|
ISSN 1725-2598 doi:10.3000/17252598.L_2009.185.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
52e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
|
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
|
2009/552/EG, Euratom |
|
|
|
* |
||
|
|
|
Commissie |
|
|
|
|
2009/553/EG |
|
|
|
* |
Beschikking van de Commissie van 24 maart 2009 betreffende steunmaatregel C 52/07 (ex NN 64/07) die door Spanje is verleend ten behoeve van het plan ter ondersteuning van de textiel- en kledingsector (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 2017) ( 1 ) |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is
VERORDENINGEN
|
17.7.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 625/2009 VAN DE RAAD
van 7 juli 2009
betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen
(Gecodificeerde versie)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,
Gelet op de regelingen houdende de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en de regelingen ex artikel 308 van het Verdrag die van toepassing zijn op goederen die zijn verkregen door verwerking van landbouwproducten, inzonderheid op de bepalingen van deze regelingen waarbij een afwijking wordt toegestaan op het algemene beginsel dat kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking uitsluitend door in deze regelingen vastgestelde maatregelen kunnen worden vervangen,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 519/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (1) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (2). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan. |
|
(2) |
De gemeenschappelijke handelspolitiek dient op eenvormige grondslagen te berusten. |
|
(3) |
Ingevolge artikel 14 van het Verdrag omvat de interne markt sedert 1 januari 1993 een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd. |
|
(4) |
Voltooiing van de gemeenschappelijke handelspolitiek wat de regeling voor de invoer betreft, is het enige middel om ervoor te zorgen dat de integratie van de markten ten volle tot uiting komt in de regeling voor het handelsverkeer van de Gemeenschap met derde landen. |
|
(5) |
Een eenvormiger regeling voor de invoer dient te worden verwezenlijkt door het vaststellen van bepalingen die zoveel mogelijk overeenstemmen met die van de gemeenschappelijke regeling die op andere derde landen van toepassing is, met inachtneming evenwel van de bijzondere kenmerken van de economische systemen van de betrokken derde landen. |
|
(6) |
De gemeenschappelijke regeling voor de invoer is ook van toepassing op steenkool- en staalproducten, onverminderd eventuele maatregelen ter uitvoering van een overeenkomst die specifiek op deze producten betrekking heeft. |
|
(7) |
De liberalisering van de invoer, dat wil zeggen de afwezigheid van kwantitatieve beperkingen, moet derhalve het uitgangspunt zijn van de communautaire regeling ter zake. |
|
(8) |
Voor een aantal producten moet de Commissie de voorwaarden bij de invoer, de ontwikkeling van de invoer, de diverse aspecten van de economische en commerciële situatie en de eventueel te nemen maatregelen onderzoeken. |
|
(9) |
Het kan voor die producten nodig blijken dat communautair toezicht wordt uitgeoefend op de invoer van sommige ervan. |
|
(10) |
Het ligt op de weg van de Commissie en de Raad om de nodige vrijwaringsmaatregelen aan te nemen ter bescherming van de belangen van de Gemeenschap, waarbij rekening dient te worden gehouden met de bestaande internationale verplichtingen. |
|
(11) |
Toezicht- of vrijwaringsmaatregelen ten behoeve van een of meer regio’s van de Gemeenschap kunnen soms de voorkeur genieten boven maatregelen die in de gehele Gemeenschap van toepassing zijn. Dergelijke maatregelen mogen echter slechts bij wijze van uitzondering worden goedgekeurd indien er geen alternatieven zijn. Er moet op worden toegezien dat deze maatregelen van tijdelijke aard zijn en de werking van de interne markt zo min mogelijk verstoren. |
|
(12) |
Het in het vrije verkeer brengen van onder communautair toezicht geplaatste producten moet afhankelijk worden gesteld van de overlegging van een toezichtsdocument dat aan uniforme criteria voldoet. Dit document moet, op verzoek van de importeur, binnen een bepaalde termijn door de autoriteiten van de lidstaten worden afgegeven, zonder dat de importeur hierdoor een recht van invoer verkrijgt. Dit document mag derhalve slechts gebruikt worden zolang de invoerregeling niet wordt gewijzigd. |
|
(13) |
Rekening houdend met de technische kenmerken van het toezichtsdocument, is het, om redenen van een goed administratief beheer en in het belang van het bedrijfsleven in de Gemeenschap, dienstig vorm en inhoud van het toezichtsdocument zoveel mogelijk af te stemmen op de formulieren voor invoervergunningen die zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 738/94 van de Commissie van 30 maart 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 520/94 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke procedure voor het beheer van kwantitatieve contingenten (3); Verordening (EG) nr. 3168/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende vaststelling van een communautaire invoervergunning voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling (4); en Verordening (EG) nr. 3169/94 van de Commissie van 21 december 1994 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen en tot vaststelling van een communautaire invoervergunning voor de toepassing van genoemde verordening (5). |
|
(14) |
De lidstaten en de Commissie dienen elkaar, in het belang van de Gemeenschap, zo volledig mogelijk op de hoogte te houden van de resultaten van het communautaire toezicht. |
|
(15) |
Het is noodzakelijk precieze criteria voor de beoordeling van eventuele schade vast te stellen en een onderzoekprocedure in te stellen, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat de Commissie in spoedgevallen de vereiste maatregelen neemt. |
|
(16) |
Er is derhalve behoefte aan gedetailleerde bepalingen inzake de opening van een dergelijk onderzoek, de vereiste controles en verificaties, het horen van belanghebbenden, de behandeling van de ontvangen inlichtingen en de criteria ter beoordeling van de schade. |
|
(17) |
De bepalingen inzake onderzoek die bij deze verordening worden vastgesteld, doen geen afbreuk aan de communautaire en de nationale voorschriften inzake het beroepsgeheim. |
|
(18) |
Tevens moeten termijnen worden gesteld, zowel voor het openen van onderzoeken als voor het bepalen of al dan niet maatregelen dienen te worden getroffen, met de bedoeling ter zake een snelle besluitvorming te waarborgen en zodoende de rechtszekerheid van de betrokken ondernemingen te vergroten. |
|
(19) |
Met het oog op de eenvormigheid van de regeling voor de invoer, moeten de door de importeurs te vervullen formaliteiten worden vereenvoudigd en identiek zijn, ongeacht waar de goederen worden ingeklaard. Het is derhalve dienstig te bepalen dat eventuele formaliteiten worden vervuld met behulp van formulieren waarvan het model aan deze verordening is gehecht. |
|
(20) |
De toezichtsdocumenten die in het kader van communautaire toezichtmaatregelen worden afgegeven in de gehele Gemeenschap, dienen geldig te zijn ongeacht door welke lidstaat zij zijn afgegeven. |
|
(21) |
Voor de textielproducten die onder Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling (6) vallen, geldt zowel op communautair als op internationaal niveau een speciale behandeling. Derhalve moeten deze producten in hun geheel van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEGINSELEN
Artikel 1
1. Deze verordening is van toepassing op de invoer van producten van oorsprong uit de in bijlage 1 genoemde derde landen, met uitzondering van textielproducten die onder Verordening (EG) nr. 517/94 vallen.
2. De invoer in de Gemeenschap van de in lid 1 bedoelde producten is vrij en is dus aan geen enkele kwantitatieve beperking onderworpen, onverminderd de maatregelen die op grond van hoofdstuk V kunnen worden opgenomen.
HOOFDSTUK II
COMMUNAUTAIRE INFORMATIE- EN OVERLEGPROCEDURE
Artikel 2
Wanneer de ontwikkeling van de invoer toezicht- of vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk kan maken, wordt de Commissie hiervan door de lidstaten in kennis gesteld. Deze kennisgeving dient het bewijsmateriaal te bevatten dat beschikbaar is ten aanzien van de in artikel 8 vermelde criteria. De Commissie geeft deze inlichtingen onverwijld aan alle lidstaten door.
Artikel 3
1. Overleg kan worden gepleegd op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie.
2. Het overleg dient plaats te vinden binnen acht werkdagen na de ontvangst door de Commissie van de in artikel 2 bedoelde kennisgeving en in elk geval vóór de invoering van enige communautaire toezicht- of vrijwaringsmaatregel.
Artikel 4
1. Overleg vindt plaats in een Raadgevend Comité, hierna „comité” genoemd, dat bestaat uit vertegenwoordigers van elke lidstaat en dat door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten.
2. Het comité komt op uitnodiging van de voorzitter bijeen; deze brengt alle nuttige inlichtingen zo spoedig mogelijk ter kennis van de lidstaten.
3. Het overleg heeft met name betrekking op:
|
a) |
de voorwaarden en de ontwikkeling van de invoer, alsmede op de verschillende aspecten van de economische en commerciële situatie ten aanzien van het betrokken product; |
|
b) |
kwesties met betrekking tot het beheer van de handelsovereenkomsten tussen de Gemeenschap en de in bijlage I genoemde derde landen; |
|
c) |
de maatregelen die eventueel dienen te worden genomen. |
4. Zo nodig kan het overleg schriftelijk plaatsvinden. In dat geval doet de Commissie daarvan mededeling aan de lidstaten, die binnen een door de Commissie te bepalen termijn van vijf tot acht werkdagen hun mening kenbaar kunnen maken of om mondeling overleg kunnen verzoeken.
HOOFDSTUK III
COMMUNAUTAIRE ONDERZOEKPROCEDURE
Artikel 5
1. Wanneer de Commissie na het in de artikelen 3 en 4 bedoelde overleg van oordeel is dat er voldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek in te stellen, opent zij binnen één maand na de ontvangst van inlichtingen van een lidstaat een onderzoek en doet zij een bekendmaking verschijnen in het Publicatieblad van de Europese Unie:Deze bekendmaking:
|
a) |
bevat een samenvatting van de ontvangen inlichtingen en het verzoek de Commissie alle nuttige inlichtingen toe te zenden; |
|
b) |
geeft aan over welke termijn de belanghebbenden beschikken om hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en inlichtingen te verstrekken, willen die standpunten en inlichtingen in aanmerking kunnen worden genomen tijdens het onderzoek; |
|
c) |
vermeldt over welke termijn de belanghebbenden beschikken voor de indiening van een verzoek om mondeling door de Commissie te worden gehoord overeenkomstig lid 4. |
De Commissie maakt in samenwerking met de lidstaten een aanvang met het onderzoek.
2. De Commissie wint alle inlichtingen in die zij nodig acht en tracht deze, indien zij dit na raadpleging van het comité dienstig acht, te verifiëren bij importeurs, handelaars, vertegenwoordigers, producenten en handelsverenigingen of -organisaties.
De Commissie wordt in deze taak bijgestaan door functionarissen uit de lidstaat op het grondgebied waarvan de verificaties plaatsvinden, voor zover deze lidstaat daartoe de wens te kennen heeft gegeven.
Zowel de vertegenwoordigers van het exporterende land als de belanghebbenden die zich overeenkomstig lid 1, eerste alinea, kenbaar hebben gemaakt, mogen van alle inlichtingen die in het kader van het onderzoek aan de Commissie zijn verstrekt kennis nemen, zij het niet van interne documenten die door de autoriteiten van de Gemeenschap of haar lidstaten zijn opgesteld, mits deze inlichtingen relevant zijn voor de verdediging van hun belangen, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 7 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. Zij dienen daartoe een schriftelijk verzoek in bij de Commissie, waarin zij vermelden welke inlichtingen zij nodig hebben.
3. De lidstaten verstrekken de Commissie op haar verzoek en op de door haar vastgestelde wijze de inlichtingen waarover zij beschikken met betrekking tot de ontwikkelingen op de markt van het product waarop het onderzoek betrekking heeft.
4. De Commissie kan de belanghebbenden horen. Deze moeten worden gehoord indien zij hierom schriftelijk hebben verzocht binnen de termijn vastgesteld in de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en daarbij hebben aangetoond dat zij daadwerkelijk belang kunnen hebben bij het resultaat van het onderzoek en dat zij bijzondere redenen hebben om gehoord te willen worden.
5. Wanneer er binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen of binnen de door de Commissie op grond van deze verordening vastgestelde termijnen geen inlichtingen worden verstrekt of wanneer het onderzoek in belangrijke mate hinder ondervindt, kunnen er conclusies worden getrokken op basis van het beschikbare feitenmateriaal. Wanneer de Commissie constateert dat een belanghebbende of een derde haar onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, laat zij die inlichtingen buiten beschouwing en kan zij gebruikmaken van het beschikbare feitenmateriaal.
