dumping veroorzaakte prijsdruk zodanig sterk was dat de klager niet in staat was om tegen houdbare prijzen te leveren. Tijdens deze stopzettingen had de klager voldoende voorraden voor de levering van de gevraagde lage volumes die contractueel waren overeengekomen of door spotverkopen waren verkregen. Bovendien bevestigen de dalende voorraden, als aangegeven in overweging 72, dat tijdens de beoordelingsperiode constante leveringen hebben plaatsgevonden.

(107)

Om deze redenen werd geconstateerd dat het algemene effect van de onderbrekingen van de productie door de klager niet van dien aard was dat het oorzakelijke verband werd verbroken. Daarom werden de door de belanghebbenden aangevoerde argumenten ten aanzien van de zelf toegebrachte schade afgewezen.

3.4.   Toegang tot grondstoffen: het natuurlijke concurrentievoordeel van producenten in het betrokken land

(108)

Verscheidene belanghebbenden voerden aan dat de afhankelijkheid van de klager van externe leveringen van grondstoffen in plaats van de invoer van dumping als een van de belangrijkste oorzaken van zijn problemen moest worden beschouwd. Er werd ook beweerd dat de VS-exporteurs een natuurlijk concurrentievoordeel hebben, aangezien zij toegang hebben tot goedkopere grondstoffen, nl. ethyleen en azijnzuur.

(109)

Wat betreft de beweerde problemen in verband met de grondstoffenbronnen die de klager ter beschikking staan, kon voornoemd argument niet worden aangehouden omdat werd geconstateerd dat de klager ook profiteert van preferentiële kanalen, materialen die afkomstig zijn van een eigen installatie van zijn leverancier op het fabrieksterrein, alsook van een zusteronderneming. Bijgevolg waren de prijzen van de belangrijkste grondstoffen vergelijkbaar met die welke verkrijgbaar zijn op de markt van het betrokken land.

(110)

Hieruit volgt de conclusie dat, hoewel de algemene prijzen van de belangrijkste voor de productie van VAM gebruikte grondstoffen in de VS inderdaad lager kunnen zijn geweest dan op de markt van de Unie, dit geen effect heeft gehad op de kosten van de klager.

(111)

Het feit dat het prijsverschil van grondstoffen slechts een gedeeltelijk effect kon hebben gehad op de door de klager ondervonden problemen, werd verder ondersteund door het feit dat significant betere winstgevendheidscijfers werden geregistreerd voor andere door de klager geproduceerde producten die dezelfde grondstoffen bevatten.

(112)

Om deze redenen wordt voorlopig geconcludeerd dat het effect van de grondstoffenprijzen niet van dien aard was dat het het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VS en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade heeft verbroken.

4.   Conclusie inzake de oorzaak van de schade

(113)

Er werd bijgevolg geconcludeerd dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de VS. Andere mogelijke oorzaken van schade, d.w.z. gevolgen van de invoer uit andere derde landen, gevolgen van de economische crisis, natuurlijk concurrentievoordeel van producenten-exporteurs in verband met grondstoffen en zelf berokkende schade, zijn geanalyseerd en geen daarvan had een zodanig effect op de situatie van de bedrijfstak van de Unie dat het vastgestelde oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VS en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade werd verbroken.

(114)

Op basis van voornoemde analyse van de effecten van alle bekende factoren inzake de situatie van de bedrijfstak van de Unie, werd daarom voorlopig geconcludeerd dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer met dumping uit de VS en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade tijdens het OT.

F.   BELANG VAN DE UNIE

1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(115)

Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade lijdt door de effecten van de invoer met dumping die zijn prijzen onderbiedt, zoals uiteengezet in de overwegingen 48 e.v.

(116)

De bedrijfstak van de Unie investeert om zijn efficiëntie te verbeteren en stroomlijnt geleidelijk zijn productieproces. Naar verwachting zullen de maatregelen verdere oneerlijke concurrentie door de invoer met dumping tegen lage prijzen voorkomen en bijgevolg het herstel van de situatie van de bedrijfstak van de Unie mogelijk maken.

(117)

Mochten geen maatregelen worden ingesteld, zijn de huidige financiële situatie en winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, zoals geanalyseerd in dit onderzoek in de overwegingen 54 e.v., niet sterk genoeg om verder weerstand te bieden tegen de door de invoer met dumping uitgeoefende druk. Dit zou waarschijnlijk leiden tot de stopzetting of significante vermindering van de productie van de bedrijfstak van de Unie voor de vrije markt.

(118)

In het licht van voornoemde analyse wordt verwacht dat de bedrijfstak van de Unie zal profiteren van de instelling van voorlopige maatregelen.

2.   Belang van importeurs

(119)

De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de twee bekende niet-verbonden importeurs die zich binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn kenbaar hadden gemaakt.

(120)

Uit het onderzoek is gebleken dat een relevant gedeelte van de totale omzet van een importeur betrekking heeft op het betrokken product.

(121)

Het effect van de rechten op de winstgevendheid van de importeur werd geanalyseerd. Uit de analyse is gebleken dat de op de invoer gemaakte winst resp. gevraagde hogere prijs zodanig is dat de instelling van maatregelen inderdaad zou kunnen leiden tot een daling van de winstgevendheid. Mochten maatregelen worden ingesteld, dan zouden zij bijgevolg uit kostenperspectief naar alle waarschijnlijkheid een effect op de bedrijfsactiviteiten van de importeur hebben. De importeur heeft echter bevestigd dat hij in staat zou zijn ten minste een deel van de kostenstijging aan zijn afnemers door te berekenen, gezien de huidige situatie op de markt, waar de vraag naar verwachting constant zal blijven. Uit het onderzoek is bovendien gebleken dat het voor de importeur mogelijk is het product te betrekken van andere producenten waarvoor het recht niet geldt, zoals Taiwanese exporteurs of producenten in de Unie.

(122)

Gezien het voorgaaande wordt geconcludeerd dat het effect van de instelling van maatregelen op importeurs beperkt zal zijn.

3.   Belang van gebruikers

(123)

De gebruikers hebben blijk gegeven van grote belangstelling voor deze zaak. Twaalf gebruikers hebben aan het onderzoek medegewerkt; twee daarvan zijn gecontroleerd op basis van het volume van de invoer uit het betrokken land. Deze ondernemingen zijn gevestigd in de gehele Unie en zijn actief in de sector van industriële toepassingen, zoals coatings, verf en kleefstoffen.

(124)

De invoer van de medewerkende gebruikers is goed voor ongeveer een derde van de totale invoer uit de VS op basis van cijfers van Eurostat. Het onderzoek heeft aangetoond dat de VAM-aankopen van de medewerkende gebruikers voor 30 % uit de VS en voor 57 % uit de EU afkomstig zijn.

(125)

Uit het onderzoek is verder gebleken dat de VAM-kosten gemiddeld ongeveer een derde uitmaakten van de productiekosten van de twee gecontroleerde gebruikers.

(126)

Sommige gebruikers voerden aan dat de instelling van maatregelen hun productiekosten zou doen stijgen en dat het moeilijk zou zijn om deze kostenstijging aan hun afnemers door te geven wegens de harde prijsconcurrentie op de markt. Zij betoogden dat deze moeilijkheid zou leiden tot een vermindering van het marktaandeel van de gebruikers ten voordele van hun concurrenten buiten de Unie of tot een omschakeling van het huidige productieproces op andere processen waarbij het betrokken product niet wordt gebruikt. Het definitieve gevolg van de maatregelen zou volgens hen een belangrijke verlaging van de winstmarges van de gebruikers zijn.

(127)

Twee van deze gebruikers waren van oordeel dat de verlaagde winstmarges zouden leiden tot minder investeringen in hun productie en dat bijgevolg de werkgelegenheid zou worden aangetast.

(128)

Wat het argument betreffende de verlaging van de winstmarge betreft, wordt, rekening houdend met de goede winstgevendheidsniveaus van de gebruikers, verwacht dat, mochten de gebruikers niet in staat zijn om de kostenstijging aan hun afnemers door te berekenen, de instelling van maatregelen hun winstmarges slechts licht zou doen afnemen. Daarom is het waarschijnlijk dat de investeringen in productie niet worden gestopt en dat er geen significant nadelig effect op de werkgelegenheid ontstaat. In het licht van het voorgaande wordt het argument afgewezen.

