ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2011.053.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 53

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
26 februari 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2011/129/EU

 

*

Besluit van de Raad van 13 september 2010 betreffende het door de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité EU-Zwitserland dat is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007, wat betreft het besluit van het Gemengd Comité tot aanpassing van artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 183/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 tot wijziging van de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) ( 1 )

4

 

*

Verordening (EU) nr. 184/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot verlening van een vergunning voor Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfokleghennen, kalkoenen, kleine vogelsoorten en andere siervogels en vederwild (vergunninghouder Calpis Co. Ltd Japan, vertegenwoordigd door Calpis Co. Ltd Europe Representative Office) ( 1 )

33

 

*

Verordening (EU) nr. 185/2011 van de Commissie van 25 februrari 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 499/96 van de Raad wat betreft tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde vis en visserijproducten en levende paarden van oorsprong uit IJsland

36

 

*

Verordening (EU) nr. 186/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

41

 

*

Verordening (EU) nr. 187/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong ( 1 )

45

 

*

Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren ( 1 )

51

 

*

Verordening (EU) nr. 189/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot wijziging van de bijlagen VII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën ( 1 )

56

 

 

Verordening (EU) nr. 190/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

61

 

 

Verordening (EU) nr. 191/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 inzake de verkoopprijzen voor granen in reactie op de 7e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 1017/2010 geopende openbare inschrijving

63

 

 

Verordening (EU) nr. 192/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 houdende vaststelling van bijzondere maatregelen met betrekking tot de in Verordening (EU) nr. 68/2011 vastgestelde steun voor de particuliere opslag van varkensvlees

65

 

 

BESLUITEN

 

 

2011/130/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend krachtens Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1081)  ( 1 )

66

 

 

2011/131/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 25 februari 2011 tot wijziging van bijlage II bij Beschikking 2006/766/EG wat betreft de vermelding voor Fiji in de lijst van derde landen en gebieden waaruit visserijproducten voor menselijke consumptie mogen worden ingevoerd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1082)  ( 1 )

73

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Beschikking 2009/870/EG van de Commissie van 27 november 2009 tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijst van grensinspectieposten ( PB L 315 van 2.12.2009 )

74

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 september 2010

betreffende het door de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité EU-Zwitserland dat is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007, wat betreft het besluit van het Gemengd Comité tot aanpassing van artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst

(2011/129/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag bereffende de werking van de EuropeseUnie, en met name artikel 166, lid 4, en artikel 173, lid 3, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007 (1), die op 11 oktober 2007 is ondertekend, hierna „de overeenkomst” genoemd, wordt een gemengd comité opgericht dat verantwoordelijk is voor het beheer en de correcte toepassing van de overeenkomst.

(2)

Na de inwerkingtreding op 19 december 2007 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (2), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad, die vervolgens is gecodificeerd (richtlijn audiovisuele mediadiensten), lijkt het de Europese Unie en Zwitserland, hierna: „de partijen” genoemd, aangewezen de verwijzingen naar deze richtlijn bij te werken zoals bepaald in de Slotakte (3) die gehecht is aan de overeenkomst in de Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen over de aanpassing van de overeenkomst aan de nieuwe communautaire richtlijn, en artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst aan te passen, in overeenstemming met artikel 8, lid 7, van de overeenkomst.

(3)

De Unie dient in het Gemengd Comité EU-Zwitserland derhalve het standpunt in te nemen als omschreven in het aangehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Raad hecht zijn goedkeuring aan het ontwerpbesluit in de bijlage als het standpunt van de Europese Unie betreffende een besluit dat moet worden goedgekeurd door het Gemengd Comité EU-Zwitserland dat werd opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007, wat betreft het besluit van het Gemengd Comité tot aanpassing van artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst.

Artikel 2

Het besluit van het Gemengd Comité wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 september 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

S. VANACKERE


(1)   PB L 303 van 21.11.2007, blz. 11.

(2)   PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23.

(3)   PB L 303 van 21.11.2007, blz. 20.


BIJLAGE

Ontwerp

BESLUIT Nr. … VAN HET GEMENGD COMITÉ EU-ZWITSERLAND DAT WERD INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT OP AUDIOVISUEEL GEBIED TOT VASTSTELLING VAN DE VOORWAARDEN VOOR DE DEELNAME VAN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT AAN HET COMMUNAUTAIRE PROGRAMMA MEDIA 2007

van …

betreffende de aanpassing van artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelneming van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007 (1), hierna „de overeenkomst” genoemd, en de Slotakte bij de overeenkomst (2), beide ondertekend in Brussel op 11 oktober 2007,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst is in werking getreden op 1 augustus 2010.

(2)

Na de inwerkingtreding op 19 december 2007 van Richtlijn 89/552/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad, (gecodificeerde versie) (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (3), lijkt het de overeenkomstsluitende partijen aangewezen de verwijzingen naar de genoemde richtlijn dienovereenkomstig bij te werken zoals bepaald in de Slotakte die gehecht is aan de overeenkomst in de Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen over de aanpassing van de overeenkomst aan de nieuwe communautaire richtlijn, en artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst aan te passen, in overeenstemming met artikel 8, lid 7, van de overeenkomst,

BESLUIT:

Artikel 1

Artikel 1 in bijlage I bij de overeenkomst wordt vervangen door het volgende:

„Artikel 1

Vrijheid van ontvangst en doorgifte van televisieprogramma’s

1.   Zwitserland garandeert op zijn grondgebied de vrijheid van ontvangst en doorgifte van televisie-uitzendingen die onder de bevoegdheid van een lidstaat van de Unie vallen zoals bepaald bij Richtlijn 2010/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het verschaffen van audiovisuele mediadiensten (*1), (hierna „richtlijn audiovisuele mediadiensten” genoemd), volgens de volgende procedures:

Zwitserland behoudt zich het recht voor om:

a)

de doorgifte op te schorten van uitzendingen van een onder de bevoegdheid van een lidstaat van de Gemeenschap vallende televisieomroeporganisatie die op duidelijke, belangrijke en ernstige wijze de regels inzake de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid heeft geschonden, als vermeld in artikel 27, lid 1, of lid 2, en/of artikel 6 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten;

b)

omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen te verplichten zich te houden aan meer gedetailleerde of strengere regels op de bij de richtlijn audiovisuele mediadiensten gecoördineerde gebieden, op voorwaarde dat zij evenredig en niet-discriminerend zijn.

2.   In gevallen waarin Zwitserland:

a)

op grond van de hem door lid 1, onder b), geboden vrijheid strengere of meer gedetailleerde regels van algemeen openbaar belang heeft aangenomen, en

b)

van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een lidstaat van de Unie vallende omroeporganisatie een televisie-uitzending aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht,

kan hij contact opnemen met de bevoegde lidstaat teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing voor ondervonden problemen mogelijk te maken. Indien de bevoegde lidstaat daartoe een met redenen omkleed verzoek van Zwitserland ontvangt, verzoekt hij de omroeporganisatie zich te voegen naar de desbetreffende regels van algemeen openbaar belang. De bevoegde lidstaat licht Zwitserland binnen de twee maanden in over het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Zowel Zwitserland als de lidstaat kunnen de Commissie vragen de betrokken partijen uit te nodigen voor een ad-hocbijeenkomst in de marge van de vergaderingen van het contactcomité om de zaak te onderzoeken.

3.   Indien Zwitserland van oordeel is dat:

a)

het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is; en

b)

de betrokken omroeporganisatie zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om zich op de bij de richtlijn audiovisuele mediadiensten gecoördineerde gebieden te onttrekken aan de strengere voorschriften die op haar van toepassing zouden zijn indien zij in Zwitserland zou zijn gevestigd,

kan Zwitserland passende maatregelen tegen de betrokken aanbieder van mediadiensten nemen.

Dergelijke maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze genomen en zijn in verhouding met de beoogde doelstellingen.

4.   Zwitserland mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 1, onder a), of lid 3, van dit artikel nemen indien alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

hij heeft het Gemengd Comité en de lidstaat waarin de omroeporganisatie gevestigd is, in kennis gesteld van zijn voornemen om dergelijke maatregelen te nemen, met opgaaf van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd; en

b)

het Gemengd Comité heeft besloten dat de maatregelen in verhouding staan tot het beoogde doel, niet-discriminerend zijn, en in het bijzonder dat de beoordeling van Zwitserland in de leden 2 en 3, gegrond is.

(*1)   PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23 ”."

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, … .

Voor het Gemengd Comité

Het hoofd van de EU-delegatie

Het hoofd van de Zwitserse delegatie


(*1)   PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23 ”.”


(1)   PB L 303 van 21.11.2007, blz. 11.

(2)   PB L 303 van 21.11.2007, blz. 20.

(3)   PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.


VERORDENINGEN

26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/4


VERORDENING (EU) Nr. 183/2011 VAN DE COMMISSIE

van 22 februari 2011

tot wijziging van de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (1), en met name artikel 39, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2007/46/EG is een geharmoniseerd kader vastgesteld dat de administratieve bepalingen en algemene technische voorschriften voor alle nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden omvat. Die richtlijn omvat met name een lijst van alle regelgeving waarin de technische voorschriften zijn vastgelegd waaraan voertuigen moeten voldoen om EG-typegoedkeuring te verkrijgen. Zij omvat tevens de verschillende modellen van de typegoedkeuringscertificaten.

(2)

Ten gevolge van de effecten van de mondialisering op de automobielsector neemt de vraag naar buiten de Unie gebouwde voertuigen aanzienlijk toe. De lidstaten hebben in hun nationale wetgeving bestuursrechtelijke procedures en technische voorschriften vastgesteld voor de goedkeuring van voertuigen die uit derde landen worden ingevoerd. Aangezien de procedures en voorschriften van lidstaat tot lidstaat verschillen, leidt deze situatie tot verstoring van de werking van de interne markt. Daarom moeten passende geharmoniseerde maatregelen worden genomen.

(3)

In een eerste fase moeten geharmoniseerde bestuursrechtelijke en technische bepalingen voor individuele goedkeuringen worden vastgelegd voor voertuigen die in grote series worden geproduceerd in of voor derde landen.

(4)

Artikel 24 van Richtlijn 2007/46/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid vrijstelling van enkele bepalingen van die richtlijn en van de in bijlage IV bij die richtlijn genoemde regelgeving te verlenen voor de goedkeuring van individuele voertuigen. Een goede werking van de interne markt vereist evenwel dat soortgelijke technische en bestuursrechtelijke voorschriften van toepassing zijn in de gehele Unie. Daarom moet worden vastgelegd van welke bepalingen van de wetgeving van de Unie vrijstelling kan worden verleend.

(5)

Artikel 24 biedt de lidstaten de mogelijkheid als alternatief voor Europese wetgeving voorschriften vast te stellen die een verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau waarborgen dat, voor zover praktisch haalbaar, gelijkwaardig is met het door de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG geboden niveau. Ervan uitgaande dat voertuigen die in serie worden geproduceerd voor derde landen om aldaar op de binnenlandse markt in het verkeer te worden gebracht, worden gebouwd overeenkomstig de geldende technische wetgeving in de landen van oorsprong of bestemming, is het passend rekening te houden met die voorschriften en met de werkzaamheden die thans worden verricht in het kader van het „Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen (WP.29)” onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties in Genève. Op basis van de nu beschikbare passende gegevens en benodigde deskundigheid kan worden aangetoond dat die voorschriften een verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau kunnen waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is met het in de Unie verplichte verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau. Het is daarom passend een aantal in derde landen geldende voorschriften als gelijkwaardig te beschouwen ten behoeve van individuele goedkeuring.

(6)

De modellen van de door de goedkeuringsinstanties afgegeven certificaten worden beschreven in bijlage VI bij Richtlijn 2007/46/EG. Deze modellen hebben echter betrekking op goedkeuringen die voor een voertuigtype worden verleend en niet op goedkeuringen die voor individuele voertuigen worden verleend. Om de onderlinge erkenning van dergelijke krachtens artikel 24 van die Richtlijn verleende individuele goedkeuringen te vergemakkelijken, moet het te gebruiken model voor individuelegoedkeuringscertificaten beschikbaar worden gesteld.

(7)

In de lidstaten zijn op de datum van vaststelling van deze verordening nationale regelingen voor individuele goedkeuring van kracht voor voertuigen die in grote series worden geproduceerd en die oorspronkelijk voor registratie in derde landen bedoeld zijn. Die goedkeuringsregelingen mogen van kracht blijven. Overeenkomstig artikel 24, lid 6, van Richtlijn 2007/46/EG is de geldigheid ervan beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend en mogen andere lidstaten dergelijke goedkeuringen weigeren.

(8)

Om de behoorlijke werking van het typegoedkeuringssysteem te waarborgen, moeten de bijlagen bij Richtlijn 2007/46/EG worden bijgewerkt teneinde de technische voorschriften vast te stellen voor de volgens de individuelegoedkeuringsprocedure goed te keuren voertuigen.

(9)

De bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Technisch Comité motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

De voorschriften van deze verordening laten de in artikel 24 van Richtlijn 2007/46/EG vervatte voorschriften voor individuele goedkeuringen onverlet, met name de mogelijkheid voor lidstaten om individuele goedkeuringen te verlenen mits zij alternatieve voorschriften vaststellen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op 26 februari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.


BIJLAGE

1.   

Bijlage IV, deel I, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel „Aanhangsel” wordt vervangen door de titel „Aanhangsel 1”;

b)

het volgende aanhangsel 2 wordt toegevoegd:

„Aanhangsel 2

Voorschriften voor de goedkeuring krachtens artikel 24 van complete voertuigen van de categorieën M1 en N1 die in grote series worden geproduceerd in of voor derde landen

0.   DOEL

Een voertuig wordt als nieuw beschouwd wanneer:

a)

het nooit eerder is geregistreerd, of

b)

het ten tijde van de aanvraag voor individuele goedkeuring minder dan zes maanden geregistreerd is geweest.

Een voertuig wordt als geregistreerd beschouwd als er permanente, voorlopige of tijdelijke administratieve goedkeuring is verleend om het in het verkeer te brengen, wat de identificatie ervan en de afgifte van een registratienummer impliceert (1).

1.   ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

1.1.   Indeling van het voertuig in een categorie

Voertuigen worden volgens de in bijlage II vastgestelde criteria ingedeeld in categorieën.

Hiervoor:

a)

wordt rekening gehouden met het daadwerkelijke aantal zitplaatsen, en

b)

moet de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand gelijk zijn aan de maximummassa die door de fabrikant in het land van oorsprong is opgegeven en die in zijn officiële documentatie is vermeld.

Als vanwege het ontwerp van de carrosserie de voertuigcategorie niet eenvoudig kan worden vastgesteld, zijn de voorwaarden van bijlage II van toepassing.

1.2.   Aanvraag voor individuele goedkeuring

a)

De aanvrager dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in die vergezeld gaat van alle relevante documentatie die nodig is voor de afwikkeling van het goedkeuringsproces.

Als de ingediende documentatie onvolledig, vervalst of nagemaakt is, wordt de goedkeuringsaanvraag afgewezen.

b)

Voor een specifiek voertuig mag slechts één aanvraag worden ingediend en dit slechts in één lidstaat.

Onder een specifiek voertuig wordt verstaan een fysiek voertuig waarvan het voertuigidentificatienummer duidelijk is geïdentificeerd.

Voor de toepassing van dit punt mag de goedkeuringsinstantie voorschrijven dat de aanvrager zich er schriftelijk toe verbindt dat hij slechts één aanvraag in één lidstaat in zal dienen.

Elke aanvrager mag echter individuele goedkeuring aanvragen in een andere lidstaat voor een voertuig dat dezelfde of vergelijkbare kenmerken heeft als het voertuig waarvoor individuele goedkeuring is verleend.

c)

Het model van het aanvraagformulier en de indeling van het dossier worden door de goedkeuringsinstantie vastgesteld.

Voor de gevraagde gegevens mag alleen een passende selectie van de in bijlage I opgenomen informatie worden gemaakt.

d)

De technische voorschriften waaraan moet worden voldaan, zijn vastgelegd in punt 4 van dit aanhangsel.

Het gaat daarbij om de voorschriften die van toepassing zijn op nieuwe voertuigen van een voertuigtype dat op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend in productie is.

e)

Voor bepaalde tests die in sommige in deze bijlage genoemde verordeningen en richtlijnen worden voorgeschreven, dient de aanvrager een verklaring van overeenstemming met erkende internationale normen of regelingen in. Alleen de voertuigfabrikant mag de genoemde verklaring afgegeven.

Onder een verklaring van overeenstemming wordt verstaan een verklaring die wordt afgegeven door het kantoor of de afdeling binnen de organisatie van de fabrikant dat of die door de directie naar behoren is gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie van een voertuig.

De regelgeving waarvoor een dergelijke verklaring moet worden ingediend, is vermeld in punt 4 van dit aanhangsel.

Als er onduidelijkheid bestaat over een verklaring, kan van de aanvrager worden verlangd dat hij van de fabrikant afdoende bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van een testrapport, verkrijgt waarmee de verklaring van de fabrikant kan worden gestaafd.

1.3.   Met individuele goedkeuringen belaste technische diensten

a)

De met individuele goedkeuringen belaste technische diensten moeten onder categorie A, als bedoeld in artikel 41, lid 3, vallen.

b)

In afwijking van artikel 41, lid 4, tweede alinea, moeten de technische diensten aan de volgende normen voldoen:

i)

EN ISO/IEC 17025:2005 als zij zelf de tests uitvoeren;

ii)

EN ISO/IEC 17020:2004 als zij nagaan of het voertuig aan de voorschriften van dit aanhangsel voldoet.

c)

Als op verzoek van de aanvrager specifieke tests moeten worden uitgevoerd waarvoor specifieke vaardigheden benodigd zijn, worden deze uitgevoerd door een bij de Commissie aangemelde technische dienst naar keuze van de aanvrager.

Als bijvoorbeeld een frontale botstest moet worden uitgevoerd in overleg met een aanvrager in lidstaat A mag deze test worden uitgevoerd door een aangemelde technische dienst in lidstaat B.

1.4.   Testrapporten

a)

Testrapporten worden opgesteld overeenkomstig punt 5.10.2 van norm EN ISO/IEC 17025:2005.

b)

Zij worden opgesteld in een door de goedkeuringsinstantie te bepalen taal van de Unie.

Als bij de toepassing van punt 1.3, onder c), een testrapport is opgesteld in een andere dan de met de individuele goedkeuring belaste lidstaat, kan de goedkeuringsinstantie van de aanvrager verlangen dat hij een getrouwe vertaling van het testrapport indient.

c)

Testrapporten bevatten een beschrijving van het geteste voertuig, met inbegrip van een eenduidige identificatie ervan. De onderdelen die van bijzonder belang zijn voor de resultaten van de tests worden beschreven onder vermelding van hun identificatienummer.

Het gaat daarbij bijvoorbeeld om onderdelen als de geluiddempers bij geluidsmetingen en het motormanagementsysteem (elektronische regeleenheid) bij het meten van uitlaatemissies.

d)

Op verzoek van een aanvrager mag een testrapport dat is afgegeven voor een systeem dat betrekking heeft op een specifiek voertuig meerdere malen door dezelfde of een andere aanvrager worden overgelegd voor een individuele goedkeuring van een ander voertuig.

In een dergelijk geval zorgt de goedkeuringsinstantie ervoor dat de technische kenmerken van het voertuig op de juiste manier aan de hand van het testrapport worden geïnspecteerd.

Op basis van de inspectie van het voertuig en de begeleidende documentatie bij het testrapport moet kunnen worden geconcludeerd dat het voertuig waarvoor individuele goedkeuring is aangevraagd dezelfde kenmerken heeft als het in het rapport beschreven voertuig.

e)

Er mogen alleen gewaarmerkte afschriften van een testrapport worden ingediend.

f)

Tot de in punt 1.4, onder d), bedoelde testrapporten behoren niet de rapporten die zijn opgesteld voor de verlening van individuele goedkeuring van het voertuig.

1.5.   Het is inherent aan de individuele goedkeuring dat elk specifiek voertuig fysiek door de technische dienst wordt geïnspecteerd.

Uitzonderingen op dit beginsel zijn niet toegestaan.

1.6.   Als de goedkeuringsinstantie ervan overtuigd is dat het voertuig aan de in dit aanhangsel genoemde voorschriften voldoet en conform is met de beschrijving in de aanvraag, verleent zij goedkeuring krachtens artikel 24.

1.7.   Het goedkeuringscertificaat wordt opgesteld volgens model D in bijlage VI.

1.8.   De goedkeuringsinstantie legt een register aan van alle krachtens artikel 24 verleende goedkeuringen.

2.   VRIJSTELLINGEN

2.1.   Wegens de specifieke aard van de individuele procedure wordt vrijstelling verleend van de volgende artikelen van deze richtlijn, met inbegrip van de desbetreffende bepalingen in de toepasselijke bijlagen:

a)

artikel 12 betreffende maatregelen inzake de conformiteit van de productie;

b)

de artikelen 8, 9, 13, 14 en 18 betreffende de typegoedkeuringsprocedure voor voertuigen.

2.2.   Identificatie van het voertuigtype

a)

Voor zover mogelijk worden het type, de variant en de versie die in het land van oorsprong voor het voertuig worden opgegeven, vermeld in het goedkeuringscertificaat.

b)

Als het wegens het ontbreken van de juiste gegevens niet mogelijk is om het type, de variant en de versie vast te stellen, mag de gangbare handelsnaam van het voertuig worden vermeld.

3.   HERZIENING VAN DE TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

De in deel 4 opgenomen lijst met technische voorschriften zal regelmatig worden herzien om rekening te houden met de harmonisatiewerkzaamheden die thans worden verricht in het kader van het Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen (WP.29) in Genève en met ontwikkelingen in de wetgeving in derde landen.

4.   TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

Toelichting bij aanhangsel 2

1.

In dit aanhangsel gebruikte afkortingen

„OEM”: door de fabrikant geleverde originele uitrustingsstukken

„FMVSS”: Federal Motor Vehicle Safety Standard van het Department of Transportation van de Verenigde Staten

„JSRRV”: Japan Safety regulations for Road Vehicles

„SAE”: Society of Automotive Engineers

„CISPR”: Comité international spécial des perturbations radioélectriques.

2.

Opmerkingen:

(a)

De complete lpg- of CNG-installatie moet worden getoetst aan de bepalingen van de VN/ECE-Reglementen nr. 67 of 110 of 115, naargelang het geval.

