ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.313.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 313

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
30 november 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2010/726/EU

 

*

Besluit van de Raad van 22 november 2010 betreffende de sluiting van een tweede aanvullend protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1103/2010 van de Commissie van 29 november 2010 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad, van voorschriften voor de vermelding van de capaciteit op draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's en autobatterijen en -accu's ( 1 )

3

 

 

Verordening (EU) nr. 1104/2010 van de Commissie van 29 november 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

8

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2010/82/EU van de Commissie van 29 november 2010 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de uitbreiding van het gebruik van de werkzame stof tetraconazool ( 1 )

10

 

 

BESLUITEN

 

 

2010/727/EU

 

*

Besluit van de Raad van 22 november 2010 tot benoeming van een Spaans lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

12

 

 

2010/728/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 29 november 2010 tot vaststelling van een vragenlijst voor de verslagen van de lidstaten over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees parlement en de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 8308)  ( 1 )

13

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

30.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 313/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 november 2010

betreffende de sluiting van een tweede aanvullend protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie

(2010/726/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217 in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), en lid 8,

Gezien het Toetredingsverdrag van de Republiek Bulgarije en Roemenië, en met name artikel 4, lid 3,

Gezien de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het tweede aanvullend protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, is op 24 juli 2007 namens de Gemeenschap en haar lidstaten ondertekend.

(2)

Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 heeft de Europese Unie de Europese Gemeenschap vervangen als haar opvolgster.

(3)

Het tweede aanvullend protocol moet worden gesloten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het tweede aanvullend protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (2) wordt namens de Europese Unie en haar lidstaten goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie en haar lidstaten de in artikel 10 van het tweede aanvullend protocol bedoelde kennisgeving.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de volgende kennisgeving:

„Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 heeft de Europese Unie de Europese Gemeenschap vervangen als haar opvolgster en vanaf die datum oefent de Unie alle rechten van de Europese Gemeenschap uit en neemt zij alle verplichtingen van de Gemeenschap op zich. Derhalve worden verwijzingen in het protocol naar „de Europese Gemeenschap” waar nodig gelezen als „de Europese Unie”.”

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 22 november 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


(1)   PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 149.

(2)  Het tweede aanvullend protocol is samen met het ondertekeningsbesluit bekendgemaakt in PB L 251 van 26.9.2007, blz. 2. Een proces-verbaal van rectificatie van het tweede aanvullend protocol in het Spaans is bekendgemaakt in PB L 255 van 23.9.2008, blz. 34.


VERORDENINGEN

30.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 313/3


VERORDENING (EU) Nr. 1103/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2010

tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad, van voorschriften voor de vermelding van de capaciteit op draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's en autobatterijen en -accu's

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (1), en met name artikel 21, leden 2 en 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een vermindering van de hoeveelheid afval is te verwezenlijken door de gemiddelde levensduur van secundaire (oplaadbare) batterijen te verlengen. Door de juiste batterij voor een apparaat te kiezen wordt de hoeveelheid afgedankte batterijen en accu's kleiner.

(2)

Het is van essentieel belang dat via geharmoniseerde, controleerbare en herhaalbare methoden in markeringen met betrekking tot de capaciteit wordt voorzien om eerlijke concurrentie en consistente kwaliteitswaarden voor fabrikanten te waarborgen.

(3)

Krachtens Richtlijn 2006/66/EG moeten alle draagbare batterijen en accu's en alle autobatterijen en -accu's van een capaciteitsmarkering worden voorzien. De capaciteitsmarkering is bedoeld om de eindgebruikers nuttige, gemakkelijk te begrijpen en vergelijkbare informatie te verstrekken bij de aankoop van draagbare batterijen en accu's en autobatterijen en -accu's.

(4)

Krachtens artikel 21, lid 7, van Richtlijn 2006/66/EG kan vrijstelling van de markeringsvoorschriften inzake de capaciteit worden verleend.

(5)

Dergelijke vrijstellingen dienen te worden verleend voor batterijen en accu's die ingebouwd in apparaten worden verkocht en, met het oog op de veiligheid of de prestaties, om medische redenen of met het oog op de integriteit van gegevens en de continuïteit van de stroomvoorziening, niet bedoeld zijn om door eindgebruikers te worden verwijderd. Deze batterijen en accu's zijn niet toegankelijk voor de eindgebruikers zodat de eindgebruikers er geen aankoopbeslissing over hoeven te nemen.

(6)

Het is wenselijk de informatie te baseren op bestaande internationale en Europese normen teneinde te zorgen voor een deugdelijke wetenschappelijke en technische basis voor de nauwkeurigheid van de aan eindgebruikers verstrekte informatie.

(7)

De bestaande voorschriften voor de capaciteitsmarkering voor draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's en autobatterijen en -accu's moeten worden geharmoniseerd. Een mogelijke harmonisatie van de voorschriften voor de capaciteitsmarkering voor draagbare primaire (niet-oplaadbare) batterijen dient ook te worden beoordeeld.

(8)

De producenten van batterijen en accu's hebben ten minste 18 maanden nodig om hun technologische processen aan de nieuwe voorschriften voor capaciteitsmarkering aan te passen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18 van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (2) ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's en autobatterijen en -accu's die achttien maanden na de in artikel 5 bedoelde datum voor het eerst op de markt worden gebracht.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op de in bijlage I vermelde draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's.

