ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.097.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 97

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
12 april 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 348/2011 van de Raad van 8 april 2011 houdende uitvoering van Verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust

1

 

*

Verordening (EU) nr. 349/2011 van de Commissie van 11 april 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wat statistieken over arbeidsongevallen betreft ( 1 )

3

 

*

Verordening (EU) nr. 350/2011 van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1251/2008 wat betreft de voorschriften voor het in de handel brengen van zendingen van Japanse oesters, bestemd voor lidstaten of delen daarvan waarvoor nationale maatregelen betreffende het Ostreid herpesvirus 1 μνar (OsHV-1 μνar) zijn goedgekeurd bij Besluit 2010/221/EU ( 1 )

9

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 351/2011 van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 297/2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima ( 1 )

20

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 352/2011 van de Commissie van 11 april 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

24

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 353/2011 van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

26

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2011/38/EU van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG ten aanzien van maximale pH-waarden voor trombocytenconcentraten tegen het einde van de bewaartermijn ( 1 )

28

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2011/39/EU van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde fenazaquin op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie ( 1 )

30

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2011/40/EU van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om sintofen als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie ( 1 )

34

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2011/41/EU van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om dithianon op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie ( 1 )

38

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2011/42/EU van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om flutriafol als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie ( 1 )

42

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit 2011/230/GBVB van de Raad van 8 april 2011 tot uitvoering van Besluit 2010/656/GBVB tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust

46

 

 

2011/231/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 11 april 2011 waarbij aan bepaalde lidstaten een afwijking wordt toegestaan ten aanzien van de statistieken die ingevolge Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk moeten worden ingediend (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2403)

47

 

 

2011/232/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 11 april 2011 tot wijziging van Beschikking 2000/367/EG tot vaststelling van een systeem voor de indeling in klassen van brandwerendheid van voor de bouw bestemde producten, bouwwerken en delen daarvan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2417)  ( 1 )

49

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 348/2011 VAN DE RAAD

van 8 april 2011

houdende uitvoering van Verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Verordening (EG) nr. 560/2005 van de Raad van 12 april 2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (1), en met name artikel 11 bis, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 april 2005 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 560/2005 vastgesteld.

(2)

Gelet op de ontwikkelingen in Ivoorkust dient de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage I bis van Verordening (EG) nr. 560/2005 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening genoemde entiteiten worden geschrapt uit de lijst in bijlage I bis bij Verordening (EG) nr. 560/2005.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 april 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

MARTONYI J.


(1)   PB L 95 van 14.4.2005, blz. 1.


BIJLAGE

ENTITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 1

1.

SIR (Société Ivoirienne de Raffinage) (Ivoriaanse Raffinagemaatschappij)

2.

Port autonome d’Abidjan (Autonome haven van Abidjan)

3.

Port autonome de San Pedro (Autonome haven van San Pedro)

4.

CGFCC (Comité de Gestion de la Filière Café et Cacao) (Comité van beheer voor de bedrijfstak koffie-cacao)


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/3


VERORDENING (EU) Nr. 349/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wat statistieken over arbeidsongevallen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (1), en met name artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1338/2008 is een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de systematische productie van Europese statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk.

(2)

Ingevolge artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1338/2008 moeten uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld om de te verstrekken gegevens en metagegevens over de onder bijlage IV bij die verordening vallende arbeidsongevallen, alsook de referentieperioden, frequentie en termijnen voor de gegevensverstrekking vast te stellen.

(3)

Vertrouwelijke gegevens die de lidstaten aan de Commissie (Eurostat) zenden, moeten worden behandeld overeenkomstig het beginsel van statistische geheimhouding, zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (2), en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (3).

(4)

Overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1338/2008 is een kosten-batenanalyse uitgevoerd en geëvalueerd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „arbeidsongeval”: een afzonderlijk voorval tijdens het werk dat leidt tot lichamelijke of geestelijke schade. Met „tijdens het werk” wordt bedoeld „terwijl de betrokkene bezig was met beroepsarbeid of gedurende de op het werk doorgebrachte tijd”. Ongevallen in het wegverkeer tijdens het werk zijn hierbij inbegrepen, maar ongevallen tijdens het woon-werkverkeer, d.w.z. verkeersongevallen die tijdens het traject tussen de woning en het werk plaatsvinden, niet;

b)   „dodelijk ongeval”: een ongeval dat leidt tot het overlijden van het slachtoffer binnen een jaar na het ongeval;

c)   „economische activiteit van de werkgever”: de voornaamste „economische” activiteit van de lokale eenheid van de onderneming van het slachtoffer;

d)   „leeftijd”: de leeftijd van het slachtoffer ten tijde van het ongeval;

e)   „soort letsel”: de lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer;

f)   „geografische locatie”: de territoriale eenheid waar het ongeval zich heeft voorgedaan;

g)   „grootte van het bedrijf”: het aantal werknemers (voltijdequivalenten) in de lokale eenheid van de onderneming van het slachtoffer;

h)   „nationaliteit van het slachtoffer”: het land van staatsburgerschap;

i)   „verloren dagen”: het aantal kalenderdagen waarop het slachtoffer arbeidsongeschikt is als gevolg van een arbeidsongeval;

j)   „werkplek”: het gebruikelijke dan wel het occasionele karakter van de werkplek van het slachtoffer ten tijde van het ongeval;

k)   „soort plaats”: de werkplek, de algemene omgeving of de werkruimte waar het ongeval zich heeft voorgedaan;

l)   „soort werk”: aard van het werk of de taak (algemene activiteit) van het slachtoffer ten tijde van het ongeval;

m)   „specifieke fysieke activiteit”: de precieze fysieke activiteit van het slachtoffer op het moment dat het ongeval zich voordeed;

n)   „bij de specifieke fysieke activiteit betrokken voorwerp”: het werktuig, voorwerp of instrument dat het slachtoffer gebruikte toen het ongeval zich voordeed;

o)   „afwijkende gebeurtenis”: de laatste, van de normale gang van zaken afwijkende gebeurtenis, die aanleiding gaf tot het ongeval;

p)   „bij de afwijkende gebeurtenis betrokken voorwerp”: het werktuig, voorwerp of instrument dat bij de abnormale gang van zaken betrokken was;

q)   „contact — wijze van verwonding”: de wijze waarop het slachtoffer werd getroffen (fysiek contact of psychische schok) door het voorwerp dat het letsel veroorzaakte;

r)   „bij het contact betrokken voorwerp —wijze van verwonding”: het voorwerp, werktuig of instrument waarmee het slachtoffer in aanraking kwam of de psychische oorzaak van het letsel.

Artikel 2

Vereiste gegevens

1.   De lidstaten zenden de Commissie (Eurostat) microgegevens over personen die tijdens de referentieperiode een arbeidsongeval hebben gehad, alsook de desbetreffende metagegevens. Bijlage I bevat de lijst van naar de Commissie (Eurostat) te zenden variabelen, waarbij is aangegeven welke variabelen verplicht en facultatief zijn en over welk jaar de eerste gegevens moeten worden ingediend.

