ISSN 1725-2598

doi:10.3000/17252598.L_2010.259.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 259

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

53e jaargang
1 oktober 2010


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EU) nr. 866/2010 van de Commissie van 30 september 2010 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EU) nr. 867/2010 van de Commissie van 30 september 2010 tot vaststelling van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/2011

3

 

 

Verordening (EU) nr. 868/2010 van de Commissie van 30 september 2010 tot vaststelling, voor de sector suiker, van de vanaf 1 oktober 2010 geldende representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor melasse

5

 

 

Verordening (EU) nr. 869/2010 van de Commissie van 30 september 2010 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 oktober 2010

7

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2010/585/GBVB van de Raad van 27 september 2010 betreffende steun voor activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

10

 

 

2010/586/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 30 september 2010 waarbij vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor goederen die zijn bestemd om gratis te worden verstrekt aan of ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van de overstromingen van mei 2010 in Polen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 6624)

19

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

1.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 259/1


VERORDENING (EU) Nr. 866/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 september 2010

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

84,4

MK

53,8

TR

50,2

ZZ

62,8

0707 00 05

TR

125,2

ZZ

125,2

0709 90 70

TR

121,3

ZZ

121,3

0805 50 10

AR

116,0

CL

126,4

EG

66,3

IL

116,3

MA

157,0

TR

106,3

UY

128,7

ZA

101,6

ZZ

114,8

0806 10 10

TR

117,7

ZA

56,9

ZZ

87,3

0808 10 80

AR

56,1

AU

217,4

BR

48,8

CL

118,5

CN

82,6

NZ

105,6

US

85,4

ZA

83,1

ZZ

99,7

0808 20 50

CN

83,7

ZA

88,6

ZZ

86,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


1.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 259/3


VERORDENING (EU) Nr. 867/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 september 2010

tot vaststelling van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker voor het verkoopseizoen 2010/2011

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1), en met name artikel 143 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2) is bepaald dat de cif-prijzen bij invoer van witte suiker en ruwe suiker als „representatieve prijzen” worden beschouwd. Deze prijzen gelden voor de standaardkwaliteit zoals gedefinieerd in bijlage IV, respectievelijk punt II en punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)

Bij de vaststelling van deze representatieve prijzen moet rekening worden gehouden met alle in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 951/2006 genoemde gegevens, behalve in de in artikel 24 van die verordening genoemde gevallen.

(3)

Voor de aanpassing van prijzen die geen betrekking hebben op de standaardkwaliteit, dienen voor witte suiker de overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 951/2006 vastgestelde toeslagen of kortingen op de in aanmerking genomen aanbiedingen te worden toegepast. Voor ruwe suiker moeten de aanpassingscoëfficiënten worden toegepast zoals omschreven onder b) van dat lid.

(4)

Indien er een verschil is tussen de reactieprijs voor het betrokken product en de representatieve prijs, moeten aanvullende invoerrechten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 39 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(5)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de betrokken producten moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.


BIJLAGE

Representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 99 die gelden met ingang van 1 oktober 2010

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 11 10  (1)

55,47

0,00

1701 11 90  (1)

55,47

0,00

1701 12 10  (1)

55,47

0,00

1701 12 90  (1)

55,47

0,00

1701 91 00  (2)

46,85

3,41

1701 99 10  (2)

46,85

0,28

1701 99 90  (2)

46,85

0,28

1702 90 95  (3)

0,47

0,23


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


1.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 259/5


VERORDENING (EU) Nr. 868/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 september 2010

tot vaststelling, voor de sector suiker, van de vanaf 1 oktober 2010 geldende representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor melasse

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europse Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1), en met name artikel 143 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2) is bepaald dat de cif-prijs bij invoer van melasse als „representatieve prijs” wordt beschouwd. Deze prijs geldt voor de standaardkwaliteit als omschreven in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(2)

Bij de vaststelling van de representatieve prijzen moet rekening worden gehouden met alle in artikel 29 van Verordening (EG) nr. 951/2006 genoemde gegevens, behalve in de in artikel 30 van die verordening genoemde gevallen, en deze prijzen mogen, in voorkomend geval, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(3)

Voor de aanpassing van prijzen die geen betrekking hebben op de standaardkwaliteit, dienen de prijzen naargelang de kwaliteit van de aangeboden melasse te worden verhoogd of verlaagd overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(4)

Indien er een verschil is tussen de reactieprijs voor het betrokken product en de representatieve prijs, moeten aanvullende invoerrechten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 39 van Verordening (EG) nr. 951/2006. Bij schorsing van de invoerrechten op grond van artikel 40 van Verordening (EG) nr. 951/2006 moeten specifieke bedragen voor deze rechten worden vastgesteld.

(5)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de betrokken producten moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de in artikel 34 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.


BIJLAGE

De voor de sector suiker vanaf 1 oktober 2010 geldende representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor melasse

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

Naar aanleiding van de in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde schorsing toe te passen recht per 100 kg netto van het betrokken product (1)

1703 10 00  (2)

13,60

—

0

1703 90 00  (2)

10,92

—

0


(1)  Dit bedrag komt overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EG) nr. 951/2006 in de plaats van het voor die producten vastgestelde bedrag van het gemeenschappelijke douanetarief.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 951/2006.