Artikel 2

Bepaling van de capaciteit

1.   De elektrische lading die een batterij of accu onder specifieke omstandigheden kan leveren, wordt als de capaciteit van de batterij of accu beschouwd.

2.   De capaciteit van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's wordt, afhankelijk van de chemische stoffen die ze bevatten zoals gespecificeerd in bijlage II, deel A, bepaald op basis van de normen IEC/EN 61951-1, IEC/EN 61951-2, IEC/EN 60622, IEC/EN 61960 en IEC/EN 61056-1.

3.   De capaciteit van autobatterijen en -accu's wordt, afhankelijk van de chemische stoffen die ze bevatten zoals gespecificeerd in bijlage II, deel B, bepaald op basis van de norm IEC 60095-1/EN 50342-1.

Artikel 3

Eenheid van capaciteitsmeting

1.   De capaciteit van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's wordt uitgedrukt in „milliampère-uur” of „ampère-uur”, met gebruikmaking van de respectieve afkortingen „mAh” en „Ah”.

2.   De capaciteit van autobatterijen en -accu's wordt uitgedrukt in „ampère-uur” (Ah) en „ampères bij koude start” (A), met gebruikmaking van beide afkortingen.

Artikel 4

Ontwerp van de capaciteitsmarkering

1.   Draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's worden voorzien van een markering waarin de in bijlage III, deel A, vermelde informatie wordt opgenomen. De minimale grootte van de markering wordt aan de hand van het type batterij of accu bepaald, zoals gespecificeerd in bijlage IV, deel A.

2.   Alle autobatterijen en -accu's worden voorzien van een markering waarin de in bijlage III, deel B, vermelde informatie wordt opgenomen. De minimale grootte van de markering wordt aan de hand van het type batterij of accu bepaald, zoals gespecificeerd in bijlage IV, deel B.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

(2)   PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.


BIJLAGE I

Vrijstellingen van de voorschriften inzake capaciteitsmarkering

1)

Draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's die in apparaten zijn ingebouwd of zijn ontworpen om, voor de levering van die apparaten aan de eindgebruiker, te worden ingebouwd, en die overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2006/66/EG niet bedoeld zijn om te worden verwijderd, worden van het toepassingsgebied van deze verordening uitgesloten.

BIJLAGE II

Meting van de capaciteit van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's en autobatterijen en -accu's

Deel A:   Draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's

1)

De toegekende capaciteit van draagbare secundaire nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's wordt gemeten volgens de normen IEC/EN 61951-1 en IEC/EN 60622.

2)

De toegekende capaciteit van draagbare secundaire nikkel-metaalhydridebatterijen en -accu's wordt gemeten volgens de norm IEC/EN 61951-2.

3)

De toegekende capaciteit van draagbare secundaire lithiumbatterijen en -accu's wordt gemeten volgens de norm IEC/EN 61960.

4)

De toegekende capaciteit van draagbare secundaire lood-zwavelzuurbatterijen en -accu's wordt gemeten volgens de norm IEC/EN 61056-1.

Deel B:   Autobatterijen en -accu's

1)

De toegekende capaciteit en de prestaties bij koude start van autobatterijen en -accu's (lood-zwavelzuurstartbatterijen) worden gemeten volgens de norm IEC 60095-1/EN 50342-1.

BIJLAGE III

In de capaciteitsmarkering opgenomen informatie

Deel A:   Draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu’s

De capaciteitsmarkering van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu’s bevat de volgende informatie:

1)

Voor draagbare secundaire nikkel-cadmium- (NiCd), nikkel-metaalhydride- (Ni-MH) en lithiumbatterijen en -accu’s de toegekende capaciteit, zoals gespecificeerd in respectievelijk de normen IEC/EN 61951-1, IEC/EN 60622, IEC/EN 61951-2 en IEC/EN 61960:

a)

als geheel getal wanneer de capaciteit wordt uitgedrukt in „mAh”, met uitzondering van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's die bedoeld zijn voor gebruik in elektrisch gereedschap;

b)

als decimaal getal met één decimaal wanneer de capaciteit wordt uitgedrukt in „Ah” en als geheel getal wanneer de capaciteit wordt uitgedrukt in „mAh”, voor alle draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's die bedoeld zijn voor gebruik in elektrisch gereedschap;

c)

met de mate van nauwkeurigheid die wordt vereist in respectievelijk de normen IEC/EN 61951-1, IEC/EN 61951-2, IEC/EN 60622 en IEC/EN 61960.

2)

Voor draagbare secundaire lood-zwavelzuurbatterijen en -accu's de minimale waarde van de toegekende capaciteit binnen de steekproef, zoals gespecificeerd in de norm IEC/EN 61056-1:

a)

als decimaal getal met één decimaal wanneer de capaciteit wordt uitgedrukt in „Ah”, met uitzondering van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's die bedoeld zijn voor gebruik in elektrisch gereedschap, en

b)

met een nauwkeurigheid overeenkomstig norm IEC/EN 61056-1.

Deel B:   Autobatterijen en -accu's

De capaciteitsmarkering van autobatterijen en accu's bevat de volgende informatie:

1)

De toegekende capaciteit en de prestaties bij koude start zoals gespecificeerd in de norm IEC 60095-1/EN 50342-1.

2)

De waarde van de toegekende capaciteit en de startstroom, vermeld als een geheel getal met een nauwkeurigheid van ± 10 % van de nominale waarde.