(129)

Wat betreft het argument dat de instelling van maatregelen op de invoer van het betrokken product het concurentievermogen van de gebruikers in de Unie zou aantasten omdat zij hun productiekosten zouden verhogen en de invoer van downstreamproducten uit andere derde landen zouden bevorderen, zij erop gewezen dat de rechten niet bedoeld zijn om de invoer te stoppen en dat het niveau van de maatregelen niet van dien aard is dat de gebruikers ervan af zouden zien om het product uit de VS te betrekken. Het doel van de antidumpingrechten is het opnieuw tot stand brengen van gelijke voorwaarden voor het betrokken product op de markt van de Unie. Op grond van het voorgaande en rekening houdend met het feit dat een derde van het door de gebruikers verbruikte VAM afkomstig is uit de VS, wordt het argument afgewezen.

(130)

Bovendien moet worden onderstreept dat veel gebruikers erop hebben gewezen dat wegens het kleine aantal leveringsbronnen van VAM de toereikende levering van VAM van oorsprong uit de Unie een prioriteit is. In dit verband zij eraan herinnerd dat het onderzoek heeft aangetoond dat het waarschijnlijk is dat de bedrijfstak van de Unie de levering van VAM op de vrije markt zal stopzetten als geen maatregelen worden ingesteld. In verband met de diversiteit van de levering zou het instellen van maatregelen dan ook in het belang van de gebruikers van de Unie zijn.

(131)

Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de eventuele negatieve effecten van de instelling van maatregelen op de gebruikers beperkt zullen zijn.

4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(132)

In het licht van het voorgaande wordt voorlopig geconcludeerd dat, op basis van de beschikbare informatie over het belang van de Unie, niet duidelijk kan worden geconcludeerd dat de instelling van voorlopige maatregelen op de invoer van vinylacetaat van oorsprong uit de VS niet in het belang van de Unie is.

G.   VOORSTEL VOOR VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(133)

Gezien de hierboven bereikte conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijke verband en het belang van de Unie, moeten voorlopige antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door invoer met dumping.

1.   Schademarge

(134)

Om het niveau van deze maatregelen te bepalen, werd rekening gehouden met de vastgestelde dumpingmarges en het bedrag aan rechten dat noodzakelijk is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen.

(135)

Bij de berekening van het recht dat nodig is om de gevolgen van de schade veroorzakende dumping op te heffen, werd ervan uitgegaan dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat moeten stellen om de productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te maken die bij normale concurrentie, dat wil zeggen bij afwezigheid van invoer met dumping, redelijkerwijs op de verkoop van het soortgelijke product in de Unie door een dergelijke bedrijfstak kan worden behaald.

(136)

Daarom werd de schademarge berekend op basis van een vergelijking tussen de gemiddelde prijs van de invoer met dumping en de streefprijs van de bedrijfstak van de Unie. De streefprijs werd vastgesteld door optelling van een streefwinstmarge bij de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. De streefwinstmarge werd voorlopig vastgesteld op 9,9 %. Deze winstmarge werd vastgesteld onder verwijzing naar de winstgevendheid op basis van het gemiddelde rendement (gemeten als EBITDA/verkoop) dat petrochemische ondernemingen die actief zijn in een soortgelijke sector als VAM in de periode 2007-2009 hebben gegenereerd.

(137)

De daaruit voortvloeiende prijsbederfmarges lbedragen meer dan 30 %.

2.   Voorlopige maatregelen

(138)

In het licht van het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening geoordeeld dat op de invoer van oorsprong uit het betrokken land voorlopige antidumpingrechten moeten worden ingesteld die moeten overeenstemmen met de dumpingmarge of met de schademarge indien deze lager is. In dit geval moet het recht bijgevolg worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarges.

(139)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dit onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op "alle andere ondernemingen") gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika die vervaardigd zijn door de ondernemingen en dus door de specifieke vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, inclusief entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor "alle andere ondernemingen".

(140)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na een naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie (3) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

(141)

Gelet op het voorgaande zijn de voorgestelde antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, voorlopig als volgt:

Onderneming

Dumpingmarge

Schademarge

Voorlopig recht

Celanese Ltd.

12,1  %

38,4  %

12,1  %

LyondellBasell Acetyls, LLC

13  %

65,8  %

13  %

The Dow Chemical Company

13,8  %

66,2  %

13,8  %

Alle andere ondernemingen

13,8  %

66,2  %

13,8  %

H.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(142)

Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen verzoeken te worden gehoord. Voorts dient te worden vermeld dat alle bevindingen betreffende de instelling van antidumpingrechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de vaststelling van definitieve bevindingen kunnen worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op vinylacetaat, momenteel ingedeeld onder GN-code 2915 32 00 , van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

2.   Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven product, vervaardigd door onderstaande ondernemingen, is als volgt:

Onderneming

Antidumpingrecht

Aanvullende TARIC-code

Celanese Ltd.

12,1  %

B233

LyondellBasell Acetyls, LLC

13  %

B234

The Dow Chemical Company

13,8  %

B235

Alle andere ondernemingen

13,8  %

B999

3.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kunnen belanghebbenden, binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening, opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB C 327 van 4.12.2010, blz. 23.

(3)   Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, België.


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/39


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 822/2011 VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 17 augustus 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0707 00 05

TR

105,8

ZZ

105,8

0709 90 70

TR

116,3

ZZ

116,3

0805 50 10

AR

78,3

CL

75,4

TR

61,0

UY

47,4

ZA

73,9

ZZ

67,2

0806 10 10

EG

136,4

TR

153,4

ZZ

144,9

0808 10 80

AR

164,4

BR

66,9

CA

98,2

CL

115,6

CN

71,5

NZ

105,3

US

167,9

ZA

97,4

ZZ

110,9

0808 20 50

AR

162,9

CL

81,6

CN

49,3

NZ

115,4

ZA

130,0

ZZ

107,8

0809 30

TR

143,3

ZZ

143,3

0809 40 05

BA

52,7

ZZ

52,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/41


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 823/2011 VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2010/11 zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 815/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2010/11 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 867/2010 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 17 augustus 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)   PB L 259 van 1.10.2010, blz. 3.

(4)   PB L 208 van 13.8.2011, blz. 82.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 17 augustus 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10  (1)

46,44

0,00

1701 11 90  (1)

46,44

0,97

1701 12 10  (1)

46,44

0,00

1701 12 90  (1)

46,44

0,68

1701 91 00  (2)

51,42

2,04

1701 99 10  (2)

51,42

0,00

1701 99 90  (2)

51,42

0,00

1702 90 95  (3)

0,51

0,21


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


BESLUITEN

17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/43


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

houdende wijziging van Beschikking 2005/240/EG tot toelating van een methode voor de indeling van geslachte varkens in Polen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5745)

(Slechts de tekst in de Poolse taal is authentiek)

(2011/506/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 43, onder m), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2005/240/EG van de Commissie (2) wordt het gebruik van vier methoden voor de indeling van geslachte varkens in Polen toegestaan.

(2)

Polen heeft verklaard dat de slachtwaarde van mestvarkens in Polen aanzienlijk is verbeterd sinds de vaststelling van Beschikking 2005/240/EG. Het is daarom nodig dat de formule van de methoden na bijna zes jaar gebruik sinds hun goedkeuring wordt bijgewerkt en er nieuwe, bijgewerkte indelingsmethoden worden verkregen en gebruikt teneinde de concurrentie te verhogen en goedkopere indelingsmethoden in te voeren.

(3)

Polen heeft de Commissie verzocht om toestemming voor de vervanging van de formule die wordt gebruikt in de indelingsmethoden „CAPTEUR GRAS/MAIGRE — SYDEL (CGM)”, „ULTRA-FOM 300”, „FULLY AUTOMATIC ULTRASONIC CARCASE GRADING (AUTOFOM)” en „IM-03” en om toestemming voor het gebruik van vier nieuwe methoden voor de indeling van geslachte varkens op zijn grondgebied, en heeft een protocol als bedoeld in artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/2008 van de Commissie van 10 december 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de communautaire indelingsschema’s voor runder-, varkens- en schapenkarkassen en voor de mededeling van de prijzen daarvan (3) ingediend met daarin een gedetailleerde beschrijving van de versnijdingsproef, inclusief de basisbeginselen van de methode, de resultaten van de versnijdingsproef en de vergelijkingen voor de beoordeling van het percentage mager vlees.

(4)

Uit het onderzoek van dit verzoek is gebleken dat aan de voorwaarden voor het toestaan van deze indelingsmethoden is voldaan. Deze indelingsmethoden dienen derhalve te worden toegestaan in Polen.