(b)

Voor de beoordeling van de CO2-emissies worden de volgende formules gebruikt:

Benzinemotor en handgeschakelde versnellingsbak:

CO2 = 0,047 m + 0,561 p + 56,621

Benzinemotor en automatische versnellingsbak:

CO2 = 0,102 m + 0,328 p + 9,481

Benzinemotor en hybride elektrisch:

CO2 = 0,116 m – 57,147

Dieselmotor en handgeschakelde versnellingsbak:

CO2 = 0,108 m – 11,371

Dieselmotor en automatische versnellingsbak:

CO2 = 0,116 m – 6,432

Waarbij: „CO2 ” staat voor de gecombineerde CO2-massa-emissie in g/km, „m” voor de massa in kg van het voertuig in rijklare toestand en „p” voor het maximaal geleverde motorvermogen in kW.

De gecombineerde CO2-massa wordt berekend tot één cijfer achter de komma en daarna als volgt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal:

a)

als het cijfer achter de komma lager dan 5 is, wordt het totaal naar beneden afgerond;

b)

als het cijfer achter de komma 5 of hoger is, wordt het totaal naar boven afgerond.

(c)

Voor de beoordeling van het brandstofverbruik wordt de volgende formule gebruikt:

CFC = CO2 × k-1

Waarbij: „CFC” staat voor het gecombineerd brandstofverbruik in l/100 km, „CO2 ” voor de gecombineerde CO2-massa-emissie in g/km nadat deze is afgerond volgens de regel van opmerking 2 (b) en „k” een coëfficiënt die gelijk is aan:

23,81 voor een benzinemotor;

26,49 voor een dieselmotor.

Het gecombineerd brandstofverbruik wordt berekend tot twee cijfers achter de komma en daarna als volgt afgerond:

a)

als het tweede cijfer achter de komma lager dan 5 is, wordt het totaal naar beneden afgerond;

b)

als het tweede cijfer achter de komma 5 of hoger is, wordt het totaal naar boven afgerond.

(d)

Richtlijn 74/297/EEG is van toepassing op voertuigen die buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 96/79/EG vallen.

(e)

Voertuigen die voldoen aan Richtlijn 96/79/EG hoeven niet te voldoen aan Richtlijn 74/297/EEG.

(f)

Richtlijn 74/297/EEG is van toepassing op voertuigen van categorie N1 met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 1,5 t.

Deel I:   Voertuigen van categorie M1

Nummer

Regelgeving

Alternatieve voorschriften

1.

Richtlijn 70/157/EEG

(Toegestaan geluidsniveau)

Geluidstest bij voorbijrijden

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens methode A zoals bedoeld in bijlage 3 bij VN/ECE-Reglement nr. 51.

Daarbij worden de in bijlage I, punt 2.1, bij Richtlijn 70/157/EEG vermelde grenswaarden gehanteerd. Het geluidsniveau mag één decibel boven de toegestane grenswaarden liggen.

b)

De testbaan moet voldoen aan de voorschriften van bijlage 8 bij VN/ECE-Reglement nr. 51. Een testbaan met andere specificaties mag worden gebruikt op voorwaarde dat door de technische dienst correlatietests zijn uitgevoerd. Indien nodig wordt een correctiefactor toegepast.

c)

Uitlaatsystemen met vezelmaterialen hoeven niet geconditioneerd te worden zoals voorgeschreven in bijlage 5 bij VN/ECE-Reglement nr. 51.

Geluidstest bij stilstaan

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage 3, punt 3.2, bij VN/ECE-Reglement nr. 51.

2.

Richtlijn 70/220/EEG

(Emissies)

Uitlaatemissies

a)

Er wordt een test van het type I uitgevoerd volgens bijlage III bij Richtlijn 70/220/EEG, waarbij de in punt 5.3.6.2 bedoelde verslechteringsfactoren worden gebruikt. Daarbij worden de in bijlage I, punt 5.3.1.4, bij die richtlijn vermelde grenswaarden toegepast.

b)

Het voertuig hoeft geen kilometerstand van 3 000  km aan te geven zoals voorgeschreven in bijlage III, punt 3.1.1, bij die richtlijn.

c)

De voor de test te gebruiken brandstof is de referentiebrandstof zoals voorgeschreven in bijlage IX bij Richtlijn 70/220/EEG.

d)

De rollenbank wordt ingesteld volgens de technische voorschriften van bijlage III, aanhangsel 2, punt 3.2, bij die richtlijn.

e)

De onder a) bedoelde test wordt niet uitgevoerd als kan worden aangetoond dat het voertuig voldoet aan een van de in bijlage I, punt 5, inleidende noot, bij die richtlijn genoemde California Regulations.

Verdampingsemissies

Voertuigen met benzinemotor worden uitgerust met een verdampingsemissiebeperkingssysteem (bijvoorbeeld een actievekoolfilter).

Carteremissies

De aanwezigheid van een voorziening voor het recycleren van cartergassen is verplicht.

OBD

Het voertuig wordt uitgerust met een OBD-systeem.

De OBD-interface moet kunnen communiceren met gangbare diagnoseapparatuur die wordt gebruikt voor periodieke technische inspecties.

2a.

Verordening (EG) nr. 715/2007

Emissies (Euro 5 en 6) lichte voertuigen/toegang tot informatie

Uitlaatemissies

a)

Er wordt een test van het type I uitgevoerd volgens bijlage III bij Verordening (EG) nr. 692/2008, waarbij de verslechteringsfactoren van bijlage VII, punt 1.4, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 worden gebruikt. Daarbij worden de in de tabellen I en II van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 vermelde grenswaarden toegepast.

b)

Het voertuig hoeft geen kilometerstand van 3 000  km aan te geven zoals vermeld in bijlage 4, punt 3.1.1, bij VN/ECE-Reglement nr. 83.

c)

De voor de test te gebruiken brandstof is de referentiebrandstof zoals voorgeschreven in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 692/2008.

d)

De rollenbank wordt ingesteld volgens de technische voorschriften van bijlage 4, punt 3.2, bij VN/ECE-Reglement nr. 83.

e)

De onder a) bedoelde test wordt niet uitgevoerd als kan worden aangetoond dat het voertuig voldoet aan de in bijlage I, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 genoemde California Regulations.

Verdampingsemissies

Voor voertuigen met benzinemotor is de aanwezigheid van een verdampingsemissiebeperkingssysteem (bijvoorbeeld een actievekoolfilter) verplicht.

Carteremissies

De aanwezigheid van een voorziening voor het recycleren van cartergassen is verplicht.

OBD

a)

Het voertuig wordt uitgerust met een OBD-systeem.

b)

De OBD-interface moet kunnen communiceren met gangbare diagnoseapparatuur die wordt gebruikt voor periodieke technische inspecties.

Rookopaciteit

a)

Voertuigen met dieselmotor worden getest volgens de in bijlage IV, aanhangsel 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 bedoelde testmethoden.

b)

De gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht.

CO2-emissies en brandstofverbruik

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008.

b)

Het voertuig hoeft geen kilometerstand van 3 000  km aan te geven zoals voorgeschreven in bijlage 4, punt 3.1.1, bij VN/ECE-Reglement nr. 83.

c)

Als het voertuig voldoet aan de in bijlage I, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 genoemde California Regulations en er derhalve geen test van de uitlaatemissies hoeft te worden uitgevoerd, berekenen de lidstaten de CO2-emissies en het brandstofverbruik met behulp van de formules in de punten (b) en (c) van de toelichting.

Toegang tot informatie

De bepalingen met betrekking tot de toegang tot informatie zijn niet van toepassing.

3.

Richtlijn 70/221/EEG

(Brandstoftanks — beschermingsinrichtingen aan de achterzijde)

Brandstoftanks

a)

Brandstoftanks moeten voldoen aan bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 70/221/EEG, met uitzondering van de punten 5.1, 5.2 en 5.12. Zij moeten met name voldoen aan de punten 5.9 en 5.9.1, maar er hoeft geen druppelingstest te worden uitgevoerd.

b)

Typegoedkeuring voor lpg- of CNG-tanks wordt verleend volgens respectievelijk VN/ECE-Reglement nr. 67, wijzigingenreeks 01, of VN/ECE-Reglement nr. 110 (a).

Specifieke bepalingen voor kunststof brandstoftanks

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat de brandstoftank van het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

punt 6.3 van Richtlijn 70/221/EEG;

FMVSS nr. 301 („Fuel system integrity”);

bijlage 5 bij VN/ECE-Reglement 34.

Beschermingsinrichting aan de achterzijde

a)

De achterkant van het voertuig wordt geconstrueerd overeenkomstig bijlage II, punt 5, bij Richtlijn 70/221/EEG.

b)

Hiervoor volstaat het als aan de voorschriften van punt 5.2, tweede alinea, wordt voldaan.

4.

Richtlijn 70/222/EEG

(Plaats voor de achterkentekenplaat)

De plaats, helling, zichtbaarheidshoeken en stand van de kentekenplaat moeten voldoen aan Richtlijn 70/222/EEG.

5.

Richtlijn 70/311/EEG

(Besturingskracht)

Mechanische systemen

a)

De stuurinrichting moet zo gebouwd zijn dat zij zelfcentrerend is. Om te controleren of aan deze bepaling is voldaan, wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punten 5.1.2 en 5.2.1, bij Richtlijn 70/311/EEG.

b)

Uitval van de stuurbekrachtiging mag niet tot gevolg hebben dat de macht over het voertuig volledig verloren gaat.

Complexe elektronische voertuigcontrolesystemen („drive-by-wire”-voorzieningen)

Complexe elektronische controlesystemen worden alleen toegestaan als zij voldoen aan bijlage 6 bij VN/ECE-Reglement nr. 79.

6.

Richtlijn 70/387/EEG

(Hang- en sluitwerk van deuren)

a)

Hang- en sluitwerk van deuren moet voldoen aan bijlage I, punten 3.2.1, 3.3.2 en 3.4.1, bij Richtlijn 70/387/EEG.

b)

De voorschriften van punt 3.4.1 zijn niet van toepassing als wordt aangetoond dat aan punt 6.1.5.4 van VN/ECE-Reglement nr. 11, herziening 1, wijziging 2, wordt voldaan.

7.

Richtlijn 70/388/EEG

(Geluidssignaal)

Onderdelen

Voor de geluidssignaalinrichtingen is geen typegoedkeuring volgens Richtlijn 70/338/EEG vereist. Zij moeten echter wel een vaste toon voortbrengen, zoals voorgeschreven in bijlage I, punt 1.1, bij die richtlijn.

Installatie in het voertuig

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, deel 2, bij Richtlijn 70/388/EEG.

b)

Het maximale geluidsdrukniveau moet in overeenstemming zijn met punt 2.1.4, van die bijlage.

8.

Richtlijn 2003/97/EG

(Voorzieningen voor indirect zicht)

Onderdelen

a)

Het voertuig wordt uitgerust met de in bijlage III, punt 2, bij Richtlijn 2003/97/EG voorgeschreven achteruitkijkspiegels.

b)

Voor deze spiegels is geen typegoedkeuring volgens die richtlijn vereist.

c)

De kromtestralen van de spiegels mogen geen significante beeldvervorming veroorzaken. Als de technische dienst dat wenst, worden de kromtestralen gecontroleerd volgens de in bijlage II, aanhangsel 1, bij die richtlijn beschreven methode. De kromtestralen mogen niet minder bedragen dan voorgeschreven in bijlage II, punt 3.4, bij die richtlijn.

Installatie in het voertuig

Er wordt een meting uitgevoerd om te garanderen dat de gezichtsvelden voldoen aan ofwel bijlage III, punt 5, bij Richtlijn 2003/97/EG, ofwel bijlage III, punt 5, bij Richtlijn 71/127/EEG.

9.

Richtlijn 71/320/EEG

(Remmen)

Algemene bepalingen

a)

Het remsysteem moet volgens bijlage I, punt 2, bij Richtlijn 71/320/EEG zijn gebouwd.

b)

De voertuigen worden voorzien van een elektronisch antiblokkeersysteem dat op alle wielen werkt.

c)

De prestaties van het remsysteem moeten voldoen aan bijlage II, punt 2, bij die richtlijn.

d)

Hiertoe worden tests op de weg uitgevoerd op een baan met een wegdek met hoge wrijvingscoëfficiënt. De test van de parkeerrem wordt op een helling van 18 % (naar boven en naar beneden) uitgevoerd.

Alleen de hieronder genoemde tests worden uitgevoerd. Daarbij is het voertuig telkens in volledig beladen toestand.

e)

De onder c) genoemde test op de weg wordt niet uitgevoerd als de aanvrager een verklaring van de fabrikant kan indienen waaruit blijkt dat het voertuig voldoet aan ofwel VN/ECE-Reglement nr. 13-H, met inbegrip van supplement 5, ofwel FMVSS nr. 135.

Bedrijfsrem

a)

Er wordt een test van het type 0 uitgevoerd, zoals voorgeschreven in bijlage II, punten 1.2.2 en 1.2.3, bij Richtlijn 71/320/EEG.

b)

Bovendien wordt er een test van het type I uitgevoerd, zoals beschreven in bijlage II, punt 1.3, bij die richtlijn.

Parkeerrem

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage II, punt 2.1.3, bij die richtlijn.

10.

Richtlijn 72/245/EEG

(Radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit))

Onderdelen

a)

Voor elektrische/elektronische subeenheden is geen typegoedkeuring volgens Richtlijn 72/245/EEG vereist.

b)

Achteraf ingebouwde elektrische/elektronische subeenheden moeten echter wel aan die richtlijn voldoen.

Elektromagnetische straling

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het voertuig voldoet aan Richtlijn 72/245/EEG of aan de volgende alternatieve normen:

Elektromagnetische breedbandstraling: CISPR 12 of SAE J551-2;

Elektromagnetische smalbandstraling: CISPR 12 (buiten het voertuig) of 25 (binnen het voertuig) of SAE J551-4 en SAE J1113-41.

Immuniteitstests

Voor de immuniteitstest wordt vrijstelling verleend.

11.

Richtlijn 72/306/EEG

(Dieselrook)

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens de in de bijlagen III en IV bij Richtlijn 72/306/EEG beschreven methoden.

Daarbij worden de in bijlage V bij die richtlijn vermelde grenswaarden gehanteerd.

b)

De in bijlage I, punt 4, bij Richtlijn 72/306/EEG bedoelde gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht.

12.

Richtlijn 74/60/EEG

(Binnenuitrusting)

Binneninrichting

a)

Wat de voorschriften voor energieabsorptie betreft, wordt het voertuig geacht aan Richtlijn 74/60/EEG te voldoen als het is uitgerust met ten minste twee airbags voorin, waarvan er een in het stuur en een in het dashboard is aangebracht.

b)

Als het voertuig slechts is uitgerust met één, in het stuur aangebrachte airbag voorin, moet het dashboard uit energieabsorberend materiaal zijn vervaardigd.

c)

De technische dienst controleert of zich in de in bijlage I, punten 5.1 tot en met 5.7, bij Richtlijn 74/60/EEG gedefinieerde zones geen scherpe randen bevinden.

Elektrische bediening

a)

Elektrisch bediende ramen, dakpaneel- en scheidingssystemen worden getest volgens bijlage I, punt 5.8, bij die richtlijn.

De in punt 5.8.3 van die bijlage bedoelde gevoeligheid van automatische omkeersystemen mag afwijken van de voorschriften van punt 5.8.3.1.1.

b)

Elektrische ramen die niet gesloten kunnen worden wanneer de ontsteking is uitgeschakeld, worden vrijgesteld van de voorschriften voor automatische omkeersystemen.

13.

Richtlijn 74/61/EEG

(Beveiliging tegen diefstal en startonderbrekers)

a)

Ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik wordt het voertuig uitgerust met:

een vergrendelingsvoorziening zoals gedefinieerd in bijlage IV, punt 2.2, bij Richtlijn 74/61/EEG en

een startonderbreker die aan de technische voorschriften van bijlage V, deel 3, bij die richtlijn en de essentiële voorschriften van deel 4, met name punt 4.1.1, voldoet.

b)

Als voor de toepassing van punt a) een startonderbreker achteraf ingebouwd moet worden, moet deze van een krachtens Richtlijn 74/61/EEG of VN/ECE-Reglement nr. 97 of nr. 116 goedgekeurd type zijn.

14.

Richtlijn 74/297/EEG (d)

(Gedrag stuurinrichting bij botsingen)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 74/297/EEG;

FMVSS nr. 203 („Impact protection for the driver from the steering control system”) met inbegrip van FMVSS nr. 204 („Steering control rearward displacement”);

Artikel 11 van de JSRRV.

b)

Op verzoek van de aanvrager kan een test volgens bijlage II bij Richtlijn 74/297/EEG worden uitgevoerd op een serievoertuig.

De test wordt uitgevoerd door een aangemelde Europese technische dienst die hiertoe bevoegd is. Aan de aanvrager wordt een gedetailleerd rapport afgegeven.

15.

Richtlijn 74/408/EEG

(Sterkte van de stoelen — hoofdsteunen)

Stoelen, stoelverankeringen en verstelsystemen van stoelen

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 74/408/EEG;

FMVSS nr. 207 („Seating systems”).

Hoofdsteunen

a)

Als de hierboven bedoelde verklaring op FMVSS nr. 207 is gebaseerd, moeten de hoofdsteunen daarnaast ook aan de essentiële voorschriften van bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 74/408/EEG en van aanhangsel I, punt 5, van die bijlage voldoen.

b)

Alleen de in bijlage II, punten 3.10, 5, 6 en 7, bij die richtlijn beschreven tests worden uitgevoerd.

c)

In het andere geval dient de aanvrager een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan FMVSS nr. 202a („Head restraints”) voldoet.

16.

Richtlijn 74/483/EEG

(Naar buiten uitstekende delen)

a)

Het buitenoppervlak van het chassis moet aan de in bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 74/483/EEG opgenomen algemene voorschriften voldoen.

b)

Als de technische dienst dat wenst, worden de bepalingen van bijlage I, punten 6.1, 6.5, 6.6, 6.7, 6.8 en 6.11, bij die richtlijn gecontroleerd.

17.

Richtlijn 75/443/EEG

(Snelheidsmeter en achteruit)

Snelheidsmeter

a)

De wijzerplaat moet voldoen aan bijlage II, punten 4.1 tot en met 4.2.3, bij Richtlijn 75/443/EEG.

b)

Als de technische dienst redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de snelheidsmeter onvoldoende nauwkeurig is gekalibreerd, kan hij vereisen dat de in punt 4.3 voorgeschreven tests worden uitgevoerd.

Achteruit

Het versnellingsmechanisme omvat een achteruitstand.

18.

Richtlijn 76/114/EEG

(Voorgeschreven platen)

Voertuigidentificatienummer

a)

Het voertuig wordt voorzien van een voertuigidentificatienummer van minimaal acht en maximaal 17 tekens. Voertuigidentificatienummers met 17 tekens moeten voldoen aan de voorschriften van de normen ISO 3779:1983 en 3780:1983.

b)

Het voertuigidentificatienummer moet zich op een duidelijk zichtbare en bereikbare plaats bevinden en zo worden aangebracht dat het niet uitgewist of beschadigd kan worden.

c)

Als er geen voertuigidentificatienummer in het chassis of in de carrosserie is ingeslagen, kan een lidstaat ter toepassing van de nationale wetgeving vereisen dat het achteraf alsnog wordt aangebracht. In een dergelijk geval gebeurt dit onder toezicht van de bevoegde instantie van die lidstaat.

Voorgeschreven plaat

Het voertuig wordt voorzien van een door de voertuigfabrikant aangebracht identificatieplaatje.

Nadat de goedkeuring is verleend, wordt niet meer om verdere platen verzocht.

19.

Richtlijn 76/115/EEG

(Verankeringen veiligheidsgordels)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 76/115/EEG;

FMVSS nr. 210 („Seat belt assembly anchorages”);

Artikel 22-3 van de JSRRV.

20.

Richtlijn 76/756/EEG

(Installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen)

a)

De verlichtingsinstallatie moet voldoen aan de essentiële voorschriften van VN/ECE-Reglement nr. 48, wijzigingenreeks 03, met uitzondering van die van de bijlagen 5 en 6 bij Reglement nr. 48.

b)

Met betrekking tot het aantal, de essentiële kenmerken van het ontwerp, de elektrische verbindingen en de kleur van het uitgestraalde of geretroflecteerde licht van de in de nummers 21 tot en met 26 en in de nummers 28 en 30 bedoelde lichten en lichtsignaalinrichtingen worden geen uitzonderingen toegestaan.

c)

Lichten en lichtsignaalinrichtingen die ter toepassing van het bovenstaande achteraf moeten worden ingebouwd, worden voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk.

d)

Lichten met een gasontladingslichtbron zijn alleen toegestaan in combinatie met de installatie van een schoonmaakinrichting voor koplampen en een automatische niveauregeling voor koplampen, naargelang het geval.

e)

Dimlichten worden aangepast aan de wettelijk voorgeschreven verkeersrichting in het land waarin goedkeuring voor het voertuig wordt verleend.

21.

Richtlijn 76/757/EEG

(Retroflectoren)

Indien nodig worden aan de achterkant twee extra reflectoren met een EG-typegoedkeuringsmerk aangebracht, in een stand die voldoet aan VN/ECE-Reglement nr. 48.

22.

Richtlijn 76/758/EEG

(Markerings-, breedte-, achter-, stop-, zijmarkerings- en dagrijlichten)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

23.

Richtlijn 76/759/EEG

(Richtingaanwijzers)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

24.

Richtlijn 76/760/EEG

(Achterkentekenplaatverlichting)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

25.

Richtlijn 76/761/EEG

(Koplampen (met gloeilampen))

a)

De door het dimlicht van de op het voertuig gemonteerde koplampen geproduceerde verlichtingssterkte wordt gecontroleerd volgens punt 6 van VN/ECE-Reglement nr. 112 inzake koplampen die asymmetrisch dimlicht uitstralen. Daarbij kan worden gebruikgemaakt van de in bijlage 5 bij dat reglement opgenomen toleranties.

b)

Hetzelfde besluit is van overeenkomstige toepassing op het dimlicht van koplampen die onder VN/ECE-Reglement nr. 98 of nr. 123 vallen.

26.

Richtlijn 76/762/EEG

(Mistvoorlichten)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten, indien gemonteerd, wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

27.

Richtlijn 77/389/EEG

(Sleephaken)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing.

28.

Richtlijn 77/538/EEG

(Mistachterlichten)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

29.

