|
ISSN 1725-2598 doi:10.3000/17252598.L_2009.332.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
52e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Commissie |
|
|
|
|
2009/967/EG |
|
|
|
* |
Beschikking van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor vloerbedekking van textiel (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 9523) ( 1 ) |
|
|
|
III Besluiten op grond van het EU-Verdrag |
|
|
|
|
BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG |
|
|
|
* |
|
|
|
IV Andere besluiten |
|
|
|
|
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE |
|
|
|
|
Gemengd Comité van de EER |
|
|
|
* |
|
|
|
V Besluiten die zijn aangenomen vanaf 1 december 2009 op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Euratom-Verdrag |
|
|
|
|
BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE VERPLICHT IS |
|
|
|
|
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
* |
||
|
|
|
BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE NIET VERPLICHT IS |
|
|
|
|
2009/970/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Commissie
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/1 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 30 november 2009
tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor vloerbedekking van textiel
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 9523)
(Voor de EER relevante tekst)
(2009/967/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op artikel 6, lid 1, tweede alinea,
Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 kan de communautaire milieukeur worden toegekend aan een product waarvan de eigenschappen werkelijk kunnen bijdragen tot verbeteringen van essentiële milieuaspecten. |
|
(2) |
In Verordening (EG) nr. 1980/2000 wordt bepaald dat per productengroep specifieke criteria voor de milieukeur, opgesteld op grond van de door het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie vastgelegde criteria, worden vastgesteld. |
|
(3) |
De milieucriteria en de daarmee samenhangende eisen inzake beoordeling en controle moeten geldig zijn tot vier jaar na de datum van kennisgeving van deze beschikking. |
|
(4) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Vloerbedekkingen van textiel worden gedefinieerd als vloerbedekkingen, gewoonlijk uit geweven, gebreid of getuft weefsel; gebruikelijk geïnstalleerd met kleine spijkertjes of nietjes, of met kleefstoffen. Losse matten en tapijten zijn uitgesloten. De term is niet van toepassing op wandbekleding of bekleding voor gebruik buitenshuis.
Deze productengroep bevat geen textiel dat is behandeld met biociden, behalve ingeval het actieve bestanddeel in deze biociden is opgenomen in bijlage IA bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), en ingeval het gebruik in kwestie van het biocide is toegestaan volgens bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG.
Artikel 2
Om de communautaire milieukeur krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 te kunnen verkrijgen, moet een vloerbedekking van textiel vallen binnen de productengroep „vloerbedekkingen van textiel”, zoals gedefinieerd in artikel 1, en voldoen aan de in de bijlage bij deze beschikking vermelde milieucriteria.
Artikel 3
De milieucriteria voor de productengroep „vloerbedekkingen van textiel” en de eisen voor beoordeling en controle zijn vier jaar geldig vanaf de datum van de kennisgeving van deze beschikking.
Artikel 4
Voor administratieve doeleinden wordt aan deze productengroep het codenummer „34” toegekend.
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 30 november 2009.
Voor de Commissie
Stavros DIMAS
Lid van de Commissie
BIJLAGE
KADER
Doelstellingen van de criteria
Deze criteria zijn met name gericht op:
|
— |
vermindering van de effecten op habitats en hiermee samenhangende hulpbronnen, |
|
— |
vermindering van het energieverbruik, |
|
— |
vermindering van lozingen van toxische of anderszins verontreinigende stoffen in het milieu, |
|
— |
vermindering van het gebruik van gevaarlijke stoffen in de materialen en in de afgewerkte producten, |
|
— |
veiligheid en afwezigheid van risico’s voor de gezondheid in de leefomgeving, |
|
— |
het geven van voorlichting aan de consument zodat deze het product op een efficiënte manier kan gebruiken, waarbij de milieueffecten tot een minimum worden beperkt. |
De criteria worden op een zodanig niveau vastgesteld dat wordt gestimuleerd dat vloerbedekkingen met weinig milieueffecten de milieukeur krijgen.
Eisen inzake beoordeling en controle
Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.
Deze productengroep omvat de familie van tapijten, en is gedefinieerd als „vloerbedekking, gewoonlijk uit geweven, gebreid of getuft weefsel; gebruikelijk geïnstalleerd met kleine spijkertjes of nietjes, of met kleefstoffen”.
De term is niet van toepassing op wandbekleding of bekleding voor gebruik buitenshuis. Losse matten en tapijten zijn uitgesloten.
De definitie van de productgroep vloerbedekking van textiel is in overeenstemming met de norm DIN ISO 2424.
De Europese sector voor vloerbedekking van textiel bepaalt haar technische standpunt in CEN/TC 134 van het Europees Comité voor normalisatie.
De functionele eenheid waartoe de diverse in- en outputs moeten worden herleid, is 1 m2 afgewerkt product.
In voorkomend geval mogen andere testmethoden worden gebruikt dan voor elk criterium wordt vermeld, indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt als gelijkwaardig worden geaccepteerd.
Voor zover mogelijk worden tests verricht door erkende laboratoria of laboratoria die voldoen aan de algemene eisen geformuleerd in norm EN ISO 17025.
Indien nodig kunnen de bevoegde instanties aanvullende documentatie verlangen en onafhankelijke controles uitvoeren.
CRITERIA VOOR VLOERBEDEKKING VAN TEXTIEL
1. GRONDSTOFFEN
Generieke materiaalvereisten
Er mogen geen stoffen of preparaten in de grondstoffen aanwezig zijn waarvoor ten tijde van de aanvraag een van de volgende risicozinnen geldt of kan gelden (of combinaties daarvan):
|
R23 |
(vergiftig bij inademing), |
|
R24 |
(vergiftig bij aanraking met de huid), |
|
R25 |
(vergiftig bij opname door de mond), |
|
R26 |
(zeer vergiftig bij inademing), |
|
R27 |
(zeer vergiftig bij aanraking met de huid), |
|
R28 |
(zeer vergiftig bij opname door de mond), |
|
R39 |
(gevaar voor ernstige onherstelbare effecten), |
|
R40 |
(carcinogene effecten zijn niet uitgesloten), |
|
R42 |
(kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing), |
|
R43 |
(kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid), |
|
R45 |
(kan kanker veroorzaken), |
|
R46 |
(kan erfelijke genetische schade veroorzaken), |
|
R48 |
(gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling), |
|
R49 |
(kan kanker veroorzaken bij inademing), |
|
R50 |
(zeer vergiftig voor in het water levende organismen), |
|
R51 |
(vergiftig voor in het water levende organismen), |
|
R52 |
(schadelijk voor in het water levende organismen), |
|
R53 |
(kan in het aquatische milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken), |
|
R60 |
(kan de vruchtbaarheid schaden), |
|
R61 |
(kan het ongeboren kind schaden), |
|
R62 |
(mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid), |
|
R63 |
(mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind), |
|
R68 |
(onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten), |
als bepaald in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (1) (richtlijn gevaarlijke stoffen) en de daaropvolgende wijzigingen ervan, en met inachtneming van Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) (richtlijn gevaarlijke preparaten).
Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (3) in overweging worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende gevarenaanduidingen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H300, H301, H310, H311, H317, H330, H331, H334, H351, H350, H340, H350i, H400, H410, H411, H412, H413, H360F, H360D, H361f, H361d, H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H341, H370, H372.
voor chemische analyse dient de aanvrager de typologie van de grondstoffen en de formulering te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan de bovengenoemde criteria is voldaan.
1.1. Textielvezels — chemische stoffen
Indien de vezels afkomstig zijn van recycling, zijn de in dit deel gestelde criteria niet van toepassing. Wat betreft de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, dienen de in criterium 1 beschreven „Generieke materiaalvereisten” te worden toegepast.
Specifieke vezelcriteria worden gesteld voor wol, polyamide, polyester, polypropyleen.
Behandelingen van wol
|
a) |
Het opgetelde totale gehalte aan de volgende stoffen mag niet hoger zijn dan 0,5 ppm:
|
|
b) |
Het opgetelde totale gehalte aan de volgende stoffen mag niet hoger zijn dan 2 ppm:
|
|
c) |
Het opgetelde totale gehalte aan de volgende stoffen mag niet hoger zijn dan 0,5 ppm:
|
|
d) |
Het opgetelde totale gehalte aan de volgende stoffen mag niet hoger zijn dan 2 ppm:
|
De eisen (zoals omschreven onder a), b), c) en d) en ieder afzonderlijk) zijn niet van toepassing indien aan de hand van documenten de identiteit kan worden aangetoond van de landbouwers die ten minste 75 % van de betrokken wol of keratinevezels hebben geproduceerd, samen met een verklaring van die landbouwers dat bovengenoemde stoffen niet op de betrokken weilanden of dieren werden gebruikt.
de aanvrager moet bovengenoemde documentatie indienen of een testverslag waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt. IWTO ontwerptestmethode 59. Indien aan de textielgrondstoffen de EU-milieukeur voor textielproducten is toegekend, is aan de eisen voldaan. De aanvrager dient enkel de adequate documentatie voor te leggen.
Polyamidevezels
Het jaargemiddelde van de uitstoot van N2O in de lucht tijdens de productie van het monomeer mag niet hoger zijn dan 10 g/kg geproduceerde polyamide-6-vezels en 50 g/kg geproduceerde polyamide-6,6-vezels.
de aanvrager moet gedetailleerde documentatie en/of testverslagen indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan, alsmede een verklaring dat aan het criterium is voldaan. Als aan de gebruikte textielgrondstoffen de milieukeur voor textielproducten is toegekend, is aan de eisen voldaan. De aanvrager dient enkel de adequate documentatie voor te leggen.
Polyester
|
a) |
De hoeveelheid antimoon in de polyestervezels mag niet groter zijn dan 260 ppm. Wanneer er geen antimoon is gebruikt, mag de aanvrager naast de milieukeur de vermelding „antimoonvrij” (of een gelijkwaardige tekst) aanbrengen. |
|
b) |
Het jaargemiddelde van de uitstoot van VOS gedurende de polymerisatie en vezelproductie van polyester, gemeten in de processtadia waarin ze voorkomen, met inbegrip van vluchtige emissies, mag niet hoger zijn dan 1,2 g/kg geproduceerde polyesterhars. (VOS zijn alle organische verbindingen met een dampdruk van ten minste 0,01 kPa bij 293,15 K of met een overeenkomstige vluchtigheid onder de specifieke gebruiksomstandigheden). |
voor a) moet de aanvrager een verklaring indienen dat antimoon niet wordt gebruikt of een testverslag waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: directe bepaling door middel van atoomabsorptiespectrometrie. De test moet op de ruwe vezel worden uitgevoerd voordat er enige natte bewerking plaatsvindt. Voor b) moet de aanvrager gedetailleerde documentatie en/of testverslagen indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan, alsmede een verklaring dat aan het criterium is voldaan. Als aan de gebruikte textielgrondstoffen de milieukeur voor textielproducten is toegekend, is aan de eisen voldaan. De aanvrager dient enkel de adequate documentatie voor te leggen.
Polypropyleen
|
a) |
Pigmenten op loodbasis mogen niet worden gebruikt.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze niet zijn gebruikt. |
|
b) |
De uitstoot van NOx en SO2 gedurende de productie van PP (productie van monomeer, polymerisatie en granulatie) mag niet hoger zijn dan de volgende grenswaarden:
de vezelfabrikant moet de hoeveelheden NOx en SO2 die worden uitgestoten tijdens de productie van PP meten of berekenen, en een verklaring voorleggen dat aan het criterium is voldaan. De aanvrager dient enkel de adequate documentatie voor te leggen. |
1.2. Hechtmiddelen onderlaag
Wat betreft de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, dienen de in criterium 1 beschreven „Generieke materiaalvereisten” te worden toegepast.
Schuimrubber (natuurlijke en synthetische latex en polyurethaan)
Noot: Aan de volgende criteria moet alleen worden voldaan indien latexschuimrubber meer dan 5 % van het totale gewicht van het tapijt uitmaakt.
|
a) |
Extraheerbare zware metalen: de concentraties van de onderstaande metalen mogen de volgende waarden niet overschrijden:
de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: vermalen monster wordt geëxtraheerd overeenkomstig DIN 38414-S4, L/S = 10. Filtratie met een 0,45 μm-membraanfilter. Analyse door middel van atoomemissiespectroscopie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES) of met een hydride- of koudedamptechniek. |
|
b) |
Vluchtige organische stoffen (4) (VOS): de concentratie van VOS mag niet hoger zijn dan 0,5 mg/m3.
de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: kamerproef met DIN ISO 16000-6 voor het nemen en analyseren van luchtmonsters. |
|
c) |
Metaalcomplexkleurstoffen: metaalcomplexkleurstoffen op basis van koper, lood, chroom of nikkel mogen niet worden gebruikt.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze niet zijn gebruikt. |
|
d) |
Chloorfenolen: er mag geen chloorfenol (zouten en esters) aanwezig zijn in concentraties die hoger zijn dan 0,1 ppm, met uitzondering van mono- en dichloorfenolen (zouten en esters) die 1 ppm niet mogen overschrijden.
de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: vermaling van 5 g monster, extractie van het chloorfenol of natriumzout. Analyse door middel van gaschromatografie (GC), detectie met een massaspectrometer of ECD. |
|
e) |
Butadieen: de concentratie van butadieen mag niet hoger zijn dan 1 ppm.
de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: vermaling en weging van het monster. Bemonstering met „headspace sampler”. Analyse met gaschromatografie, detectie door vlamionisatiedetector. |
|
f) |
Nitrosaminen: de concentratie van N-nitrosaminen mag niet hoger zijn dan 0,001 mg/m3 zoals gemeten met de kamerproef.
de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: de kamerproef met ZH 1/120,23 van het „Hauptverband der gewerblichen Berufsgenossenschaften” (of equivalent) voor het nemen en analyseren van luchtmonsters. |
Schuimrubber (uitsluitend voor polyurethaan)
|
a) |
Organisch tin: tin in organische vorm (tin dat is gebonden aan een koolstofatoom) mag niet worden gebruikt.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat dit niet is gebruikt. |
|
b) |
Blaasmiddelen: cfk’s, HCFK’s, HFK’s of methyleenchloride mogen niet als blaasmiddelen of als hulpblaasmiddelen worden gebruikt.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze blaasmiddelen niet zijn gebruikt. |
Gevulkaniseerd schuim
Voor de onderlaag mag geen gevulkaniseerd schuim worden gebruikt.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat geen gevulkaniseerd schuim is gebruikt.
Formaldehyde
De concentratie van formaldehyde mag niet hoger zijn dan 30 ppm zoals gemeten met EN ISO 14184-1. Als alternatief mag de concentratie niet hoger zijn dan 0,01 mg/m3 zoals gemeten met de kamerproef.
de aanvrager moet een testverslag indienen waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: EN ISO 14184-1. Een monster van 1 g in 100 g water gedurende 1 uur verwarmd tot 40 °C. Formaldehyde in het extract fotometrisch bepaald met acetylaceton.
Als alternatief kan de emissiekamerproef worden gebruikt: ENV 13419-1 met EN ISO 16000-3 of VDI 3484-1 voor het nemen en analyseren van luchtmonsters.
2. PRODUCTIE VAN ALLE MATERIAAL
Wat betreft de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, dienen de in criterium 1 beschreven „Generieke materiaalvereisten” te worden toegepast.
De aanvrager moet ook voldoen aan de volgende specifieke eisen:
Vlamvertragers
In het product mogen uitsluitend vlamvertragers worden gebruikt die chemisch aan de polymeervezel of het vezeloppervlak zijn gebonden (reactieve vlamvertragers). Indien voor de gebruikte vlamvertragers één of meer van de onderstaande risicozinnen is voorgeschreven, moeten deze reactieve vlamvertragers bij toepassing een zodanige chemische verandering ondergaan dat geen van deze risicozinnen nog op hen van toepassing is. (Minder dan 0,1 % van de vlamvertrager op het behandelde garen of weefsel mag nog dezelfde vorm hebben als vóór het aanbrengen.):
|
R40 |
(carcinogene effecten zijn niet uitgesloten), |
|
R45 |
(kan kanker veroorzaken), |
|
R46 |
(kan erfelijke genetische schade veroorzaken), |
|
R49 |
(kan kanker veroorzaken bij inademing), |
|
R50 |
(zeer vergiftig voor in het water levende organismen), |
|
R51 |
(vergiftig voor in het water levende organismen), |
|
R52 |
(schadelijk voor in het water levende organismen), |
|
R53 |
(kan in het aquatische milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken), |
|
R60 |
(kan de vruchtbaarheid schaden), |
|
R61 |
(kan het ongeboren kind schaden), |
|
R62 |
(mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid), |
|
R63 |
(mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind), |
|
R68 |
(onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten), |
zoals bepaald in Richtlijn 67/548/EEG.
Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 in overweging worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende gevarenaanduidingen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H351, H350, H340, H350i, H400, H410, H411, H412, H413, H360F, H360D, H361f, H361d, H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H341.
Vlamvertragers die uitsluitend fysisch met de polymeervezel of de textielcoating worden vermengd, zijn uitgesloten (additieve vlamvertragers).
de aanvrager moet een verklaring indienen dat er geen additieve vlamvertragers zijn gebruikt en vermelden welke reactieve vlamvertragers eventueel zijn gebruikt en documentatie (zoals veiligheidsinformatiebladen) en/of verklaringen indienen waaruit blijkt dat deze vlamvertragers aan dit criterium voldoen.
Weekmakers
Indien in het fabricageproces enige weekmaker is toegepast, mogen uitsluitend ftalaten worden gebruikt waarvan het gevaar ten tijde van de aanvraag is beoordeeld en die niet zijn ingedeeld met de volgende zinnen (of combinaties daarvan):
|
R50 |
(zeer vergiftig voor in het water levende organismen), |
|
R51 |
(vergiftig voor in het water levende organismen), |
|
R52 |
(schadelijk voor in het water levende organismen), |
|
R53 |
(kan in het aquatische milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken), |
|
R60 |
(kan de vruchtbaarheid schaden), |
|
R61 |
(kan het ongeboren kind schaden), |
|
R62 |
(mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid), |
zoals bepaald in Richtlijn 67/548/EEG.
Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 in overweging worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende gevarenaanduidingen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H400, H410, H411, H412, H413, H360F, H360D, H361f, H361d, H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df.
DNOP (di-n-octylftalaat), DINP (diisononylftalaat), DIDP (diisodecylftalaat) zijn evenmin in het product toegelaten.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat die stoffen niet zijn gebruikt. In de vloerbedekking van textiel mag niet meer dan 0,1 massaprocent ftalaat, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2005/84/EG van het Europees Parlement en de Raad (5), aanwezig zijn.
2.1. Chemische stoffen die als hulpstoffen worden gebruikt voor de behandeling van vezels
Alkylfenolethoxylaten (APEO’s), lineaire alkylbenzeensulfonaten (LAS), bis(gehydrogeneerde talkalkyl) dimethylammoniumchloride (DTDMAC), distearyldimethylammoniumchloride (DSDMAC), di(geharde talk) dimethylammoniumchloride (DHTDMAC), ethyleendiaminetetraacetaat (EDTA) en diethyleentriaminepentaacetaat (DTPA) mogen niet worden gebruikt en mogen geen bestanddeel van gebruikte preparaten of formuleringen zijn.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat die stoffen niet zijn gebruikt.
2.2. Kleurstoffen en pigmenten
Azokleurstoffen
Er mogen geen azokleurstoffen worden gebruikt waaruit bij ontleding een van de volgende aromatische aminen kan worden gevormd:
|
|
4-aminodifenyl (92-67-1), |
|
|
benzidine (92-87-5), |
|
|
4-chloor-o-toluïdine (95-69-2), |
|
|
2-naftylamine (91-59-8), |
|
|
o-aminoazotolueen (97-56-3), |
|
|
2-amino-4-nitrotolueen (99-55-8), |
|
|
p-chlooraniline (106-47-8), |
|
|
2,4-diaminoanisool (615-05-4), |
|
|
4,4’-diaminodifenylmethaan (101-77-9), |
|
|
3,3’-dichloorbenzidine (91-94-1), |
|
|
3,3’-dimethoxybenzidine (119-90-4), |
|
|
3,3’-dimethylbenzidine (119-93-7), |
|
|
3,3’-dimethyl-4,4’-diaminodifenylmethaan (838-88-0), |
|
|
p-cresidine (120-71-8), |
|
|
4,4’-oxydianiline (101-80-4), |
|
|
4,4’-thiodianiline (139-65-1), |
|
|
o-toluïdine (95-53-4), |
|
|
2,4-diaminotolueen (95-80-7), |
|
|
2,4,5-trimethylaniline (137-17-7), |
|
|
4-aminoazobenzeen (60-09-3), |
|
|
o-anisidine (90-04-0), |
|
|
2,4-xylidine, |
|
|
2,6-xylidine. |
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt. Indien een controle op deze verklaring wordt uitgevoerd, moet de volgende norm worden gebruikt: EN 14362-1 en 2. (Noot: bij 4-aminoazobenzeen kunnen fout-positieve bepalingen voorkomen en is bevestiging dus aanbevolen.)
Kleurstoffen die carcinogeen, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn
|
a) |
De volgende kleurstoffen mogen niet worden gebruikt:
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt. |
|
b) |
Er mag geen gebruik worden gemaakt van kleurstoffen of kleurpreparaten die meer dan 0,1 gewichtspercent bevatten van stoffen waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende risicozinnen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven:
zoals bepaald in Richtlijn 67/548/EEG. Als alternatief kan indeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 in overweging worden genomen. In dat geval mogen er aan de grondstoffen geen stoffen of preparaten worden toegevoegd waarvoor op het ogenblik van de aanvraag een van de volgende gevarenaanduidingen (of combinaties daarvan) wordt of kan worden voorgeschreven: H351, H350, H340, H350i, H360F, H360D, H361f, H361d, H360FD, H361fd, H360Fd, H360Df, H341. de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt. |
Potentieel sensibiliserende kleurstoffen
De volgende kleurstoffen mogen niet worden gebruikt:
|
|
C.I. Disperse Blue 3 C.I. 61 505, |
|
|
C.I. Disperse Blue 7 C.I. 62 500, |
|
|
C.I. Disperse Blue 26 C.I. 63 305, |
|
|
C.I. Disperse Blue 35, |
|
|
C.I. Disperse Blue 102, |
|
|
C.I. Disperse Blue 106, |
|
|
C.I. Disperse Blue 124, |
|
|
C.I. Disperse Brown 1, |
|
|
C.I. Disperse Orange 1 C.I. 11 080, |
|
|
C.I. Disperse Orange 3 C.I. 11 005, |
|
|
C.I. Disperse Orange 37, |
|
|
C.I. Disperse Orange 76, |
|
|
(voorheen aangeduid als Orange 37), |
|
|
C.I. Disperse Red 1 C.I. 11 110, |
|
|
C.I. Disperse Red 11 C.I. 62 015, |
|
|
C.I. Disperse Red 17 C.I. 11 210, |
|
|
C.I. Disperse Yellow 1 C.I. 10 345, |
|
|
C.I. Disperse Yellow 9 C.I. 10 375, |
|
|
C.I. Disperse Yellow 39, |
|
|
C.I. Disperse Yellow 49. |
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt.
Zware metalen
Kleurstoffen en pigmenten die lood (Pb), cadmium (Cd), kwik (Hg) of chroom (chroom totaal) of Cr(VI) als bestanddelen van de kleurende component bevatten, mogen niet worden gebruikt om het materiaal te kleuren.
Het totale gehalte aan zware metalen van een geïnstalleerd tapijt mag niet meer dan 100 mg/kg bedragen.
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze kleurstoffen niet zijn gebruikt evenals documentatie die aantoont dat de verplichte grenswaarde niet is overschreden.
Indien de producten de GUT-keur dragen, voldoen zij aan deze eis en moet adequate documentatie worden overlegd.
2.3. Emissies in water
Wol — CZV
Het CZV van het afvalwater dat bij de wolontvetting ontstaat en in de riolering wordt geloosd, mag niet hoger zijn dan 60 g/kg zweetwol en het afvalwater moet buiten het bedrijf zodanig worden gezuiverd dat het jaargemiddelde van het CZV ten minste met nog eens 75 % wordt verlaagd.
Het CZV van het afvalwater dat bij de wolontvetting ontstaat en in het bedrijf zelf wordt gezuiverd en vervolgens in oppervlaktewateren wordt geloosd, mag niet hoger zijn dan 45 g/kg zweetwol. De pH van het in oppervlaktewateren geloosde afvalwater moet tussen 6 en 9 liggen (tenzij de pH van het water waarop wordt geloosd, buiten dit interval ligt) en de temperatuur moet lager zijn dan 40 °C (tenzij de temperatuur van het water waarop wordt geloosd, hoger is dan deze waarde). De fabriek waarin de wolontvetting plaatsvindt, moet een gedetailleerde beschrijving geven van de behandeling van het afvalwater dat bij de wolontvetting ontstaat en de CZV-waarden continu meten.
de aanvrager moet relevante gegevens en/of testverslagen in verband met dit criterium indienen, waarbij de volgende testmethode wordt gebruikt: ISO 6060.
Lozing van afvalwater van natte processen
|
a) |
Het afvalwater van locaties voor natte processen (met uitzondering van locaties voor de ontvetting van zweetwol) moet bij lozing na zuivering (in het bedrijf zelf of daarbuiten) een CZV van minder dan 20 g/kg, uitgedrukt als jaargemiddelde, hebben.
de aanvrager moet gedetailleerde documentatie indienen en testverslagen, waarbij de testmethode ISO 6060 wordt gebruikt, waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan, alsmede een verklaring dat aan het criterium is voldaan. |
|
b) |
Indien het afvalwater in het bedrijf zelf wordt gezuiverd en rechtstreeks in water wordt geloosd, moet tevens de pH van dit water tussen 6 en 9 liggen (tenzij de pH van het water waarop wordt geloosd, buiten dit interval ligt) en moet de temperatuur lager zijn dan 40 °C (tenzij de temperatuur van het water waarop wordt geloosd, hoger is dan deze waarde).
de aanvrager moet documentatie en testverslagen indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan, almede een verklaring dat aan het criterium is voldaan. Indien de gebruikte producten de EU-milieukeur voor textielproducten hebben gekregen, dan voldoen zij aan deze eis en moet adequate documentatie worden voorgelegd. |
Detergenten, wasverzachters en complexvormers
Op elke locatie voor natte processen moet ten minste 95 gewichtsprocent van de gebruikte detergenten, ten minste 95 gewichtsprocent van de gebruikte wasverzachters en ten minste 95 gewichtsprocent van de gebruikte complexvormers voldoende afbreekbaar of in waterzuiveringsinstallaties verwijderbaar zijn. Op elke locatie voor natte processen, moeten de detergenten (die surfactanten bevatten) voldoen aan de criteria voor totale aerobe biologische afbraak. Ten minste 95 gewichtsprocent van de andere stoffen dient voldoende afbreekbaar of in waterzuiveringsinstallaties verwijderbaar te zijn.
„voldoende biologisch afbreekbaar” betekent:
|
— |
indien de stof, wanneer daarop een van de methoden OESO 301 A, OESO 301 E, ISO 7827, OESO 302 A, ISO 9887, OESO 302 B of ISO 9888 wordt toegepast, binnen 28 dagen voor ten minste 70 % wordt afgebroken, |
|
— |
of indien de stof, wanneer daarop een van de methoden OESO 301 B, ISO 9439, OESO 301 C, OESO 302 C, OESO 301 D, ISO 10707, OESO 301 F, ISO 9408, ISO 10708 of ISO 14593 wordt toegepast, binnen 28 dagen voor ten minste 60 % wordt afgebroken, |
|
— |
of indien de stof, wanneer daarop een van de methoden OESO 303 of ISO 11733 wordt toegepast, binnen 28 dagen voor ten minste 80 % wordt afgebroken, |
|
— |
of voor stoffen waarop deze testmethoden niet toepasbaar zijn, indien wordt aangetoond dat deze stoffen op een gelijkwaardig niveau biologisch afbreekbaar zijn. |
De aanvrager moet adequate documentatie, veiligheidsinformatiebladen, testverslagen en/of verklaringen indienen, waarin bovengenoemde testmethoden en resultaten worden vermeld en waarin wordt aangetoond dat voor alle gebruikte detergenten, wasverzachters en complexvormers aan dit criterium is voldaan.