(5)

Beschikking 2005/240/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Wijzigingen van het apparaat of van de indelingsmethoden zijn verboden, tenzij deze expliciet bij een besluit van de Commissie worden toegestaan.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2005/240/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Voor de indeling van geslachte varkens overeenkomstig punt B.IV.1 van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 (*1) mogen in Polen de volgende methoden worden gebruikt:

a)

het „Capteur Gras/Maigre — Sydel (CGM)”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 1 van de bijlage;

b)

het „Ultra FOM 300”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 2 van de bijlage;

c)

het „Fully Automatic Ultrasonic Carcass Grading (Autofom)”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 3 van de bijlage;

d)

het „IM-03”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 4 van de bijlage;

e)

het „Autofom III”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 5 van de bijlage;

f)

het „CSB Image-Meater (CSB)”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 6 van de bijlage;

g)

het „Fat-O-Meater II (FOM II)”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 7 van de bijlage;

h)

de indelingsmethode „manuele methode (ZP)” en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel 8 van de bijlage.

Wat het in de eerste alinea, onder b), vermelde apparaat „Ultra FOM 300” betreft, moet na afloop van de meting op het geslachte varken kunnen worden nagegaan of het apparaat de waarden F1 en F2 heeft gemeten op het in deel 2, punt 3, van de bijlage voorgeschreven meetpunt. Dit punt moet tegelijk met de meting van een daarvoor bestemd merkteken worden voorzien.

De in de eerste alinea, onder h), vermelde manuele methode ZP is enkel toegestaan voor slachthuizen die een slachtlijn met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 40 varkens per uur hebben.

(*1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.”."

2)

De bijlage wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing met ingang van 12 december 2011.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Polen.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 74 van 19.3.2005, blz. 62.

(3)   PB L 337 van 16.12.2008, blz. 3.


BIJLAGE

„BIJLAGE

METHODEN VOOR DE INDELING VAN GESLACHTE VARKENS IN POLEN

Deel 1

CAPTEUR GRAS/MAIGRE — SYDEL (CGM)

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „Capteur Gras/Maigre — Sydel (CGM)” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is voorzien van een Sydel-hogedefinitiesonde met een diameter van 8 mm, een infraroodfotodiode (Honeywell) en twee fotoreceptoren (Honeywell). Het apparaat heeft een meetbereik van 0 tot 105 mm. De meetwaarden worden door het CGM-apparaat zelf omgerekend in een schatting van het aandeel mager vlees.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Ŷ = 59,42 + 0,1322 × M2 – 0,6275 × F2

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

M2

=

de rugspierdikte in millimeter, gemeten op 6 cm van de scheiding van het halve varken tussen de derde en vierde laatste rib, gemeten parallel aan de scheidingslijn van het geslachte varken;

F2

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in millimeter, gemeten in één handeling en op dezelfde plaats en dezelfde manier als M2.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 2

ULTRA FOM 300

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „Ultra FOM 300” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is uitgerust met een reeks ultrasone transductoren van 3,5 MHz (U-Systems). De meetwaarden worden door het Ultra-FOM-apparaat zelf omgezet in het geschatte magervleesaandeel.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Ŷ = 54,48 + 0,1272 × M1 – 0,3090 × F1 + 0,0828 × M2 – 0,2802 × F2

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

M1

=

de rugspierdikte in millimeter, gemeten bij de laatste rib op 7 cm van de scheiding van het halve varken bij de laatste rib, loodrecht op de spier;

M2

=

de rugspierdikte in millimeter, gemeten tussen de derde en de vierde laatste rib op 7 cm van de dorsale middellijn, loodrecht op de spier;

F1

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in millimeter, gemeten in één handeling en op dezelfde plaats en dezelfde manier als M1;

F2

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in millimeter, gemeten in één handeling en op dezelfde plaats en dezelfde manier als M2.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 3

FULLY AUTOMATIC ULTRASONIC CARCASS GRADING (AUTOFOM)

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „Autofom (Fully automatic ultrasonic carcass grading)” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is uitgerust met 16 ultrasone transductoren van 2 MHz (GE Inspection Technologies). De ultrasone gegevens omvatten de gemeten rugspek- en spierdikte. De meetwaarden worden door een computer omgerekend in het geschatte magervleesaandeel.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Ŷ = 62,9442 + (AF1_IP005 × – 0,018154) + (AF1_IP006 × – 0,027186) + (AF1_IP008 × – 0,047431) + (AF1_IP022 × – 0,011910) + (AF1_IP023 × – 0,071926) + (AF1_IP024 × 0,005814) + (AF1_IP034 × 0,029288) + (AF1_IP036 × 0,005096) + (AF1_IP038 × 0,010231) + (AF1_IP039 × 0,012659) + (AF1_IP041 × 0,022470) + (AF1_IP047 × – 0,007939) + (AF1_IP049 × – 0,075061) + (AF1_IP050 × – 0,028977) + (AF1_IP052 × – 0,091722) + (AF1_IP055 × – 0,060411) + (AF1_IP058 × – 0,098989) + (AF1_IP060 × – 0,064891) + (AF1_IP061 × – 0,065688) + (AF1_IP063 × – 0,064035) + (AF1_IP074 × – 0,078333) + (AF1_IP078 × – 0,078486) + (AF1_IP079 × – 0,035330) + (AF1_IP081 × – 0,048421) + (AF1_IP091 × – 0,107559) + (AF1_IP094 × 0,008816) + (AF1_IP096 × 0,000797) + (AF1_IP098 × 0,014608) + (AF1_IP103 × 0,007774) + (AF1_IP104 × 0,008251) + (AF1_IP122 × 0,012957)

Waarbij:

Ŷ = het geschatte aandeel mager vlees van het geslachte varken;

AF1_IP005, AF1_IP006, AF1_IP008 … AF1_IP122 = de door Autofom gemeten variabelen.

4.

De meetpunten en de statistische methode zijn beschreven in deel II van het protocol dat Polen bij de Commissie heeft ingediend op grond van artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/2008 van de Commissie (*1).

Deze formule is geldig voor geslachte varkens met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 4

IM-03

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „IM-03” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is voorzien van een optische naaldsonde (single line scanner SLS01) met een diameter van 7 millimeter. Op de sonde zijn in een lineaire opstelling CIS-sensoren (contact image sensors) en groene luminescentiedioden aangebracht. Het apparaat heeft een meetbereik van 0 tot 132 millimeter.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Ŷ = 60,55 + 0,1142 × M2 – 0,6292 × F2

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

M2

=

de rugspierdikte in millimeter, gemeten op 6 cm van de scheiding van het halve varken tussen de derde en vierde laatste rib, parallel aan de scheidingslijn van het geslachte varken;

F2

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in millimeter, gemeten in één handeling en op dezelfde plaats en dezelfde manier als M2.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 5

AUTOFOM III

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „Autofom III” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is uitgerust met zestien ultrasone transductoren van 2 MHz (Carometec A/S) met een meetbereik van 25 mm tussen de transductoren. De ultrasone gegevens omvatten de gemeten rugspek- en spierdikte en gerelateerde parameters. De meetwaarden worden door een computer omgezet in een schatting van het magervleesaandeel.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt op basis van 10 variabelen aan de hand van de onderstaande formule berekend:

Ŷ = 73,8876 + (AF3_R2P1 × –1,036616) + (AF3_R2P3 × – 0,180173) + (AF3_R2P13 × – 0,144679) + (AF3_R2P15 × – 0,221519) + (AF3_R3P5 × 0,136061) + (AF3_R4P4 × 0,249888) + (AF3_R4P5 × 0,330109) + (AF3_R4P6 × 0,184696) + (AF3_R4P8 × – 0,112875) + (AF3_R4P9 × – 0,113663)

waarbij:

Ŷ = het geschatte aandeel mager vlees van het geslachte varken;

R2P1, R2P3, R2P13 … R4P9 = de door Autofom III gemeten variabelen.

4.

De meetpunten zijn beschreven in deel II van het protocol dat Polen bij de Commissie heeft ingediend op grond van artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/2008.

Deze formule is geldig voor geslachte varkens met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 6

CSB IMAGE MEATER (CSB)

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „CSB Image Meater” genaamde apparaat.

2.

De CSB Image-Meater bestaat met name uit een videocamera, een PC met een beeldanalysekaart, een scherm, een printer, een besturingsmechanisme, een triggermechanisme en interfaces. De 5 variabelen van de Image Meater worden berekend op de scheidingslijn rond de M. gluteus medius.