BIJLAGE IV

Minimale grootte en plaats van de capaciteitsmarkering

Deel A:   Draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu’s

De capaciteitsmarkering van draagbare secundaire (oplaadbare) batterijen en accu's moet aan de volgende voorschriften voldoen:

1)

Voor individuele batterijen en accu’s, met uitzondering van knoopcellen en batterijen voor geheugenbackup:

a)

Op de batterijen en accu’s: de markering moet een minimale grootte hebben van 1,0 × 5,0 mm (H × L) (1);

b)

Op de verpakking (voorkant) van de batterijen en accu’s: de markering moet een minimale grootte hebben van 5,0 × 12,0 mm (H × L);

c)

De markering moet op de verpakking (voorkant) en op de batterijen en accu’s binnen de verpakking worden aangebracht;

d)

Voor batterijen en accu's die zonder verpakking worden verkocht, moet de markering op de batterijen en accu's zelf worden aangebracht.

2)

Voor batterijpakken:

a)

Voor batterijpakken waarvan de grootste zijde kleiner is dan 70 cm2, moet de markering een minimale grootte hebben van 1,0 × 5,0 mm (H × L);

b)

Voor batterijpakken waarvan de grootste zijde gelijk is of groter dan 70 cm2, moet de markering een minimale grootte hebben van 2,0 × 5,0 mm (H × L);

c)

De markering moet alleen op de externe behuizing van de geassembleerde cel(len) en niet op elke afzonderlijke cel binnen de behuizing worden aangebracht.

3)

Wanneer de grootte van de batterij, de accu of het batterijpak zodanig is dat een markering met de minimale grootte er niet op kan worden aangebracht, wordt de capaciteitsmarkering op de verpakking aangebracht met een minimale grootte van 5,0 × 12,0 mm (H × L). Indien in een dergelijk geval de batterij, de accu of het batterijpak niet met een eigen verpakking wordt geleverd, wordt de capaciteitsmarkering aangebracht op de verpakking van het apparaat, waarmee de batterij, de accu of het batterijpak wordt verkocht.

4)

Voor knoopcellen en batterijen voor geheugenbackup:

a)

Op de verpakking (voorkant): de markering moet een minimale grootte hebben van 5,0 × 12,0 mm (H × L);

b)

De markering moet op de voorkant van de verpakking worden aangebracht.

Deel B:   Autobatterijen en -accu’s

De capaciteitsmarkering van autobatterijen en -accu's moet aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

De markering bestrijkt ten minste 3 % van het oppervlak van de grootste zijde van de autobatterij of -accu tot een maximum van 20 × 150 mm (H × L).

b)

De markering wordt aangebracht op de batterij of accu zelf, op een van de zijden van de batterij of accu maar niet op de onderkant.


(1)  Hoogte (H); Lengte (L).


30.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 313/8


VERORDENING (EU) Nr. 1104/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 30 november 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

22,0

MA

80,8

MK

45,6

TR

68,6

ZZ

54,3

0707 00 05

EG

140,2

TR

87,2

ZZ

113,7

0709 90 70

MA

79,5

TR

147,8

ZZ

113,7

0805 20 10

MA

72,4

ZZ

72,4

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

HR

60,8

IL

71,5

MA

61,9

TR

49,8

UY

58,6

ZZ

60,5

0805 50 10

AR

57,1

MA

68,0

TR

60,0

UY

57,1

ZA

51,7

ZZ

58,8

0808 10 80

AR

74,9

AU

167,9

BR

50,3

CA

113,1

CL

84,2

CN

87,3

CO

50,3

MK

26,7

NZ

141,3

US

92,0

ZA

114,5

ZZ

91,1

0808 20 50

CL

78,3

CN

60,9

US

136,0

ZZ

91,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

30.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 313/10


RICHTLIJN 2010/82/EU VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2010

tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de uitbreiding van het gebruik van de werkzame stof tetraconazool

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 6, lid 1, tweede alinea, tweede streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2009/82/EG van de Raad (2) is tetraconazool als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG voor gebruik als fungicide.

(2)

De opneming van tetraconazool is echter beperkt tot toepassingen bij veldgewassen met beperkingen ten aanzien van de hoeveelheid en het tijdstip van de toepassing. Toepassingen op appelen en druiven worden volledig uitgesloten. Die beperkingen waren noodzakelijk omdat op het tijdstip van de opneming de voor de grondwaterbeoordeling vereiste informatie ontoereikend was, met name ten aanzien van het risico van de verontreiniging door twee metabolieten die door de kennisgever niet waren geïdentificeerd. Wat appelen en druiven betreft, was de voor de beoordeling van het risico voor de consumenten noodzakelijke informatie onvolledig.

(3)

De kennisgever, Isagro, heeft verzocht om een wijziging betreffende de opneming van tetraconazool met het oog op de uitbreiding van het gebruik als fungicide door de opheffing van die beperkingen. Hij heeft verdere wetenschappelijke gegevens ter ondersteuning van zijn verzoek ingediend.

(4)

Italië dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 (3) tot rapporterende lidstaat was aangewezen, heeft die gegevens beoordeeld en heeft op 10 februari 2010 een addendum bij het ontwerpevaluatieverslag over tetraconazool bij de Commissie ingediend, dat voor eventuele opmerkingen naar de andere lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is doorgestuurd. Het ontwerpevaluatieverslag is tezamen met dat addendum door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 28 oktober 2010 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie over tetraconazool.