2.   De indiening van gegevens over arbeidsongevallen van zelfstandigen, meewerkende gezinsleden en studenten geschiedt op vrijwillige basis.

3.   Op gegevens over de arbeidsongevallen voor de in bijlage II vermelde beroepen zijn de geheimhoudingsvoorschriften van de nationale wetgeving van toepassing en de indiening van deze gegevens geschiedt op vrijwillige basis.

4.   De gegevens over arbeidsongevallen die tijdens het referentiejaar hebben plaatsgevonden, worden bij voorkeur aan registers en andere administratieve bronnen ontleend. Wanneer dit niet mogelijk is, mogen schattingen en toerekeningen worden gebruikt om hiaten in de dekking van de gegevens aan te vullen, ook als deze berusten op gegevens van enquêtes, en niet op gegevens per geval.

Artikel 3

Referentieperiode

De referentieperiode is het kalenderjaar waarin de ongevallen aan de bevoegde nationale instanties worden gemeld.

Artikel 4

Metagegevens

1.   Bij de gegevens zenden de lidstaten een jaarlijkse verificatie en aanpassing van de metagegevens naar de Commissie (Eurostat).

2.   De metagegevens worden toegezonden volgens een door de Commissie (Eurostat) gespecificeerd standaardmodel en betreffen de in bijlage III vermelde onderwerpen.

Artikel 5

Indiening van gegevens en metagegevens bij de Commissie (Eurostat)

1.   De lidstaten dienen de gegevens en metagegevens binnen achttien maanden na het einde van de referentieperiode in volgens een door de Commissie (Eurostat) gespecificeerde uitwisselingsstandaard.

2.   De gegevens en metagegevens worden via het centrale punt voor gegevenstoezending elektronisch bij de Commissie (Eurostat) ingediend.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70.

(2)   PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

(3)   PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE I

LIJST VAN VARIABELEN

Europese statistieken over arbeidsongevallen (ESAO), variabelen voor de fasen I en II

Variabelen

Specificaties

Eerste jaar van gegevenindiening

Zaaknummer

Uniek zaaknummer om elk individueel dossier te identificeren en om te waarborgen dat elk dossier een afzonderlijk arbeidsongeval betreft.

Het gekozen zaaknummer moet worden voorafgegaan door de vier cijfers van het jaar waarin het ongeval aan de bevoegde nationale instanties is gemeld.

2013

Economische activiteit van de werkgever

4-cijferniveau van de NACE Rev. 2 (1)

2013 voor de secties

A en C t/m N van de NACE Rev. 2

2015 voor de secties

B en O t/m S van de NACE Rev. 2.

Beroep van het slachtoffer

2-cijferniveau van de ISCO-08

2013

Leeftijd van het slachtoffer

Getal van 2 cijfers

2013

Geslacht van het slachtoffer

1-cijferige code

2013

Soort letsel

3-cijferversie van de ESAO-classificatie voor „Soort letsel” volgens de ESAO-methodiek

2013

Verwond deel van het lichaam

2-cijferversie van de classificatie voor „Verwond deel van het lichaam” volgens de ESAO-methodiek

2013

Geografische locatie van het ongeval

5-cijferige code volgens de NUTS-classificatie (2)

2013

Datum van het ongeval

Numerieke variabele bestaande uit jaar, maand en dag

2013

Tijdstip van het ongeval

2-cijferige variabele die tijdsintervallen van 1 uur aangeeft volgens de ESAO-methodiek

facultatief

Grootte van het bedrijf

Categorieën volgens de ESAO-methodiek

facultatief

Nationaliteit van het slachtoffer

Categorieën volgens de ESAO-methodiek

facultatief

Arbeidssituatie van het slachtoffer

Categorieën volgens de ESAO-methodiek

2013

Verloren dagen (ernst)

Categorieën volgens de ESAO-methodiek. Voor blijvende arbeidsongeschiktheid en dodelijke ongevallen worden specifieke codes gebruikt.

2013

Gewicht ESAO-verzameling

Te gebruiken indien de lidstaat voor het verzamelen van ongevalgegevens een steekproef gebruikt en/of wil corrigeren voor onderrapportering.

Als dit niet van toepassing is, wordt de standaardwaarde 1 gebruikt.

2013


ESAO-variabelen over oorzaken en omstandigheden voor fase III

Variabelen

Specificaties

Eerste jaar van gegevenindiening

1.

Werkplek

Categorieën volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

2.

Soort plaats

3-cijferversie van de classificatie voor „Soort plaats” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

3.

Soort werk

2-cijferversie van de classificatie voor „Soort werk” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

4.

Specifieke fysieke activiteit

2-cijferversie van de classificatie voor „Specifieke fysieke activiteit” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

5.

Afwijkende gebeurtenis

2-cijferversie van de classificatie voor „Afwijkende gebeurtenis” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

6.

Contact — wijze van verwonding

2-cijferversie van de classificatie voor „Contact — wijze van verwonding” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

7.

Bij de specifieke fysieke activiteit betrokken voorwerp

4-cijferversie van de classificatie voor „Betrokken voorwerp” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

8.

Bij de afwijkende gebeurtenis betrokken voorwerp

4-cijferversie van de classificatie voor „Betrokken voorwerp” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

9.

Bij het contact betrokken voorwerp — wijze van verwonding

4-cijferversie van de classificatie voor „Betrokken voorwerp” volgens de ESAO-methodiek

2015 (*1)

Gewicht oorzaken en omstandigheden

Te gebruiken indien de lidstaat voor het coderen van de ESAO-variabelen over oorzaken en omstandigheden voor fase III gebruikmaakt van een aanvullende steekproef.

Als dit niet van toepassing is, wordt de standaardwaarde 1 gebruikt.

2015


(1)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(*1)  Verplichte indiening van ten minste 3 van de 9 variabelen


BIJLAGE II

LIJST VAN BEROEPEN WAARVOOR GEHEIMHOUDING GELDT (GEGEVENSINDIENING FACULTATIEF)

 

Volgens ISCO-08:

0 Beroepen bij de strijdkrachten

3351 Douane-inspecteurs en grensbewakers

3355 Inspecteurs van politie en rechercheurs

541 Veiligheidswerkers

a.

5411 Brandweerlieden

b.

5412 Politiepersoneel

c.

5413 Gevangenbewaarders

d.

5414 Beveiligingspersoneel

e.