6. Wanneer de Commissie na het in lid 1 bedoelde overleg van oordeel is dat er onvoldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek in de stellen, stelt zij de lidstaten binnen één maand na de ontvangst van de inlichtingen van de lidstaten in kennis van haar besluit.
Artikel 6
1. Aan het einde van het onderzoek legt de Commissie het comité een verslag voor over de resultaten ervan.
2. Wanneer de Commissie binnen negen maanden na de opening van het onderzoek tot de slotsom komt dat communautaire toezicht- of vrijwaringsmaatregelen niet noodzakelijk zijn, wordt het onderzoek binnen één maand, en na raadpleging van het comité, afgesloten. Het besluit tot afsluiting van het onderzoek, dat de voornaamste conclusies van het onderzoek en een samenvatting van de redenen daarvoor dient te bevatten, wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
3. Indien de Commissie tot de slotsom komt dat communautaire toezicht- of vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk zijn, neemt zij uiterlijk negen maanden na de opening van het onderzoek de nodige besluiten daartoe overeenkomstig de hoofdstukken IV en V. In uitzonderlijke omstandigheden kan deze termijn met ten hoogste twee maanden worden verlengd. In dat geval doet de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een bekendmaking verschijnen waarin de duur van de verlenging en een samenvatting van de redenen daarvoor worden meegedeeld.
4. Het bepaalde in dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om op gelijk welk ogenblik toezichtmaatregelen te nemen overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 14, of, indien een kritieke situatie, waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, een onmiddellijk ingrijpen vereist, vrijwaringsmaatregelen te nemen overeenkomstig de artikelen 15, 16 en 17.
De Commissie neemt onmiddellijk de onderzoekmaatregelen die zij nog noodzakelijk acht. De resultaten van het onderzoek worden gebruikt voor een hernieuwd onderzoek van de genomen maatregelen.
Artikel 7
1. De op grond van deze verordening ontvangen inlichtingen mogen slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor zij werden gevraagd.
2. De Raad, de Commissie, de lidstaten, noch hun functionarissen mogen inlichtingen met een vertrouwelijk karakter die zij op grond van deze verordening hebben ontvangen, of inlichtingen die op vertrouwelijke basis zijn verstrekt, bekendmaken, tenzij met de uitdrukkelijke toestemming van degene die ze heeft verstrekt.
3. Bij elk verzoek om vertrouwelijke behandeling van inlichtingen wordt aangegeven waarom deze vertrouwelijk zijn.
Wanneer blijkt dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt, deze noch openbaar wil maken noch toestemming wil geven tot bekendmaking ervan in algemene termen of in samengevatte vorm, kunnen deze inlichtingen buiten beschouwing worden gelaten.
4. Inlichtingen worden in elk geval als vertrouwelijk beschouwd indien uit de bekendmaking ervan aanzienlijk nadeel kan voortvloeien voor degene die ze heeft verstrekt of die de bron ervan is.
5. De leden 1 tot en met 4 vormen geen beletsel voor het vermelden van algemene inlichtingen door de autoriteiten van de Gemeenschap en in het bijzonder van de motieven waarop de op grond van deze verordening genomen besluiten berusten. De autoriteiten van de Gemeenschap moeten echter rekening houden met het rechtmatig belang dat de betrokken natuurlijke en rechtspersonen hebben bij het niet bekendmaken van hun zakengeheimen.
Artikel 8
1. De bestudering van de ontwikkeling van de invoer, de omstandigheden waaronder deze plaatsvindt en de ernstige schade die de producenten in de Gemeenschap daardoor lijden of dreigen te lijden, heeft met name betrekking op de volgende factoren:
|
a) |
de ingevoerde hoeveelheden, met name wanneer deze aanzienlijk zijn toegenomen, hetzij absoluut, hetzij ten opzichte van de productie of het verbruik in de Gemeenschap; |
|
b) |
de prijzen van de ingevoerde producten, met name wanneer er een aanzienlijke onderbieding is geweest in vergelijking met de prijs van een soortgelijk product in de Gemeenschap; |
|
c) |
de invloed hiervan op de producenten in de Gemeenschap van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, zoals dit blijkt uit de ontwikkeling van bepaalde economische factoren, zoals:
|
2. Bij haar onderzoek houdt de Commissie rekening met het bijzondere economische stelsel van de in bijlage I bedoelde landen.
3. Wanneer beweerd wordt dat de producenten in de Gemeenschap ernstige schade dreigen te lijden, gaat de Commissie tevens na of een bepaalde situatie naar alle waarschijnlijkheid tot werkelijke schade zal leiden. In dit verband kan onder meer met de volgende factoren rekening worden gehouden:
|
a) |
het percentage waarmee de uitvoer naar de Gemeenschap is gestegen; |
|
b) |
de uitvoercapaciteit die in het land van oorsprong of uitvoer reeds bestaat of daar in de voorzienbare toekomst zal bestaan, en de waarschijnlijkheid dat de daaruit voortkomende uitvoer voor de Gemeenschap bestemd zal zijn. |
HOOFDSTUK IV
TOEZICHTMAATREGELEN
Artikel 9
1. Wanneer de belangen van de Gemeenschap dit vereisen, kan de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief:
|
a) |
besluiten tot communautair toezicht achteraf op bepaalde ingevoerde producten, overeenkomstig de door haar vast te stellen procedure; |
|
b) |
besluiten de invoer van bepaalde producten afhankelijk te stellen van communautair toezicht vooraf, overeenkomstig artikel 10, teneinde de ontwikkeling van die invoer te volgen. |
2. De toezichtmaatregelen hebben een beperkte geldigheidsduur. Behoudens andersluidende bepalingen vervallen zij aan het einde van het tweede halfjaar volgende op het halfjaar waarin zij werden ingesteld.
Artikel 10
1. Onder voorafgaand communautair toezicht geplaatste producten kunnen eerst na overlegging van een toezichtsdocument in het vrije verkeer worden gebracht. Dit document wordt door de door de lidstaten aangewezen bevoegde autoriteit kosteloos voor elke gevraagde hoeveelheid afgegeven binnen maximaal vijf werkdagen nadat zij de aangifte van de importeur in de Gemeenschap heeft ontvangen, ongeacht diens plaats van vestiging in de Gemeenschap. Deze aangifte wordt geacht uiterlijk drie werkdagen na indiening door de bevoegde nationale autoriteiten te zijn ontvangen, tenzij het tegendeel wordt bewezen.
2. Het toezichtsdocument wordt op een formulier gesteld waarvan het model in bijlage II is opgenomen.
Tenzij in het besluit om goederen onder toezicht te plaatsen anders bepaald, dient de aanvraag van een toezichtsdocument van de importeur slechts de volgende gegevens te bevatten:
|
a) |
naam en volledig adres van de aanvrager (met inbegrip van zijn telefoon- en faxnummer en eventueel zijn identificatienummer bij de bevoegde nationale autoriteiten) alsmede zijn btw-nummer indien hij btw-plichtige is; |
|
b) |
eventueel, naam en volledig adres van de aangever of de eventuele vertegenwoordiger van de aanvrager (met inbegrip van zijn telefoon- en faxnummer); |
|
c) |
de omschrijving van de goederen met opgave van:
|
|
d) |
de aangegeven hoeveelheden, in kilogram, en eventueel in iedere andere ter zake doende extra eenheid (paar, stuks enz.); |
|
e) |
de waarde van de goederen cif-grens Gemeenschap in euro; |
|
f) |
de volgende verklaring, gedateerd en ondertekend door de aanvrager, die daarin ook zijn naam in hoofdletters vermeldt: „Ondergetekende verklaart dat de inlichtingen in deze aanvraag naar beste weten en te goeder trouw werden verstrekt en dat hij in de Gemeenschap is gevestigd.”. |
3. Het toezichtsdocument is geldig in de gehele Gemeenschap, ongeacht welke lidstaat het heeft afgegeven.
4. De constatering dat de prijs per eenheid waartegen de transactie plaatsvindt de in het toezichtsdocument vermelde prijs met minder dan 5 % overschrijdt of dat de waarde of de hoeveelheid van de ten invoer aangebrachte producten in totaal minder dan 5 % hoger is dan die welke in dit document is vermeld, vormt geen beletsel voor het in het vrije verkeer brengen van het betrokken product. De Commissie kan, na het comité te hebben gehoord en met inachtneming van de aard van de producten en de andere bijzondere kenmerken van de transactie, een ander percentage vaststellen, dat normaliter evenwel niet meer dan 10 % mag bedragen.
5. Het toezichtsdocument mag slechts worden gebruikt zolang voor de betrokken transacties de regeling inzake de liberalisering van de invoer van toepassing is, doch niet langer dan gedurende een termijn die terzelfder tijd en volgens dezelfde procedure als de ondertoezichtplaatsing wordt vastgesteld, waarbij de aard van de producten en de andere bijzondere kenmerken van de transacties in aanmerking worden genomen.
6. Wanneer dit vereist is volgens een op grond van artikel 9 genomen besluit, dient de oorsprong van de onder communautair toezicht geplaatste producten door middel van een certificaat van oorsprong te worden aangetoond. Dit lid laat andere bepalingen inzake de overlegging van een dergelijk certificaat onverlet.
7. Wanneer in een lidstaat regionale vrijwaringsmaatregelen van toepassing zijn op een onder voorafgaand communautair toezicht geplaatst product, mag de door deze lidstaat afgegeven invoervergunning in plaats van het toezichtsdocument worden gebruikt.
8. De formulieren met betrekking tot de toezichtsdocumenten en de uittreksels daarvan worden opgesteld in twee exemplaren, waarvan het eerste „origineel voor de geadresseerde” wordt genoemd en het nummer 1 draagt, en het tweede, dat „exemplaar voor de bevoegde autoriteit” wordt genoemd en het nummer 2 draagt, wordt bewaard door de autoriteit die het document heeft afgegeven. Voor administratieve doeleinden kan de bevoegde autoriteit aan formulier nr. 2 een aantal extra kopieën toevoegen.
9. De formulieren worden gedrukt op wit houtvrij papier, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, met een gewicht van 55 tot 65 g per m2. Het formaat van de formulieren is 210 × 297 mm. De regelafstand is 4,24 mm (een zesde duim). De indeling van de formulieren moet strikt in acht worden genomen. Beide zijden van het exemplaar nr. 1, dat het eigenlijke toezichtsdocument vormt, zijn bovendien voorzien van een gele geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.
10. De lidstaten dragen zorg voor het drukken van de formulieren. Deze kunnen eveneens worden gedrukt door drukkerijen die daartoe zijn erkend door de lidstaat waar zij gevestigd zijn. In dit geval dient op elk formulier een verwijzing naar deze erkenning voor te komen. Voorts worden op elk formulier de naam en het adres van de drukker vermeld of een teken aan de hand waarvan deze kan worden geïdentificeerd.
Artikel 11
Wanneer de belangen van de Gemeenschap dit vereisen, kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, wanneer de in artikel 15, lid 1, bedoelde situatie zich dreigt voor te doen:
|
— |
de termijn inkorten gedurende welke het eventueel vereiste toezichtsdocument kan worden gebruikt; |
|
— |
de afgifte van dat document afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden en, bij wijze van uitzondering van de opneming van een herroepingsclausule of, met de frequentie en voor de periode die door de Commissie worden vermeld, van de voorafgaande informatie- en overlegprocedure als bedoeld in artikel 3. |
Artikel 12
Wanneer de invoer van een product binnen acht werkdagen na de beëindiging van het in artikel 3 bedoelde overleg niet onder voorafgaand communautair toezicht is geplaatst, kan de Commissie, overeenkomstig artikel 17, een toezicht instellen dat beperkt is tot één of meer regio’s van de Gemeenschap.
Artikel 13
1. Onder regionaal toezicht geplaatste producten kunnen in de betrokken regio eerst na overlegging van een toezichtsdocument in het vrije verkeer worden gebracht. Dit document wordt door de door de lidstaat (lidstaten) aangewezen bevoegde autoriteit kosteloos voor elke gevraagde hoeveelheid afgegeven binnen maximaal vijf werkdagen nadat zij de aangifte van de importeur in de Gemeenschap heeft ontvangen, ongeacht diens plaats van vestiging in de Gemeenschap. Deze aangifte wordt geacht uiterlijk drie werkdagen na indiening door de bevoegde nationale autoriteit te zijn ontvangen, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De toezichtsdocumenten kunnen slechts worden gebruikt zolang de liberalisatieregeling voor de invoer voor de betrokken verrichtingen van kracht blijft.