(5)

Uit de door de kennisgever ingediende nieuwe gegevens en de door de rapporterende lidstaat uitgevoerde nieuwe beoordeling blijkt dat de gevraagde uitbreiding van het gebruik geen andere risico’s oplevert dan die waarmee reeds rekening is gehouden in de specifieke bepalingen voor tetraconazool in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG en in het evaluatieverslag van de Commissie voor die stof. Wat met name het risico van de grondwaterverontreiniging betreft, was de rapporterende lidstaat van mening dat de door de kennisgever ingediende nieuwe studie die metabolieten identificeert en dat er geen onaanvaardbare uitloging plaatsvindt. Wat het gebruik op appelen en druiven betreft, is geconcludeerd dat uit de residugegevens, zoals aangevuld met de nieuwe onder toezicht uitgevoerde proeven en veldproeven, blijkt dat er geen risico’s bestaan in verband met de acute en chronische inname door de consumenten.

(6)

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG is het daarom gerechtvaardigd om de specifieke bepalingen voor tetraconazool te wijzigen door het opheffen van de beperkingen op het gebruik daarvan als fungicide.

(7)

Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt in de kolom „Specifieke bepalingen” van de rij voor „tetraconazool” deel A vervangen door:

„DEEL A

Mag alleen worden toegestaan voor gebruik als fungicide.”.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 31 maart 2011 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 april 2011.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 november 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)   PB L 196 van 28.7.2009, blz. 10.

(3)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.


BESLUITEN

30.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 313/12


BESLUIT VAN DE RAAD

van 22 november 2010

tot benoeming van een Spaans lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2010/727/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,

Gezien de voordracht van de Spaanse regering,

Gezien het advies van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 13 september 2010 Besluit 2010/570/EU, Euratom vastgesteld tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 (1).

(2)

In het Europees Economisch en Sociaal Comité is een zetel van lid vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Ángel PANERO FLÓREZ,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer Alberto NADAL BELDA, Director Adjunto a la Secretaría General de la CEOE, wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de verdere duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 20 september 2015.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 22 november 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

S. VANACKERE


(1)   PB L 251 van 25.9.2010, blz. 8.


30.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 313/13


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2010

tot vaststelling van een vragenlijst voor de verslagen van de lidstaten over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees parlement en de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 8308)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/728/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (1), en met name artikel 17,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/1/EG is bepaald dat de verslagen over de uitvoering van deze richtlijn en de doeltreffendheid ervan in vergelijking met andere Unie-instrumenten voor milieubescherming volgens artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad moeten worden opgesteld (2).

(2)

In artikel 17, lid 1, van Richtlijn 2008/1/EG is bepaald dat de beschikbare representatieve gegevens over grenswaarden in het algemene verslag over de tenuitvoerlegging moeten worden opgenomen.

(3)

In Richtlijn 91/692/EEG is bepaald dat het verslag moet worden opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, door de Commissie opgesteld met hulp van het bij artikel 6 van de richtlijn ingestelde comité.

(4)

Het eerste verslag had betrekking op de periode 2000 tot en met 2002.

(5)

Het tweede verslag had betrekking op de periode 2003 tot en met 2005.

(6)

Het derde verslag had betrekking op de periode 2006 tot en met 2008.

(7)

Het vierde verslag heeft betrekking de periode 2009 tot en met 2011.

(8)

Gezien de ervaring die met de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/1/EG en met het gebruik van de voorgaande vragenlijsten is opgedaan, dient de vragenlijst voor het tijdvak 2009 tot en met 2011 te worden aangepast. Omwille van de duidelijkheid dient Beschikking 2006/194/EG van de Commissie (3) te worden vervangen.

(9)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het conform artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG uitgebrachte advies van het comité;

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De lidstaten gebruiken de in de bijlage opgenomen vragenlijst voor de verslagen over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/1/EG.

2.   De in te dienen verslagen bestrijken de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011.

Artikel 2

Beschikking 2006/194/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 november 2010.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)   PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(2)   PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48.

(3)   PB L 70 van 9.3.2006, blz. 65.


BIJLAGE

DEEL 1

VRAGENLIJST OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN RICHTLIJN 2008/1/EG INZAKE GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING (IPPC)

Algemene opmerkingen:

Deze vierde vragenlijst krachtens Richtlijn 2008/1/EG bestrijkt de periode 2009 tot en met 2011. Gezien de ervaring die met de tenuitvoerlegging van de richtlijn is opgedaan en de informatie die reeds door middel van de eerste drie vragenlijsten is verkregen, wordt met deze vragenlijst meer specifiek ingegaan op veranderingen en vorderingen van de lidstaten bij de effectieve tenuitvoerlegging van de richtlijn. Wat de omzetting van de richtlijn betreft, zal de Commissie al het nodige doen om een volledige en correcte omzetting van de richtlijn in het nationale recht te verzekeren, en zulks met name door een consequent gebruik van inbreukprocedures.

Om continuïteit te waarborgen en directe vergelijkingen met eerdere antwoorden mogelijk te maken, brengt deze vragenlijst geen wijzigingen aan in de meeste aspecten van Beschikking 2006/194/EG. Indien de situatie ongewijzigd is gebleven, kan bij de vragen die hetzelfde zijn als in een voorgaande vragenlijst worden volstaan met een verwijzing naar de antwoorden uit de betreffende vragenlijst. Eventuele nieuwe ontwikkelingen dienen in een nieuw antwoord te worden beschreven.