Metaalcomplexkleurstoffen
|
a) |
Wanneer bij het verven van cellulose metaalcomplexkleurstoffen in het verfrecept zijn opgenomen, mag minder dan 20 % van elk van deze gebruikte (d.w.z. in het proces ingevoerde) metaalcomplexkleurstoffen terechtkomen in het afvalwater dat bestemd is om (in het bedrijf of daarbuiten) te worden gezuiverd.
Wanneer bij alle andere verfprocessen metaalcomplexkleurstoffen in het verfrecept zijn opgenomen, mag minder dan 7 % van elk van deze gebruikte (d.w.z. in het proces ingevoerde) metaalcomplexkleurstoffen terechtkomen in het afvalwater dat bestemd is om (in het bedrijf of daarbuiten) te worden gezuiverd. |
|
b) |
De lozing in water mag na zuivering niet hoger zijn dan: 75 mg Cu/kg (vezel, garen of weefsel); 50 mg Cr/kg; 75 mg Ni/kg. |
de aanvrager moet een verklaring indienen dat deze stoffen niet zijn gebruikt, of documentatie en testverslagen waarbij de volgende testmethoden worden gebruikt: ISO 8288 voor Cu en Ni; EN 1233 voor Cr.
2.4. Energieverbruik
Het energieverbruik moet worden berekend als de energie die wordt gebruikt bij het productieproces van de vloerbedekking.
Voor de procesenergie, die wordt berekend zoals aangegeven in het technisch aanhangsel, moet de volgende waarde worden overschreden (P = score):
|
Productfamilie |
Grenswaarde (P) |
|
Synthetische tapijten |
8 |
de aanvrager moet het energieverbruik van het productieproces berekenen overeenkomstig de aanwijzingen in het technisch aanhangsel. De aanvrager moet de desbetreffende resultaten en documentatie ter staving indienen.
3. GEBRUIKSFASE
3.1. Vrijkomen van gevaarlijke stoffen
De volgende emissiewaarden mogen niet worden overschreden:
|
Stof |
Eis (na 3 dagen) |
|
Totaal aan organische verbindingen C6 - C16 (TVOC) |
0,25 mg/m3 lucht |
|
Totaal aan organische verbindingen > C16 - C22 (TSVOC) |
0,03 mg/m3 lucht |
|
Totaal aan VOS zonder LCI (*1) |
0,05 mg/m3 lucht |
de aanvrager moet een testcertificaat voorleggen volgens emissietests prEN 15052 of DIN ISO 16000-9.
4. GESCHIKTHEID VOOR GEBRUIK
Het product moet geschikt voor gebruik zijn. Het bewijs mag bestaan uit gegevens van geschikte ISO- of CEN-testmethoden of gelijkwaardige testmethoden, zoals nationale testprocedures.
er dienen nadere bijzonderheden van de testprocedures en -resultaten te worden verstrekt, samen met een verklaring dat het product geschikt is voor gebruik op basis van alle andere informatie over de beste toepassing door de eindgebruiker. Overeenkomstig Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (6) wordt een product geschikt voor gebruik geacht wanneer het voldoet aan een geharmoniseerde norm, een Europese technische goedkeuring of een op communautair niveau erkende niet-geharmoniseerde technische specificatie. Het EG-conformiteitsmerkteken „CE” voor bouwproducten geeft producenten een gemakkelijk herkenbaar bewijs van conformiteit en mag in dit verband als voldoende worden beschouwd. Voorts zou ook de norm CEN/TS 14472-2 kunnen worden gebruikt om aan te tonen dat aan dit criterium is voldaan.
5. INFORMATIE VOOR DE CONSUMENT
Het product dient te worden verkocht met de relevante gebruikersinformatie, die advies geeft over het juiste en beste algemene en technische gebruik van het product, alsmede over het onderhoud van het product. De volgende informatie moet worden gegeven op de verpakking en/of in de documentatie die bij het product wordt geleverd:
|
a) |
informatie dat aan het product de EU-milieukeur is toegekend samen met een korte maar specifieke uitleg over wat dit inhoudt, naast de algemene informatie die in kader 2 van het logo wordt verstrekt; |
|
b) |
aanbevelingen voor het gebruik en het onderhoud van het product. Deze informatie moet alle belangrijke aanwijzingen bevatten, met name voor het onderhoud en gebruik van producten. Zo nodig moet er worden verwezen naar de kenmerken van het gebruik van het product onder moeilijke klimatologische of andere omstandigheden, bijvoorbeeld vorstbestendigheid/waterabsorptie, vlekkenbestendigheid, bestendigheid tegen chemicaliën, noodzakelijke voorbereiding van de ondergrond, reinigingsvoorschriften en aanbevolen soorten reinigingsmiddelen en reinigingsintervallen. De informatie moet ook een mogelijke levensverwachting van het product in technische termen aangeven, hetzij als gemiddelde, hetzij als interval; |
|
c) |
een indicatie van de recycling- of verwijderingsroute (uitleg om de consument te informeren over de mogelijke performantie van een dergelijke product); |
|
d) |
informatie over de EU-milieukeur en de gerelateerde productengroepen, met inbegrip van de volgende (of vergelijkbare) tekst: „Meer informatie is te vinden op de website van de EU-milieukeur: http://www.ecolabel.eu”. |
de aanvrager dient een voorbeeld van de verpakking en/of de bijgeleverde teksten te verstrekken, eveneens overeenkomstig ISO 6347: Vloerbedekkingen van textiel — Consumenteninformatie).
6. INFORMATIE OP DE MILIEUKEUR
Kader 2 van de milieukeur dient de volgende tekst te bevatten:
|
— |
beperking van gevaarlijke en giftige stoffen, |
|
— |
energiebesparing bij de productie, |
|
— |
beperkte emissie van verontreinigende stoffen in water, |
|
— |
lager gezondheidsrisico in het leefmilieu. |
(1) PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.
(2) PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.
(3) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(4) VOS zijn alle organische verbindingen met een dampdruk van ten minste 0,01 kPa bij 293,15 K of met een overeenkomstige vluchtigheid onder de specifieke gebruiksomstandigheden.
(5) PB L 344 van 27.12.2005, blz. 40.
(*1)LCI= Lowest Concentration of Interest, de hoogste concentratie zonder nadelige gevolgen.
Technisch aanhangsel voor vloerbedekking van textiel
BEREKENING VAN HET ENERGIEVERBRUIK
Het energieverbruik wordt berekend als de energie die tijdens het productieproces (exclusief verwarming van gebouwen) van grondstof tot eindproduct wordt verbruikt, en uitgedrukt als jaargemiddelde.
Voor synthetische (niet-hernieuwbare) grondstoffen begint de berekening vanaf de fabricage van het gebruikte product. De energie-inhoud van de grondstof (d.w.z. de feedstockenergie) wordt niet in de berekening opgenomen.
In de energieberekening moet ten minste 95 % van de energie die nodig is voor de productie van de grondstoffen, worden opgenomen. De energie die nodig is voor de fabricage van kleefstoffen wordt niet in de berekeningen opgenomen.
De voor de berekeningen gekozen eenheid is de MJ/m2.
De energie-inhoud van verscheidene brandstoffen wordt vermeld.
Elektriciteitsverbruik verwijst naar elektriciteit die bij een externe leverancier is aangekocht.
Indien de producent een energieoverschot heeft dat wordt verkocht als elektriciteit, stoom of warmte, kan de verkochte hoeveelheid worden afgetrokken van het brandstofverbruik. Uitsluitend de brandstof die echt voor de productie van vloerbedekking wordt gebruikt, wordt in de berekeningen meegenomen.
Milieuparameters
|
A |
= |
aandeel van hernieuwbare grondstoffen en gerecycleerde niet-hernieuwbare grondstoffen (%) (*1) |
|
B |
= |
aandeel van hernieuwbare brandstoffen (%) |
|
C |
= |
elektriciteitsverbruik (MJ/m2) |
|
D |
= |
brandstofverbruik (MJ/m2) |
In de volgende tabel wordt de energie-inhoud van verschillende brandstoffen vermeld:
Tabel voor het berekenen van het brandstofverbruik
Productieperiode — jaar:
Dagen:
Van:
Tot:
|
Brandstof |
Hoeveelheid |
Eenheden |
Omrekeningsfactor |
Energie (MJ) |
|
Stro (15 % W) |
|
kg |
14,5 |
|
|
Pellets (7 % W) |
|
kg |
17,5 |
|
|
Afvalhout (20 % W) |
|
kg |
14,7 |
|
|
Houtspaanders (45 % W) |
|
kg |
9,4 |
|
|
Turf |
|
kg |
20 |
|
|
Aardgas |
|
kg |
54,1 |
|
|
Aardgas |
|
Nm3 |
38,8 |
|
|
Butaan |
|
kg |
49,3 |
|
|
Kerosine |
|
kg |
46,5 |
|
|
Benzine |
|
kg |
52,7 |
|
|
Diesel |
|
kg |
44,6 |
|
|
Gasolie |
|
kg |
45,2 |
|
|
Zware stookolie |
|
kg |
42,7 |
|
|
Magerkool |
|
kg |
30,6 |
|
|
Antraciet |
|
kg |
29,7 |
|
|
Houtskool |
|
kg |
33,7 |
|
|
Industriële cokes |
|
kg |
27,9 |
|
|
Elektriciteit (van net) |
|
kWh |
3,6 |
|
|
Totaal energie (MJ) |
|
|||
(*1) Het gebruik van „hernieuwbare grondstoffen” en/of „gerecycleerde niet-hernieuwbare grondstoffen” is op vrijwillige basis.
III Besluiten op grond van het EU-Verdrag
BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/17 |
BESLUIT 2009/968/JBZ VAN DE RAAD
van 30 november 2009
houdende vaststelling van de geheimhoudingsregels betreffende Europol-informatie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (1) („het Europol-besluit”), en met name op artikel 40,
Gezien de door de raad van bestuur voorgelegde ontwerpregels,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
Overeenkomstig het Europol-besluit dient de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement, geheimhoudingsregels vast te stellen met betrekking tot informatie die wordt ingewonnen door of wordt uitgewisseld met Europol (hierna: „de regels” genoemd),
BESLUIT:
HOOFDSTUK I
DEFINITIES EN WERKINGSSFEER
Artikel 1
Definities
Voor deze regeling gelden de volgende definities:
|
a) |
„informatieverwerking” of „verwerking”: elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of niet-persoonsgebonden gegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens; |
|
b) |
„derde partij”: de entiteiten bedoeld in artikel 22, lid 1, en artikel 23, lid 1, van het Europol-besluit; |
|
c) |
„Europol-beveiligingscomité”: het in artikel 4 omschreven comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van Europol; |
|
d) |
„Europol-beveiligingscoördinator”: de adjunct-directeur die, naast zijn andere taken, door de directeur van Europol overeenkomstig artikel 38, lid 2, van het Europol-besluit met de coördinatie en de controle van de beveiliging is belast; |
|
e) |
„Europol-beveiligingsofficier”: de Europol-functionaris die door de directeur van Europol is benoemd en verantwoordelijk is voor beveiligingskwesties, overeenkomstig artikel 6; |
|
f) |
„beveiligingshandboek”: het handboek waarmee deze regeling ten uitvoer wordt gelegd en dat overeenkomstig artikel 7 moet worden opgesteld; |
|
g) |
„rubriceringsniveau”: het beveiligingsniveau dat aan een door of via Europol verwerkt document wordt toegekend, zoals bedoeld in artikel 10; |
|
h) |
„beveiligingspakket”: een bepaalde combinatie van beveiligingsmaatregelen die van toepassing is op informatie waarvoor een bepaald Europol-rubriceringsniveau geldt, zoals bedoeld in artikel 10; |
|
i) |
„basisbeschermingsniveau”: het beschermingsniveau dat geldt voor alle door of via Europol verwerkte informatie, uitgezonderd voor informatie die duidelijk herkenbaar of uitdrukkelijk gemarkeerd is als publieke informatie, zoals bedoeld in artikel 10, lid 1; |
|
j) |
„personeel”: tijdelijke functionarissen en/of arbeidscontractanten, bedoeld in artikel 39, lid 4, van het Europol-besluit; |
|
k) |
„gerubriceerde Europol-informatie”: informatie en materiaal in iedere vorm, waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking de wezenlijke belangen van Europol of van één of meer lidstaten in meerdere of mindere mate zou kunnen schaden, en waarvoor goede beveiligingsmaatregelen, zoals omschreven in artikel 7, lid 2, onder b), noodzakelijk zijn. |
Artikel 2
Werkingssfeer
1. In deze regeling worden de beveiligingsmaatregelen vastgesteld die worden toegepast op alle informatie die door of via Europol wordt verwerkt.
2. De communicatiekanalen tussen Europol en de nationale eenheden van de lidstaten, als bedoeld in artikel 8 van het Europol-besluit, bieden een niveau van bescherming dat gelijkwaardig is aan het niveau dat geboden wordt door deze maatregelen. Het beveiligingscomité zal voor deze communicatiekanalen een gemeenschappelijke norm goedkeuren.
3. De bijlage bij deze regeling bevat een overzicht van de in artikel 10 genoemde Europol-rubriceringsniveaus en de overeenkomstige markeringen die in de lidstaten gebruikt worden voor informatie waarop de rubriceringsniveaus van toepassing zijn. Wanneer een lidstaat de overige lidstaten en Europol in kennis stelt van een wijziging van de nationale bepalingen inzake rubriceringsniveaus of de overeenkomstige markeringen, stelt Europol een herziene versie van het in bijlage opgenomen overzicht op. Ten minste eenmaal per jaar gaat het Europol-beveiligingscomité na of het overzicht nog actueel is.
HOOFDSTUK II
BEVEILIGINGSTAKEN
Artikel 3
Taken van de lidstaten
1. De lidstaten verbinden zich ertoe te waarborgen dat Europol-informatie op hun grondgebied een niveau van bescherming krijgt dat gelijkwaardig is aan het niveau dat geboden wordt door deze regeling.
2. De lidstaten stellen de beveiligingscoördinator in kennis van alle inbreuken op de beveiliging die de belangen van Europol of van een lidstaat kunnen schaden. In laatstgenoemd geval wordt de lidstaat in kwestie ook rechtstreeks via de nationale eenheid op de hoogte gebracht.
Artikel 4
Beveiligingscomité
1. Er wordt een beveiligingscomité opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en van Europol, dat ten minste tweemaal per jaar vergadert.
2. Het beveiligingscomité heeft tot taak de raad van bestuur en de directeur van Europol advies te geven over aangelegenheden die verband houden met het beveiligingsbeleid, met inbegrip van de toepassing van het beveiligingshandboek.
3. Het beveiligingscomité stelt zijn reglement van orde vast. De vergaderingen van het Europol-beveiligingscomité worden voorgezeten door de beveiligingscoördinator.
Artikel 5
Beveiligingscoördinator
1. De beveiligingscoördinator is in het algemeen verantwoordelijk voor alle aangelegenheden die betrekking hebben op de beveiliging, met inbegrip van de beveiligingsmaatregelen die in deze regeling en in het beveiligingshandboek staan. De coördinator controleert de toepassing van de beveiligingsvoorschriften en brengt alle inbreuken op de beveiligingsvoorschriften ter kennis van de directeur. Wanneer er sprake is van een ernstige inbreuk brengt de directeur de raad van bestuur op de hoogte. Indien de inbreuk de belangen van een lidstaat dreigt te schaden, wordt ook deze lidstaat ervan in kennis gesteld.
2. De beveiligingscoördinator is rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de directeur van Europol.
3. De beveiligingscoördinator is gemachtigd op het hoogste veiligheidsniveau volgens de wet- en regelgeving van de lidstaat waarvan hij onderdaan is.
Artikel 6
Beveiligingsofficieren
1. De beveiligingsofficieren helpen de directeur bij het uitvoeren van de beveiligingsmaatregelen die in deze regeling en in het beveiligingshandboek staan. De beveiligingsofficieren zijn rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de beveiligingscoördinator. De beveiligingsofficieren hebben de volgende specifieke taken:
|
a) |
zij instrueren, helpen en adviseren iedereen bij Europol en eenieder voor wie een bijzondere zwijg- of geheimhoudingsplicht in verband met Europol-activiteiten geldt, bij de taken die zij uit hoofde van deze regeling en het beveiligingshandboek hebben; |
|
b) |
zij zien toe op de naleving van de beveiligingsvoorschriften, onderzoeken inbreuken daarop en brengen daarover onmiddellijk verslag uit aan de beveiligingscoördinator; |
|
c) |
zij toetsen geregeld of de beveiligingsmaatregelen toereikend zijn, en doen dat op basis van dreigingsevaluaties. Te dien einde brengen zij in de regel ten minste eenmaal per maand, en in uitzonderlijke gevallen zo vaak als nodig wordt geacht, verslag uit bij de beveiligingscoördinator, en formuleren zij aanbevelingen en adviezen; |
|
d) |
zij voeren de taken uit die zij krachtens deze regeling of het beveiligingshandboek hebben, en |
|
e) |
zij voeren andere taken uit die de beveiligingscoördinator hun opdraagt. |
2. De beveiligingsofficieren zijn gemachtigd op het voor hun taken vereiste veiligheidsniveau en volgens de wet- en regelgeving van de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn.
Artikel 7
Beveiligingshandboek, procedure en inhoud
1. Het beveiligingshandboek wordt aangenomen door de raad van bestuur na overleg met het beveiligingscomité.
2. Het beveiligingshandboek geeft bestuurlijke aanwijzingen en ondersteuning voor beveiliging overeenkomstig hetgeen voor het werk nodig is en omschrijft hoe Europol het beveiligingsbeheer aanpakt. Het beveiligingshandboek omvat:
|
a) |
gedetailleerde voorschriften over de binnen Europol toe te passen beveiligingsmaatregelen die voorzien in een basisbeschermingsniveau als bedoeld in artikel 10, lid 1, van deze regeling, gebaseerd op artikel 35 en artikel 41, lid 2, van het Europol-besluit, en rekening houdend met artikel 40, lid 3, van dat besluit; |
|
b) |
gedetailleerde voorschriften over de beveiligingsmaatregelen die overeenstemmen met de verschillende Europol-rubriceringsniveaus en de daarmee corresponderende beveiligingspakketten, bedoeld in artikel 10, leden 2 en 3. In het beveiligingshandboek wordt ook rekening gehouden met artikel 46 van het Europol-besluit. |
3. Het beveiligingshandboek wordt met regelmatige tussenpozen, en wanneer zich aanzienlijke veranderingen voordoen, herzien zodat wordt gegarandeerd dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft.
4. Wijzigingen van het beveiligingshandboek worden aangenomen overeenkomstig de in lid 1 omschreven procedure.
Artikel 8
Veiligheidaccreditatie van systemen
1. Alle systemen van Europol voor de verwerking van gerubriceerde Europol-informatie zijn geaccrediteerd door de raad van bestuur, die eerst het beveiligingscomité raadpleegt en de verzekering krijgt dat de uit de systeemeigen beveiligingsvoorschriften (SSSR), het register van informatierisico’s en andere ter zake doende documentatie voortvloeiende beveiligingsmaatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Subsystemen en afzonderlijke terminals/werkstations worden geaccrediteerd als onderdeel van alle systemen waarmee zij zijn verbonden.
2. De SSSR worden aangenomen en gewijzigd door de raad van bestuur, die eerst overleg pleegt met het beveiligingscomité. Deze SSSR moeten verenigbaar zijn met de relevante bepalingen van het beveiligingshandboek.
Artikel 9
Naleving
1. Alle personeelsleden van Europol, evenals alle andere bij aan Europol gerelateerde activiteiten betrokken personen voor wie een bijzondere zwijg- of geheimhoudingsplicht geldt, zijn gehouden de beveiligingsmaatregelen van deze regeling en van het beveiligingshandboek na te leven.
2. De directeur, de verbindingsbureaus en de nationale Europol-eenheden zijn verantwoordelijk voor de naleving van deze regeling en van het beveiligingshandboek overeenkomstig lid 1.
HOOFDSTUK III
ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 10
Basisbeschermingsniveau, rubriceringsniveaus en beveiligingspakketten
1. Voor alle informatie die door of via Europol wordt verwerkt, behalve voor informatie die duidelijk herkenbaar of uitdrukkelijk gemarkeerd is als publieke informatie, geldt een basisbeschermingsniveau binnen Europol en in de lidstaten.
2. Overeenkomstig artikel 3 waarborgen de lidstaten de toepassing van het in lid 1 bedoelde basisbeschermingsniveau door middel van maatregelen van uiteenlopende aard, overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving, daaronder begrepen de zwijg- en geheimhoudingsplicht, het beperken van de toegang tot de informatie tot gemachtigde personeelsleden, vereisten inzake de bescherming van persoonsgegevens en algemene technische en proceduremaatregelen om de beveiliging van de informatie te waarborgen, zulks rekening houdend met artikel 41, lid 2, van het Europol-besluit.
3. Aan informatie die extra beveiligingsmaatregelen vereist, wordt een Europol-rubriceringsniveau toegekend, dat als zodanig wordt gemarkeerd. Een beveiligingsniveau geldt alleen indien zulks absoluut noodzakelijk is en alleen voor zolang als nodig is.
4. Er wordt gebruikgemaakt van de volgende rubriceringsniveaus van Europol:
a) „RESTREINT UE/EU RESTRICTED”: deze rubricering wordt toegepast op informatie en materiaal waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking schadelijk zou kunnen zijn voor de belangen van Europol, de Europese Unie of van één of meer lidstaten;
b) „CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL”: deze rubricering wordt toegepast op informatie en materiaal waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking schadelijk zou kunnen zijn voor de wezenlijke belangen van Europol, de Europese Unie of van één of meer lidstaten;
c) „SECRET UE/EU SECRET”: deze rubricering wordt uitsluitend toegepast op informatie en materiaal waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking in ernstige mate schadelijk zou kunnen zijn voor de wezenlijke belangen van Europol, de Europese Unie of van één of meer lidstaten;
d) „TRÈS SECRET UE/EU TOP SECRET”: deze rubricering wordt toegepast op informatie en materiaal waarvan de ongeoorloofde openbaarmaking uitzonderlijk ernstige schade zou kunnen toebrengen aan de wezenlijke belangen van Europol, de Europese Unie of van één of meer lidstaten.
Op deze gerubriceerde informatie en materiaal wordt onder de rubriceringsmarkering een bijkomende markering („EUROPOL”) geplaatst, om aan te geven dat het document afkomstig is van Europol.
Aan elk Europol-rubriceringsniveau is een specifiek beveiligingspakket verbonden dat binnen Europol wordt toegepast. De beveiligingspakketten bieden verschillende beschermingsniveaus, afhankelijk van de inhoud van de informatie en gelet op de ernst van de gevolgen die ongeoorloofde toegang tot, verspreiding of gebruik van de informatie voor de belangen van Europol of van de lidstaten zouden kunnen hebben.
Wanneer gegevens van verschillende rubriceringsniveaus worden verzameld, wordt in elk geval het rubriceringsniveau van de gegevens met het hoogste beschermingsniveau toegepast. Aan een dergelijke verzameling van gegevens kan hoe dan ook een hoger beschermingsniveau worden toegekend dan aan de afzonderlijke gegevens.
De vertaling van gerubriceerde documenten krijgt hetzelfde rubriceringsniveau en dezelfde bescherming als het origineel.
5. Er kan een waarschuwingsmarkering worden gebruikt voor bijkomende voorwaarden, zoals wanneer de verspreiding beperkt dient te blijven tot specifieke kanalen voor informatie-uitwisseling, wanneer er een embargo geldt of er een speciale verspreiding is op „need-to-know”-basis. Zulke waarschuwingsmarkeringen worden in het beveiligingshandboek omschreven.
6. De beveiligingspakketten omvatten verscheidene maatregelen van fysieke, technische, organisatorische of administratieve aard, zoals omschreven in het beveiligingshandboek.
Artikel 11
Keuze van het rubriceringsniveau
1. De lidstaat die aan Europol informatie verstrekt, is verantwoordelijk voor het bepalen van het juiste rubriceringsniveau voor dergelijke informatie, in overeenstemming met artikel 10. Eventueel duidt de lidstaat bij het verstrekken van informatie het Europol-rubriceringsniveau overeenkomstig artikel 10, lid 4, aan.
2. Bij het bepalen van het rubriceringsniveau houden de lidstaten rekening met de wijze waarop informatie volgens hun nationale regelgeving wordt gerubriceerd, met de voor een adequaat functioneren van Europol vereiste operationele flexibiliteit en met de vereiste dat rubricering van rechtshandhavingsinformatie alleen bij uitzondering wordt toegepast en dat, indien een dergelijke rubricering noodzakelijk is, het laagst mogelijke niveau moet worden toegekend.
3. Indien Europol — op basis van informatie waarover het reeds beschikt — concludeert dat de keuze van een rubriceringsniveau moet worden gewijzigd (zoals de mogelijke opheffing of toevoeging van een niveau, dan wel het toevoegen van een rubriceringsniveau aan een document dat aanvankelijk op het basisbeschermingsniveau zat), stelt Europol de betrokken lidstaat op de hoogte en wordt er getracht overeenstemming te bereiken over een passend rubriceringsniveau. Zonder een dergelijke overeenstemming worden door Europol geen rubriceringsniveaus gespecificeerd, gewijzigd, toegevoegd of opgeheven.
4. Wanneer de door Europol gegenereerde informatie stoelt op, of mede bestaat uit, door een lidstaat verstrekte informatie, bepaalt Europol in overeenstemming met de betrokken lidstaat of het basisbeschermingsniveau volstaat, dan wel of er een Europol-rubriceringsniveau vereist is.
5. Wanneer de informatie door Europol zelf wordt gegenereerd en niet stoelt op, noch mede bestaat uit door een lidstaat verstrekte informatie, bepaalt Europol het passende rubriceringsniveau voor dergelijke informatie volgens door het beveiligingscomité bepaalde criteria. Indien nodig markeert Europol de informatie dienovereenkomstig.
6. Wanneer informatie ook de wezenlijke belangen van een andere lidstaat aangaat, raadplegen de lidstaten en Europol deze lidstaat over de vraag of aan die informatie een rubriceringsniveau moet worden toegekend en, zo ja, welk rubriceringsniveau.
Artikel 12
Wijziging van rubriceringsniveaus
1. Een lidstaat die informatie aan Europol heeft verstrekt, kan te allen tijde eisen dat een gekozen rubriceringsniveau wordt gewijzigd, of dat een rubriceringsniveau wordt opgeheven of toegevoegd. Europol is verplicht het rubriceringsniveau op te heffen, te wijzigen of toe te voegen overeenkomstig de wensen van de betrokken lidstaat.
2. Zodra de omstandigheden zulks toelaten, verzoekt de betrokken lidstaat het rubriceringsniveau in kwestie te verlagen of op te heffen.
3. Een lidstaat die aan Europol informatie verstrekt, kan aangeven voor welke periode een gekozen rubriceringsniveau geldt en welke wijzigingen daarna eventueel in het rubriceringsniveau moeten worden aangebracht.
4. Wanneer de keuze van het basisbeschermingsniveau of het rubriceringsniveau bepaald is door Europol, overeenkomstig artikel 11, lid 4, wijzigt Europol het basisbeschermingsniveau of het rubriceringsniveau alleen in overeenstemming met de betrokken lidstaten.
5. Wanneer de keuze van het rubriceringsniveau bepaald is door Europol overeenkomstig artikel 11, lid 5, kan Europol het rubriceringsniveau te allen tijde wijzigen of opheffen indien zulks nodig wordt geacht.
6. Wanneer informatie waarvan het rubriceringsniveau overeenkomstig dit artikel wordt gewijzigd, reeds aan andere lidstaten is toegezonden, is Europol verplicht de ontvangers van de wijziging van het rubriceringsniveau op de hoogte te brengen.
Artikel 13
Verwerking, toegang en veiligheidsmachtiging
1. Toegang tot en bezit van informatie wordt binnen Europol beperkt tot personen die uit hoofde van hun taken of verplichtingen kennis moeten nemen van de informatie of ermee moeten werken. Personen aan wie de verwerking van informatie wordt toevertrouwd, hebben een passende veiligheidsmachtiging en worden speciaal opgeleid.