2. Artikel 10, lid 2, is van toepassing.
Artikel 14
1. Ingeval communautair of regionaal toezicht is ingesteld, delen de lidstaten binnen de eerste tien dagen van elke maand de Commissie mede:
|
a) |
in geval van voorafgaand toezicht: de hoeveelheden en de aan de hand van de cif-prijzen berekende bedragen waarvoor tijdens de voorafgaande periode toezichtsdocumenten zijn afgegeven; |
|
b) |
in alle gevallen: de invoer in de periode die aan de onder a) bedoelde periode is voorafgegaan. |
In de mededelingen van de lidstaten wordt een onderverdeling naar product en land gegeven.
Andere bepalingen kunnen terzelfder tijd en volgens dezelfde procedure als de ondertoezichtplaatsing worden vastgesteld.
2. Wanneer dit op grond van de aard van de producten of bijzondere omstandigheden vereist is, kan de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, het tijdschema voor de mededelingen wijzigen.
3. De Commissie houdt de lidstaten op de hoogte.
HOOFDSTUK V
VRIJWARINGSMAATREGELEN
Artikel 15
1. Wanneer een product in dermate gestegen hoeveelheden of tegen zodanige voorwaarden in de Gemeenschap wordt ingevoerd dat de communautaire producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten hierdoor ernstige schade lijden of dreigen te lijden, kan de Commissie, ter bescherming van de belangen van de Gemeenschap, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, de regeling voor de invoer van dat product zodanig wijzigen dat het alleen in het vrije verkeer mag worden gebracht als een invoervergunning wordt overgelegd, die op de door haar vastgestelde voorwaarden en binnen de door haar gestelde grenzen wordt verleend.
2. De genomen maatregelen worden onverwijld aan de Raad en de lidstaten meegedeeld en zijn met onmiddellijke ingang van toepassing.
3. De in dit artikel bedoelde maatregelen zijn van toepassing op elk product dat na de inwerkingtreding van deze maatregelen in het vrije verkeer wordt gebracht. Overeenkomstig artikel 17 kunnen deze maatregelen tot één of meer regio’s van de Gemeenschap worden beperkt.
Deze maatregelen vormen evenwel geen beletsel voor het in het vrije verkeer brengen van producten die reeds onderweg zijn naar de Gemeenschap, mits hun bestemming niet kan worden gewijzigd en de producten die op grond van de artikelen 10 en 13 alleen in het vrije verkeer mogen worden gebracht als een toezichtsdocument wordt overgelegd, daadwerkelijk van dat document vergezeld gaan.
4. Wanneer een lidstaat de Commissie verzoekt in te grijpen, neemt de Commissie een besluit binnen een termijn van ten hoogste vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek.
5. Elk krachtens dit artikel door de Commissie genomen besluit wordt aan de Raad en de lidstaten meegedeeld. Elke lidstaat kan dit besluit binnen één maand na deze mededeling aan de Raad voorleggen.
6. Indien een lidstaat het besluit van de Commissie aan de Raad voorlegt, wordt dit besluit door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bevestigd, gewijzigd of ingetrokken.
Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden nadat de kwestie aan hem is voorgelegd, geen besluit heeft genomen, wordt de maatregel van de Commissie geacht te zijn ingetrokken.
Artikel 16
1. De Raad kan met name in de situatie als bedoeld in artikel 15, lid 1, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen passende maatregelen nemen op voorstel van de Commissie.
2. Artikel 15, lid 3, is van toepassing.
Artikel 17
Wanneer, met name op grond van de in artikel 8 genoemde factoren, blijkt dat in één of meer regio’s van de Gemeenschap wordt voldaan aan de voorwaarden voor het nemen van de in hoofdstuk IV en artikel 15 bedoelde maatregelen, kan de Commissie, na onderzoek van alternatieve oplossingen, bij wijze van uitzondering de toepassing van toezicht- of vrijwaringsmaatregelen die alleen voor de betrokken regio(’s) gelden, toestaan indien zij van oordeel is dat toepassing van zulke maatregelen op dat niveau de voorkeur verdient boven de toepassing van zulke maatregelen in de gehele Gemeenschap.
Deze maatregelen zijn van tijdelijke aard en dienen de werking van de interne markt zo min mogelijk te verstoren.
Deze maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 9, respectievelijk artikel 15 neergelegde procedure.
Artikel 18
1. Gedurende de toepassing van de overeenkomstig de hoofdstukken IV en V vastgestelde toezicht- of vrijwaringsmaatregelen wordt op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie overleg gepleegd in het in artikel 3 bedoelde comité, teneinde:
|
a) |
het effect van deze maatregel te onderzoeken; |
|
b) |
na te gaan of handhaving van de maatregel noodzakelijk is. |
2. Wanneer de Commissie ingevolge het in lid 1 bedoelde overleg van oordeel is dat een toezicht- of vrijwaringsmaatregel als bedoeld in de hoofdstukken IV en V moet worden ingetrokken of gewijzigd, gaat zij als volgt te werk:
|
a) |
wanneer het een maatregel van de Commissie betreft waarover de Raad geen besluit heeft genomen, gaat de Commissie onverwijld over tot de intrekking of de wijziging van die maatregel en brengt zij onmiddellijk verslag uit aan de Raad; |
|
b) |
in alle andere gevallen stelt de Commissie aan de Raad voor, de door de Raad vastgestelde maatregelen in te trekken of te wijzigen. De Raad spreekt zich uit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. |
Wanneer dit besluit betrekking heeft op regionale toezichtmaatregelen, is het van toepassing met ingang van de zesde dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
HOOFDSTUK VI
SLOTBEPALINGEN
Artikel 19
1. Deze verordening doet geen afbreuk aan verplichtingen op grond van speciale bepalingen in overeenkomsten die tussen de Gemeenschap en derde landen zijn gesloten.
2. Onverminderd andere communautaire bepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor de vaststelling of toepassing door de lidstaten van:
|
a) |
verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch erfgoed of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom; |
|
b) |
speciale formaliteiten voor het deviezenverkeer; |
|
c) |
formaliteiten die, in overeenstemming met het Verdrag, op grond van internationale overeenkomsten zijn ingevoerd. |
De lidstaten delen de Commissie mee welke maatregelen of formaliteiten zij op grond van dit lid voornemens zijn in te voeren of te wijzigen. In bijzonder spoedeisende gevallen worden deze nationale maatregelen of formaliteiten aan de Commissie meegedeeld zodra zij zijn vastgesteld.
Artikel 20
1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van de regelingen houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, hieruit voortvloeiende communautaire of nationale bestuursrechtelijke bepalingen en de specifieke regelingen op grond van artikel 308 van het Verdrag voor goederen die door de verwerking van landbouwproducten zijn verkregen, doch vormt een aanvulling daarop.
2. De artikelen 9 tot en met 14 en artikel 18 zijn niet van toepassing op onder de in lid 1 bedoelde regelingen vallende producten waarvoor, volgens de communautaire regeling voor het handelsverkeer met derde landen, een invoercertificaat of ander invoerdocument moet worden overgelegd.
De artikelen 15, 17 en 18 zijn niet van toepassing op producten waarvoor, volgens de communautaire regeling voor het handelsverkeer met derde landen, kwantitatieve invoerbeperkingen kunnen worden ingesteld.
Artikel 21
Verordening (EG) nr. 519/94 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.
Artikel 22
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 juli 2009.
Voor de Raad
De voorzitter
A. BORG
(1) PB L 67 van 10.3.1994, blz. 89.
(2) Zie bijlage III.
(3) PB L 87 van 31.3.1994, blz. 47.
(4) PB L 335 van 23.12.1994, blz. 23.
BIJLAGE I
LIJST VAN DERDE LANDEN
|
|
Armenië |
|
|
Azerbeidzjan |
|
|
Kazachstan |
|
|
Noord-Korea |
|
|
Rusland |
|
|
Tadzjikistan |
|
|
Turkmenistan |
|
|
Oezbekistan |
|
|
Vietnam |
|
|
Wit-Rusland |
BIJLAGE III
INGETROKKEN VERORDENING MET OVERZICHT VAN DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN
|
Verordening (EG) nr. 519/94 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 1921/94 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 538/95 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 839/95 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 139/96 van de Raad |
Uitsluitend artikel 2 |
|
Verordening (EG) nr. 168/96 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 752/96 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 1897/96 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 847/97 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 1138/98 van de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 427/2003 van de Raad |
Uitsluitend artikel 22, leden 1 en 2 |
|
Verordening (EG) nr. 110/2009 van de Commissie |
|
BIJLAGE IV
CONCORDANTIETABEL
|
Verordening (EG) nr. 519/94 |
De onderhavige verordening |
|
Artikel 1, leden 1 en 2 |
Artikel 1, leden 1 en 2 |
|
Artikel 1, lid 4 |
— |
|
Artikel 2 |
Artikel 2 |
|
Artikel 3, eerste zin |
Artikel 3, lid 1 |
|
Artikel 3, tweede zin |
Artikel 3, lid 2 |
|
Artikel 4 |
Artikel 4 |
|
Artikel 5, lid 1, aanhef |
Artikel 5, lid 1, eerste alinea, aanhef, eerste zinsdeel |
|
Artikel 5, lid 1, onder a) |
Artikel 5, lid 1, eerste alinea, aanhef, laatste zinsdeel onder a), b) en c) |
|
Artikel 5, lid 1, onder b) |
Artikel 5, lid 1, tweede alinea |
|
Artikel 5, leden 2 t/m 6 |
Artikel 5, leden 2 t/m 6 |
|
Artikel 6 |
Artikel 6 |
|
Artikel 7, lid 1 |
Artikel 7, lid 1 |
|
Artikel 7, lid 2, onder a) |
Artikel 7, lid 2 |
|
Artikel 7, lid 2, onder b), eerste alinea |
Artikel 7, lid 3, eerste alinea |
|
Artikel 7, lid 2, onder b), tweede alinea |
Artikel 7, lid 3, tweede alinea |
|
Artikel 7, lid 3 |
Artikel 7, lid 4 |
|
Artikel 7, lid 4 |
Artikel 7, lid 5 |
|
Artikelen 8 t/m 14 |
Artikelen 8 t/m 14 |
|
Artikel 15, leden 1 en 2 |
Artikel 15, leden 1 en 2 |
|
Artikel 15, lid 3, onder a) |
Artikel 15, lid 3, eerste alinea |
|
Artikel 15, lid 3, onder b) |
Artikel 15, lid 3, tweede alinea |
|
Artikel 15, leden 4, 5 en 6 |
Artikel 15, leden 4, 5 en 6 |
|
Artikelen 16, 17 en 18 |
Artikelen 16, 17 en 18 |
|
Artikel 19, lid 1 |
Artikel 19, lid 1 |
|
Artikel 19, lid 2, onder a), aanhef |
Artikel 19, lid 2, eerste alinea, aanhef |
|
Artikel 19, lid 2, onder a), punten i), ii) en iii) |
Artikel 19, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c) |
|
Artikel 19, lid 2, onder b) |
Artikel 19, lid 2, tweede alinea |
|
Artikel 20 |
Artikel 20 |
|
Artikel 21 |
— |
|
Artikel 22 |
— |
|
Artikel 23 |
— |
|
— |
Artikel 21 |
|
Artikel 24 |
Artikel 22 |
|
Bijlage I |
Bijlage I |
|
Bijlage IV |
Bijlage II |
|
— |
Bijlage III |
|
— |
Bijlage IV |
|
17.7.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/16 |
VERORDENING (EG) Nr. 626/2009 VAN DE RAAD
van 13 juli 2009
tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek, geopend overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96, van het antidumpingrecht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9 en artikel 11, lid 3,
Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,
Overwegende hetgeen volgt:
1. BESTAANDE MAATREGELEN
|
(1) |
Na een onderzoek („het oorspronkelijke onderzoek”) heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1629/2004 (2), een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India. |
1.1. Opening van een tussentijds nieuw onderzoek
|
(2) |
Op verzoek van Hindustan Electro Graphite Limited („HEG” of „de onderneming”), een Indiase producent-exporteur op wie de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, werd een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van voornoemde verordening geopend overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening. |
|
(3) |
Het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek werd geopend op grond van het door de onderneming verstrekte voorlopige bewijsmateriaal waaruit volgens haar bleek dat, wat haar betreft, de omstandigheden op basis waarvan de maatregelen waren vastgesteld, gewijzigd waren en dat deze wijzigingen van blijvende aard waren. |
|
(4) |
In het verzoek werd aangevoerd dat de productiekosten van het betrokken product sinds het oorspronkelijke onderzoek waren gedaald als gevolg van een grotere efficiëntie bij de productie en dat de onderneming in staat was geweest haar uitvoerprijzen significant te verhogen. De onderneming stelde daarom dat het niet langer noodzakelijk was de antidumpingmaatregelen op hun huidige niveau, dat gebaseerd was op de vroeger vastgestelde dumpingmarge, te handhaven om de gevolgen van dumping teniet te doen. |