Gelieve bij de beantwoording van specifieke vragen betreffende dwingende algemene voorschriften of officiële richtsnoeren van overheidsinstanties, een korte beschrijving te geven van het soort voorschriften of richtsnoeren waarom het gaat, en de weblinks of andere middelen te vermelden waarmee ze kunnen worden geraadpleegd.

De Commissie wil gebruikmaken van het ReportNet-platform (of indien van toepassing de opvolger van dit platform) om op basis van deze vragenlijst een elektronisch rapportage-instrument beschikbaar te maken voor de lidstaten. De Commissie raadt dan ook sterk aan dit platform te gebruiken om aan deze rapportagevereiste te kunnen voldoen en zo de lasten te verminderen en de analyse van de antwoorden te stroomlijnen.

1.   Algemene beschrijving

1.1.

Zijn er sinds de laatste verslagperiode (2006-2008) significante wijzigingen aangebracht in de ter uitvoering van Richtlijn 2008/1/EG vastgestelde nationale of subnationale wetgeving en vergunningenstelsels? Zo ja, beschrijf deze wijzigingen en de hieraan ten grondslag liggende redenen, en vermeld om welke nieuwe wetgeving het gaat.

1.2.

Hebben de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/1/EG moeilijkheden ondervonden ten gevolge van een beperkte beschikbaarheid en capaciteit van het personeel? Zo ja, gelieve deze moeilijkheden te beschrijven samen met eventuele plannen om ze aan te pakken.

2.   Aantal installaties en vergunningen (artikel 2, leden 3 en 4, en artikel 4)

2.1.

Gelieve informatie te verstrekken over het aantal installaties als bedoeld in Richtlijn 2008/1/EG en het aantal vergunningen dat aan het einde van de verslagperiode per type activiteit is verleend. Maak hierbij gebruik van het model en de opmerkingen in deel 2.

2.2

Algemene gegevens van IPPC-installaties. Verstrek, indien beschikbaar, een link naar openbaar toegankelijke, up-to-date gegevens met de naam, locatie en hoofdactiviteit (bijlage I) van de IPPC-installaties in uw lidstaat. Indien dergelijke gegevens niet openbaar toegankelijk zijn, gelieve een lijst met alle afzonderlijke installaties in te dienen die aan het einde van de verslagperiode in bedrijf zijn (naam, locatie en IPPC-hoofdactiviteit). Is een dergelijke lijst niet beschikbaar, geef dan aan waarom dit het geval is.

3.   Vergunningsaanvragen (artikel 6)

3.1.

Beschrijf alle algemene dwingende voorschriften, richtsnoeren of aanvraagformulieren aan de hand waarvan in algemene zin of met betrekking tot bepaalde specifieke vraagstukken (bijv. methodiek voor de beoordeling van hoge emissies van installaties) moet worden verzekerd dat aanvragen alle bij artikel 6 vereiste informatie bevatten.

4.   Coördinatie van de vergunningsprocedure en voorwaarden (artikelen 7 en 8)

4.1.

Gelieve een beschrijving te geven van eventuele wijzigingen die sinds de laatste verslagperiode zijn aangebracht in de organisatiestructuur van de vergunningsprocedures, met name wat betreft het niveau van de bevoegde autoriteiten en de verdeling van bevoegdheden.

4.2.

Doen zich bepaalde problemen voor bij de in artikel 7 vereiste volledige coördinatie van de vergunningsprocedure en -voorwaarden, met name wanneer hierbij meer dan één bevoegde autoriteit betrokken is? Gelieve een beschrijving te geven van eventuele ter zake vastgestelde wetgeving of richtsnoeren.

4.3.

Welke wettelijke bepalingen, procedures of richtsnoeren worden gehanteerd om te verzekeren dat de bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning te verlenen in gevallen waarin een installatie niet aan de eisen van Richtlijn 2008/1/EG voldoet? Gelieve, waar mogelijk, informatie te verstrekken over het aantal vergunningen dat is geweigerd en de omstandigheden waaronder dit is gebeurd.

5.   Geschiktheid en adequaatheid van de vergunningsvoorwaarden (artikel 3, lid 1, onder d) en f), artikel 9 en artikel 17, leden 1 en 2)

5.1.

Beschrijf de algemene dwingende voorschriften of specifieke richtsnoeren voor bevoegde autoriteiten die zijn uitgevaardigd met betrekking tot:

1.

de procedures en criteria voor de vaststelling van emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden;

2.

de algemene beginselen voor de bepaling van beste beschikbare technieken;

3.

de tenuitvoerlegging van artikel 9, lid 4.

5.2.

Vraagstukken in verband met de krachtens artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2008/1/EG opgestelde BBT-referentiedocumenten (BREF’s):

1.

Hoe wordt, in algemene termen gesteld, bij de bepaling van de beste beschikbare technieken in het algemeen of in specifieke gevallen rekening gehouden met de door de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 2, gepubliceerde informatie?

2.

Hoe worden de BREF’s concreet gebruikt voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden?

3.

Worden de BREF’s (geheel of gedeeltelijk) vertaald?

4.