1.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 259/7


VERORDENING (EU) Nr. 869/2010 VAN DE COMMISSIE

van 30 september 2010

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 oktober 2010

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),

Gelet op Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie van 20 juli 2010 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00 , 1001 90 91 , ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 , ex 1005 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, en ex 1007 met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00 , 1001 90 91 , ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00 , 1005 10 90 , 1005 90 00 en 1007 00 90 , de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 5 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 1 oktober 2010, die van toepassing zullen zijn totdat een nieuwe vaststelling in werking treedt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 1 oktober 2010, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 september 2010.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 187 van 21.7.2010, blz. 5.


BIJLAGE I

Vanaf 1 oktober 2010 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 10 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

1001 90 91

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 90 99

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 00 00

ROGGE

2,46

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

0,00

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

0,00

1007 00 90

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

2,46


(1)  Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Unie worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) nr. 642/2010 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:

—

3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee of de Zwarte Zee ligt,

—

2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

16.9.2010-29.9.2010

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Gerst

Beurs

Minnéapolis

Chicago

—

—

—

—

Notering

221,79

150,02

—

—

—

—

Fob-prijs VSA

—

—

182,97

172,97

152,97

102,82

Golfpremie

—

15,90

—

—

—

—

Grote-Merenpremie

13,18

—

—

—

—

—

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico–Rotterdam:

22,65  EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren–Rotterdam:

51,75  EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(2)  Korting van 10 EUR/t (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(3)  Korting van 30 EUR/t (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).


BESLUITEN

1.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 259/10


BESLUIT 2010/585/GBVB VAN DE RAAD

van 27 september 2010

betreffende steun voor activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 31, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens („de strategie”) vastgesteld, met in hoofdstuk III een lijst van maatregelen ter zake, die zowel in de Unie als in derde landen moeten worden getroffen.

(2)

De Unie geeft momenteel actief uitvoering aan deze strategie en aan de in hoofdstuk III genoemde maatregelen, met name via de financiële ondersteuning van specifieke projecten die uitgevoerd worden door multilaterale instellingen zoals het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA).

(3)

De Raad heeft op 17 november 2003 Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB vastgesteld betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor (1). Dat gemeenschappelijk standpunt roept er onder meer toe op te streven naar de sluiting van IAEA integrale waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen, en voorziet erin dat de Unie ernaar zal streven dat de aanvullende protocollen en de integrale waarborgovereenkomsten de norm worden voor het IAEA-verificatiesysteem.

(4)

De Raad heeft op 17 mei 2004 Gemeenschappelijk Optreden 2004/495/GBVB vastgesteld ter ondersteuning van het nucleair veiligheidsfonds van het IAEA en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (2).

(5)

De Raad heeft op 18 juli 2005 Gemeenschappelijk Optreden 2005/574/GBVB ter ondersteuning van de activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens vastgesteld (3).

(6)

De Raad heeft op 12 juni 2006 Gemeenschappelijk Optreden 2006/418/GBVB ter ondersteuning van de activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens vastgesteld (4).

(7)

De Raad heeft op 14 april 2008 Gemeenschappelijk Optreden 2008/314/GBVB ter ondersteuning van de activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen (5).

(8)

Het aanscherpen van de controle op hoogactieve radioactieve bronnen overeenkomstig de verklaring en het actieplan van de G-8 betreffende de beveiliging van radioactieve bronnen, aangenomen tijdens de top van Evian van 2003, blijft voor de Unie dus een belangrijke doelstelling, die wordt nagestreefd door uitbreiding naar derde landen.

(9)

In juli 2005 zijn de staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (CPPNM — Convention on the Physical Protection of Nuclear Material) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie bij consensus overeengekomen het CPPNM te wijzigen teneinde de werkingssfeer ervan te verruimen tot kernmateriaal en nucleaire inrichtingen tijdens het gebruik, de opslag en het vervoer voor vreedzame doeleinden op het nationale grondgebied, en de staten die partij zijn bij het verdrag ertoe te verplichten strafrechtelijke sancties in te stellen op schendingen.

(10)

In september 2005 is het Internationaal Verdrag ter bestrijding van daden van nucleair terrorisme ter ondertekening opengesteld. Na de inwerkingtreding zijn de staten die partij zijn bij dit verdrag, ertoe verplicht wetgeving aan te nemen die dergelijke feiten strafbaar stelt.

(11)

De in de overwegingen 3 tot en met 10 genoemde doelstellingen zijn dezelfde als die welke het IAEA nastreeft. Dat gebeurt via de uitvoering van zijn nucleair beveiligingsplan, dat volledig gefinancierd wordt uit vrijwillige bijdragen aan het fonds voor nucleaire beveiliging van het IAEA.

(12)

De Unie heeft op 12 en 13 april 2010 deelgenomen aan de door de president van de Verenigde Staten van Amerika georganiseerde Top over nucleaire beveiliging en heeft toegezegd nog meer te zullen doen om de nucleaire beveiliging te verbeteren en derde landen in dit opzicht te helpen.