|
(5) |
Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was aangedragen om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te openen, publiceerde zij een bericht van opening (3) en begon zij een onderzoek dat beperkt was tot het aspect dumping. |
1.2. Bij het onderzoek betrokken partijen
|
(6) |
De Commissie stelde HEG alsook de vertegenwoordigers van het land van uitvoer en de bedrijfstak van de Gemeenschap officieel in kennis van de opening van het nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden een verzoek indienen om te worden gehoord. |
|
(7) |
De Commissie zond een vragenlijst naar de indiener van het verzoek en ontving binnen de gestelde termijn een antwoord. De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping nodig achtte en bracht een controlebezoek aan de installaties van HEG, in Bhopal, India. |
1.3. Tijdvak van het nieuwe onderzoek
|
(8) |
Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(9) |
Het product waarop dit onderzoek betrekking heeft, is hetzelfde als dat van het oorspronkelijke onderzoek, namelijk grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens worden gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,65 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 6,0 μΩ.m, ingedeeld onder GN-code ex 8545 11 00 , en nippels voor deze elektroden, ingedeeld onder GN-code ex 8545 90 90 , tezamen of afzonderlijk ingevoerd, van oorsprong uit India. |
2.2. Soortgelijk product
|
(10) |
Uit het nieuwe onderzoek is gebleken dat door HEG geproduceerde en op de Indiase binnenlandse markt verkochte grafietelektrodesystemen vergelijkbaar zijn met de naar de Gemeenschap uitgevoerde systemen en daarom als een soortgelijk product konden worden beschouwd. |
3. DUMPING
3.1. Normale waarde
|
(11) |
In overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd door de Commissie eerst onderzocht of de binnenlandse verkoop van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers representatief was, d.w.z. of de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % van de totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid bedroeg De verkoop van HEG op de binnenlandse markt bleek tijdens het onderzoektijdvak representatief te zijn. |
|
(12) |
Vervolgens stelde de Commissie vast welke productsoorten die door die onderneming op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten. |
|
(13) |
De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd als voldoende representatief beschouwd wanneer in het onderzoektijdvak van die soort aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt een hoeveelheid was verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort die naar de Gemeenschap was uitgevoerd. |
|
(14) |
Daarna onderzocht de Commissie of de binnenlandse verkoop van elke soort grafietelektrodesystemen die in representatieve hoeveelheden werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening kon worden beschouwd als verkoop in het kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd voor elke uitgevoerde productsoort het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak vastgesteld. |
|
(15) |
Voor die binnenlandse verkoop van elke soort grafietelektrodesystemen die in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt werd verkocht en waarbij meer dan 80 % van de verkoop winstgevend was, werd de normale waarde daarom gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs van alle transacties tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(16) |
Voor alle andere uitgevoerde soorten die ook op de binnenlandse markt werden verkocht en waarbij minder dan 80 % van de verkoop winstgevend was, werd de normale waarde gebaseerd op de binnenlandse verkoopprijs van de winstgevende transacties tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(17) |
Wanneer voor een bepaalde productsoort geen gebruik kon worden gemaakt van de binnenlandse prijs om de normale waarde vast te stellen, moest een andere methode worden toegepast. Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening berekende de Commissie dan een normale waarde. |
|
(18) |
De normale waarde werd berekend door bij de productiekosten van de uitgevoerde soorten van de exporteur een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) en een redelijke winstmarge op te tellen. |
|
(19) |
In alle gevallen werden de VAA-kosten en de winst vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening. Daartoe onderzocht de Commissie of de VAA-kosten en de winst van de producent-exporteur op de verkoop op de binnenlandse markt van het soortgelijke product betrouwbare gegevens vormden; in dit geval constateerde zij dat deze gegevens geschikt waren om de normale waarde vast te stellen. |
3.2. Uitvoerprijs
|
(20) |
HEG voerde het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap uit en daarom werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op grond van de gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het betrokken product. |
3.3. Vergelijking
|
(21) |
De vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs geschiedde op basis van de prijs af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om te zorgen voor een billijke vergelijking werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen in factoren waarvan werd aangetoond dat zij van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Op grond hiervan werden in voorkomend geval correcties verricht, waar die van toepassing en gerechtvaardigd waren, voor verschillen in rabatten, vervoerskosten, verzekering, kosten van op- en overslag, verpakking, kredietkosten en invoerrechten. |
3.4. Dumpingmarge
|
(22) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd voor elke soort van het betrokken product de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs. |
|
(23) |
Er werd geconstateerd dat de dumpingmarge van HEG, uitgedrukt als percentage van de nettoprijs franco grens Gemeenschap vóór inklaring, minimaal was in de zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening. |
4. BLIJVENDE AARD VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN
|
(24) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening werd ook onderzocht of de gewijzigde omstandigheden redelijkerwijs als van blijvende aard konden worden aangemerkt. |
|
(25) |
Terwijl de productiekosten van de onderneming sinds het oorspronkelijke onderzoek significant waren gedaald, was de uitvoerprijs van het betrokken product tijdens het TNO aanzienlijk gestegen, waardoor de dumpingbevindingen van het oorspronkelijke onderzoek niet meer golden. |
|
(26) |
Uit de laatste beschikbare gegevens, die voor de periode na het TNO werden verzameld, bleek dat de invoerprijzen van HEG hoog en stabiel waren gebleven, waardoor werd bevestigd dat de onderneming zich na het TNO verder van dumping onthield. |
|
(27) |
Er werd ook geconstateerd dat tijdens het TNO de uitvoer door HEG naar andere markten dan de Europese Unie geschiedde tegen prijzen die hoger waren dan de prijzen op de Indiase binnenlandse markt. |
|
(28) |
Onder deze omstandigheden kunnen de bevindingen uit het TNO als blijvend worden beschouwd. |
5. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(29) |
Zoals hierboven aangegeven, werd geconstateerd dat HEG tijdens het TNO op een minimaal niveau dumpte. Er zij echter op gewezen dat, hoewel de voor de betrokken onderneming in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde dumpingmarge 22,4 % bedroeg, het thans voor deze onderneming geldende antidumpingrecht 0 % bedraagt (4). Dit is het gevolg van het feit dat er parallelle compenserende rechten voor de invoer van het betrokken product gelden. Onder deze omstandigheden heeft de bevinding van minimale dumping geen onmiddellijk effect op het niveau van de thans geldende maatregelen (5). |
6. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(30) |
De belanghebbende partijen werden in kennis gesteld van de essentiële feiten, overwegingen en bevindingen van het onderzoek en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India, geopend overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96, wordt beëindigd zonder wijziging van de hoogte van het geldende antidumpingrecht.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2009.
Voor de Raad
De voorzitter
E. ERLANDSSON
(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.
(2) PB L 295 van 18.9.2004, blz. 10.
(3) PB C 164 van 27.6.2008, blz. 15.
(4) Zie overweging 30 van Verordening (EG) nr. 1629/2004.
|
17.7.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/19 |
VERORDENING (EG) Nr. 627/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 juli 2009
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 17 juli 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 juli 2009.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MK |
26,9 |
|
ZZ |
26,9 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
114,1 |
|
ZZ |
114,1 |
|
|
0709 90 70 |
TR |
103,7 |
|
ZZ |
103,7 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
52,3 |
|
TR |
53,0 |
|
|
ZA |
71,6 |
|
|
ZZ |
59,0 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
126,4 |
|
BR |
80,9 |
|
|
CL |
88,2 |
|
|
CN |
93,5 |
|
|
NZ |
94,7 |
|
|
US |
92,2 |
|
|
ZA |
82,1 |
|
|
ZZ |
94,0 |
|
|
0808 20 50 |
AR |
168,4 |
|
CL |
81,3 |
|
|
NZ |
87,2 |
|
|
ZA |
101,0 |
|
|
ZZ |
109,5 |
|
|
0809 10 00 |
HR |
90,0 |
|
TR |
182,1 |
|
|
XS |
103,5 |
|
|
ZZ |
125,2 |
|
|
0809 20 95 |
TR |
332,5 |
|
US |
236,3 |
|
|
ZZ |
284,4 |
|
|
0809 30 |
TR |
134,2 |
|
ZZ |
134,2 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
|
17.7.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/21 |
VERORDENING (EG) Nr. 628/2009 VAN DE COMMISSIE
van 16 juli 2009
inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zweven dagen van de maand juli 2009 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 616/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor vlees van pluimvee
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,
Gelet op Verordening (EG) nr. 616/2007 van de Commissie van 4 juni 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor vlees van pluimvee van oorsprong uit Brazilië, Thailand en andere derde landen (3), en met name op artikel 5, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 616/2007 zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector vlees van pluimvee. |
|
(2) |
De invoercertificaataanvragen die tijdens de eerste zweven dagen van de maand juli 2009 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2009, hebben voor bepaalde contingenten betrekking op een hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheid overschrijdt. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven. |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Op de invoercertificaataanvragen die op grond van Verordening (EG) nr. 616/2007 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2009, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 17 juli 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 juli 2009.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
BIJLAGE
|
Nummer van de groep |
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.10.2009-31.12.2009 (%) |
|
1 |
09.4211 |
0,439 |
|
5 |
09.4215 |
27,345272 |
|
7 |
09.4217 |
62,153962 |
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Raad
|
17.7.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/23 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 16 juli 2009
houdende benoeming van een nieuw lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
(2009/552/EG, Euratom)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 215, tweede alinea,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 128, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij brief van 5 juli 2009 heeft de heer Louis MICHEL ontslag genomen als lid van de Commissie, met ingang van een datum na 14 juli 2009. Hij moet worden vervangen voor de resterende duur van zijn ambtstermijn,
BESLUIT:
Artikel 1
De heer Karel DE GUCHT wordt benoemd tot lid van de Commissie voor de periode van 17 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009.
Artikel 2
Dit besluit wordt van kracht op 17 juli 2009.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 16 juli 2009.