Hoe nuttig is de door de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 2, gepubliceerde informatie als bron van informatie voor het bepalen van de emissiegrenswaarden, equivalente parameters en technische maatregelen op basis van de beste beschikbare technieken? Hoe kan deze informatie worden verbeterd?

5.3.

Andere met de vergunningsvoorwaarden verband houdende vraagstukken:

1.

Is er bij de vaststelling van vergunningsvoorwaarden rekening gehouden met milieubeheersystemen? Zo ja, op welke manier?

2.

Welke typen vergunningsvoorwaarden of andere maatregelen zijn doorgaans uit hoofde van artikel 3, lid 1, onder f) (sanering van het terrein na definitieve stopzetting van de activiteiten) gehanteerd en hoe zijn deze in de praktijk gebracht?

3.

Welke typen vergunningsvoorwaarden betreffende energie-efficiëntie zijn doorgaans vastgesteld (artikel 3, lid 1, onder d))?

4.

Is er gebruikgemaakt van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 9, lid 3, geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen en zo ja, hoe is dit in de praktijk gebracht?

6.   Beschikbare representatieve gegevens (artikel 17, lid 1)

6.1.

Gelieve beschikbare representatieve gegevens te verschaffen over de grenswaarden per specifieke activiteitencategorie van bijlage I bij Richtlijn 2008/1/EG en, in voorkomend geval, de beste beschikbare technieken waarop die waarden zijn gebaseerd en de betreffende milieuprestaties.

De Commissie zal, met het oog op twee sectoren in het bijzonder, de nodige richtsnoeren voor de beantwoording van deze vraag voorstellen. De verstrekte gegevens zullen worden geëvalueerd om, voor zover mogelijk, de vastgestelde grenswaarden, de gerealiseerde milieuprestaties en (indien beschikbaar) de BBT-gerelateerde emissieniveaus in de BREF’s te kunnen vergelijken.

7.   Algemene dwingende voorschriften (artikel 9, lid 8)

7.1.

Voor welke categorieën installaties en (in voorkomend geval) voor welke verplichtingen zijn algemene dwingende voorschriften vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 8? Gelieve naar deze algemene dwingende voorschriften te verwijzen. Welke vorm nemen deze voorschriften aan (bijv. door wie worden ze vastgesteld en welke juridische status hebben ze)? Wordt er bij de toepassing van dergelijke voorschriften nog steeds op toegezien dat met (de in artikel 9, lid 4, genoemde) plaatselijke factoren rekening wordt gehouden?

7.2.

Hoeveel installaties (als absoluut aantal of in percentages uitgedrukt) waren, voor zover bekend, tegen het einde van de verslagperiode aan deze voorschriften onderworpen?

8.   Milieukwaliteitsnormen (artikel 10)

8.1.

Zijn er gevallen geweest waarin artikel 10 van toepassing was en het gebruik van de beste beschikbare technieken ontoereikend was om te voldoen aan een milieukwaliteitsnorm (als gedefinieerd in artikel 2, punt 7)? Zo ja, gelieve voorbeelden te geven van dergelijke gevallen en van de getroffen aanvullende maatregelen.

9.   Wijzigingen in installaties (artikel 12 en artikel 2, lid 10)

9.1.

Hoe beslissen de bevoegde autoriteiten in de praktijk, overeenkomstig artikel 12, of een „wijziging in de exploitatie” gevolgen kan hebben voor het milieu (artikel 2, punt 10), en of een dergelijke wijziging een „belangrijke wijziging” is die grote negatieve gevolgen kan hebben voor de mens of het milieu (artikel 2, punt 11)? Gelieve verwijzingen op te nemen naar relevante wettelijke bepalingen, richtsnoeren of procedures.

10.   Toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden (artikel 13)

10.1.

Wordt in de nationale of subnationale wetgeving of langs andere weg — bijvoorbeeld door beperking van de geldigheidsduur van vergunningen — bepaald hoe vaak de vergunningsvoorwaarden moeten worden getoetst en, waar nodig, bijgewerkt (artikel 13)? Zo ja, om welke andere weg gaat het dan? Gelieve verwijzingen op te nemen naar de desbetreffende wetgeving, richtsnoeren of procedures.

10.2.

Wat is de representatieve frequentie voor de toetsing van de vergunningsvoorwaarden? In geval van verschillen tussen installaties of sectoren, wordt u verzocht deze aan de hand van de beschikbare informatie te illustreren.

10.3.

Waaruit bestaat deze procedure van toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden? Hoe wordt de bepaling om de vergunningsvoorwaarden in geval van belangrijke wijzigingen in de beste beschikbare technische middelen te herevalueren, uitgevoerd? Gelieve verwijzingen op te nemen naar de desbetreffende wetgeving, richtsnoeren of procedures.

11.   Naleving van de vergunningsvoorwaarden (artikel 14)

11.1.

Hoe wordt het bepaalde in artikel 14 — dat exploitanten de bevoegde autoriteiten geregeld op de hoogte stellen van de resultaten van hun controles op de lozingen — in de praktijk ten uitvoer gebracht? Gelieve verwijzingen op te nemen naar de desbetreffende specifieke regelingen, procedures of richtsnoeren voor de bevoegde autoriteiten.

11.2.

Dienen alle exploitanten periodiek verslagen in over hun controleactiviteiten? Gelieve de nodige informatie te verstrekken over de representatieve frequentie waarmee dergelijke informatie aan de bevoegde autoriteiten wordt voorgelegd. In geval van verschillen tussen sectoren, gelieve eventueel beschikbare illustratieve informatie te verstrekken.