(13)

Om het hoofd te kunnen bieden aan de specifieke uitdagingen op het gebied van nucleaire beveiliging en non-proliferatie in Aziatische landen, die met name voortvloeien uit het groeiend aantal nucleaire toepassingen in de regio, onder andere op het gebied van geneeskunde, landbouw en water, alsmede nucleair onderzoek, dient dit besluit met name ter ondersteuning van activiteiten van het IAEA in Zuidoost-Azie. Hierbij moet rekening worden gehouden met de steeds grotere rol van Azië als partner van de Unie op het gebied van beveiliging. Bijzondere nadruk moet worden gelegd op de verhoging van de nucleaire veiligheid en beveiliging bij niet-energetische nucleaire toepassingen in de in aanmerking komende landen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Om onverwijld praktische uitvoering te geven aan sommige elementen van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens („de Strategie”) steunt de Unie de activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie, ter bevordering van de volgende doelstellingen:

a)

vooruitgang boeken wat betreft de wereldwijde toepassing van internationale instrumenten voor non-proliferatie en nucleaire beveiliging, inclusief integrale waarborgovereenkomsten en het aanvullend protocol;

b)

beter beschermen van proliferatiegevoelige goederen en apparatuur en van de desbetreffende technologie, bijstand verlenen met betrekking tot wet- en regelgeving op het gebied van nucleaire beveiliging en waarborgen;

c)

verbeteren van de opsporing en bestrijding van illegale handel in kernmateriaal en andere radioactieve stoffen.

2.   IAEA-projecten sluiten aan bij de maatregelen van de Strategie wanneer zij gericht zijn op:

a)

het versterken van de nationale wet- en regelgevingskader voor de uitvoering van toepasselijke internationale instrumenten op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie, inclusief integrale waarborgovereenkomsten en het aanvullend protocol;

b)

het bijstaan van staten bij de verbetering van de beveiliging van en de controle op kernmateriaal en andere radioactieve stoffen;

c)

het versterken van het vermogen van staten om illegale handel in kernmateriaal en andere radioactieve stoffen op te sporen en te bestrijden.

Die projecten worden uitgevoerd in landen die op die gebieden bijstand behoeven na een initiële beoordeling door een groep deskundigen.

In de bijlage worden bovenbedoelde projecten nader omschreven.

Artikel 2

1.   De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid („de HV”) draagt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dit besluit.

2.   De in artikel 1, lid 2, genoemde projecten worden uitgevoerd door het IAEA als uitvoeringsorgaan. Het voert zijn taak uit onder toezicht van de HV. Daartoe treft de HV de nodige regelingen met het IAEA.

Artikel 3

1.   Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, genoemde projecten bedraagt 9 966 000 EUR, te financieren uit de algemene begroting van de Unie.

2.   Voor het beheer van de uitgaven die met het in lid 1 bedoelde bedrag worden gefinancierd, gelden de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.

3.   De Commissie ziet toe op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven, die onder de vorm van een subsidie worden verstrekt. Hiertoe sluit zij een financieringsovereenkomst met het IAEA. In de financieringsovereenkomst wordt bepaald dat het IAEA er zorg voor moet dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

4.   De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden dienaangaande en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

Artikel 4

De HV brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van de geregelde verslagen die worden opgesteld door het IAEA. Deze verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad. De Commissie brengt verslag uit over de financiële aspecten van de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het vervalt 24 maanden na de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst tussen de Commissie en het IAEA of 12 maanden na de datum van vaststelling indien voor die datum geen financieringsovereenkomst is gesloten.

Gedaan te Brussel, 27 september 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

K. PEETERS


(1)   PB L 302 van 20.11.2003, blz. 34.

(2)   PB L 182 van 19.5.2004, blz. 46.

(3)   PB L 193 van 23.7.2005, blz. 44.

(4)   PB L 165 van 17.6.2006, blz. 20.

(5)   PB L 107 van 17.4.2008, blz. 62.


BIJLAGE

Steun van de Europese Unie voor activiteiten van het IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

1.   Inleiding

Het aantal terroristische incidenten in de lidstaten van de Unie en elders heeft in de afgelopen jaren geen afname te zien gegeven. De internationale gemeenschap heeft in verscheidene fora erkend dat het risico op succesvolle daden van nucleair terrorisme waarbij kernmateriaal of andere radioactieve stoffen worden gebruikt, groot blijft. Voorts hebben recente meldingen van illegale handel, met inbegrip van die welke bijzonder gevoelig kernmateriaal betroffen, het aanhoudende risico dat terroristen op dergelijke materialen de hand zouden kunnen leggen, onderstreept.

De internationale gemeenschap heeft daadkrachtig op deze dreigingen gereageerd en een aantal initiatieven genomen die moeten voorkomen dat kernmateriaal en andere radioactieve stoffen in handen vallen van terroristen.

Verificatie door het IAEA blijft een onmisbaar instrument om tussen staten vertrouwen te scheppen met betrekking tot verbintenissen op het gebied van nucleaire non-proliferatie en om het vreedzame gebruik van kernmateriaal te bevorderen.

Recente internationale ontwikkelingen hebben geleid tot een nieuwe reeks van sterkere internationale juridische instrumenten die van belang zijn voor nucleaire beveiliging en verificatie:

—

in juli 2005 hebben de staten die partij zijn, de wijziging van het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal aangenomen;

—

in september 2005 is het Verdrag inzake nucleair terrorisme ter ondertekening opengesteld.

—

in april 2004 heeft de VN-veiligheidsraad Resolutie 1540(2004) met betrekking tot massavernietigingswapens en niet-overheidsactoren aangenomen;

—

in Resolutie 1373(2001) van de VN-veiligheidsraad worden alle staten opgeroepen zo spoedig mogelijk partij te worden bij de verschillende internationale verdragen en protocollen inzake terrorisme.

Meer dan 95 staten hebben officieel toegezegd de gedragscode voor de veiligheid en beveiliging van radioactieve bronnen te zullen toepassen (1). Voorts hebben de Algemene Conferentie en de Raad van beheer van het IAEA een aantal resoluties en besluiten aangenomen om het waarborgenstelsel van de organisatie te versterken (2).

