|
ISSN 1725-2598 doi:10.3000/17252598.L_2009.164.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
52e jaargang |
|
|
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
|
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Commissie |
|
|
|
|
2009/492/EG |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is
VERORDENINGEN
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 550/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
53,0 |
|
MK |
21,6 |
|
|
TR |
82,5 |
|
|
ZZ |
52,4 |
|
|
0707 00 05 |
JO |
156,8 |
|
MK |
23,0 |
|
|
TR |
108,9 |
|
|
ZZ |
96,2 |
|
|
0709 90 70 |
TR |
103,7 |
|
ZZ |
103,7 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
66,2 |
|
BR |
104,3 |
|
|
TR |
54,9 |
|
|
ZA |
59,9 |
|
|
ZZ |
71,3 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
73,6 |
|
BR |
94,4 |
|
|
CL |
94,9 |
|
|
CN |
91,3 |
|
|
NZ |
108,0 |
|
|
US |
134,0 |
|
|
UY |
61,5 |
|
|
ZA |
77,5 |
|
|
ZZ |
91,9 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
232,3 |
|
US |
172,2 |
|
|
ZZ |
202,3 |
|
|
0809 20 95 |
TR |
323,9 |
|
US |
377,7 |
|
|
ZZ |
350,8 |
|
|
0809 30 |
TR |
147,8 |
|
US |
175,8 |
|
|
ZZ |
161,8 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 551/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende detergentia teneinde de bijlagen V en VI daarbij aan te passen (ontheffing voor oppervlakteactieve stoffen)
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia (1), en met name op artikel 13, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 648/2004 waarborgt het vrije verkeer van detergentia en oppervlakteactieve stoffen voor detergentia op de interne markt en biedt tegelijkertijd onder meer een hoog beschermingsniveau voor het milieu door de vaststelling van voorschriften voor de totale biologische afbreekbaarheid van oppervlakteactieve stoffen die in detergentia worden gebruikt. |
|
(2) |
Bovendien bevatten de artikelen 5, 6 en 9 van die verordening een mechanisme dat ervoor zorgt dat voor oppervlakteactieve stoffen die niet aan bovengenoemd voorschrift voor totale biologische afbreekbaarheid voldoen, een ontheffing kan worden verleend voor specifieke industriële of institutionele toepassingen, mits het weinig verspreide toepassingen betreft en de eraan verbonden risico’s voor het milieu klein zijn in vergelijking met de sociaaleconomische voordelen. |
|
(3) |
In de verordening is bepaald dat het risico voor het milieu moet worden bepaald met een aanvullende risicobeoordeling, als beschreven in bijlage IV, die door de fabrikant van de oppervlakteactieve stof wordt uitgevoerd en ter beoordeling bij de bevoegde autoriteit van een lidstaat wordt ingediend. |
|
(4) |
Oppervlakteactieve stoffen waarvoor ontheffing is verleend, moeten in bijlage V bij de verordening worden opgenomen. Oppervlakteactieve stoffen waarvoor ontheffing is geweigerd, moeten in bijlage VI bij de verordening worden opgenomen. |
|
(5) |
De ontheffingen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2). |
|
(6) |
Er is ontheffing aangevraagd voor de oppervlakteactieve stof met de IUPAC (3)-naam „alcoholen, Guerbet, C16-20, geëthoxyleerd, n-butylether (7-8EO)”, ook bekend onder de handelsnaam „Dehypon G 2084”, met het CAS (4) -nummer 147993-59-7, voor drie industriële toepassingen, namelijk: flessenreiniging, cleaning-in-place en metaalreiniging. |
|
(7) |
De ontheffingsaanvraag is volgens de procedure van artikel 5 van de verordening door de Duitse bevoegde autoriteit beoordeeld. De aanvraag bleek aan de drie voorwaarden in artikel 6 te voldoen. Ten eerste zijn de drie genoemde toepassingen weinig verspreid. Ten tweede betreft het specifieke industriële toepassingen. En ten derde is er geen risico voor het milieu aangezien de oppervlakteactieve stof zelf geen risico vormt en de metabolieten niet moeilijk afbreekbaar zijn. |
|
(8) |
De drie genoemde toepassingen werden beschouwd als weinig verspreid gezien het totale jaarverbruik van de oppervlakteactieve stof en omdat de oppervlakteactieve stof uitsluitend in specifieke soorten industriële installaties wordt gebruikt. |
|
(9) |
De conclusie dat er geen risico voor het milieu is, berust op het hoge niveau van snelle primaire biologische afbreekbaarheid van de oppervlakteactieve stof en op de totale biologische afbreekbaarheid van de metabolieten van de oppervlakteactieve stof. De metabolieten voldoen bijgevolg aan dezelfde criteria als de oppervlakteactieve stoffen waarvoor de verordening het vrije verkeer op de interne markt waarborgt. |
|
(10) |