Voor de Raad
De voorzitter
C. BILDT
Commissie
|
17.7.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/24 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 24 maart 2009
betreffende steunmaatregel C 52/07 (ex NN 64/07) die door Spanje is verleend ten behoeve van het plan ter ondersteuning van de textiel- en kledingsector
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 2017)
(Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2009/553/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,
Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Op 5 juli 2006 ontving de Commissie een klacht over een programma dat door Spanje ter ondersteuning van de textielindustrie is opgezet („Plan de Apoyo al sector textil y de la confección”, hierna „het textielplan genoemd”). |
|
(2) |
De Commissie verzocht de Spaanse autoriteiten bij brief van 1 augustus 2006 alle nodige gegevens betreffende het textielplan te verstrekken, aan welk verzoek Spanje voldeed bij brief van 29 september 2006, ingeschreven op 2 oktober 2006. |
|
(3) |
Op 13 november 2007 heeft de Commissie de formele onderzoeksprocedure ingeleid. Na de publicatie daarvan ontving de Commissie op 22 februari 2008 respectievelijk 9 april 2008 opmerkingen van belanghebbenden, die anoniem wensten te blijven. De Commissie verzocht om nadere informatie bij brief van 18 april 2008, waarop de Spaanse autoriteiten antwoordden bij brief van 30 mei 2008. Op 6 mei 2008 deed de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden aan de Spaanse autoriteiten toekomen, op welke opmerkingen die autoriteiten reageerden bij brief van 12 juni 2008. |
|
(4) |
Op 11 september 2008 werd een bijeenkomst tussen de betrokken Spaanse ministeries en de Commissie gehouden. Bij brief van 17 september 2008 verstrekten de Spaanse autoriteiten aanvullende gegevens. |
|
(5) |
Op 3 oktober 2008 en 19 februari 2009 verzocht de Commissie in een e-mail om aanvullende gegevens, die door de Spaanse autoriteiten op 21 oktober 2008 en 20 februari 2009 werden verstrekt. |
2. BESCHRIJVING VAN DE BEGUNSTIGDE EN VAN DE STEUNMAATREGELEN
2.1. Doelstellingen van het Spaanse textielplan
|
(6) |
Het textielplan is een plan waarmee wordt beoogd de ondernemingen in de textielsector te helpen zich aan te passen aan de volledige liberalisering van de textielhandel en hun concurrentievermogen te stimuleren en terzelfder tijd een zo groot mogelijk aantal bedrijven en arbeidsplaatsen in de sector te behouden. Daarnaast had het plan tot doel de negatieve gevolgen te verlichten die de liberalisering van de textiel- en kledingsector voor werknemers en hele sectoren van activiteit veroorzaakt. |
|
(7) |
Het plan omvatte directe maatregelen ten behoeve van het bedrijfsleven, op het gebied van technisch onderzoek, innoverende projecten en bevordering van de uitvoer; andere maatregelen waren meer specifiek gericht op aspecten in verband met opleiding en de aanwerving van personeel, maar kwamen terzelfder tijd indirect ten goede aan de ondernemingen en droegen bij aan de bevordering van de herindustrialisering van regio’s die de nadelige effecten ondervinden van de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten in deze sector. |
2.2. De begunstigden
|
(8) |
Het textielplan was van toepassing op alle ondernemingen van de textiel- en kledingsector waarvan de industriele activiteit negatief werd beïnvloed door algemene collectieve overeenkomsten in de textiel- en kledingsector of stond beschreven in de punten 17, 18.1 en 2 van de nationale nomenclatuur van economische activiteiten (CNAE). Volgens de door de Spaanse autoriteiten verstrekte gegevens waren in 2001 15 438 ondernemingen met in totaal 211 831 werknemers actief in de sector; hun aantal slonk tot 11 554 ondernemingen en 140 541 werknemers in 2007 en tot slechts 127 354 werknemers in 2008. Dit komt overeen met een daling van het aantal bedrijven met 25 % tussen 2001 en 2007 ten gevolge van de globalisering. |
|
(9) |
De Spaanse textiel- en kledingsector bestaat voor 75 % uit bedrijven met minder dan 10 werknemers; 35 % van de bedrijven hebben slechts 1 of 2 werknemers. |
2.3. Maatregelen
|
(10) |
De Commissie heeft de formele onderzoeksprocedure ingeleid ten aanzien van de volgende maatregelen: |
1. Programma ter bevordering van technisch onderzoek in de textiel- en kledingsector
|
(11) |
Met deze specifieke maatregel werd de bevordering beoogd van projecten op het gebied van industrieel onderzoek en technologische ontwikkeling die de technologische capaciteit van de bedrijven zouden vergroten en de samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (O&O) tussen de bedrijven in de textiel- en kledingsector en andere onderzoeksinstellingen, alsook de verspreiding van de resultaten, zouden bevorderen. |
|
(12) |
De voor deze steunmaatregel in aanmerking komende projecten waren O&O-projecten, investeringen in materiele of immateriele activa, alleen voor kleine en middelgrote ondernemingen, met het doel geavanceerde productietechnieken in hun productieprocessen op te nemen, projecten op het gebied van de verspreiding van resultaten van O&O-werkzaamheden en projecten in verband met de verspreiding van de resultaten van O&O-werkzaamheden en met het opzetten en ontwikkelen van samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen. |
|
(13) |
Volgens de Spaanse autoriteiten was dit programma gebaseerd op de reeds goedgekeurde steunmaatregel N 415/2004 (2). Met het programma werd beoogd technisch onderzoek in de textiel- en kledingsector te bevorderen. Tussen 2005 en 2007 bedroeg de begroting van het programma 12,5 miljoen EUR in de vorm van subsidies en 51 miljoen EUR in de vorm van renteloze leningen, terug te betalen in 12 jaar, met een aflossingsvrije periode van 2 jaar. |
2. Programma voor de herindustrialisering van gebieden die zijn getroffen door de structurele veranderingen in de textielsector
|
(14) |
Met deze maatregel werd beoogd de herindustrialisering in de door de structurele veranderingen getroffen gebieden te steunen. De volgende projecten kwamen in aanmerking:
|
|
(15) |
Tussen 2006 en 2008 werd 11,1 miljoen EUR uitgekeerd in de vorm van subsidies en 155,2 miljoen EUR in de vorm van renteloze terugbetaalbare leningen met aflossing binnen een termijn van 15 jaar na een aflossingsvrije periode van 5 jaar. De Spaanse autoriteiten gaven aan dat de maatregel was gebaseerd op de goedgekeurde steunmaatregel N 101/2005 (3). |
3. Speciale leningen die door de Empresa Nacional de Innovación S.A. (ENISA (4) voor de modernisering van kmo’s worden verleend
|
(16) |
De maatregel voorzag in preferentiële leningen, wat gelijkstaat met een kapitaalbijdrage, om de modernisering van producten, procedés en beheer van kmo’s en het opzetten van nieuwe technologiebedrijven in door de structurele veranderingen getroffen gebieden te bevorderen. Economisch en financieel gezonde kmo’s kwamen in aanmerking; grote ondernemingen en ondernemingen in moeilijkheden waren uitgesloten. ENISA kende voor de geselecteerde projecten een rentesubsidie van 0,5 % toe. De vaste rentevoet was Euribor één jaar + 0,25 % voor leningen met een looptijd van 4 tot 8 jaar en een aflossingsvrije periode van 2 tot 6 jaar. De maximumsubsidie per onderneming beliep 30 000 EUR. |
|
(17) |
Een budget ten belope van 4,07 miljoen EUR werd hiervoor tussen 2006 en 2008 uitgetrokken. De bedoeling was dat het steunelement (een rentesubsidie van 50 basispunten) onder het de-minimisplafond van 200 000 EUR zou liggen (5). |
4. Door het ICO tegen preferentiële rentetarieven verstrekte leningen
|
(18) |
In het kader van deze maatregel kregen ondernemingen leningen met een preferentieel rentetarief voor productieve innovatieve investeringen. Deze leningen waren gebaseerd op een overeenkomst tussen het ministerie van Industrie, Toerisme en Handel en, sinds 5 september 2006, het financiële overheidsorgaan Instituto de Crédito Oficial (ICO). Het ICO trad op als tussenpersoon tussen de betrokken commerciële banken terwijl het ministerie van Industrie, Toerisme en Handel de preferentiële rentevoeten financierde. De financieringsvoorwaarden waren als volgt:
Ondernemingen of groepen ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit op distributie was gebaseerd, waren uitgesloten. Het budget voor deze maatregel beliep 450 miljoen EUR. |
5. Bevordering van de uitvoer van Spaanse producten (ICEX0)
|
(19) |
Het Spaanse instituut voor de buitenlandse handel (ICEX) had in het kader van het textielplan verscheidene steunmaatregelen uitgevoerd:
|
|
(20) |
De maatregelen werden uitgevoerd in het kader van uiteenlopende initiatieven zoals het globale modeplan (Plan Global de la Moda), het Spaanse plan inzake woninginrichting (Plan Hábitat de España), officiële stands, sectorale plannen, exportconsortia, plannen voor het opzetten van bedrijven in het buitenland, plannen om Spaanse merken te promoten, plannen voor de introductie tot de exportbevordering (PIPE), assistentie voor de deelneming aan beurzen, bijeenkomsten van vertegenwoordigers, handelsmissies, investeringsfora en fora voor samenwerking tussen ondernemingen, het opzetten en actualiseren van databases met vertegenwoordigers, communicatie- en reclamecampagnes. |
6. Levenslang leren
|
(21) |
Het doel van deze maatregel was opleiding te verschaffen aan werknemers in de Spaanse textiel- en kledingsector om hun vaardigheden te verbeteren en aldus de concurrentiepositie van de onderneming te verbeteren en de modernisering bij te houden. |
|
(22) |
Op grond van de nationale wetgeving (6) konden ondernemingen, om hun specifieke opleidingsprogramma’s ten dele te financieren, een deel van de gedurende het voorgaande jaar aan de centrale thesaurie van de sociale zekerheid betaalde bijdragen gebruiken voor specifieke opleidingsprogramma’s door deze van hun gewone socialeverzekeringspremies af te trekken. In de textiel- en kledingsector waren enkele percentages opgetrokken:
|
|
(23) |
De ondernemingen hadden bovendien recht op een extra krediet van 5 % ter compensatie van de tijdens de opleiding verloren arbeidstijd. |
|
(24) |
Om van deze maatregelen te kunnen profiteren moesten de ondernemingen bij de Spaanse dienst voor arbeidsbemiddeling een omscholingsplan indienen dat informatie bevatte over de veranderingen in het productieproces, het opzetten van een nieuwe organisatiestructuur, opleiding voor het werken met nieuwe machines en de omscholing van ontslagen werknemers. In een afzonderlijk document moesten zij de doelstellingen op het gebied van productiviteit en instandhouding van de werkgelegenheid aangeven en het bedrag van de investering en hun eigen bijdrage vermelden. Voorts was voor dit omscholingsplan de goedkeuring vereist van het paritair comité van de sector (dat voor 50 % uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en voor 50 % uit de vakbonden van de textielsector bestaat). |
7. Behoud van werkgelegenheid voor oudere werknemers
|
(25) |
Overeenkomstig de algemene Spaanse wetgeving heeft een onderneming die een werknemer ouder dan 60 jaar in dienst heeft, recht op een vermindering van 50 % van de socialeverzekeringspremie. In het textielplan was de leeftijd verlaagd tot 55 jaar voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die al minstens 5 jaar bij de onderneming in dienst waren. |
8. Ontheffing van zekerheidstelling voor uitgestelde betalingen aan de sociale verzekering
|
(26) |
Uit hoofde van de algemene Spaanse wetgeving inzake sociale verzekering (artikel 33, lid 4, van koninklijk besluit 1415/2004 van 11 juni 2004) kunnen schulden bij de sociale verzekering worden opgeschort en in termijnen worden betaald indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, waaronder het stellen van zekerheden om de schulden bij de sociale verzekering te dekken. De toepassingsbepalingen (7) geven de Spaanse autoriteiten echter de mogelijkheid in „uitzonderlijke omstandigheden” ontheffing van zekerheidstelling voor schulden bij de sociale verzekering te verlenen. |
2.4. Rechtsgrond van de regeling
|
(27) |
De rechtsgrond van maatregel 1 (overwegingen 10 tot en met 13) is verordening ITC/217/2005 van 4 februari (8), die is gebaseerd op Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (9). |
|
(28) |
Maatregel 2 (overwegingen 14 en 15) was gebaseerd op steunmaatregel N 101/2005 die bij Beschikking C(2005) 1523 van de Commissie is goedgekeurd (zie overweging 15) en steunmaatregel XR/70/2007 in het kader van de regeling inzake steun voor regionale investeringen (Régimen de ayudas a la inversión regional) (10). |
|
(29) |
De rechtsgrond van maatregel 3 (overwegingen 16 en 17) is wet 30/2005 van 29 december 2005 (11). |
|
(30) |
De rechtsgrond van maatregel 4 (overweging 18) is de reeds genoemde wet 30/2005, 71ste aanvullende bepaling, Actie van het officiële kredietinstituut met betrekking tot leningen voor ondernemingen in de textiel-, schoeisel-, meubel- en speelgoedsectoren. |
|
(31) |
Maatregel 5 (overwegingen 19 en 20) was gebaseerd op artikel 14, lid 1, onder d), en artikel 17, lid 3, onder m), van wet 38/2003 van 17 november 2003. |
|
(32) |
Op maatregel 6 (overweging 21 tot en met 24) is koninklijk besluit 1046/2003 van 1 augustus 2003, verordening TAS/500/2004 van 13 februari 2004, van toepassing. |
|
(33) |
De algemene bepaling die van toepassing is op maatregel 7 (overweging 25) staat in koninklijk besluit 5/2006 van 9 juni 2006. |
|
(34) |
Maatregel 8 (overweging 26) wordt bestreken door artikel 33, lid 4, van koninklijk besluit 1415/2004 van 11 juni 2004. |
2.5. Duur van de regeling
|
(35) |
Het textielplan is kennelijk in juni 2006 ondertekend en was tot 31 december 2008 van toepassing. Volgens de gegevens die op 17 september 2008 door de Spaanse autoriteiten zijn verschaft, zijn er geen plannen om het textielplan verder te verlengen (zoals in artikel I.2 van het textielplan zelf wordt aangegeven). Maatregel 1 was echter van toepassing van 2005 tot 2007. |
3. REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE PROCEDURE