De uitvoering van deze internationale instrumenten door de staten kan ten dele aanmerkelijk worden vergemakkelijkt door bijstand in het kader van de nucleaire beveiligingsplannen van het IAEA voor 2003-2005 en 2006-2009. In september 2009 is het nucleaire beveiligingsplan van het IAEA voor 2010-2013 aangenomen, dat nauw aansluit bij de vorige plannen. Met dit plan wordt beoogd, steun te verlenen aan de actie die wereldwijd wordt ondernomen om bij het gebruik, de opslag en/of het vervoer van kernmateriaal en radioactieve stoffen, alsook in aanverwante installaties een wereldwijde, doeltreffende beveiliging te garanderen; hiertoe worden staten die hierom verzoeken, geholpen in hun streven om een doeltreffend niveau van nucleaire beveiliging tot stand te brengen en te handhaven door middel van steun aan capaciteitsopbouw, begeleiding, ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, duurzaamheid en risicoreductie. Voorts wordt ook een ondersteunende rol beoogd wat betreft de toetreding tot en de uitvoering van internationale rechtsinstrumenten betreffende nucleaire beveiliging, en wordt gestreefd naar meer internationale samenwerking en een betere coördinatie van de steun die wordt verleend in het kader van bilaterale programma’s en andere internationale initiatieven, volgens een formule waarmee tevens het veilige en vreedzame gebruik van kernenergie en van toepassingen met radioactieve stoffen wordt vergemakkelijkt.

De nucleaire beveiligingsplannen van het IAEA heeft doelstellingen die vergelijkbaar zijn met die van een aantal onderdelen van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens. Deze voorzien in een alomvattende aanpak van nucleaire beveiliging, inclusief controle op naleving van de regelgeving, verantwoording en beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen tijdens gebruik, opslag en vervoer „van de wieg tot het graf” zowel op korte als op lange termijn. Ingeval de beveiliging evenwel faalt, moeten er noodmaatregelen worden getroffen om diefstal of pogingen het materiaal over internationale grenzen te smokkelen op te merken en in te grijpen bij eventuele kwaadwillige handelingen in verband met kernmateriaal en andere radioactieve stoffen.

Het IAEA heeft met succes uitvoering gegeven aan Gemeenschappelijk Optreden 2004/495/GBVB en 2005/574/GBVB. Voorts legt het IAEA thans de laatste hand aan de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2006/418/GBVB en wordt gewerkt aan de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2008/314/GBVB.

Gesteund door de bijdragen van de Unie op dit gebied heeft het IAEA operaties voorgesteld en uitgevoerd om de inspanningen van de begunstigde staten in de Kaukasus, Centraal-Azië, Zuidoost-Europa, het Middellandse Zeegebied in het Midden-Oosten, Afrika en Zuidoost-Azië te ondersteunen, teneinde de nucleaire beveiliging en de uitvoering van de internationale waarborgstelsels in deze landen te verbeteren.

2.   Beschrijving van de projecten

Alle staten zijn verantwoordelijk voor het instellen van geschikte systemen om eventuele kwaadwillige handelingen in verband met kernmateriaal en andere radioactieve stoffen te voorkomen, op te sporen en te bestrijden. Het uitblijven van dergelijke maatregelen zou een zwakke plek doen ontstaan in het mondiale stelsel van nucleaire beveiliging.

Een doeltreffende nucleairebeveiligingsinfrastructuur vergt een multidisciplinaire aanpak met de volgende componenten:

—

een wet- en regelgevingskader, met duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden voor de verschillende organisaties en actoren;

—

de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen;

—

het instellen van procedures en coördinatiefuncties, en

—

technische steun voor nationale infrastructuur, met als uitgangspunt dat een regeling voor de nucleaire beveiliging van nucleaire installaties/locaties verschilt van de regeling die buiten die installaties/locaties van toepassing is om de samenleving te beschermen tegen voorvallen in verband met nucleaire beveiliging waarbij radioactieve stoffen zijn betrokken.

Het beheer van activiteiten waarbij kernmateriaal en radioactieve stoffen worden gebruikt, moet plaatsvinden in het kader van een duurzame nucleairebeveiligingscultuur, waarin nucleaire beveiliging een faciliterende factor wordt in het ruimere gebruik van kernenergie en waarin de synergie tussen veiligheid, beveiliging en waarborgen, en in het bijzonder de beginselen van duurzaamheid en efficiëntie, worden onderkend.

Het besluit van de Raad wordt uitgevoerd op de vijf onderstaande gebieden:

1.

duurzaamheid en efficiëntie van de steun die in het kader van eerdere gemeenschappelijke optredens is verleend (3);

2.

het versterken van de ondersteunende infrastructuur van staten met betrekking tot nucleaire beveiliging: oprichting van nationale ondersteuningscentra voor nucleaire beveiliging;

3.

het aanscherpen van het wet- en regelgevingskader van de lidstaten;

4.

het aanscherpen van maatregelen in verband met de nucleaire beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen;

5.

het opvoeren van het vermogen van staten om de problematiek van kernmateriaal en radioactieve stoffen die aan controles op naleving van de regelgeving ontsnappen, aan te pakken.

De staten en uit te voeren projecten worden geselecteerd op basis van een alomvattende evaluatie van de behoeften, waarvoor zal worden uitgegaan van de resultaten van evaluatiemissies en andere beschikbare informatie.