5419 Veiligheidswerkers, niet elders geclassificeerd

 

Volgens NACE Rev. 2:

84.22 Defensie

84.23 Justitie

84.24 Openbare orde en veiligheid

84.25 Brandweer


BIJLAGE III

METAGEGEVENS

De metagegevens betreffen, indien van toepassing en relevant voor een volledig begrip van de ESAO-gegevens, de volgende onderwerpen:

de bestreken populatie, uitgedrukt in secties, en zo mogelijk subsecties, van de NACE Rev. 2, alsook de arbeidssituatie;

de informatie over beroepen/activiteiten waarvoor de arbeidsongevallengegevens krachtens de nationale wetgeving aan geheimhouding onderhevig zijn en niet kunnen worden ingediend;

de meldingspercentages voor arbeidsongevallen die voor de correctie voor onderrapportering worden gebruikt;

de dekking van de verschillende soorten ongevallen, zoals toegelicht in de ESAO-methodiek;

de steekproefmethode die eventueel is gebruikt om de verzameling microgegevens op te zetten;

de steekproefmethode die eventueel is gebruikt om de variabelen over oorzaken en omstandigheden te coderen;

het aantal dodelijke ongevallen in het wegverkeer tijdens het werk en het aantal dodelijke ongevallen in een tijdens het werk gebruikt vervoermiddel voor personen die niet in sectie H „Vervoer” van de NACE Rev. 2 werkzaam zijn;

informatie over nationale bijzonderheden die essentieel is voor de interpretatie en opstelling van vergelijkbare statistieken en indicatoren.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/9


VERORDENING (EU) Nr. 350/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1251/2008 wat betreft de voorschriften voor het in de handel brengen van zendingen van Japanse oesters, bestemd voor lidstaten of delen daarvan waarvoor nationale maatregelen betreffende het Ostreid herpesvirus 1 μνar (OsHV-1 μνar) zijn goedgekeurd bij Besluit 2010/221/EU

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (1), en met name artikel 61, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1251/2008 van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft de voorwaarden en certificeringsvoorschriften voor het in de handel brengen en de invoer in de Gemeenschap van aquacultuurdieren en producten daarvan en tot vaststelling van een lijst van vectorsoorten (2) bevat voorschriften voor het in de handel brengen, waaronder veterinaire certificeringsvoorschriften, voor verplaatsingen van aquacultuurdieren naar gebieden waarvoor nationale maatregelen gelden die zijn goedgekeurd bij Besluit 2010/221/EU van de Commissie van 15 april 2010 tot goedkeuring van nationale maatregelen ter beperking van het effect van bepaalde ziekten bij aquacultuurdieren of wilde waterdieren overeenkomstig artikel 43 van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (3).

(2)

Sinds 2008 is er in verscheidene gebieden van Ierland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk sprake van een verhoogde sterfte onder Japanse oesters (Crassostrea gigas). De in 2009 uitgevoerde epidemiologische onderzoeken duiden erop dat een recent beschreven stam van het Ostreid herpesvirus-1 (OsHV-1), namelijk OsHV-1 μνar, bij deze verhoogde sterfte een belangrijke rol speelt.

(3)

Verordening (EU) nr. 175/2010 van de Commissie van 2 maart 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft maatregelen ter bestrijding van de verhoogde mortaliteit bij oesters van de soort Crassostrea gigas in samenhang met de detectie van het Ostreid herpesvirus 1 μνar (OsHV-1 μνar) (4) is vastgesteld om te voorkomen dat OsHV-1 μνar zich verder verspreidt. Bij die verordening, die tot en met 30 april 2011 van toepassing is, zijn maatregelen vastgesteld om de verspreiding van die ziekte tegen te gaan.

(4)

Besluit 2010/221/EU, zoals onlangs gewijzigd bij Besluit 2011/187/EU van de Commissie (5) staat de in bijlage III bij dat besluit vermelde lidstaten toe om voorschriften voor het in de handel brengen vast te stellen ten aanzien van verplaatsingen van Japanse oesters naar gebieden waarvoor goedgekeurde bewakingsprogramma’s gelden, om de insleep van OsHV-1 μνar in die gebieden te voorkomen. Met het oog op de duidelijkheid en vereenvoudiging van de wetgeving van de Unie moeten de desbetreffende voorschriften voor het in de handel brengen worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 1251/2008.

(5)

Om de insleep van OsHV-1 μνar in lidstaten of delen daarvan die zijn opgenomen in bijlage III bij Besluit 2010/221/EU te voorkomen, moeten zendingen Japanse oesters die bestemd zijn voor kweek- of heruitzettingsgebieden of voor verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven met het oog op menselijke consumptie, die in die lidstaten of delen daarvan worden binnengebracht, afkomstig zijn uit een gebied met een gelijkwaardige gezondheidsstatus.

(6)

Om ervoor te zorgen dat aan die voorschriften wordt voldaan, moeten dergelijke zendingen vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat met de nodige verklaringen.

(7)

Verordening (EG) nr. 1251/2008 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Er moet worden voorzien in overgangsmaatregelen om de lidstaten en het bedrijfsleven in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen om aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften te voldoen.

(9)

Om verdere verspreiding van OsHV-1 μνar te vermijden moet deze verordening onmiddellijk na het vervallen van Verordening (EU) nr. 175/2010 van toepassing worden.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1251/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, onder b), ii), komt als volgt te luiden:

„ii)

aquacultuurdieren die bestemd zijn voor de kweek, heruitzettingsgebieden, „put and take”-visbedrijven, open siervisvoorzieningen of heruitzetting in het wild of voor verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven met het oog op menselijke consumptie in lidstaten en delen daarvan waarvoor nationale maatregelen zijn goedgekeurd bij Besluit 2010/221/EU van de Commissie (*1);

(*1)   PB L 98 van 20.4.2010, blz. 7.”."

2)

Aan artikel 8 bis, lid 1, onder a), wordt het volgende punt iii) toegevoegd:

„iii)

bijlage III bij Besluit 2010/221/EU als zijnde onderworpen aan een bewakingsprogramma voor een of meer van de ziekten in de eerste kolom van die tabel;”.

3)

Het volgende artikel 8 ter wordt ingevoegd:

„Artikel 8 ter

Levende weekdieren die bestemd zijn voor verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven met het oog op menselijke consumptie in lidstaten en delen daarvan waarvoor nationale maatregelen zijn goedgekeurd bij Besluit 2010/221/EU

1.   Zendingen van levende weekdieren die bestemd zijn voor zuiveringscentra, verzendingscentra of soortgelijke bedrijven met het oog op menselijke consumptie, gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat dat is ingevuld volgens het model van deel B van bijlage II en de toelichting in bijlage V, indien de dieren:

a)

worden binnengebracht in lidstaten of delen daarvan die zijn opgenomen in de tweede en vierde kolom van de tabel in bijlage III bij Besluit 2010/221/EU als zijnde onderworpen aan een bewakingsprogramma voor een of meer van de ziekten in de eerste kolom van die tabel;

b)

behoren tot soorten die in deel C van bijlage II zijn opgenomen als soorten die vatbaar zijn voor de ziekte(n) waarvoor een bewakingsprogramma geldt overeenkomstig Besluit 2010/221/EU, als bedoeld onder a).