De meetwaarden worden door een computer omgezet in een schatting van het magervleesaandeel.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Ŷ = 54,0770376148 – (0,4460170496 × MS) + (0,1046346719 × MF) – (0,0575429366 × VaF) + (0,2303135777 × VcF) – (0,1637971133 × VdF)

waarbij:

Ŷ = het geschatte aandeel mager vlees van het geslachte varken;

MS = gemiddelde vetbedekking boven de M. gluteus medius (mm),

MF = gemiddelde spierdikte van de lendenspier en de M. gluteus medius (mm);

VaF, VcF, VdF = gemiddelde spierdikte over de geselecteerde drie craniale lumbaal-vertebrale corpora (mm).

4.

De meetpunten zijn beschreven in deel II van het protocol dat Polen bij de Commissie heeft ingediend op grond van artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/2008.

Deze formule is geldig voor geslachte varkens met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 7

FAT-O-MEATER II (FOM II)

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „Fat-O-Meater II” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is een nieuwe versie van het Fat-O-Meater-meetsysteem. Het FOM II-apparaat bestaat uit een optische sonde met een mes, een instrument voor dieptemeting met een meetdiepte van 125 mm en een systeem voor de verzameling en analyse van gegevens — Carometec Touch Panel i15 computer (Ingress Protection IP69K).

Het FOM II-pistool bevat alle juridisch relevante gegevens en analyses. De terminal maakt deel uit van het FOM II-apparaat en is er volledig mee geïntegreerd.

De verkregen meetwaarden worden met behulp van een computer omgezet in een geschat aandeel mager vlees.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

Ŷ = 59,75 + 0,1533 × M2 – 0,6342 × F2

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

M2

=

de rugspierdikte in millimeter, gemeten tussen de derde en de vierde laatste rib op 7 cm van de dorsale middellijn, loodrecht op de spier;

F2

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in millimeter, gemeten in één handeling en op dezelfde plaats en dezelfde manier als M2.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 60 en 120 kg.

Deel 8

MANUELE METHODE (ZP)

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met de „manuele methode (ZP)” waarbij wordt gemeten met behulp van een liniaal.

2.

Bij deze methode kan gebruik worden gemaakt van een liniaal met een maatverdeling op basis van de voorspellingsvergelijking. Het gaat om een manuele meting van de spekdikte en de spierdikte op de scheiding van het halve varken.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

Ŷ = 52,61 – 0,6148 × F + 0,1842 × M

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

F

=

de op de scheiding van het halve varken zichtbare spekdikte, gemeten waar de speklaag op de M. gluteus medius het dunst is (mm);

M

=

de op de scheiding van het halve varken zichtbare dikte van de lendenspier, gemeten op de kortste afstand tussen het voorste (craniale) uiteinde van de M. gluteus medius en de bovenste (dorsale) rand van het wervelkanaal (mm).

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 60 en 120 kg.


(*1)   PB L 337 van 16.12.2008, blz. 3.”.


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/49


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

houdende wijziging van Beschikking 2005/382/EG tot toelating van een methode voor de indeling van geslachte varkens in Hongarije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5746)

(Slechts de tekst in de Hongaarse taal is authentiek)

(2011/507/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 43, onder m), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2005/382/EG van de Commissie (2) wordt het gebruik van vier methoden voor de indeling van geslachte varkens in Hongarije toegestaan.

(2)

Hongarije heeft verklaard dat de formule en de indelingsmethoden sinds de vaststelling van Beschikking 2005/382/EG een aanzienlijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het is daarom nodig dat de formule van een van de methoden wordt bijgewerkt, de drie andere methoden worden vervangen, een nieuwe methode wordt toegevoegd en de indelingsmethoden worden vereenvoudigd door het gebruik van slechts een meetpunt in plaats van de huidige twee meetpunten.

(3)

Hongarije heeft de Commissie verzocht om toestemming voor de vervanging van de formule die wordt gebruikt in de indelingsmethode „FAT-O-MEATER FOM S70 en FAT-O-MEATER FOM S71” en om toestemming voor het gebruik van vier nieuwe methoden voor de indeling van geslachte varkens op zijn grondgebied, en heeft een protocol als bedoeld in artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/2008 van de Commissie van 10 december 2008 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de communautaire indelingsschema’s voor runder-, varkens- en schapenkarkassen en voor de mededeling van de prijzen daarvan (3) ingediend met daarin een gedetailleerde beschrijving van de versnijdingsproef, inclusief de basisbeginselen van die methoden, de resultaten van de versnijdingsproef en de vergelijkingen voor de beoordeling van het percentage mager vlees.

(4)

Uit het onderzoek van dit verzoek is gebleken dat aan de voorwaarden voor het toestaan van deze indelingsmethoden is voldaan. Deze indelingsmethoden dienen derhalve te worden toegestaan in Hongarije.

(5)

Beschikking 2005/382/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Wijzigingen van het apparaat of van de indelingsmethoden zijn verboden, tenzij deze expliciet bij een besluit van de Commissie worden toegestaan.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2005/382/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Voor de indeling van geslachte varkens overeenkomstig punt B.IV.1 van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (*1) mogen in Hongarije de volgende methoden worden gebruikt:

a)

de „Fat-O-Meater FOM S70”- en „Fat-O-Meater FOM S71”-apparaten en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel I van de bijlage;

b)

het „Ultra FOM 300”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel II van de bijlage;

c)

het „OptiScan-TP”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel III van de bijlage;

d)

het „IM-03”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel IV van de bijlage;

e)

het „OptiGrade-MCP”-apparaat en de bijbehorende schattingsmethoden, die nader zijn beschreven in deel V van de bijlage.

Wat het in de eerste alinea, onder b), vermelde apparaat „Ultra FOM 300” betreft, moet na afloop van de meting op het geslachte varken kunnen worden nagegaan of het apparaat de waarden BF en LD heeft gemeten op het in deel II, punt 3, van de bijlage voorgeschreven meetpunt. Dit punt moet tegelijk met de meting van een daarvoor bestemd merkteken worden voorzien.

(*1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.”."

2)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing met ingang van 2 juli 2012.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Hongarije.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie

Dacian CIOLOŞ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 126 van 19.5.2005, blz. 55.

(3)   PB L 337 van 16.12.2008, blz. 3.


BIJLAGE

„BIJLAGE

METHODEN VOOR DE INDELING VAN GESLACHTE VARKENS IN HONGARIJE

Deel I

FAT-O-MEATER FOM S70 EN FAT-O-MEATER FOM S71

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met de „Fat-O-Meater FOM S70” en „Fat-O-Meater S71” genaamde apparaten.

2.

Deze apparaten zijn uitgerust met een sonde van 6 mm waarin een optische sonde van het type „Fremstillet AF Radiometer Copenhagen/Slagteriernes Forskningsinstitut Optisk Sonde MQ” is aangebracht en hebben een meetbereik van 5 tot 105 mm. De meetwaarden worden door een computer van respectievelijk het type S70 en S71 omgezet in een schatting van het aandeel mager vlees.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Ŷ = 63,78987 – 0,77968 × BF + 0,10715 × LD

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

BF

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in mm, gemeten op 6 cm van de scheiding van het halve varken tussen de tweede en derde laatste rib;

LD

=

de rugspierdikte in mm, in één handeling en op dezelfde plaats gemeten als BF.

Deze formule is geldig voor geslachte varkens met een gewicht tussen 50 en 120 kg.

Deel II

ULTRA FOM 300

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „Ultra FOM 300” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is uitgerust met een ultrasone sonde met een reeks transductoren die ultrasone golven met een frequentie van 3,5 MHz uitzenden. Het ultrasone signaal wordt door een microprocessor gedigitaliseerd, opgeslagen en verwerkt. De meetwaarden worden door het Ultra FOM 300-apparaat zelf omgezet in een schatting van het aandeel mager vlees.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

Ŷ = 69,38252 – 0,79120 × BF + 0,00994 × LD

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

BF

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in mm, gemeten op 7 cm van de scheiding van het halve varken tussen de tweede en derde laatste rib;

LD

=

de rugspierdikte in mm, in één handeling en op dezelfde plaats gemeten als BF.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 50 en 120 kg.

Deel III

OPTISCAN TP

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „OptiScan TP”genaamde apparaat.

2.

Het Optiscan-TP-apparaat is uitgerust met een digitale beeldvormer waarmee een lichtfoto van de twee meetpunten op de geslachte varkens wordt gemaakt. De beelden vormen de basis voor de berekening van de spek- en spierdikte volgens de tweepuntenmethode „Zwei-Punkte Messverfahren (ZP)”.