2. Eenieder die toegang heeft tot door Europol verwerkte informatie waarvoor een rubriceringsniveau geldt, ondergaat een veiligheidsonderzoek overeenkomstig artikel 40, lid 2, van het Europol-besluit en het beveiligingshandboek. De beveiligingscoördinator verleent, op basis van het resultaat van het veiligheidsonderzoek en overeenkomstig de bepalingen van het beveiligingshandboek, machtiging aan personen die op het passende nationale veiligheidsniveau gemachtigd zijn en die uit hoofde van hun taken of verplichtingen kennis moeten nemen van informatie waarvoor een Europol-rubriceringsniveau geldt. De machtiging wordt geregeld door de beveiligingscoördinator opnieuw bezien. Een machtiging kan onmiddellijk door de beveiligingscoördinator worden ingetrokken, wanneer hij meent dat hiervoor te rechtvaardigen gronden aanwezig zijn. De beveiligingscoördinator is tevens verantwoordelijk voor de uitvoering van lid 3.
3. Niemand heeft toegang tot informatie waarvoor een rubriceringsniveau geldt zonder op het passende veiligheidsniveau gemachtigd te zijn. Bij wijze van uitzondering kan de beveiligingscoördinator evenwel, na overleg met een beveiligingsofficier,
|
a) |
aan op niveau „CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL” gemachtigde personen specifieke en beperkte machtiging verlenen voor toegang tot bepaalde informatie, tot het niveau „SECRET UE/EU SECRET”, indien deze personen uit hoofde van hun taken of verplichtingen in een specifiek geval kennis moeten nemen van informatie van een hoger Europol-rubriceringsniveau, of |
|
b) |
indien dat in het belang van Europol is, nadat hij de nationale bevoegde instanties heeft geïnformeerd en mits deze niet binnen drie maanden reageren, in afwachting van het resultaat van het onderzoek waarnaar in lid 2 wordt verwezen, een tijdelijk machtiging verlenen voor toegang tot gerubriceerde informatie voor een periode van hoogstens zes maanden. Indien een tijdelijke machtiging voor toegang wordt verleend, deelt de beveiligingscoördinator dat aan de bevoegde nationale instanties mee. Deze tijdelijke machtiging geeft geen toegang tot informatie die als „SECRET UE/EU SECRET” of hoger is gerubriceerd. |
4. Een dergelijke machtiging wordt niet verleend indien een lidstaat bij het verschaffen van de betreffende informatie heeft gespecificeerd dat de in lid 3 bedoelde bevoegdheid van de beveiligingscoördinator niet wordt uitgeoefend met betrekking tot die informatie.
Artikel 14
Derde partijen
Wanneer Europol met derde partijen een overeenkomst ter bescherming van geheime informatie sluit, dan wel overeenkomstig artikel 22, lid 4, en artikel 23, lid 7, van het Europol-besluit een overeenkomst sluit, houdt Europol rekening met de beginselen van deze regeling en van het beveiligingshandboek, welke dienovereenkomstig moeten worden toegepast op informatie die met deze derde partijen wordt uitgewisseld.
HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 15
Inwerkingtreding
Voorstellen betreffende wijzigingen van deze regeling worden door de raad van bestuur in overweging genomen met het oog op de aanneming ervan door de Raad overeenkomstig de procedure van artikel 40, lid 1, van het Europol-besluit.
Artikel 16
Herziening van de regeling
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2010.
Gedaan te Brussel, 30 november 2009.
Voor de Raad
De voorzitster
B. ASK
BIJLAGE
TABEL VAN RUBRICERINGSNIVEAUS
|
Gelijkwaardigheid van rubriceringsniveaus |
||||
|
Europol (1) |
TRÈS SECRET UE/EU TOP SECRET |
SECRET UE/EU SECRET |
CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL |
RESTREINT UE/EU RESTRICTED |
|
België |
Très Secret Zeer Geheim |
Secret Geheim |
Confidentiel Vertrouwelijk |
Diffusion restreinte Beperkte verspreiding |
|
Bulgarije |
СТРОГО СЕКРЕТНО |
СЕКРЕТНО |
ПОВЕРИТЕЛНО |
ЗА СЛУЖЕБНО ПОЛЗВАНЕ |
|
Tsjechië |
Přísně tajné |
Tajné |
Důvěrné |
Vyhrazené |
|
Denemarken |
Yderst hemmeligt |
Hemmeligt |
Fortroligt |
Til tjenestebrug |
|
Duitsland |
Streng geheim |
Geheim |
VS — Vertraulich |
VS — Nur für den Dienstgebrauch |
|
Estland |
Täiesti Salajane |
Salajane |
Konfidentsiaalne |
Piiratud |
|
Ierland |
Top Secret |
Secret |
Confidential |
Confidential |
|
Griekenland |
Άκρως Απόρρητο |
Απόρρητο |
Εμπιστευτικό |
Περιορισμένης Χρήσης |
|
Spanje |
Secreto |
Reservado |
Confidencial |
Difusión Limitada |
|
Frankrijk |
Très Secret Défense |
Secret Défense |
Confidentiel Défense |
|
|
Italië |
Segretissimo |
Segreto |
Riservatissimo |
Riservato |
|
Cyprus |
Άκρως Απόρρητο |
Απόρρητο |
Εμπιστευτικό |
Περιορισμένης Χρήσης |
|
Letland |
Sevišķi slepeni |
Slepeni |
Konfidenciāli |
Dienesta vajadzībām |
|
Litouwen |
Visiškai slaptai |
Slaptai |
Konfidencialiai |
Riboto naudojimo |
|
Luxemburg |
Très secret |
Secret |
Confidentiel |
Diffusion restreinte |
|
Hongarije |
Szigorúan titkos! |
Titkos! |
Bizalmas! |
Korlátozott terjesztésű! |
|
Malta |
L-Ghola Segretezza |
Sigriet |
Kunfidenzjali |
Ristrett |
|
Nederland |
BE Zeer geheim |
STG Zeer geheim |
STG Confidentieel |
Vertrouwelijk |
|
Oostenrijk |
Streng geheim |
Geheim |
Vertraulich |
Eingeschränkt |
|
Polen |
Ściśle Tajne |
Tajne |
Poufne |
Zastrzeżone |
|
Portugal |
Muito Secreto |
Secreto |
Confidencial |
Reservado |
|
Roemenië |
Strict secret de importanță deosebită |
Strict secret |
Secret |
Secret de serviciu |
|
Slovenië |
Strogo tajno |
Tajno |
Zaupno |
Interno |
|
Slowakije |
Prísne tajné |
Tajné |
Dôverné |
Vyhradené |
|
Finland |
Erittäin salainen |
Salainen |
Luottamuksellinen |
Viranomaiskäyttö |
|
Zweden |
Kvalificerat hemlig |
Hemlig |
Hemlig |
Hemlig |
|
Verenigd Koninkrijk |
Top Secret |
Secret |
Confidential |
Restricted |
(1) De markering „Europol” wordt ingevoegd onder de rubriceringsmarkering.
IV Andere besluiten
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
Gemengd Comité van de EER
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/23 |
BESCHIKKING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA
Nr. 191/08/COL
van 17 maart 2008
betreffende onbetaald werk ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten (Noorwegen)
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (1),
Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), en met name op de artikelen 61, 62 en 63, en Protocol nr. 26,
Gelet op de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (3), en met name op artikel 24,
Gelet op artikel 1, leden 2 en 3, van deel I en artikel 4, lid 4, artikel 6 en artikel 7, lid 4, van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst,
Gelet op de richtsnoeren staatssteun van de Autoriteit voor de toepassing en uitlegging van de artikelen 61 en 62 van de EER-overeenkomst (4), en met name op het deel over steun ten behoeve van onderzoek, ontwikkeling en innovatie,
Gelet op Besluit nr. 59/06/COL van de Autoriteit van 8 maart 2006 tot inleiding van de formele onderzoekprocedure van artikel 1, lid 2, van deel I en artikel 6 van deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst,
Na de belanghebbenden overeenkomstig voornoemde bepalingen in de gelegenheid te hebben gesteld hun opmerkingen in te dienen (5),
Overwegende hetgeen volgt:
I. DE FEITEN
1. PROCEDURE
De Noorse autoriteiten hebben bij schrijven van 14 oktober 2005 van de Noorse Missie bij de Europese Unie, waarmee een schrijven van het Noorse ministerie van Handel en Industrie van 5 oktober 2005 werd doorgeleid (beide op 17 oktober 2005 door de Autoriteit ontvangen en geregistreerd — Event nr. 346675), overeenkomstig artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst, aanmelding gedaan van een voorstel voor een nieuwe staatssteunregeling ten behoeve van onbetaald werk in verband met werkzaamheden op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (hierna „O&O” genoemd). De voorgenomen regeling wordt hierna „de regeling onbetaald O&O-werk” genoemd.
Bij schrijven van 8 maart 2006 (Event nr. 364666), en na diverse correspondentie (6), stelde de Autoriteit de Noorse autoriteiten in kennis van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 6 van deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst ten aanzien van de regeling onbetaald O&O-werk en verzocht zij hen hun opmerkingen bij dat besluit te maken.
Bij schrijven van 19 april 2006 van de Noorse Missie bij de Europese Unie, waarbij het schrijven van het ministerie van Bestuurszaken en Hervormingen van 11 april 2006 en het schrijven van het ministerie van Handel en Industrie van 7 april 2006 werden doorgeleid, hebben de Noorse autoriteiten hun opmerkingen gemaakt. Deze brief werd op 20 april 2006 ontvangen en geregistreerd door de Autoriteit (Event nr. 370829).
Besluit nr. 59/06/COL tot inleiding van de formele onderzoekprocedure werd in het Publicatieblad van de Europese Unie en het EER-Supplement bekendgemaakt (7). De Autoriteit heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen te maken. De Autoriteit heeft van de belanghebbenden geen opmerkingen ter zake ontvangen.
Ten slotte hebben de Noorse autoriteiten, met een door het ministerie van Bestuurszaken en Hervormingen elektronisch ingediende brief van 15 februari 2008 (Event nr. 465311), na informele contacten via zowel telefoon als e-mail in 2007 en januari 2008 informatie in geconsolideerde vorm doorgezonden.
2. BESCHRIJVING VAN DE VOORGENOMEN MAATREGEL
2.1. DOELSTELLING, RECHTSGRONDSLAG EN FUNCTIONEREN VAN DE REGELING ONBETAALD O&O-WERK
Doelstelling
Uit het voorbereidende wetgevende werk blijkt dat de algemene doelstelling van de regeling onbetaald O&O-werk het stimuleren is van investeringen in O&O-activiteiten, met name door kleine ondernemingen zoals startende ondernemers en eenmansbedrijven (8). Meer specifiek zet de nieuwe regeling in op het stimuleren van inspanningen van personen in O&O-gerichte ondernemingen die, in de opstartfase, vaak afhankelijk zijn van arbeidskrachten die niet kunnen worden betaald. De Noorse autoriteiten vinden O&O-gerichte ondernemingen belangrijk met het oog op zowel de dankzij het onderzoek gecreëerde waarde als innovatie.
Meer specifiek hebben de Noorse autoriteiten uitgelegd dat de invoering van de regeling onbetaald O&O-werk werd ingegeven door het feit dat het in bestaande Skattefunn-regeling (9) niet mogelijk is steun te verlenen voor onbetaald werk ten behoeve van O&O-activiteiten door startende ondernemers en eenmansbedrijven, omdat de Skattefunn-regeling een regeling voor belastingaftrek is (10). In dat verband hebben de autoriteiten hebben uitgelegd dat in het kader van de Skattefunn-regeling ten behoeve van O&O-activiteiten steun wordt verleend in de vorm van een belastingaftrek (of belastingkrediet) waarbij een bedrag ten belope van een percentage van de in aanmerking komende kosten in mindering wordt gebracht op de door onderneming verschuldigde belasting. De Noorse autoriteiten waren echter van oordeel dat het niet met de algemene belastingwetgeving in overeenstemming zou zijn om op de verschuldigde belasting een bedrag af te trekken dat niet is gebaseerd op de daadwerkelijk in aanmerking komende kosten, doch op onbetaald werk — dus „kosten” die niet zijn gemaakt omdat er geen loon is betaald en waarvan evenmin iets in de boekhouding van de onderneming is terug te vinden. Op grond daarvan werd geoordeeld dat onbetaald werk in het kader van de Skattefunn-regeling niet als subsidiabele kosten in aanmerking kon worden genomen.
Tegen deze achtergrond hebben de Noorse autoriteiten voorgesteld om de regeling onbetaald O&O-werk op te zetten, waarbij voor onbetaald werk ten behoeve van O&O-activiteiten financiële steun in de vorm van belastingvrije subsidies wordt verleend. Als dusdanig zijn de Noorse autoriteiten van oordeel dat de regeling onbetaald O&O-werk een correctie van of aanvulling op de bestaande Skattefunn-regeling is.
In de aanmelding hebben de Noorse autoriteiten ook uitgelegd dat vele ondernemingen projecten hebben lopen die in het kader van de Skattefunn-regeling werden goedgekeurd, maar waarvoor zij nadien geen belastingaftrek konden krijgen (of een bedrag ter hoogte van de al ontvangen belastingaftrek dienden terug te betalen) omdat bij deze projecten een beroep werd gedaan op onbetaald werk. Daarom hadden de Noorse autoriteiten besloten een „compensatieregeling” in te voeren om ondernemingen te compenseren voor de financiële verliezen die zij in de periode 2002-2004 bij hun O&O-projecten hebben geleden doordat onbetaald werk niet voor de Skattefunn-regeling in aanmerking kwam (11). In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure ten aanzien van de regeling onbetaald O&O-werk stelde de Autoriteit zich op het standpunt dat steun die in het kader van de compensatieregeling aan ondernemingen wordt verleend, als de-minimissteun in de zin van de verordening de-minimissteun (12) kan gelden. De formele onderzoekprocedure zag niet op de compensatieregeling
Rechtsgrondslag
In de ontwerp-rijksbegroting die de Noorse regering aanvankelijk bij het Noorse Parlement had ingediend (13), waarbij er een aanbeveling van een parlementscommissie aan het Parlement kwam (14), stelde de regering voor om in totaal 70 miljoen NOK uit te trekken voor zowel de regeling onbetaald O&O-werk als de compensatieregeling (15). In afwachting van toestemming van de Autoriteit zijn in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk geen middelen uitgekeerd, maar de Noorse autoriteiten hebben verklaard dat het jaarbudget voor de regeling naar verwachting maximaal zo’n 50 miljoen NOK zal bedragen (16).
Parallel met de goedkeuring van het oorspronkelijke budget voor de regeling onbetaald O&O-werk keurde het Noorse Parlement op 17 juni 2005 een voorstel tot wijziging van de Noorse Wet vermogens- en inkomstenbelasting goed waarbij bepalingen werden ingevoerd over de fiscale behandeling en de steunplafonds ten aanzien van de financiering ten behoeve van de regeling onbetaald O&O-werk (hierna „wet belasting regeling onbetaald O&O-werk” genoemd) (17).
Naast de goedkeuring van de begroting en de wet belasting regeling onbetaald O&O-werk heeft het Noorse ministerie van Handel en Industrie ontwerp-richtsnoeren bekendgemaakt over de tenuitvoerlegging van de regeling onbetaald O&O-werk (18) (hierna „richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk” genoemd) De ontwerp-richtsnoeren bepalen dat de Noorse Raad voor onderzoek (Norges forskningsråd) de instantie is die met het beheer en de tenuitvoerlegging van de regeling is belast.
Functioneren van de regeling onbetaald O&O-werk — in aanmerking komende projecten
Uit de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk blijkt dat het bij de in aanmerking komende projecten moet gaan om O&O-activiteiten die worden verricht door personen die voor hun werk geen betaling of enige andere vergoeding ontvangen. Personen die betalingen ontvangen uit andere publieke bronnen, vallen buiten de regeling (19).
Volgens de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk komen de volgende projecten in aanmerking:
|
i) |
projecten die planmatig of kritisch onderzoek omvatten dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Daarbij gaat het om de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor dat soort onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypen als bedoeld in punt ii) (20), en |
|
ii) |
projecten met als doel het verschaffen van nieuwe informatie, kennis of ervaring die voor de onderneming nuttig wordt geacht in verband met de ontwikkeling van nieuwe of betere producten, diensten of productiemethoden. Voorts komen ook activiteiten waarbij de resultaten van industrieel onderzoek worden omgezet in een plan, project of ontwerp voor nieuwe, betere producten, diensten of productieprocedés, alsmede de ontwikkeling van een eerste prototype of proefproject dat niet zakelijk valt te exploiteren, voor deze regeling in aanmerking (21). |
De Noorse autoriteiten verklaarden dat deze definities van in aanmerking komende O&O-projecten identiek zijn met de definities van in het kader van de bestaande Skattefunn-regeling aanmerking komende O&O-projecten. In feite hebben de Noorse autoriteiten het bij projecten die in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk in aanmerking komen, in de praktijk over projecten die voldoen aan de „Skattefunn-criteria” of die in het kader van de Skattefunn-regeling zijn goedgekeurd (22).
Zoals eerder is aangegeven, zal de regeling onbetaald O&O-werk worden beheerd en ten uitvoer gelegd door de Noorse Raad voor onderzoek. Deze instantie vervult ook de functie van secretariaat en van beheersinstantie die nagaat of de projecten in het kader van de Skattefunn-regeling in aanmerking komen (23). De Noorse autoriteiten verklaarden dat het feit dat in aanmerking komende O&O-activiteiten in zowel de Skattefunn-regeling als de regeling onbetaald O&O-werk op dezelfde wijze worden gedefinieerd, en dat de beheersinstantie die moet nagaan of de projecten in aanmerking komen, in beide regelingen dezelfde is, betekent dat de beide regelingen nauw worden gecoördineerd wat betreft de tenuitvoerlegging ervan. Op dit punt is het de bedoeling dat aanvragers van steun voor in aanmerking komende O&O-activiteiten slechts één aanvraagformulier hoeven in te dienen waarbij de aanvrager de mogelijkheid heeft om te selecteren of steun wordt gevraagd voor betaald en/of onbetaald werk in verband met de betrokken O&O-activiteiten (24). Bovendien wordt, wanneer aanvragers ook steun in het kader van de Skattefunn-regeling steun aanvragen, ook rekening gehouden met de financiële steun verleend in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk, en geldt voor de totale steun het steunplafond van de Skattefunn-regeling (25). In feite is volgens de Noorse autoriteiten het enige verschil tussen de beide regelingen het soort in aanmerking komende kosten (betaald of onbetaald werk) en de vorm waarin de steun wordt verleend (belastingaftrek of belastingvrije subsidie).
Voorts hebben de Noorse autoriteiten verklaard dat, willen projecten voor de regeling onbetaald O&O-werk in aanmerking komen, zij niet vóór de steunaanvraag mogen zijn opgestart (26).
2.2. BEGUNSTIGDEN
In de aanmelding legden de Noorse autoriteiten uit dat de regeling onbetaald O&O-werk open staat voor alle belastingbetalers die in Noorwegen belastingplichtig zijn, daaronder begrepen alle ondernemingen, ongeacht hun grootte, sector of regio (27). Ook ondernemingen die tezamen deelnemen aan een samenwerkingsproject kunnen voor de regeling in aanmerking komen (28).
De Noorse autoriteiten legden uit dat de reden waarom in de regeling onbetaald O&O-werk ook middelgrote en grote ondernemingen zijn opgenomen, was dat ze de regeling gelijk wilden laten lopen met de voorwaarden van de Skattefunn-regeling (die voor alle ondernemingen, ongeachte hun grootte, open staat). De Noorse autoriteiten verklaarden in dat verband dat „dit ook de reden is waarom er in de regeling onbetaald O&O-werk geen formele discriminatie van grote ondernemingen is wat betreft de definitie van de begunstigden” (cursief toegevoegd) (29).
Toch hebben de Noorse autoriteiten ook duidelijk gemaakt dat, in de praktijk, de regeling onbetaald O&O-werk specifiek bedoeld is voor startende ondernemers en eenmansbedrijven: „Zelfs indien de regeling ondernemingen van alle omvang omvat, impliceert de aard zelf van de regeling (steun voor onbetaald werk) dat het stimulerende effect het sterkst is voor startende ondernemingen en eenmansbedrijven” (30). In diezelfde lijn verklaarden de Noorse autoriteiten dat de regeling onbetaald O&O-werk „zich vooral richt op technostarters die personen die O&O-activiteiten uitvoeren, geen loon kunnen betalen” en dat „aangezien de regeling onbetaald O&O-werk steun verleent voor onbetaald werk van O&O-werknemers die voor dit werk geen loon of enige andere vergoeding ontvangen, de regeling niet relevant is voor gewone middelgrote en grote ondernemingen” (31).
Op grond daarvan verklaarden de Noorse autoriteiten dat „ondernemingen met een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal dat voldoet aan de definitie van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van middelgrote ondernemingen, in de praktijk geen steun ten behoeve van onbetaald werk zullen ontvangen” (32). Zij voegden daaraan nog toe: „Grotere ondernemingen gebruiken doorgaans in dienst genomen en betaald O&O-personeel voor het uitvoeren van de eigenlijke O&O-activiteiten in een Skattefunn-project” en „de kosten om deze werknemers te betalen, komen in aanmerking voor een teruggaaf van belasting in het kader van de Skattefunn-regeling, en dit soort ondernemingen zullen dus de behoefte noch de basis hebben om een subsidie in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk aan te vragen” (33).
Ten slotte verklaarden de Noorse autoriteiten dat, aangezien het steunplafond voor een in aanmerking komend project gelijk blijft, ongeacht of de steun uitsluitend in de vorm van een belastingaftrek wordt verleend (in het kader van de Skattefunn-regeling), of als een combinatie van een belastingaftrek en een subsidie (in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk), er geen prikkel is voor grote ondernemingen om steun in het kader van beide regelingen aan te vragen.
Bijgevolg deelden de Noorse autoriteiten de Autoriteit bij schrijven van 15 februari 2008 (Event nr. 465311) mee dat „de regeling formeel beperkt is tot de kleine en micro-ondernemingen in de zin van de definitie van de Autoriteit”.
2.3. IN AANMERKING KOMEN KOSTEN EN STEUNINTENSITEIT
In aanmerking komende kosten
Volgens de aanmelding van de Noorse autoriteiten bestaan de in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk in aanmerking komende uitgaven uit de kosten voor onbetaald werk in verband met een in aanmerking komend project (34). Wat betreft het bepalen van het (de) passende uurlo(o)n(en) voor het onbetaalde werk, verklaarden de Noorse autoriteiten dat het, aangezien iemands formele kwalificaties niet altijd tot uiting komen bij zijn vermogen om O&O-projecten uit te voeren, lastig is afzonderlijke uurlonen te bepalen die beantwoorden aan de relevante opleiding, ervaring en werkterrein. Daarom was besloten één gemeenschappelijk uurloon te hanteren voor het berekenen van steun in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk.
Het door de Noorse autoriteiten voorgestelde uurloon is bepaald als 1,6 ‰ van het nominale jaarloon van een werknemer in de industrie in 2005 (348 300 NOK) (35), hetgeen een uurloon van 557,28 NOK oplevert dat, gemakshalve, werd afgerond tot 500 NOK. Het uurloon van 500 NOK kan, op grond van de algemene loonontwikkelingen, door het ministerie van Handel en Industrie worden aangepast.
De methodiek voor het bepalen van het uurloon (als 1,6 ‰ van het nominale jaarloon) werd door de Noorse Raad voor onderzoek ontwikkeld. In dat verband verklaarden de Noorse autoriteiten dat een uurloon voor werk in feite gemakkelijk kan worden vastgesteld ten opzichte van het gemiddelde jaarloon (op basis van statistische gegevens) en het gemiddelde aantal jaarlijks gewerkte uren. Om de steunverlening ten behoeve van O&O-activiteiten te vereenvoudigen, wilde de Noorse Raad voor onderzoek echter verder gaan. Daarom ontwikkelde hij een methodiek waarbij het uurloon niet alleen i) de zuivere loonkosten omvat, maar ook ii) „overige operationele kosten” berekend per werknemer, omvattende: a) loonheffingen (zoals pensioen- en sociale premies enz.); b) kosten voor het gebruik van uitrusting per werknemer (bv. gebruik telefoon, computer/IT-uitrusting, kopieermachines enz.); c) algemene overheadkosten voor stroom, verwarming, huur kantoren, kantine- en onderhoudspersoneel, en tijdelijke inzet van ondersteunende medewerkers, en d) huur/aanschaf van instrumenten en kantoorbenodigdheden.
Het uurloon voor „onbetaald werk” omvat dus niet alleen de zuivere loonkosten, maar ook „overige operationele kosten” per individuele medewerker (36).
Voor het uitwerken van deze methodiek voerde de Noorse Raad voor onderzoek een doorlichting uit van de boekhouding van een aantal Noorse ondernemingen; daaruit bleek dat de jaarlijkse operationele kosten in doorsnee 1,8-maal hoger lagen dan de jaarlijkse loonkosten (waaronder sociale premies) (37). Na correctie van de jaarlijkse loonkosten voor het feit dat dat bedrag ook sociale premies omvatte (ten belope van 40 % van het loon), bleken de gemiddelde operationele kosten 2,52-maal hoger te liggen dan de zuivere loonkosten. Door dit bedrag te delen door het gemiddelde aantal jaarlijks gewerkte uren (1 500) (38), kwamen de operationele kosten, berekend op uurbasis, uit op 1,68 ‰ (afgerond tot 1,6 ‰) van de gemiddelde zuivere loonkosten per jaar. Zodoende is de methodiek dat het uurloon voor onbetaald werk (dat zowel de zuivere loonkosten als de „overige operationele kosten” omvat) op 1,6 ‰ van het betrokken jaarloon wordt vastgesteld.
In de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk wordt voor de in aanmerking komende kosten voor onbetaald werk een vast maximumbedrag van 2 miljoen NOK per jaar per onderneming vastgesteld (39).
Wat ten slotte de controlemaatregelen betreft, de kosten voor onbetaald werk en de overige projectkosten moeten bij iedere steunaanvraag worden gecertificeerd door een accountant (40). Ondanks dat aan de hand van facturen wordt gecontroleerd of de „overige operationele kosten” ook daadwerkelijk zijn gemaakt, hebben de Noorse autoriteiten toch verklaard dat, aangezien er geen bewijsstukken voorhanden zijn voor de gedeclareerde uren onbetaald werk, ondernemingen tijdstip, opdracht, aantal gewerkte uren en de naam van de betrokken persoon moeten bijhouden. In projecten met meer dan één persoon, moeten de bewijsstukken worden ondertekend door zowel de persoon die onbetaald werk heeft verricht als de persoon die voor het project verantwoordelijk is. Daarnaast mag het aantal gedeclareerde uren door de Noorse Raad voor onderzoek worden verlaagd indien tijdens de procedure blijkt dat het gedeclareerde aantal uren onjuist is.
Steunintensiteit
Volgens de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk gelden voor in het kader van de regeling verleende subsidies de drempels van punt 16-40 van de Noorse Wet vermogens- en inkomstenbelasting (41). Die bepaling vormt de rechtsgrond voor de Skattefunn-regeling en bepaalt dat in het geval van kleine en middelgrote ondernemingen (hierna „kmo’s” genoemd) steunintensiteiten tot 20 % worden toegestaan.
In hun aanmelding hebben de Noorse autoriteiten informatie meegedeeld over brutosteunintensiteiten van 27,8 % voor kmo’s (42). Steun in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk wordt uitgekeerd in de vorm van een subsidie ten belope van 20 % van de in aanmerking komende kosten (43). Maar bovendien zijn de subsidies, op grond van de wet belasting regeling onbetaald O&O-werk, vrijgesteld van vennootschapsbelasting (waarvoor het tarief momenteel 28 % bedraagt). Een belastingvrije subsidie van 20 % van de in aanmerking komende kosten stemt dus overeen met een belastbare subsidie ten belope van 27,8 % van die kosten. De brutosteunintensiteit bedraagt dus 27,8 %.
De in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk verleende subsidies worden bezien in samenhang met steun die wordt ontvangen in het kader van de Skattefunn-regeling, waarbij steun in het kader van de eerste regeling wordt meegerekend bij het bepalen van de plafonds in het kader van de tweede regeling. In het kader van de Skattefunn-regeling mag het totale bedrag aan kmo-steun niet meer bedragen dan 20 % van de in aanmerking kosten, die maximaal 4 miljoen NOK per onderneming per jaar mogen bedragen. Wanneer het totale bedrag aan financiële steun de plafonds in de Skattefunn-regeling zou overschrijden, zou de belastingaftrek overeenkomstig worden verminderd. De Noorse autoriteiten verduidelijkten dat deze plafonds de voorwaarde onverlet laten dat de aan onbetaald werk toegerekende kosten in ieder geval onder het reeds genoemde plafond van 2 miljoen NOK per onderneming per jaar moeten blijven. Ten slotte verklaarden de Noorse autoriteiten dat, wanneer bij een project in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk subsidie en overheidssteun uit andere bronnen dan de Skattefunn-regeling worden gecumuleerd en de aldus gecumuleerde steun het cumuleringsplafond overschrijdt, de in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk verleende steun zal worden verminderd.