2.   Zendingen van levende weekdieren als bedoeld in lid 1 moeten voldoen aan de veterinairrechtelijke voorschriften van het modeldiergezondheidscertificaat en de toelichting, als bedoeld in dat lid.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op zendingen die bestemd zijn voor verzendingscentra, zuiveringscentra of soortgelijke bedrijven die beschikken over een door de bevoegde autoriteit gevalideerd systeem voor de behandeling van effluenten dat:

a)

geënveloppeerde virussen inactiveert, of

b)

het risico van overdracht van ziekten naar natuurlijke wateren tot een aanvaardbaar niveau terugbrengt.”.

4)

Bijlage II wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

1.   Voor een overgangsperiode tot en met 15 mei 2011 mogen zendingen van Japanse oesters, die vergezeld gaan van diergezondheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig deel A of B van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 vóór de bij deze verordening aangebrachte wijzigingen, en een diergezondheidscertificaat overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) nr. 175/2010 in de handel worden gebracht, mits zij hun plaats van eindbestemming vóór die datum hebben bereikt.

2.   Voor een overgangsperiode tot en met 1 juli 2012 mogen zendingen van aquacultuurdieren, die vergezeld gaan van diergezondheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig deel A of B van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 vóór de bij deze verordening aangebrachte wijzigingen, verder in de handel gebracht worden, mits de veterinairrechtelijke verklaringen met betrekking tot OsHV-1 μνar in deel II van die certificaten niet van toepassing zijn en zij hun plaats van eindbestemming vóór die datum hebben bereikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

(2)   PB L 337 van 16.12.2008, blz. 41.

(3)   PB L 98 van 20.4.2010, blz. 7.

(4)   PB L 52 van 3.3.2010, blz. 1.

(5)   PB L 80 van 26.3.2011, blz. 15.


BIJLAGE

„BIJLAGE II

DEEL A

Modeldiergezondheidscertificaat voor het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestemd voor de kweek, heruitzetting, „put and take”-visbedrijven, open siervisvoorzieningen en heruitzetting in het wild

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld

Image 3

Tekst van het beeld

Image 4

Tekst van het beeld

Image 5

Tekst van het beeld

DEEL B

Modeldiergezondheidscertificaat voor het in de handel brengen van aquacultuurdieren of producten daarvan die bestemd zijn voor verdere verwerking, verzendingscentra, zuiveringscentra en soortgelijke bedrijven met het oog op menselijke consumptie

Image 6

Tekst van het beeld

Image 7

Tekst van het beeld

Image 8

Tekst van het beeld

DEEL C

Lijst van soorten die vatbaar zijn voor ziekten waarvoor nationale maatregelen zijn goedgekeurd bij Besluit 2010/221/EU

Ziekte

Vatbare soorten

Voorjaarsviremie van de karper (SVC)

Grootkopkarper (Aristichthys nobilis), goudvis (Carassius auratus), kroeskarper (Carassius carassius), graskarper (Ctenopharyngodon idellus), karper en koikarper (Cyprinus carpio), zilverkarper (Hypophthalmichthys molitrix), meerval (Silurus glanis), zeelt (Tinca tinca) en winde (Leuciscus idus)

Bacterial kidney disease (BKD)

Familie: Salmonidae

Infectieuze pancreatische necrose (IPN)

Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), bronforel (Salvelinus fontinalis), zeeforel (Salmo trutta), Atlantische zalm (Salmo salar), Pacifische zalm (Oncorhynchus spp.) en grote marene (Coregonus lavaretus)

Besmetting met Gyrodactylus salaris

Atlantische zalm (Salmo salar), regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), riddervis (Salvelinus alpinus), bronforel (Salvelinus fontinalis), vlagzalm (Thymallus thymallus), Amerikaanse meerforel (Salvelinus namaycush) en zeeforel (Salmo trutta)

Ostreid herpesvirus 1 μνar (OsHV-1 μνar)

Japanse oester (Crassostrea gigas)”


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 351/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 297/2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1, onder b) ii),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 53 van Verordening (EG) nr. 178/2002 voorziet in de mogelijkheid van passende EU-noodmaatregelen voor uit een derde land ingevoerde levensmiddelen en diervoeders om de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu te beschermen, wanneer het risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de afzonderlijke lidstaten getroffen maatregelen.

(2)

Na het ongeval in de kerncentrale van Fukushima op 11 maart 2011 werd de Commissie ervan in kennis gesteld dat het gehalte aan radionucliden van bepaalde levensmiddelen van oorsprong uit Japan, zoals melk en spinazie, de in Japan van kracht zijnde actiedrempels voor levensmiddelen overschreed. Omdat een dergelijke besmetting gevaar voor de volksgezondheid en de diergezondheid in de Unie kan opleveren, is op 25 maart 2011 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 297/2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima (2) vastgesteld.

(3)

Verordening (EU) nr. 297/2011 schrijft een door de bevoegde autoriteiten in Japan te verrichten controle vóór uitvoer voor. De bevoegde autoriteiten in Japan hebben actiedrempels voor jodium, cesium en plutonium in levensmiddelen vastgesteld. Op 17 maart 2011 is de Commissie van deze in Japan geldende actiedrempels in kennis gesteld; er werd echter aangegeven dat het hierbij om voorlopige waarden voor de regelgeving ging. Bovendien hebben de Japanse autoriteiten de Commissie ervan in kennis gesteld dat producten die niet in Japan in de handel mogen worden gebracht, ook niet mogen worden uitgevoerd. Inmiddels is duidelijk geworden dat de actiedrempels in Japan langere tijd van toepassing zullen blijven. Om te zorgen voor consistentie tussen de door de Japanse autoriteiten verrichte controles vóór uitvoer en de bij binnenkomst in de EU verrichte controles op het gehalte aan radionucliden van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan, moeten in de EU voor radionucliden in levensmiddelen en diervoeders uit Japan voorlopig dezelfde maximale niveaus gelden als de actiedrempels die in Japan van toepassing zijn, mits deze lager zijn dan de EU-waarden.

(4)

Deze verordening laat de toepassing van de wetenschappelijk vastgestelde niveaus van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad en van de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie bij kernongevallen in de toekomst of bij andere incidenten met stralingsgevaar voor het EU-grondgebied onverlet. Voor strontiumisotopen voorziet deze verordening in toepassing van de waarden van Verordening (Euratom) nr. 3954/87, aangezien in Japan hiervoor geen actiedrempels zijn vastgesteld.

(5)

Daar voorlopig is gebleken dat diervoeders en levensmiddelen uit bepaalde regio's in Japan besmet zijn met de radionucliden jodium-131, cesium-134 en cesium-137 en er geen aanwijzingen zijn dat diervoeders en levensmiddelen van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan met andere radionucliden zijn besmet, moeten de verplichte controles tot jodium-131, cesium-134 en cesium-137 worden beperkt. Daarnaast mogen de lidstaten vrijwillig analyses uitvoeren op de aanwezigheid van andere radionucliden om meer hierover informatie te verkrijgen. Bijgevolg moeten in bijlage II bij deze verordening de huidige in de EU-wetgeving vastgelegde maximale niveaus of in Japan toegepaste actiedrempels voor de radionucliden strontium, plutonium en transplutoniumelementen worden vermeld.