|
(36) |
In haar besluit van 13 november 2007 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure („het besluit tot inleiding van de procedure”) uitte de Commissie haar twijfels omtrent de verenigbaarheid van de maatregelen met de gemeenschappelijke markt en verwees zij naar de mogelijkheid dat tussen de diverse maatregelen uit hoofde van het textielplan steun ten onrechte wordt gecumuleerd:
|
4. OPMERKINGEN VAN SPANJE
|
(37) |
De Spaanse autoriteiten betoogden dat het besluit tot inleiding van de procedure indruiste tegen de jurisprudentie in de zaak-Italgrani II (14). |
Maatregel 1
|
(38) |
De Spaanse autoriteiten verklaarden dat, naast de rechtsgrond van N 415/2004 (een op grote ondernemingen gerichte maatregel waarvan de geldigheid op 31 december 2007 is verstreken) die in eerdere correspondentie werd vermeld, de reeds goedgekeurde maatregel XS 50/2005 (15) voor kmo’s, die op 30 juni 2007 afliep, eveneens van toepassing was. |
|
(39) |
Het daadwerkelijk uitgekeerde bedrag beliep 14,24 miljoen EUR aan subsidies en 36,72 miljoen EUR aan renteloze terugbetaalbare leningen met een aflossingsperiode van 12 jaar. Op 21 oktober 2008 verklaarden de Spaanse autoriteiten andermaal dat zij de in de steunmaatregel genoemde voorwaarden in acht namen en bevestigden zij dat steunmaatregel N 415/2004 niet na 31 december 2007 was toegepast noch toegepast zou worden en dat steunmaatregel XS 50/2005 niet na 30 juni 2008 was toegepast noch toegepast zou worden. |
Maatregel 2
|
(40) |
De Spaanse autoriteiten verklaarden dat steunmaatregel N 101/2005 afliep toen Verordening 1628/2006 (16) eenmaal van kracht werd. De Spaanse autoriteiten deden vervolgens aanmelding van steunmaatregel N 430/2006, die op 26 januari 2007 werd ingetrokken. Sedertdien werden, volgens de door de Spaanse autoriteiten op 30 mei 2008 verstrekte gegevens, de maatregelen gebaseerd op XR/70/2007 (17). De synthetischevezelindustrie kwam niet in aanmerking voor de steunmaatregelen N 101/2005 en XR/70/2007, volgens lid 4 van verordening ITC/1014/2005 en lid 4 van verordening ITC/3098/2006, gewijzigd bij lid 3 van verordening ITC/643/2007. |
|
(41) |
De Spaanse autoriteiten bevestigden voorts dat de maatregel als initiële investering kon worden aangemerkt, zoals in ministerieel besluit ITC/643/2007 van 2 oktober 2007 houdende wijziging van verordening ITC/3098/2006 (18) was gebeurd. De beschrijving van de begunstigden in lid 4 van ministerieel besluit ITC/643/2007 kwam overeen met de definitie van initiële investering die in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (19) en in verordening 1628/2006 is vastgelegd. |
|
(42) |
Het budget dat is uitgegeven beliep 10,97 miljoen EUR aan subsidies en 150,8 miljoen EUR aan terugbetaalbare leningen. |
Maatregel 3
|
(43) |
De Spaanse autoriteiten bevestigden dat de begunstigde ondernemingen uitsluitend kmo’s waren. Het maximum steunbedrag, dat op 30 000 EUR per onderneming wordt geraamd, was berekend op basis van een maximumkrediet van 1 000 000 EUR. Van 1 januari 2006 tot 13 januari 2008 kwam de maatregel ten goede aan tien ondernemingen, terwijl 23 werden geweigerd. De rentesubsidie van 0,5 procentpunten was niet verleend. |
|
(44) |
Op 30 mei 2008 en tijdens de bijeenkomst van 11 september 2008 onderstreepten de Spaanse autoriteiten dat de financiering onder normale marktvoorwaarden was verleend maar dat grote ondernemingen en ondernemingen in moeilijkheden daarvan waren uitgesloten. De Spaanse autoriteiten bevestigden dit schriftelijk bij brief van 21 oktober 2008 en zegden toe deze maatregel niet toe te passen voordat de geldigheidsduur van het textielplan is verstreken. |
Maatregel 4
|
(45) |
De rechtsgrond voor deze maatregel was de de-minimisverordening. Het maximum te lenen bedrag per begunstigde was vastgesteld op 2,3 miljoen EUR. De de-minimisdrempels zijn steeds in acht genomen. Deze bedragen konden niet met andere steun worden gecumuleerd indien dit betekende dat de toegestane de-minimisdrempel werd overschreden. Iedere begunstigde moest daarom een jaarlijks aangifteformulier invullen. Het ICO hield jaarlijks in een register de gegevens bij, die werden toegezonden aan de kredietinstellingen die met het ICO samenwerkten. |
|
(46) |
Tot september 2008 was van de 450 miljoen EUR een bedrag van 54,79 miljoen EUR uitgekeerd. Het maximumbedrag van de leningen beliep 2,3 miljoen EUR. De rentevoeten lagen tussen 5,59 % en 4,94 % toen de referentierente voor Spanje eenmaal op 5,19 % lag. De Spaanse autoriteiten bevestigden dat zij vanaf 1 juli 2008 de nieuwe mededeling over de referentiepercentages hadden toegepast (20). Volgens hen stelden de samenwerkende financiële entiteiten de marge vast die bij het referentiepercentage werd opgeteld. Het ICO verstrekte hun ook informatie over de gemiddelde marges die in Spanje op basis van door de Spaanse centrale bank verstrekte gegevens worden toegepast. |
|
(47) |
Op 21 oktober 2008 verstrekten de Spaanse autoriteiten een overzicht van de in 2006, 2007 en 2008 verleende de-minimissteun, met de overeenkomstige aangiften. De Spaanse autoriteiten verbonden zich ertoe de de-minimisverordening in de toekomst in acht te zullen nemen. |
Maatregel 5
|
(48) |
De maatregelen in kwestie waren algemene maatregelen waar alle sectoren voor konden kiezen. De gesubsidieerde activiteiten waren soortgelijke activiteiten als die welke in artikel 5 van de kmo-verordening worden genoemd. Het was erg moeilijk het bedrag van de steun te berekenen omdat de maatregel onregelmatig, indirect en onnauwkeurig werd toegepast. |
|
(49) |
Tussen 2006 en 2008 werd in totaal 7,5 miljoen EUR uitbetaald. De Spaanse autoriteiten gaven aan dat deze maatregel, die ook aan grote ondernemingen ten goede kwam, door de de-minimisverordening werd bestreken. |
|
(50) |
Wat de toepassing van de de-minimisverordening betreft, verklaarden de Spaanse autoriteiten dat het ICEX op grond van artikel 14, lid 1, onder d), van wet 38/2003 van 17 november 2003 van iedere begunstigde een aangifte van de ontvangen steun op basis van de subsidiabele kosten eiste. De begunstigden waren verplicht het ICEX op de hoogte te brengen van toekomstige subsidies. Overeenkomstig artikel 17, lid 3, onder m), moet het ICEX de verenigbaarheid verifiëren met andere steun die op basis van dezelfde subsidiabele kosten is ontvangen. De Spaanse autoriteiten hebben een tabel overgelegd waaruit bleek dat de door het ICO en het ICEX van 2006 tot 2008 in de textiel en kledingsector verleende de-minimissteun het plafond van 200 000 EUR per onderneming over drie belastingjaren niet overschreed. |
Maatregel 6
|
(51) |
De maatregel was van algemene aard, alhoewel hij in eerste instantie voor kmo’s was bedoeld. Daarom konden alleen bedrijven met minder dan 5 werknemers hogere bedragen ontvangen dan de bedragen die in het voorgaande jaar aan de thesaurie van de sociale verzekering waren betaald. De overige begunstigden konden alleen een percentage terugkrijgen van de bijdrage die was betaald voor bijzondere opleidingsdoeleinden van het lopende boekjaar. Volgens de Spaanse autoriteiten was de steunintensiteit circa 11,3 % voor de kmo’s en 20 % voor grote ondernemingen. Het geplande budget bedroeg 50 000 EUR per jaar. |
|
(52) |
Tot 13 januari 2008 was slechts één onderneming voor de maatregel geselecteerd. De Spaanse autoriteiten bevestigden dat, overeenkomstig de kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun (21), ondernemingen in moeilijkheden van de steunmaatregel waren uitgesloten. |
Maatregel 7
|
(53) |
De Spaanse autoriteiten wezen er met klem op dat ondernemingen alleen in aanmerking kwamen indien hun werknemers van meer dan 55 jaar minstens al 5 jaar bij de onderneming in dienst waren, wat het aantal in aanmerking komende personen met circa 50 % verminderde. De meesten van de begunstigden (53 %) waren vrouwen, 76 % hadden zeer geringe vaardigheden en opleiding, wat het hun bemoeilijkte een andere baan te vinden. |
|
(54) |
De Spaanse autoriteiten wezen er nadrukkelijk op dat artikel 137, leden 1 en 4, van het EG-Verdrag de lidstaten autonomie met betrekking tot de sociale zekerheid verlenen. |
|
(55) |
Op 1 januari 2008 hadden 6 313 werknemers in 2 015 ondernemingen van de regeling gebruikgemaakt, dat wil zeggen 16,6 % van de ondernemingen in de sector en 4,5 % van de werknemers in de sector. 56 % van de begunstigde ondernemingen maakten slechts voor één werknemer van de maatregel gebruik, 30 % voor 2, 3 of 4 werknemers en 13 % tussen 5 en 30 werknemers, en slechts 1 % voor meer dan 30 werknemers. 1 428 ondernemingen ontvingen een subsidie van minder dan 500 EUR. Het voor deze maatregel uitgetrokken budget beliep 15 miljoen EUR per jaar. De gemiddelde steun per werknemer tussen 55 en 58 jaar bedroeg 151 EUR per maand, wat overeenkomt met een intensiteit van 8,3 % van de arbeidskosten. De steun aan werknemers van 59 jaar beliep 44 EUR per maand, dit is 2,6 % van de arbeidskosten. Slechts 5,2 % van de werknemers in de sector kwam voor deze maatregel in aanmerking. De gemiddelde impact voor een onderneming was 0,3 % van haar arbeidskosten. |
|
(56) |
Ondanks de naam was dit niet een maatregel waarmee werd beoogd werkgelegenheid te behouden maar een alternatief voor vervroegde uittreding. Daarnaast betoogden de Spaanse autoriteiten dat het bedrag van 151 EUR per maand voldoende stimulans bood om de persoon in dienst te houden in plaats van dezelfde persoon in dienst te nemen zonder hem aan te geven. |
|
(57) |
De maatregel kon op de synthetischevezelindustrie worden toegepast indien de onderneming haar hoofdactiviteit in de textielsector had en indien zij deelnam aan de collectieve onderhandelingen voor de textiel- en kledingsector en niet aan die voor de chemische industrie. Derhalve was er slechts een zeer geringe kans dat deze producenten van synthetische vezels van de maatregel gebruik zouden maken. |
Maatregel 8
|
(58) |
Bij brief van 17 september 2008 bevestigden de Spaanse autoriteiten dat het een algemene maatregel betrof en dat aan de textielondernemingen die onder het textielplan vielen geen belastingfaciliteiten waren verleend. |
|
(59) |
Op 21 oktober 2008 verbonden de Spaanse autoriteiten zich ertoe om, in het onwaarschijnlijke geval dat een textiel- of kledingbedrijf om ontheffing van zekerheidstelling voor een uitstel van betaling van belastingschulden zou verzoeken, dit verzoek op basis van de algemene regels en niet op basis van het textielplan te behandelen. |
|
(60) |
Tot slot zegden de Spaanse autoriteiten toe de Gemeenschapswetgeving betreffende de cumulering van de-minimismaatregelen in acht te zullen nemen. |
5. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
|
(61) |
De Commissie ontving opmerkingen van twee belanghebbenden die anoniem wensten te blijven. |
|
(62) |
In de eerste opmerkingen werd staatssteun aan de textielindustrie verworpen omdat deze de concurrentie zou vervalsen. Daarin werd het uitgangspunt van de Commissie in het besluit tot inleiding van de procedure ondersteund en werd onderstreept dat in het textielplan geen beperkingen waren vastgelegd ten aanzien van de subsidies die iedere onderneming kon ontvangen. De door de Spaanse autoriteiten aangevoerde argumenten waren niet overtuigend. Steun voor O&O was nuttig, maar diende tot kmo’s te worden beperkt. Daarentegen diende staatssteun voor immateriële activa, waarvan gemakkelijk misbruik zou kunnen worden gemaakt, te worden verworpen. De maatregelen inzake opleiding van werknemers die uit de textielindustrie waren ontslagen, waren dan weer positief, maar het verlenen van een korting van 80 % op de socialeverzekeringspremies zou de werknemers alleen indirect ten goede komen en was niet aanvaardbaar. Indien de textielbedrijven meer voordelen hadden dan andere sectoren wat de betaling in termijnen van de schulden bij de sociale verzekering betreft, zou dit onwettige staatssteun zijn. |
|
(63) |
De opmerkingen van de andere belanghebbende hadden betrekking op de bijzonder lage prijs van Geotexan op de Spaanse markt, die het gevolg zou kunnen zijn van de toepassing van het Spaanse textielplan. |
6. COMMENTAAR VAN SPANJE OP DE OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN
|
(64) |
De Spaanse autoriteiten hielden staande dat de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure de maatregelen niet als staatssteun aanmerkte maar slechts op die mogelijkheid wees. Spanje antwoordde tevens dat de premie voor opleiding aan ondernemingen waarvan het aantal werknemers tussen 50 en 249 lag, een stijging van 20 % en niet 80 % inhield. Wat de intensiteit betreft werden de maxima die in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun (22) zijn vastgelegd, niet overschreden. Bovendien was de ontvanger van de opleidingsmaatregel de werknemer, die hetzij bij de onderneming kon blijven hetzij zijn beroepsvaardigheden kon verbeteren om een nieuwe baan te zoeken. |
|
(65) |
Wat de tweede opmerking betreft, betoogden de Spaanse autoriteiten dat deze opmerkingen laat waren ingediend en dat er geen bewijzen waren verstrekt. Met het textielplan werd beoogd de ondernemingen van de sector aan te passen aan de liberalisering van de markt en niet de positie van een bepaalde onderneming te begunstigen. Wat het reeds genoemde geval betreft: Geotexan is in 2004 opgericht. Volgens de criteria om in aanmerking te komen voor steun om oudere werknemers in hun baan te houden, moesten zij meer dan 5 jaar bij de onderneming in dienst zijn, wat in dit geval niet mogelijk was. Er zijn geen documenten waaruit blijkt dat Geotexan opleidingssteun heeft ontvangen. Hoe dan ook zou het bedrijf een subsidie van 970 EUR per jaar hebben ontvangen, wat geen doorslaggevende factor zou zijn bij het ontwikkelen van een agressief prijsbeleid. |
|
(66) |
Kortom, de opmerkingen bevatten geen nieuwe juridische feiten of argumenten en zij waren in algemene termen gesteld, zonder enig bewijs te leveren: er moet dan ook geen rekening mee worden gehouden. |