De meetwaarden worden door het Optiscan-TP-apparaat zelf omgezet in een schatting van het aandeel mager vlees. De foto’s worden opgeslagen en kunnen later worden gecontroleerd. De geïntegreerde bluetooth®-interface maakt een gemakkelijke gegevensoverdracht mogelijk.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

Ŷ = 58,31147 – 0,62677 × BF + 0,14664 × LD

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

BF

=

de minimale vetdikte (met inbegrip van het zwoerd) in millimeter boven de M. gluteus medius;

LD

=

de minimale spierdikte in millimeter tussen het voorste uiteinde van de M. gluteus medius en het dorsale deel van het mergkanaal.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 50 en 120 kg.

Deel IV

IM-03

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „IM-03” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is voorzien van een optische naaldsonde (single line scanner SLS01) met een diameter van 7 millimeter met een mes. Op de sonde zijn in een lineaire opstelling CIS-sensoren (contact image sensors) en groene luminescentiedioden aangebracht. Het apparaat heeft een meetbereik van 0 tot 132 millimeter. De meetwaarden worden door het IM-03-apparaat zelf omgezet in het geschatte magervleesaandeel.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

Ŷ = 59,63994 – 0,63951 × BF + 0,12083 × LD

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

BF

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in mm, gemeten op 6 cm van de scheiding van het halve varken tussen de tweede en derde laatste rib;

LD

=

de rugspierdikte in mm, in één handeling en op dezelfde plaats gemeten als BF.

De formule is geldig voor karkassen met een gewicht tussen 50 en 120 kg.

Deel V

OPTIGRADE-MCP

1.

De in dit deel vastgestelde voorschriften zijn van toepassing wanneer de geslachte varkens worden ingedeeld met het „OptiGrade-MCP” genaamde apparaat.

2.

Het apparaat is uitgerust met een optische sonde met een diameter van 6 millimeter, een infraroodfotodiode (Siemens) en een fototransistor (Siemens). Het meetbereik ligt tussen 0 en 110 mm.

De verkregen meetwaarden worden met behulp van een computer omgezet in een geschat magervleesaandeel.

3.

Het magervleesaandeel van het geslachte varken wordt berekend aan de hand van de onderstaande formule:

Ŷ = 61,45261 – 0,62941 × BF + 0,11736 × LD

waarbij:

Ŷ

=

geschat aandeel mager vlees van het geslachte varken;

BF

=

de rugspekdikte (met inbegrip van het zwoerd) in mm, gemeten op 6 cm van de scheiding van het halve varken tussen de tweede en de derde laatste rib;

LD

=

de rugspierdikte in mm, in één handeling en op dezelfde plaats gemeten als BF.

Deze formule is geldig voor geslachte varkens met een gewicht tussen 50 en 120 kg.”


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/53


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 augustus 2011

tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Litouwen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 5798)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/508/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,

Gezien Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (3), en met name artikel 11, lid 1, onder f),

Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (4), en met name artikel 4, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Litouwen hebben zich uitbraken van klassieke varkenspest voorgedaan.

(2)

In verband met de handel in levende varkens en bepaalde varkensproducten kunnen deze uitbraken een gevaar vormen voor de varkensbestanden in andere lidstaten.

(3)

Het is nodig de door Litouwen in het kader van Richtlijn 2001/89/EG genomen maatregelen te versterken.

(4)

Beschikking 2002/106/EG van de Commissie van 1 februari 2002 houdende goedkeuring van een diagnosehandboek tot vaststelling van diagnostische procedures, bemonsteringsprocedures en criteria voor de evaluatie van de resultaten van laboratoriumtests voor de bevestiging van klassieke varkenspest (5) voorziet in op het risico afgestemde bewakingsprotocollen.

(5)

De veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringseisen voor de handel in levende varkens zijn vastgesteld bij Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (6).

(6)

De veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringseisen voor de handel in varkenssperma zijn vastgesteld bij Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (7).

(7)

Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (8), heeft onder meer betrekking op de handel in embryo’s van varkens.

(8)

De modellen van gezondheidscertificaten voor de handel binnen de Unie in sperma, eicellen en embryo’s van schapen en geiten en in eicellen en embryo’s van varkens zijn vastgesteld bij Besluit 2010/470/EU van de Commissie van 26 augustus 2010 tot vaststelling van modellen van gezondheidscertificaten voor de handel binnen de Unie in sperma, eicellen en embryo’s van paardachtigen, schapen en geiten en in eicellen en embryo’s van varkens (9).

(9)

Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (10) betreft onder meer de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees, gehakt vlees, separatorvlees, vleesbereidingen, vlees van gekweekt wild, vleesproducten, met inbegrip van behandelde magen, blazen en darmen, en zuivelproducten.

(10)

Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (11) betreft onder andere het aanbrengen van een gezondheidsmerk op levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

(11)

Het is nodig het certificaat waarin Verordening (EG) nr. 599/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 tot vaststelling van een geharmoniseerd model voor een certificaat en inspectieverslag voor het intracommunautaire handelsverkeer in dieren en producten van dierlijke oorsprong (12) voorziet, aan te vullen met een officiële verklaring inzake de diergezondheid, die in een bijlage bij dit besluit moet worden opgenomen.

(12)

Artikel 6 van Beschikking 2007/275/EG van de Commissie van 17 april 2007 betreffende lijsten van dieren en producten die krachtens de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG van de Raad in grensinspectieposten controles moeten ondergaan (13) voorziet in een vrijstelling van de veterinaire controles voor bepaalde producten die dierlijke producten bevatten. De verzending van dergelijke producten uit gebieden waarvoor beperkingen gelden, dient onder toepassing van een vereenvoudigde certificeringsregeling te worden toegestaan.

(13)

Bij Richtlijn 92/118/EEG van de Raad (14) zijn veterinairrechtelijke en gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor het handelsverkeer in en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG.

(14)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (15) stelt veterinairrechtelijke voorschriften vast voor de verwerking van dierlijke bijproducten afkomstig van dieren in gebieden waarvoor beperkingen gelden.

(15)

Geneesmiddelen als omschreven in Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (16), Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (17) en Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (18) moeten, voor zover zij niet langer onder Verordening (EG) nr. 1069/2009 vallen, van de veterinairrechtelijke beperkingen van dit besluit worden uitgesloten.

(16)

Gezien de door Litouwen verstrekte informatie dienen in verband met klassieke varkenspest in dat land beschermende maatregelen te worden vastgesteld voor een voldoende lange periode om de nodige onderzoeken te kunnen voltooien.

(17)

De maatregelen moeten ook op zodanige wijze worden vastgesteld dat er zo weinig mogelijk contacten met bedrijven in bepaalde delen van Litouwen en tussen die bedrijven onderling zijn en bepaalde vormen van dienstverlening met betrekking tot varkens regionaal worden beperkt om verspreiding van het virus te voorkomen.

(18)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Litouwen zorgt ervoor dat geen varkens naar andere lidstaten of naar derde landen worden verzonden uit:

a)

de in bijlage I genoemde gebieden;

b)

bedrijven op zijn grondgebied die buiten de in bijlage I genoemde gebieden gelegen zijn maar sinds 1 maart 2011 varkens hebben ontvangen van een bedrijf dat in de in bijlage I genoemde gebieden gelegen is.

Artikel 2

Litouwen zorgt ervoor dat:

a)

geen varkens worden vervoerd van bedrijven die in de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden gelegen zijn;

b)

het vervoer van slachtvarkens van bedrijven buiten de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden naar slachthuizen in die gebieden alsmede de doorvoer van varkens door die gebieden alleen toegestaan zijn:

i)

via hoofdwegen of spoorlijnen, en

ii)

overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit verstrekte gedetailleerde instructies om te voorkomen dat deze varkens tijdens het vervoer en in het slachthuis direct of indirect in contact komen met andere varkens;

c)

geen varkens worden vervoerd uit de in bijlage I, deel B, genoemde gebieden naar andere gebieden in Litouwen, met uitzondering van het rechtstreekse vervoer van:

i)

slachtvarkens naar een slachthuis waar zij onmiddellijk worden geslacht, mits de varkens van een en hetzelfde bedrijf afkomstig zijn;

ii)

fok- en gebruiksvarkens naar een bedrijf, mits de varkens minimaal dertig dagen, of sinds hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan dertig dagen, hebben verbleven op één bedrijf:

dat in de laatste dertig dagen vóór de verzending van de varkens geen levende varkens heeft ontvangen, en

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd.