(6)

Derhalve moet Verordening (EU) nr. 297/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 297/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3, derde streepje, komt als volgt te luiden:

„—

in geval het product van oorsprong of verzonden is uit de prefecturen Fukushima, Gunma, Ibaraki, Tochigi, Miyagi, Yamagata, Niigata, Nagano, Yamanashi, Saitama, Tokio of Chiba, het gehalte van het product aan de radionucliden jodium-131, cesium-134 en cesium-137 niet boven de in bijlage II bij deze verordening vermelde maximale niveaus ligt. Deze bepaling geldt ook voor producten van oorsprong uit de kustwateren van deze prefecturen, ongeacht waar deze producten aan land zijn gebracht.”;

b)

lid 4 komt als volgt te luiden:

„4.   Het model van de in lid 3 bedoelde verklaring is opgenomen in bijlage I. De verklaring wordt ondertekend door een gemachtigde vertegenwoordiger van de bevoegde Japanse autoriteiten en gaat voor de in lid 3, derde streepje, bedoelde producten vergezeld van een analyserapport.”

2)

Artikel 7 komt als volgt te luiden:

„Artikel 7

Niet-conforme producten

Levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan, die niet aan de in bijlage II bedoelde maximumniveaus voldoen, worden niet in de handel gebracht. Deze niet-conforme levensmiddelen en diervoeders worden veilig verwijderd of naar het land van oorsprong teruggestuurd.”

3)

De bijlage wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening.

4)

Er wordt een nieuwe bijlage II toegevoegd, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)   PB L 80 van 26.3.2011, blz. 5.


BIJLAGE I

Image 9

Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Maximale niveaus voor levensmiddelen  (1) (Bq/kg)

 

Levensmiddelen voor zuigelingen en peuters

Melk en zuivelproducten

Overige levensmiddelen, m.u.v. vloeibare levensmiddelen

Vloeibare levensmiddelen

Totaal strontiumisotopen, met name Sr-90

75

125

750

125

Totaal jodiumisotopen, met name I-131

100  (2)

300  (3)

2 000

300  (3)

Totaal alfa-emitterende isotopen van plutonium en transplutoniumelementen, met name Pu-239 en Am-241

1

1  (3)

10  (3)

1  (3)

Totaal alle andere nucliden met een halveringstijd van meer dan 10 dagen, met name Cs-134 en Cs-137, m.u.v. C-14 en H-3

200  (3)

200  (3)

500  (3)

200  (3)


Maximale niveaus voor diervoeders  (4) (Bq/kg)

 

Diervoeders

Totaal CS-134 en Cs-137

500  (5)

Totaal jodiumisotopen, met name I-131

2 000  (6)


(1)  Het niveau voor geconcentreerde of gedroogde producten wordt berekend op basis van het gereconstitueerde gebruiksklare product.

(2)  Om te zorgen voor consistentie met de huidige in Japan toegepaste actiedrempels, vervangen deze waarden voorlopig de in Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad vastgestelde niveaus.

(3)  Om te zorgen voor consistentie met de huidige in Japan toegepaste actiedrempels, vervangt deze waarde voorlopig het in Verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Raad vastgestelde niveau.

(4)  Maximumgehalte herleid tot een vochtgehalte van 12 %.

(5)  Om te zorgen voor consistentie met de huidige in Japan toegepaste actiedrempels, vervangt deze waarde voorlopig het in Verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Raad vastgestelde niveau.

(6)  In afwachting van een beoordeling van de overdrachtsfactoren voor jodium van diervoeders naar levensmiddelen wordt deze waarde voorlopig op hetzelfde niveau als voor levensmiddelen vastgesteld.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 352/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 12 april 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

JO

68,6

MA

44,0

TN

106,6

TR

88,7

ZZ

77,0

0707 00 05

EG

152,2

TR

116,5

ZZ

134,4

0709 90 70

MA

80,0

TR

85,5

ZA

15,5

ZZ

60,3

0805 10 20

EG

48,0

IL

78,6

MA

46,4

TN

48,9

TR

73,9

ZZ

59,2

0805 50 10

TR

53,4

ZZ

53,4

0808 10 80

AR

77,8

BR

71,5

CA

91,3

CL

85,3

CN

96,7

MK

50,2

NZ

123,1

US

131,4

UY

65,6

ZA

84,4

ZZ

87,7

0808 20 50

AR

89,4

CL

108,4

CN

73,5

US

72,1

ZA

103,4

ZZ

89,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/26


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 353/2011 VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van de bij Verordening (EU) nr. 867/2010 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/11

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2010/11 zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 347/2011 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2010/11 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 867/2010 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 12 april 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)   PB L 259 van 1.10.2010, blz. 3.

(4)   PB L 96 van 9.4.2011, blz. 21.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 12 april 2011

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10  (1)

47,82

0,00

1701 11 90  (1)

47,82

0,56

1701 12 10  (1)

47,82

0,00

1701 12 90  (1)

47,82

0,26

1701 91 00  (2)

48,51

2,92

1701 99 10  (2)

48,51

0,00

1701 99 90  (2)

48,51

0,00

1702 90 95  (3)

0,49

0,22


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


RICHTLIJNEN

12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/28


UITVOERINGSRICHTLIJN 2011/38/EU VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG ten aanzien van maximale pH-waarden voor trombocytenconcentraten tegen het einde van de bewaartermijn

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG (1), en met name artikel 29, tweede alinea, onder f),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In punt 2.4 van bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG van de Commissie van 22 maart 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot bepaalde technische voorschriften voor bloed en bloedbestanddelen (2) is een minimale (6,4) en maximale (7,4) pH-waarde bepaald voor trombocyten aan het einde van de bewaartermijn. Trombocyten die niet aan deze minimum- of maximumwaarde voldoen, moeten worden verwijderd.

(2)

Uit recent wetenschappelijk onderzoek en praktijkervaring is echter gebleken dat hogere pH-waarden dan 7,4 niet van invloed zijn op de kwaliteit en veiligheid van opgeslagen trombocyten — in tegenstelling tot pH-waarden van minder dan 6,4, die systematisch tot beschadiging van de trombocyten leiden — en dat een maximale pH-waarde voor concentraten van trombocyten dus niet noodzakelijk is.

(3)

Het verwijderen van trombocyten die de in bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG bepaalde maximale pH-waarde overschrijden, leidt tot aanzienlijke verliezen. Deze verliezen kunnen in de toekomst nog toenemen als gevolg van nieuwe inzamelingsmethoden en bewaarzakken, die beide hogere pH-waarden veroorzaken tegen het einde van de bewaartermijn.

(4)

Derhalve dient de maximale pH-waarde (7,4) voor alle in bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG genoemde trombocytenconcentraten te worden afgeschaft.

(5)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 28 van Richtlijn 2002/98/EG opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juni 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30.