7. BEOORDELING
7.1. Vormen de maatregelen staatssteun?
|
(67) |
Zoals in artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag is vastgelegd, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(68) |
Volgens de Spaanse autoriteiten was maatregel 3 niet toegepast: de rentesubsidie van 0,5 was niet verleend en de financiering was onder normale marktvoorwaarden verstrekt. De Commissie verzocht de Spaanse autoriteiten om informatie over de werkelijk aan de tien begunstigden verleende rentevoeten. De Spaanse autoriteiten antwoordden op 13 maart 2009. Slechts in twee gevallen was de rentevoet lager dan de laagste referentierente van het jaar (een krediet van 300 000 EUR en een krediet van 100 000 EUR tegen een rentevoet van 4,114 in 2007, terwijl de laagste referentierente 4,62 bedroeg). Gezien het uiterst geringe verschil tussen de beide rentevoeten moet de Commissie concluderen dat de staatssteun zo gering zou zijn geweest dat deze onder de de-minimisdrempel zou liggen. De Spaanse autoriteiten hebben zich ertoe verbonden deze maatregel niet toe te passen totdat het textielplan is verstreken. De Commissie moet dan ook concluderen dat het steunbedrag onder de de-minimisdrempel lag en dat er geen sprake was van staatssteun. |
|
(69) |
Ten aanzien van de maatregelen 4 en 5 merkten de Spaanse autoriteiten op dat zij onder de Verordening betreffende de-minimissteun van de Commissie van toepassing vielen en derhalve geen staatssteun waren. De Commissie moet dan ook onderzoeken of aan de voorwaarden van de de-minimisverordening is voldaan. |
|
(70) |
Wat maatregel 4 betreft, toonden de Spaanse autoriteiten met bewijzen aan dat zij in het verleden de de-minimisverordening in acht hebben genomen en zegden zij toe dit in de toekomst te blijven doen. Voorts gaven zij de verzekering dat zij sinds 1 juli 2008 aan de nieuwe mededeling over referentiepercentages voldoen. |
|
(71) |
Ten aanzien van maatregel 5 werd steun ter bevordering van de uitvoer door de de-minimisverordening uitgesloten. Over het algemeen wordt exportsteun in artikel 1, onder d), traditioneel gedefinieerd als „steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer”. Aan de andere kant verduidelijkt de de-minimisverordening in overweging 6 dat „steun ter financiering van de kosten van deelneming aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt te introduceren, in de regel geen exportsteun is”. Wanneer steun wordt verleend voor de gezamenlijke deelneming aan handelsbeurzen, valt deze dus onder de de-minimisverordening (23). Bij brief van 30 mei 2008 bevestigden de Spaanse autoriteiten dat met de maatregel werd beoogd bedrijven die tot dan toe niet hadden geëxporteerd aan te moedigen naar internationale beurzen te komen - hij voldeed dus aan die voorwaarde. Steun voor het opzetten van informatie-infrastructuur via internetportalen is geen uitvoersteun en valt daarom binnen het toepassingsgebied van de de-minimisverordening. Ten slotte wordt het verrichten van adviesdiensten om het exportpotentieel te bevorderen door de de-minimisverordening bestreken en valt derhalve niet onder de definitie van uitvoersteun. |
|
(72) |
Niettemin bleef de Commissie twijfels koesteren over de vraag of de Spaanse autoriteiten in het verleden de de-minimisverordening in acht hadden genomen. Daarom verzocht zij de Spaanse autoriteiten overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de de-minimisverordening aan te tonen dat zij in het verleden de verordening ten aanzien van maatregelen 4 en 5 hebben nageleefd. De Commissie deed voorts, overeenkomstig artikel 3, lid 1, een beroep op de Spaanse autoriteiten zich ertoe te verbinden de verordening in de toekomst in acht te nemen. Dit hield in dat het plafond van 200 000 EUR per onderneming gedurende alle drie belastingjaren in acht was genomen, met name wat de mogelijke combinatie met andere maatregelen in het kader van het textielplan op basis van dezelfde subsidiabele kosten betreft. Zoals in overweging 47 reeds werd aangegeven, toonden de Spaanse autoriteiten met bewijzen aan dat zij in het verleden aan de de-minimisverordening hebben voldaan en zegden zij toe deze in de toekomst in acht te nemen. Dientengevolge zijn maatregelen 4 en 5 geen staatssteun. |
|
(73) |
Maatregel 8 is een in de Spaanse wetgeving vastgelegde algemene steunmaatregel die, volgens de Spaanse autoriteiten, in het kader van het textielplan nooit is toegepast. Indien een onderneming in de toekomst om uitstel van betaling van belastingen zou verzoeken, hebben de Spaanse autoriteiten zich ertoe verbonden de algemene regels toe te passen en niet deze maatregel. Aangezien maatregel 8 niet was toegepast, was er geen sprake van staatssteun. |
|
(74) |
De maatregelen 1, 2, 6 en 7 zijn met staatsmiddelen toegekend. Deze maatregelen lijken bedrijven in de textiel- en kledingsector een beter selectief voordeel te bieden dan de voorwaarden die uit hoofde van de algemene regels worden toegepast, en geven die bedrijven dus een voordeel. Er is veel handelsverkeer in de textiel- en kledingsector en de maatregelen zouden het handelsverkeer tussen de lidstaten dus ongunstig kunnen beïnvloeden. Derhalve zijn deze maatregelen staatssteun overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag. |
7.2. Verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt
Maatregelen 1 en 2
|
(75) |
Ten aanzien van maatregel 1 merkte de Commissie op dat goedgekeurde steunmaatregel N 415/2004 alleen van toepassing is op grote ondernemingen en op subsidiabele O&O-acvititeiten: personeelskosten, relevante instrumenten en uitrusting, kosten voor extern advies, exploitatiekosten en uit de onderzoeksactiviteit voortvloeiende extra algemene kosten. Het budget beliep 16 miljoen EUR aan subsidies en 74,45 miljoen EUR aan leningen met rentesubsidie. |
|
(76) |
In het textielplan werden de volgende projecten als subsidiabele projecten voor grote ondernemingen gedefinieerd: O&O-projecten, projecten voor de verspreiding van de resultaten van O&O-activiteiten en projecten voor het opzetten en de ontwikkeling van samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen. Het budget beliep 12,5 miljoen EUR aan subsidies en 51 miljoen EUR aan leningen met rentesubsidie. |
|
(77) |
Op 13 januari 2008 lieten de Spaanse autoriteiten andermaal weten dat zij de voor de maatregel geldende voorwaarden zouden naleven. Op basis hiervan moet de Commissie tot de conclusie komen dat maatregel 1 voor grote ondernemingen aan de in de regeling vervatte criteria voldoet. |
|
(78) |
Wat maatregel 1 ten behoeve van kmo’s betreft die volgens het textielplan de belangrijkste doelgroep van de maatregel zijn, lichtten de Spaanse autoriteiten toe dat deze door steunmaatregel XS 50/2005 zou worden gedekt. De doelstellingen van steunmaatregel XS 50/2005 zijn bevordering van onderzoekprojecten voor kmo’s, versterking van de samenwerking tussen kmo’s en onderzoekinstellingen en verspreiding van onderzoeksresultaten. NET als de vorige regeling dekt deze regeling de personeelskosten, relevante instrumenten en uitrusting, kosten voor extern advies, exploitatiekosten en uit de onderzoeksactiviteit voortvloeiende extra algemene kosten, alsook investeringen in materiële en immateriële activa en adviesdiensten. Het jaarlijkse budget beliep 22 miljoen EUR in de vorm van subsidies en gesubsidieerde leningen. |
|
(79) |
De subsidiabele projecten van het textielplan waren O&O-projecten, investeringen in materiële en immateriële activa met het oog op het opnemen van geavanceerde technologieën in hun productieprocessen, projecten op het gebied van de verspreiding van resultaten van de O&O-activiteiten en projecten op het gebied van het opzetten en ontwikkelen van samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen. |
|
(80) |
De Commissie is van mening dat maatregel 1 voor kmo’s voldoet aan de criteria die zijn vervat in steunmaatregel N 415/2004, die al is goedgekeurd, en in steunmaatregel XS 50/2005. |
|
(81) |
Wat maatregel 2 betreft, deze was gebaseerd op goedgekeurde steunmaatregel N 101/2005 van juni tot 1 november 2006. Het doel van deze regeling was de herstructurering van industriegebieden met afnemende economische activiteit in regio’s die voor steun in aanmerking komen. De regeling stond open voor alle industriële ondernemingen die investeerden in steunregio’s, met uitzondering van de steenkoolsector, de staalsector en de synthetischevezelsector. De steun moest worden uitgekeerd in de vorm van renteloze leningen met een maximum looptijd van 10 jaar en een aflossingsvrije periode van 5 jaar. Het geplande begroting beliep 400 miljoen EUR. |
|
(82) |
Het textielplan voldoet aan de basiscriteria, behalve het criterium betreffende renteloze leningen, die een maximumlooptijd van 15 jaar met een aflossingsvrije periode van 5 jaar hadden in plaats van de in punt 11 van de regeling aangeduide maximum looptijd van 10 jaar. Na dit punt te hebben onderzocht, moet de Commissie het aanvaarden aangezien in hoofdstuk I 7.2 van verordening ITC/3098/2006 wordt bepaald dat de maximum looptijd 10 jaar bedraagt plus een aflossingsvrije periode van 5 jaar. De Commissie moet derhalve concluderen dat maatregel 2 aan de in de regeling vervatte criteria voldoet. |
|
(83) |
Op 3 juli 2006 deden de Spaanse autoriteiten opnieuw aanmelding van de regeling om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (24) (N 430/2007) en op 26 januari 2007 trokken zij deze in om de regeling te baseren op Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op regionale investeringssteun (25). Op 20 maart 2007 werd maatregel XR/70/2007 goedgekeurd. |
|
(84) |
Volgens verordening ITC/3098/2006 en verordening ITC/643/2007 waren subsidiabele projecten onder meer: technische infrastructuur, het opzetten van technologieparken, overdracht van gespecialiseerde kennis, versterking en diversificatie van de plaatselijke economie, het opzetten van nieuwe industriële activiteiten, ontwikkeling van rijpe sectoren en het opzetten en uitbreiden van opkomende sectoren. De synthetischevezelindustrie kwam niet in aanmerking en de maatregel werd als initiële investering gekwalificeerd. |
|
(85) |
De Commissie is daarom van mening dat maatregel 2 voldoet aan de in de goedgekeurde steunmaatregelen N 101/2005 en XR/70/2007 genoemde criteria. |
|
(86) |
Daarnaast verbonden de Spaanse autoriteiten zich ertoe de maatregelen niet toe te passen nadat de geldigheid van de regelingen waarop zij waren gebaseerd was verstreken. De Commissie is daarom van oordeel dat de maatregelen 1 en 2 door die regelingen werden bestreken en derhalve met de gemeenschappelijke markt verenigbare steun moeten vormen. |
Maatregel 6
|
(87) |