11.3.

Voor zover dit niet reeds is gebeurd bij de verslagen in het kader van de aanbeveling voor de vaststelling van minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten, wordt u verzocht met betrekking tot installaties die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2008/1/EG vallen, representatieve informatie te verschaffen over:

1.

de hoofdonderdelen waaruit een milieu-inspectie door bevoegde autoriteiten kan bestaan (beschrijving);

2.

het totale aantal terreinbezoeken door bevoegde autoriteiten gedurende de verslagperiode (aantal);

3.

het totale aantal installaties waarbij zulke bezoeken gedurende de verslagperiode plaatsvonden (aantal);

4.

het totale aantal terreinbezoeken waarbij emissiemetingen en/of de bemonstering van afvalstoffen door of namens de bevoegde autoriteiten tijdens de verslagperiode plaatsvonden (aantal);

5.

typen maatregelen (bijv. sancties of andere maatregelen) die zijn getroffen naar aanleiding van ongelukken, incidenten en niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden tijdens de verslagperiode (beschrijving).

12.   Informatie en deelneming van het publiek (artikelen 15 en 16)

12.1.

Welke belangrijke wijzigingen zijn sinds de laatste verslagperiode in de omzettingswetgeving aangebracht ter bevordering van de toegang tot informatie en de inspraak van het publiek in de vergunningsprocedure, als vereist bij Richtlijn 2008/1/EG (artikelen 15 en 16)? Welk effect hebben deze wijzigingen gehad op de bevoegde autoriteiten, de aanvragers van vergunningen en het publiek?

13.   Grensoverschrijdende samenwerking (artikel 18)

13.1.

Zijn er tijdens de verslagperiode gevallen geweest waarin de bepalingen van artikel 18 inzake grensoverschrijdende informatie en samenwerking zijn toegepast? Gelieve te illustreren met voorbeelden van de gebruikte algemene procedures.

14.   Doeltreffendheid van de richtlijn

14.1.

Hoe doeltreffend achten de lidstaten Richtlijn 2008/1/EG in het algemeen, onder andere in vergelijking met overige milieu-instrumenten van de EU? Wat zijn, uitgaande van relevante studies en analysen, de geschatte kosten en baten voor het milieu (met inbegrip van administratieve kosten en nalevingskosten) van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/1/EG? Gelieve aan te geven om welke studies en analysen het gaat.

15.   Algemene opmerkingen

15.1.

Doen zich in uw lidstaat bepaalde problemen voor met de uitvoering van de richtlijn die aanleiding geven tot bezorgdheid? Zo ja, gelieve bijzonderheden te verschaffen.

DEEL 2

MODELFORMULIER VOOR DE BEANTWOORDING VAN VRAAG 2.1

TYPE INSTALLATIE

A.

INSTALLATIES

B.

BELANGRIJKE WIJZIGINGEN

C.

TOETSING EN BIJSTELLING VAN DE VERGUNNING

Code

Hoofdactiviteit van de installatie zoals vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 2008/1/EG

1.

Aantal installaties

2.

Aantal installaties waarvoor een vergunning is afgegeven die volledig in overeenstemming is met de IPPC-richtlijn

3.

Aantal belangrijke wijzigingen die zonder vergunning zijn doorgevoerd tijdens de verslagperiode overeenkomstig artikel 12, lid 2

4.

Aantal installaties waar voor de IPPC-vergunning tijdens de verslagperiode is getoetst overeenkomstig artikel 13

5.

Aantal installaties waarvoor de IPPC-vergunning tijdens de verslagperiode is herzien overeenkomstig artikel 13

1.

Energie

 

 

 

 

 

1.1.

Stookinstallaties

 

 

 

 

 

1.2.

Aardolie- en gasraffinaderijen

 

 

 

 

 

1.3.

Cokesfabrieken

 

 

 

 

 

1.4.

Vergassen en vloeibaar maken van steenkool

 

 

 

 

 

2.

Metalen

 

 

 

 

 

2.1.

Roosten of sinteren van metaalerts

 

 

 

 

 

2.2.

Productie van ruw ijzer en staal

 

 

 

 

 

2.3 (a)

Warmwalsen

 

 

 

 

 

2.3 (b)

Smeden

 

 

 

 

 

2.3 (c)

Aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal

 

 

 

 

 

2.4.

Gieterijen

 

 

 

 

 

2.5 (a)

Winning van ruwe non-ferrometalen

 

 

 

 

 

2.5 (b)

Smelten van non-ferrometalen

 

 

 

 

 

2.6.

Oppervlaktebehandeling van metalen en plastic

 

 

 

 

 

3.

Mineralen

 

 

 

 

 

3.1.

Productie van cement of kalk

 

 

 

 

 

3.2.

Productie van asbest

 

 

 

 

 

3.3.

Fabricage van glas

 

 

 

 

 

3.4.

Smelten van minerale stoffen

 

 

 

 

 

3.5.

Fabricage van keramische producten

 

 

 

 

 

4.

Chemicaliën

 

 

 

 

 

4.1.

Fabricage van organische stoffen

 

 

 

 

 

4.2.

Fabricage van anorganische stoffen

 

 

 

 

 

4.3.