(2)   PB L 91 van 30.3.2004, blz. 25.


BIJLAGE

In punt 2.4 van bijlage V bij Richtlijn 2004/33/EG worden voor de vermeldingen:

„Trombocyten, aferese-”,

„Trombocyten, aferese-, leukocyten verwijderd”,

„Trombocyten, teruggewonnen, samengevoegd”,

„Trombocyten, teruggewonnen, samengevoegd, leukocyten verwijderd”,

„Trombocyten, teruggewonnen, één eenheid”, en

„Trombocyten, teruggewonnen, één eenheid, leukocyten verwijderd”,

de aanvaardbare resultaten voor kwaliteitsmetingen voor de pH vervangen door:

„Minimaal 6,4, gecorrigeerd naar 22 °C, aan het eind van de bewaartermijn”.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/30


UITVOERINGSRICHTLIJN 2011/39/EU VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde fenazaquin op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de nadere bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Fenazaquin is in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Bijgevolg werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van fenazaquin.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend om toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Griekenland, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 is aangewezen als lidstaat die als rapporteur optreedt. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Griekenland heeft de door de aanvrager ingediende aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 28 januari 2010 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over fenazaquin op 28 oktober 2010 aan de Commissie overgelegd (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 maart 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor fenazaquin.

(6)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die fenazaquin bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Fenazaquin moet daarom in bijlage I worden opgenomen zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die fenazaquin bevatten, opnieuw te onderzoeken zodat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, wordt voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(9)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter geen nieuwe verplichtingen op ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I.

(10)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van fenazaquin en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten uiterlijk op 31 december 2011. De regel betreffende fenazaquin in de bijlage bij die beschikking moet worden geschrapt.

(12)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende fenazaquin geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 november 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 december 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten moeten overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die fenazaquin als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot fenazaquin is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende fenazaquin in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat fenazaquin bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 mei 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als fenazaquin de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast fenazaquin nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 juni 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)   PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)   PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)   PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance fenazaquin. EFSA Journal 2010; 8(11):1892. [74 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1892. Online te vinden op: www.efsa.europa.eu.

(7)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„345

Fenazaquin

CAS-nr.: 120928-09-8

CIPAC-nr.: 693

4-tert-butylfenethyl chinazoline-4-yl ether

≥ 975 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als acaricide op sierplanten in kassen.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over fenazaquin (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 11 maart 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten:

(1)

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van in het water levende organismen;

(2)

bijzondere aandacht besteden aan het risco voor de toedieners en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden het gebruik van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven;

(3)

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van bijen en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten;

(4)

voorzien in gebruiksvoorwaarden die ervoor zorgen dat geen residuen van fenazaquin in gewassen voor menselijke en dierlijke consumptie voorkomen.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/34


UITVOERINGSRICHTLIJN 2011/40/EU VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om sintofen als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Sintofen is in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Bijgevolg werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van sintofen.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend met het oog op de toepassing van de versnelde procedure, als vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Frankrijk, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 was aangewezen als lidstaat die als rapporteur optreedt. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Frankrijk heeft de door de kennisgever ingediende aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 14 januari 2010 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA op 26 november 2010 haar conclusie over sintofen aan de Commissie doen toekomen (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 maart 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor sintofen.

(6)

Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die sintofen bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Sintofen moet daarom in bijlage I worden opgenomen zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet worden voorgeschreven dat de aanvrager nadere informatie verstrekt ter bevestiging van: de specificatie van het technische materiaal, de relevantie van de aanwezige verontreinigingen in de technische specificaties, de relevantie van het in de toxiciteits- en ecotoxiciteitsdossiers gebruikte testmateriaal en het metabolische profiel van sintofen in wisselgewassen.

(8)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die sintofen bevatten, opnieuw te onderzoeken zodat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, wordt voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(10)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter geen nieuwe verplichtingen op ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van sintofen en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten uiterlijk op 31 december 2011. De regel betreffende sintofen in de bijlage bij die beschikking moet worden geschrapt.

(13)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende sintofen geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 november 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 december 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die sintofen als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot sintofen is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende sintofen in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn, een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat sintofen bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 mei 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als sintofen de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast sintofen nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 juni 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)   PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)   PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)   PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance sintofen. EFSA Journal 2010;8(12):. [49 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1931. Online te vinden op: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm.

(7)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„347

Sintofen

CAS-nr.: 130561-48-7

CIPAC-nr.: 717

1-(4-chloorfenyl)-1,4-dihydro-5-(2-methoxyethoxy)-4-oxocinnoline-3-carbonzuur

≥ 980 g/kg

Verontreinigingen:

 

2-methoxyethanol, niet meer dan 0,25 g/kg

 

N,N-dimethylformamide, niet meer dan 1,5 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegestaan voor gebruik als plantengroeiregulator op tarwe voor de productie van hybride zaad, niet bestemd voor menselijke productie.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over sintofen (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 11 maart 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan het risico voor de toedieners en werknemers en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden de toepassing van passende risicobeperkende maatregelen omvatten. Zij moeten erop toezien dat met sintofen behandelde tarwe niet in de voedsel- en de voederketen terechtkomt.

De betrokken lidstaten moeten verzoeken om overlegging van bevestigende informatie over:

(1)

de specificatie van het technische materiaal, zoals commercieel vervaardigd, gestaafd met passende analytische gegevens;

(2)

de relevantie van de aanwezige verontreinigingen in de technische specificaties, met uitzondering van de verontreinigingen 2-methoxyethanol en N,N-dimethylformamide;

(3)

de relevantie van het in de toxiciteits- en ecotoxiciteitsdossiers gebruikte testmateriaal met het oog op de specificatie van het technische materiaal;

(4)

het metabolische profiel van sintofen in wisselgewassen.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager de informatie, vastgesteld in de punten 1, 2 en 3 uiterlijk op 1 december 2011 en de in punt 4 vastgestelde informatie uiterlijk op 31 mei 2013 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/38


UITVOERINGSRICHTLIJN 2011/41/EU VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om dithianon op te nemen als werkzame stof en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de nadere bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Dithianon is in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Bijgevolg werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van dithianon.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend voor toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij Griekenland, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 was aangewezen als lidstaat die als rapporteur optreedt. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Griekenland heeft de door de aanvrager verstrekte nadere gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Het heeft dat verslag op 27 januari 2010 aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie toegezonden. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de overige lidstaten en aan de aanvrager voor commentaar meegedeeld en heeft de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over dithianon op 15 november 2010 aan de Commissie overgelegd (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 maart 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor dithianon.

(6)

Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die dithianon bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Dithianon moet daarom in bijlage I worden opgenomen zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet worden voorgeschreven dat de aanvrager informatie verstrekt ter bevestiging van de stabiliteit bij opslag en de aard van de residuen in verwerkte producten, de beoordeling van de blootstelling van oppervlakte- en grondwater voor ftaalzuur en de risicobeoordeling voor in het water levende organismen ten aanzien van ftaalzuur, ftaalaldehyde en 1,2-benzeendimethanol.