Artikel 3

1.   In afwijking van artikel 2, onder a), mag de bevoegde autoriteit het vervoer toestaan van varkens afkomstig van een bedrijf dat in de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden maar buiten een beschermings- of toezichtsgebied gelegen is:

a)

rechtstreeks naar een slachthuis in die gebieden, of in uitzonderingsgevallen naar aangewezen slachthuizen in Litouwen buiten die gebieden, waar zij onmiddellijk worden geslacht, mits de varkens worden verzonden van een bedrijf waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 3, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd;

b)

naar een bedrijf in die gebieden, mits de varkens minimaal 45 dagen, of sinds hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan 45 dagen, hebben verbleven op één bedrijf van herkomst:

i)

dat in de laatste 45 dagen vóór de verzending van de varkens geen levende varkens heeft ontvangen;

ii)

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, en punt 4, tweede, derde en vierde alinea, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd;

c)

naar een bedrijf in die gebieden, mits de varkens minimaal 45 dagen, of sinds hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan 45 dagen, hebben verbleven op één bedrijf van herkomst:

i)

dat in de laatste twintig dagen vóór de verzending van de varkens geen levende varkens heeft ontvangen, mits het bedrijf van herkomst in de laatste zes maanden vóór de verzending van de varkens geen andere varkens heeft ontvangen dan gelten van een en hetzelfde bedrijf;

ii)

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, en punt 4, tweede, derde en vierde alinea, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd;

d)

naar een bedrijf in die gebieden, mits de varkens minimaal 45 dagen, of sinds hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan 45 dagen, hebben verbleven op één bedrijf van herkomst:

i)

dat geen andere varkens heeft ontvangen dan gelten, die zijn onderworpen aan laboratoriumtests die zijn uitgevoerd op binnen tien dagen na de verzending genomen monsters, met negatieve resultaten voor de volgende tests:

een test voor het aantonen van antilichamen,

twee met een tussentijd van zeven dagen bij het nationale referentielaboratorium uitgevoerde tests voor het aantonen van het genoom van het klassieke-varkenspestvirus (RT-PCR);

ii)

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, en punt 4, tweede, derde en vierde alinea, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd.

2.   In afwijking van artikel 2, onder a), mag de bevoegde autoriteit toestaan dat varkens van een bedrijf in een toezichtsgebied rechtstreeks worden vervoerd naar een aangewezen bedrijf dat in hetzelfde toezichtsgebied gelegen is en waar nog geen varkens zijn, mits:

a)

op het aangewezen bedrijf van bestemming wordt voldaan aan de voorschriften van artikel 11, lid 1, onder f), en artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2001/89/EG;

b)

op het bedrijf waaruit de varkens worden verzonden, de onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd.

3.   In afwijking van artikel 2, onder a), mag de bevoegde autoriteit toestaan dat varkens van een bedrijf in een toezichtsgebied rechtstreeks worden vervoerd naar een aangewezen bedrijf in het beschermingsgebied, mits:

a)

het aangewezen bedrijf van bestemming op een afstand van minimaal tien kilometer van de grens met een andere lidstaat of een derde land gelegen is en op dat bedrijf gedurende ten minste 21 dagen na de datum waarop de reiniging en ontsmetting van het besmette bedrijf overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2001/89/EG zijn voltooid, geen varkens aanwezig zijn geweest;

b)

het aangewezen bedrijf van bestemming een derde reiniging en ontsmetting onder veterinair toezicht heeft ondergaan voordat de varkens er worden binnengebracht;

c)

alle varkens binnen een periode van twintig dagen op het aangewezen bedrijf van bestemming arriveren;

d)

de varkens op het aangewezen bedrijf van bestemming een serologisch onderzoek ondergaan overeenkomstig hoofdstuk IV, onder E, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG, aan de hand van monsters die op zijn vroegst veertig dagen na de aankomst van de laatste varkens op dat bedrijf zijn genomen;

e)

geen varkens het aangewezen bedrijf van bestemming verlaten, behalve wanneer zij worden vervoerd om rechtstreeks te worden geslacht in een slachthuis dat in de in bijlage I, deel A, vermelde gebieden gelegen is, mits de onder d) bedoelde onderzoeken zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd.

4.   De bevoegde autoriteit registreert de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde varkenstransporten en stelt de Commissie daarvan in kennis in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Artikel 4

Litouwen zorgt ervoor dat geen zendingen van de volgende producten naar andere lidstaten of naar derde landen worden verzonden:

a)

varkenssperma, tenzij het afkomstig is van beren die worden gehouden in een spermacentrum als bedoeld in artikel 3, onder a), van Richtlijn 90/429/EEG dat gelegen is buiten de in bijlage I genoemde gebieden;

b)

eicellen en embryo’s van varkens, tenzij die eicellen en embryo’s afkomstig zijn van varkens die worden gehouden op een bedrijf dat gelegen is buiten de in bijlage I genoemde gebieden.

Artikel 5

Litouwen zorgt ervoor dat:

1.

op het in bijlage F (model 2) bij Richtlijn 64/432/EEG opgenomen gezondheidscertificaat voor varkens de volgende vermelding wordt aangebracht als de dieren van Litouwen naar andere lidstaten worden verzonden:

„Deze dieren voldoen aan Uitvoeringsbesluit 2011/508/EU van de Commissie van 16 augustus 2011 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Litouwen.”;

2.

op het in bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG opgenomen diergezondheidscertificaat voor sperma van beren de volgende vermelding wordt aangebracht als het sperma van Litouwen naar andere lidstaten wordt verzonden:

„Dit sperma voldoet aan Uitvoeringsbesluit 2011/508/EU van de Commissie van 16 augustus 2011 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Litouwen.”;

3.

op de in bijlage V bij Besluit 2010/470/EU opgenomen gezondheidscertificaten voor eicellen en embryo’s van varkens de volgende vermelding wordt aangebracht als de eicellen en embryo’s van Litouwen naar andere lidstaten worden verzonden:

„Deze eicellen/embryo’s (doorhalen wat niet van toepassing is) voldoen aan Uitvoeringsbesluit 2011/508/EU van de Commissie van 16 augustus 2011 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Litouwen.”.

Artikel 6

1.   In afwijking van artikel 10, lid 3, onder f), vierde streepje, van Richtlijn 2001/89/EG mag Litouwen het bij artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde gezondheidsmerk aanbrengen en mag het toestaan dat vers vlees geen verdere behandeling overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2002/99/EG ondergaat in het geval van varkensvlees dat is verkregen van varkens die aan de volgende eisen voldoen:

a)

zij zijn geslacht binnen twaalf uur na aankomst in het slachthuis;

b)

zij komen van een bedrijf:

i)

dat gelegen is in een toezichtsgebied dat overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2001/89/EG is ingesteld in de in bijlage I, deel A, bij dit besluit genoemde gebieden, en rond een beschermingsgebied waar:

in de laatste 21 dagen voor het vervoer van de varkens naar het slachthuis geen uitbraak van klassieke varkenspest is geconstateerd en waar ten minste 21 dagen zijn verstreken sinds de ontsmetting van de besmette bedrijven;

na de ontdekking van klassieke varkenspest klinische onderzoeken naar die ziekte zijn uitgevoerd op alle bedrijven in die beschermings- en toezichtsgebieden en daarbij negatieve resultaten zijn verkregen;

ii)

dat van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om varkens naar een aangewezen slachthuis af te voeren, en

dat blijkens het epizoötiologisch onderzoek geen contact met een besmet bedrijf heeft gehad;

dat na de instelling van het toezichtsgebied regelmatig door een dierenarts is geïnspecteerd, waarbij telkens alle varkens op het bedrijf zijn gecontroleerd;

waar op alle varkens de klinische en laboratoriumonderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punten 1, 3, 4 en 5, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd.

2.   Litouwen ziet erop toe dat het in lid 1, onder a), bedoelde slachthuis:

a)

gelegen is in een van de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden;

b)

op dezelfde dag geen andere varkens dan de in lid 1 bedoelde opneemt.

3.   Litouwen zorgt ervoor dat de voor het vervoer van de in lid 1 bedoelde varkens gebruikte voertuigen na elk vervoer tweemaal worden gereinigd en ontsmet.

Artikel 7

1.   Litouwen zorgt ervoor dat het in artikel 6 bedoelde varkensvlees vergezeld gaat van een certificaat dat overeenkomstig de bijlage bij Verordening (EG) nr. 599/2004 is afgegeven en door de officiële dierenarts wordt aangevuld met de in bijlage II bij dit besluit opgenomen verklaring inzake de diergezondheid.

2.   Litouwen zorgt ervoor dat aan de Commissie en de lidstaten over de in artikel 6 bedoelde varkens het volgende wordt medegedeeld:

a)

vóór het slachten van de varkens, de naam en locatie van de voor het slachten van de varkens aangewezen slachthuizen;

b)

na het slachten van de varkens, wekelijks een verslag met informatie over:

i)

het aantal in de aangewezen slachthuizen geslachte varkens;

ii)

het identificatiesysteem en de verplaatsingscontroles die zijn toegepast met het oog op de naleving van artikel 11, lid 1, onder f), van Richtlijn 2001/89/EG.