Richtlijn 77/539/EEG

(Achteruitrijlichten)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten, indien gemonteerd, wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

30.

Richtlijn 77/540/EEG

(Parkeerlichten)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten, indien gemonteerd, wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

31

Richtlijn 77/541/EEG

(Veiligheidsgordels en bevestigingssystemen)

Onderdelen

a)

Voor veiligheidsgordels is geen typegoedkeuring volgens Richtlijn 77/541/EEG vereist.

b)

Op elke veiligheidsgordel wordt echter een etiket aangebracht ter identificatie.

c)

De aanduidingen op het etiket moeten overeenstemmen met het besluit met betrekking tot verankeringen van veiligheidsgordels (zie nummer 19).

Installatievoorschriften

a)

Het voertuig wordt uitgerust met veiligheidsgordels volgens de voorschriften van bijlage XV bij Richtlijn 77/541/EEG.

b)

Als overeenkomstig punt a) een aantal veiligheidsgordels achteraf moeten worden gemonteerd, moeten deze van een krachtens Richtlijn 77/541/EEG of VN/ECE-Reglement nr. 16 goedgekeurd type zijn.

32.

Richtlijn 77/649/EEG

(Voorwaarts zicht)

a)

Binnen het 180°-gezichtsveld naar voren van de bestuurder, zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 5.1.3, bij Richtlijn 77/649/EEG, mogen zich geen belemmeringen bevinden.

b)

In afwijking van punt a) worden de A-stijlen en de in bijlage I, punt 5.1.3, bij die richtlijn genoemde uitrusting niet als belemmering beschouwd.

c)

Het aantal A-stijlen mag niet meer dan 2 bedragen.

33.

Richtlijn 78/316/EEG

(Identificatie van de bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters)

a)

De symbolen, met inbegrip van de kleur van de bijbehorende verklikkerlichten, die verplicht aanwezig zijn op grond van bijlage II bij Richtlijn 78/316/EEG, moeten voldoen aan die richtlijn.

b)

Als dit niet het geval is, verifieert de technische dienst of de in het voertuig aangebrachte symbolen, verklikkerlichten en meters de bestuurder begrijpelijke informatie geven over het functioneren van de desbetreffende bedieningsorganen.

34.

Richtlijn 78/317/EEG

(Ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen)

Het voertuig wordt voorzien van geschikte ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen voor de voorruit.

Als „geschikt” worden beschouwd alle ontdooiingsinrichtingen voor de voorruit die ten minste voldoen aan bijlage I, punt 5.1.1, bij Richtlijn 78/317/EEG.

Als „geschikt” worden beschouwd alle ontwasemingsinrichtingen voor de voorruit die ten minste voldoen aan bijlage I, punt 5.2.1, bij die richtlijn.

35.

Richtlijn 78/318/EEG

(Ruitenwissers en -sproeiers)

Het voertuig wordt voorzien van geschikte ruitensproeiers en -wissers voor de voorruit.

Als „geschikt” worden beschouwd alle ruitensproeiers en ruitenwissers voor de voorruit die ten minste voldoen aan bijlage I, punt 5.1.3, bij Richtlijn 78/318/EEG.

36.

Richtlijn 2001/56/EG

(Verwarmingssystemen)

a)

De passagiersruimte wordt uitgerust met een verwarmingssysteem.

b)

Verwarmingstoestellen op brandstof en de installatie ervan moeten voldoen aan bijlage VII bij Richtlijn 2001/56/EG. Verwarmingstoestellen op lpg en lpg-verwarmingssystemen moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage VIII bij die richtlijn.

c)

Extra verwarmingssystemen die achteraf worden ingebouwd, moeten voldoen aan de voorschriften van die richtlijn.

37.

Richtlijn 78/549/EEG

(Wielafschermingen)

a)

Het voertuig moet zijn ontworpen om andere weggebruikers te beschermen tegen het opspatten van stenen, modder, ijs, sneeuw en water, en de gevaren van contact met draaiende wielen te verkleinen.

b)

De technische dienst kan controleren of aan de essentiële technische voorschriften van bijlage I bij Richtlijn 78/549/EEG wordt voldaan.

c)

De bepalingen van bijlage I, punt 3, bij die richtlijn zijn niet van toepassing.

38.

Richtlijn 78/932/EEG

(Hoofdsteunen)

De voorschriften van Richtlijn 78/932/EEG zijn niet van toepassing.

39.

Richtlijn 80/1268/EEG

(CO2-emissies/brandstofverbruik)

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 80/1268/EEG.

b)

De voorschriften van punt 5.1.1 van die bijlage zijn niet van toepassing.

c)

Als ter uitvoering van de onder nummer 2 bedoelde bepalingen geen test met betrekking tot uitlaatemissies is verricht, worden de CO2-emissies en het brandstofverbruik berekend met de formules van de punten (b) en (c) van de toelichting.

40.

Richtlijn 80/1269/EEG

(Motorvermogen)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waarin het maximaal geleverde motorvermogen in kW en het bijbehorende toerental in omwentelingen per minuut worden vermeld.

b)

Als alternatief mag worden gebruikgemaakt van een vermogenskromme van de motor waaruit dezelfde informatie kan worden afgeleid.

41.

Richtlijn 2005/55/EG

(Emissies (Euro 4 en 5) zware voertuigen — OBD’s — rookopaciteit)

Uitlaatemissies

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punt 6.2, bij Richtlijn 2005/55/EG, waarbij de verslechteringsfactoren van bijlage II, punt 3.6, bij Richtlijn 2005/78/EG worden gebruikt.

b)

Daarbij worden de grenswaarden van tabel 1 of tabel 2 van bijlage I bij Richtlijn 2005/55/EG gehanteerd.

OBD

a)

Het voertuig wordt uitgerust met een OBD-systeem.

b)

De OBD-interface moet kunnen communiceren met gangbare diagnoseapparatuur die wordt gebruikt voor periodieke technische inspecties.

Rookopaciteit

a)

Voertuigen met dieselmotor worden getest volgens de in bijlage VI bij Richtlijn 2005/55/EG bedoelde testmethoden.

b)

De gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht.

44.

Richtlijn 92/21/EEG

(Massa’s en afmetingen)

a)

Er moeten worden voldaan aan de voorschriften van bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 92/21/EEG.

b)

Voor de toepassing van de onder a) bedoelde bepalingen moeten de volgende massa’s in aanmerking worden genomen:

de massa in rijklare toestand, gedefinieerd in bijlage I, punt 2.6, bij Richtlijn 2007/46/EG, zoals door de technische dienst gemeten en

de massa’s in beladen toestand, zoals ofwel opgegeven door de voertuigfabrikant ofwel aangegeven op de constructieplaat, met inbegrip van zelfklevende etiketten, of in de gebruikershandleiding. Deze massa’s worden beschouwd als de technisch toelaatbare maximummassa’s in beladen toestand.

c)

Met betrekking tot de maximaal toelaatbare afmetingen worden geen uitzonderingen toegestaan.

45.

Richtlijn 92/22/EEG

(Veiligheidsruiten)

Onderdelen

a)

De ruiten zijn gemaakt van gehard of gelaagd veiligheidsglas.

b)

Ruiten van kunststof mogen alleen op plaatsen achter de B-stijl worden gemonteerd.

c)

De ruiten hoeven niet krachtens Richtlijn 92/22/EEG te worden goedgekeurd.

Installatie

a)

De installatievoorschriften van bijlage 21 bij VN/ECE-Reglement nr. 43 zijn van toepassing.

b)

Getinte folies die de normale lichtdoorlating tot onder het voorgeschreven minimum terugbrengen, mogen niet op de voorruit of op de ruiten vóór de B-stijl worden aangebracht.

46.

Richtlijn 92/23/EEG

(Banden)

Onderdelen

Op banden wordt een EG-typegoedkeuringsmerk aangebracht met daarin onder andere het symbool „s” (voor „sound”: geluid).

Installatie

a)

De afmetingen, belastingsindex en snelheidscategorie van de banden moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 92/23/EEG.

b)

Het snelheidscategoriesymbool van de band moet compatibel zijn met de maximumsnelheid waarvoor het voertuig is ontworpen.

De aanwezigheid van een snelheidsbegrenzer leidt niet tot vrijstelling van de toepassing van dit voorschrift.

c)

Voor de toepassing van het onder b) bepaalde wordt de maximumsnelheid van het voertuig door de fabrikant opgegeven. De technische dienst kan de maximumsnelheid waarvoor het voertuig is ontworpen, echter beoordelen door uit te gaan van het maximaal geleverde motorvermogen, het maximumaantal omwentelingen per minuut en gegevens over de kinematische ketting.

50.

Richtlijn 94/20/EG

(Koppelingen)

Technische eenheden

a)

Voor OEM-koppelingen die zijn bedoeld voor het trekken van een aanhangwagen met een maximale massa van ten hoogste 1 500  kg hoeft geen typegoedkeuring krachtens Richtlijn 94/20/EG te worden verkregen.

Een koppeling wordt als OEM-apparatuur beschouwd als zij in de gebruikershandleiding of in een gelijkwaardig door de voertuigfabrikant aan de koper verstrekt begeleidend document wordt beschreven.

Als een dergelijke koppeling samen met het voertuig wordt goedgekeurd, wordt in het goedkeuringscertificaat een passende tekst opgenomen waarin duidelijk wordt gemaakt dat het onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar valt om ervoor te zorgen dat de koppeling compatibel is met de koppelingsinrichting op de aanhangwagen.

b)

Voor andere dan de onder a) genoemde koppelingen en achteraf gemonteerde koppelingen moet typegoedkeuring krachtens Richtlijn 94/20/EG zijn verkregen.

Installatie op het voertuig

De technische dienst controleert of de installatie van de koppelingsinrichting voldoet aan bijlage VII van Richtlijn 94/20/EEG.

53.

Richtlijn 96/79/EG

(Frontale botsing) (e)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 96/79/EG;

FMVSS nr. 208 („Occupant crash protection”);

Artikel 18 van de JSRRV.

b)

Op verzoek van de aanvrager kan een test volgens bijlage II bij Richtlijn 96/79/EG worden uitgevoerd op een serievoertuig.

De test wordt uitgevoerd door een aangemelde Europese technische dienst die hiertoe bevoegd is. Aan de aanvrager wordt een gedetailleerd rapport afgegeven.

54.

Richtlijn 96/27/EG

(Zijdelingse botsing)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 96/27/EG;

FMVSS nr. 214 („Side impact protection”);

Artikel 18 van de JSRRV.

b)

Op verzoek van de aanvrager kan een test volgens bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 96/27/EG worden uitgevoerd op een serievoertuig.

De test wordt uitgevoerd door een aangemelde Europese technische dienst die hiertoe bevoegd is. Aan de aanvrager wordt een gedetailleerd rapport afgegeven.

58.

Verordening (EG) nr. 78/2009

(Bescherming van voetgangers)

Remhulp

De voertuigen worden voorzien van een elektronisch antiblokkeersysteem dat op alle wielen werkt.

Bescherming van voetgangers

De voorschriften van die verordening zijn niet van toepassing tot 1 januari 2013.

Frontbeschermingsinrichtingen

Voor op het voertuig geïnstalleerde frontbeschermingsinrichtingen moet echter krachtens Verordening (EG) nr. 78/2009 typegoedkeuring zijn verkregen en de installatie ervan moet voldoen aan de essentiële voorschriften van bijlage I, punt 6, bij die verordening.

59.

Richtlijn 2005/64/EG

(Recycleerbaarheid)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing.

61.

Richtlijn 2006/40/EG

(Airconditioningsysteem)

De voorschriften van die richtlijn zijn van toepassing.


Deel II:   Voertuigen van categorie N1

Nummer

Regelgeving

Alternatieve voorschriften

1.

Richtlijn 70/157/EEG

(Toegestaan geluidsniveau)

Geluidstest bij voorbijrijden

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens methode A zoals bedoeld in bijlage 3 bij VN/ECE-Reglement nr. 51.

Daarbij worden de in bijlage I, punt 2.1, bij Richtlijn 70/157/EEG vermelde grenswaarden gehanteerd. Het geluidsniveau mag één decibel boven de toegestane grenswaarden liggen.

b)

De testbaan moet voldoen aan de voorschriften van bijlage 8 bij VN/ECE-Reglement nr. 51. Een testbaan met andere specificaties mag worden gebruikt op voorwaarde dat door de technische dienst correlatietests zijn uitgevoerd. Indien nodig wordt een correctiefactor toegepast.

c)

Uitlaatsystemen met vezelmaterialen hoeven niet geconditioneerd te worden zoals voorgeschreven in bijlage 5 bij VN/ECE-Reglement nr. 51.

Geluidstest bij stilstaan

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage 3, punt 3.2, bij VN/ECE-Reglement nr. 51.

2.

Richtlijn 70/220/EEG

(Emissies)

Uitlaatemissies

a)

Er wordt een test van het type I uitgevoerd volgens bijlage III bij Richtlijn 70/220/EEG, waarbij de in punt 5.3.6.2 bedoelde verslechteringsfactoren worden gebruikt. Daarbij worden de in bijlage I, punt 5.3.1.4, bij die richtlijn gespecificeerde grenswaarden toegepast.

b)

Het voertuig hoeft geen kilometerstand van 3 000  km aan te geven zoals voorgeschreven in bijlage III, punt 3.1.1, bij die richtlijn.

c)

De voor de test te gebruiken brandstof is de referentiebrandstof zoals voorgeschreven in bijlage IX bij Richtlijn 70/220/EEG.

d)

De rollenbank wordt ingesteld volgens de technische voorschriften van bijlage III, aanhangsel 2, punt 3.2, bij die richtlijn.

e)

De onder a) bedoelde test wordt niet uitgevoerd als kan worden aangetoond dat het voertuig voldoet aan een van de in bijlage I, punt 5, inleidende noot, bij die richtlijn genoemde California Regulations.

Verdampingsemissies

Voertuigen met benzinemotor worden uitgerust met een verdampingsemissiebeperkingssysteem (bijvoorbeeld een actieve-koolfilter).

Carteremissies

De aanwezigheid van een voorziening voor het recycleren van cartergassen is verplicht.

OBD

a)

Het voertuig wordt uitgerust met een OBD-systeem.

b)

De OBD-interface moet kunnen communiceren met gangbare diagnoseapparatuur die wordt gebruikt voor periodieke technische inspecties.

2a.

Verordening (EG) nr. 715/2007

Emissies (Euro 5 en 6) lichte voertuigen/toegang tot informatie

Uitlaatemissies

a)

Er wordt een test van het type I uitgevoerd volgens bijlage III bij Verordening (EG) nr. 692/2008, waarbij de verslechteringsfactoren van bijlage VII, punt 1.4, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 worden gebruikt. Daarbij worden de in de tabellen I en II van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 vermelde grenswaarden toegepast.

b)

Het voertuig hoeft geen kilometerstand van 3 000  km aan te geven zoals vermeld in bijlage 4, punt 3.1.1, bij VN/ECE-Reglement nr. 83.

c)

De voor de test te gebruiken brandstof is de referentiebrandstof zoals voorgeschreven in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 692/2008.

d)

De rollenbank wordt ingesteld volgens de technische voorschriften van bijlage 4, punt 3.2, bij VN/ECE-Reglement nr. 83.

e)

De onder a) bedoelde test wordt niet uitgevoerd als kan worden aangetoond dat het voertuig voldoet aan de in bijlage I, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 genoemde California Regulations.

Verdampingsemissies

Voor voertuigen met benzinemotor is de aanwezigheid van een verdampingsemissiebeperkingssysteem (bijvoorbeeld een actievekoolfilter) verplicht.

Carteremissies

De aanwezigheid van een voorziening voor het recycleren van cartergassen is verplicht.

OBD

Het voertuig wordt uitgerust met een OBD-systeem.

De OBD-interface moet kunnen communiceren met gangbare diagnoseapparatuur die wordt gebruikt voor periodieke technische inspecties.

Rookopaciteit

a)

Voertuigen met dieselmotor worden getest volgens de in bijlage IV, aanhangsel 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 bedoelde testmethoden.

b)

De gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht.

CO2-emissies en brandstofverbruik

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008.

b)

Het voertuig hoeft geen kilometerstand van 3 000  km aan te geven zoals voorgeschreven in bijlage 4, punt 3.1.1, bij VN/ECE-Reglement nr. 83.

c)

Als het voertuig voldoet aan de in bijlage I, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie genoemde California Regulations en er derhalve geen test van de uitlaatemissies hoeft te worden uitgevoerd, berekenen de lidstaten de CO2-emissies en het brandstofverbruik met behulp van de formules in de punten (b) en (c) van de toelichting.

Toegang tot informatie

De bepalingen met betrekking tot de toegang tot informatie zijn niet van toepassing.

3.

Richtlijn 70/221/EEG

(Brandstoftanks — beschermingsinrichtingen aan de achterzijde)

Brandstoftanks

a)

Brandstoftanks moeten voldoen aan bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 70/221/EEG, met uitzondering van de punten 5.1, 5.2 en 5.12. Zij moeten met name voldoen aan de punten 5.9 en 5.9.1, maar er hoeft geen druppelingstest te worden uitgevoerd.

b)

Typegoedkeuring voor lpg- of CNG-tanks wordt verleend volgens respectievelijk VN/ECE-Reglement nr. 67, wijzigingenreeks 01, of VN/ECE-Reglement nr. 110 (a).

Specifieke bepalingen voor kunststof brandstoftanks

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat de brandstoftank van het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

punt 6.3 van Richtlijn 70/221/EEG;

FMVSS nr. 301 („Fuel system integrity”);

bijlage 5 bij VN/ECE-Reglement 34.

Beschermingsinrichting aan de achterzijde

a)

De achterkant van het voertuig wordt geconstrueerd overeenkomstig bijlage II, punt 5, bij Richtlijn 70/221/EEG.

b)

Hiervoor volstaat het als aan de voorschriften van punt 5.2, tweede alinea, wordt voldaan.

c)

Als voor de toepassing van het bovenstaande achteraf een beschermingsinrichting aan de achterzijde moet worden gemonteerd moet deze voldoen aan bijlage II, punten 5.3 en 5.4, bij die richtlijn.

4.

Richtlijn 70/222/EEG

(Plaats voor de achterkentekenplaat)

De plaats, helling, zichtbaarheidshoeken en stand van de kentekenplaat moeten voldoen aan Richtlijn 70/222/EEG.

5.

Richtlijn 70/311/EEG

(Besturingskracht)

Mechanische systemen

a)

De stuurinrichting moet zo gebouwd zijn dat zij zelfcentrerend is. Om te controleren of aan deze bepaling is voldaan, wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punten 5.1.2 en 5.2.1, bij Richtlijn 70/311/EEG.

b)

Uitval van de stuurbekrachtiging mag niet tot gevolg hebben dat de macht over het voertuig volledig verloren gaat.

Complexe elektronische voertuigcontrolesystemen („drive-by-wire”-voorzieningen)

Complexe elektronische controlesystemen worden alleen toegestaan als zij voldoen aan bijlage 6 bij VN/ECE-Reglement nr. 79.

6.

Richtlijn 70/387/EEG

(Hang- en sluitwerk van deuren)

a)

Hang- en sluitwerk van deuren moet voldoen aan bijlage I, punten 3.2.1, 3.3.2 en 3.4.1, bij Richtlijn 70/387/EEG.

b)

De voorschriften van punt 3.4.1 zijn niet van toepassing als wordt aangetoond dat aan punt 6.1.5.4 van VN/ECE-Reglement nr. 11, herziening 1, wijziging 2, wordt voldaan.

7.

Richtlijn 70/388/EEG

(Geluidssignaal)

Onderdelen

Voor de geluidssignaalinrichtingen is geen typegoedkeuring volgens Richtlijn 70/338/EEG vereist. Zij moeten echter wel een vaste toon voortbrengen, zoals voorgeschreven in bijlage I, punt 1.1, bij Richtlijn 70/338/EEG.

Installatie in het voertuig

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punt 2, bij Richtlijn 70/388/EEG.

b)

Het maximale geluidsdrukniveau moet in overeenstemming zijn met deel 2, punt 2.1.4, van die bijlage

8.

Richtlijn 2003/97/EG

(Voorzieningen voor indirect zicht)

Onderdelen

a)

Het voertuig wordt uitgerust met de in bijlage III, punt 2, bij Richtlijn 2003/97/EG voorgeschreven achteruitkijkspiegels.

b)

Voor deze spiegels is geen typegoedkeuring volgens die richtlijn vereist.

c)

De kromtestralen van de spiegels mogen geen significante beeldvervorming veroorzaken. Als de technische dienst dat wenst, worden de kromtestralen gecontroleerd volgens de in bijlage II, aanhangsel 1, bij Richtlijn 2003/97/EG beschreven methode. De kromtestralen mogen niet minder bedragen dan voorgeschreven in bijlage II, punt 3.4, bij die richtlijn.

Installatie in het voertuig

Er wordt een meting uitgevoerd om te garanderen dat de gezichtsvelden voldoen aan ofwel bijlage III, punt 5, bij Richtlijn 2003/97/EG, ofwel bijlage III, punt 5, van Richtlijn 71/127/EEG.

9.

Richtlijn 71/320/EEG

(Remmen)

Algemene bepalingen

a)

Het remsysteem moet volgens bijlage I, punt 2, bij Richtlijn 71/320/EEG zijn gebouwd.

b)

De voertuigen worden voorzien van een elektronisch antiblokkeersysteem dat op alle wielen werkt.

c)

De prestaties van het remsysteem moeten voldoen aan bijlage II, punt 2, bij die richtlijn.

d)

Hiertoe worden tests op de weg uitgevoerd op een baan met een wegdek met hoge wrijvingscoëfficiënt. De test van de parkeerrem wordt op een helling van 18 % (naar boven en naar beneden) uitgevoerd.

Alleen de hieronder genoemde tests worden uitgevoerd. Daarbij is het voertuig telkens in volledig beladen toestand.

e)

De onder c) genoemde test op de weg wordt niet uitgevoerd als de aanvrager een verklaring van de fabrikant kan indienen waaruit blijkt dat het voertuig voldoet aan ofwel VN/ECE-Reglement nr. 13-H, met inbegrip van supplement 5, ofwel FMVSS nr. 135.

Bedrijfsrem

a)

Er wordt een test van het type 0 uitgevoerd, zoals voorgeschreven in bijlage II, punten 1.2.2 en 1.2.3, bij Richtlijn 71/320/EEG.

b)

Bovendien wordt er een test van het type I uitgevoerd, zoals beschreven in bijlage II, punt 1.3, bij die richtlijn.