2.4. UITGETROKKEN MIDDELEN EN LOOPTIJD
Zoals reeds werd aangegeven, bedraagt het toekomstige budget van de regeling onbetaald O&O-werk, volgens de verwachtingen van de Noorse autoriteiten, maximaal zo’n 50 miljoen NOK op jaarbasis.
De regeling onbetaald O&O-werk werd met een onbeperkte looptijd aangemeld. Bij schrijven van 15 februari 2008 (Event nr. 465311) hebben de Noorse autoriteiten evenwel verklaard dat de maximum looptijd van de regeling zou worden gekoppeld aan de looptijd van de geldende richtsnoeren inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (hierna „de richtsnoeren O&O&I-steun” genoemd), die aflopen per 31 december 2013. Het is de Noorse autoriteiten bekend dat, wanneer de regeling onbetaald O&O-werk langer loopt, een nieuwe aanmelding nodig is.
3. REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE
De Autoriteit heeft de formele onderzoekprocedure ingeleid op grond van haar voorlopige bevindingen dat de regeling onbetaald O&O-werk staatssteun inhoudt waarvan zij betwijfelt of die met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar kan worden verklaard. Een van de bezwaren van de Autoriteit betrof de vraag of de steunintensiteiten in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk die uit de richtsnoeren staatssteun wel konden overschrijden (44). Subsidies die in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk worden verleend, zijn immers belastingvrij en een verandering in het belastingpercentage kan dus in een hogere brutosteunintensiteit resulteren. Bovendien is het zo dat, aangezien de kosten voor „onbetaald werk” in feite niet worden gemaakt, de Autoriteit betwijfelde dat deze in het kader van die richtsnoeren als in aanmerking komende kosten konden worden aangemerkt. In dat verband hield de Autoriteit rekening met het feit dat in het kader van het zesde communautaire kaderprogramma voor onderzoek geen steun voor „onbetaald” werk was toegestaan. Ten slotte had de Autoriteit bezwaren wat betreft het noodzakelijke stimulerende effect.
4. OPMERKINGEN VAN DE NOORSE AUTORITEITEN
De Noorse autoriteiten hebben verduidelijkt dat, ingeval het belastingpercentage stijgt, de subsidie in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk zo nodig wordt verminderd, om ervoor te zorgen dat de steunintensiteit de in de richtsnoeren O&O&I-steun bepaalde maximum steunintensiteiten niet overschrijdt. De Noorse autoriteiten baseren zich voor deze verklaring op de laatste alinea van punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk waarin is bepaald dat „bij het beschouwen van de totale overheidsfinanciering voor het project, de steun [ten behoeve van onbetaald werk] op dezelfde wijze wordt behandeld als de belastingaftrek. Indien de totale overheidsfinanciering voor het project [het plafond] voor de volgens de regels van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA toegestane steun overschrijdt, wordt de belastingaftrek verminderd. Indien steun ten behoeve van onbetaald werk op zich resulteert in overschrijding van het plafond van de in totaal toegestane steun, wordt de subsidie ten behoeve van onbetaald werk verminderd.” (45).
Wat betreft de bepaling in het zesde communautaire kaderprogramma voor onderzoek dat „natuurlijke personen geen salariskosten [kunnen] opvoeren die betrekking hebben op hun persoonlijke inzet voor het project”, betoogden de Noorse autoriteiten dat het begrip „natuurlijke personen” verwijst naar medewerkers die in dienst zijn bij universiteiten/hogescholen en van de onderzoeksinstelling een salaris ontvangen (in tegenstelling tot eenmansbedrijven). Aangezien deze personen in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk in ieder geval niet voor steun in aanmerking komen, zijn de Noorse autoriteiten van oordeel dat deze verwijzing naar het zesde communautaire kaderprogramma voor onderzoek niet relevant is.
Ten aanzien van het voorgestelde uurloon hebben de Noorse autoriteiten er op gewezen dat het uitgangspunt voor de berekening van het uurloon van 500 NOK het nominale jaarloon van werknemers in de industrie is, dat veel lager ligt dan het nominale jaarloon voor O&O-personeel. Aangezien het opleidingsniveau in eenmansbedrijven en bij startende ondernemers doorgaans overeenstemt met het hogere opleidingsniveau van O&O-personeel, had de berekening van het uurloon ten behoeve van de regeling onbetaald O&O-werk ook op het hogere loon van burgerlijk ingenieurs gebaseerd kunnen zijn. Voor 2005 beliep dit 460 000 NOK of 530 000 NOK (naargelang de medewerkers vijf of tien jaar ervaring hebben), waardoor het uurloon uitkomt op 772,80 NOK of 890,40 NOK (46). Op grond daarvan betoogden de Noorse autoriteiten dat het uurloon, door het voorstel dit te berekenen op basis van het veel lagere nominale jaarloon voor werknemers in de industrie, dus tot een minimum beperkt blijft.
Wat betreft het stimulerende effect, voeren de Noorse autoriteiten aan dat, aangezien financiering een belangrijk probleem is voor startende ondernemingen in hun opstartfase, een stimulerend effect automatisch zal spelen voor de belangrijkste doelgroep van de regeling, de kleine startende ondernemingen en eenmansbedrijven.
II. BEOORDELING
1. DE VRAAG OF SPRAKE IS VAN STAATSSTEUN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 61, LID 1, VAN DE EER-OVEREENKOMST
Artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst bepaalt:
„Behoudens de afwijkingen waarin deze overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap, de EVA-staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producten vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze overeenkomst voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.”.
Om een maatregel als staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst aan te kunnen merken, moet deze aan elk van de vier volgende criteria voldoen: i) de maatregel moet de begunstigden een economisch voordeel opleveren dat zij bij een normale bedrijfsvoering niet zouden hebben genoten; ii) het voordeel moet door de staat of uit staatsmiddelen worden verleend; iii) de maatregel moet selectief zijn doordat hij bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigt, en iv) de maatregel moet de mededinging verstoren en het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloeden. Hierna wordt onderzocht of in deze zaak aan elk van deze vier criteria is voldaan.
1.1. ECONOMISCH VOORDEEL
De maatregel moet de begunstigden een economisch voordeel opleveren dat zij bij een normale bedrijfsvoering niet zouden hebben genoten.
In het kader van de regeling onbetaald O&O-werk zullen de Noorse autoriteiten financiële steun verlenen aan belastingplichtigen, waaronder ondernemingen. De ondernemingen die deze subsidies ontvangen, krijgen dus een economisch voordeel verleend (een subsidie) die zij bij een normale bedrijfsvoering niet zouden hebben ontvangen.
Bovendien zijn de subsidies vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Door de belastingvrijstelling worden begunstigden bevrijd van een last die normaal gesproken op hun budget drukt, zodat de vrijstelling een verder economisch voordeel vormt — bovenop de subsidie zelf.
1.2. AANWEZIGHEID VAN STAATSMIDDELEN
De maatregel moet worden toegekend door de staat of uit staatsmiddelen.
De subsidies in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk worden gefinancierd door het ministerie van Handel en Industrie en worden dus door de staat gefinancierd.
Voorts is het zo dat, wat betreft het feit dat de subsidies van vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld, een belastingvrijstelling inhoudt dat de staat belastinginkomsten derft en dat een belastingvermindering neerkomt op de aanwending van staatsmiddelen in de vorm van fiscale uitgaven (47).
1.3. BEGUNSTIGING VAN BEPAALDE ONDERNEMINGEN OF BEPAALDE PRODUCTIES
De maatregel moet selectief zijn doordat dat hij „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigt”.
Volgens de aanmelding zou financiering in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk open staan voor alle ondernemingen, ongeacht hun grootte, sector en regio.
In Besluit nr. 16/03/COL van 5 februari 2003, waarbij toestemming werd verleend voor de uitbreiding van de Skattefunn-regeling tot alle ondernemingen, ongeacht hun grootte en sector (48), kwam de Autoriteit tot de bevinding dat de instantie die met het beheer en de tenuitvoerlegging van de Skattefunn-regeling was belast (de Noorse Raad voor onderzoek) discretionaire bevoegdheid genoot wat betreft de beoordeling van het „onderzoeks”-karakter van de projecten en het stimulerende effect van de steunmaatregel.
Op grond hiervan en het feit dat de criteria om te bepalen of projecten in aanmerking komen, in de Skattefunn-regeling en in de regeling onbetaald O&O-werk dezelfde zijn en door dezelfde beheersinstantie (de Noorse Raad voor onderzoek) worden beoordeeld, is de Autoriteit van oordeel dat deze Raad ook voor de tenuitvoerlegging van de regeling onbetaald O&O-werk over discretionaire bevoegdheden beschikt. In dat verband herhaalt de Autoriteit dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verklaard dat het feit dat overheden die een financiële steunregeling beheren, over discretionaire bevoegdheden beschikken, betekent dat de regeling de facto selectief is (49). Bijgevolg concludeert de Autoriteit dat een dergelijke regeling de facto selectief zou zijn.
De verklaringen van de Noorse autoriteiten dat „er in de regeling onbetaald O&O-werk geen formele discriminatie van grote ondernemingen is wat betreft de definitie van de begunstigden” (cursief toegevoegd) en dat „ondernemingen met een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal dat voldoet aan de definitie van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van middelgrote ondernemingen, in de praktijk geen steun ten behoeve van onbetaald werk zullen ontvangen”, bevestigen immers dat de Noorse Raad voor onderzoek haar discretionaire bevoegdheid zou hebben gebruikt om grotere ondernemingen in de praktijk van de steun uit te sluiten.
De hier gemaakte beoordeling zou evenzeer gelden voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting ten gunste van begunstigden die in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk steun ontvangen.
Daarom hebben de Noorse autoriteiten, in de loop van de formele onderzoekprocedure, besloten de regeling onbetaald O&O-werk formeel te beperken tot micro- en kleine ondernemingen in de zin van de desbetreffende definitie in de richtsnoeren staatssteun voor kmo’s (50). De regeling is bijgevolg selectief.
1.4. VERVALSING VAN DE MEDEDINGING EN ONGUNSTIGE BEÏNVLOEDING VAN HET HANDELSVERKEER TUSSEN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN
De maatregel moet de mededinging verstoren en het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloeden.
De regeling onbetaald O&O-werk geldt voor alle economische sectoren in Noorwegen. Aangezien in 2006 de export naar de Europese Unie goed was voor zo’n 82 % van de totale Noorse export, terwijl de import vanuit de Europese Unie zo’n 69 % van de totale import naar Noorwegen vertegenwoordigde, is er een intensief handelsverkeer tussen Noorwegen en de Europese Unie. (51)
Onder die omstandigheden is de Autoriteit van oordeel dat de steunverlening en de daaraan gekoppelde belastingvrijstelling in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk de relatieve positie van de begunstigden van de steun zullen versterken ten opzichte van ondernemingen in andere EVA-staten die concurreren in vergelijkbare sectoren of bedrijven. Voorts wordt, doordat grote ondernemingen formeel van de regeling zijn uitgesloten, de positie versterkt van kleine en micro-ondernemingen die in het kader van de regeling worden gesteund. De regeling onbetaald O&O-werk geldt dus als een regeling die het handelsverkeer ongunstig beïnvloedt en de mededinging verstoort of dreigt te verstoren.
1.5. CONCLUSIE
In het licht van het bovenstaande concludeert de Autoriteit dat de steunverlening, daaronder begrepen de belastingvrijstelling, in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst vormt.
2. PROCEDURELE VEREISTEN
Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst „[wordt] de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar in staat te stellen haar opmerkingen kenbaar te maken. […] De betrokken staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”.
Bij schrijven van 14 oktober 2005 hebben de Noorse autoriteiten de regeling onbetaald O&O-werk aangemeld. Uit het voorbereidende wetgevende werk blijkt dat de regeling onbetaald O&O-werk pas in werking kan treden na aanmelding bij en goedkeuring door de Autoriteit (52). Daarom zijn de goedkeuring van de Noorse autoriteiten voor de inwerkingtreding van de wet belasting regeling onbetaald O&O-werk en de vaststelling van de definitieve richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk beide afhankelijk gesteld van de voorafgaande goedkeuring van de regeling door de Autoriteit (53).
Onder deze omstandigheden is de Autoriteit van oordeel dat de Noorse autoriteiten hun verplichtingen uit hoofde van artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst wat betreft aanmelding en stand-still, zijn nagekomen.
3. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN
Aangezien de conclusie van de Autoriteit is dat met de regeling onbetaald O&O-werk staatssteun is gemoeid, dient te worden onderzocht of de regeling uit hoofde van artikel 61, leden 2 of 3, van de EER-overeenkomst verenigbaar kan worden verklaard met de werking van de EER-overeenkomst.
3.1. VERENIGBAARHEID UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 61, LID 2, VAN DE EER-OVEREENKOMST
Geen van de afwijkingen van artikel 61, lid 2, van de EER-overeenkomst zijn in deze zaak van toepassing, aangezien de regeling onbetaald O&O-werk niet inzet op de in die bepaling genoemde doelstellingen.
3.2. VERENIGBAARHEID UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 61, LID 3, VAN DE EER-OVEREENKOMST
Een staatssteunmaatregel wordt uit hoofde van artikel 61, lid 3, onder a), van de EER-overeenkomst met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar verklaard, wanneer deze bedoeld is ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst. Aangezien dit soort gebieden echter niet op de regionalesteunkaart van Noorwegen zijn afgebakend, is deze bepaling niet van toepassing (54).
Evenmin is de afwijking van artikel 61, lid 3, onder b), van de EER-overeenkomst van toepassing, omdat de in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk verleende staatssteun niet bestemd is om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of om een ernstige verstoring in de economie van Noorwegen op te heffen.
Daarentegen is de afwijking van artikel 61, lid 3, onder c) van de EER-overeenkomst die bepaalt dat steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar kunnen worden verklaard, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, mogelijk wel van toepassing.
Hierna toetst de Autoriteit de regeling onbetaald O&O-werk op haar verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst uit hoofde van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst op grond van de richtsnoeren O&O&I-steun.
O&O&I-steun
Volgens de richtsnoeren O&O&I-steun wordt steun uit hoofde van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst geacht verenigbaar te zijn mits de voorwaarden van punt 5 van die richtsnoeren zijn vervuld en de steun een prikkel is om meer O&O uit te voeren overeenkomstig punt 6 van de richtsnoeren (55).
Punt 5 van de richtsnoeren O&O&I-steun geeft een overzicht van de verschillende soorten O&O, zoals „fundamenteel onderzoek”, „industrieel onderzoek” en „experimentele ontwikkeling” en geeft ook de steunintensiteiten die voor elke onderzoekscategorie gelden.
In punt 2.2, onder f), van de richtsnoeren O&O&I-steun wordt „industrieel onderzoek” gedefinieerd als „planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypen als bedoeld in punt g) [experimentele ontwikkeling].” In datzelfde punt g) wordt „experimentele ontwikkeling” gedefinieerd als „het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema’s of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procedés of diensten worden verstaan. Deze activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd. De ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypen en proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikkeling indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie- en validatiedoeleinden te worden gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of proefprojecten worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien, op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht.”.
De Autoriteit is van oordeel dat de beschrijvingen van de in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk in aanmerking komende projecten, zoals die hier in punt 2.1 van deel I werden gegeven, in lijn zijn met de definities van „industrieel onderzoek” en „experimentele ontwikkeling” in punt 2.2, onder f) en g), van de richtsnoeren O&O&I-steun.
i) Steunintensiteiten
In punt 5.1.2 van de richtsnoeren O&O&I-steun is de toegestane brutosteunintensiteit voor industrieel onderzoek vastgesteld op 50 % van de in aanmerking komende kosten en voor experimentele ontwikkeling op 25 % van de in aanmerking komende kosten. Voorts mag volgens punt 5.1.3 bij steun aan kmo’s (in de zin van de bijlage bij de groepsvrijstelling kmo-steun) een verhoging van 10 procentpunt worden verleend aan middelgrote ondernemingen of 20 procentpunt in het geval van kleine ondernemingen (56). Daardoor komt in het geval van industrieel onderzoek de toegestane steunintensiteit uit op 60 % van de in aanmerking komende kosten (voor middelgrote ondernemingen) of 70 % (in het geval van kleine ondernemingen). Voor experimentele ontwikkeling komt de maximum steunintensiteit uit op 35 % (voor middelgrote ondernemingen) of 45 % (voor kleine ondernemingen).
Ondanks dat de Noorse autoriteiten in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk steunintensiteiten voor zowel kmo’s als grote ondernemingen hebben aangemeld, dient hier te worden herhaald dat de Noorse autoriteiten hebben besloten de regeling te beperken tot uitsluitend micro- en kleine ondernemingen. Daardoor is alleen de steunintensiteit voor kmo’s (20 %) relevant. De subsidie is belastingvrij bij een huidig belastingpercentage van 28 %. De brutosteunintensiteit bedraagt dus 27,8 % (57). De maximum steunintensiteit voor micro- en kleine ondernemingen in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk komt daardoor uit op een niveau dat, overeenkomstig punt 5 van de richtsnoeren O&O&I-steun, acceptabel is.
Wanneer de vennootschapsbelasting wordt verhoogd, zou de totale brutosteunintensiteit overeenkomstig stijgen. Op dit punt hebben de Noorse autoriteiten echter verklaard dat, zelfs indien het belastingpercentage stijgt, de subsidies volgens de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk de volgens de richtsnoeren staatssteun geldende steunintensiteiten niet mogen overschrijden. Aangezien de regeling onbetaald O&O-werk is beperkt tot micro- en kleine ondernemingen, bedraagt het desbetreffende plafond, op basis van de huidige richtsnoeren O&O&I-steun, 70 % voor industrieel onderzoek en 45 % voor experimentele ontwikkeling. De Autoriteit accepteert dat, indien het belastingpercentage voor de vennootschapsbelasting stijgt, de totale steunintensiteit voor micro- en kleine ondernemingen in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk kan stijgen tot deze plafonds.
Geconcludeerd dient te worden dat de Autoriteit de steunintensiteit voor micro- en kleine ondernemingen van 27,8 % goedkeurt en dat zij nota neemt van het feit dat deze steunintensiteit, door een verhoging van de vennootschapsbelasting, kan stijgen tot 70 % voor industrieel onderzoek en 45 % voor experimentele ontwikkeling. De Noorse autoriteiten hebben de Autoriteit meegedeeld dat de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk formeel zullen worden aangepast, zodat daarin zowel het algemene plafond voor elke onderzoekscategorie als het maximum tot waar de steun na een stijging van het belastingpercentage kan worden verhoogd, zijn weerspiegeld (58).
ii) In aanmerking komende kosten
Punt 5.1.4 van de richtsnoeren O&O&I-steun geeft een lijst van de kosten die voor het berekenen van de steunintensiteit in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij gaat het onder meer om: i) personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover dezen zich met het onderzoeksproject bezighouden; ii) extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien, en iii) andere exploitatiekosten, waaronder die van materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien (59).
Communautair kaderprogramma Onderzoek — loonkosten
Punt 5.1.4 van de richtsnoeren O&O&I-steun gaat niet nader in op de vraag of personeelskosten ook de kosten voor onbetaald werk kunnen dekken. De Autoriteit is evenwel van oordeel dat de nodige aanwijzingen voor de uitlegging van het begrip zoals dat in de richtsnoeren staatssteun wordt gebruikt, te vinden zijn door na te gaan hoe dit begrip wordt gebruikt in het kader van het zogenaamde communautaire kaderprogramma Onderzoek (60).
Zoals in het besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure werd verklaard, kon in het kader van het zesde kaderprogramma geen financiële communautaire steun worden verleend voor de kosten van onbetaald werk. Volgens punt B.II.22.3 van bijlage II bij de Algemene modelovereenkomst, die wordt gebruikt voor steunverlening in het kader van het zesde kaderprogramma, „[kunnen] natuurlijke personen geen salariskosten opvoeren die betrekking hebben op hun persoonlijke inzet voor het project”, terwijl uit punt B.II.19.1, onder a), blijkt dat in aanmerking komende kosten „werkelijk gemaakt [moeten] zijn, een economisch karakter [moeten] hebben en voor de uitvoering van het project noodzakelijk [moeten] zijn”. In dat verband heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat, wanneer het bedrag van de loonkosten niet kan worden bepaald, noch in de boekhouding van de onderneming kan worden opgevoerd, dit ook niet aan het kaderprogramma kan worden berekend. In lijn hiermee formuleerde de Autoriteit, in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure ten aanzien van de regeling onbetaald O&O-werk, twijfel of de kosten voor onbetaald werk in aanmerking konden komen als subsidiabele kosten in de zin van de richtsnoeren O&O&I-steun.
Thans is echter het zevende kaderprogramma vastgesteld en daarin is bepaald, dat op bepaalde voorwaarden, steun kan worden aangevraagd voor kosten die niet „werkelijk gemaakt” zijn (61). Op dat punt staat in de standaardsubsidieovereenkomst die door de Commissie wordt gebruikt (de Algemene modelovereenkomst betreffende steunverlening in het kader van het zevende kaderprogramma) dat, niettegenstaande het algemene vereiste dat subsidiabele kosten werkelijk moeten zijn gemaakt, „begunstigden ervoor [kunnen] kiezen gemiddelde personeelskosten te declareren indien deze zijn gebaseerd op een gecertificeerde methodologie die is goedgekeurd door de Commissie en consistent is met de beheersbeginselen en de gebruikelijke boekhoudpraktijken van de begunstigde. Gemiddelde personeelskosten die ten laste van deze subsidieovereenkomst worden gebracht door een begunstigde die een certificaat betreffende de methodologie heeft verstrekt, worden geacht niet significant af te wijken van de werkelijke personeelskosten.” (62).
In de documenten waarin ter zake instructies worden gegeven, wordt uitgelegd dat bovengenoemde regel, die de methodiek „gemiddelde personeelskosten gebaseerd op een gecertificeerde methodologie” wordt genoemd, aan i) met kmo’s gelijkgestelde natuurlijke personen en ii) eigenaren van kmo’s die voor hun werk ten behoeve van de kmo geen loon ontvangen, de mogelijkheid biedt steun aan te vragen en te ontvangen ten behoeve van het door hen in verband met O&O-projecten gepresteerde werk. Ondanks dat geen expliciete eisen worden gesteld wat betreft de te hanteren methodiek, blijkt uit die documenten met instructies duidelijk dat, in het kader van het kaderprogramma, een „gecertificeerde methodologie” betekent dat een accountant de methodiek die de basis vormt voor het berekenen van de waarde van het gepresteerde werk of „loonkosten” (dat is inderdaad het uurloon), moet certificeren.
Ten aanzien van acceptabele methodieken doet de Autoriteit in de eerste plaats opmerken dat bij de instructies in verband met natuurlijke personen sprake is van een methodiek voor het bepalen van het uurloon aan de hand van inkomen (bv. belastingaangiften) (63). Niettemin is de Autoriteit, met name in het licht van de instructies van de Commissie in het geval van eigenaren van kmo’s die geen loon ontvangen en die in de boekhouding van de onderneming geen spoor kunnen aanwijzen van hun loonkosten die indiceren dat kosten aan de hand van ramingen kunnen worden berekend, van oordeel dat de verwijzing naar een methodiek op basis van inkomen niet afdoende is om automatisch het gebruik van alternatieve methodieken uit te sluiten. In het kader van het zevende kaderprogramma is het de bedoeling om de mogelijkheid te bieden het ten aanzien van het O&O-project gepresteerde werk te berekenen. Niet uitdrukkelijk vereist is dat de potentiële begunstigde in verband met die activiteit enige inkomsten ontvangt. Op grond hiervan heeft de Autoriteit zich op het standpunt gesteld dat zowel voor punt i) als ii), de aanwezigheid van inkomen op zich geen voorwaarde is om voor steun in aanmerking te kunnen komen en dat ook andere methodieken voor het bepalen van een uurloon acceptabel kunnen zijn.
Wat betreft de door de Noorse autoriteiten voorgestelde methodiek, doet de Autoriteit vooraf opmerken dat de benadering waarbij het uurloon wordt berekend als 1,6 ‰ van het nominale jaarloon, een uurloon oplevert dat niet alleen een onderdeel „loonkosten”, maar ook een onderdeel „overige operationele kosten” omvat. Ook al is het doel van de hier te maken beoordeling na te gaan of de loonkosten in aanmerking komen, dient, vooraleer een definitief oordeel te kunnen vellen of de methodiek acceptabel is, toch ook te worden nagegaan of het onderdeel in verband met „overige operationele kosten” op grond van de richtsnoeren O&O&I-steun als kosten in aanmerking kan worden genomen. Deze beide onderdelen worden hier dus afzonderlijk behandeld.
„Onbetaalde” loonkosten
Wat betreft de aan onbetaald werk toe te rekenen kosten, dit onderdeel uit de methodiek wordt gewoonweg bepaald aan de hand van statistische gegevens over lonen. De voorgestelde methodiek houdt namelijk in dat het onderdeel „loonkosten” overeenstemt met hetgeen de uitkomst was geweest indien het uurloon was vastgesteld door het gemiddelde aantal jaarlijks gewerkte uren te delen door het nominale jaarloon van werknemers in de industrie, zoals die uit de statistische gegevens over 2005 naar voren komen. Het onderdeel „loonkosten” in het loon van een werknemer in de industrie komt uit op een uurloon van 232,20 NOK (348 300/1 500).
De Autoriteit is van oordeel dat een uurloon dat wordt bepaald aan de hand van officiële statistische gegevens over lonen (in 2005), de garantie biedt dat het onderdeel „loonkosten” niet wordt opgeblazen. Bovendien betekent het feit dat het uurloon wordt bepaald ten opzichte van het jaarloon van werknemers in de industrie (in plaats van het veel hogere loon van bijvoorbeeld burgerlijk ingenieurs), dat het onderdeel „loonkosten” op een betrekkelijk laag niveau wordt gehouden (64). Ten slotte biedt het feit dat bij iedere steunaanvraag de declaratie van de uren onbetaald werk ook door de projectbeheerder moet worden ondertekend en door een accountant moet worden gecertificeerd, de garantie dat er een audit plaatsvindt die in lijn is met — of nog strenger dan — de auditverklaringen waarvan sprake in de Algemene modelovereenkomst in het kader van het zevende kaderprogramma (65). Ten slotte doet de Autoriteit opmerken dat daarnaast nog controle wordt uitgeoefend door de Noorse Raad voor onderzoek, die zich ervan vergewist dat de gedeclareerde aantallen niet kennelijk onjuist zijn.
Onder die omstandigheden concludeert de Autoriteit dat de vaststelling van het onderdeel „onbetaalde” loonkosten in de methodiek voor het bepalen van het uurloon acceptabel is. De kosten voor onbetaald werk gelden, op zich beschouwd, dus als in aanmerking komende personeelskosten in de zin van de richtsnoeren O&O&I-steun.
„Overige operationele kosten”
De Autoriteit is van mening dat de beschrijving van de „overige operationele kosten” in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk (zoals die in punt 2.3 van deel I hier werd beschreven) beantwoordt aan de in aanmerking komende kosten in de vorm van „extra algemene kosten” en/of „andere exploitatiekosten” in punt 5.1.4, onder e) en f), van de richtsnoeren O&O&I-steun. De hoogte van de operationele kosten wordt automatisch berekend op uurbasis per werknemer in verhouding tot het loon van een werknemer in de industrie — in plaats van te zijn gebaseerd op het kostenpeil dat op facturen wordt vermeld (66). Het onderdeel „operationele kosten” in de methodiek wordt evenwel berekend op basis van de doorlichting van de onderneming door de Noorse Raad voor onderzoek. Dit biedt de garantie dat de hoogte van de operationele kosten realistisch is. Voorts wordt het aandeel van de operationele kosten berekend op basis van het lage loon van werknemers in de industrie en blijft het onderdeel „operationele kosten” op een vastgelegd maximum op uurbasis. Op grond daarvan, en rekening houdend met het feit dat in het kader van de accountantscontrole wordt nagegaan aan de hand van facturen of operationele kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, is de Autoriteit van oordeel dat de voorgestelde methodiek een acceptabele wijze is om de hoogte van de „overige operationele kosten” te bepalen en dat zij dus op grond van de richtsnoeren O&O&I-steun als in aanmerking komende kosten kunnen worden aangemerkt.