(8)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dithianon bevatten, opnieuw te onderzoeken om te garanderen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name artikel 13 en bijlage I, wordt voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naar gelang van het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(10)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die zijn onderzocht in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7), is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter geen nieuwe verplichtingen op ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van dithianon en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, uiterlijk op 31 december 2011. In de bijlage bij die beschikking moet de regel betreffende dithianon worden geschrapt.

(13)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende dithianon geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 november 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 december 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dithianon als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot dithianon is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende dithianon in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat dithianon bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 mei 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als dithianon de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast dithianon nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 juni 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)   PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)   PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)   PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance dithianon. EFSA Journal 2010; 8(11):1904. [121 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1904. Online te vinden op: www.efsa.europa.eu

(7)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„344

Dithianon

CAS-nr.: 3347-22-6

CIPAC-nr.: 153

5,10-dihydro-5,10-dioxonafto[2,3-b]-1,4-dithiine-2,3-dicarbonitril

≥ 930 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over dithianon (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 11 maart 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten:

a)

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van in het water levende organismen; de gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten;

b)

bijzondere aandacht besteden aan de veiligheid van de toedieners; de gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig het gebruik van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen omvatten;

c)

bijzondere aandacht besteden aan de langetermijnrisico’s voor vogels; de gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten verzoeken om overlegging van bevestigende informatie over:

a)

de stabiliteit bij opslag en de aard van de residuen in verwerkte producten;

b)

de beoordeling van de blootstelling van oppervlakte- en grondwater voor ftaalzuur;

c)

de risicobeoordeling voor in het water levende organismen ten aanzien van ftaalzuur, ftaalaldehyde en 1,2-benzeendimethanol.

De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat de aanvrager deze informatie uiterlijk 31 mei 2013 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/42


UITVOERINGSRICHTLIJN 2011/42/EU VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad om flutriafol als werkzame stof op te nemen en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (2) en (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Flutriafol is in die lijst opgenomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 11 sexies van Verordening (EG) nr. 1490/2002 heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerpevaluatieverslag ingetrokken. Bijgevolg werd Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (4), goedgekeurd met betrekking tot de niet-opneming van flutriafol.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend om toepassing van de versnelde procedure zoals vastgesteld in de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (5).

(4)

De aanvraag is ingediend bij het Verenigd Koninkrijk, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 was aangewezen als lidstaat die als rapporteur optreedt. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

Het Verenigd Koninkrijk heeft de door de aanvrager verstrekte nadere gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Op 15 januari 2010 heeft het Verenigd Koninkrijk dat verslag bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en bij de Commissie ingediend. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA op 14 oktober 2010 haar conclusie over flutriafol aan de Commissie doen toekomen (6). Het ontwerpevaluatieverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 maart 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor flutriafol.

(6)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die flutriafol bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Flutriafol moet daarom in bijlage I worden opgenomen zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn.

(7)

Onverminderd die conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet worden voorgeschreven dat de aanvrager nadere informatie verstrekt ter bevestiging van de relevantie van de aanwezige verontreinigingen in de technische specificaties, de beoordeling wat betreft de residuen van metabolieten van triazoolderivaten (TDM’s) in primaire gewassen, wisselgewassen en producten van dierlijke oorsprong en het langetermijnrisico voor insectenetende vogels.

(8)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die flutriafol bevatten, opnieuw te onderzoeken zodat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, wordt voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen.

(10)

Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op.

(11)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Beschikking 2008/934/EG voorziet in de niet-opneming van flutriafol en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten uiterlijk op 31 december 2011. De regel betreffende flutriafol in de bijlage bij die beschikking moet worden geschrapt.

(13)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende flutriafol geschrapt.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 november 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 december 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

1.   De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die flutriafol als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 november 2011 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot flutriafol is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende flutriafol in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn, een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat flutriafol bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 mei 2011 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van Richtlijn 91/414/EEG.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als flutriafol de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast flutriafol nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 mei 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijnen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op 1 juni 2011.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)   PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(3)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(4)   PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(5)   PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flutriafol. EFSA Journal 2010; 8(10):1868. [50 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1868. Online te vinden op: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm

(7)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.


BIJLAGE

Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:

Nr.

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Inwerkingtreding

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„346

Flutriafol

CAS-nr.: 76674-21-0

CIPAC-nr.: 436

(RS)-2,4’-difluor-α-(1H-1,2,4-triazool-1-ylmethyl)benzhydryl alcohol

≥ 920 g/kg

(racemaat)

Relevante verontreinigingen: dimethylsulfaat: maximumgehalte: 0,1 g/kg

dimethylformamide: maximumgehalte: 1 g/kg

methanol: maximumgehalte: 1 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over flutriafol (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 11 maart 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten:

1.

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van de veiligheid van de werknemers en ervoor zorgen dat de gebruiksvoorwaarden het gebruik van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven;

2.

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt toegepast in qua bodemgesteldheid en/of klimaat kwetsbare gebieden;

3.

bijzondere aandacht besteden aan het langetermijnrisico voor insectenetende vogels.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager bevestigende informatie bij de Commissie indient met betrekking tot:

a.

de relevantie van de aanwezige verontreinigingen in de technische specificaties;

b.

de residuen van metabolieten van triazoolderivaten (TDM’s) in primaire gewassen, wisselgewassen en producten van dierlijke oorsprong;

c.

het langetermijnrisico voor insectenetende vogels.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager de informatie, vastgesteld onder a), uiterlijk op 1 december 2011 en de onder b) en c) vastgestelde informatie uiterlijk op 31 mei 2013 bij de Commissie indient.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BESLUITEN

12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/46


UITVOERINGSBESLUIT 2011/230/GBVB VAN DE RAAD

van 8 april 2011

tot uitvoering van Besluit 2010/656/GBVB tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Besluit 2010/656/GBVB van de Raad van 29 oktober 2010 tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Ivoorkust (1), en met name artikel 6, lid 2, van dat besluit in samenhang met artikel 31, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 29 oktober 2010 Besluit 2010/656/GBVB vastgesteld.

(2)

In het licht van de ontwikkelingen in Ivoorkust dient de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit 2010/656/GBVB te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij dit besluit genoemde entiteiten worden geschrapt uit de lijst in bijlage II bij Besluit 2010/656/GBVB.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 8 april 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

MARTONYI J.


(1)   PB L 285 van 30.10.2010, blz. 28.


BIJLAGE

ENTITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 1

1.

SIR (Société Ivoirienne de Raffinage) (Ivoriaanse Raffinagemaatschappij)

2.

Port autonome d’Abidjan (Autonome haven van Abidjan)

3.

Port autonome de San Pedro (Autonome haven van San Pedro)

4.