Artikel 8

1.   Litouwen verzendt naar andere lidstaten of derde landen geen zendingen:

a)

producten van niet in de artikelen 6 en 7 bedoelde varkens uit de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden;

b)

producten verkregen van varkens uit de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden;

c)

gier en vaste mest van varkens uit de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden.

2.   Het in lid 1, onder a) en b), vastgestelde verbod geldt niet voor:

a)

van varkens verkregen producten die:

i)

een hittebehandeling hebben ondergaan:

in een hermetisch gesloten recipiënt, bij een Fo-waarde van ten minste 3,0, of

waarbij de kerntemperatuur op ten minste 70 °C wordt gebracht, of

ii)

buiten de in bijlage I genoemde gebieden overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1069/2009 zijn vervaardigd en die sinds de invoer in Litouwen tijdens de opslag en het vervoer gescheiden zijn gehouden van dierlijke producten die op grond van lid 1 niet mogen worden verzonden;

b)

bloed en bloedproducten als omschreven in de punten 2 en 4 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (19), die ten minste een van de behandelingen hebben ondergaan die zijn genoemd in hoofdstuk II, afdeling 2, punt 3.1, van bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 142/2011, gevolgd door een test op de doeltreffendheid, of die zijn ingevoerd overeenkomstig hoofdstuk II, afdeling 2, van bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 142/2011;

c)

reuzel en gesmolten vet die zijn verwerkt volgens verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk) of een van de andere verwerkingsmethoden als bedoeld in bijlage IV, hoofdstuk III, bij Verordening (EU) nr. 142/2011;

d)

voeder voor gezelschapsdieren dat aan de in hoofdstuk II, punt 3, onder a), en punt 3, onder b) i), ii) en iii), van bijlage XIII bij Verordening (EU) nr. 142/2011 vastgestelde eisen voldoet;

e)

jachttrofeeën overeenkomstig bijlage XIII, hoofdstuk VI, punt C.2, bij Verordening (EU) nr. 142/2011;

f)

varkenshaar, machinaal gewassen of via looiing verkregen, en onbewerkt varkenshaar, droog en veilig verpakt;

g)

verpakte dierlijke producten bestemd voor gebruik als in-vitrodiagnosticum of als laboratoriumreagens;

h)

geneesmiddelen als omschreven in Richtlijn 2001/83/EG, medische hulpmiddelen die zijn vervaardigd met gebruikmaking van dierlijk weefsel dat niet-levensvatbaar is gemaakt, als bedoeld in artikel 1, lid 5, onder g), van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad (20), geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als omschreven in Richtlijn 2001/82/EG en geneesmiddelen voor onderzoek als omschreven in Richtlijn 2001/20/EG;

i)

dierlijke darmen die voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk 2, deel A, van bijlage I bij Richtlijn 92/118/EEG, die zijn gereinigd, geslijmd en vervolgens gezouten, geblancheerd of gedroogd, waarna maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de darmen opnieuw worden verontreinigd;

j)

mengproducten waarvoor geen verdere behandeling vereist is en die producten van dierlijke oorsprong bevatten, met dien verstande dat de behandeling niet vereist is voor eindproducten waarvan de ingrediënten aan de desbetreffende bij dit besluit vastgestelde veterinairrechtelijke voorschriften voldoen.

3.   Litouwen ziet erop toe dat de in lid 2 bedoelde dierlijke producten die naar andere lidstaten worden verzonden, vergezeld gaan van een officieel certificaat met de volgende vermelding:

„Deze dierlijke producten voldoen aan Uitvoeringsbesluit 2011/508/EU van de Commissie van 16 augustus 2011 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Litouwen.”.

Artikel 9

In afwijking van artikel 8, lid 3, kan ermee worden volstaan, voor:

a)

de in artikel 8, lid 2, onder a) tot en met d) en i), bedoelde producten, dat de inachtneming van de eisen inzake de behandeling wordt vermeld in het handelsdocument dat krachtens de ter zake geldende wetgeving van de Unie is vereist en dat is aangevuld overeenkomstig artikel 10;

b)

de in artikel 8, lid 2, onder f), bedoelde producten, dat zij vergezeld gaan van een handelsdocument waarin wordt verklaard dat zij:

i)

machinaal gewassen zijn, of

ii)

via looiing verkregen zijn, of

iii)

voldoen aan de eisen van bijlage XIII, hoofdstuk VII, punt A.1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011;

c)

de in artikel 8, lid 2, onder g) en h), bedoelde producten, dat zij vergezeld gaan van een handelsdocument waarin wordt verklaard dat de producten bestemd zijn voor gebruik als in-vitrodiagnosticum, laboratoriumreagens, geneesmiddel of medisch hulpmiddel, op voorwaarde dat op de producten op duidelijke wijze de vermelding „uitsluitend voor gebruik als in-vitrodiagnosticum”, „uitsluitend voor gebruik als laboratoriumreagens”, „uitsluitend voor gebruik als geneesmiddel” of „uitsluitend voor gebruik als medisch hulpmiddel” is aangebracht;

d)

de in artikel 8, lid 2, onder j), genoemde producten die zijn vervaardigd in een inrichting die zowel HACCP toepast als een controleerbare standaardwerkmethode die garandeert dat ingrediënten die reeds een behandeling of verwerking hebben ondergaan, voldoen aan de desbetreffende bij dit besluit vastgestelde veterinairrechtelijke voorschriften, dat dit wordt vermeld in het handelsdocument dat de zending vergezelt en dat is aangevuld overeenkomstig artikel 10;

e)

de mengproducten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van Beschikking 2007/275/EG, dat zij vergezeld gaan van een handelsdocument met de volgende vermelding:

„Deze mengproducten zijn bij opslag bij omgevingstemperatuur stabiel of hebben tijdens de vervaardiging duidelijk door en door een volledig kook- of warmtebehandelingsproces ondergaan, zodat rauwe producten gedenatureerd zijn.”.

Artikel 10

1.   In de gevallen waarin naar dit artikel wordt verwezen, ziet de bevoegde autoriteit erop toe dat het krachtens de wetgeving van de Unie voor het handelsverkeer tussen de lidstaten vereiste handelsdocument wordt aangevuld met een kopie van een officieel certificaat waarin wordt verklaard dat:

a)

de betrokken producten zijn vervaardigd:

i)

met een productieproces dat gecontroleerd is, in overeenstemming is bevonden met de ter zake geldende veterinaire wetgeving van de Unie en geschikt is om het klassieke-varkenspestvirus te vernietigen, of

ii)

uit materiaal dat reeds een behandeling of bewerking heeft ondergaan en dat dienovereenkomstig is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de voorschriften van de artikelen 8 en 9, en

b)

bepalingen zijn vastgesteld om herbesmetting met het klassieke-varkenspestvirus na behandeling te vermijden.

2.   Het in lid 1 bedoelde certificaat:

a)

bevat een verwijzing naar dit besluit;

b)

is dertig dagen geldig;

c)

vermeldt de datum waarop de geldigheidsduur afloopt;

d)

kan worden hernieuwd nadat de inrichting is geïnspecteerd.

Artikel 11

1.   De bevoegde autoriteit bakent op het risico gebaseerde zones af in de in bijlage I genoemde gebieden.

2.   De diensten die worden verleend door personen die in direct contact met de varkens komen of de varkenshokken moeten binnengaan, blijven beperkt tot die op het risico gebaseerde zones en strekken zich niet uit tot andere delen van de Unie. Hetzelfde geldt voor diensten die het gebruik van voertuigen voor het vervoer van voeder, mest of dode dieren van en naar varkensbedrijven in de in bijlage I genoemde gebieden vereisen.

3.   Lid 2 geldt niet voor diensten op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de voertuigen, het materieel en alle andere levenloze meststofdragers zijn gereinigd en ontsmet;

b)

de personen, de voertuigen en het materieel waren gedurende ten minste drie dagen niet in direct contact met varkens of varkensbedrijven.