Conclusie betreffende de methodiek
Geconcludeerd dient te worden dat de Autoriteit van oordeel is dat, op grond van de principiële wijziging uit het zevende kaderprogramma, kosten voor onbetaald werk in aanmerking kunnen komen als subsidiabele kosten, afhankelijk van de methodiek die voor het bepalen van het uurloon wordt gekozen. Uit het voorgaande is gebleken dat de Autoriteit van oordeel is dat, op grond van de door de Noorse autoriteiten voorgestelde methodiek, de wijze waarop de hoogte van zowel het onderdeel „loonkosten” als het onderdeel „operationele kosten” wordt bepaald, acceptabel is. Daarom wordt de methodiek goedgekeurd en komen de kosten op grond van de richtsnoeren O&O&I-steun in aanmerking. Deze conclusie strookt ook met het standpunt dat de Autoriteit in 2002 heeft ingenomen in haar besluit over de Skattefunn-regeling; in dat verband had de Autoriteit een identieke methodiek voor het bepalen van (de hoogte van) in aanmerking komende kosten goedgekeurd (67).
Ondanks dat de voorgestelde methodiek inhoudt dat één uurloon wordt gehanteerd, ook al kunnen de potentiële begunstigden in het kader van de regeling verschillen in omvang, wordt er aan herinnerd dat de Noorse autoriteiten hebben besloten de regeling te beperken tot micro- en kleine ondernemingen, zodat de potentiële begunstigden een vrij homogene groep vormen. Bijgevolg keurt de Autoriteit het gebruik van één gemeenschappelijk uurloon goed.
iii) Stimulerend effect
Volgens punt 6 van de richtsnoeren O&O&I-steun wordt automatisch aan het criterium „stimulerend effect” geacht te zijn voldaan wanneer het gesteunde O&O&I-project niet vóór de steunaanvraag van start is gegaan, wanneer de begunstigde van de steun een kmo is en het steunbedrag minder dan 7,5 miljoen EUR per project per kmo bedraagt (68).
Uit het voorgaande blijkt dat de Noorse autoriteiten de regeling onbetaald O&O-werk tot kleine en micro-ondernemingen hebben beperkt. Bovendien zou, gezien het feit dat voor in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk in aanmerking komende kosten een vast plafond geldt van 2 miljoen NOK in aanmerking komende kosten per onderneming en dat de toepasselijke steunintensiteit 27,8 % bedraagt, het jaarlijks per onderneming toegekende maximum steunbedrag op 556 000 NOK uitkomen (ongeveer 70 500 EUR), hetgeen het eerder genoemde plafond ver onderschrijdt. Zelfs indien rekening wordt gehouden met een maximum steunintensiteit tot 45 % (die zich kan voordoen bij een verhoging van het belastingpercentage), bedraagt het maximum steunbedrag 900 000 NOK (ongeveer 114 000 EUR), hetgeen het in de richtsnoeren O&O&I-steun bepaalde maximumbedrag ver onderschrijdt (69).
Ten slotte hebben de Noorse autoriteiten bevestigd dat in het kader van de regeling geen steun wordt verleend indien onderzoekprojecten vóór de steun werd aangevraagd, van start zijn gegaan.
Op grond hiervan is de Autoriteit van oordeel dat subsidies die in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk kunnen worden verleend, dus een stimulerend effect hebben in de zin van punt 6 van de richtsnoeren O&O&I-steun.
iv) Looptijd
De regeling onbetaald O&O-werk werd door de Noorse autoriteiten met een onbeperkte looptijd aangemeld. De Noorse autoriteiten hebben niettemin erin toegestemd de looptijd van de regeling formeel te beperken tot 31 december 2013, dat ook het tijdstip is waarop de huidige richtsnoeren O&O&I-steun aflopen. Op grond hiervan acht de Autoriteit de looptijd van de regeling acceptabel.
3.3. CONCLUSIE TEN AANZIEN VAN DE VERENIGBAARHEID VAN DE REGELING MET DE WERKING VAN DE EER-OVEREENKOMST
Uit het voorgaande is gebleken dat de Autoriteit van oordeel is dat zowel de projecten als de kostenonderdelen in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de richtsnoeren O&O&I-steun. Aangezien de regeling tot kleine en micro-ondernemingen beperkt blijft, de steunintensiteiten met die richtsnoeren in lijn zijn, een stimulerend effect is aangetoond en de looptijd van de regeling is beperkt zodat deze in lijn is met die van de richtsnoeren, heeft de Autoriteit zich op het standpunt gesteld dat de regeling onbetaald O&O-werk verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst.
4. BESLUIT
Op basis van de hier uitgevoerde beoordeling verklaart de Autoriteit de regeling onbetaald O&O-werk op de volgende voorwaarden verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst:
|
a) |
het toepassingsbereik van de regeling onbetaald O&O-werk blijft beperkt tot micro- en kleine ondernemingen in de zin van de richtsnoeren staatssteun voor kmo’s; |
|
b) |
de totale steunintensiteit voor micro- en kleine ondernemingen bedraagt 27,8 %, die kan stijgen als gevolg van een eventuele verhoging van het percentage vennootschapsbelasting (in dat geval bedraagt het plafond 45 % voor experimentele ontwikkeling en 70 % voor industrieel onderzoek), en |
|
c) |
de looptijd van de regeling blijft beperkt tot 31 december 2013, tijdstip waarop de huidige richtsnoeren O&O&I-steun aflopen. |
De Noorse autoriteiten wordt herinnerd aan hun verplichting, uit hoofde van artikel 21 van deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst, juncto artikel 6 van Beschikking nr. 195/04/COL van 14 juli 2004, jaarlijks verslagen over de tenuitvoerlegging van de regeling in te dienen.
De Noorse autoriteiten hebben verklaard dat het in het kader van de regeling onbetaald O&O-werk toegepaste uurloon kan worden aangepast op basis van loonontwikkelingen. In dat verband herinnert de Autoriteit de Noorse autoriteiten aan hun verplichting, uit hoofde van artikel 1 van deel I van de Toezichtovereenkomst, tot aanmelding van alle aanpassingen die als wijzigingen gelden in de zin van artikel 1 van deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst (70),
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De regeling onbetaald O&O-werk die de Noorse autoriteiten voornemens zijn ten uitvoer te leggen, vormt staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst, maar kan met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar worden verklaard op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst en de richtsnoeren O&O&I-steun, mits de in artikel 2 uiteengezette voorwaarden in acht worden genomen.
Artikel 2
De regeling onbetaald O&O-werk blijft beperkt tot micro- en kleine ondernemingen in de zin van de richtsnoeren staatssteun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en de totale maximale steunintensiteit bedraagt 27,8 %, die kan stijgen als gevolg van een eventuele verhoging van het percentage vennootschapsbelasting (in dat geval bedraagt het plafond 45 % voor experimentele ontwikkeling en 70 % voor industrieel onderzoek). De looptijd van de regeling onbetaald O&O-werk is beperkt tot 31 december 2013.
Artikel 3
De Noorse autoriteiten delen de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen zij hebben genomen om hieraan te voldoen.
Artikel 4
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.
Artikel 5
Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.
Gedaan te Brussel, 17 maart 2008.
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA
Per SANDERUD
Voorzitter
Kurt JAEGER
Lid van het College
(1) Hierna „de Autoriteit” genoemd.
(2) Hierna „de EER-overeenkomst” genoemd.
(3) Hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd.
(4) Formele en materiële regels op het gebied van overheidssteun — Richtsnoeren voor de toepassing en uitlegging van de artikelen 61 en 62 van de EER-overeenkomst en artikel 1 van deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst, aangenomen en uitgevaardigd door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op 19 januari 1994, bekendgemaakt in PB L 231 van 3.9.1994, blz. 1, en EER-Supplement nr. 32 van 3.9.1994, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. 154/07/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 3 mei 2007 (hierna „de richtsnoeren staatssteun” genoemd).
(5) PB C 258 van 26.10.2006, blz. 28 en EER-Supplement nr. 53 van 26.10.2006.
(6) Voor nadere informatie over deze correspondentie, zij verwezen naar Besluit nr. 59/06/COL tot inleiding van de formele onderzoekprocedure, waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in PB C 258 van 26.10.2006, blz. 28 en EER-Supplement nr. 53 van 26.10.2006. De volledige tekst van het besluit is op de website van de Autoriteit bekendgemaakt: www.eftasurv.int
(7) Nadere gegevens over deze bekendmaking zijn te vinden in voetnoot 6.
(8) Punt 3.9 van Stortingsproposisjoner (St.prp.) nr. 65 (2004-2005).
(9) De Skattefunn-regeling werd door de Autoriteit goedgekeurd bij Besluit nr. 171/02/COL van 25 september 2002, en de wijzigingen aan deze Skattefunn-regeling werden door de Autoriteit goedgekeurd bij Besluit nr. 16/03/COL van 5 februari 2003.
(10) De Noorse autoriteiten gebruikten voor deze ondernemingsvormen, onderscheidenlijk, de termen „gründerselskaper” en „enkeltpersonforetak”.
(11) Op 2 juli 2006 keurden de Noorse autoriteiten koninklijk decreet nr. 123 betreffende de tenuitvoerlegging van de compensatieregeling (Forskrift om kompensasjon for ulønnet arbeidsinnsats i Skattefunn-godkjente forsknings- og utviklingsprosjekter for inntektsårene 2002, 2003 og 2004) goed. Voor een beschrijving, zie ook punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005).
(12) Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30), opgenomen in bijlage XV, in punt 1, onder e), van de EER-overeenkomst.
(13) Punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005), hoofdstuk 928, post 71.
(14) Punt 10.1.1.2 van Innst.S. nr. 240 (2004-2005), hoofdstuk 928, post 71.
(15) Op 17 juni 2005 heeft het Parlement de begroting goedgekeurd. In de periode 2006-2007 werd 35 miljoen NOK steun verleend in het kader van de compensatieregeling.
(16) Dit bedrag is een raming en is dus niet als dusdanig terug te vinden in wetteksten.
(17) Lov 2005-06-17 nr 74: Lov om endringer i lov 26. mars 1999 nr. 14 om skatt av formue og inntekt (skatteloven). Het voorstel van de regering aan het Parlement is opgenomen in punt 14.1 van Odelstingsproposisjoner (Ot.prp.) nr. 92 (2004-2005) en verwijst naar het oorspronkelijke begrotingsontwerp in St.prp. nr. 65 (2004-2005), Het voorstel werd gesteund in een aanbeveling van de Commissie Financiën van het Parlement, zie punt 15.1 van Innst.O. nr. 125 (2004-2005).
(18) De ontwerp-richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk zijn een administratieve instructie die is bekendgemaakt op grond van twee interne regelingen voor financieel beheer binnen de rijksoverheid: het Reglement for økonomistrying i staten en de Bestemmelser om økonomistyring i staten.
(19) Punt 6 van deel III.6.A in het standaardaanmeldingsformulier en punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk.
(20) De aanmelding bevat ook een kruisverwijzing naar de Skattefunn-regeling, maar maakt alleen specifiek melding van het hier onder punt ii) vermelde soort projecten. Daarom was niet duidelijk of andere soorten projecten toch niet binnen het toepassingsbereik van de regeling onbetaald O&O-werk vallen. Bij e-mail van 12 maart 2008 (Event nr. 469276) hebben de Noorse autoriteiten evenwel bevestigd dat het soort O&O dat hier onder punt i) wordt beschreven, onder de regeling valt.
(21) Punt 6 van deel I in het standaardaanmeldingsformulier en punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk. Gewone, zakelijk gerichte productontwikkeling die geen onderzoekskarakter heeft, valt evenwel niet onder de regeling. Voorbeelden zijn projecten die doorlopen of waarbij het onder meer gaat om aanpassing van methoden zonder dat de ontwikkeling van nieuwe kennis is vereist, of het gebruik van bestaande kennis op nieuwe wijzen, projecten die van organisationele aard zijn, of waarbij het om onderzoeken gaat, enz.
(22) Punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk en punt IX van wet belasting regeling onbetaald O&O-werk.
(23) Punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005), punt 14.1 van Ot.prp. nr. 92 (2004-2005) en de inleiding bij de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk. Ondanks dat Innovasjon Norge (het vroegere Statens nærings- og distriktsutviklingsfond) ook bij het beheer van de Skattefunn-regeling is betrokken, vervult zij slechts een ondergeschikte rol.
(24) Punt 7 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk.
(25) Zie verder punt 2.3 „In aanmerking komende kosten en steunintensiteit”.
(26) E-mail: van de Noorse autoriteiten van 12.3.2008 (Event nr. 469275).
(27) Zie ook punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005) waar wordt verklaard dat de regeling onbetaald O&O-werk gericht is op eenmansbedrijven, vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en andere soorten ondernemingen.
(28) In dat geval worden de projectkosten over de deelnemers verdeeld, in verhouding tot hun deelname.
(29) Brief van de Noorse autoriteiten van 10.1.2006 (Event nr. 356994).
(30) Punt 8.1 van deel III.6.A van het standaardaanmeldingsformulier.
(31) Zie voetnoot 29.
(32) Zie voetnoot 29.
(33) Zie voetnoot 29.
(34) Punt 6 van deel III.6.A van het standaardaanmeldingsformulier.
(35) Zie Norges Offentlige Utredinger (NOU: 2004:14) met als titel Om grunnlaget for inntektsoppgjørene, een verslag over een onderzoek naar de achtergrond voor het bepalen van het loonpeil in statistische gegevens van de overheid, gepubliceerd door een door overheid opgerichte instantie. Volgens dat verslag bedroeg in 2003 het gemiddelde loon van een (voltijd)werknemer in de industrie 319 600 NOK. Rekening houdend met een jaarlijkse loongroei van 4,4 % tussen 2004 en 2005 (die overeenstemt met de jaarlijkse loongroei tussen 2002 en 2003), werd het gemiddelde loon van een werknemer in de industrie op 348 300 NOK geraamd. De reden voor deze benadering was dat dit de op het tijdstip van de aanmelding in 2005 de best beschikbare gegevens waren. Ter vergelijking: volgens NOU: 2007:3 blijkt het gemiddelde loon voor een werknemer in de industrie in 2006 uit te komen op 355 600 NOK.
(36) De hoogte van deze „overige operationele kosten” wordt dus weliswaar berekend per werknemer/per uur, maar toch wordt, zoals verder zal worden uiteengezet, aan de hand van facturen geverifieerd of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
(37) Deze doorlichting vond in 1990 plaats op basis van een aantal ondernemingen van uiteenlopende grootte.
(38) Na correcties voor ziekte, moederschapsverlof enz.
(39) Punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk. Uit punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005) blijkt dat het plafond in wezen 50 % bedraagt van het maximumbedrag voor kosten (in verband met door de onderneming zelf uitgevoerde projecten) in het kader van de Skattefunn-regeling (4 miljoen NOK).
(40) Punt 4 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk.
(41) Punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk.
(42) Punt 7 van deel III.6.A van het standaardaanmeldingsformulier.
(43) De Noorse autoriteiten verklaarden dat, aangezien het plafond voor in aanmerkingen komende kosten voor onbetaald werk op 2 miljoen NOK is vastgesteld en de steunintensiteit voor kmo’s 20 % bedraagt, het steunplafond in absolute bedragen op jaarbasis uitkomt op 400 000 NOK. Punt 3 van de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk en punt 6 van deel I in het standaardaanmeldingsformulier.
(44) De vorige richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling zijn per 7 februari 2007 vervangen door nieuwe richtsnoeren inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Op het ogenblik dat de formele onderzoekprocedure ten aanzien van de regeling onbetaald O&O-werk werd ingeleid, waren de vorige richtsnoeren nog van toepassing. Aangezien de materiële regels voor de beoordeling van deze zaak grotendeels dezelfde zijn gebleven, worden over deze wijzigingen in de regelgeving in deze beschikking verder geen opmerkingen gemaakt.
(45) (Vertaling).
(46) Bron: Statistische gegevens over lonen in 2007, gepubliceerd door Tekna, de Noorse Vereniging voor personen met een hoger diploma in de natuur- en technische wetenschappen.
(47) Punt 3.3, van de richtsnoeren staatssteun betreffende de toepassing van staatssteunregels op maatregelen op het gebied van belastingen op ondernemingen.
(48) Ondanks dat dit niet uitdrukkelijk was vermeld, werd de financiering ook verleend ongeacht de regio.
(49) Zie arrest van 26 september 1996, zaak C-241/94, Frankrijk/Commissie, Jurispr. blz. I-4551, punten 23 en 24; arrest van 1 december 1998, zaak C-200/97, Ecotrade Srl/Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS), Jurispr. 1998 blz. I-7907, punt 40, en arrest van 17 juni 1999, zaak C-295/97, Industrie Aeronautiche e Meccaniche Rinaldo Piaggio SpA/International Factors Italia SpA (Ifitalia), Dornier Luftfahrt GmbH en Ministero della Difesa, Jurispr. 1999, blz. I-3735, punt 39.
(50) Brief van de Noorse autoriteiten van 15 februari 2008 (Event nr. 465311). Volgens punt 2.2 van de richtsnoeren staatssteun voor staatssteun aan micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt, terwijl een „micro-onderneming” een onderneming is waar minder dan tien personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt. Eigendomsstructuren kunnen, zoals in de richtsnoeren staatssteun voor kmo’s uiteengezet, betekenen dat kleine en micro-ondernemingen niet in aanmerking komen.
(51) De desbetreffende statistische gegevens zijn gepubliceerd door Statistisk Sentralbyrå, met als titel Utenrikshandel med varer, årsserier 2006 (tabel 17 Import etter handelsområder, verdensdeler og land voor 2001-2006 en tabel 18 Eksport etter handelsområder, verdensdeler og land voor 2001-2006). Deze statistische gegevens zijn beschikbaar onder: http://www.ssb.no/emner/09/05/nos_utenriks/
(52) Punt 14.3 van Ot.prp. nr. 92 (2004-2005), waar wordt verwezen naar punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005).
(53) Punt 15.1 van Innst. O. nr. 125 (2004-2005) en punt 14.3 van Ot.prp. nr. 92 (2004-2005), waar wordt verwezen naar punt 3.9 van St.prp. nr. 65 (2004-2005).
(54) Beschikking nr. 226/06/COL van 19 juli 2006 betreffende de kaart met steungebieden en steunintensiteiten in Noorwegen.
(55) De punten 29 en 30 van punt 1.4 van de richtsnoeren O&O&I-steun.
(56) Verordening (EG) nr. 70/2001/EG van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 364/2004/EG van de Commissie van 25 februari 2004 (PB L 63 van 28.2.2004, blz. 22). Beide verordeningen zijn in punt 1, onder f), van bijlage XV bij de EER-overeenkomst opgenomen. De daar gegeven definitie stemt overeen met de definitie van de richtsnoeren staatssteun voor kmo’s (zie punt 1.3 van deel II).
(57) Een subsidie ten belope van 20 % van de kosten, vrij van belasting, stemt, bij een belastingpercentage van 28 %, overeen met een brutosubsidie van 27,8 % van de kosten (28 % van 27,8 = 7,8 te „betalen” in belastingen, en de resterende 20 als subsidie).
(58) Een verklaring in de richtsnoeren regeling onbetaald O&O-werk dat de maximum steunintensiteiten is, zoals in de richtsnoeren O&O&I-steun aangegeven, onvoldoende.
(59) Deze stemmen overeen met de punten a) personeelskosten, e) extra algemene vaste kosten, en f) andere exploitatiekosten, in punt 5.1.4 van richtsnoeren O&O&I-steun.
(60) Het communautaire kaderprogramma Onderzoek is het belangrijkste communautaire instrument voor onderzoeksfinanciering in Europa en daarnaar wordt verwezen in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1).
(61) Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1).
(62) Punt B.II.14.1, onder g), van bijlage II bij de Algemene modelovereenkomst over steunverlening in het kader van het zevende kaderprogramma. De tekst van deze overeenkomst is beschikbaar op de website van DG Onderzoek: http://ec.europa.eu/research/index.cfm
(63) Volgens artikel II.12.3 „Non-eligible costs”, blz. 42 van de Guide to Financial Issues relating to FP7 Indirect Actions (ten behoeve van de interpretatie van de modelsubsidieovereenkomst in het kader van KP7) kunnen dergelijke personen ervoor kiezen om gemiddelde personeelskosten te declareren op basis van een door de Commissie goedgekeurde, gecertificeerde methodiek, die is gebaseerd op hun inkomen (bv. belastingaangiften) als erkend door het nationale recht (doorgaans het belastingrecht).
(64) Het jaarloon van een werknemer in de industrie bedraagt 348 300 NOK, tegenover het loon van een burgerlijk ingenieur van 460 000 NOK (of 530 000 NOK). Dit levert, wanneer de methodiek wordt toegepast, een uurloon van 500 NOK op, tegenover 772,80 NOK (890,40 NOK). Het onderdeel „loonkosten” stemt voor werknemers in de industrie overeen met 232,20 NOK, ten opzichte van 333,33 of 353,33 NOK voor burgerlijk ingenieurs.
(65) Een controle van iedere individuele zaak is namelijk vergelijkbaar met, of nog strenger dan, een eenmalige auditverklaring over de methodiek.
(66) Het onderdeel operationele kosten bedraagt 267,80 NOK, hetgeen het saldo is van het totale uurloon en het onderdeel „loonkosten”, nl. 500 NOK – 232,20 NOK = 267,80 NOK.
(67) Besluit nr. 171/02/COL van 25 september 2002, gewijzigd bij Besluit nr. 16/03/COL van 5 februari 2003.
(68) De punten 122, 123 en 124 van de richtsnoeren O&O&I-steun.
(69) Een beperking per onderneming is immers nog strenger dan een beperking per project. Bovendien wordt, zelfs indien een onderneming in het kader van de regeling voor hetzelfde project gedurende de volledige projectduur jaarlijks maximale financiering ontvangt, het plafond van 7,5 miljoen EUR nog steeds niet bereikt.
(70) Tenzij de aanpassingen in aanmerking komen voor aanmelding op grond van de vereenvoudigde procedure in de zin van Besluit nr. 195/04/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 14 juli 2004 betreffende de uitvoeringsbepalingen als bedoeld in artikel 27 van deel II van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (PB L 139 van 25.5.2006, blz. 37).
V Besluiten die zijn aangenomen vanaf 1 december 2009 op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Euratom-Verdrag
BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE VERPLICHT IS
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/36 |
VERORDENING (EU) Nr. 1235/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2009
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 17 december 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 december 2009.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
AL |
54,6 |
|
MA |
78,2 |
|
|
TN |
111,3 |
|
|
TR |
73,2 |
|
|
ZZ |
79,3 |
|
|
0707 00 05 |
EG |
155,5 |
|
MA |
59,4 |
|
|
TR |
89,2 |
|
|
ZZ |
101,4 |
|
|
0709 90 70 |
MA |
45,7 |
|
TR |
104,6 |
|
|
ZZ |
75,2 |
|
|
0709 90 80 |
EG |
175,4 |
|
ZZ |
175,4 |
|
|
0805 10 20 |
MA |
58,2 |
|
TR |
70,0 |
|
|
ZA |
57,0 |
|
|
ZZ |
61,7 |
|
|
0805 20 10 |
MA |
77,7 |
|
TR |
58,0 |
|
|
ZZ |
67,9 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
HR |
38,5 |
|
IL |
65,1 |
|
|
TR |
71,4 |
|
|
ZZ |
58,3 |
|
|
0805 50 10 |
TR |
68,6 |
|
ZZ |
68,6 |
|
|
0808 10 80 |
CA |
76,2 |
|
CN |
98,3 |
|
|
MK |
24,5 |
|
|
US |
90,8 |
|
|
ZZ |
72,5 |
|
|
0808 20 50 |
CN |
41,5 |
|
TR |
97,0 |
|
|
US |
151,3 |
|
|
ZZ |
96,6 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/38 |
VERORDENING (EU) Nr. 1236/2009 VAN DE COMMISSIE
van 10 december 2009
tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en (EG) nr. 1933/2006 van de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1100/2006 en (EG) nr. 964/2007 van de Commissie (1), en met name op artikel 25,
Na raadpleging van het Comité algemene preferenties,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Beschikking 2008/938/EG van de Commissie van 9 december 2008 (2), gewijzigd bij Beschikking 2009/454/EG (3), is de lijst vastgesteld van begunstigde landen die van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 in aanmerking komen voor de bij Verordening (EG) nr. 732/2008 vastgestelde bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur. |
|
(2) |
In kolom E van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 732/2008 moet informatie worden opgenomen over de begunstigde landen die in aanmerking komen voor de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur. Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 732/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 732/2008 wordt vervangen door de tekst van de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 211 van 6.8.2008, blz. 1.