Zowel in lidstaten van de organisatie als in staten die geen lid van het IAEA zijn, blijft er grote vraag naar steun voor deze inspanningen. Landen die in aanmerking komen voor steun zijn:

—

in Zuidoost-Europa:

Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Montenegro, de Republiek Moldavië, Servië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Turkije,

—

in Centraal-Azië:

Kazachstan, Kirgizstan, Oezbekistan, Tadzjikistan en Turkmenistan,

—

in de Kaukasus:

Armenië, Azerbeidzjan en Georgië,

—

in het Middellandse Zeegebied in het Midden-Oosten:

Israël, Jordanië, Libanon en de Arabische Republiek Syrië,

—

in Afrika:

Algerije, Angola, Benin, Botswana, Burkina Faso, Boeroendi, Centraal-Afrikaanse Republiek, Comoren, Congo (Brazzaville), Democratische Republiek Congo, Djibouti, Egypte, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Ethiopië, Gabon, Gambia, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Ivoorkust, Kaapverdië, Kameroen, Kenia, Lesotho, Liberia, Libië, Madagaskar, Malawi, Mali, Marokko, Mauritanië, Mauritius, Mozambique, Namibië, Niger, Nigeria, Oeganda, Rwanda, Sao Tomé en Principe, Senegal, Seychellen, Sierra Leone, Somalië, Soedan, Swaziland, de Verenigde Republiek Tanzania, Togo, Tsjaad, Tunesië, Zambia, Zimbabwe en Zuid-Afrika,

—

in Zuidoost-Azië:

Bangladesh, Birma/Myanmar, Brunei, Cambodja, Indonesië, Laos, Maleisië, Filipijnen, Singapore, Thailand en Vietnam,

—

in de Golf:

Bahrein, Iran, Irak, Jemen, Koeweit, Qatar, Saudi-Arabië, Sultanaat Oman en de Verenigde Arabische Emiraten,

—

in Zuid-Amerika:

Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Ecuador, Guyana, Paraguay, Peru, Suriname, Uruguay en Venezuela,

—

in het Caribische gebied en Centraal-Amerika:

Antigua en Barbuda, Bahama’s, Barbados, Belize, Costa Rica, Cuba, Dominica, Dominicaanse Republiek, El Salvador, Grenada, Guatemala, Haïti, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines en Trinidad en Tobago

2.1.   Evaluatie van de steunbehoeften

Doelstelling

Het IAEA zal in het kader van een alomvattende evaluatie nagaan op welke punten de maatregelen die de nucleaire beveiliging in de genoemde staten doeltreffender helpen maken, moeten worden aangescherpt. De evaluatie vindt plaats tegen de achtergrond van de internationale nucleaire beveiligingsstructuur, met inbegrip van de bindende en niet-bindende internationale rechtsinstrumenten en desbetreffende sturing van het IAEA. Voor staten die in het kader van eerdere gemeenschappelijke optredens en andere bijdragen van de Unie in aanmerking waren genomen, wordt de eerder gedane evaluatie bijgewerkt.

De evaluatie heeft, naargelang het geval, betrekking op het algemene nationale stelsel voor nucleaire beveiliging, met inbegrip van wet- en regelgeving, fysieke beveiliging, boekhouding of registratie van materialen, en de maatregelen voor de beveiliging van installaties, locaties en vervoer. In het kader van de evaluatie zal ook worden gekeken naar regelingen met betrekking tot een doeltreffende grenscontrole en andere regelingen betreffende kernmateriaal en radioactieve stoffen die aan controles op naleving van de regelgeving ontsnappen. Aan de hand van de resultaten van de alomvattende evaluatie zullen de staten worden geselecteerd waar projecten zullen worden uitgevoerd.

Beoogde resultaten:

—

samenvatting van de evaluatie van de behoeften op het gebied van steun voor nucleaire beveiliging in de begunstigde landen, op het niveau van zowel de staat als de individuele installaties, locaties, transporten en andere toepassingen waarbij kernmateriaal en radioactieve stoffen worden gebruikt of opgeslagen,

—

selectie van landen en projecten waaraan een hoge prioriteit is toegekend voor steun in het kader van dit besluit,

—

evaluatie van de duurzaamheid en doeltreffendheid van de verleende steun in landen die eerder in het kader van gemeenschappelijke optredens en andere uniale bijdragen steun hebben ontvangen.

2.2.   Uitvoering van prioritaire projecten

Gebied 1:   Duurzaamheid en doeltreffendheid van steun in het kader van gemeenschappelijke optredens

Doelstelling:

—

In het kader van de gemeenschappelijke optredens (4) hebben in totaal 52 staten steun gekregen om diverse maatregelen in het kader van hun nucleaire beveiligingsstelsel aan te scherpen. Dankzij deze optredens zijn in die staten personeelsopleidingen gegeven, is apparatuur geleverd voor een betere fysieke beveiliging en voor stralingsdetectie aan grensposten, en zijn kwetsbare radioactieve bronnen veilig en beveiligd opgeslagen of, als alternatief, teruggebracht naar het land van oorsprong of de leverancier. De middelen waren beperkt en wellicht onvoldoende om de in dit verband noodzakelijke systemen voor kwaliteitscontrole in te voeren en andere flankerende maatregelen te treffen om volledige efficiëntie te bereiken.

—

Ook is het de bedoeling de duurzaamheid en doeltreffendheid van de tot dusver in het kader van gemeenschappelijke optredens verleende steun te meten, en zo nodig extra steun te verlenen om de vereiste efficiëntie te bereiken.