Parkeerrem

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage II, punt 2.1.3, bij die richtlijn.

10.

Richtlijn 72/245/EEG

(Radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit))

Onderdelen

a)

Voor elektrische/elektronische subeenheden is geen typegoedkeuring volgens Richtlijn 72/245/EEG vereist.

b)

Achteraf ingebouwde elektrische/elektronische subeenheden moeten echter wel aan die richtlijn voldoen.

Elektromagnetische straling

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het voertuig voldoet aan Richtlijn 72/245/EEG of aan de volgende alternatieve normen:

Elektromagnetische breedbandstraling: CISPR 12 of SAE J551-2;

Elektromagnetische smalbandstraling: CISPR 12 (buiten het voertuig) of 25 (binnen het voertuig) of SAE J551-4 en SAE J1113-41.

Immuniteitstests

Voor de immuniteitstest wordt vrijstelling verleend.

11.

Richtlijn 72/306/EEG

(Dieselrook)

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens de in de bijlagen III en IV bij Richtlijn 72/306/EEG beschreven methoden.

Daarbij worden de in bijlage V bij Richtlijn 72/306/EEG vermelde grenswaarden gehanteerd.

b)

De in bijlage I, punt 4, bij Richtlijn 72/306/EEG bedoelde gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht.

13.

Richtlijn 74/61/EEG

(Beveiliging tegen diefstal en startonderbrekers)

a)

Ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik wordt het voertuig uitgerust met een vergrendelingsvoorziening zoals gedefinieerd in bijlage IV, punt 2.2, bij Richtlijn 74/61/EEG.

b)

Als er een startonderbreker is gemonteerd, moet deze voldoen aan de technische voorschriften van bijlage V, deel 3, bij die richtlijn en de essentiële voorschriften van deel 4, met name punt 4.1.1.

14.

Richtlijn 74/297/EEG f)

(Gedrag stuurinrichting bij botsingen)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 74/297/EEG;

FMVSS nr. 203 („Impact protection for the driver from the steering control system”) met inbegrip van FMVSS nr. 204 („Steering control rearward displacement”);

Artikel 11 van de JSRRV.

b)

Op verzoek van de aanvrager kan een test volgens bijlage II bij Richtlijn 74/297/EEG worden uitgevoerd op een serievoertuig. De test wordt uitgevoerd door een aangemelde Europese technische dienst die hiertoe bevoegd is. Aan de aanvrager wordt een gedetailleerd rapport afgegeven.

15.

Richtlijn 74/408/EEG

(Sterkte van de stoelen — hoofdsteunen)

Stoelen, stoelverankeringen en verstelsystemen van stoelen

De stoelen en de verstelsystemen ervan moeten voldoen aan bijlage IV bij Richtlijn 74/408/EEG.

Hoofdsteunen

a)

Hoofdsteunen moeten voldoen aan de essentiële voorschriften van bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 74/408/EEG en aanhangsel I, punt 5, van die bijlage.

b)

Alleen de in bijlage II, punten 3.10, 5, 6 en 7, bij die richtlijn beschreven tests worden uitgevoerd.

17.

Richtlijn 75/443/EEG

(Snelheidsmeter en achteruit)

Snelheidsmeter

a)

De wijzerplaat moet voldoen aan bijlage II, punten 4.1 tot en met 4.2.3, bij Richtlijn 75/443/EEG.

b)

Als de technische dienst redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de snelheidsmeter onvoldoende nauwkeurig is gekalibreerd, kan zij vereisen dat de in punt 4.3 voorgeschreven tests worden uitgevoerd.

Achteruit

Het versnellingsmechanisme omvat een achteruitstand.

18.

Richtlijn 76/114/EEG

(Voorgeschreven platen)

Voertuigidentificatienummer

a)

Het voertuig wordt voorzien van een voertuigidentificatienummer van minimaal acht en maximaal 17 tekens. Voertuigidentificatienummers met 17 tekens moeten voldoen aan de voorschriften van de normen ISO 3779:1983 en 3780:1983.

b)

Het voertuigidentificatienummer moet zich op een duidelijk zichtbare en bereikbare plaats bevinden en zo worden aangebracht dat het niet uitgewist of beschadigd kan worden.

c)

Als er geen voertuigidentificatienummer in het chassis of in de carrosserie is ingeslagen, kan een lidstaat ter toepassing van de nationale wetgeving vereisen dat het achteraf alsnog wordt aangebracht. In een dergelijk geval gebeurt dit onder toezicht van de bevoegde instantie van die lidstaat.

Voorgeschreven plaat

Het voertuig wordt voorzien van een door de voertuigfabrikant aangebracht identificatieplaatje.

Nadat de goedkeuring is verleend, wordt niet meer om verdere platen verzocht.

19.

Richtlijn 76/115/EEG

(Verankeringen veiligheidsgordels)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 76/115/EEG;

FMVSS nr. 210 („Seat belt assembly anchorages”);

Artikel 22-3 van de JSRRV.

20.

Richtlijn 76/756/EEG

(Installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen)

a)

De verlichtingsinstallatie moet voldoen aan de essentiële voorschriften van VN/ECE-Reglement nr. 48, wijzigingenreeks 03, met uitzondering van die van de bijlagen 5 en 6 bij Reglement nr. 48.

b)

Met betrekking tot het aantal, de essentiële kenmerken van het ontwerp, de elektrische verbindingen en de kleur van het uitgestraalde of geretroflecteerde licht van de in de nummers 21 tot en met 26 en in de nummers 28 en 30 bedoelde lichten en lichtsignaalinrichtingen worden geen uitzonderingen toegestaan.

c)

Lichten en lichtsignaalinrichtingen die ter toepassing van het bovenstaande achteraf moeten worden ingebouwd worden voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk.

d)

Lichten met een gasontladingslichtbron zijn alleen toegestaan in combinatie met de installatie van een schoonmaakinrichting voor koplampen en een automatische niveauregeling voor koplampen, naargelang het geval.

e)

Dimlichten worden aangepast aan de wettelijk voorgeschreven verkeersrichting in het land waarin goedkeuring voor het voertuig wordt verleend.

21.

Richtlijn 76/757/EEG

(Retroflectoren)

Indien nodig worden aan de achterkant twee extra reflectoren met een EG-typegoedkeuringsmerk aangebracht, in een stand die voldoet aan VN/ECE-Reglement nr. 48.

22.

Richtlijn 76/758/EEG

(Markerings-, breedte-, achter-, stop-, zijmarkerings- en dagrijlichten)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

23.

Richtlijn 76/759/EEG

(Richtingaanwijzers)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

24.

Richtlijn 76/760/EEG

(Achterkentekenplaatverlichting)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

25.

Richtlijn 76/761/EEG

(Koplampen (met gloeilampen))

a)

De door het dimlicht van de op het voertuig gemonteerde koplampen geproduceerde verlichtingssterkte wordt gecontroleerd volgens de bepalingen van punt 6 van VN/ECE-Reglement nr. 112 inzake koplampen die asymmetrisch dimlicht uitstralen. Daarbij kan worden gebruikgemaakt van de in bijlage 5 bij dat reglement opgenomen toleranties.

b)

Hetzelfde besluit zal van overeenkomstige toepassing zijn op het dimlicht van koplampen die onder VN/ECE-Reglement nr. 98 of nr. 123 vallen.

26.

Richtlijn 76/762/EEG

(Mistvoorlichten)

Voor de bepalingen van deze richtlijn wordt vrijstelling verleend. De correcte werking van de lichten, indien gemonteerd, wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

27.

Richtlijn 77/389/EEG

(Sleephaken)

Voor de voorschriften van die richtlijn wordt vrijstelling verleend.

28.

Richtlijn 77/538/EEG

(Mistachterlichten)

Voor de bepalingen van die richtlijn wordt vrijstelling verleend. De correcte werking van de lichten wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

29.

Richtlijn 77/539/EEG

(Achteruitrijlichten)

Voor de bepalingen van die richtlijn wordt vrijstelling verleend. De correcte werking van de lichten, indien gemonteerd, wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

30.

Richtlijn 77/540/EEG

(Parkeerlichten)

Voor de bepalingen van die richtlijn wordt vrijstelling verleend. De correcte werking van de lichten, indien gemonteerd, wordt echter wel door de technische dienst gecontroleerd.

31.

Richtlijn 77/541/EEG

(Veiligheidsgordels en bevestigingssystemen)

Onderdelen

a)

Voor veiligheidsgordels is geen typegoedkeuring volgens Richtlijn 77/541/EEG vereist.

b)

Op elke veiligheidsgordel wordt echter een etiket aangebracht ter identificatie.

c)

De aanduidingen op het etiket moeten overeenstemmen met het besluit met betrekking tot verankeringen van veiligheidsgordels (zie nummer 19).

Installatievoorschriften

a)

Het voertuig wordt uitgerust met veiligheidsgordels volgens de voorschriften van bijlage XV bij Richtlijn 77/541/EEG.

b)

Als overeenkomstig punt a) een aantal veiligheidsgordels achteraf moeten worden gemonteerd, moeten deze van een krachtens Richtlijn 77/541/EEG of VN/ECE-Reglement nr. 16 goedgekeurd type zijn.

33.

Richtlijn 78/316/EEG

(Identificatie van de bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters)

a)

De symbolen, met inbegrip van de kleur van de bijbehorende verklikkerlichten, die verplicht aanwezig zijn op grond van bijlage II bij Richtlijn 78/316/EEG, moeten voldoen aan die richtlijn.

b)

Als dit niet het geval is, verifieert de technische dienst of de in het voertuig aangebrachte symbolen, verklikkerlichten en meters de bestuurder begrijpelijke informatie geven over het functioneren van de desbetreffende bedieningsorganen.

34.

Richtlijn 78/317/EEG

Ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen

Het voertuig wordt voorzien van geschikte ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen voor de voorruit.

35.

Richtlijn 78/318/EEG

Ruitenwissers en -sproeiers

Het voertuig wordt voorzien van geschikte ruitensproeiers en -wissers voor de voorruit.

36.

Richtlijn 2001/56/EG

(Verwarmingssystemen)

a)

De passagiersruimte wordt uitgerust met een verwarmingssysteem.

b)

Verwarmingstoestellen op brandstof en de installatie ervan moeten voldoen aan bijlage VII bij Richtlijn 2001/56/EG. Verwarmingstoestellen op lpg en lpg-verwarmingssystemen moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage VIII bij die richtlijn.

c)

Extra verwarmingssystemen die achteraf worden ingebouwd, moeten voldoen aan de voorschriften van die richtlijn.

39.

Richtlijn 80/1268/EEG

(CO2-emissies/brandstofverbruik)

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 80/1268/EEG.

b)

De voorschriften van punt 5.1.1 van die bijlage zijn niet van toepassing.

c)

Als ter uitvoering van de onder nummer 2 bedoelde bepalingen geen test met betrekking tot uitlaatemissies is verricht, worden de CO2-emissies en het brandstofverbruik berekend met de formules van de punten (b) en (c) van de toelichting.

40.

Richtlijn 80/1269/EEG

(Motorvermogen)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waarin het maximaal geleverde motorvermogen in kW en het bijbehorende toerental in omwentelingen per minuut worden vermeld.

b)

Als alternatief mag worden gebruikgemaakt van een vermogenskromme van de motor waaruit dezelfde informatie kan worden afgeleid.

41.

Richtlijn 2005/55/EG

(Emissies (Euro 4 en 5) zware voertuigen — OBD’s — rookopaciteit)

Uitlaatemissies

a)

Er wordt een test uitgevoerd volgens bijlage I, punt 6.2, bij Richtlijn 2005/55/EG, waarbij de verslechteringsfactoren van bijlage II, punt 3.6, bij Richtlijn 2005/78/EG worden gebruikt.

b)

Daarbij worden de grenswaarden van tabel 1 of tabel 2 van bijlage I bij Richtlijn 2005/55/EG gehanteerd.

OBD

a)

Het voertuig wordt uitgerust met een OBD-systeem.

b)

De OBD-interface moet kunnen communiceren met gangbare diagnoseapparatuur die wordt gebruikt voor periodieke technische inspecties.

Rookopaciteit

a)

Voertuigen met dieselmotor worden getest volgens de in bijlage VI bij Richtlijn 2005/55/EG bedoelde testmethoden.

b)

De gecorrigeerde waarde van de absorptiecoëfficiënt wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats aangebracht.

45.

Richtlijn 92/22/EEG

(Veiligheidsruiten)

Onderdelen

a)

De ruiten zijn gemaakt van gehard of gelaagd veiligheidsglas.

b)

Ruiten van kunststof mogen alleen op plaatsen achter de B-stijl worden gemonteerd.

c)

De ruiten hoeven niet krachtens Richtlijn 92/22/EEG te worden goedgekeurd.

Installatie

a)

De installatievoorschriften van bijlage 21 bij VN/ECE-Reglement nr. 43 zijn van toepassing.

b)

Getinte folies die de normale lichtdoorlating tot onder het voorgeschreven minimum terugbrengen, mogen niet op de voorruit of op de ruiten vóór de B-stijl worden aangebracht.

46.

Richtlijn 92/23/EEG

(Banden)

Onderdelen

Op banden wordt een EG-typegoedkeuringsmerk aangebracht met daarin onder andere het symbool „s” (voor „sound”: geluid).

Installatie

a)

De afmetingen, belastingsindex en snelheidscategorie van de banden moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 92/23/EEG.

b)

Het snelheidscategoriesymbool van de band moet compatibel zijn met de maximumsnelheid waarvoor het voertuig is ontworpen.

c)

De aanwezigheid van een snelheidsbegrenzer leidt niet tot vrijstelling van de toepassing van dit voorschrift.

d)

Voor de toepassing van het onder b) bepaalde wordt de maximumsnelheid van het voertuig door de fabrikant opgegeven. De technische dienst kan de maximumsnelheid waarvoor het voertuig is ontworpen, echter beoordelen door uit te gaan van het maximaal geleverde motorvermogen, het maximumaantal omwentelingen per minuut en gegevens over de kinematische ketting.

48.

Richtlijn 97/27/EG

(Massa’s en afmetingen)

a)

Er moet aan de essentiële voorschriften van bijlage I bij Richtlijn 97/27/EG worden voldaan.

De voorschriften van de punten 7.8.3, 7.9 en 7.10 van die bijlage zijn echter niet van toepassing.

b)

Voor de toepassing van het onder a) bepaalde moeten de volgende massa’s in aanmerking worden genomen:

de massa in rijklare toestand, zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 2.6, bij Richtlijn 2007/46/EG en zoals door de technische dienst gemeten en

de maximummassa’s in beladen toestand, zoals ofwel opgegeven door de voertuigfabrikant ofwel aangegeven op de constructieplaat, met inbegrip van zelfklevende etiketten, of in de gebruikershandleiding. Deze massa’s worden beschouwd als de technisch toelaatbare maximummassa’s in beladen toestand.

c)

Door de aanvrager uitgevoerde technische wijzigingen — bijvoorbeeld het vervangen van banden door banden met een lagere belastingindex — die zijn bedoeld om de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig terug te brengen tot 3,5 t of minder zodat het voertuig individueel kan worden goedgekeurd, zijn niet toegestaan.

d)

Met betrekking tot de maximaal toelaatbare afmetingen worden geen uitzonderingen toegestaan.

49.

Richtlijn 92/114/EEG

(Naar buiten uitstekende delen van bestuurderscabines)

a)

Overeenkomstig bijlage I, punt 6, bij Richtlijn 92/114/EEG moet aan de algemene voorschriften van bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 74/483/EEG worden voldaan.

b)

Als de technische dienst dat wenst, moet aan de voorschriften van bijlage I, punten 6.1, 6.5, 6.6, 6.7, 6.8 en 6.11, bij Richtlijn 74/483/EEG worden voldaan.

50.

Richtlijn 94/20/EG

(Koppelingen)

Technische eenheden

a)

Voor OEM-koppelingen die zijn bedoeld voor het trekken van een aanhangwagen met een maximale massa van ten hoogste 1 500  kg hoeft geen typegoedkeuring krachtens Richtlijn 94/20/EG te worden verkregen.

b)

Een koppeling wordt als OEM-apparatuur beschouwd als zij in de gebruikershandleiding of in een gelijkwaardig door de voertuigfabrikant aan de koper verstrekt begeleidend document wordt beschreven.

c)

Als een dergelijke koppeling samen met het voertuig wordt goedgekeurd, wordt in het goedkeuringscertificaat een passende tekst opgenomen waarin duidelijk wordt gemaakt dat het onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar valt om ervoor te zorgen dat de koppeling compatibel is met de koppelingsinrichting op de aanhangwagen.

d)

Voor andere dan de onder a) genoemde koppelingen en achteraf gemonteerde koppelingen moet typegoedkeuring krachtens Richtlijn 94/20/EEG zijn verkregen.

Installatie op het voertuig

De technische dienst controleert of de installatie van de koppelingsinrichting voldoet aan bijlage VII van Richtlijn 94/20/EG.

54.

Richtlijn 96/27/EG

(Zijdelingse botsing)

a)

De aanvrager dient een verklaring van de fabrikant in waaruit blijkt dat het specifieke voertuig [waarvan het VIN-nummer moet worden vermeld] aan ten minste een van de volgende regelgevingen voldoet:

Richtlijn 96/27/EG;

FMVSS nr. 214 („Side impact protection”);

Artikel 18 van de JSRRV.

b)

Op verzoek van de aanvrager kan een test volgens bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 96/27/EG worden uitgevoerd op een serievoertuig.

c)

De test wordt uitgevoerd door een aangemelde Europese technische dienst die hiertoe bevoegd is. Aan de aanvrager wordt een gedetailleerd rapport afgegeven.

56.

Richtlijn 98/91/EG

(Voertuigen bedoeld voor het vervoer van gevaarlijke goederen)

Voertuigen die zijn bedoeld voor het vervoer van gevaarlijke goederen moeten voldoen aan Richtlijn 94/55/EG.

58.

Verordening (EG) nr. 78/2009

(Bescherming van voetgangers)

Remhulp

De voertuigen worden voorzien van een elektronisch antiblokkeersysteem dat op alle wielen werkt.

Bescherming van voetgangers

De voorschriften van die verordening zijn tot 24 februari 2018 niet van toepassing op voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 2 500  kg en tot 24 augustus 2019 niet op voertuigen met een maximummassa van meer dan 2 500  kg.

Frontbeschermingsinrichtingen

Voor op het voertuig geïnstalleerde frontbeschermingsinrichtingen moet echter krachtens Verordening (EG) nr. 78/2009 typegoedkeuring zijn verkregen en de installatie ervan moet voldoen aan de essentiële voorschriften van bijlage I, punt 6, bij die verordening.

59.

Richtlijn 2005/64/EG

(Recycleerbaarheid)

De voorschriften van die richtlijn zijn niet van toepassing.

61.

Richtlijn 2006/40/EG

(Airconditioningsysteem)

De voorschriften van die richtlijn zijn van toepassing.

(1)  Indien een kentekenbewijs ontbreekt, kan de bevoegde instantie verwijzen naar beschikbare documenten ter staving van de fabricagedatum of van de eerste aankoop.” "

2.   

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

de eerste zin van het opschrift van model B komt als volgt te luiden:

MODEL B

(Voor de typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot een systeem)”;

b)

het volgende model D wordt toegevoegd:

„MODEL D

(voor de geharmoniseerde individuele goedkeuring van een voertuig overeenkomstig artikel 24)

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-GOEDKEURINGSCERTIFICAAT INDIVIDUEEL VOERTUIG

Image 1

Naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de individuelegoedkeuringsinstantie

Mededeling betreffende de individuele goedkeuring van een voertuig krachtens artikel 24 van Richtlijn 2007/46/EG

Deel 1

Ondergetekende [… …naam en functie] verklaart dat het voertuig:

0.1.   Merk (handelsnaam van de fabrikant):…

Type:

Variant:

Uitvoering:

0.2.1.   Handelsnaam:…

0.4.   Voertuigcategorie (2): …

0.5.   Naam en adres van de fabrikant:…

0.6.   Plaats en wijze van bevestiging van de voorgeschreven platen:…

Plaats van het voertuigidentificatienummer:…

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

0.10.   Voertuigidentificatienummer:

voor goedkeuring ter beschikking gesteld op

[…… datum van de aanvraag]

door

[…… Naam en adres van de aanvrager]

wordt goedkeuring verleend krachtens artikel 24 van Richtlijn 2007/46/EG. Ten blijke waarvan het volgende goedkeuringsnummer is toegekend: …

Het voertuig voldoet aan bijlage IV, aanhangsel 2, bij Richtlijn 2007/46/EG. Het mag zonder verdere goedkeuring permanent worden geregistreerd in lidstaten met linksrijdend/rechtsrijdend (3) verkeer die metrische/Engelse „imperiale”  (3) eenheden voor de snelheidsmeter gebruiken.