BIJLAGE
„BIJLAGE I
Begunstigde landen (1) en gebieden waarop het schema van algemene tariefpreferenties van de Gemeenschap van toepassing is
|
Kolom A |
: |
lettercode volgens de nomenclatuur van landen en gebieden voor de statistiek van de buitenlandse handel van de Gemeenschap |
|
Kolom B |
: |
naam van het land of gebied |
|
Kolom C |
: |
afdeling(en) ten aanzien waarvan de tariefpreferenties voor het betrokken begunstigde land zijn ingetrokken (artikel 13) |
|
Kolom D |
: |
land dat onder de bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen valt (artikel 11) |
|
Kolom E |
: |
land dat onder de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur valt (artikel 7) |
|
A |
B |
C |
D |
E |
|
|
AE |
Verenigde Arabische Emiraten |
|
|
|
|
|
AF |
Afghanistan |
|
|
X |
|
|
AG |
Antigua en Barbuda |
|
|
|
|
|
AI |
Anguilla |
|
|
|
|
|
AM |
Armenië |
|
|
|
X |
|
AN |
Nederlandse Antillen |
|
|
|
|
|
AO |
Angola |
|
|
X |
|
|
AQ |
Antarctica |
|
|
|
|
|
AR |
Argentinië |
|
|
|
|
|
AS |
Amerikaans-Samoa |
|
|
|
|
|
AW |
Aruba |
|
|
|
|
|
AZ |
Azerbeidzjan |
|
|
|
X |
|
BB |
Barbados |
|
|
|
|
|
BD |
Bangladesh |
|
|
X |
|
|
BF |
Burkina Faso |
|
|
X |
|
|
BH |
Bahrein |
|
|
|
|
|
BI |
Burundi |
|
|
X |
|
|
BJ |
Benin |
|
|
X |
|
|
BM |
Bermuda |
|
|
|
|
|
BN |
Brunei |
|
|
|
|
|
BO |
Bolivia |
|
|
|
X |
|
BR |
Brazilië |
S-IV |
Producten van de voedselindustrie; dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn; tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten |
|
|
|
S-IX |
Hout en houtwaren; houtskool; kurk en kurkwaren; vlechtwerk en mandenmakerswerk |
|
|
||
|
BS |
Bahama’s |
|
|
|
|
|
BT |
Bhutan |
|
|
X |
|
|
BV |
Bouveteiland |
|
|
|
|
|
BW |
Botswana |
|
|
|
|
|
BY |
Belarus |
|
|
|
|
|
BZ |
Belize |
|
|
|
|
|
CC |
Cocoseilanden (of Keelingeilanden) |
|
|
|
|
|
CD |
Congo (Democratische Republiek) |
|
|
X |
|
|
CF |
Centraal-Afrikaanse Republiek |
|
|
X |
|
|
CG |
Congo |
|
|
|
|
|
CI |
Ivoorkust |
|
|
|
|
|
CK |
Cookeilanden |
|
|
|
|
|
CM |
Kameroen |
|
|
|
|
|
CN |
Volksrepubliek China |
S-VI |
Producten van de chemische en van de aanverwante industrieën |
|
|
|
S-VII |
Kunststof en werken daarvan; rubber en werken daarvan |
|
|
||
|
S-VIII |
Huiden, vellen, leder en pelterijen, lederwaren en bontwerk; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, handtassen en dergelijke bergingsmiddelen; werken van darmen |
|
|
||
|
S-IX |
Hout en houtwaren; houtskool kurk en kurkwaren; vlechtwerk en mandenmakerswerk |
|
|
||
|
S-XI(a) |
Textielstoffen S-XI(b) Textielwaren |
|
|
||
|
S-XII |
Schoeisel, hoofddeksels, paraplu’s, parasols, wandelstokken, zitstokken, zwepen, rijzwepen, alsmede delen daarvan; geprepareerde veren en artikelen van veren; kunstbloemen; werken van mensenhaar |
|
|
||
|
S-XIII |
Werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen, met uitzondering van: keramische producten; glas en glaswerk |
|
|
||
|
S-XIV |
Echte en gekweekte parels, edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancybijouterieën; munten |
|
|
||
|
S-XV |
Onedele metalen en werken daarvan |
|
|
||
|
S-XVI |
Machines, toestellen en elektrotechnisch materieel, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen |
|
|
||
|
S-XVII |
Vervoermaterieel |
|
|
||
|
S-XVIII |
Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren daarvan |
|
|
||
|
S-XX |
Diverse werken |
|
|
||
|
CO |
Colombia |
|
|
|
X |
|
CR |
Costa Rica |
|
|
|
X |
|
CU |
Cuba |
|
|
|
|
|
CV |
Kaapverdië |
|
|
X |
|
|
CX |
Christmaseiland |
|
|
|
|
|
DJ |
Djibouti |
|
|
X |
|
|
DM |
Dominica |
|
|
|
|
|
DO |
Dominicaanse Republiek |
|
|
|
|
|
DZ |
Algerije |
|
|
|
|
|
EC |
Ecuador |
|
|
|
X |
|
EG |
Egypte |
|
|
|
|
|
ER |
Eritrea |
|
|
X |
|
|
ET |
Ethiopië |
|
|
X |
|
|
FJ |
Fiji |
|
|
|
|
|
FK |
Falklandeilanden |
|
|
|
|
|
FM |
Micronesia, Federale Staten van |
|
|
|
|
|
GA |
Gabon |
|
|
|
|
|
GD |
Grenada |
|
|
|
|
|
GE |
Georgië |
|
|
|
X |
|
GH |
Ghana |
|
|
|
|
|
GI |
Gibraltar |
|
|
|
|
|
GL |
Groenland |
|
|
|
|
|
GM |
Gambia |
|
|
X |
|
|
GN |
Guinee |
|
|
X |
|
|
GQ |
Equatoriaal-Guinea |
|
|
X |
|
|
GS |
Zuid-Georgië en zuidelijke Sandwicheilanden |
|
|
|
|
|
GT |
Guatemala |
|
|
|
X |
|
GU |
Guam |
|
|
|
|
|
GW |
Guinee-Bissau |
|
|
X |
|
|
GY |
Guyana |
|
|
|
|
|
HM |
Heard- en McDonaldeilanden |
|
|
|
|
|
HN |
Honduras |
|
|
|
X |
|
HT |
Haïti |
|
|
X |
|
|
ID |
Indonesië |
S-III |
Vetten en oliën (dierlijke en plantaardige) en dissociatieproducten daarvan; bewerkt spijsvet; was van dierlijke of van plantaardige oorsprong |
|
|
|
IN |
India |
S-XI(a) |
Textiel |
|
|
|
IO |
Brits gebied in de Indische Oceaan |
|
|
|
|
|
IQ |
Irak |
|
|
|
|
|
IR |
Iran |
|
|
|
|
|
JM |
Jamaica |
|
|
|
|
|
JO |
Jordanië |
|
|
|
|
|
KE |
Kenia |
|
|
|
|
|
KG |
Kirgizië |
|
|
|
|
|
KH |
Cambodja |
|
|
X |
|
|
KI |
Kiribati |
|
|
X |
|
|
KM |
Comoren |
|
|
X |
|
|
KN |
Saint Kitts en Nevis |
|
|
|
|
|
KW |
Koeweit |
|
|
|
|
|
KY |
Caymaneilanden |
|
|
|
|
|
KZ |
Kazachstan |
|
|
|
|
|
LA |
Democratische Volksrepubliek Laos |
|
|
X |
|
|
LB |
Libanon |
|
|
|
|
|
LC |
Saint Lucia |
|
|
|
|
|
LK |
Sri Lanka |
|
|
|
X |
|
LR |
Liberia |
|
|
X |
|
|
LS |
Lesotho |
|
|
X |
|
|
LY |
Libië |
|
|
|
|
|
MA |
Marokko |
|
|
|
|
|
MG |
Madagaskar |
|
|
X |
|
|
MH |
Marshalleilanden |
|
|
|
|
|
ML |
Mali |
|
|
X |
|
|
MM |
Myanmar |
|
|
X |
|
|
MN |
Mongolië |
|
|
|
X |
|
MO |
Macau |
|
|
|
|
|
MP |
Noordelijke Marianen |
|
|
|
|
|
MR |
Mauritanië |
|
|
X |
|
|
MS |
Montserrat |
|
|
|
|
|
MU |
Mauritius |
|
|
|
|
|
MV |
Maldiven |
|
|
X |
|
|
MW |
Malawi |
|
|
X |
|
|
MX |
Mexico |
|
|
|
|
|
MY |
Maleisië |
S-III |
Vetten en oliën (dierlijke en plantaardige) en dissociatieproducten daarvan; bewerkt spijsvet; was van dierlijke of van plantaardige oorsprong |
|
|
|
MZ |
Mozambique |
|
|
X |
|
|
NA |
Namibië |
|
|
|
|
|
NC |
Nieuw-Caledonië |
|
|
|
|
|
NE |
Niger |
|
|
X |
|
|
NF |
Norfolkeiland |
|
|
|
|
|
NG |
Nigeria |
|
|
|
|
|
NI |
Nicaragua |
|
|
|
X |
|
NP |
Nepal |
|
|
X |
|
|
NR |
Nauru |
|
|
|
|
|
NU |
Niue |
|
|
|
|
|
OM |
Oman |
|
|
|
|
|
PA |
Panama |
|
|
|
|
|
PE |
Peru |
|
|
|
X |
|
PF |
Frans-Polynesië |
|
|
|
|
|
PG |
Papoea-Nieuw-Guinea |
|
|
|
|
|
PH |
Filipijnen |
|
|
|
|
|
PK |
Pakistan |
|
|
|
|
|
PM |
Saint-Pierre en Miquelon |
|
|
|
|
|
PN |
Pitcairn |
|
|
|
|
|
PW |
Palau |
|
|
|
|
|
PY |
Paraguay |
|
|
|
X |
|
QA |
Qatar |
|
|
|
|
|
RU |
Rusland |
|
|
|
|
|
RW |
Rwanda |
|
|
X |
|
|
SA |
Saudi-Arabië |
|
|
|
|
|
SB |
Salomonseilanden |
|
|
X |
|
|
SC |
Seychellen |
|
|
|
|
|
SD |
Sudan |
|
|
X |
|
|
SH |
Sint-Helena |
|
|
|
|
|
SL |
Sierra Leone |
|
|
X |
|
|
SN |
Senegal |
|
|
X |
|
|
SO |
Somalië |
|
|
X |
|
|
SR |
Suriname |
|
|
|
|
|
ST |
Sao Tomé en Principe |
|
|
X |
|
|
SV |
El Salvador |
|
|
|
X |
|
SY |
Syrië |
|
|
|
|
|
SZ |
Swaziland |
|
|
|
|
|
TC |
Turks- en Caicoseilanden |
|
|
|
|
|
TD |
Tsjaad |
|
|
X |
|
|
TF |
Franse zuidelijke gebieden |
|
|
|
|
|
TG |
Togo |
|
|
X |
|
|
TH |
Thailand |
S-XIV |
Echte en gekweekte parels, edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancybijouterieën; munten |
|
|
|
TJ |
Tadzjikistan |
|
|
|
|
|
TK |
Tokelau-eilanden |
|
|
|
|
|
TL |
Oost-Timor |
|
|
X |
|
|
TM |
Turkmenistan |
|
|
|
|
|
TN |
Tunesië |
|
|
|
|
|
TO |
Tonga |
|
|
|
|
|
TT |
Trinidad en Tobago |
|
|
|
|
|
TV |
Tuvalu |
|
|
X |
|
|
TZ |
Tanzania |
|
|
X |
|
|
UA |
Oekraïne |
|
|
|
|
|
UG |
Uganda |
|
|
X |
|
|
UM |
Kleine afgelegen eilanden van de Verenigde Staten |
|
|
|
|
|
UY |
Uruguay |
|
|
|
|
|
UZ |
Oezbekistan |
|
|
|
|
|
VC |
Saint Vincent en de Grenadines |
|
|
|
|
|
VE |
Venezuela |
|
|
|
|
|
VG |
Britse Maagdeneilanden |
|
|
|
|
|
VI |
Amerikaanse Maagdeneilanden |
|
|
|
|
|
VN |
Vietnam |
S-XII |
Schoeisel, hoofddeksels, paraplu’s, parasols, wandelstokken, zitstokken, zwepen, rijzwepen, alsmede delen daarvan; geprepareerde veren en artikelen van veren; kunstbloemen; werken van mensenhaar |
|
|
|
VU |
Vanuatu |
|
|
X |
|
|
WF |
Wallis en Futuna |
|
|
|
|
|
WS |
Samoa |
|
|
X |
|
|
YE |
Jemen |
|
|
X |
|
|
YT |
Mayotte |
|
|
|
|
|
ZA |
Zuid-Afrika |
|
|
|
|
|
ZM |
Zambia |
|
|
X |
|
|
ZW |
Zimbabwe” |
|
|
|
|
(1) Deze lijst omvat ook landen die tijdelijk kunnen zijn uitgesloten uit het SAP van de Gemeenschap of die mogelijkerwijze niet hebben voldaan aan de eisen inzake administratieve samenwerking (een voorwaarde voor de toekenning van tariefpreferenties voor goederen). De Commissie of de bevoegde autoriteiten van het betrokken land zullen een bijgewerkte lijst verschaffen.
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/46 |
VERORDENING (EU) Nr. 1237/2009 VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2009
houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Marrone di Caprese Michelangelo (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Marrone di Caprese Michelangelo” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:
Categorie 1.6. Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt
ITALIË
Marrone di Caprese Michelangelo (BOB)
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/48 |
VERORDENING (EU) Nr. 1238/2009 VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2009
houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Pomodorino del Piennolo del Vesuvio (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Pomodorino del Piennolo del Vesuvio” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:
Categorie 1.6. Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt
ITALIË
Pomodorino del Piennolo del Vesuvio (BOB)
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/50 |
VERORDENING (EU) Nr. 1239/2009 VAN DE COMMISSIE
van 15 december 2009
houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Crudo di Cuneo (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name op artikel 7, lid 4, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Crudo di Cuneo” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:
Categorie 1.2 Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)
ITALIË
Crudo di Cuneo (BOB)
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/52 |
VERORDENING (EU) Nr. 1240/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2009
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2008 houdende aanwijzing van de interventiecentra voor granen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op artikel 41 juncto artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Estland en Roemenië hebben een aanvraag ingediend om bepaalde in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2008 van de Commissie (2) opgenomen interventiecentra te wijzigen met het oog op een betere ligging van die centra of om beter aan de gestelde voorwaarden te voldoen. Aan die aanvragen dient gevolg te worden gegeven. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 428/2008 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(3) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2008 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
de tabel met het kopje „ESTLAND” wordt vervangen door de volgende tabel:
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
de tabel met het kopje „ROEMENIË” wordt als volgt gewijzigd:
|
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/54 |
VERORDENING (EU) Nr. 1241/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2009
tot voortzetting van het voorafgaand toezicht op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten van oorsprong uit bepaalde derde landen, en tot updating van de reikwijdte ervan
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling (1), en met name op artikel 11,
Gelet op Verordening (EG) nr. 625/2009 van de Raad van 7 juli 2009 (2) betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen, en met name op artikel 9,
Na overleg met het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 76/2002 (3) heeft de Commissie een voorafgaand communautair toezicht ingesteld op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten van oorsprong uit derde landen. |
|
(2) |
De statistieken van de buitenlandse handel van de Unie zijn niet beschikbaar binnen de termijnen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1917/2000 van de Commissie (4). |
|
(3) |
Hoewel de situatie sinds de invoering van het toezicht in 2002 is veranderd, vereisen de ontwikkelingen op de wereldmarkt voor staal nog steeds een betrouwbaar en snel informatiesysteem over de toekomstige invoer in de Unie. |
|
(4) |
De ontwikkeling van de invoer van de onder toezicht staande producten en van platte producten van roestvrij staal en grote gelaste buizen, die momenteel niet onder toezicht staan, is onderzocht. Het werd noodzakelijk geacht de ontwikkeling van deze aanvullende producten te onderzoeken omdat zij de producten met de grootste toegevoegde waarde op de markt zijn. |
|
(5) |
Tussen 2005 en 2008 is de invoer in de Europese Unie van die staalproducten aanzienlijk (met 40 %) gestegen in absolute termen. Hoewel de invoer sinds eind 2008 is gedaald, was dit alleen het gevolg van de dalende vraag en is de invoer in verhouding tot het verbruik aanzienlijk gebleven. |
|
(6) |
De wereldwijde staalproductiecapaciteit is in 2006-2008 toegenomen en zal naar verwachting tot 2010 blijven toenemen. Verwacht wordt dat de capaciteit de komende twee jaar in een aantal regio’s — en vooral in China, India, Brazilië en het Midden-Oosten — met minstens 10 % zal toenemen. China, het belangrijkste land in termen van toenemende capaciteit, is momenteel goed voor ongeveer 40 % van de wereldwijde ruwstaalcapaciteit en verbruikt jaarlijks ongeveer drie keer meer staal dan de EU. |
|
(7) |
Aangezien de Europese Unie — met name als gevolg van een sterke munt — een belangrijke markt voor staal is in termen van omvang en prijs, is de kans groot dat overcapaciteiten aan staal naar de Europese Unie zullen worden uitgevoerd zodra de markt zich herstelt en de vraag op de markt van de Unie toeneemt. Daar staat tegenover dat de toegang tot de markten van derde landen onlangs in verschillende mate is verminderd doordat landen in verschillende geografische gebieden (bijvoorbeeld Noord- en Zuid-Amerika, Azië en het Midden-Oosten) maatregelen hebben genomen om hun staalindustrie te beschermen of te steunen. Deze maatregelen hebben verschillende vormen aangenomen (onder meer tariefverhogingen, vergunningsvereisten en vereisten om plaatselijke producten te kopen) en betreffen markten met een aanzienlijk aandeel van het wereldwijde verbruik. |
|
(8) |
De productie van ruwstaal en platte producten van roestvrij staal heeft in de Europese Unie respectievelijk in 2007 en 2006 het hoogste niveau bereikt en is in 2008 beginnen te dalen. Tijdens het eerste semester van 2009 heeft er zich een inkrimping van 43,2 % in vergelijking met het eerste semester van 2008 voorgedaan, terwijl tijdens dezelfde periode de wereldwijde staalproductie met 22,4 % is gekrompen. De crisis heeft gevolgen gehad voor alle grote staalproducerende landen in de Europese Unie en daarom hebben de staalproducenten het aantal productiedagen verminderd en zo meer capaciteit onbenut gelaten. |
|
(9) |
Alle producenten hebben de werkgelegenheid aanzienlijk teruggeschroefd. In juni 2009 voelde ongeveer 40 % van de werknemers in de EU-staalsector de gevolgen van de economische crisis in de vorm van permanente of tijdelijke ontslagen en werktijdverkorting. |
|
(10) |
Op basis van de recente ontwikkelingen van de invoer van staalproducten, de momenteel kwetsbare situatie van de EU-industrie, de voortdurend zwakke vraag op de EU-markt en de waarschijnlijkheid dat bestaande en toekomstige overcapaciteit naar de Europese Unie zal worden uitgevoerd zodra de vraag opnieuw aantrekt, kan daarom worden geoordeeld dat de producenten in de Unie schade dreigen te lijden overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 260/2009. |
|
(11) |
Het is bijgevolg in het belang van de Unie dat de invoer van bepaalde staalproducten aan voorafgaand toezicht onderworpen blijft zodat nauwkeurige statistische gegevens kunnen worden verzameld om de ontwikkeling van de invoer snel te kunnen analyseren. Snelle en anticiperende informatie over het handelsverkeer is noodzakelijk in het licht van de kwetsbaarheid van de Europese staalmarkt voor plotse veranderingen op de wereldmarkt voor staal. De informatie is vooral belangrijk in de huidige crisis die gekenmerkt wordt door onzekerheid over de vraag of de vraag structureel zal toenemen en of de EU-industrie daarvan zal profiteren. |
|
(12) |
In het licht van de ontwikkelingen op de markt van platte producten van roestvrij staal en grote gelaste buizen en de situatie van de betrokken bedrijfstakken en gezien het feit dat deze producten onder soortgelijke systemen voor toezicht op de staalinvoer vallen, is het gepast de reikwijdte van dit systeem te verruimen tot de in bijlage I vermelde producten. |
|
(13) |
Rekening houdend met de bovenstaande ontwikkelingen en met het feit dat andere belangrijke staalproducerende landen (bijvoorbeeld Canada en de Verenigde Staten van Amerika) onlangs hebben beslist hun soortgelijke systemen voor toezicht op de staalinvoer te verlengen (respectievelijk tot 31 augustus 2011 en 21 maart 2013) is het gepast dat dit systeem wordt verlengd tot 31 december 2012. |
|
(14) |
Om onnodige restricties tot een minimum te beperken en de activiteiten van bedrijven in de nabijheid van de grenzen niet overmatig te verstoren blijft het nettogewicht van de invoer die van de toepassing van deze verordening is uitgesloten, gehandhaafd op 2 500 kg, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EG) nr. 76/2002 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De reikwijdte van het voorafgaand toezicht wordt verruimd tot de in bijlage I vermelde producten. |
|
2) |
In artikel 6 wordt „31 december 2009” geschrapt en vervangen door „31 december 2012”. |
|
3) |
De lijst van bevoegde nationale instanties wordt vervangen door de lijst in bijlage II. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 84 van 31.3.2009, blz. 1.
(2) PB L 185 van 17.7.2009, blz. 1.
BIJLAGE I
Lijst van producten die moeten worden toegevoegd aan de lijst van aan voorafgaand toezicht onderworpen producten
|
|
7219 11 00 |
|
|
7219 12 10 |
|
|
7219 12 90 |
|
|
7219 13 10 |
|
|
7219 13 90 |
|
|
7219 14 10 |
|
|
7219 14 90 |
|
|
7219 21 10 |
|
|
7219 21 90 |
|
|
7219 22 10 |
|
|
7219 22 90 |
|
|
7219 23 00 |
|
|
7219 24 00 |
|
|
7219 31 00 |
|
|
7219 32 10 |
|
|
7219 32 90 |
|
|
7219 33 10 |
|
|
7219 33 90 |
|
|
7219 34 10 |
|
|
7219 34 90 |
|
|
7219 35 10 |
|
|
7219 35 90 |
|
|
7219 90 20 |
|
|
7219 90 80 |
|
|
7220 11 00 |
|
|
7220 12 00 |
|
|
7220 20 21 |
|
|
7220 20 29 |
|
|
7220 20 41 |
|
|
7220 20 49 |
|
|
7220 20 81 |
|
|
7220 20 89 |
|
|
7220 90 20 |
|
|
7220 90 80 |
|
|
7228 50 20 |
|
|
Volledige GN-rubriek 7305 |
BIJLAGE II
LISTA DE LAS AUTORIDADES NACIONALES COMPETENTES
СПИСЪК НА КОМПЕТЕНТНИТЕ НАЦИОНАЛНИ ОРГАНИ
SEZNAM PŘÍSLUŠNÝCH VNITROSTÁTNÍCH ORGÁNŮ
LISTE OVER KOMPETENTE NATIONALE MYNDIGHEDER
LISTE DER ZUSTÄNDIGEN BEHÖRDEN DER MITGLIEDSTAATEN
PÄDEVATE RIIKLIKE ASUTUSTE NIMEKIRI
ΔΙΕΥΘΥΝΣΕΙΣ ΤΩΝ ΑΡΧΩΝ ΕΚΔΟΣΗΣ ΑΔΕΙΩΝ ΤΩΝ ΚΡΑΤΩΝ ΜΕΛΩΝ
LIST OF THE COMPETENT NATIONAL AUTHORITIES
LISTE DES AUTORITÉS NATIONALES COMPÉTENTES
ELENCO DELLE COMPETENTI AUTORITÀ NAZIONALI
VALSTU KOMPETENTO IESTAŽU SARAKSTS
ATSAKINGŲ NACIONALINIŲ INSTITUCIJŲ SĄRAŠAS
AZ ILLETÉKES NEMZETI HATÓSÁGOK LISTÁJA
LISTA TAL-AWTORITAJIET KOMPETENTI NAZZJONALI
LIJST VAN BEVOEGDE NATIONALE INSTANTIES
LISTA WŁAŚCIWYCH ORGANÓW KRAJOWYCH
LISTA DAS AUTORIDADES NACIONAIS COMPETENTES
LISTA AUTORITĂȚILOR NAȚIONALE COMPETENTE
ZOZNAM PRÍSLUŠNÝCH ŠTÁTNYCH ORGÁNOV
SEZNAM PRISTOJNIH NACIONALNIH ORGANOV
LUETTELO TOIMIVALTAISISTA KANSALLISISTA VIRANOMAISISTA
FÖRTECKNING ÖVER BEHÖRIGA NATIONELLA MYNDIGHETER
|
|
BELGIQUE/BELGIË
|
|
|
БЪЛГАРИЯ
|
|
|
ČESKÁ REPUBLIKA
|
|
|
DANMARK
|
|
|
DEUTSCHLAND
|
|
|
EESTI
|
|
|
FRANCE
|
|
|
ITALIA
|
|
|
ΚΥΠΡΟΣ/KYPROS
|
|
|
IRELAND
|
|
|
ΕΛΛΑΣ
|
|
|
ESPAÑA
|
|
|
LATVIJA
|
|
|
LIETUVA
|
|
|
LUXEMBOURG
|
|
|
MAGYARORSZÁG
|
|
|
MALTA
|
|
|
NEDERLAND
|
|
|
ROMÂNIA
|
|
|
SLOVENIJA
|
|
|
SLOVENSKO
|
|
|
ÖSTERREICH
|
|
|
POLSKA
|
|
|
PORTUGAL
|
|
|
SUOMI/FINLAND
|
|
|
SVERIGE
|
|
|
UNITED KINGDOM
|
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/60 |
VERORDENING (EU) Nr. 1242/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2009
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde ladingcontrolesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie en op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het nieuwe onderzoek
|
(1) |
Op 18 maart 2009 heeft de Europese Commissie met een bericht („het bericht van inleiding”) in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde ladingcontrolesystemen van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) aangekondigd. |
|
(2) |
De antidumpingprocedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 2 februari 2009 werd ingediend door de communautaire producent Smiths Detection Group Limited („de klager”), die goed is voor een groot deel, in dit geval meer dan 80 %, van de totale productie van bepaalde ladingcontrolesystemen in de Gemeenschap. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal inzake dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om tot inleiding van een procedure over te gaan. |
1.2. Partijen bij de procedure
|
(3) |
De Commissie heeft de klager, andere haar bekende producenten in de Gemeenschap, de enige bekende producent-exporteur in de VRC, de vertegenwoordigers van het betrokken land van uitvoer, en producenten in de Verenigde Staten van Amerika („de VS”), die als referentieland waren beoogd, van de procedure in kennis gesteld. Verder heeft de Commissie contact opgenomen met alle haar bekende gebruikers van het betrokken product/soortgelijk product in de Gemeenschap. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
|
(4) |
Om de enig bekende producent-exporteur in de VRC in de gelegenheid te stellen desgewenst een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) of een individuele behandeling („IB”) aan te vragen, heeft de Commissie de haar bekende betrokken producent-exporteur en de autoriteiten van de VRC aanvraagformulieren toegezonden. De enige bekende producent-exporteur in de VRC heeft geen BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening aangevraagd, maar wel een IB. |
|
(5) |
De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar alle haar bekende betrokken partijen en naar alle andere partijen die daar binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn om hadden verzocht. |
|
(6) |
Er werden ingevulde vragenlijsten ontvangen van de enige bekende producent-exporteur in de VRC, van twee communautaire producenten, van één producent in de VS, die als referentieland waren beoogd, en van negen communautaire gebruikers. |
|
(7) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de BMO/IB en voor een voorlopige vaststelling van dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Gemeenschap noodzakelijk achtte, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:
|
|
(8) |
In verband met de noodzaak om de normale waarde vast te stellen voor de producent-exporteur in de VRC die geen BMO had aangevraagd, vond bij onderstaande onderneming een controlebezoek plaats om de normale waarde vast te stellen op basis van gegevens uit een referentieland, in dit geval de VS: Rapiscan Systems Inc., Torrance, CA, USA. |
1.3. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(9) |
Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2008 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2004 tot het einde van het OT („de beoordelingsperiode”). Wat de duur van het OT betreft, wordt opgemerkt dat de periode van 18 maanden is gekozen in verband met de bijzonderheden van de markt voor het betrokken product/soortgelijke product, die wordt gekenmerkt door aanbestedings- en inschrijvingsprocedures waarbij de totstandkoming van een transactie veel tijd in beslag neemt, en door relatief weinig transacties. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(10) |
De procedure heeft betrekking op systemen om lading door te lichten („scannen”) die gebruikmaken van neutronentechnologie of van röntgenstralen met een röntgenbron van 250 KeV of meer, of van alfa-, bèta- of gammastraling, momenteel ingedeeld onder GN-codes ex 9022 19 00 , ex 9022 29 00 , ex 9027 80 17 en ex 9030 10 00 , en op met dergelijke systemen uitgeruste motorvoertuigen, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8705 90 90 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China („het betrokken product”). |
|
(11) |
Deze scanners zijn technologisch geavanceerde systemen om vracht te controleren. Zij detecteren onder meer explosieven, wapens, radioactief materiaal, verdovende middelen, smokkelwaar en namaakgoederen in ladingen, en dragen zo bij aan de beveiliging en de veiligheid. Zij zijn een belangrijk instrument voor douane-instanties en havenautoriteiten en voor bepaalde luchtvrachtbedrijven en particuliere actoren in de veiligheids- en de beveiligingsbranche, om verdachte goederen in ongeopende ladingen bij doorvoer over zee, over de weg, door de lucht of per spoor te detecteren. |
|
(12) |
Het betrokken product bestaat in verschillende configuraties, afhankelijk van de te scannen objecten en van de vraag of zij mobiel of statisch moeten zijn. De belangrijkste configuraties zijn: stationaire systemen (die permanent op een aangewezen plaats zijn geïnstalleerd), verplaatsbare systemen (lichte scansystemen die op rails bewegen en verplaatst kunnen worden), systemen op rails, mobiele systemen (waarbij het apparaat in een motorvoertuig is ingebouwd), doorloopsystemen en poortsystemen. Ladingcontrolesystemen van dezelfde configuratie hebben dezelfde fysische en technische basiskenmerken en prestaties, dienen precies dezelfde gebruiksdoeleinden, worden uitsluitend aan eindgebruikers verkocht en worden met dezelfde soort apparatuur geproduceerd. |
|
(13) |
De enige medewerkende producent-exporteur in de VRC betoogde dat de productomschrijving van het betrokken product radicaal moest worden beperkt en alleen een bepaald deel van de röntgen-ladingcontrolesystemen moest omvatten, namelijk de niet-mobiele ladingcontrolesystemen die gebruikmaken van röntgenstralen (met een röntgenbron van meer dan 450 KeV), met uitsluiting van ladingcontrolesystemen met Interlaced Dual-Energy (IDE), binoculaire stereoscopische (BS) en snelscantechnologieën. Hij betoogde dat bepaalde technologieën uit wetenschappelijk of technisch oogpunt niet geschikt zijn voor ladingscanners. Volgens hem zijn in sommige gevallen de technieken, de eindtoepassingen en de perceptie van de consument verschillend. De producent-exporteur bracht naar voren dat technieken met alfa- of bètastraling wetenschappelijk of technisch niet geschikt zijn voor ladingscanners. Ook betoogde hij dat in de Gemeenschap geen ladingscanners met neutronen- of gammatechniek worden geproduceerd. Voorts bracht hij naar voren dat bepaalde scanners afwijken (bv. mobiele ladingscanners, ladingscanners met snelscantechnologie, met IDE-technologie, met BS-technologie, ladingscanners met een bepaald energieniveau) en daarom niet als het betrokken product kunnen worden behandeld. Tot slot werd betoogd dat bepaalde productsoorten verschillend zijn en dat sommige soorten niet in de VRC of in de Gemeenschap worden geproduceerd. |
|
(14) |
Uit het onderzoek is gebleken dat alle onder de productomschrijving vallende technologieën bruikbaar zijn voor ladingscanners en dat alle productsoorten hetzelfde doel dienen, namelijk het scannen van lading volgens hetzelfde hoofdprincipe: de emissie van straling die op de te controleren lading wordt geconcentreerd. Om deze reden zijn verschillen in de energiebron of het energieniveau en ook de grotere geschiktheid van sommige technologieën om specifieke soorten objecten (zoals organisch materiaal) te scannen, geen rechtvaardiging om een bepaald productsoort uit te sluiten. Alle productsoorten, ongeacht hun technologie, dienen hetzelfde doel voor de gebruiker van het product, namelijk het scannen van lading. Bovendien wordt bij aanbestedingen in de Europese Unie doorgaans geen enkele soort technologie uitgesloten, ongeacht waar het desbetreffende product is vervaardigd. Ook is gebleken dat technieken met alfa- en bètastraling bruikbaar zijn om bepaalde soorten lading te scannen. Het feit dat sommige productsoorten niet in de Europese Unie worden geproduceerd, is op zichzelf niet relevant. Het is een vaste praktijk van de instellingen dat de productomschrijving wordt gebaseerd op de vraag of de verschillende soorten dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en in hoofdzaak voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Door de productomschrijving te beperken tot precies die productsoorten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap worden geproduceerd, zouden de productomschrijving en antidumpingmaatregelen onwerkbaar worden. Ten aanzien van het argument dat bepaalde röntgenladingcanners moeten worden uitgesloten met als enige reden dat zij met bepaalde soorten technologie worden gecombineerd, moet worden opgemerkt dat het bestaan van een bijkomende voorziening of functie van een röntgenladingscanner niet afdoet aan het feit dat dit product op dezelfde wijze als alle andere soorten van het betrokken product wordt gebruikt en dezelfde fysieke en technische basiskenmerken heeft. Wat het onderscheid tussen mobiele en niet-mobiele ladingcontrolesystemen betreft, moet erop worden gewezen dat beide categorieën voor dezelfde doeleinden worden gebruikt en op dezelfde technologie zijn gebaseerd en dat in beide categorieën de scantechnologie is opgenomen in een grotere structuur: hetzij een vrachtwagen, hetzij een permanente installatie. Tot slot, wat de energieniveaus betreft, moet worden opgemerkt dat voor het scannen van lading zowel hoge als lage energieniveaus worden gebruikt en dat daarom alle productsoorten dezelfde fysische en technische hoofdkenmerken hebben, mits het energieniveau binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde grenzen blijft. Het zou daarom onlogisch zijn om ladingscanners met een bepaald energieniveau uit te sluiten, vooral omdat bij openbare aanbestedingen het energieniveau doorgaans niet wordt vermeld en het aan de leverancier wordt overgelaten om in de inschrijving het juiste niveau te bepalen. Bijgevolg worden alle bestaande soorten voor het onderzoek als een enkel product beschouwd. |
|
(15) |
Er werd ook betoogd dat de klager de belangrijkste component van het betrokken product (namelijk de versneller) niet produceerde en daarom niet als producent moest worden beschouwd. In dit verband moet worden opgemerkt dat ladingscanners en versnellers verschillende producten zijn. De productie van versnellers is een andere bedrijfstak, aangezien versnellers voor velerlei sectoren en toepassingen worden gebruikt. Het scannen van lading is slecht één toepassing voor versnellers. Nergens ter wereld is het gebruikelijk dat producenten van ladingscanners ook versnellers produceren. Voor zover bij de Commissie bekend, is alleen Nuctech verticaal geïntegreerd en produceert het ook dit onderdeel. |
2.2. Soortgelijk product
|
(16) |