CGFCC (Comité de Gestion de la Filière Café et Cacao) (Comité van beheer voor de bedrijfstak koffie-cacao)


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/47


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

waarbij aan bepaalde lidstaten een afwijking wordt toegestaan ten aanzien van de statistieken die ingevolge Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk moeten worden ingediend

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2403)

(Slechts de teksten in de Duitse, de Griekse, de Engelse, de Franse, de Letse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

(2011/231/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheidop het werk (1), en met name artikel 9, lid 2, onder b),

Gezien de verzoeken van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, de Republiek Letland, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1338/2008 heeft overeenkomstig artikel 2 van die verordening betrekking op de productie van statistieken over arbeidsongevallen, zoals omschreven in bijlage IV.

(2)

In artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1338/2008 is bepaald dat zo nodig voor lidstaten afwijkingsregelingen en overgangsperioden kunnen worden vastgesteld, die op objectieve overwegingen gebaseerd dienen te zijn.

(3)

Uit de aan de Commissie verstrekte informatie blijkt dat België, Duitsland, Ierland, Griekenland, Frankrijk, Letland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk om een afwijking verzoeken omdat er ingrijpende wijzigingen in de nationale bestuurlijke en statistische stelsels moeten worden aangebracht om volledig aan Verordening (EG) nr. 1338/2008 te voldoen.

(4)

Deze afwijkingen moeten derhalve aan die lidstaten worden toegestaan.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde afwijkingen worden toegestaan aan de daarin opgenomen lidstaten.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, de Republiek Letland, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

Olli REHN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70.


BIJLAGE

Afwijkingen van Verordening (EG) nr. 1338/2008, zoals uitgevoerd door de Commissie, betreffende statistieken over arbeidsongevallen

Lidstaat

Afwijking

Afwijking loopt af op

België

Eerste verstrekking van gegevens over arbeidsongevallen voor werknemers in de overheidssector (NACE O): 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Eerste verstrekking van de variabele ISCO-08: 2014 (gegevens over 2012).

30 juni 2014

Duitsland

Eerste verstrekking van variabelen „verloren dagen”, ISCO-08 en de NACE Rev.2 op viercijferniveau: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Eerste verstrekking van gegevens over arbeidsongevallen voor ambtenaren: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Ierland

Eerste verstrekking van gegevens over ongevallen in het wegverkeer (hoger aantal gegevens over ongevallen in het wegverkeer): 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Griekenland

Eerste verstrekking van variabelen „verloren dagen”, „soort letsel” en variabelen van fase III over oorzaken en omstandigheden: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Eerste verstrekking van gegevens voor werknemers in de overheidssector (NACE O) en voor werknemers in de NACE Rev.2-bedrijfstakken die niet door de socialeverzekeringsstichting (IKA) zijn verzekerd: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Frankrijk

Eerste verstrekking van variabelen van fase III over oorzaken en omstandigheden: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Volledige dekking van alle werknemers in de NACE Rev.2-sectoren A-S: 2016 (voor gegevens over 2014).

30 juni 2016

Letland

Eerste verstrekking van de variabelen „verloren dagen”, „economische activiteit van de werkgever” met de gedetailleerde viercijfercode van de NACE Rev.2 en de geografische locatie volgens NUTS: 2014 (gegevens over 2012).

30 juni 2014

Nederland

Eerste verstrekking van de variabelen „beroep”, „soort letsel”, „verwond deel van het lichaam”, „datum van het ongeval”, „verloren dagen” en de variabelen van fase III over oorzaken en omstandigheden: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016

Verenigd Koninkrijk

Eerste verstrekking van variabele „verloren dagen”: 2015 (gegevens over 2013).

30 juni 2015

Eerste verstrekking van gegevens over ongevallen in het wegverkeer: 2015 (gegevens over 2013).

30 juni 2015

Eerste verstrekking van gegevens over ongevallen waarbij luchtvaart- en zeevaartpersoneel is betrokken: 2016 (gegevens over 2014).

30 juni 2016


12.4.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 97/49


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 11 april 2011

tot wijziging van Beschikking 2000/367/EG tot vaststelling van een systeem voor de indeling in klassen van brandwerendheid van voor de bouw bestemde producten, bouwwerken en delen daarvan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 2417)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/232/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (1), en met name artikel 20, lid 2,

Na raadpleging van het Permanent Comité voor de bouw,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2000/367/EG van de Commissie van 3 mei 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad inzake de indeling van voor de bouw bestemde producten, bouwwerken en delen daarvan in klassen van materiaalgedrag bij brand (2) dient te worden gewijzigd om rekening te houden met de technische vooruitgang in de ontwikkeling van de desbetreffende beproevingsmethoden en om drukschotten op te nemen.

(2)

Beschikking 2000/367/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Beschikking 2000/367/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 april 2011.

Voor de Commissie

Antonio TAJANI

Vicevoorzitter


(1)   PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.

(2)   PB L 133 van 6.6.2000, blz. 26.


BIJLAGE

De bijlage bij Beschikking 2000/367/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

In punt 3 „Producten en systemen voor de bescherming van dragende elementen of delen van bouwwerken” wordt de indelingstabel betreffende „plafonds zonder afzonderlijke brandbeveiliging” vervangen door de volgende tabel:

„Geldt voor

plafonds zonder afzonderlijke brandbeveiliging

Norm(en)

EN 13501-2; prEN 13381-1

Indeling: uitgedrukt in dezelfde termen als bij de te beschermen dragende elementen

Opmerkingen

Indien zij ook voldoen aan de eisen van de proef semi-natuurlijke branden wordt het symbool „sn” toegevoegd aan de indeling.”

2.

In punt 3 „Producten en systemen voor de bescherming van dragende elementen of delen van bouwwerken” wordt de indelingstabel betreffende „tegen brand beschermende coatings, platen, pleisterlagen, bekledingen en afschermingen” vervangen door de volgende tabel:

„Geldt voor

tegen brand beschermende coatings, platen, pleisterlagen, bekledingen en afschermingen

Norm(en)

EN 13501-2; prEN 13381-2 tot en met 8

Indeling: uitgedrukt in dezelfde termen als bij de te beschermen dragende elementen

Opmerkingen

—”

3.

In punt 4 „Niet-dragende elementen of delen van bouwwerken en producten daarvoor” wordt de indelingstabel betreffende „scheidingswanden (inclusief gedeelten zonder brandbeveiliging)” vervangen door de volgende tabel:

„Geldt voor

scheidingswanden (inclusief gedeelten zonder brandbeveiliging en drukschotten)

Norm(en)

EN13501-2; EN 1364-1 (*1); EN 1992-1-2; EN1993-1-2; EN1994-1-2; EN 1995-1-2; EN 1996-1-2; EN 1999-1-2

Indeling:

 

E

 

20

30

 

60

90

120

 

 

 

EI

15

20

30

45

60

90

120

180

240

 

EI-M

 

 

30

 

60

90

120

180

240

 

EW

 

20

30

 

60

90

120

 

 

 

Opmerkingen


(*1)  Voor drukschotten wordt deze norm aangevuld met EOTA TR 031.”