(Plaats) (Datum)

(Handtekening (4))

(Stempel van de goedkeuringsinstantie)

[…]

[…]

[…]

Bijlagen

Twee foto’s (5) van het voertuig (minimale resolutie 640 × 480 pixels, ~ 7 × 10 cm)

Deel 2

Algemene bouwkenmerken

1.   Aantal assen: …en wielen: …

1.1.   Aantal en plaats van de assen met dubbellucht: …

3.   Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding): …

Belangrijkste afmetingen

4.   Wielbasis (1): … mm

4.1.   Afstand tussen de assen: 1-2: … mm 2-3: … mm 3-4: … mm

5.   Lengte: … mm

6.   Breedte: … mm

7.   Hoogte: … mm

Massa’s

13.   Massa van het voertuig in rijklare toestand: … kg (2)

16.   Technisch toelaatbare maximummassa’s

16.1.   Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand: … kg

16.2.   Technisch toelaatbare maximummassa op iedere as: 1. … kg 2. … kg 3. … kg enz.

16.4.   Technisch toelaatbare maximummassa van de voertuigcombinatie: … kg

18.   Technisch toelaatbare getrokken maximummassa in geval van:

18.1.   Autonome aanhangwagen: … kg

18.2.   Oplegger: … kg

18.3.   Middenasaanhangwagen: … kg

18.4.   Onberemde aanhangwagen: … kg

19.   Technisch toelaatbare maximale statische verticale belasting van het koppelingspunt: … kg

Motor

20.   Fabrikant van de motor: …

21.   Motorcode, zoals vermeld op de motor: …

22.   Werkingsprincipe: …

23.   Enkel elektrisch: ja/neen (5)

23.1.   Hybride [elektrisch] voertuig: ja/neen (5)

24.   Aantal en opstelling van de cilinders: …

25.   Cilinderinhoud: … cm3

26.   Brandstof: Diesel/benzine/lpg/aardgas - biomethaan/ethanol/biodiesel/waterstof (5)

26.1.   Monobrandstof/bibrandstof/flexbrandstof (5)

27.   Nettomaximumvermogen (3): … kW bij … min-1 of nominaal continu maximumvermogen (elektrische motor) … kW (5)

Maximumsnelheid

29.   Maximumsnelheid: … km/h

Assen en ophanging

30.   Spoorbreedte van de assen: 1. … mm 2. … mm 3. … mm

35.   Band/wielcombinatie: …

Carrosserie

38.   Carrosseriecode (4): …

40.   Kleur van het voertuig (5): …

41.   Aantal en configuratie van de deuren: …

42.   Aantal zitplaatsen (inclusief bestuurderszitplaats) (6): …

42.1.   Zitplaats(en) die uitsluitend is (zijn) bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig: …

42.3.   Aantal voor rolstoelgebruikers toegankelijke plaatsen: …

Koppelinrichting

44.   Goedkeuringsnummer of -merk van de koppelinrichting (indien aanwezig): …

Milieuprestaties

46.   Geluidsniveau

Stationair draaiende motor: … dB(A) bij een toerental van: … min-1

Tijdens voorbijrijden: … dB(A)

47.   Uitlaatemissieniveau (7): Euro …

Andere wetgeving: …

49.   CO2-emissies/brandstofverbruik/elektriciteitsverbruik (8):

1.

alle aandrijflijnen behalve geheel elektrische voertuigen

 

CO2-emissies

Brandstofverbruik

Gecombineerd:

… g/km

… l/100 km/m3/100 km (1)

Gewogen, gecombineerd

… g/km

… l/100 km

2.

geheel elektrische voertuigen en extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen

Elektriciteitsverbruik (gewogen, gecombineerd (5)) … Wh/km

52.   Opmerkingen

53.   Aanvullende informatie (kilometerstand (6), …)

Toelichting bij bijlage VI, model D


(1)  Indien een kentekenbewijs ontbreekt, kan de bevoegde instantie verwijzen naar beschikbare documenten ter staving van de fabricagedatum of van de eerste aankoop.” ”


(2)  Zoals gedefinieerd in bijlage II, deel A.

(3)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(4)  Of een visuele voorstelling van een geavanceerde elektronische handtekening overeenkomstig Richtlijn 1999/93/EG, inclusief verificatiegegevens.

(5)  ¾ vooraanzicht en ¾ achteraanzicht

(1)  Alleen invullen wanneer het voertuig twee assen heeft.

(2)  Deze massa is de feitelijke massa van het voertuig onder de in bijlage I, punt 2.6, bedoelde omstandigheden.

(5)  Doorhalen wat niet van toepassing is

(3)  Voor hybride elektrische voertuigen beide waarden vermelden.

(4)  Codes van bijlage II, deel C, gebruiken.

(5)  Alleen de basiskleur(en) aangeven: wit, geel, oranje, rood, paars, blauw, groen, grijs, bruin of zwart.

(6)  Met uitzondering van zitplaatsen die uitsluitend zijn bedoeld om te worden gebruikt wanneer het voertuig stilstaat en plaatsen voor rolstoelgebruikers.

(7)  Euronummer en, waar nodig, de code van de voor de typegoedkeuring toegepaste bepalingen vermelden.

(8)  Herhalen voor alle brandstoffen die kunnen worden gebruikt.”

(6)  Niet verplicht.


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/33


VERORDENING (EU) Nr. 184/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot verlening van een vergunning voor Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfokleghennen, kalkoenen, kleine vogelsoorten en andere siervogels en vederwild (vergunninghouder Calpis Co. Ltd Japan, vertegenwoordigd door Calpis Co. Ltd Europe Representative Office)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor het in de bijlage bij deze verordening opgenomen preparaat ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten zijn bij die aanvraag verstrekt.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfokleghennen, kalkoenen en kleine vogelsoorten in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Het gebruik van Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544) is voor een periode van tien jaar toegestaan voor mestkippen bij Verordening (EG) nr. 1444/2006 van de Commissie (2) en voor gespeende biggen bij Verordening (EU) nr. 333/2010 van de Commissie (3).

(5)

Er zijn nieuwe gegevens ingediend ter staving van de aanvraag voor de verlening van een vergunning voor het preparaat voor opfokleghennen, kalkoenen en kleine vogelsoorten. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 5 oktober 2010 (4) geconcludeerd dat Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544), onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen ongunstige effecten voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid en het milieu heeft en dat het gebruik van dat preparaat de gewichtstoename van de doelsoorten kan verbeteren. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544) blijkt dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren” wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 271 van 30.9.2006, blz. 19.

(3)   PB L 102 van 23.4.2010, blz. 19.

(4)  EFSA Journal 2010; 8(10):1867.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren.

4b1820

Calpis Co. Ltd Japan, vertegenwoordigd door Calpis Co. Ltd Europe Representative Office, France

Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544)

 

Samenstelling toevoegingsmiddel

Bereiding van Bacillus subtilis C-3102 DSM 15544 met ten minste 1 × 1010 CFU/g

 

Karakterisering van de werkzame stof:

Levensvatbare sporen van Bacillus subtilis C-3102 (DSM 15544)

 

Analysemethoden  (1)

 

Telling: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van trypton-soja-agar met voorverhittingsbehandeling van voedermonsters.

 

Identificatie: pulsed-field gel elektroforese (PFGE)

Opfokleghennen

5 × 108

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtempera-tuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

3.

Mag worden gebruikt in diervoeders die de volgende toegestane coccidiostatica bevatten: decoquinaat, monensin-natrium, robenidinehydrochloride, diclazuril, lasalocide-natrium, halofuginon, narasin, salinomycine-natrium, maduramicin- ammonium, narasin-nicarbazin, semduramycin-natrium of nicarbazin.

18 maart 2021

Kalkoenen, kleine vogelsoorten en andere siervogels en vederwild

3 × 108


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/36


VERORDENING (EU) Nr. 185/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februrari 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 499/96 van de Raad wat betreft tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde vis en visserijproducten en levende paarden van oorsprong uit IJsland

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 499/96 van de Raad van 19 maart 1996 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde visserijproducten en levende paarden van oorsprong uit IJsland (1), en met name artikel 5, lid 1, onder a) en b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In 2009 zijn de onderhandelingen over een Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland betreffende bepaalde vis en visserijproducten voor de periode 2009-2014, hierna het „aanvullend protocol” genoemd, afgerond.

(2)

De ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van het aanvullend protocol zijn toegestaan bij Besluit 2010/674/EU van de Raad van 26 juli 2010 inzake de ondertekening en voorlopige toepassing van een Overeenkomst tussen de Europese Unie, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen betreffende een financieel mechanisme van de EER voor de periode 2009-2014, een Overeenkomst tussen de Europese Unie en Noorwegen betreffende een financieel mechanisme van Noorwegen voor de periode 2009-2014, een Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en IJsland betreffende bepaalde vis en visserijproducten voor de periode 2009-2014 en een Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Noorwegen tot vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende de invoer in de Europese Unie van bepaalde vis en visserijproducten voor de periode 2009-2014 (2).

(3)

Volgens dit aanvullend protocol zullen nieuwe jaarlijkse tariefcontingenten worden geopend voor de rechtenvrije invoer in de Europese Unie van bepaalde vis en visserijproducten uit IJsland.

(4)

Overeenkomstig het aanvullend protocol worden de hoeveelheden van de rechtenvrije tariefcontingenten voor de eerste periode van twaalf maanden, van 1 mei 2009 tot en met 30 april 2010, toegewezen aan de tweede contingentperiode. Verder zullen de ongebruikte hoeveelheden van de tariefcontingenten voor sommige producten voor de tariefcontingentperiode van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011 worden overgedragen naar de dienovereenkomstige tariefcontingenten voor de periode van 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012.

(5)

Om de tariefcontingenten van het aanvullend protocol te kunnen toepassen, moet Verordening (EG) nr. 499/96 worden gewijzigd.

(6)

De bestaande verwijzing in Verordening (EG) nr. 499/96 naar de prijzen franco grens moet worden vervangen door de aangegeven douanewaarde overeenkomstig Verordening (EG) nr. 104/2000 van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (3), en verder moet worden bepaald dat om voor de in het aanvullend protocol vastgestelde preferenties in aanmerking te komen, die waarde ten minste gelijk moet zijn aan de overeenkomstig diezelfde verordening vastgestelde of vast te stellen referentieprijzen.

(7)

Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking is gewijzigd bij Besluit 2/2005 van het Gemengd Comité EG-IJsland van 22 december 2005 (4). Daarom moet expliciet worden bepaald dat Protocol nr. 3, zoals gewijzigd in 2005, van toepassing is.

(8)

Bij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek IJsland over aanvullende handelspreferenties voor landbouwproducten op grond van artikel 19 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die aan Besluit 2007/138/EG van de Raad (5) is gehecht, is de bilaterale handel in levende paarden tussen de Europese Unie en IJsland volledig geliberaliseerd. Daarom is het in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 499/96 vastgestelde tariefcontingent voor levende paarden overbodig.

(9)

Voor de duidelijkheid, en om rekening te houden met de wijzigingen van de codes van de gecombineerde nomenclatuur, zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (6), en van de Taric-onderverdelingen, moet de volledige bijlage bij Verordening (EG) nr. 499/96 worden vervangen.

(10)

Verordening (EG) nr. 499/96 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Overeenkomstig Besluit 2010/674/EU moeten de nieuwe tariefcontingenten voor bepaalde vis en visserijproducten vanaf 1 maart 2011 van toepassing zijn. Deze verordening dient dus vanaf diezelfde datum van toepassing te zijn.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 499/96 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

„betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde vis en visserijproducten van oorsprong uit IJsland”.

2)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

1.   Wanneer producten van oorsprong uit IJsland die in de lijst in de bijlage zijn opgenomen, in de Europese Unie in het vrije verkeer worden gebracht, genieten zij vrijstelling van invoerrechten binnen de grenzen van de tariefcontingenten, gedurende de perioden en overeenkomstig de bepalingen die in deze verordening zijn vastgesteld.

2.   De in de bijlage opgenomen vis en visserijproducten komen bij invoer voor de in lid 1 bedoelde tariefcontingenten in aanmerking, op voorwaarde dat de aangegeven douanewaarde minstens even hoog is als de overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (*1) vastgestelde of vast te stellen referentieprijs.

3.   Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 2/2005 van het Gemengd Comité EG-IJsland van 22 december 2005 (*2), is van toepassing.

4.   De tariefcontingenten met de volgnummers 09.0792 en 09.0812 zijn niet van toepassing op goederen die van 15 februari tot en met 15 juni voor het vrije verkeer worden aangegeven.

(*1)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22 "

(*2)   PB L 131 van 18.5.2006, blz. 1.”."

3)

Artikel 2, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Artikel 308 quater, leden 2 en 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is echter niet van toepassing op de tariefcontingenten met de volgnummers 09.0810, 09.0811 en 09.0812.”.

4)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Wanneer de tariefcontingenten met de volgnummers 09.0810, 09.0811 en 09.0812 voor de tariefcontingentperiode van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011 niet volledig zijn benut, wordt de resterende hoeveelheid overgedragen naar de overeenkomstige tariefcontingenten voor de periode van 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012.

Daartoe worden de afboekingen van de tariefcontingenten voor de periode van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011 gestopt op de tweede werkdag van de Commissie volgend op 1 september 2011. Op de eerstvolgende werkdag worden de niet-opgenomen hoeveelheden van deze tariefcontingenten ter beschikking gesteld in het kader van de overeenkomstige tariefcontingenten voor de periode van 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012.

Met ingang van de tweede werkdag van de Commissie volgende op 1 september 2011 zijn geen afboekingen met terugwerkende kracht en geen terugboekingen meer mogelijk voor de van 1 maart 2011 tot en met 30 april 2011 geldende specifieke tariefcontingenten.”.

5)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 75 van 23.3.1996, blz. 8.

(2)   PB L 291 van 9.11.2010, blz. 1.

(3)   PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(4)   PB L 131 van 18.5.2006, blz. 1.

(5)   PB L 61 van 28.2.2007, blz. 28.

(6)   PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Onverminderd de bepalingen voor de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de goederen geacht slechts een indicatieve waarde te hebben, aangezien in het kader van deze bijlage het preferentiestelsel bepaald wordt door de GN-codes die van toepassing zijn op het ogenblik dat deze verordening wordt aangenomen. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de aanduiding „ex”, is de GN-code tezamen met de bijbehorende omschrijving bepalend voor de toepassing van het preferentiestelsel.

Volgnummer

GN-code

Taric-onderverdeling

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent (nettogewicht in ton, tenzij anders bepaald)

Contingentrecht (%)

09.0792

ex 0303 51 00

10

20

Haring van de soorten Clupea harengus en Clupea pallasii, bevroren, met uitzondering van levers, hom en kuit, bestemd voor industriële productie (1)  (1)

Van 1.1 t/m 31.12

950

0

09.0812

0303 51 00

 

Haring (Clupea harengus, Clupea pallasii), bevroren, met uitzondering van levers, hom en kuit (1)

Van 1.3.2011 t/m 30.4.2011

1 900

0

Van 1.5.2011 t/m 30.4.2012

950

Van 1.5.2012 t/m 30.4.2013

950

Van 1.5.2013 t/m 30.4.2014

950

09.0793

0302 12 00

0304 19 13

0304 29 13

 

Pacifische zalm (Oncorhynchus nerka, Oncorhynchus gorbuscha, Oncorhynchus keta, Oncorhynchus tschawytscha, Oncorhynchus kisutch, Oncorhynchus masou en Oncorhynchus rhodurus), Atlantische zalm (Salmo salar) en Donauzalm (Hucho hucho)

Van 1.1 t/m 31.12

50

0

09.0794

0302 23 00

 

Tong (Solea spp.), vers of gekoeld, andere dan visfilets en ander visvlees bedoeld bij post 0304

Van 1.1 t/m 31.12

250

0

0302 29

 

Schartong (Lepidorhombus spp.), en andere platvis, vers of gekoeld, andere dan visfilets en ander visvlees bedoeld bij post 0304

ex 0302 69 82

10

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou of Gadus poutassou), vers of gekoeld, andere dan visfilets en ander visvlees bedoeld bij post 0304

0303 32 00

 

Schol (Pleuronectes platessa), bevroren, andere dan visfilets en ander visvlees bedoeld bij post 0304

0303 62 00

0303 79 98

 

Antarctische diepzeeheek (Dissostichus spp.) en andere zeevis, bevroren, andere dan visfilets en ander visvlees bedoeld bij post 0304

0304 19 01

0304 19 03

0304 19 18

 

Filets van nijlbaars (Lates niloticus), van pangasius (Pangasius spp.) en van andere zoetwatervis, vers of gekoeld

0304 19 33

 

Filets van koolvis (Pollachius virens), vers of gekoeld

0304 19 35

 

Filets van Noorse schelvis (Sebastes spp.), vers of gekoeld

0304 11 10

0304 12 10

 

Filets van zwaardvis (Xiphias gladius) en van Antarctische diepzeeheek (Dissostichus spp.), vers of gekoeld

ex 0304 19 39

10

20

60

70

75

80

85

90

Andere visfilets, andere dan van haring of van makreel, vers of gekoeld

0304 11 90

0304 12 90

0304 19 99

 

Ander visvlees, ook indien fijngemaakt, vers of gekoeld

0304 29 01

0304 29 03

0304 29 05

0304 29 18

 

Bevroren filets van nijlbaars (Lates niloticus), van pangasius (Pangasius spp.), van tilapia (Oreochromis spp.) en van andere zoetwatervis

0304 99 31

 

Bevroren visvlees van kabeljauw van de soort Gadus macrocephalus

0304 99 33

 

Bevroren visvlees van kabeljauw van de soort Gadus morhua

0304 99 39

 

Bevroren visvlees van kabeljauw van de soort Gadus ogac en bevroren visvlees van de soort Boreogadus saida

0304 99 41

 

Bevroren visvlees van koolvis (Pollachius virens)

ex 0304 99 51

11

15

Bevroren visvlees van heek (Merluccius spp.)

0304 99 71

 

Bevroren visvlees van blauwe wijting (Micromesistius poutassou of Gadus poutassou)

ex 0304 99 99

20

25

30

40

50

60

65

69

70

81

89

90

Ander bevroren visvlees, behalve makreel

09.0811

0304 19 35

 

Filets van Noorse schelvis (Sebastes spp.), vers of gekoeld

Van 1.3.2011 t/m 30.4.2011

1 500

0

Van 1.5.2011 t/m 30.4.2012

750

Van 1.5.2012 t/m 30.4.2013

750

Van 1.5.2013 t/m 30.4.2014

750

09.0795

0305 61 00

 

Haring (Clupea harengus, Clupea pallasii), gezouten, maar niet gedroogd of gerookt, en gepekelde haring

Van 1.1 t/m 31.12

1 750

0

09.0796

0306 19 30

 

Langoestines (Nephrops norvegicus)

Van 1.1 t/m 31.12

50

0

09.0810

0306 19 30

 

Langoestines (Nephrops norvegicus)

Van 1.3.2011 t/m 30.4.2011

1 040

0

Van 1.5.2011 t/m 30.4.2012

520

Van 1.5.2012 t/m 30.4.2013

520

Van 1.5.2013 t/m 30.4.2014

520

09.0797

1604 12 91

1604 12 99

 

Andere bereidingen of conserven van haring, geheel of in stukken, maar niet fijngemaakt

Van 1.1 t/m 31.12

2 400

0

09.0798

1604 19 98

 

Andere bereidingen of conserven van vis, geheel of in stukken, maar niet fijngemaakt

Van 1.1 t/m 31.12

50

0

ex 1604 20 90

20

30

35

50

60

90

Andere bereidingen of conserven van vis, behalve haring en makreel


(1)  Voor de indeling onder deze onderverdeling gelden de voorwaarden van de desbetreffende communautaire voorschriften (zie de artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1)).

(1)  Daar het meestbegunstigingsrecht van 15 februari tot en met 15 juni nul is, is het tariefcontingent niet van toepassing op goederen die in die periode voor het vrije verkeer worden aangegeven.”


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/41


VERORDENING (EU) Nr. 186/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (1), en met name op artikel 22, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 689/2008 behelst de uitvoering van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, dat op 11 september 1998 is ondertekend en bij Besluit 2003/106/EG van de Raad (2) namens de Gemeenschap is goedgekeurd.

(2)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 dient te worden gewijzigd om rekening te houden met regelgevende maatregelen betreffende bepaalde chemische stoffen die zijn genomen krachtens Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (3), Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (4) en Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (5).

(3)

De stof chloraat is niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG en is ook niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG, met als gevolg dat chloraat niet in bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt en dus moet worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(4)

De stoffen benfuracarb, cadusafos, carbofuraan en tricyclazool zijn niet als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, met als gevolg dat die werkzame stoffen niet in bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt en dus moeten worden toegevoegd aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008. De toevoeging van die stoffen aan deel 2 van bijlage I werd opgeschort als gevolg van de nieuwe goedkeuringsaanvraag op grond van Richtlijn 91/414/EEG die is ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (6). Deze nieuwe aanvraag is door de aanvragers ingetrokken, zodat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan deel 2 van bijlage I niet langer bestaat. Daarom moeten de stoffen benfuracarb, cadusafos, carbofuraan en tricyclazool worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(5)

De stof methomyl is als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, met als gevolg dat methomyl niet langer verboden is voor gebruik in de subcategorie „bestrijdingsmiddel in de groep gewasbeschermingsmiddelen”. De vermelding in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet derhalve worden gewijzigd om die verandering duidelijk te maken.

(6)

De stof malathion is als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, met als gevolg dat malathion niet langer verboden is voor gebruik in de subcategorie „bestrijdingsmiddel in de groep gewasbeschermingsmiddelen”; de stof malathion is niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG, met als gevolg dat malathion niet mag worden gebruikt in de subcategorie „andere bestrijdingsmiddelen met inbegrip van biociden”. De vermelding in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet derhalve worden gewijzigd om die veranderingen duidelijk te maken.

(7)

Een nieuwe aanvraag op grond van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008 is ingediend voor de werkzame stof flurprimidol, hetgeen een nieuw besluit zal vergen betreffende de opname van die stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, zodat flurprimodol moet worden geschrapt van de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008. Het besluit inzake de toevoeging aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I kan niet worden genomen, zolang het nieuwe besluit inzake de status van deze stof overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG niet is genomen.

(8)

De in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 opgenomen vermeldingen voor de stof paraquat zijn onsamenhangend en onvoldoende duidelijk met betrekking tot de codenummers en moeten derhalve worden gewijzigd door invoeging van de meest relevante codenummers.

(9)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Om de lidstaten en de industrie genoeg tijd te geven om de nodige maatregelen te nemen, moet de toepassing van deze verordening worden uitgesteld.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 mei 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 204 van 31.7.2008, blz. 1.

(2)   PB L 63 van 6.3.2003, blz. 27.

(3)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(4)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(5)   PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)   PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermelding wordt toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Chloraat +

7775-09-9

231-887-4

2829 11 00

p(1)

v”

 

10137-74-3

233-378-2

2829 19 00

b)

de vermelding voor paraquat wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Paraquat +

4685-14-7

225-141-7

2933 39 99

p(1)

v”

 

1910-42-5

217-615-7

2074-50-2

218-196-3

c)

de vermelding voor malathion wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Malathion

121-75-5

204-497-7

2930 90 99

p(2)

v”

 

d)

de vermelding voor methomyl wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Methomyl

16752-77-5

240-815-0

2930 90 99

p(2)

v”

 

2)

Deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermeldingen worden toegevoegd:

Chemische stof

CAS RN

Einecs-nummer

GN-code

Categorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

„Benfuracarb

82560-54-1

n.v.t.

2932 99 00

p

v

Cadusafos

95465-99-9

n.v.t.

2930 90 99

p

v

Carbofuraan

1563-66-2

216-353-0

2932 99 00

p

v

Chloraat

7775-09-9

231-887-4

2829 11 00

p

v

10137-74-3

233-378-2

2829 19 00

Tricyclazool

41814-78-2

255-559-5

2934 99 90

p

v”

b)

de vermelding voor paraquat wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS RN

Einecs-nummer

GN-code

Categorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

„Paraquat

4685-14-7

225-141-7

2933 39 99

p

v”

1910-42-5

217-615-7

2074-50-2

218-196-3

c)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS RN

Einecs-nummer

GN-code

Categorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

„Flurprimidol

56425-91-3

n.v.t.