Het betrokken product in de VRC, het product dat in de VS – het referentieland – wordt geproduceerd en daar op de binnenlandse markt wordt verkocht, en het product dat in de Gemeenschap wordt geproduceerd en verkocht door de bedrijfstak van de Gemeenschap bleken identiek te zijn wat de fysische en technische basiskenmerken betreft. Bovendien is er geen verschil in het gebruik tussen deze producten. Dit wordt bevestigd door het feit dat de producenten gewoonlijk met elkaar concurreren bij overheidsopdrachten, waarbij zij aan dezelfde standaardvoorwaarden moeten voldoen. De aanbestedingen hiervoor worden gepubliceerd door overheidsinstanties (gewoonlijk de douaneautoriteiten die het product aanschaffen en gebruiken). Aanbestedingen bevatten gedetailleerde specificaties voor het te leveren product, soms gekoppeld aan concrete vereisten met betrekking tot installatie, servicegerelateerde ondersteuning en onderhoud. Per definitie houdt elke inschrijving van een producent bij een aanbestedingsprocedure gewoonlijk in dat de aangeboden producten dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Bovendien is, gezien de transparantie van de markt (weinig transacties, weinig deelnemers) en de stringente vereisten die in de aanbestedingen zijn geformuleerd, de mogelijkheid om producten te differentiëren zeer beperkt. |
|
(17) |
Daarom luidt de voorlopige conclusie dat alle soorten ladingcontrolesystemen als soortgelijk product in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening zijn te beschouwen. |
3. DUMPING
3.1. Algemene werkwijze
|
(18) |
De hieronder beschreven algemene werkwijze is op de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC toegepast. |
3.2. Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)
|
(19) |
Ingevolge artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt bij antidumpingonderzoeken betreffende producten van oorsprong uit de VRC de normale waarde voor producenten die aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldoen, vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel. |
|
(20) |
Zoals echter in punt 4 is vermeld, heeft de enige bekende producent-exporteur in de VRC alleen een individuele behandeling („IB”) aangevraagd. Deze criteria zijn daarom niet onderzocht. |
3.3. Individuele behandeling (IB)
|
(21) |
Doorgaans wordt ingevolge artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening voor landen waarop dat artikel van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat ze aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen, daarvan worden uitgezonderd. Gemakshalve worden deze criteria hieronder weergegeven:
|
|
(22) |
De enige medewerkende producent-exporteur in de VRC heeft om een IB verzocht en alle noodzakelijke informatie verschaft voor een beoordeling van zijn aanvraag binnen de vastgestelde termijn. |
|
(23) |
Uit de bij het controlebezoek beschikbare en gecontroleerde informatie is gebleken dat het zeer waarschijnlijk is dat er sprake is van staatsinmenging in de handelsactiviteiten van deze onderneming wat het betrokken product betreft. De enige medewerkende producent-exporteur in de VRC kon niet aantonen dat hij voldoende onafhankelijk van staatsinmenging was, aangezien de meerderheidsaandeelhouder een dochteronderneming van een Chinese staatsuniversiteit was. Bovendien moeten eventuele wijzigingen in de aandelenstructuur van de onderneming vooraf door de staat worden goedgekeurd, aangezien er staatsmiddelen zijn gebruikt voor het maatschappelijk kapitaal van de onderneming. De Commissie stelde ook vast dat er sprake was van een contract dat gekoppeld was aan een overeenkomst tussen de regering van de VRC en die van een derde land. Dit is een nadere aanwijzing van een bepaalde vorm van staatsinterventie met betrekking tot de zakelijke activiteiten van de onderneming, en meer in het bijzonder de mogelijkheid om de uitvoerprijzen en -hoeveelheden en de verkoopvoorwaarden vrij vast te stellen. |
|
(24) |
In dit verband wordt eraan herinnerd dat de onderneming in kwestie de enige producent-exporteur van het betrokken product in de VRC is. Daarom zal een eventueel vastgesteld individueel recht ook het voor het gehele land geldende recht zijn, aangezien het antidumpingrecht op een niet-discriminerende grondslag moet worden ingesteld op het betrokken product, afkomstig van de enige producent van het betrokken product in de VRC, waarvan is vastgesteld dat het met dumping wordt ingevoerd en schade veroorzaakt. |
|
(25) |
Rekening houdend met het bovenstaande, en met het feit dat voor het betrokken product aan de hand van het geharmoniseerde systeem en de gecombineerde nomenclatuur geen exacte invoer-/uitvoerstatistieken kunnen worden verkregen, wordt voorlopig vastgesteld dat aan de enige medewerkende producent-exporteur geen IB kan worden toegekend in de zin van artikel 9, lid 5, van de basisverordening. |
3.4. Normale waarde
3.4.1. Referentieland
|
(26) |
Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten-exporteurs uit de onder artikel 2, lid 7, onder b), van die verordening genoemde landen zonder markteconomie, als zij niet als marktgerichte onderneming kunnen worden behandeld, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een referentieland. |
|
(27) |
In het bericht van inleiding had de Commissie haar voornemen bekendgemaakt om de Verenigde Staten van Amerika („de VS”) als referentieland te kiezen voor het vaststellen van de normale waarde voor de VRC; belanghebbenden konden over deze keuze opmerkingen maken. |
|
(28) |
Er werden opmerkingen ingediend door de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC, die zich sceptisch toonde over het gebruik van de VS als referentieland. Het voornaamste argument tegen het gebruik van dit land als referentieland was de sterk afgeschermde markt voor overheidsopdrachten in de VS, waar de voorkeur wordt gegeven aan Amerikaanse producten („Buy American”), wat tot kunstmatige prijzen op die markt leidt. |
|
(29) |
De Commissie verzocht producenten in de VS om medewerking. Er werden brieven en vragenlijsten gestuurd naar de vijf bekende ondernemingen die in de klacht werden genoemd. Van al deze ondernemingen heeft slechts één onderneming tijdig alle voor de vaststelling van de normale waarde benodigde informatie verstrekt en zich uiteindelijk bereid had verklaard aan het onderzoek mee te werken. |
|
(30) |
De Commissie heeft herinneringen gestuurd aan de ondernemingen in de VS die aanvankelijk waren benaderd. Ook verzocht zij de klager en de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC om commentaar over de keuze van het derde land met een markteconomie. |
|
(31) |
De enige medewerkende producent-exporteur in de VRC bracht naar voren dat één onderneming die in de VS gevestigd en aan de klager verbonden is, geen medewerking aan het onderzoek in het beoogde referentieland verleent. Hij betoogde dat de klager door de niet-medewerking van de dochteronderneming in het referentieland als een niet-medewerkende onderneming moet worden aangemerkt en dat de procedure moet worden beëindigd. De klager stelde dat de verbonden onderneming in de VS niet als producent in de zin van de EU-antidumpingvoorschriften was aan te merken en dat hij deze daarom niet in de klacht had genoemd. |
|
(32) |
De argumenten van de medewerkende producent-exporteur zijn niet overtuigend. Het loutere bestaan van betrekkingen in de vorm van aandelen tussen communautaire producenten en producenten in een mogelijk referentieland kunnen geen beletsel zijn bij de keuze van het referentieland. Relevant is, of de productie en de verkoop in een land dat als mogelijk referentieland in aanmerking komt, representatief is voor de uitvoer uit het betrokken land, zodat de normale waarde kan worden vastgesteld. Een producent in een referentieland is niet verplicht om mee te werken aan het antidumpingonderzoek van de Commissie. Bovendien is er geen specifieke informatie ingediend waaruit kan blijken dat de niet-medewerking van de met de klager verbonden onderneming in de VS de conclusies van dit onderzoek bovenmatig heeft beïnvloed. Dit geldt des te meer omdat één niet-verbonden producent in de VS wél aan het onderzoek deelnam. |
|
(33) |
Uit het onderzoek bleek dat de VS de enige markt naast de VRC en de Gemeenschap is waar het betrokken product/soortgelijk product wordt vervaardigd. Ook bleek dat de VS een concurrerende markt voor het soortgelijke product heeft. Het soortgelijke product wordt zowel aan klanten in de privésector als aan overheidsinstanties verkocht. |
|
(34) |
Alle verkopen aan de regering van de VS vallen onder de „Federal Acquisition Regulation”, waarin wordt verwezen naar de „Buy American Act” wat aankopen in het buitenland betreft. In deze wet geeft de regering van de VS de voorkeur aan binnenlandse producten, tenzij het land van uitvoer de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie heeft ondertekend. Volgens de Buy American Act kan van het algemene voorschrift van aankoop in het binnenland worden afgeweken wanneer dat in het algemeen belang is of wanneer het product in het binnenland niet beschikbaar is. De enige medewerkende producent-exporteur in de VRC betoogde dat de Federal Acquisition Regulation en de Buy American Act de aankoop van grondstoffen verstoren, de aanschafkosten – met name voor in het buitenland gebaseerde ondernemingen – verhogen en een doelmatige concurrentie op de markt van de VS belemmeren. |
|
(35) |
Uit de beschikbare informatie bleek dat de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC in het verleden heeft deelgenomen aan een aanbestedingsprocedure in de VS. Bij het onderzoek is uit niets gebleken dat producenten uit landen die de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie hebben ondertekend, niet onder gelijkwaardige voorwaarden kunnen deelnemen aan procedures voor overheidsopdrachten in de Verenigde Staten. Daarom kan het argument dat de VS in verband met de Federal Acquisition Regulation niet als referentieland kan dienen, niet worden aanvaard. |
|
(36) |
Voorts bleek uit het onderzoek dat het productievolume van de medewerkende producent in de VS aanzienlijk meer dan 5 % van het uitvoervolume van het betrokken product uit de VRC naar de Gemeenschap bedroeg. Wat de kwaliteit, de technische specificaties en de normen van het soortgelijke producten in de VS betreft, werden geen grote verschillen met producten uit de VRC aangetroffen. De markt van de VS werd derhalve geacht in voldoende mate representatief te zijn om de normale waarde voor de VRC te kunnen vaststellen. |
|
(37) |
Derhalve luidde de voorlopige conclusie dat de VS een geschikt referentieland is in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. |
3.4.2. Vaststelling van de normale waarde
|
(38) |
Nadat de VS als referentieland was gekozen, werd de normale waarde berekend op basis van gegevens die ter plaatse bij de enige medewerkende producent in de VS werden gecontroleerd. |
|
(39) |
De binnenlandse verkoop van de producent van het soortgelijke product in de VS werd representatief geacht in vergelijking met de uitvoer van het betrokken product door de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC naar de Gemeenschap. |
|
(40) |
Tevens werd onderzocht of deze binnenlandse verkoop kon worden geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties, door vast te stellen welk aandeel met winst aan onafhankelijke afnemers was verkocht. Uit de controle bij de producent in de VS bleek dat meer dan 80 % van het totale verkoopvolume verkocht was tegen een nettoverkoopprijs gelijk aan of hoger dan de kosten per eenheid. De normale waarde werd derhalve gebaseerd op de werkelijk betaalde binnenlandse prijs per productsoort, berekend als het gewogen gemiddelde van de prijzen van de volledige binnenlandse verkoop van die productsoort in het OT, ongeacht of de verkoop winstgevend was. |
|
(41) |
Opgemerkt moet worden dat de medewerkende producent in de VS tijdens het onderzoektijdvak slechts één soort van het soortgelijke product heeft geproduceerd en in de VS op de markt heeft gebracht. |
|
(42) |
Voor de soorten van het betrokken product waarvoor geen normale waarde kon worden berekend op basis van de in het referentieland beschikbare gegevens, werd de normale waarde vastgesteld op basis van gecontroleerde gegevens van de bedrijfstak van de Gemeenschap over hetzelfde productsoort. Dit gebeurde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a, van de basisverordening, waarin wordt bepaald dat kosten en prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap evenzeer mogen worden gebruikt als elke andere redelijke basis bij het vaststellen van de normale waarde bij invoer uit landen zonder markteconomie. |
3.5. Uitvoerprijs
|
(43) |
De enige medewerkende producent-exporteur in de VRC verkocht in de Gemeenschap alleen aan overheidsinstanties in het kader van overheidsopdrachten. |
|
(44) |
Bij het onderzoek bleek de boekhouding van de onderneming onvolledig te zijn, zodat de buitenlandse verkopen en de uitvoerprijzen bij een aantal transacties niet nauwkeurig konden worden vastgesteld. De contracten waarin de overheidsopdrachten werden gegund, betroffen bouwwerken ter plaatse en installatie- en servicekosten in de Gemeenschap die niet altijd waren terug te vinden in de boekhouding van de onderneming, hoewel deze gegevens gewoonlijk wel beschikbaar behoren te zijn. Voorts waren bepaalde met de uitvoer samenhangende kosten niet correct in de boekhouding van de onderneming weergegeven, waardoor twijfel ontstond over de volledigheid ervan. Hierdoor konden bepaalde noodzakelijke correcties van de uitvoerprijzen voor een billijke vergelijking met de normale waarde niet met de gewenste nauwkeurigheid worden vastgesteld. |
|
(45) |
De onderneming werd op de hoogte gebracht van bovengenoemde tekortkomingen en van over de eventuele toepassing van artikel 18 van de basisverordening om de uitvoerprijs van het betrokken product vast te stellen. De onderneming werd om opmerkingen hierover gevraagd, maar leverde slechts algemeen commentaar waarin de geconstateerde problemen niet werden betwist. |
|
(46) |
Gezien het bovenstaande werden de uitvoerprijzen van het betrokken product vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening op basis van de voor het betrokken product betaalde prijzen. |
3.6. Vergelijking
|
(47) |
De normale waarde werd met de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(48) |
Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor de onderzochte producent-exporteur in de VRC werden correcties toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, verpakking, krediet, garantie, commissies, civieltechnische werken en installatie ter plaatse en servicekosten voor zover deze konden worden gerechtvaardigd. Zoals in overweging 45 reeds werd opgemerkt, zijn de beschikbare feiten overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening gebruikt om de servicekosten vast te stellen. |
3.7. Dumpingmarge
|
(49) |
Ingevolge artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumpingmarge voor de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs per productsoort, zoals hierboven vastgesteld. |
|
(50) |
Op basis van de informatie uit de klacht en van de medewerkende producent-exporteur in de VRC zijn er geen andere producenten van het betrokken product in de VRC bekend. Daarom moet de voor de hele VRC geldende dumpingmarge gelijk zijn aan de dumpingmarge die voor de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC is vastgesteld. |
|
(51) |
De voorlopige dumpingmarge voor de VRC bedraagt 36,6 % van de cif-prijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring. |
4. SCHADE
4.1. Communautaire productie
|
(52) |
Uit het onderzoek bleek dat het soortgelijke product in de Gemeenschap wordt vervaardigd door twee communautaire producenten, met fabrieken in Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. |
|
(53) |
De output van bovenbedoelde ondernemingen vormt samen de communautaire productie. |
|
(54) |
In dit geval zijn er slechts twee communautaire producenten en één producent-exporteur die het grootste deel van de communautaire markt vertegenwoordigen. Om vertrouwelijke bedrijfsinformatie te beschermen, kunnen dan ook geen exacte cijfers worden gegeven. Daarom wordt voor de indicatoren een index of orde van grootte aangegeven. |
4.2. Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap
|
(55) |
De klacht is ingediend namens één communautaire producent, die meer dan 80 % van de totale bekende productie van het soortgelijke product in de Gemeenschap vertegenwoordigt. |
|
(56) |
De andere communautaire producent werkte aanvankelijk mee aan het onderzoek door een vragenlijst te beantwoorden, maar zag later af van actieve medewerking aan het onderzoek. |
4.3. Verbruik in de Gemeenschap
|
(57) |
Er zij aan herinnerd dat er geen nauwkeurige Eurostatstatistieken over de invoer van het betrokken product bestaan. Alle belanghebbenden werd om informatie over het verbruik in de Gemeenschap verzocht. De informatie werd zo mogelijk getoetst aan andere beschikbare informatie van producenten van het betrokken product in de VRC en de VS, van de gebruikers in de Europese Unie en aan informatie over contracten en aanbestedingen die op de communautaire markt aan de neus van de bedrijfstak van de Gemeenschap waren voorbijgegaan. Het verbruik in de Gemeenschap werd aldus vastgesteld op basis van het verkoopvolume in de Gemeenschap van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde soortgelijke product, het verkoopvolume in de Gemeenschap van het door de andere bekende communautaire producent vervaardigde soortgelijke product en het invoervolume van het betrokken product uit derde landen. De data van ondertekening van de verkoopcontracten in het kader van de aanbestedingsprocedures werden gebruikt om vast te stellen of een transactie binnen een specifieke tijdsperiode plaatsvond. Het aldus berekende verbruik in de Gemeenschap ontwikkelde zich als volgt.
|
||||||||||||||||||
|
(58) |
Het verbruik van het betrokken product en het soortgelijke product in de Gemeenschap verdubbelde in de beoordelingsperiode door de toegenomen aandacht voor veiligheid en voor fraude- en misdaadbestrijding. De aanschaf van enkele eenheden werd gefinancierd door de EU in het kader van een reeks antifraude- en grensbeschermingsinitiatieven. |
4.4. Invoer uit het betrokken land
4.4.1. Volume, prijs en marktaandeel van de invoer met dumping uit het betrokken land
|
(59) |
Het invoervolume van het betrokken product steeg in de beoordelingsperiode aanmerkelijk. In het OT was de invoer aanzienlijk toegenomen ten opzichte van 2004.
|
||||||||||||||||||
|
(60) |
De gemiddelde invoerprijs varieert aanzienlijk per transactie omdat de configuratie van het systeem de gemiddelde prijs per eenheid sterk beïnvloedt. Daarom heeft de ontwikkeling van de gemiddelde prijzen per eenheid op zich geen betekenis.
|
||||||||||||||||||
|
(61) |
Het marktaandeel van de invoer uit het betrokken land is in de beoordelingsperiode ruim verviervoudigd. Overigens vormt de invoer uit het betrokken land verreweg het grootste deel van de invoer in de Europese Unie in de beoordelingsperiode.
|
||||||||||||||||||||||||
4.4.2. Onderbieding
|
(62) |
Voor een analyse van de prijsonderbieding werden de invoerprijzen van de medewerkende producent-exporteur vergeleken met de aanbestedingsprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT, op basis van vergelijkbare configuraties van het product. Deze vergelijking werd gemaakt voor alle transacties waarop zowel de bedrijfstak van de Gemeenschap als de producent-exporteur hadden ingeschreven en waar deze inschrijvingen waren gebaseerd op dezelfde voorwaarden en door de aanbestedende instantie waren geaccepteerd. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden gecorrigeerd tot het niveau van de nettoprijzen af fabriek en werden vergeleken met de cif-prijs, grens Europese Unie, plus de toepasselijke invoerrechten. |
|
(63) |
Op basis van de prijzen van de medewerkende producent-exporteur ligt de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge (in procenten van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap) tussen 20 en 25 %. |
4.5. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap
4.5.1. Opmerkingen vooraf
|
(64) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie alle economische factoren en indicatoren onderzocht die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren. |
|
(65) |
Opgemerkt moet worden dat deze bedrijfstak eerder „kennisintensief of knowhowintensief” dan „machine-intensief” is en dat de productie op bestelling gebeurt. Hiermee moet rekening worden gehouden bij de uitlegging van een aantal schade-indicatoren en bij de weging ervan bij de schadeanalyse. Deze indicatoren zijn onder meer informatie over gemiddelde prijzen, rendement, voorraden, productiecapaciteit en bezettingsgraad. De informatie over gemiddelde prijzen is niet significant, gezien de lage volumes en de verschillen in soorten scansystemen van jaar tot jaar. De verschafte informatie over het rendement en de voorraden geeft geen accuraat beeld: het rendement is gebaseerd op activa die reeds zijn afgeschreven, terwijl de voorraden een markt weergeven waar op bestelling wordt verkocht. Ook de productiecapaciteit en de bezettingsgraad zijn indicatoren van zeer beperkte relevantie, omdat er doorgaans pas wordt geproduceerd nadat er na een aanbestedingsprocedure een contract is gesloten. |
4.5.2. Schade-indicatoren
Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
|
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
OT |
|
Productie |
100 |
75 |
89 |
163 |
166 |
|
Productiecapaciteit |
100 |
82 |
83 |
168 |
222 |
|
Bezettingsgraad |
100 |
92 |
107 |
97 |
75 |
|
Index: 2004=100 Bron: Antwoorden op de vragenlijst. |
|||||
|
(66) |
In de beoordelingsperiode steeg het productievolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 66 %. Deze positieve tendens is vooral te danken aan de toegenomen uitvoer van het soortgelijk product. Hierdoor heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productiecapaciteit in de beoordelingsperiode ook meer dan verdubbeld. De bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Gemeenschap is tijdens de beoordelingsperiode met 25 % gedaald. Voorraden
|
||||||||||||||||||
|
(67) |
Het voorraadpeil van de bedrijfstak van de Gemeenschap schommelde tijdens de beoordelingsperiode. De productie van het soortgelijke product voor de markt gebeurt echter op bestelling, en voorraden worden altijd tot het minimum beperkt. Verkoopvolume, verkoopprijs en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(68) |
De verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de beoordelingsperiode en bedroeg in het OT nog maar de helft van het oorspronkelijke volume. De bedrijfstak van de Gemeenschap verloor tussen 2004 en het einde van het OT 73 % van zijn marktaandeel. |
|
(69) |
De gemiddelde verkoopprijzen van de eigen productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap hangen sterk af van de configuratie van de verkochte scanners en het aantal verkochte eenheden per contract in elke periode. Daarom heeft een vergelijking van de cijfers binnen de beoordelingsperiode geen zin. Winstgevendheid
|
||||||||||||||||||
|
(70) |
In de beoordelingsperiode is de bedrijfstak van de Gemeenschap verliesgevend geworden. De situatie was tijdens het OT bijzonder ernstig. Het is duidelijk dat de slechte winstgevendheid in 2007 en tijdens het OT het voortbestaan van de bedrijfstak van de Gemeenschap in gevaar brengt. Investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(71) |
In de beoordelingsperiode zijn de investeringen laag gebleven. Een groot deel van de investeringen wad bestemd voor het onderhouden van de bedrijfsruimten. De hogere investeringen in 2007 hangen samen met een nieuw octrooi om de prestaties van het betrokken product te verbeteren. Zoals reeds gezegd, betreft het een knowhowintensieve bedrijfstak. |
|
(72) |
Het rendement van de investeringen, uitgedrukt in de nettowinst van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de nettoboekwaarde van zijn investeringen, is in de beoordelingsperiode gedaald, maar dit is geen goede schade-indicator omdat het vooral gaat om activa die reeds waren afgeschreven. |
|
(73) |
De kasstroom van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode sterk verslechterd. Werkgelegenheid, productiviteit en lonen
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(74) |
Het aantal werknemers van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat bij het soortgelijke product betrokken was, nam in de beoordelingsperiode toe dankzij de goede uitvoerprestatie van de klager. De gemiddelde loonkosten per werknemer namen toe, wat verband houdt met het loonniveau van hoger gekwalificeerd personeel. |
|
(75) |
De productiviteit, uitgedrukt als de productie per werknemer per jaar, is in de beoordelingsperiode met 21 % gestegen. Dit hangt samen met de toegenomen activiteit voor markten buiten de EU. |
4.5.3. Hoogte van de dumpingmarge
|
(76) |
Gezien het volume en de prijzen van de invoer met dumping uit het betrokken land kan de invloed van de vastgestelde dumpingmarge op de communautaire markt niet als te verwaarlozen worden beschouwd. |
4.6. Conclusie inzake schade
|
(77) |
Tijdens de beoordelingsperiode is de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC sterk toegenomen. Qua volume bereikte de invoer uit het betrokken land aan het einde van de beoordelingsperiode een zeer hoog niveau. Het marktaandeel van het betrokken product in de Gemeenschap is in dezelfde periode met 440 % gestegen. |
|
(78) |
Uit de analyse van de economische indicatoren van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleek dat er sprake is van schade, bestaande uit een daling van het verkoopvolume (– 47 %), lagere verkoopprijzen en het verlies van marktaandeel (– 73 %). Dit had ook een rechtstreeks negatief effect op de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De financiële indicatoren bevestigen dat de toekomst van de bedrijfstak van de Gemeenschap in gevaar is en dat deze door de invoer met dumping uit het betrokken land zijn verkoopvolumes en/of -prijzen niet dermate kan verhogen dat zijn financiële situatie wordt hersteld. |
|
(79) |
De schade werd beoordeeld voor de hele bedrijfstak van de Gemeenschap (macro-economische indicatoren). Op basis hiervan werden geen significante verschillen tussen de klager en de rest van de bedrijfstak van de Gemeenschap vastgesteld. |
|
(80) |
Uit het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat een groot deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Inleiding
|
(81) |
Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening is de Commissie nagegaan of de invoer met dumping uit de VRC de bedrijfstak van de Gemeenschap zodanige schade had berokkend dat deze aanmerkelijk kan worden genoemd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden ook onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven. |
5.2. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(82) |
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat uit het onderzoek bleek dat de uit het betrokken land ingevoerde ladingcontrolesystemen rechtstreeks concurreren met de door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde en verkochte producten, niet in de laatste plaats omdat zij bij overheidsopdrachten met elkaar concurreren. |
|
(83) |
De significante toename van de invoer met dumping uit het betrokken land leidde tot een verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze verslechtering kwam onder meer tot uiting in een daling van de verkoop en in lagere prijzen voor de in de Gemeenschap verkochte communautaire productie in dezelfde periode. |
|
(84) |
Het marktaandeel van de invoer met dumping steeg in de beoordelingsperiode met 440 %, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap met meer dan twee derde daalde. Deze negatieve ontwikkelingen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap deden zich voor terwijl het verbruik in de Gemeenschap tussen 2004 en het einde van het OT ongeveer verdubbelde. |
|
(85) |
Met de invoer met dumping werden de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden, zodat redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat deze invoer de oorzaak was van de neerwaartse prijsdruk die heeft geleid tot de verslechterde financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. |
|
(86) |
Daar duidelijk is vastgesteld dat de sterke stijging van de invoer met dumping tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden, enerzijds, en de daling van de verkoop, het productievolume, het marktaandeel en de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, anderzijds, zich gelijktijdig voordeden, luidt de voorlopige conclusie dat de invoer met dumping een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. |
5.3. Gevolgen van andere factoren
5.3.1. Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap
|
|
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
OT |
|
Uitvoer van communautaire productie |
100 |
83 |
42 |
96 |
108 |
|
Uitvoerprijs |
100 |
76 |
56 |
35 |
65 |
|
Index: 2004=100 Bron: Antwoorden op de vragenlijst. |
|||||
|
(87) |
Het uitvoervolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode toegenomen. De uitvoer maakte het overgrote deel (tussen 90 en 95 %) van het totale volume van de productie van de Gemeenschap in het OT uit. Gedurende het OT verkocht de bedrijfstak van de Gemeenschap het betrokken product zowel aan verbonden als aan niet-verbonden afnemers. De productsoorten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap buiten de EU worden verkocht, zijn identiek aan de binnen de EU verkochte productsoorten. De uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap was tijdens de beoordelingsperiode doorgaans winstgevend, hoewel de winstgevendheid een neerwaartse tendens vertoonde. De uitvoerprijzen daalden, maar bleven hoger dan de verkoopprijzen in de Gemeenschap. Uit de goede uitvoerprestaties blijkt dat deze bedrijfstak gezond en concurrerend is. |
|
(88) |
De uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap had dus een positieve invloed op de activiteiten, en droeg niet bij aan de aanmerkelijke schade. |
5.3.2. Concurrentie tussen communautaire producenten
|
(89) |
De tweede communautaire producent is verbonden met een gevestigde producent van het betrokken product in de VS. Deze communautaire producent vervaardigde het betrokken product niet in het begin van de beoordelingsperiode. Hij is pas in 2007 toegetreden tot de markt en hem zijn tijdens het OT twee opdrachten gegund. Hierbij moet worden opgemerkt dat de ene opdracht werd gegund bij een aanbestedingsprocedure waaraan alleen deze producent deelnam en de andere na een rechtszaak. Bovendien vertoonden de desbetreffende schade-indicatoren van de tweede communautaire producent een zelfde patroon als die van de klager. Daarom kan de aan de klager toegebrachte schade, die duidelijk is gebleken uit de verslechtering van de schade-indicatoren tijdens de beoordelingsperiode, niet worden toegeschreven aan deze nieuwe speler op de communautaire markt. |
5.3.3. Invoer uit derde landen
|
(90) |
De invoer uit derde landen was gedurende het OT van weinig betekenis, net als in de beoordelingsperiode. Deze conclusie wordt afgeleid uit de opmerkingen van de belanghebbenden, aangezien de toepasselijke Eurostat-statistieken niet dermate gedetailleerd zijn dat zij alleen het betrokken product of een redelijke schatting laten zien. Uit de desbetreffende informatie blijkt dat er slechts sprake was van enkele sporadische gevallen van invoer uit de VS, die door hun geringe aantal geen schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap zouden kunnen veroorzaken.