De Commissie is van oordeel dat deze maatregel betreffende specifieke opleiding niet wordt bestreken door Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (26) en evenmin door de vorige verordening betreffende opleidingssteun, aangezien de maatregel geen betrekking heeft op „nieuwe werkgelegenheid” en hij ook aan grote ondernemingen ten goede komt. |
|
(88) |
De Commissie moet hem daarom rechtstreeks op basis van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag beoordelen. Steun om de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten te faciliteren kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. |
|
(89) |
De Commissie zal de verenigbaarheid van maatregel 6 beoordelen naar analogie (27) met de verordening betreffende opleidingssteun tussen 2006 en 1 augustus 2008 en met de algemene groepsvrijstellingsverordening van 29 augustus 2008 tot 31 december 2008. |
|
(90) |
De intensiteit van de steun voor specifieke opleiding bedroeg 19,96 % voor kmo’s en 20 % voor grote ondernemingen. De steunintensiteit bedraagt veel minder dan het maximum van 35 % dat in de verordening betreffende opleidingssteun is vastgelegd voor de aanvraag van opleidingssteun en dan het maximum van 25 % dat in artikel 39 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is vastgelegd. |
|
(91) |
Bovendien wijken de bedragen nauwelijks af van de algemene regels. De stijging hangt af van het aantal werknemers en van de premie die in het voorgaande jaar aan het socialeverzekeringsstelsel is betaald. De voorwaarden om voor toepassing van de maatregel in aanmerking te komen waren zeer restrictief, aangezien de ondernemingen een plan moesten opstellen dat door het paritair comité moest worden goedgekeurd (zie overweging 24). |
|
(92) |
Op 20 februari 2009 bevestigden de Spaanse autoriteiten dat in paragraaf I. 1.A c) van het textielplan al rekening werd gehouden met het extra stimulerende effect voor grote ondernemingen in de zin van artikel 8, lid 3, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Ondernemingen die in aanmerking wilden komen moesten dan ook bij de openbare dienst voor arbeidsvoorziening een omscholingsplan indienen waarin de doelstellingen op het gebied van de werkgelegenheid en de specifieke maatregelen werden uiteengezet. De openbare dienst voor arbeidsvoorziening controleerde of aan één of meer van de vereisten in het genoemde artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening werd voldaan. Dit plan bevatte een document waarin de doelstellingen op het gebied van de productiviteit en de instandhouding van de werkgelegenheid alsook de omvang van de investering in kwestie werden aangeduid. Het paritair comité bracht ook een verslag uit over het omscholingsplan dat door iedere onderneming of groep was ingediend. Op basis van de informatie die in het plan was vervat en het door de industriële waarnemingscentra ingediende verslag controleerde de lidstaat of aan de criteria voor het stimulerende effect voor grote ondernemingen was voldaan. |
|
(93) |
De Commissie moet concluderen dat het effect van de steun op de concurrentie en de handel zeer beperkt is. Zij is daarom van oordeel dat de maatregel de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De Commissie is derhalve van mening dat de maatregel op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. |
Maatregel 7
|
(94) |
Maatregel 7 wordt eveneens met staatsmiddelen toegekend en begunstigt kennelijk de sector. Wat de verenigbaarheid ervan betreft, lijkt deze maatregel niet in alle gevallen onder de toepassing te vallen van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 800/2008 (algemene groepsvrijstellingsverordening) of Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun (28), aangezien 37 van de in totaal 11 544 bedrijven die in 2007 in de sector actief waren, grote ondernemingen zijn en de maatregel geen gevolgen heeft voor nieuwe arbeidsplaatsen. Daarom wordt de maatregel beoordeeld op basis van artikel 87, lid 3, onder c) (29). |
|
(95) |
Staatssteun in de vorm van loonsubsidies die zijn bedoeld om de vraag naar benadeelde werknemers te vergroten „kan ondernemingen extra stimulansen geven om meer werknemers van deze categorie in dienst te nemen.” De betrokken werknemers vallen binnen de categorie van benadeelde werknemers doordat zij meer dan 50 jaar oud zijn. 76 % van de werknemers tussen 55 en 59 jaar oud had een lage opleiding en geringe vaardigheden, wat het hun onmogelijk maakte naar andere sectoren over te stappen indien zij werden ontslagen. Wat het aantal betrokken werknemers betreft, waren slechts 10 215 van de 123 574 werknemers in de sector in 2008 tussen 55 en 59 jaar oud en waren slechts 6 700 meer dan 5 jaar bij de onderneming in dienst met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit cijfer kwam overeen met 5,2 % van alle werknemers in de sector en de intensiteit van de maatregel voor de onderneming werd op 0,3 % van haar arbeidskosten geraamd, wat ver onder het in artikel 40 van de algemene groepsvrijstellingsverordening vastgelegde plafond van 50 % van de in aanmerking komende kosten ligt. Bovendien was de impact van de maatregel gering aangezien hij voornamelijk betrekking had op (74 %) micro-ondernemingen en het bedrag van de steun minimaal was (0,3 % van de arbeidskosten). Alhoewel de financiële impact voor de onderneming miniem was, vormde deze volgens de Spaanse autoriteiten een stimulans voor de onderneming om de werknemers in kwestie nog enkele jaren in dienst te houden in plaats van hen te ontslaan of hen in dienst te houden zonder hen aan te geven. De steun leek derhalve noodzakelijk, evenredig en goed gericht te zijn op de leeftijdsgroep van kwetsbare werknemers. |
|
(96) |
Wat de negatieve gevolgen van de steun betreft, zij erop gewezen dat de maatregel uitsluitend was gericht op de textiel- en kledingsector, een industriesector in verval met een verlies van 40 % van de werkgelegenheid sedert 2001. |
|
(97) |
Na de positieve en negatieve gevolgen tegen elkaar te hebben afgewogen, werd geconcludeerd dat de steun positieve effecten had omdat hij bedrijven — hoofdzakelijk micro-ondernemingen — stimuleert om hun werknemers die ouder dan 55 jaar zijn, aan te houden (in plaats van hen in dienst te houden zonder hen aan te geven), totdat zij de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, terwijl de concurrentievervalsing waarschijnlijk beperkt zou zijn gezien het zeer geringe bedrag van de steun. |
|
(98) |
Maatregel 7 is derhalve op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. |
8. CONCLUSIE
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
1. De door Spanje op grond van maatregelen 1 en 2 verleende steun, waarnaar in de overwegingen 11 tot en met 15 wordt verwezen, met betrekking tot een programma ter bevordering van het technisch onderzoek en een programma voor de herindustrialisering in de textiel- en kledingsector, werd bestreken door de goedkeuring van steunmaatregelen N 415/2004 en N 101/2005 en door de steunmaatregelen XS 50/2005 en XS 70/2007 en is derhalve geen staatssteun.
2. De maatregelen 3, 4 en 5, waarnaar in de overwegingen 16 tot en met 20 wordt verwezen, met betrekking tot preferentiële leningen die door ENISA voor de modernisering van kmo’s waren verstrekt, de door ICO verstrekte leningen met een preferentieel rentetarief en de bevordering van de uitvoer door ICEX, liggen onder het door de de-minimisverordening vastgelegde plafond en zijn derhalve geen staatssteun.
3. De door Spanje op grond van maatregelen 6 en 7 verleende steun, die in de overwegingen 21 tot en met 25 wordt beschreven, waardoor bijscholing voor werknemers wordt geboden en de werkgelegenheid voor oudere werknemers in de textiel- en kledingsector wordt behouden, zijn overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Spanje.
Gedaan te Brussel, 24 maart 2009.
Voor de Commissie
Neelie KROES
Lid van de Commissie
(1) PB C 239 van 11.10.2007, blz. 12.
(2) Beschikking C(2004) 4709 van de Commissie van 1 december 2004 inzake de maatregelen N 415/2004 „Bevordering van technologisch onderzoek in de textielsector (2005-2007)” (PB C 72 van 24.3.2006, blz. 2).
(3) Beschikking C(2005) 1532 van de Commissie van 18 mei 2005 „Steun voor de herstructurering” (PB C 235 van 23.9.2005, blz. 3).
(4) ENISA is een staatsbedrijf dat via het directoraat-generaal voor het beleid inzake kleine en middelgrote ondernemingen aan het ministerie van Industrie, Toerisme en Handel is gekoppeld.
(5) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5).
(6) Koninklijk besluit nr. 395/2007 van 23 maart 2007, verordening TAS 2307/2007 van het ministerie van Arbeid en Sociale Zaken van 27 juli 2007 en wet 51/2007 van 26 december 2007.
(7) Artikel 33, lid 4, onder d), van koninklijk besluit 1415/2004 van 11 juni 2004.
(8) Spaans staatsblad (B.O.E.) nr. 34 van 9 februari 2005.
(9) PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.
(10) PB L 169 van 21.7.2007, blz. 18.
(11) Wet inzake de algemene staatsbegroting, 27ste aanvullende bepaling.
(12) PB L 302 van 1.11.2006, blz. 29.
(13) Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33).
(14) Arrest van het Hof van Justitie van 5 oktober 1994 in zaak C-47/91, Italië tegen Commissie (Italgrani II), Jurispr. 1992, blz. I-4635.
(15) XS 50/2005 Programma ter bevordering van technisch onderzoek in de textiel- en kledingsector (PB C 19 van 26.1.2006, blz. 3).
(16) Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun (PB L 302 van 1.11.2006, blz. 29).
(17) PB C 169 van 21.7.2007, blz. 18.
(18) BOE nr. 242 van 10.10.2006.
(19) Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13).
(20) PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.
(21) Mededeling van de Commissie — Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2).
(22) PB L 10 van 13.1.2001, blz. 20.
(23) Zie ook Beschikking C 89/01 van de Commissie van 24 september 2002 betreffende een voorgenomen steunregeling van Duitsland „Richtsnoeren ter stimulering van kleine en middelgrote ondernemingen — Verbetering van de capaciteit van ondernemers in Saksen” (PB L 91 van 8.4.2003, blz. 13) en met name overweging 72 („steun ter compensatie van de kosten van de deelneming aan handelsbeurzen of van studies of adviesdiensten die noodzakelijk zijn voor het lanceren van een nieuw product of van een bestaand product op een nieuwe markt, […] in de regel geen exportsteun”).
(24) Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (PB C 54 van 4.3.2006, blz. 13).
(25) PB L 302 van 1.11.2006, blz. 29.
(26) PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3.
(27) Zie beschikking van de Commissie van 2 juni 2004 in zaak N 443/2003, Water van het secundaire circuit, België, (C(2004) 1356 definitief).
(28) PB L 337 van 13.12.2002, blz. 3.
(29) Zie de redenering in maatregel A2 in Beschikking van de Commissie N 244/2008, Spaans programma voor de schoeisel-, leerlooi- en leervervaardigingssector (PB C 52 van 5.3.2009, blz. 1).