2933 59 95

p

v”


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/45


VERORDENING (EU) Nr. 187/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 15, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie (2) worden voorschriften vastgesteld betreffende de meer uitgebreide officiële controles die op de punten van binnenkomst op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 882/2004 opgenomen grondgebieden moeten worden uitgevoerd op de invoer van de in bijlage I bij eerstgenoemde verordening vermelde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong („de lijst”).

(2)

Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 669/2009 bepaalt dat de lijst regelmatig en ten minste op kwartaalbasis moet worden herzien, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met de in dat artikel vermelde informatiebronnen.

(3)

De frequentie en de relevantie van via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASSF) gemelde incidenten met levensmiddelen, de bevindingen van de door het Voedsel- en Veterinair Bureau uitgevoerde inspectiebezoeken in derde landen, alsook de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 669/2009 bij de Commissie ingediende driemaandelijkse verslagen over zendingen van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong tonen aan dat de lijst moet worden gewijzigd.

(4)

De lijst moet met name worden gewijzigd door de vermeldingen te schrappen voor goederen die — volgens die informatiebronnen — over het algemeen in toereikende mate aan de relevante veiligheidsvoorschriften van de EU-wetgeving voldoen en waarvoor meer uitgebreide officiële controles bijgevolg niet langer nodig zijn.

(5)

Daarnaast moet een aantal andere goederen die volgens de informatiebronnen niet aan de relevante veiligheidsvoorschriften voldoen en die bijgevolg aan meer uitgebreide officiële controles moeten worden onderworpen, in de lijst worden opgenomen.

(6)

Bovendien moet de lijst worden gewijzigd door de frequentie van de officiële controles te verlagen voor goederen die — volgens die informatiebronnen — over het algemeen in toenemende mate aan de relevante veiligheidsvoorschriften van de EU-wetgeving voldoen en waarvoor het huidige aantal officiële controles bijgevolg niet langer nodig is.

(7)

De vermeldingen in de lijst voor bepaalde ingevoerde goederen uit China, de Dominicaanse Republiek, India en Zuid-Afrika moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Ter wille van de duidelijkheid van de EU-wetgeving moet ook een kleine precisering in de lijst worden aangebracht bij de vermeldingen voor ingevoerde paprika's uit de Dominicaanse Republiek en zoete paprika's uit Turkije.

(9)

De wijzigingen van de lijst waarbij verwijzingen naar goederen worden geschrapt en de frequentie van de controles wordt verlaagd, moeten zo snel mogelijk van toepassing worden, omdat de oorspronkelijke veiligheidsrisico's niet langer bestaan. Die wijzigingen moeten bijgevolg van toepassing worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(10)

Gezien het aantal wijzigingen die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 moeten worden aangebracht, is het raadzaam bijlage I te vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

(11)

Verordening (EG) nr. 669/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 april 2011.

De volgende wijzigingen van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 zijn echter van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening:

a)

de schrapping van de volgende vermeldingen over:

i)

sporenelementen uit China;

ii)

mango's uit de Dominicaanse Republiek;

iii)

de volgende diervoeders en levensmiddelen uit Vietnam:

grondnoten in de dop,

grondnoten, gedopt,

pindakaas,

grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd;

b)

de wijziging van de frequentie van de materiële en overeenstemmingscontroles voor de volgende levensmiddelen uit alle derde landen:

i)

spaanse peper (Capsicum annuum), fijngemaakt of gemalen;

ii)

producten van Spaanse peper (kerrie);

iii)

Curcuma longa (kurkuma);

iv)

rode palmolie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)   PB L 194 van 25.7.2009, blz. 11.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

A)   Diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die aan meer uitgebreide officiële controles op het aangewezen punt van binnenkomst worden onderworpen

Diervoeders en levensmiddelen

(beoogd gebruik)

GN-code (1)

Land van oorsprong

Risico

Frequentie van materiële en overeenstemmingscontroles

(%)

Grondnoten in de dop

1202 10 90

Argentinië

Aflatoxinen

10

Grondnoten, gedopt

1202 20 00

Pindakaas

2008 11 10

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91 ; 2008 11 96 ; 2008 11 98

(Diervoeders en levensmiddelen)

Grondnoten in de dop

1202 10 90

Brazilië

Aflatoxinen

10

Grondnoten, gedopt

1202 20 00

Pindakaas

2008 11 10

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91 ; 2008 11 96 ; 2008 11 98

(Diervoeders en levensmiddelen)

Gedroogde noedels

ex 1902

China

Aluminium

10

(Levensmiddelen)

Kousenband (Vigna sesquipedalis)

ex 0708 20 00 ; ex 0710 22 00

Dominicaanse Republiek

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (3)

50

Bittermeloen (Momordica charantia)

ex 0709 90 90 ; ex 0710 80 95

Lauki (Lagenaria siceraria)

ex 0709 90 90 ; ex 0710 80 95

Paprika's (Capsicum spp.)

0709 60 10 ; 0709 60 99 ; 0710 80 51 ; 0710 80 59

Aubergines

0709 30 00 ; ex 0710 80 95

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

Sinaasappelen (vers of gedroogd)

0805 10 20 ; 0805 10 80

Egypte

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (7)

10

Perziken

0809 30 90

Granaatappelen

ex 0810 90 95

Aardbeien

0810 10 00

Groene bonen

ex 0708 20 00

(Levensmiddelen — verse vruchten en groenten)

Grondnoten in de dop

1202 10 90

Ghana

Aflatoxinen

50

Grondnoten, gedopt

1202 20 00

Pindakaas

2008 11 10

(Diervoeders en levensmiddelen)

Kerrieblad (Bergera/Murraya koenigii)

ex 1211 90 85

India

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (5)

10

(Levensmiddelen — verse kruiden)

Spaanse peper (Capsicum annuum), geheel

ex 0904 20 10

India

Aflatoxinen

50

Spaanse peper (Capsicum annuum), fijngemaakt of gemalen

ex 0904 20 90

Producten van Spaanse peper (kerrie)

0910 91 05

Nootmuskaat (Myristica fragrans)

0908 10 00

Foelie (Myristica fragrans)

0908 20 00

Gember (Zingiber officinale)

0910 10 00

Curcuma longa (kurkuma)

0910 30 00

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

Grondnoten in de dop

1202 10 90

India

Aflatoxinen

20

Grondnoten, gedopt

1202 20 00

Pindakaas

2008 11 10

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91 ; 2008 11 96 ; 2008 11 98

(Diervoeders en levensmiddelen)

Okra's

ex 0709 90 90

India

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (2)

10

(Levensmiddelen)

Watermeloenpitten (egusi, Citrullus lanatus) en afgeleide producten

ex 1207 99 97 ; ex 1106 30 90 ; ex 2008 99 99 ;

Nigeria

Aflatoxinen

50

(Levensmiddelen)

Basmatirijst voor rechtstreekse menselijke consumptie

ex 1006 30

Pakistan

Aflatoxinen

20

(Levensmiddelen — volwitte rijst)

Spaanse peper (Capsicum annuum), geheel

ex 0904 20 10

Peru

Aflatoxinen en ochratoxine A

10

Spaanse peper (Capsicum annuum), fijngemaakt of gemalen

ex 0904 20 90

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

Grondnoten in de dop

1202 10 90

Zuid-Afrika

Aflatoxinen

10

Grondnoten, gedopt

1202 20 00

Pindakaas

2008 11 10

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91 ; 2008 11 96 ; 2008 11 98

(Diervoeders en levensmiddelen)

Korianderblad

ex 0709 90 90

Thailand

Salmonella (6)

10

Basilicum (heilig, zoet)

ex 1211 90 85

Munt

ex 1211 90 85

(Levensmiddelen — verse kruiden)

Korianderblad

ex 0709 90 90

Thailand

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (4)

20

Basilicum (heilig, zoet)

ex 1211 90 85

(Levensmiddelen — verse kruiden)

Kousenband (Vigna sesquipedalis)

ex 0708 20 00 ; ex 0710 22 00

Thailand

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (4)

50

Aubergines

0709 30 00 ; ex 0710 80 95

Koolsoorten

0704 ; ex 0710 80 95

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

Zoete paprika's (Capsicum annuum)

0709 60 10 ; 0709 60 99 ; 0710 80 51 ; 0710 80 59

Turkije

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidu-methoden op basis van GC-MS en LC-MS of met single-residu-methoden (8)

10

Courgettes

0709 90 70 ; ex 0710 80 95

Tomaten

0702 00 00 ; 0710 80 70

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

Peren

0808 20 10 ; 0808 20 50

Turkije

Bestrijdingsmiddel: amitraz

10

(Levensmiddelen)

Gedroogde druiven

0806 20

Oezbekistan

Ochratoxine A

50

(Levensmiddelen)

Spaanse peper (Capsicum annuum), fijngemaakt of gemalen

ex 0904 20 90

Alle derde landen

Soedan-kleurstoffen

10

Producten van Spaanse peper (kerrie)

0910 91 05

Curcuma longa (kurkuma)

0910 30 00

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

Rode palmolie

ex 1511 10 90

(Levensmiddelen)

B)   Definities

In deze bijlage worden onder „Soedan-kleurstoffen” de volgende chemische stoffen verstaan:

i)

Soedan I (CAS-nummer 842-07-9);

ii)

Soedan II (CAS-nummer 3118-97-6);

iii)

Soedan III (CAS-nummer 85-86-9);

iv)

Scarlet Red; of Soedan IV (CAS-nummer 85-83-6).”


(1)  Indien slechts bepaalde onder een GN-code vallende producten hoeven te worden onderzocht en in de goederennomenclatuur geen specifieke onderverdeling voor die code bestaat, is de GN-code aangegeven met „ex” (bijvoorbeeld ex 1006 30 : alleen basmatirijst voor rechtstreekse menselijke consumptie).

(2)  Met name residuen van: acefaat, methamidofos, triazofos, endosulfan, monocrotofos.

(3)  Met name residuen van: amitraz, acefaat, aldicarb, benomyl, carbendazim, chloorfenapyr, chloorpyrifos, CS2 (dithiocarbamaten), diafenthiuron, diazinon, dichloorvos, dicofol, dimethoaat, endosulfan, fenamidone, imidacloprid, malathion, methamidofos, methiocarb, methomyl, monocrotofos, omethoaat, oxamyl, profenofos, propiconazool, thiabendazool, thiacloprid.

(4)  Met name residuen van: acefaat, carbaryl, carbendazin, carbofuran, chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, dimethoaat, ethion, malathion, metalaxyl, methamidofos, methomyl, monocrotofos, omethoaat, profenofos, prothiofos, quinalfos, triadimefon, triazofos, dicrotofos, EPN, triforine.

(5)  Met name residuen van: triazofos, oxydemeton-methyl, chloorpyrifos, acetamiprid, thiamethoxam, clothianidin, methamidofos, acefaat, propargite, monocrotofos.

(6)  Referentiemethode EN/ISO 6579 of een ten opzichte van die methode gevalideerde gecertificeerde methode overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1).

(7)  Met name residuen van: carbendazim, cyfluthrine, cyprodinil, diazinon, dimethoaat, ethion, fenitrothion, fenpropathrin, fludioxonil, hexaflumuron, lambda-cyhalothrin, methiocarb, methomyl, omethoaat, oxamyl, fenthoaat, thiofanaat-methyl.

(8)  Met name residuen van: methomyl, oxamyl, carbendazim, clofentezine, diafenthiuron, dimethoaat, formetanaat, malathion, procymidone, tetradifon, thiophanaat-methyl.


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/51


VERORDENING (EU) Nr. 188/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor een procedure voor de indiening en beoordeling van aanvragen om opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn nog niet op de markt waren. Met name moeten er termijnen voor de verschillende stappen van die procedure worden vastgesteld zodat zij snel worden uitgevoerd.

(2)

Na het overleggen van de aanvraag en de dossiers ingediende aanvullende informatie kan alleen in aanmerking worden genomen, indien de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) of de als rapporteur optredende lidstaat hierom heeft verzocht en deze binnen de vastgestelde termijn is ingediend.

(3)

Voor aanvragen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld. Met name moet de termijn worden verlengd waarin de aanvrager door de EFSA of de als rapporteur optredende lidstaat verlangde aanvullende informatie kan indienen. Wat dergelijke aanvragen betreft, moeten er voorts termijnen worden vastgesteld voor de toezending van het ontwerpbeoordelingsverslag door de EFSA en de indiening van opmerkingen door de andere lidstaten dan de als rapporteur optredende lidstaat en de aanvrager.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Werkingssfeer

Bij deze verordening worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de indiening en beoordeling van aanvragen voor opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die op 26 juli 1993 niet op de markt waren.

Artikel 2

Aanvragen

1.   Een aanvrager die een onder artikel 1 vallende werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wenst te doen opnemen, dient voor die werkzame stof bij een lidstaat (hierna „de als rapporteur optredende lidstaat” genoemd) een aanvraag in alsook een beknopt en een compleet dossier, zoals omschreven in artikel 3, dan wel een wetenschappelijke verantwoording waarin is aangegeven waarom bepaalde delen van die dossiers niet zijn ingediend en waaruit blijkt dat de werkzame stof voldoet aan de criteria van artikel 5 van die richtlijn.

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder „aanvrager”: de persoon die de werkzame stof zelf produceert of de productie daarvan uitbesteedt aan een andere partij of een persoon die door de producent is aangewezen als zijn enige vertegenwoordiger voor de naleving van deze verordening.

2.   Bij de indiening van zijn aanvraag kan de aanvrager overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG verzoeken bepaalde delen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde dossiers vertrouwelijk te behandelen. De aanvrager licht dan voor elk document of deel van een document toe waarom het als vertrouwelijk moet worden beschouwd.

De verzoeken om vertrouwelijkheid worden beoordeeld door de lidstaten. Indien om toegang tot informatie wordt gevraagd, besluit de als lidstaat optredende rapporteur welke informatie vertrouwelijk dient te blijven.

Informatie die vertrouwelijk moet worden behandeld, dient de aanvrager apart in.

Tegelijkertijd verzoekt hij om gegevensbescherming overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG.

Artikel 3

Dossiers

1.   Het beknopte dossier omvat:

a)

gegevens over een of meer representatieve toepassingen van ten minste één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat, waaruit blijkt dat aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG is voldaan;

b)

voor elk punt van de vereiste gegevens voor de werkzame stof bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 91/414/EEG, de samenvattingen en resultaten van de tests en studies, de naam van de eigenaar en van de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd;

c)

voor elk punt van de vereiste gegevens voor het gewasbeschermingsmiddel bedoeld in bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG, de samenvattingen en resultaten van de tests en studies, de naam van de eigenaar en van de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de in artikel 5 van die richtlijn vermelde criteria, rekening houdend met het feit dat ontbrekende gegevens in het in bijlage II of bijlage III bij die richtlijn bedoelde dossier als gevolg van het voorgestelde scala aan representatieve toepassingen tot een beperkte opneming in bijlage I bij die richtlijn kunnen leiden;

d)

een controlelijst waaruit blijkt dat het dossier, als bedoeld in lid 2, volledig is;

e)

de redenen waarom de ingediende test- en studieverslagen nodig zijn voor de opneming van de desbetreffende werkzame stof;

f)

een beoordeling van alle ingediende informatie;

g)

in voorkomend geval, een kopie van een aanvraag voor een residugehalte, als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (2), of een motivering voor het niet verstrekken van een dergelijke kopie van een aanvraag.

2.   Het volledige dossier bevat de volledige tekst van de afzonderlijke test- en studieverslagen betreffende alle in lid 1, onder b) en c), bedoelde informatie, met een lijst van die tests en studies.

Artikel 4

Controle van de volledigheid van het dossier

1.   Binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag controleert de als rapporteur optredende lidstaat of de dossiers die samen met de aanvraag zijn ingediend, alle in artikel 3 bedoelde elementen bevatten; hij maakt daarbij gebruik van de controlelijst bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d). Hij controleert ook de verzoeken inzake vertrouwelijkheid als bedoeld in artikel 2, lid 2, en de lijst van tests en studies die overeenkomstig artikel 3, lid 2, is ingediend.

2.   Wanneer één of meer in artikel 3 bedoelde elementen ontbreken, brengt de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager hiervan op de hoogte en stelt hij een termijn voor de indiening ervan vast. Deze termijn mag niet meer dan drie maanden bedragen.

3.   Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van de in lid 2 bedoelde termijn niet heeft ingediend, stelt de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager, de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis dat de aanvraag is verworpen.

4.   Wanneer de dossiers die samen met de aanvraag zijn ingediend alle in artikel 3 bedoelde elementen bevatten, stelt de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager, de Commissie, de andere lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in kennis van de volledigheid van de aanvraag. Na ontvangst van deze kennisgeving stuurt de aanvrager die dossiers onmiddellijk door naar de andere lidstaten, de Commissie en de EFSA, met inbegrip van de informatie over die delen van de dossiers waarvoor overeenkomstig artikel 2, lid 2, om vertrouwelijkheid is verzocht.

5.   Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in lid 4 bedoelde kennisgeving wordt in overeenstemming met artikel 6, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG een besluit vastgesteld, waarin wordt aangegeven dat de dossiers zijn ingediend overeenkomstig de bijlagen II en III bij die richtlijn (hierna „besluit over de volledigheid van het dossier” genoemd).

Artikel 5

Indiening van informatie door derden

1.   Een persoon of een lidstaat die bij de als rapporteur optredende lidstaat informatie wenst in te dienen die tot de beoordeling kan bijdragen, met name betreffende de mogelijk gevaarlijke uitwerkingen van een werkzame stof of de residuen daarvan op de gezondheid van mens of dier en het milieu, doet dat uiterlijk drie maanden nadat een besluit over de volledigheid van het dossier voor de werkzame stof is bekendgemaakt, onverminderd artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG.

2.   De als rapporteur optredende lidstaat deelt alle van derden ontvangen informatie onverwijld aan de EFSA en de aanvrager mee.

3.   De aanvrager kan zijn opmerkingen over de in lid 2 bedoelde informatie uiterlijk twee maanden na ontvangst van die informatie bij de als rapporteur optredende lidstaat en de EFSA indienen.

Artikel 6

Beoordeling door de als rapporteur optredende lidstaat

1.   Binnen twaalf maanden na de datum van bekendmaking van het besluit over de volledigheid van het dossier stelt de als rapporteur optredende lidstaat een verslag op, dat hij bij de Commissie indient, met een kopie aan de EFSA, en waarin wordt beoordeeld of kan worden verwacht dat de werkzame stof aan de voorwaarden van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG voldoet (hierna het „ontwerpbeoordelingsverslag” genoemd). Tegelijkertijd laat hij de aanvrager weten dat het ontwerpbeoordelingsverslag is ingediend en verzoekt hij hem de geactualiseerde dossiers onmiddellijk naar de EFSA, de andere lidstaten en de Commissie door te sturen, indien van toepassing.

2.   De als rapporteur optredende lidstaat kan de EFSA raadplegen.

3.   Wanneer de als rapporteur optredende lidstaat aanvullende informatie nodig heeft, verlangt hij deze van de aanvrager en stelt hij een termijn van ten hoogste zes maanden vast waarbinnen de informatie moet worden verstrekt. De als rapporteur optredende lidstaat brengt de Commissie en de EFSA hiervan op de hoogte. De als rapporteur optredende lidstaat houdt bij zijn beoordeling alleen rekening met de verlangde informatie die tijdens de toegekende termijn werd ingediend.

Wanneer de als rapporteur optredende lidstaat om aanvullende informatie verzoekt, wordt de in lid 1 genoemde termijn van twaalf maanden voor de indiening van het ontwerpbeoordelingsverslag verlengd met de door hem toegekende termijn voor de indiening van de aanvullende informatie. Indien de vereiste informatie vóór het einde van de toegekende termijn wordt ingediend bij de als rapporteur optredende lidstaat, wordt de verlenging van de termijn voor de indiening dienovereenkomstig verkort.

4.   Wanneer de aanvrager aan het einde van de in lid 3, eerste alinea, bedoelde termijn niet alle informatie overeenkomstig lid 1 heeft ingediend, stelt de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager, de Commissie, de andere lidstaten en de EFSA hiervan in kennis en vermeldt hij welke elementen in het ontwerpbeoordelingsverslag ontbreken.

5.   Als de Commissie, nadat zij de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven om opmerkingen te maken, vaststelt dat deze de voor de in lid 1 bedoelde beoordeling benodigde elementen niet heeft ingediend, stelt zij een besluit vast overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder b), waarin wordt bepaald dat de werkzame stof in kwestie niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt opgenomen.

Artikel 7

Toezending van en toegang tot het ontwerpbeoordelingsverslag

1.   Binnen 30 dagen nadat de EFSA het ontwerpbeoordelingsverslag van de als rapporteur optredende lidstaat heeft ontvangen, zendt zij dat verslag toe aan de aanvrager en de andere lidstaten. Wanneer de EFSA het in artikel 6, lid 1, bedoelde dossier niet binnen deze termijn van 30 dagen heeft ontvangen, zendt zij dat verslag toe zodra zij dat dossier heeft ontvangen.

De lidstaten en de aanvrager hebben twee maanden de tijd om schriftelijke opmerkingen bij de EFSA in te dienen.

2.   De EFSA maakt het ontwerpbeoordelingsverslag toegankelijk voor het publiek, met uitzondering van informatie waarvoor in overeenstemming met artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG om een vertrouwelijke behandeling is verzocht waarvan de noodzaak door de aanvrager is aangetoond.

Zij kent de aanvrager een termijn van twee weken toe waarbinnen hij om een vertrouwelijke behandeling kan verzoeken.

Artikel 8

Conclusie van de EFSA

1.   Binnen vier maanden na afloop van de voor het indienen van schriftelijke opmerkingen vastgestelde termijn keurt de EFSA een conclusie goed waarin zij aangeeft of de werkzame stof naar verwachting aan de in artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG bepaalde voorwaarden zal beantwoorden; zij deelt die conclusie mee aan de aanvrager, de lidstaten en de Commissie, en maakt haar toegankelijk voor het publiek.

Zo nodig gaat de EFSA in haar conclusie in op de risicobeperkende opties in verband met de beoogde toepassingen die in het ontwerpbeoordelingsverslag zijn beschreven.