4.   Litouwen zorgt ervoor dat:

a)

de volgende toezichtsmaatregelen worden uitgevoerd in de in bijlage I genoemde gebieden:

i)

elk geval van een besmettelijke ziekte op een varkensbedrijf waarvoor een behandeling met een antibioticum of ander antibacterieel middel geïndiceerd is, wordt onverwijld, voordat met de behandeling wordt begonnen, bij de bevoegde autoriteit gemeld;

ii)

op de onder a) bedoelde varkensbedrijven verricht een dierenarts onverwijld de in hoofdstuk IV, onder A, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG bedoelde klinische onderzoeken en bemonsteringen;

b)

zo nodig preventieve ziektebestrijdingsmaatregelen worden genomen overeenkomstig artikel 4, lid 3, onder a), van Richtlijn 2001/89/EG;

c)

de varkenshouders adequaat worden voorgelicht.

Artikel 12

Litouwen zorgt ervoor dat in de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden:

a)

de in de beschermings- en toezichtsgebieden genomen maatregelen gedurende ten minste veertig dagen na de voltooiing van de voorlopige reiniging en ontsmetting van de besmette bedrijven van toepassing blijven;

b)

de varkens op alle bedrijven in de toezichtsgebieden, naast de in artikel 11, lid 3, onder b), van Richtlijn 2001/89/EG bedoelde onderzoeken en voordat de maatregelen van Richtlijn 2001/89/EG in het toezichtsgebied worden ingetrokken, de klinische en laboratoriumonderzoeken hebben ondergaan overeenkomstig hoofdstuk IV, onder F, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG; die onderzoeken mogen pas ten vroegste dertig dagen na de voltooiing van de voorlopige reiniging en ontsmetting van de besmette bedrijven worden uitgevoerd.

Artikel 13

1.   Andere lidstaten dan Litouwen zenden geen varkens naar slachthuizen in de in bijlage I, deel A, genoemde gebieden.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

de voor het vervoer van varkens in Litouwen gebruikte voertuigen na elk vervoer in die lidstaat tweemaal worden gereinigd en ontsmet en gedurende ten minste drie dagen na de ontsmetting niet worden gebruikt voor het vervoer van varkens;

b)

de voertuigen die op een bedrijf in Litouwen geweest zijn waar varkens worden gehouden, tweemaal worden gereinigd en ontsmet nadat zij dat bedrijf hebben verlaten en gedurende ten minste drie dagen na de ontsmetting niet worden gebruikt voor het vervoer van varkens;

c)

de vervoerders aan de bevoegde autoriteit het bewijs leveren dat die reiniging en ontsmetting zo hebben plaatsgevonden.

Artikel 14

De lidstaten wijzigen de maatregelen die zij op het handelsverkeer toepassen zodanig dat zij in overeenstemming worden gebracht met dit besluit en geven onmiddellijk de nodige bekendheid aan de vastgestelde maatregelen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 15

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 oktober 2011.

Artikel 16

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 16 augustus 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)   PB L 316 van 1.12.2001, blz. 5.

(4)   PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(5)   PB L 39 van 9.2.2002, blz. 71.

(6)   PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(7)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62.

(8)   PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(9)   PB L 228 van 31.8.2010, blz. 15.

(10)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(11)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.

(12)   PB L 94 van 31.3.2004, blz. 44.

(13)   PB L 116 van 4.5.2007, blz. 9.

(14)   PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49.

(15)   PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(16)   PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(17)   PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(18)   PB L 121 van 1.5.2001, blz. 34.

(19)   PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1.

(20)   PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1.


BIJLAGE I

Deel A:

De gemeenten Jonava, Kaišiadorys, Kaunas en Kėdainiai in het district Kaunas en de gemeenten Ukmergė en Širvintos in het district Vilnius.

Deel B:

Het gehele grondgebied van Litouwen, met uitzondering van het in deel A vermelde gebied.


BIJLAGE II

Image 1

Tekst van het beeld

Rectificaties

17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/62


Rectificatie van Beschikking 2009/894/EG van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor houten meubelen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 320 van 5 december 2009 )

Bladzijde 28, criterium 3, onder e):

in plaats van:

„e)   Formaldehyde dat vrijkomt uit onbehandelde grondstoffen op houtbasis

Materialen op houtbasis zijn slechts toegestaan in een meubelstuk wanneer zij voldoen aan de volgende eisen:

i)

Spaanplaat: het formaldehyde dat uit spaanplaat in onbewerkte vorm vrijkomt, dus voorafgaand aan machinale bewerking of het aanbrengen van een coating, mag niet meer bedragen dan 50 % van de drempelwaarde waardoor de spaanplaat overeenkomstig EN 312 als E1 kan worden geclassificeerd.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet bewijsmateriaal indienen dat de materialen op houtbasis overeenkomstig de Europese norm EN 312-1 aan deze eis voldoen.

ii)

Vezelplaat: het formaldehyde dat wordt gemeten in een vezelplaat mag niet meer bedragen dan 50 % van de drempelwaarde waardoor de vezelplaat overeenkomstig EN 622-1 kan worden geclassificeerd als vezelplaat met de kwaliteit van klasse A. Als klasse A geclassificeerde vezelplaat wordt echter geaccepteerd indien de vezelplaat niet meer dan 50 % van al het gebruikte hout en alle gebruikte materialen op houtbasis in het product uitmaakt.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet bewijsmateriaal indienen dat de materialen op houtbasis overeenkomstig de Europese norm EN 622-1 aan deze eis voldoen.”,

te lezen:

„e)   Formaldehyde dat vrijkomt uit onbehandelde grondstoffen op houtbasis

Materialen op houtbasis zijn slechts toegestaan in een meubelstuk wanneer zij voldoen aan de volgende eisen:

i)

Spaanplaat: het formaldehyde dat uit spaanplaat in onbewerkte vorm vrijkomt, dus voorafgaand aan machinale bewerking of het aanbrengen van een coating, mag niet meer bedragen dan 50 % van de drempelwaarde waardoor de spaanplaat overeenkomstig EN 312 als E1 kan worden geclassificeerd.

ii)

Vezelplaat: het formaldehyde dat uit vezelplaat in onbewerkte vorm vrijkomt, dus voorafgaand aan machinale bewerking of het aanbrengen van een coating, mag niet meer bedragen dan 50 % van de drempelwaarde waardoor de vezelplaat overeenkomstig EN 622-1 kan worden geclassificeerd als vezelplaat van kwaliteit E1. Als E1 geclassificeerde vezelplaat wordt echter geaccepteerd indien de vezelplaat niet meer dan 50 % van al het gebruikte hout en alle gebruikte materialen op houtbasis in het product uitmaakt.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet bewijsmateriaal indienen dat de emissie uit de materialen op houtbasis lager is dan 4 mg/100 g zoals bepaald overeenkomstig EN 120 (perforatormethode) of minder dan 0,062 mg/m3 zoals bepaald overeenkomstig EN 717-1 (kamermethode). Daarenboven moet een verklaring worden overgelegd dat een productiecontrolesysteem in de fabriek overeenkomstig EN 312 of EN 622-1 is opgezet.”.

Bladzijde 29, criterium 4, onder c):

in plaats van:

„c)   Formaldehyde

De emissie van formaldehyde uit stoffen en preparaten voor oppervlaktebehandeling waaruit formaldehyde vrijkomt, dient lager dan 0,05 ppm te zijn.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet een verklaring indienen dat aan bovenstaande eis wordt voldaan, alsmede informatie over de formulering van de oppervlaktebehandeling (bijvoorbeeld een veiligheidsinformatieblad).”

te lezen:

„c)   Formaldehyde

De emissie van formaldehyde uit stoffen en preparaten voor oppervlaktebehandeling waaruit formaldehyde vrijkomt, dient lager dan 0,062 mg/m3 te zijn.

Beoordeling en controle: de aanvrager en/of zijn leverancier moet een verklaring indienen dat aan bovenstaande eis wordt voldaan; deze verklaring dient vergezeld te gaan van informatie over de formulering van de oppervlaktebehandeling (bijvoorbeeld een veiligheidsinformatieblad), dan wel van testresultaten die aantonen dat de maximale formaldehyde-emissiewaarde de medegedeelde grenswaarde niet overschrijdt (op basis van EN 717-1).”.


17.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 209/63


Rectificatie van Besluit 2010/320/EU van de Raad van 8 juni 2010 gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 145 van 11 juni 2010 )

Voorblad en bladzijde 6, titel:

in plaats van:

„Besluit van de Raad van 8 juni 2010 gericht tot Griekenland …”,

te lezen:

„Besluit van de Raad van 10 mei 2010 gericht tot Griekenland …”.

Bladzijde 11, formule betreffende de plaats en datum van vaststelling:

in plaats van:

„Gedaan te Luxemburg, 8 juni 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO”,

te lezen:

„Gedaan te Brussel, 10 mei 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

E. SALGADO”.