Productie van meststoffen

 

 

 

 

 

4.4.

Fabricage van producten voor gewasbescherming of biociden

 

 

 

 

 

4.5.

Fabricage van farmaceutische producten

 

 

 

 

 

4.6.

Fabricage van explosieven

 

 

 

 

 

5.

Afvalbeheer

 

 

 

 

 

5.1.

Verwijdering of terugwinning van gevaarlijke afvalstoffen

 

 

 

 

 

5.2.

Verbranding van stedelijk afval

 

 

 

 

 

5.3.

Verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen

 

 

 

 

 

5.4.

Stortplaatsen

 

 

 

 

 

6.

Overige activiteiten

 

 

 

 

 

6.1 (a)

Fabricage van papierpulp

 

 

 

 

 

6.1 (b)

Fabricage van papier en karton

 

 

 

 

 

6.2.

Voorbehandeling of verven van vezels of textiel

 

 

 

 

 

6.3.

Looien van huiden

 

 

 

 

 

6.4 (a)

Abattoirs

 

 

 

 

 

6.4 (b)

Bewerking en verwerking van levensmiddelen

 

 

 

 

 

6.4 (c)

Bewerking en verwerking van melk

 

 

 

 

 

6.5.

Destructie of verwerking van kadavers

 

 

 

 

 

6.6 (a)

Intensieve pluimveehouderij

 

 

 

 

 

6.6 (b)

Intensief fokken van mestvarkens

 

 

 

 

 

6.6 (c)

Intensief fokken van zeugen

 

 

 

 

 

6.7.

Oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen

 

 

 

 

 

6.8.

Fabricage van koolstof of elektrografiet

 

 

 

 

 

6.9.

Opslag van CO2-stromen (Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en van de Raad)

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

Toelichting bij het model:

De cijfers moeten, tenzij anders aangegeven, de situatie weergeven zoals die aan het einde van de verslagperiode (31 december 2011) is.

De gegevensverzameling in dit model is gebaseerd op het „aantal installaties” en het „aantal belangrijke wijzigingen” met gebruik van de operationele definities van „installatie” in artikel 2, punt 3, en van „belangrijke wijziging” in artikel 2, punt 11, van Richtlijn 2008/1/EG.

Het „type installatie” verwijst naar de hoofdactiviteit die wordt uitgevoerd in de installatie. Installaties dienen slechts onder één enkele activiteit te worden opgenomen, ook wanneer meerdere IPPC-activiteiten worden uitgevoerd in de installatie.

Verdere aanwijzingen en uitleg met betrekking tot de in de tabel te verstrekken gegevens vindt u in de opmerkingen hieronder. De lidstaten wordt verzocht de tabel zo volledig mogelijk in te vullen.

A.   AANTAL INSTALLATIES

1.

Aantal IPPC-installaties: het totale aantal installaties (zowel bestaand als nieuw) die aan het einde van de verslagperiode in bedrijf zijn in de lidstaten, ongeacht de status van hun vergunning.

2.

Aantal installaties waarvoor een vergunning is afgegeven die volledig in overeenstemming is met de richtlijn: het totale aantal IPPC-installaties waarvoor één of meer vergunningen zijn afgegeven in overeenstemming met de IPPC-richtlijn (inclusief IPPC-vergunningen die zijn herzien/aangepast), ongeacht wanneer de vergunning(en) is/zijn afgegeven en of de vergunning om de een of andere reden is herzien, bijgewerkt, gewijzigd of verlengd.

De lidstaten dienen voor het tellen van het op te geven aantal installaties rekening te houden met de status van de vergunning(en) die voor elke installatie zijn afgegeven aan het einde van de verslagperiode. De aantallen hebben betrekking op installaties, niet op vergunningen (rekening houdend met het feit dat meerdere vergunningen kunnen zijn afgegeven voor een installatie en vice versa).

Consistentieregel: 1 min 2 dient gelijk te zijn aan het aantal installaties waarvoor om de een of andere reden geen volledig overeenstemmende IPPC-vergunning is afgegeven (procedure niet voltooid, geen volledige dekking voor alle activiteiten, enz.) Indien dit cijfer niet nul is, dan is er mogelijk sprake van een inbreuk op de IPPC-bepalingen.

B.   BELANGRIJKE WIJZIGINGEN

3.

Aantal belangrijke wijzigingen die tijdens de verslagperiode overeenkomstig artikel 12, lid 2, zonder vergunning zijn doorgevoerd: het aantal — bij de bevoegde autoriteiten bekende — belangrijke wijzigingen die daadwerkelijk door de actoren werden uitgevoerd zonder een vergunning zoals vereist onder artikel 12, lid 2.

Indien dit cijfer niet nul is, dan is er mogelijk sprake van een inbreuk op de IPPC-bepalingen.

C.   TOETSING EN BIJWERKING VAN DE VERGUNNING

4.

Aantal installaties waarvoor de IPPC-vergunning tijdens de verslagperiode overeenkomstig artikel 13 is herzien: het totale aantal installaties waarvoor een of meer vergunningen zijn afgegeven die overeenkomstig artikel 13 zijn herzien.

5.

Aantal installaties waarvoor de IPPC-vergunning tijdens de verslagperiode overeenkomstig artikel 13 is bijgewerkt: het totale aantal installaties waarvoor een of meer vergunningen zijn afgegeven die overeenkomstig artikel 13 zijn bijgewerkt.