2.   De EFSA organiseert zo nodig een raadpleging van deskundigen, inclusief deskundigen uit de als rapporteur optredende lidstaat.

In dat geval wordt de termijn van vier maanden voor de goedkeuring van de conclusie, als vastgesteld in lid 1, met twee maanden verlengd.

3.   Indien de EFSA aanvullende informatie nodig heeft, stelt zij, in overleg met de als rapporteur optredende lidstaat, een termijn vast van ten hoogste drie maanden waarbinnen de aanvrager die informatie aan de lidstaten, de Commissie en de EFSA moet verstrekken. Zij brengt de Commissie en de lidstaten daarvan op de hoogte. Voor aanvragen waarvoor niet later dan 31 december 2005 een besluit over de volledigheid van het dossier is bekendgemaakt, bedraagt de termijn ten hoogste vijf maanden.

4.   Binnen twee maanden na ontvangst van de aanvullende informatie beoordeelt de als rapporteur optredende lidstaat die informatie en dient hij een addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag bij de EFSA in. Voor aanvragen waarvoor niet later dan 31 december 2005 een besluit over de volledigheid van het dossier is bekendgemaakt, bedraagt de termijn drie maanden.

5.   Wanneer de EFSA om aanvullende informatie overeenkomstig lid 3 verzoekt, wordt de periode vanaf de datum van dat verzoek tot en met de datum van de indiening van het addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag niet in aanmerking genomen bij de berekening van de termijn voor de goedkeuring van de conclusie, als bedoeld in de leden 1 en 2.

6.   De EFSA houdt bij haar beoordeling alleen rekening met de door haar of de als rapporteur optredende lidstaat verlangde aanvullende informatie die tijdens de toegekende termijn werd ingediend.

7.   De EFSA stelt de vorm van haar conclusie vast; die bevat nadere gegevens over de beoordelingsprocedure en over de eigenschappen van de desbetreffende werkzame stof.

Artikel 9

Indiening van een ontwerprechtshandeling

1.   De Commissie dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de conclusie van de EFSA bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (hierna „het comité” genoemd) een ontwerpevaluatieverslag in, dat tijdens zijn vergadering wordt afgerond.

De aanvrager krijgt de mogelijkheid om binnen een door de Commissie vastgestelde termijn van ten hoogste 30 dagen opmerkingen over het ontwerpevaluatieverslag in te dienen.

2.   Op basis van het ontwerpevaluatieverslag en in het licht van eventuele opmerkingen die de aanvrager binnen de overeenkomstig lid 1 door de Commissie vastgestelde termijn heeft ingediend, wordt volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG een rechtshandeling vastgesteld, waarin wordt bepaald dat:

a)

een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt opgenomen, zo nodig onderworpen aan voorwaarden en beperkingen;

b)

een werkzame stof niet in bijlage I bij die richtlijn wordt opgenomen.

Artikel 10

Toegang tot het evaluatieverslag

Het afgeronde evaluatieverslag, met uitzondering van de gedeelten die betrekking hebben op informatie uit de dossiers die overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG als vertrouwelijk moet worden beschouwd, wordt toegankelijk gemaakt voor het publiek.

Artikel 11

Overgangsmaatregelen

1.   Artikel 2, artikel 3 en artikel 4, lid 1, zijn niet van toepassing op aanvragen om opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen waarvoor de aanvraag door de als rapporteur optredende lidstaat niet later dan 17 maart 2011 werd ontvangen, maar waarvoor op die datum nog geen controle van de volledigheid van het dossier was uitgevoerd.

Voor dergelijke aanvragen voert de als rapporteur optredende lidstaat niet later dan 18 juni 2011 de controle op de volledigheid van het dossier uit, als bedoeld in artikel 4, lid 1.

2.   De artikelen 2, 3 en 4 zijn niet van toepassing op aanvragen om opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen waarvan het dossier overeenkomstig artikel 6, lid 2, van die richtlijn niet later dan 17 maart 2011 bij het comité werd ingediend, maar waarvoor op die datum geen besluit over de volledigheid van het dossier was vastgesteld.

Voor dergelijke aanvragen wordt niet later dan 18 juli 2011 een besluit over de volledigheid van het dossier vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG.

3.   De artikelen 2, 3 en 4 zijn niet van toepassing op aanvragen om opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen waarvoor een besluit over de volledigheid van het dossier werd vastgesteld, maar niet later dan 17 maart 2011 bekendgemaakt.

4.   De artikelen 2 tot en met 6 zijn niet van toepassing op aanvragen om opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen waarvoor niet later dan 17 maart 2011 een besluit over de volledigheid van het dossier werd bekendgemaakt, maar waarvoor op die datum geen ontwerpbeoordelingsverslag bij de Commissie was ingediend.

Voor dergelijke aanvragen stelt de als rapporteur optredende lidstaat het ontwerpbeoordelingsverslag op, dat hij niet later dan 18 maart 2012 bij de Commissie indient, met een kopie aan de EFSA. Tegelijkertijd laat hij de aanvrager weten dat het ontwerpbeoordelingsverslag is ingediend en verzoekt hij hem de geactualiseerde dossiers onmiddellijk aan de EFSA, de andere lidstaten en de Commissie toe te zenden, indien van toepassing. Het bepaalde in artikel 6, leden 2 tot en met 5, is van overeenkomstige toepassing.

5.   De artikelen 2 tot en met 6 en artikel 7, lid 1, eerste alinea, zijn niet van toepassing op aanvragen waarvoor het ontwerpbeoordelingsverslag door de EFSA was ontvangen, maar niet later dan 17 maart 2011 aan de aanvrager en de andere lidstaten toegezonden met het oog op eventuele opmerkingen.

6.   In afwijking van lid 5 zijn de artikelen 2 tot en met 6 en artikel 7, lid 1, eerste alinea, niet van toepassing op aanvragen waarvoor het ontwerpbeoordelingsverslag niet later dan 31 december 2009 bij de Commissie en de EFSA was ingediend. In dergelijke gevallen geldt de volgende procedure.

Niet later dan 18 april 2011 verzoekt de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager deze lidstaat en de EFSA binnen één maand mee te delen of hij van oordeel is dat er informatie beschikbaar is die niet was ingediend voor de opstelling van het ontwerpbeoordelingsverslag en die het resultaat van de beoordeling kan beïnvloeden, en daarbij de aard van die informatie en de mogelijke invloed ervan op de beoordeling te vermelden.

Binnen twee maanden na ontvangst van het antwoord van de aanvrager besluit de EFSA of die informatie van invloed kan zijn op het resultaat van de beoordeling. Zo ja, vraagt de EFSA zonder onnodige vertraging de als rapporteur optredende lidstaat om de aanvrager te verzoeken die informatie in te dienen. De als rapporteur optredende lidstaat actualiseert in het licht van die informatie zo nodig het ontwerpbeoordelingsverslag.

De EFSA stelt een termijn van ten hoogste zes maanden vast waarbinnen de als rapporteur optredende lidstaat dat geactualiseerde ontwerpbeoordelingsverslag moet opstellen en indienen bij de Commissie, met een kopie aan de EFSA. Tegelijkertijd laat zij de aanvrager weten dat het ontwerpbeoordelingsverslag is ingediend en verzoekt zij hem de geactualiseerde dossiers onmiddellijk aan de EFSA, de andere lidstaten en de Commissie toe te zenden, indien van toepassing. Artikel 6, leden 2 tot en met 5, zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij de in artikel 6, lid 3, eerste alinea, bedoelde termijn niet meer dan drie maanden mag bedragen.

7.   De Commissie stelt de data voor de toezending van de ontwerpbeoordelingsverslagen overeenkomstig de leden 5 en 6 vast en maakt deze bekend op haar website. Wanneer een ontwerpbeoordelingsverslag is geactualiseerd, als bedoeld in lid 6, wordt de geactualiseerde versie toegezonden. Tegelijkertijd stelt de Commissie de data voor het indienen van de opmerkingen naar aanleiding daarvan vast en maakt deze bekend op haar website.

Artikel 12

Vergoedingen

1.   De lidstaten kunnen de kosten in verband met werkzaamheden die zij binnen de werkingssfeer van deze verordening uitvoeren, via vergoedingen of heffingen verhalen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde vergoedingen of heffingen:

a)

op transparante wijze worden vastgesteld; en

b)

overeenstemmen met de daadwerkelijke totale kosten van het verrichte werk, tenzij het algemeen belang is gediend met een verlaging van de vergoedingen en heffingen.

Artikel 13

Andere belastingen, heffingen of vergoedingen

Artikel 12 laat de rechten van de lidstaten onverlet om in overeenstemming met het Verdrag andere belastingen, heffingen of vergoedingen met betrekking tot de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van en de controle op werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen te handhaven of in te voeren dan de vergoeding waarin dat artikel voorziet.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)   PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/56


VERORDENING (EU) Nr. 189/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot wijziging van de bijlagen VII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name artikel 23, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE’s) bij dieren. Zij is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong, en in een aantal specifieke gevallen op de uitvoer daarvan.

(2)

In hoofdstuk A van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn de uitroeiingsmaatregelen vastgesteld die moeten worden genomen na bevestiging van een TSE bij schapen en geiten. Bij bevestiging van een andere TSE dan boviene spongiforme encefalopathie (BSE) bij een schaap of geit bestaat de uitroeiingsmaatregel in het doden en volledig vernietigen van hetzij alle dieren op het bedrijf, hetzij de voor scrapie genetisch gevoelige schapen van het bedrijf, en van alle geiten van het bedrijf, voor zover er geen genetische resistentie tegen scrapie bij geiten is aangetoond.

(3)

Hoofdstuk A van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bepaalt ook dat de lidstaten mogen besluiten om de vernietiging van de dieren onder bepaalde voorwaarden maximaal vijf fokjaren op te schorten. Indien het echter gaat om schapen of geiten die worden gehouden voor de productie van melk die in de handel zal worden gebracht, mag het doden en vernietigen van de dieren niet langer dan 18 maanden worden uitgesteld. Verordening (EG) nr. 999/2001 geeft niet aan op welke dag die 18 maanden uitstel ingaan. Met het oog op de rechtszekerheid binnen de Unie dient bijlage VII bij die verordening te worden gewijzigd, zodat de uitstelperiode ingaat op de dag dat het indexgeval wordt bevestigd.

(4)

Bovendien hebben in juli 2010 de voorlopige resultaten van een wetenschappelijke studie (2) door de Cypriotische autoriteiten onder toezicht van het referentielaboratorium van de Europese Unie (EURL) voor TSE’s aangetoond dat er bij geiten genetische resistentie tegen scrapie kan bestaan. De definitieve resultaten van die studie worden echter niet vóór de tweede helft van 2012 verwacht.

(5)

Als die studie het bestaan van resistentie tegen scrapie bevestigt, kan het dienstig worden geacht om vanaf januari 2013 Verordening (EG) nr. 999/2001 te wijzigen om scrapieresistente geiten vrij te stellen van de voorschriften inzake het doden en volledig vernietigen in hoofdstuk A van bijlage VII bij die verordening. Om te vermijden dat geiten die in de nabije toekomst misschien als scrapieresistent zullen worden beschouwd, onnodig worden gedood en volledig vernietigd op bedrijven waar dieren worden gehouden voor de productie van melk die in de handel zal worden gebracht, dient de uitstelperiode voor het doden en volledig vernietigen van die dieren tot 31 december 2012 te worden verlengd wanneer het indexgeval vóór 1 juli 2011 werd bevestigd.

(6)

Bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat voorschriften voor de invoer in de Unie van levende dieren, embryo’s, eicellen en producten van dierlijke oorsprong. Hoofdstuk C van die bijlage bevat voorschriften voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten, en met name van gelatine.

(7)

Artikel 16 van Verordening (EG) nr. 999/2001 bepaalt dat er geen beperkingen gelden voor het in de handel brengen van gelatine die afkomstig is van huiden en vellen van gezonde herkauwers overeenkomstig bepaalde bepalingen van die verordening. Daarom mag de invoer in de Unie van gelatine die afkomstig is van huiden en vellen van gezonde herkauwers, ook niet aan die beperkingen worden onderworpen.

(8)

Hoofdstuk D van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat de voorschriften voor de invoer van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide verwerkte producten van runderen, schapen en geiten.

(9)

Bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (3), houden geen enkel risico in van overdracht van TSE naar mensen of dieren. De voorschriften inzake gezondheidscertificering in hoofdstuk D van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 mogen dus niet van toepassing zijn op de invoer van die producten.

(10)

De bijlagen VII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 is van toepassing met ingang van 4 maart 2011. Voor de duidelijkheid en samenhang van de wetgeving van de Unie moeten de wijzigingen die bij deze verordening in hoofdstuk D van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden aangebracht, ook vanaf die datum van toepassing zijn.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen VII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Punt 2, onder b), van de bijlage bij deze verordening moet met ingang van 4 maart 2011 van toepassing zijn.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2)  http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/1371.htm

(3)   PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlagen VII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage VII, hoofdstuk A, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 2.3, onder f), komt als volgt te luiden:

„f)

wanneer de frequentie van het ARR-allel binnen het ras of op het bedrijf klein is of dit gen niet voorkomt, of wanneer het nodig wordt geacht om inteelt te voorkomen, mag een lidstaat besluiten het doden en volledig vernietigen van de in punt 2.3, onder b) i) en ii), bedoelde dieren maximaal vijf fokjaren vanaf de datum van bevestiging van het indexgeval uit te stellen, mits er op het bedrijf geen fokrammen met een ander genotype dan ARR/ARR aanwezig zijn.

Indien het echter gaat om schapen en geiten die worden gehouden voor de productie van melk die in de handel zal worden gebracht, mag het doden en volledig vernietigen ervan niet langer worden uitgesteld dan 18 maanden vanaf de datum van bevestiging van het indexgeval, tenzij het gaat om geiten waarbij het doden en volledig vernietigen tot 31 december 2012 mag worden uitgesteld, als het indexgeval vóór 1 juli 2011 wordt bevestigd.”;

b)

na punt 2.4 wordt het volgende punt ingevoegd:

„2.5

In afwachting van het doden en volledig vernietigen van de in punt 2.3, onder b) i) en ii), bedoelde dieren, met inbegrip van de dieren waarvoor het doden en volledig vernietigen overeenkomstig punt 2.3, onder f), is uitgesteld, zijn de maatregelen van punt 3.1, onder a) en b), punt 3.2 en punt 3.3, onder a), onder b), eerste streepje, en onder d), op het bedrijf (de bedrijven) van toepassing.”.

2)

Bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk C, afdeling A, komt als volgt te luiden:

AFDELING A

Producten

Op de onderstaande producten van runderen, schapen en geiten, zoals gedefinieerd in de punten 1.10, 1.13, 1.15, 7.1, 7.5, 7.6, 7.7 en 7.9 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (*1), zijn naargelang de BSE-risicocategorie van het land van oorsprong de voorwaarden van de afdelingen B, C en D van dit hoofdstuk van toepassing:

vers vlees,

gehakt vlees,

vleesbereidingen,

vleesproducten,

gesmolten dierlijk vet,

kanen,

andere dan van huiden en vellen afkomstige gelatine,

bewerkte ingewanden.

(*1)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.”;"

b)

hoofdstuk D komt als volgt te luiden:

„HOOFDSTUK D

Invoer van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide verwerkte producten van runderen, schapen en geiten

AFDELING A

Dierlijke bijproducten

Dit hoofdstuk is van toepassing op de onderstaande dierlijke bijproducten en afgeleide producten, zoals gedefinieerd in artikel 3, punten 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*2), op voorwaarde dat die producten van runderen, schapen of geiten zijn:

a)

van categorie 2-materiaal afgeleide gesmolten vetten die bedoeld zijn voor gebruik als organische meststoffen of bodemverbeteraars, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 22, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of de grondstoffen of tussenproducten daarvan;

b)

van categorie 2-materiaal afgeleide beenderen en producten uit beenderen;

c)

van categorie 3-materiaal afgeleide gesmolten vetten die bedoeld zijn voor gebruik als organische meststoffen of bodemverbeteraars of als diervoeder, zoals gedefinieerd in artikel 3, punten 22 en 25, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of de grondstoffen of tussenproducten daarvan;

d)

voeder voor gezelschapsdieren, met inbegrip van hondenkluiven;

e)

bloedproducten;

f)

verwerkte dierlijke eiwitten;

g)

van categorie 3-materiaal afgeleide beenderen en producten uit beenderen;

h)

van andere materialen dan huiden en vellen afgeleide gelatine;

i)

categorie 3-materiaal en afgeleide producten, niet genoemd onder c) tot en met h), met uitzondering van:

i)

verse huiden en vellen, behandelde huiden en vellen;

ii)

van huiden en vellen afgeleide gelatine;

iii)

vetderivaten;

iv)

collageen.

AFDELING B

Gezondheidscertificering

Voor de invoer van de in afdeling A genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten van runderen, schapen en geiten is een diergezondheidscertificaat vereist waarin wordt verklaard dat:

a)

het dierlijke bijproduct of afgeleide product geen gespecificeerd risicomateriaal of separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten bevat en daarvan niet is afgeleid, en dat de dieren waarvan dat bijproduct of product is afgeleid, niet zijn geslacht of gedood na bedwelming door een gasinjectie in de schedelholte en ook niet zijn geslacht nadat weefsel van het centrale zenuwstelsel met een in de schedelholte ingebracht lang staafvormig instrument is beschadigd, of

b)

het dierlijke bijproduct of afgeleide product geen materiaal van runderen, schapen en geiten bevat en daarvan niet is afgeleid, met uitzondering van materiaal dat afkomstig is van dieren die geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in een land of gebied dat bij een besluit overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico.

Behalve de punten a) en b) is voor de invoer van de in afdeling A genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten die melk of melkproducten van schapen of geiten bevatten en bedoeld zijn voor vervoedering aan herkauwers, een diergezondheidscertificaat vereist waarin wordt verklaard dat:

c)

de schapen en geiten waarvan die producten zijn afgeleid, sinds de geboorte of ten minste de laatste drie jaar onafgebroken zijn gehouden op een bedrijf dat niet aan een officiële verplaatsingsbeperking is onderworpen in verband met een vermoeden van een TSE en dat sinds ten minste drie jaar voldoet aan de volgende eisen:

i)

het is onderworpen aan regelmatige officiële diergeneeskundige controles;

ii)

er zijn geen gevallen van klassieke scrapie gediagnosticeerd of, als er wel een geval van klassieke scrapie is bevestigd:

zijn alle dieren waarbij klassieke scrapie bevestigd is, gedood en vernietigd, en

zijn alle schapen en geiten op het bedrijf gedood en vernietigd, met uitzondering van fokrammen met genotype ARR/ARR en fokooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

iii)

afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden op het bedrijf alleen schapen en geiten binnengebracht die komen van een bedrijf dat voldoet aan de eisen onder i) en ii);

of

d)

als het gaat om dierlijke bijproducten of afgeleide producten die bestemd zijn voor een lidstaat die is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 546/2006 van de Commissie (*3), de schapen en geiten waarvan die producten zijn afgeleid, sinds de geboorte of ten minste de laatste drie jaar onafgebroken zijn gehouden op een bedrijf dat niet aan een officiële verplaatsingsbeperking is onderworpen in verband met een vermoeden van een TSE en dat sinds ten minste drie jaar voldoet aan de volgende eisen:

i)

het is onderworpen aan regelmatige officiële diergeneeskundige controles;

ii)

er zijn geen gevallen van klassieke scrapie gediagnosticeerd of, als er wel een geval van klassieke scrapie is bevestigd:

ezijn alle dieren waarbij klassieke scrapie bevestigd is, gedood en vernietigd, en

zijn alle schapen en geiten op het bedrijf gedood en vernietigd, met uitzondering van fokrammen met genotype ARR/ARR en fokooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

iii)

afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden op het bedrijf alleen schapen en geiten binnengebracht die komen van een bedrijf dat voldoet aan de eisen onder i) en ii).

(*2)   PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1."

(*3)   PB L 94 van 1.4.2006, blz. 28.”."


(*1)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.”;

(*2)   PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(*3)   PB L 94 van 1.4.2006, blz. 28.”.”


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/61


VERORDENING (EU) Nr. 190/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 26 februari 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

122,2

MA

59,4

TN

115,9

TR

106,3

ZZ

101,0

0707 00 05

TR

172,7

ZZ

172,7

0709 90 70

MA

43,9

TR

118,3

ZZ

81,1

0805 10 20

EG

64,0

IL

78,2

MA

57,3

TN

49,3

TR

62,1

ZZ

62,2

0805 20 10

IL

154,2

MA

95,3

ZZ

124,8

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

CN

70,2

EG

51,1

IL

127,7

JM

74,2

MA

77,0

PK

34,8

TR

66,0

US

145,5

ZZ

80,8

0805 50 10

EG

68,7

MA

53,4

TR

48,5

ZZ

56,9

0808 10 80

BR

55,2

CA

91,7

CN

94,9

MK

50,2

US

145,1

ZZ

87,4

0808 20 50

AR

90,1

CL

123,1

CN

57,4

US

125,5

ZA

107,5

ZZ

100,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/63


VERORDENING (EU) Nr. 191/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

inzake de verkoopprijzen voor granen in reactie op de 7e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 1017/2010 geopende openbare inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 43, onder f), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 1017/2010 van de Commissie (2) is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2009 van de Commissie van 11 december 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de aankoop en de verkoop van landbouwproducten in het kader van de openbare interventie (3) een openbare inschrijving geopend voor de verkoop van granen.

(2)

Op grond van artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1272/2009 en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1017/2010 moet de Commissie op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen een minimumverkoopprijs vaststellen of besluiten geen minimumverkoopprijs vast te stellen.

(3)

Besloten is dat op grond van de voor de 7e bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen een minimumverkoopprijs moet worden vastgesteld voor sommige granen en voor sommige lidstaten.

(4)

Om de markt snel een signaal te geven en met het oog op een efficiënt beheer van de maatregel, moet de onderhavige verordening van kracht worden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 7e bijzondere inschrijving in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 1017/2010 geopende openbare inschrijving voor de verkoop van granen, waarvoor de termijn voor de indiening van inschrijvingen op 23 februari 2011 is verstreken, wordt de verkoopprijs per graansoort en per lidstaat vastgesteld in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 293 van 11.11.2010, blz. 41.

(3)   PB L 349 van 29.12.2009, blz. 1.