Beoogde resultaten:

—

een methode, die een samenstel van criteria omvat, om de duurzaamheid en doeltreffendheid van eerder verleende steun te meten,

—

een kwaliteitsborgingssysteem, dat wordt getest en op proef ingevoerd in landen die steun hebben gekregen op het gebied van nucleaire beveiliging,

—

aanwijzing van verdere steunmaatregelen die eventueel nodig zijn om het beoogde resultaat op het gebied van nucleaire beveiliging te bestendigen of te verzekeren,

—

betrouwbare apparatuur en competent personeel, door middel van verdere bijstand voor het ontwikkelen van lokale capaciteit op het gebied van onderhoud en herstelling van apparatuur, alsook het vervangen van beschadigde onderdelen,

—

beschikbaarheid van competent personeel in staten, dankzij de opleiding van het nodige personeel.

Gebied 2:   Versterking van de ondersteunende infrastructuur voor nucleaire beveiliging in staten: oprichting van nationale ondersteuningscentra voor nucleaire beveiliging

Doelstelling:

—

steun verlenen aan staten, met het oog op de beschikbaarheid van de technische en wetenschappelijke ondersteuning, alsook de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen die nodig is voor een efficiënte en duurzame nucleaire beveiliging,

—

aangeven welke technische, wetenschappelijke of educatieve ondersteuning aan staten kan worden toegekend voor een regio of subregio,

—

nagaan welke bestaande nationale vermogens van staten aangewend kunnen worden om de technische, wetenschappelijke en educatieve ondersteuning te verschaffen die nodig is voor nationale stelsels van nucleaire beveiliging.

Beoogde resultaten:

—

Regionale en/of nationale centra voor ondersteuning op het gebied van nucleaire beveiliging (NSCC’s — Nuclear Security Support Centers), opgericht overeenkomstig het concept en de methode voor NSCC’s (IAEA Nuclear Security Series). De bedoeling is de volgende resultaten te boeken:

—

coördinatie tussen nationale organisaties die bevoegd zijn voor nationale nucleaire beveiliging,

—

deskundig advies om te kunnen inschatten welke en hoeveel technische of wetenschappelijke ondersteuning nodig is voor de handhaving van de fysieke beveiliging, de boekhouding of de registratie van materialen alsook de technische systemen die aan de grens worden gebruikt om de bewegingen van kernmateriaal en radioactieve stoffen te volgen,

—

deskundig advies om de behoefte aan opleiding en hoger onderwijs, zowel op nationaal als regionaal niveau, in te schatten,

—

het verstrekken van apparatuur en deskundige diensten bij de oprichting van nationale of regionale NSSC’s,

—

duurzame nationale stelsels voor nucleaire beveiliging, dat de voedingsbodem vormt voor een toereikende nucleaire beveiligingscultuur, met intensievere samenwerking op nationaal niveau tussen de bevoegde autoriteiten en andere organisaties die verantwoordelijk zijn voor nucleaire beveiliging, alsook een goed ontwikkeld netwerk voor kennis in verband met nucleaire beveiliging.

Gebied 3:   Aanscherpen van het wet- en regelgevingskader van de staten

Doelstelling:

—

aanscherpen van het nationale wet- en regelgevingskader met betrekking tot kernmateriaal en andere radioactieve stoffen, zodat het land kan voldoen aan de verplichtingen die het is aangegaan in het kader van bindende en niet-bindende internationale rechtsinstrumenten, inclusief integrale-waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen,

—

aanscherpen van de nationale wetgevingskaders voor de uitvoering van waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen die tussen staten en het IAEA zijn gesloten, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoering van een alomvattend nationaal boekhoud- en controlesysteem voor kernmateriaal (SSAC — State System of Accounting for and Control of Nuclear Material),

—

aanscherpen van het nationale regelgevingskader voor stralingsbescherming en beveiliging van radioactieve stoffen.

In de regelgeving moet bijzondere aandacht worden besteed aan de synergie tussen beveiliging, waarborgen en veiligheid. Voorts moet speciale aandacht gaan naar staten die te kennen hebben gegeven een kernenergieprogramma te willen starten.

Beoogde resultaten:

—

een groter aantal staten heeft een begin gemaakt met het ontwikkelen en vaststellen van alomvattende, samenhangende wetgeving op nationaal niveau, onder meer betreffende nucleaire veiligheid, beveiliging, waarborgen en aansprakelijkheid voor kernschade, waarmee zij bijdragen aan een geharmoniseerd, versterkt en universeler systeem voor nucleaire beveiliging en veiligheid,

—

een groter aantal staten is toegetreden tot het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en de wijziging daarop en het Verdrag inzake nucleair terrorisme en/of heeft verklaard het kader voor nucleaire beveiliging te willen uitvoeren.

—

een groter aantal staten heeft de nodige nationale wetgeving vastgesteld om aan hun verplichtingen uit hoofde van de waarborgovereenkomsten en de aanvullende protocollen van het IAEA te kunnen voldoen,

—

het wet- en regelgevingskader zal worden aangescherpt door middel van deskundig advies, het aannemen/bijwerken van de nationale regelgeving voor stralingsbeveiliging en de beveiliging van radioactieve stoffen middels de verstrekking door het IAEA van diensten inzake evaluatie, bijv. IRRS (Integrated Regulatory Review Service), andere adviesverlening alsook het leveren van apparatuur en het aanbieden van opleiding.