|
||||||||||||||||||
5.3.4. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft niet ingeschreven op alle aanbestedingen tijdens het OT
|
(91) |
De meeste transacties op de communautaire markt vinden plaats in het kader van aanbestedingen. Wat de transparantie van de markt betreft, is geconstateerd dat sommige aanbestedingsdocumenten het resultaat zijn van een gedachtewisseling tussen de aanbestedende instantie en de producenten die voorafgaat aan de bekendmaking van de aanbesteding op zichzelf. In deze gevallen kunnen de aanbestedingsvoorwaarden andere marktdeelnemers dan ook ontmoedigen om een offerte in te dienen. Bij het onderzoek is gebleken dat noch de bedrijfstak van de Gemeenschap, noch de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC op alle aanbestedingen heeft ingeschreven. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft alleen ingeschreven wanneer een redelijke commerciële offerte mogelijk was. Uit niets is gebleken dat de duidelijk vastgestelde schade tijdens de beoordelingsperiode het gevolg is van het niet-inschrijven van de bedrijfstak van de Gemeenschap op aanbestedingen die niet redelijkerwijs als zakelijke mogelijkheden waren te beschouwen. |
5.3.5. Niet-prijsgerelateerde factoren van het betrokken product
|
(92) |
Uit het onderzoek is gebleken dat aanbestedingen soms niet alleen het betrokken product betreffen, maar ook andere elementen, zoals onderhoud, service en bouwwerken. Bovendien is de prijs niet altijd het enige gunningscriterium. De aanbestedende dienst kan ook andere criteria dan de prijs toepassen, zoals technische mogelijkheden van het product en niet aan het product gerelateerde elementen. Uit het onderzoek is echter gebleken dat de gunningscriteria weliswaar zulke elementen bevatten, maar dat de prijsgerelateerde punten een aanzienlijk deel van de toe te kennen punten uitmaken. Ook bleek uit het onderzoek dat geen van de aanbestedende instanties een inschrijving uitsloot omdat sommige extra voorzieningen ontbraken. Aan de essentiële voorwaarden werd dus altijd voldaan. Extra voorzieningen worden doorgaans niet kosteloos aangeboden. Het feit dat de exporteur in kwestie in bepaalde gevallen meer voorzieningen aanbood dan werd gevraagd, wijst simpelweg op het lage en schadelijke prijsniveau van de invoer met dumping. |
|
(93) |
Gezien de bovenstaande overwegingen kon alleen de invoer uit het betrokken land aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap hebben veroorzaakt. |
5.4. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(94) |
De conclusie luidt dat voorlopig bevestigd is dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en die wordt gekenmerkt door een daling van de verkoop en het marktaandeel in de EU, alsmede door negatieve financiële resultaten, werd veroorzaakt door de betrokken invoer met dumping. De uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de invoer uit derde landen, de concurrentie tussen de communautaire producenten en de bovengenoemde aan inschrijvingen gerelateerde kwesties hadden geen effect van betekenis op de negatieve ontwikkelingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. |
|
(95) |
Gezien bovenstaande analyse, waarbij de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk zijn onderscheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren als zodanig de bevinding dat de vastgestelde schade moet worden toegeschreven aan de invoer met dumping, niet ongedaan kunnen maken. |
6. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP
6.1. Algemene opmerkingen
|
(96) |
De Commissie heeft onderzocht of er, ondanks de voorlopige conclusie inzake schade veroorzakende dumping, dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om in dit geval maatregelen te nemen. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening werd op basis van al het overgelegde bewijsmateriaal dan ook onderzocht welke gevolgen het al dan niet instellen van maatregelen zou hebben voor alle bij deze procedure betrokken partijen. |
6.2. Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap
|
(97) |
De schadeanalyse heeft duidelijk aangetoond dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping schade heeft geleden. Door de verhoogde aanwezigheid van invoer met dumping in de afgelopen jaren daalden de verkoopprijzen en -volumes in de communautaire markt en verloor de bedrijfstak van de Gemeenschap marktaandeel. Hierdoor kon de bedrijfstak van de Gemeenschap niet de winsten realiseren die met zijn concurrentiekracht in overeenstemming zijn. |
|
(98) |
Als geen maatregelen worden genomen, zal de nu al slechte financiële positie van de bedrijfstak van de Gemeenschap dan ook duidelijk verder verslechteren, wat het einde van deze bedrijfstak zou betekenen. Maatregelen zouden een verdere aanzienlijke stijging van de invoer met dumping uit het betrokken land voorkomen, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap ten minste zijn huidige marktpositie kan behouden. Uit het onderzoek is gebleken dat een toename van het marktaandeel van de invoer met dumping uit het betrokken land rechtstreeks ten koste van de bedrijfstak van de Gemeenschap gaat. Bovendien moet worden opgemerkt dat de markt voor het betrokken product op de middellange tot lange termijn waarschijnlijk verder zal groeien, gezien het toenemende belang van het veiligheidsbeleid en de tenuitvoerlegging van de door niet-EU-landen (met name de VS) opgelegde verplichte scanning van uitgevoerde producten voordat zij hun vertrekpunt in de Europese Unie verlaten. Daarom heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap er veel belang bij dat zijn positie niet verder verslechtert om de genoemde positieve marktontwikkelingen te kunnen benutten. |
|
(99) |
Het instellen van maatregelen zal de invoerprijs weer op een geen schade veroorzakend niveau brengen, zodat de bedrijfstak van de Gemeenschap op eerlijke handelsvoorwaarden op basis van de gedegen comparatief voordeel kan concurreren. |
|
(100) |
Daarom wordt voorlopig geconcludeerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou zijn. |
6.3. Belangen van importeurs/distributeurs
|
(101) |
De waarschijnlijke gevolgen van maatregelen voor importeurs/distributeurs zijn niet onderzocht, aangezien er geen niet-verbonden importeurs/distributeurs van het betrokken product in de Gemeenschap bekend zijn. |
6.4. Belang van de toeleveranciers
|
(102) |
Er zijn geen toeleveranciers die zich kenbaar hebben gemaakt of gegevens hebben verstrekt overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening. |
6.5. Belang van de gebruikers en de consumenten
|
(103) |
De bekendmaking van het bericht van inleiding van deze procedure leidde niet tot opmerkingen van consumentenorganisaties. Om die reden en omdat het betrokken product niet bij de productie van consumptiegoederen wordt gebruikt, is de analyse beperkt tot de gevolgen van de maatregelen voor de gebruikers. |
|
(104) |
Aan alle douaneautoriteiten in de Gemeenschap zijn vragenlijsten gestuurd. Na de bekendmaking van het bericht van inleiding van deze procedure hebben geen andere gebruikers zich aangemeld. De douane- en/of havenautoriteiten van Malta, België, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Portugal, Tsjechië, Letland en Slowakije hebben aan het onderzoek meegewerkt, zij het elk in verschillende mate. Deze gebruikers waren goed voor bijna 6 miljoen euro omzet van het betrokken product en 15 % van het verbruik in de Gemeenschap tijdens het OT. Bij het onderzoek is gebleken dat bovengenoemde gebruikers tijdens het OT vijf eenheden van het betrokken product hadden gekocht van de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC, één van een producent in de VS en geen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. |
|
(105) |
Tijdens de beoordelingsperiode hadden sommige gebruikers meerdere leveranciers. Één van de gebruikers toonde zich bezorgd over de vraag of het mogelijk was om het betrokken product snel en volgens zijn behoeften aan te schaffen. In dit verband wordt opgemerkt dat de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk in staat is – zoals in het verleden ook het geval was – om te leveren voor de Europese activiteiten van iedere gebruiker, aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap door de termijn tussen de uitschrijving van een aanbesteding en de gunning van een contract in staat is om zonder noemenswaardig probleem aan elke vraag te voldoen. |
|
(106) |
Twee medewerkende gebruikers toonden zich bezorgd over het mogelijke negatieve effect van maatregelen op de concurrentie en op de bevordering van innovatieve oplossingen, maar leverden geen bewijs om deze stelling te onderbouwen. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat de oplegging van antidumpingmaatregelen bedoeld is om oneerlijke handelspraktijken te corrigeren en niet om de concurrentie te belemmeren. Bovendien zorgt het aantal deelnemers op deze specifieke markt en de aard van het product (kennisintensief) ervoor dat innovatie een van de grootste prioriteiten van de marktdeelnemers blijft. |
|
(107) |
De grootste zorg van de communautaire gebruikers is dat de maatregelen negatieve gevolgen voor hun begroting kunnen hebben en tot hogere investeringskosten voor de douaneautoriteiten leiden. Enkele gebruikers brachten echter naar voren dat de kosten voor douanegerelateerde procedures, en daarmee eventuele antidumpingrechten, door de verkoper van het betrokken product moeten worden gedragen. Dit kan absorptie zijn in de zin van artikel 12 van de basisverordening. In elk geval zou het aandeel van het product in de totale begroting van de gebruikers gering zijn. |
|
(108) |
Bovendien wordt een investering in het betrokken product als een investering in vaste activa beschouwd omdat het een lange nuttige levensduur heeft (doorgaans meer dan tien jaar). Daarom moeten eventueel betaalde antidumpingrechten worden gespreid over de nuttige levensduur van de ladingscanner. |
|
(109) |
Uit het onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit blijkt dat maatregelen een effect zouden hebben op de activiteiten van gebruikers of op het aantal personeelsleden dat dit systeem gebruikt, het douanepersoneel of het personeel dat verantwoordelijk is voor aanverwante diensten. |
|
(110) |
Ook werd betoogd dat overheidsinstanties in de EU gebonden zijn aan strikte aanbestedingsvoorschriften, zodat transparante selectieprocedures gegarandeerd zijn. In dit verband moet worden opgemerkt dat aanbestedingsprocedures niet bedoeld zijn om dumpingpraktijken tegen te gaan. Integendeel: het bestaan van een werkelijk transparante markt brengt elke poging tot oneerlijke handelspraktijken aan het licht en maakt het des te noodzakelijker om de eerlijke concurrentievoorwaarden in de markt te herstellen. |
|
(111) |
De bedrijfstak van de Gemeenschap zou wegens grotere schaalvoordelen door een stijging van de productie en van de verkoop duidelijk in een positie zijn waarin het van maatregelen kunnen profiteren. |
|
(112) |
Gezien het voorgaande wordt geoordeeld dat het instellen van maatregelen ten aanzien van de VRC in de huidige omstandigheden geen ingrijpende gevolgen voor de communautaire gebruikers zal hebben. |
6.6. Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap
|
(113) |
Na onderzoek van de verschillende betrokken belangen wordt voorlopig geconcludeerd dat geen enkel ander belang opweegt tegen het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap bij maatregelen om een einde te maken aan de handelsverstorende gevolgen van de invoer met dumping. |
7. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(114) |
Gezien de bovenstaande conclusies inzake dumping, de daardoor veroorzaakte schade en het belang van de Gemeenschap moeten voorlopige maatregelen betreffende de invoer van het betrokken product uit de VRC worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
7.1. Schademarge
|
(115) |
De voorlopige antidumpingrechten moeten hoog genoeg zijn om te voorkomen dat de invoer met dumping nog schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. |
|
(116) |
Bij de berekening van de hoogte van het recht waarbij de gevolgen van de aanmerkelijke schade veroorzakende dumping worden geneutraliseerd, werd geoordeeld dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moesten stellen zijn kosten te dekken en een winst voor belasting te maken die in normale concurrentieomstandigheden, dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping, redelijkerwijze kon worden gemaakt. Deze winstmarge voor belasting lag tussen 12 en 16 % van de omzet (de exacte cijfers kunnen om redenen van vertrouwelijkheid niet worden bekendgemaakt). Aangetoond werd dat dit winstpeil zonder schadeveroorzakende dumping redelijkerwijs kan worden verwacht, aangezien de bedrijfstak van de Gemeenschap een dergelijke winst kon behalen voordat er sprake was van invoer uit de VRC in de Gemeenschap. Op basis hiervan werd voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een prijs van het soortgelijke product berekend die geen schade veroorzaakt. Deze prijs werd berekend door bovengenoemde winstmarge bij de productiekosten op te tellen. |
|
(117) |
De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gemiddelde niet-schadeveroorzakende prijs van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt verkochte producten. Het verschil dat uit deze vergelijking naar voren kwam, werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de gemiddelde cif-waarde van de invoer. Dit verschil lag voor de enige medewerkende producent-exporteur in de VRC boven de vastgestelde dumpingmarge. |
7.2. Voorlopige maatregelen
|
(118) |
Gezien het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening geoordeeld dat het betrokken product van oorsprong uit de VRC voorlopige antidumpingrechten moeten worden ingesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarge. |
|
(119) |
Op grond van het voorgaande bedraagt het voorlopige antidumpingrecht voor de VRC 36,6 %. |
|
(120) |
Er zij aan herinnerd dat de EU-markt in sterke mate door overheidsopdrachten wordt gekenmerkt, waarbij de markt klein is en weinig deelnemers telt. Met het oog op meer transparantie en om de doeltreffendheid van de maatregelen nauwlettend in het oog te houden, is het wenselijk de betrokken autoriteiten van de lidstaten te vragen om de Commissie op vertrouwelijke basis periodieke informatie over de gunning van opdrachten te verstrekken. |
8. SLOTBEPALING
|
(121) |
Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient te worden opgemerkt dat alle bevindingen betreffende de instelling van rechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de instelling van een definitief recht kunnen worden herzien, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op systemen voor de controle van lading die gebruikmaken van neutronentechnologie of van röntgenstralen met een röntgenbron van 250 KeV of meer, of van alfa-, bèta- of gammastraling, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 9022 19 00 , ex 9022 29 00 , ex 9027 80 17 en ex 9030 10 00 (TARIC -codes 9022 19 00 10, 9022 29 00 10, 9027 80 17 10 en 9030 10 00 91), en op met dergelijke systemen uitgeruste motorvoertuigen, momenteel ingedeeld onder de GN-code ex 8705 90 90 (TARIC-code 8705 90 90 10), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Europese Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 beschreven producten bedraagt 36,6 %.
3. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Europese Unie van het in lid 1 bedoelde product dient een zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.
Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen doen toekomen over de toepassing ervan.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 december 2009.
Voor de Commissie
De Voorzitter
José Manuel BARROSO
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/73 |
VERORDENING (EU) Nr. 1243/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2009
houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1231/2009 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 december 2009
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 16 december 2009, zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1231/2009 van de Commissie (3). |
|
(2) |
Aangezien het berekende gemiddelde van de invoerrechten 5 EUR/t verschilt van het vastgestelde recht, moet een overeenkomstige aanpassing van de bij Verordening (EU) nr. 1231/2009 vastgestelde invoerrechten plaatsvinden. |
|
(3) |
Verordening (EU) nr. 1231/2009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen I en II bij Verordening (EU) nr. 1231/2009 worden vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 17 december 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 december 2009.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
BIJLAGE I
Vanaf 17 december 2009 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten
|
GN-code |
Omschrijving |
Invoerrecht (1) (EUR/t) |
|
1001 10 00 |
HARDE TARWE van hoge kwaliteit |
0,00 |
|
van gemiddelde kwaliteit |
0,00 |
|
|
van lage kwaliteit |
5,68 |
|
|
1001 90 91 |
ZACHTE TARWE, zaaigoed |
0,00 |
|
ex 1001 90 99 |
ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed |
0,00 |
|
1002 00 00 |
ROGGE |
31,46 |
|
1005 10 90 |
MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden |
16,87 |
|
1005 90 00 |
MAÏS, andere dan zaaigoed (2) |
16,87 |
|
1007 00 90 |
GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden |
31,46 |
(1) Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:
|
— |
3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, |
|
— |
2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt. |
(2) De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.
BIJLAGE II
Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten
15.12.2009
|
1. |
Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2. |
Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:
|
(1) Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).
(2) Korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).
(3) Korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/76 |
BESLUIT 2009/969/GBVB VAN DE RAAD
van 15 december 2009
houdende verlenging van de in Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB vervatte beperkende maatregelen tegen bepaalde functionarissen van Belarus, en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2009/314/GBVB
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 29,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 10 april 2006 Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde functionarissen van Belarus vastgesteld (1). |
|
(2) |
De beperkende maatregelen werden bij Gemeenschappelijk Standpunt 2009/314/GBVB van 6 april 2009 houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB (2) tot en met 15 maart 2010 verlengd. De aan bepaalde verantwoordelijken in Belarus opgelegde reisbeperkingen werden echter opgeschort tot en met 15 december 2009, met uitzondering van de beperkingen die gelden voor degenen die betrokken waren bij de verdwijningen in 1999-2000 en voor de voorzitter van de centrale verkiezingscommissie. |
|
(3) |
De Raad is op 17 november 2009 overeengekomen dat wegens het uitblijven van concrete vooruitgang op de in de Raadsconclusies van 13 oktober 2008 vermelde gebieden, de bij Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB ingestelde beperkende maatregelen tot en met oktober 2010 moeten worden verlengd en dat de aan bepaalde verantwoordelijken in Belarus opgelegde reisbeperkingen, met uitzondering van de beperkingen die gelden voor degenen die betrokken waren bij de verdwijningen in 1999-2000 en voor de voorzitter van de centrale verkiezingscommissie, eveneens tot en met oktober 2010 moeten worden verlengd. Aan het eind van die periode zal de Raad de beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Belarus opnieuw bezien. De Raad kan in het licht van de maatregelen van de Belarussische autoriteiten op het gebied van de democratie en de mensenrechten te allen tijde besluiten de reisbeperkingen opnieuw toe te passen of in te trekken. |
|
(4) |
Gemeenschappelijk Standpunt 2009/314/GBVB moet derhalve worden ingetrokken, |
BESLUIT:
Artikel 1
De bij Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB ingestelde beperkende maatregelen worden verlengd tot en met 31 oktober 2010.
Artikel 2
1. De in artikel 1, lid 1, onder b), van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB bedoelde maatregelen worden, voor zover zij van toepassing zijn op de heer Joeri Nikolajevitsj Podobed, opgeschort tot en met 31 oktober 2010.
2. De in artikel 1, lid 1, onder c), van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB bedoelde maatregelen worden opgeschort tot en met 31 oktober 2010.
Artikel 3
Dit besluit wordt vóór 31 oktober 2010 opnieuw bezien in het licht van de situatie in Belarus.
Artikel 4
Gemeenschappelijk Standpunt 2009/314/GBVB wordt ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit wordt van kracht op de datum waarop het wordt aangenomen.
Artikel 6
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 15 december 2009.
Voor de Raad
De voorzitter
E. ERLANDSSON
BESLUITEN WAARVAN PUBLICATIE NIET VERPLICHT IS
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/77 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 10 december 2009
tot wijziging van aanhangsel 2A van de bijlage bij Besluit 2007/65/EG wat de toegang van personeel van gecontracteerde ondernemingen tot de gebouwen van de Commissie betreft
(2009/970/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie en gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 249, lid 1,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 131,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Met de mededeling van de Commissie over het nieuwe systeem van toegang en beveiliging van de gebouwen van de Commissie (doc. C(2007) 797) wordt een hoger niveau van veiligheid van personen, van informatie en van de gebouwen en andere goederen beoogd. |
|
(2) |
Hiertoe is het project Globale beveiliging (PGB) opgezet, dat voorziet in de installatie van systemen voor geautomatiseerde toegangscontrole in alle gebouwen van de Commissie, gebaseerd op moderne en krachtige technologiën voor toegangscontrole. |
|
(3) |
Een van de kernelementen van dit project bestaat uit het rationaliseren en verminderen van het zeer grote aantal thans bestaande modellen voor badges en het vereenvoudigen van de procedures voor afgifte van badges en toegangskaarten voor de verschillende categorieën personeel bij en bezoekers van de Commissie. |
|
(4) |
Om de tenuitvoerlegging van de eerste fase van doorvoering van het systeem van afgifte van de badges mogelijk te maken, met name voor het personeel van de contractanten, dienen enkele louter technische en administratieve wijzigingen te worden aangebracht op Besluit 2007/65/EG van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van de standaardveiligheidsmaatregelen en alarmfasen van de Commissie en tot wijziging van haar reglement van orde wat operationele procedures voor het beheer van crisissituaties betreft (1), |
BESLUIT:
Artikel 1
In aanhangsel 2A van de bijlage bij Besluit 2007/65/EG wordt punt 4.2.b) vervangen door de volgende tekst:
|
„b) |
Toegangskaarten worden afgegeven aan alle andere personeelsleden die de gebouwen van de Commissie dienen te betreden om contractuele verplichtingen met de diensten van de Commissie na te komen. Kaarten voor personeelsleden met een contract dat in de tijd beperkt is, mogen niet voor een langere termijn worden afgegeven, tenzij het directoraat Veiligheid van de Commissie daarvoor toestemming heeft gegeven. Toegangskaarten worden eveneens afgegeven aan personeel van een gecontracteerde onderneming die de gebouwen van de Commissie dienen te betreden om hun contractuele verplichtingen na te komen. Deze toegangskaarten worden het personeel van de onderneming afhankelijk van de datum van het einde van het contract met de Commissie uitgereikt, mits de betrokken persoon beschikt over een identiteitsbewijs dat bij het einde van het contract nog geldig is. Wordt aan deze laatste voorwaarde niet voldaan, dan wordt de toegangskaart afgegeven tot de vervaldatum van het identiteitsbewijs. Een lid van het Europees Parlement dat een gebouw van de Commissie wenst te betreden, legt aan de dienstdoende bewakingsagent zijn door het Europees Parlement afgegeven toegangskaart over en hoeft niet te worden onderworpen aan de aanvullende veiligheidscontroles die bij externe bezoekers worden verricht.”. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag dat het wordt vastgesteld.
Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 10 december 2009.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
|
17.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 332/78 |
BESLUIT VAN DE VOORZITTER VAN DE EUROPESE COMMISSIE
van 2 december 2009
over de ondertekening van verordeningen, richtlijnen en besluiten van de Commissie wanneer deze geen adressaat aangeven
(C(2009) 9848)
DE VOORZITTER VAN DE EUROPESE COMMISSIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie,
Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 297, lid 2,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordeningen, richtlijnen en besluiten van de Commissie die geen adressaat aangeven en die overeenkomstig artikel 8 van het reglement van orde volgens de mondelinge procedure zijn vastgesteld, worden door middel van een korte samenvatting door de voorzitter ondertekend tijdens de vergadering van de Commissie waarop zij zijn aangenomen. Deze samenvatting wordt ondertekend door de voorzitter of door het lid van de Commissie dat hem vervangt, volgens de door de voorzitter vastgestelde rangorde.
Van verordeningen, richtlijnen en besluiten van de Commissie die geen adressaat aangeven en die overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde volgens de schriftelijke procedure zijn vastgesteld, wordt aantekening gedaan in een dagregister. De dagregisters worden vermeld in en gehecht aan de korte samenvatting die overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het reglement van orde voor de vergadering van de Commissie wordt opgesteld en die tijdens de vergadering door de voorzitter wordt ondertekend. De voorzitter delegeert de ondertekening echter aan de secretaris-generaal wanneer de verordening, de richtlijn of het besluit wegens spoedeisendheid vóór de volgende vergadering van de Commissie moet worden bekendgemaakt en in werking moet treden.
De ondertekening van verordeningen, richtlijnen en besluiten van de Commissie die geen adressaat aangeven en die overeenkomstig artikel 13 van het reglement van orde volgens de machtigingsprocedure zijn vastgesteld, wordt gedelegeerd aan de leden van de Commissie aan wie de bevoegdheid tot vaststelling ervan is verleend.
De ondertekening van verordeningen, richtlijnen en besluiten van de Commissie die geen adressaat aangeven en die overeenkomstig de artikelen 13, 14 en 15 van het reglement van orde volgens de delegatie- of subdelegatieprocedure zijn vastgesteld, wordt gedelegeerd aan de ambtenaren aan wie de bevoegdheid tot vaststelling ervan is verleend.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 december 2009.
Gedaan te Brussel, 2 december 2009.
De voorzitter
José Manuel BARROSO