BIJLAGE

Besluiten over verkoop

(EUR/t)

Lidstaat

Minimumverkoopprijs

Zachte tarwe

Gerst

Mais

GN-code 1001 90

GN-code 1003 00

GN-code 1005 90 00

België/Belgique

X

X

X

България

X

X

X

Česká republika

X

X

X

Danmark

X

X

X

Deutschland

X

182,93

X

Eesti

X

X

X

Eire/Ireland

X

X

X

Ellάda

X

X

X

España

X

X

X

France

X

o

X

Italia

X

X

X

Κύproς

X

X

X

Latvija

X

X

X

Lietuva

X

X

X

Luxembourg

X

X

X

Magyarország

X

X

X

Malta

X

X

X

Nederland

X

X

X

Österreich

X

X

X

Polska

X

X

X

Portugal

X

X

X

România

X

X

X

Slovenija

X

X

X

Slovensko

X

X

X

Suomi/Finland

X

181,50

X

Sverige

X

190,16

X

United Kingdom

X

o

X

Geen minimumverkoopprijs vastgesteld (alle inschrijvingen afgewezen).

°

Geen inschrijvingen.

X

Geen granen beschikbaar voor verkoop.

#

Niet van toepassing.


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/65


VERORDENING (EU) Nr. 192/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

houdende vaststelling van bijzondere maatregelen met betrekking tot de in Verordening (EU) nr. 68/2011 vastgestelde steun voor de particuliere opslag van varkensvlees

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 826/2008 van de Commissie van 20 augustus 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de verlening van steun voor de particuliere opslag van bepaalde landbouwproducten (2), en met name artikel 23, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij onderzoek van de situatie is gebleken dat het risico bestaat dat er te veel aanvragen worden ingediend in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 68/2011 van 28 januari 2011 tot voorafgaande vaststelling van het steunbedrag voor de particuliere opslag van varkensvlees (3) ingestelde regeling inzake steun voor de particuliere opslag van varkensvlees.

(2)

Daarom moet de toepassing van de bij Verordening (EU) nr. 68/2011 vastgestelde regeling worden geschorst en moeten de betrokken aanvragen worden afgewezen.

(3)

Om speculatie te voorkomen, moet de verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De toepassing van Verordening (EU) nr. 68/2011 wordt geschorst voor de periode van 27 februari 2011 tot en met 4 maart 2011. De in de schorsingsperiode ingediende aanvragen om een contract te sluiten, zijn niet ontvankelijk.

2.   Met ingang van 22 februari 2011 ingediende aanvragen die in de in lid 1 genoemde periode zouden zijn aanvaard, worden afgewezen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 223 van 21.8.2008, blz. 3.

(3)   PB L 26 van 29.1.2011, blz. 2.


BESLUITEN

26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/66


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend krachtens Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1081)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/130/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (1), en met name artikel 8, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verrichters van diensten die onder Richtlijn 2006/123/EG vallen, moeten de voor de toegang tot en de uitoefening van hun activiteiten vereiste procedures en formaliteiten via de één-loketten en met elektronische middelen kunnen afwikkelen. Binnen de in artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2006/123/EG vastgestelde grenzen kan het nog steeds het geval zijn dat de dienstverrichters originele documenten, voor eensluidend gewaarmerkte kopieën of authentieke vertalingen moeten indienen ter afwikkeling van dergelijke procedures en formaliteiten. In dergelijke gevallen kan het nodig zijn dat de dienstverrichters documenten indienen die digitaal door de bevoegde autoriteiten zijn ondertekend.

(2)

Het grensoverschrijdende gebruik van geavanceerde elektronische handtekeningen die op een gekwalificeerd certificaat berusten is vergemakkelijkt door Beschikking 2009/767/EG van de Commissie van 16 oktober 2009 inzake maatregelen voor een gemakkelijker gebruik van elektronische procedures via het „één-loket” in het kader van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (2), waarbij de lidstaten er onder andere toe worden verplicht risicobeoordelingen uit te voeren alvorens deze elektronische handtekeningen verplicht te stellen voor dienstverrichters en waarbij regels worden vastgesteld voor de aanvaarding door de lidstaten van geavanceerde elektronische handtekeningen die op gekwalificeerde certificaten zijn gebaseerd en al dan niet met een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen zijn aangemaakt. Beschikking 2009/767/EG gaat echter niet in op de formaten voor elektronische handtekeningen in door de bevoegde autoriteiten afgegeven documenten die door de dienstverrichters ter afwikkeling van de desbetreffende procedures en formaliteiten moeten worden ingediend.

(3)

Aangezien de bevoegde autoriteiten in de lidstaten momenteel verschillende formaten voor geavanceerde elektronische handtekeningen gebruiken om hun documenten elektronisch te ondertekenen, kunnen de ontvangende lidstaten die deze documenten moeten verwerken technische problemen ondervinden ten gevolge van de verscheidenheid aan gebruikte handtekeningformaten. Om dienstverrichters in staat te stellen met elektronische middelen hun procedures en formaliteiten grensoverschrijdend af te wikkelen, moet ervoor worden gezorgd dat ten minste enkele formaten voor geavanceerde elektronische handtekeningen door de lidstaten technisch kunnen worden ondersteund wanneer zij documenten ontvangen die door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten elektronisch zijn ondertekend. Het definiëren van een aantal door de ontvangende lidstaat technisch te ondersteunen formaten voor geavanceerde digitale handtekeningen maakt een grotere mate van automatisering mogelijk en bevordert de grensoverschrijdende interoperabiliteit van de elektronische procedures.

(4)

De lidstaten waarvan de bevoegde autoriteiten andere dan de algemeen ondersteunde formaten voor digitale handtekeningen gebruiken, hebben mogelijk andere valideringswijzen ingevoerd met behulp waarvan hun handtekeningen ook grensoverschrijdend kunnen worden geverifieerd. Om ervoor te zorgen dat de ontvangende lidstaten op deze valideringsinstrumenten kunnen vertrouwen, moet in dergelijke gevallen informatie over deze instrumenten op een gemakkelijk toegankelijke wijze beschikbaar worden gesteld, tenzij de benodigde informatie al in de elektronische documenten, in de elektronische handtekeningen of in de elektronische documentdragers zelf is opgenomen.

(5)

Dit besluit laat onverlet dat de lidstaten bepalen wat als een origineel, een voor eensluidend gewaarmerkte kopie of een authentieke vertaling wordt beschouwd. Het heeft slechts tot doel de verificatie van elektronische handtekeningen te vergemakkelijken waar deze worden gebruikt in de originelen, voor eensluidend gewaarmerkte kopieën of authentieke vertalingen die dienstverrichters mogelijk via de één-loketten moeten indienen.

(6)

Teneinde de lidstaten in de gelegenheid te stellen de nodige technische instrumenten in te voeren, is het aangewezen dat dit besluit met ingang van 1 augustus 2011 van toepassing is.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité dienstenrichtlijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Referentieformaat voor elektronische handtekeningen

1.   De lidstaten brengen de nodige technische middelen tot stand om de elektronisch ondertekende documenten te kunnen verwerken die dienstverrichters ter afwikkeling van procedures en formaliteiten via de één-loketten indienen, zoals bepaald in artikel 8 van Richtlijn 2006/123/EG, en die door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten zijn ondertekend met een geavanceerde elektronische XML-, CMS- of PDF-handtekening in het BES- of EPES-formaat, die aan de technische specificaties in de bijlage voldoet.

2.   De lidstaten waarvan de bevoegde autoriteiten de in de eerste alinea bedoelde documenten met andere dan de in die alinea bedoelde formaten voor digitale handtekeningen ondertekenen, stellen de Commissie op de hoogte van bestaande valideringsmogelijkheden waarmee andere lidstaten de ontvangen elektronische handtekeningen online, kosteloos en op een voor niet-moedertaalsprekers te begrijpen wijze kunnen valideren, tenzij de benodigde informatie al in het document of in de elektronische handtekening of elektronische documentdrager is opgenomen. De Commissie zal deze informatie beschikbaar stellen aan alle lidstaten.

Artikel 2

Toepassing

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 augustus 2011.

Artikel 3

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

Michel BARNIER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.

(2)   PB L 274 van 20.10.2009, blz. 36.


BIJLAGE

Specificaties voor een door de ontvangende lidstaat technisch te ondersteunen geavanceerde elektronische XML-, CMS- of PDF-handtekening

In het volgende onderdeel van dit document moeten de sleutelwoorden „MOETEN” (MUST, SHALL), „NIET MOGEN” (MUST NOT, SHALL NOT), „VERPLICHT” (REQUIRED), „ZOUDEN MOETEN” (SHOULD), „ZOUDEN NIET MOGEN” (SHOULD NOT), „AANBEVOLEN” (RECOMMENDED), „KUNNEN” (MAY) en „FACULTATIEF” (OPTIONAL) en daarvan afgeleide woordvormen worden uitgelegd zoals beschreven in RFC 2119 (1).

DEEL 1 —   XAdES-BES/EPES

De handtekening voldoet aan de W3C-specificaties voor XML-handtekeningen (2).

De handtekening MOET ten minste een handtekening volgens de XAdES-BES- of XAdES-EPES-vorm zijn zoals gedefinieerd in de XAdES-specificaties (3) van ETSI TS 101 903; daarnaast voldoet zij aan de volgende aanvullende specificaties:

 

Het ds:CanonicalizationMethod-element, waarmee het algoritme voor omzetting in de canonieke vorm wordt gespecificeerd dat op het SignedInfo-element wordt toegepast alvorens de handtekeningberekeningen uit te voeren, verwijst slechts naar een van de volgende algoritmen:

Canonical XML 1.0 (zonder commentaar)

:

http://www.w3.org/TR/2001/REC-xml-c14n-20010315

Canonical XML 1.1 (zonder commentaar)

:

http://www.w3.org/2006/12/xml-c14n11

Exclusive XML Canonicalization 1.0 (zonder commentaar)

:

http://www.w3.org/2001/10/xml-exc-c14n#

 

Andere algoritmen of versies „met commentaar” van de bovengenoemde algoritmen ZOUDEN NIET MOGEN worden gebruikt voor het aanmaken van handtekeningen maar ZOUDEN wel MOETEN worden ondersteund met het oog op de achterwaartse interoperabiliteit van de handtekeningverificatie.

 

MD5 (RFC 1321) MAG NIET als hashingalgoritme worden gebruikt. De ondertekenaars worden verwezen naar de toepasselijke nationale wetgeving, en voor richtsnoeren naar ETSI TS 102 176 (4) en het ECRYPT2 D.SPA.x-verslag (5), voor verdere aanbevelingen inzake de geschikte algoritmen en parameters voor elektronische handtekeningen.

Het gebruik van transformaties (transforms) is beperkt tot de volgende lijst:

 

Transforms voor omzetting in de canonieke vorm: zie hierboven voor de bijbehorende specificaties;

 

Base64-codering (http://www.w3.org/2000/2009/xmldsig#base64);

 

Filtering

XPath (http://www.w3.org/TR/1999/REC-xpath-19991116): omwille van de compatibiliteit en de overeenstemming met XMLDSig

XPath Filter 2.0 (http://www.w3.org/2002/2006/xmldsig-filter2): als opvolger van XPath, in verband met prestatieproblemen;

 

Enveloped signature transform: (http://www.w3.org/2000/2009/xmldsig#enveloped-signature);

 

XSLT-transform (stylesheet-transformatie).

Het ds:KeyInfo-element MOET het digitale X.509 v3-certificaat van de ondertekenaar (d.w.z. de waarde ervan en niet slechts een verwijzing ernaar) bevatten.

De ondertekende eigenschap „SigningCertificate” van de handtekening MOET de hashwaarde (CertDigest) en de in ds:KeyInfo opgeslagen IssuerSerial van het certificaat van de ondertekenaar bevatten, en de facultatieve URI in het veld „SigningCertificate” MAG NIET worden gebruikt.

De ondertekende eigenschap SigningTime van de handtekening is aanwezig en bevat de UTC, uitgedrukt als xsd:dateTime (http://www.w3.org/TR/xmlschema-2/#dateTime).

Het DataObjectFormat-element MOET aanwezig zijn en het MimeType-subelement bevatten.

Indien de door de lidstaten gebruikte handtekeningen op een gekwalificeerd certificaat zijn gebaseerd, kunnen de in de handtekeningen opgenomen PKI-objecten (certificaatketens, intrekkingsgegevens, tijdstempels) geverifieerd worden met behulp van de vertrouwenslijst, overeenkomstig Beschikking 2009/767/EG, van de lidstaat die toezicht houdt op of accreditatie verleent aan de certificatiedienstverlener die het certificaat van de ondertekenaar heeft afgegeven.

In tabel 1 zijn de specificaties samengevat waaraan een XAdES-BES/EPES-handtekening moet voldoen om door de ontvangende lidstaat technisch te worden ondersteund.

Tabel 1

Image 2

DEEL 2 —   CAdES-BES/EPES

De handtekening voldoet aan de specificaties voor CMS-handtekeningen (Cryptographic Message Syntax) (6).

De handtekening maakt gebruik van CAdES-BES- of CAdES-EPES-attributen zoals gedefinieerd in de CAdES-specificaties van ETSI TS 101 733 (7); daarnaast voldoet zij aan de aanvullende specificaties in tabel 2.

Alle attributen van CAdES die zijn opgenomen in de hashberekening van het tijdstempel van het archief (ETSI TS 101 733 V1.8.1, bijlage K) MOETEN DER-gecodeerd zijn; alle overige attributen kunnen BER-gecodeerd zijn om de one-passverwerking van CAdES te vergemakkelijken.

MD5 (RFC 1321) MAG NIET als hashingalgoritme worden gebruikt. De ondertekenaars worden verwezen naar de toepasselijke nationale wetgeving, en voor richtsnoeren naar ETSI TS 102 176 (8) en het ECRYPT2 D.SPA.x-verslag (9), voor verdere aanbevelingen inzake de geschikte algoritmen en parameters voor elektronische handtekeningen.

De ondertekende attributen MOETEN een verwijzing naar het digitale X.509 v3-certificaat (RFC 5035) van de ondertekenaar bevatten en het veld SignedData.certificates MOET de waarde daarvan bevatten.

Het ondertekende attribuut SigningTime MOET aanwezig zijn en MOET de UTC bevatten, uitgedrukt overeenkomstig http://tools.ietf.org/html/rfc5652#section-11.3.

Het ondertekende attribuut ContentType MOET aanwezig zijn en bevat id-data (http://tools.ietf.org/html/rfc5652#section-4), waarbij het type gegevensinhoud (data content type) bedoeld is om te verwijzen naar willekeurige octet-tekenreeksen, zoals tekst in UTF-8 of een ZIP-container met MimeType-subelement.

Indien de door de lidstaten gebruikte handtekeningen op een gekwalificeerd certificaat zijn gebaseerd, kunnen de in de handtekeningen opgenomen PKI-objecten (certificaatketens, intrekkingsgegevens, tijdstempels) geverifieerd worden met behulp van de vertrouwenslijst, overeenkomstig Beschikking 2009/767/EG, van de lidstaat die toezicht houdt op of accreditatie verleent aan de certificatiedienstverlener die het certificaat van de ondertekenaar heeft afgegeven.

Tabel 2

Image 3

DEEL 3 —   PAdES-PART 3 (BES/EPES)

De handtekening MOET gebruikmaken van een PAdES-BES- of PAdES-EPES-handtekeningextensie zoals gedefinieerd in de PAdES-Part3-specificaties van ETSI TS 102 778 (10); daarnaast voldoet de handtekening aan de volgende aanvullende specificaties:

MD5 (RFC 1321) MAG NIET als hashingalgoritme worden gebruikt. De ondertekenaars worden verwezen naar de toepasselijke nationale wetgeving, en voor richtsnoeren naar ETSI TS 102 176 (11) en het ECRYPT2 D.SPA.x-verslag (12), voor verdere aanbevelingen inzake de geschikte algoritmen en parameters voor elektronische handtekeningen.

De ondertekende attributen MOETEN een verwijzing naar het digitale X.509 v3-certificaat (RFC 5035) van de ondertekenaar bevatten en het veld SignedData.certificates MOET de waarde daarvan bevatten.

Het tijdstip van ondertekening wordt aangegeven door de waarde van de M-vermelding in het handtekeningwoordenboek.

Indien de door de lidstaten gebruikte handtekeningen op een gekwalificeerd certificaat zijn gebaseerd, kunnen de in de handtekeningen opgenomen PKI-objecten (certificaatketens, intrekkingsgegevens, tijdstempels) geverifieerd worden met behulp van de vertrouwenslijst, overeenkomstig Beschikking 2009/767/EG, van de lidstaat die toezicht houdt op of accreditatie verleent aan de certificatiedienstverlener die het certificaat van de ondertekenaar heeft afgegeven.


(1)  IETF RFC 2119: „Key words for use in RFCs to indicate Requirements Levels”.

(2)  W3C, XML Signature Syntax and Processing, (Version 1.1), http://www.w3.org/TR/xmldsig-core1/

W3C, XML Signature Syntax and Processing, (Second Edition), http://www.w3.org/TR/xmldsig-core/.

W3C, XML Signature Best Practices, http://www.w3.org/TR/xmldsig-bestpractices/.

(3)  ETSI TS 101 903 v1.4.1: XML Advanced Electronic Signatures (XAdES).

(4)  ETSI TS 102 176: Electronic Signatures and Infrastructures (ESI); Algorithms and Parameters for Secure Electronic Signatures; Part 1: Hash functions and asymmetric algorithms; Part 2: „Secure channel protocols and algorithms for signature creation devices”.

(5)  De recentste versie is D.SPA.13 ECRYPT2 Yearly Report on Algorithms and Key sizes (2009-2010) van 30 maart 2010 (http://www.ecrypt.eu.org/documents/D.SPA.13.pdf).

(6)  IETF, RFC 5652, Cryptographic Message Syntax (CMS), http://tools.ietf.org/html/rfc5652.

IETF, RFC 5035, Enhanced Security Services (ESS) Update: Adding CertID Algorithm Agility, http://tools.ietf.org/html/rfc5035.

IETF, RFC 3161, Internet X.509 Public Key Infrastructure Time-Stamp Protocol (TSP), http://tools.ietf.org/html/rfc3161.

(7)  ETSI TS 101 733 v.1.8.1: CMS Advanced Electronic Signatures (CAdES).

(8)  ETSI TS 102 176: Electronic Signatures and Infrastructures (ESI); Algorithms and Parameters for Secure Electronic Signatures; Part 1: Hash functions and asymmetric algorithms; Part 2: „Secure channel protocols and algorithms for signature creation devices”.

(9)  De recentste versie is D.SPA.13 ECRYPT2 Yearly Report on Algorithms and Key sizes (2009-2010) van 30 maart 2010 (http://www.ecrypt.eu.org/documents/D.SPA.13.pdf).

(10)  ETSI TS 102 778-3 v1.2.1: PDF Advanced Electronic Signatures (PAdES), PAdES Enhanced - PAdES-Basic Electronic Signatures and PAdES-Explicit Policy Electronic Signatures Profiles.

(11)  ETSI TS 102 176: Electronic Signatures and Infrastructures (ESI); Algorithms and Parameters for Secure Electronic Signatures; Part 1: Hash functions and asymmetric algorithms; Part 2: „Secure channel protocols and algorithms for signature creation devices”.

(12)  De recentste versie is D.SPA.13 ECRYPT2 Yearly Report on Algorithms and Key sizes (2009-2010) van 30 maart 2010 (http://www.ecrypt.eu.org/documents/D.SPA.13.pdf).


26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/73


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot wijziging van bijlage II bij Beschikking 2006/766/EG wat betreft de vermelding voor Fiji in de lijst van derde landen en gebieden waaruit visserijproducten voor menselijke consumptie mogen worden ingevoerd

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 1082)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/131/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 11, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 854/2004 bevat specifieke voorschriften voor de organisatie van officiële controles op producten van dierlijke oorsprong. Zij bepaalt met name dat producten van dierlijke oorsprong alleen mogen worden ingevoerd uit een derde land of een deel van een derde land dat op een overeenkomstig die verordening opgestelde lijst staat.

(2)

Verordening (EG) nr. 854/2004 bepaalt ook dat bij de opstelling en bijwerking van deze lijsten rekening moet worden gehouden met de controles van de Unie in derde landen en de door de bevoegde autoriteiten van derde landen geboden garanties wat betreft de naleving van of de gelijkwaardigheid van hun wetgeving met de wetgeving van de Unie inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (2).

(3)

Beschikking 2006/766/EG van de Commissie van 6 november 2006 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden waaruit tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren, mariene buikpotigen en visserijproducten mogen worden ingevoerd (3) bevat de lijsten van de derde landen die aan de in Verordening (EG) nr. 854/2004 bedoelde criteria voldoen en bijgevolg kunnen waarborgen dat die naar de Unie uitgevoerde producten aan de hygiënische voorwaarden voldoen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld om de gezondheid van de consumenten te beschermen. Bijlage II bij die beschikking bevat met name een lijst van derde landen waaruit visserijproducten voor menselijke consumptie mogen worden ingevoerd.

(4)

Fiji komt momenteel niet voor op de lijst in bijlage II bij Beschikking 2006/766/EG als derde land waaruit de invoer van voor menselijke consumptie bestemde visserijproducten is toegestaan.

(5)

Uit de controles van de Unie ter beoordeling van het controlesysteem in Fiji voor de productie van voor uitvoer naar de Unie bestemde visserijproducten, waarvan de laatste in september 2010 plaatsvond, en de door de bevoegde autoriteit van Fiji verstrekte garanties blijkt dat de in dat derde land geldende voorwaarden voor visserijproducten voor menselijke consumptie, bestemd voor uitvoer naar de Unie, gelijkwaardig zijn aan die van de desbetreffende wetgeving van de Unie. Bijgevolg moet bijlage II bij Beschikking 2006/766/EG worden gewijzigd om de invoer van visserijproducten voor menselijke consumptie uit Fiji toe te staan.

(6)

Beschikking 2006/766/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage II bij Beschikking 2006/766/EG wordt de volgende vermelding voor Fiji ingevoegd vóór de vermelding voor de Falklandeilanden.

FJ

FIJI

 

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.

(2)   PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)   PB L 320 van 18.11.2006, blz. 53.


Rectificaties

26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/74


Rectificatie van Beschikking 2009/870/EG van de Commissie van 27 november 2009 tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijst van grensinspectieposten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 315 van 2 december 2009 )

Bladzijde 13, bijlage: punt 1, onder a), wordt geschrapt.