Gebied 4:   Aanscherpen van de maatregelen in verband met de nucleaire beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen

Doelstelling:

—

verbeteren van de fysieke beveiliging van nucleaire installaties en van kernmateriaal in nucleaire toepassingen in de geselecteerde landen,

—

verbeteren van de controle en fysieke beveiliging van radioactieve stoffen in niet-nucleaire toepassingen in de geselecteerde landen,

—

opsporen en lokaliseren van radioactieve bronnen die zich in zodanige staat bevinden dat behandeling noodzakelijk is en moet worden overgegaan tot de veilige en beveiligde opslag ervan in de geselecteerde landen, dan wel tot de repatriëring naar het land van oorsprong of de leverancier,

—

verbeteren van de technische en administratieve regelingen die worden toegepast voor de boekhouding en de controle van kernmateriaal, inclusief de bestaande SSAC’s, die zijn ingesteld ter uitvoering van de waarborgovereenkomsten en de aanvullende protocollen, ook in staten met beperkte nucleaire programma’s en beperkte rapportageverplichtingen overeenkomstig de zogenaamde „protocollen inzake kleine hoeveelheden” bij hun waarborgovereenkomsten.

—

het versterken van nationale registers van radioactieve stoffen, materialen en bronnen in de geselecteerde landen.

Beoogde resultaten:

—

efficiëntere fysieke beveiliging van kernmateriaal bij de geselecteerde kerninstallaties en locaties en van radioactieve bronnen in niet-nucleaire toepassingen (bijv. ten behoeve van de geneeskunde of de industrie, of radioactief afval),

—

verminderd risico van radioactieve bronnen in risicovolle situaties door een efficiëntere fysieke beveiliging of, zo nodig, ontmanteling en vervoer naar een veilige opslagplaats in het land of in andere geselecteerde staten,

—

een kleiner aantal radioactieve bronnen in ongecontroleerde en onbeveiligde omstandigheden door middel van steun aan nationale opsporings- en beveiligings(„search and secure”)campagnes in de geselecteerde landen,

—

de opstelling en handhaving van doeltreffende technische en administratieve regelingen voor de boekhouding en controle van kernmateriaal, mede door het instellen van nieuwe en/of het verbeteren van bestaande SSAC’s waarmee uitvoering kan worden gegeven aan waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen, ook in staten met „protocollen inzake kleine hoeveelheden”,

—

opleiding van geselecteerd personeel dat in aanmerking komt voor ondersteuning om de uitvoering en handhaving van een doeltreffende regeling voor fysieke beveiliging waarschijnlijker te maken.

Gebied 5:   Versterken van het vermogen van de staten om de problematiek van kernmateriaal en radioactief materiaal dat aan nationale controles op naleving van de regelgeving ontsnapt, aan te pakken

Doelstelling:

—

verbeteren van het vermogen van de staten om ervoor te zorgen dat in de geselecteerde landen geen kernmateriaal en radioactieve stoffen circuleren buiten het circuit van de nationale vergunde activiteiten en dat regelingen worden getroffen voor een doeltreffende grenscontrole en paraatheid op het gebied van bestrijding.

Beoogde resultaten:

—

beter(e) syste(e)m(en) voor het inzamelen en evalueren van informatie over illegale nucleaire handel uit open bronnen en uit de contactpunten van de landen, zodat meer inzicht wordt verworven in de illegale nucleaire handel en in de omstandigheden waarin deze plaatsvindt. Feedback over deze informatie zal ook bijdragen tot het selecteren van prioriteiten voor de toekomstige activiteiten ter bestrijding van illegale handel,

—

nationale regelingen, die met hulp van deskundigen zijn vastgesteld, ter bestrijding van illegale handel en ter verbetering van de nationale coördinatie en controle van grensoverschrijdend verkeer van radioactieve stoffen en van gevoelige nucleaire apparatuur en technologie,

—

vermogen voor doeltreffende stralingscontrole aan geselecteerde grensposten, door het leveren van grenscontroleapparatuur en het verstrekken van deskundig advies in geselecteerde grensposten,

—

de ontwikkeling van nationale bestrijdingsplannen stimuleren en opleiding over bestrijdingsmethoden verstrekken aan het personeel van de wetshandhavingsdiensten,

—

goed opgeleid en competent personeel in de wetshandhavingsdiensten van de landen, mede door middel van opleidingen en andere steun voor de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen.

2.3.   Evaluatie van de resultaten

Als onderdeel van de realisering van dit besluit moeten de bekomen resultaten door het IAEA worden geëvalueerd teneinde de doeltreffendheid van de steun te garanderen en eventuele problemen bij de verstrekking op te sporen.

3.   Duur

De evaluatie zal plaatsvinden in een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van de bijdrageovereenkomst tussen de Commissie en het IAEA. De drie projecten worden gelijktijdig uitgevoerd in de loop van de 21 daaropvolgende maanden.

De totale duur van de uitvoering van dit besluit wordt op 24 maanden geraamd.

4.   Begunstigden

Begunstigden zijn de landen waar de evaluatie en de daaropvolgende projecten plaatsvinden. Hun autoriteiten zullen worden geholpen bij het identificeren van de zwakke punten en steun krijgen om een oplossing te vinden en de veiligheid te verhogen. De definitieve keuze van de begunstigden en de behoeften waaraan in de gekozen landen moet worden voldaan, worden vastgesteld in onderling overleg tussen het uitvoeringsorgaan en HV, in nauw overleg met de lidstaten in het kader van de bevoegde werkgroep van de Raad. De besluiten ter zake worden in voorkomend geval gebaseerd op voorstellen van het uitvoeringsorgaan (het IAEA) overeenkomstig artikel 2.

5.   Uitvoeringsorgaan

Het IAEA wordt met de uitvoering van de projecten belast. De internationale nucleaire veiligheidsmissies worden uitgevoerd volgens de standaardwerkwijze voor IAEA-missies, die door deskundigen van het IAEA en van de lidstaten worden uitgevoerd. De drie projecten worden rechtstreeks uitgevoerd door het personeel van het IAEA en/of geselecteerde deskundigen of contractanten van de IAEA-lidstaten. In het geval van contractanten moet de levering van goederen, werken of diensten door het IAEA in het kader van dit besluit geschieden overeenkomstig de toepasselijke regels en procedures van het IAEA.

6.   Deelnemende derde partijen

De projecten worden volledig gefinancierd uit dit besluit. Deskundigen van de IAEA-lidstaten mogen als deelnemende derde partijen worden beschouwd. Zij zullen hun werkzaamheden verrichten volgens de standaardwerkwijze voor IAEA-deskundigen.


(1)  GOV/2003/49-GC(47)/9. Ook het document „Measures to Strengthen International Cooperation in Nuclear, Radiation, Transport Safety and Waste Management: Promoting Effective and Sustainable National Regulatory Infrastructure for the Control of Radiation Sources” (GOV/2004/52-GC(48)/15) bevat onderdelen die van belang zijn voor de samenwerking tussen het IAEA en de Europese Unie in het kader van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens. Deze activiteiten zijn tevens vermeld in „Activities Supporting Nuclear Security” in het nucleair veiligheidsplan van het IAEA voor 2006-2009.

(2)  In september 2005 heeft de Raad van beheer van het IAEA besloten het waarborgenstelsel te versterken door het zogeheten „small quantities protocol” (SQP, protocol inzake kleine hoeveelheden) bij NPV-waarborgovereenkomsten te handhaven als onderdeel van het waarborgenstelsel van het IAEA, onder voorbehoud van wijzigingen in de standaardformulering en aanpassing van de SQP-criteria; in 2005 heeft de Algemene Conferentie van het IAEA een resolutie aangenomen waarin zij onder meer aantekende dat voor een staat waar een integrale-waarborgovereenkomst in combinatie met een aanvullend protocol van toepassing is, deze maatregelen gelden als de verbeterde verificatienorm voor die staat.

(3)  GBVB/2004/022/IAEA I, GBVB/2005/020/IAEA II, GBVB/2006/029/IAEA III en GBVB/2008/020/IAEA IV.

(4)  GBVB/2004/022/IAEA I, GBVB/2005/020/IAEA II, GBVB/2006/029/IAEA III en GBVB/2008/020/IAEA IV.


1.10.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 259/19


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 30 september 2010

waarbij vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor goederen die zijn bestemd om gratis te worden verstrekt aan of ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van de overstromingen van mei 2010 in Polen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 6624)

(Slechts de tekst in de Poolse taal is authentiek)

(2010/586/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (1), en met name artikel 76,

Gezien het verzoek van de Poolse regering van 2 juni 2010 om vrijstelling van rechten bij invoer voor goederen die zijn bestemd om gratis ter beschikking te worden gesteld van de slachtoffers van de overstromingen van mei 2010 in Polen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een overstroming is een ramp in de zin van hoofdstuk XVII C van Verordening (EG) nr. 1186/2009; het is daarom gerechtvaardigd om vrijstelling van rechten bij invoer toe te staan voor goederen die aan de voorwaarden van de artikelen 74 tot en met 80 van die verordening voldoen.

(2)

Opdat de Commissie goed zicht zou hebben op de bestemming die aan de met vrijstelling ingevoerde goederen is gegeven, dient de Poolse regering haar mee te delen welke maatregelen zij heeft genomen om te voorkomen dat aan die goederen een andere dan de beoogde bestemming wordt gegeven.

(3)

Aan de Commissie dient ook te worden meegedeeld hoeveel en welk soort goederen zijn ingevoerd.

(4)

De overige lidstaten zijn in overeenstemming met artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 geraadpleegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt vrijstelling van rechten bij invoer in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1186/2010 verleend voor goederen die door overheidsorganen of organisaties die door de bevoegde Poolse autoriteiten zijn erkend, voor het vrije verkeer worden ingevoerd om gratis te worden verstrekt aan de slachtoffers van de overstromingen van mei 2010 in Polen dan wel gratis te hunner beschikking te worden gesteld terwijl ze eigendom blijven van die organisaties.

2.   Er wordt ook vrijstelling van rechten verleend voor goederen die door hulporganisaties voor het vrije verkeer worden ingevoerd om in hun eigen behoeften te voorzien gedurende hun inzet.

Artikel 2

De Poolse regering deelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 de lijst van de in artikel 1, lid 1, bedoelde erkende organisaties mee.

Artikel 3

De Poolse regering doet de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 een volledige kennisgeving van het soort en de hoeveelheid goederen die krachtens artikel 1 met vrijstelling van rechten zijn ingevoerd, uitgesplitst naar hoofdcategorie.

Artikel 4

De Poolse regering deelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 de maatregelen mee die zij heeft genomen om de naleving van de artikelen 78, 79 en 80 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 te garanderen.

Artikel 5

Artikel 1 van dit besluit is van toepassing op goederen die worden ingevoerd tussen 1 mei 2010 en 30 november 2010.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de Republiek Polen.

Gedaan te Brussel, 30 september 2010.

Voor de Commissie

Algirdas ŠEMETA

Lid van de Commissie


(1)   PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.