Niettemin heeft het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de wetgeving tot opheffing van de technische handelsbelemmeringen in de sector detergentia besloten de ontheffing tot een termijn van tien jaar te beperken teneinde te bevorderen dat oppervlakteactieve stoffen met soortgelijke prestaties worden ontwikkeld die wel aan de criteria voor totale afbreekbaarheid voldoen, zodat daarvoor geen ontheffing nodig is. |
|
(11) |
In het verleden werd in de Gemeenschap aan stoffen hetzij een Einecs-nummer, hetzij een Elincs-nummer toegekend. Daarnaast zijn er NLP-nummers („No-Longer Polymer”) toegekend aan zo’n 700 stoffen die oorspronkelijk tot de polymeren werden gerekend, maar nadien als niet-polymeren zijn erkend. Deze Einecs-, Elincs- en NLP-nummers worden nu collectief aangeduid als „EG-nummers” en de desbetreffende kopjes in de tabellen in de bijlagen V en VI moeten aan deze nieuwe benaming worden aangepast. |
|
(12) |
De bijlagen V en VI bij Verordening (EG) nr. 648/2004 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(13) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité detergentia, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EG) nr. 648/2004 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage V wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening. |
|
2) |
Bijlage VI wordt vervangen door bijlage II bij deze verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vicevoorzitter
(1) PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1.
(2) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(3) International Union of Pure and Applied Chemistry.
(4) Chemical Abstracts Service.
BIJLAGE I
„BIJLAGE V
LIJST VAN OPPERVLAKTEACTIEVE STOFFEN WAARVOOR ONTHEFFING IS VERLEEND
De volgende oppervlakteactieve stoffen in detergentia, die wel aan de eisen van de in bijlage II genoemde tests, maar niet aan die van de in bijlage III genoemde tests voldoen, mogen op grond van een overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 en volgens de procedure van artikel 12, lid 2, verleende ontheffing, in de handel worden gebracht en behoudens onderstaande beperkingen worden gebruikt.
|
Naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC |
EG-nummer |
CAS-nummer |
Beperkingen |
||||||
|
Alcoholen, Guerbet, C16-20, geëthoxyleerd, n-butylether (7-8EO) |
Geen (polymeer) |
147993-59-7 |
Mag tot 27 juni 2019 voor de volgende industriële toepassingen worden gebruikt:
|
Met „EG-nummer” wordt het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer bedoeld; dit is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie.
De Einecs is de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen. Deze inventaris bevat de definitieve lijst van alle stoffen die geacht werden op 18 september 1981 in de Gemeenschap in de handel te zijn. Het Einecs-nummer is te vinden in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (1).
De Elincs is de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennis is gegeven. Het Elincs-nummer is te vinden in de European List of Notified Chemical Substances, zoals gewijzigd (2).
„NLP” staat voor No-Longer Polymer. Het begrip „polymeer” is gedefinieerd in artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3). Het NLP-nummer is te vinden in de lijst van „No-Longer Polymers”, zoals gewijzigd (4).
(1) PB C 146 A van 15.6.1990, blz. 1.
(2) Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2006, ISSN 1018-5593 EUR 22543 EN.
(3) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, gerectificeerd in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.
(4) Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2007, ISSN 1018-5593 EUR 20853 EN/3.”
BIJLAGE II
„BIJLAGE VI
LIJST VAN OPPERVLAKTEACTIEVE STOFFEN IN DETERGENTIA DIE VERBODEN ZIJN OF AAN BEPERKINGEN ONDERWORPEN ZIJN
Van de volgende oppervlakteactieve stoffen in detergentia is vastgesteld dat ze niet aan de bepalingen van deze verordening voldoen:
|
Naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC |
EG-nummer |
CAS-nummer |
Beperkingen |
|
|
|
|
|
Met „EG-nummer” wordt het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer bedoeld; dit is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie.”
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/7 |
VERORDENING (EG) Nr. 552/2009 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2009
tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name op artikel 131,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (2) zijn beperkingen ten aanzien van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten opgenomen. Verordening (EG) nr. 1907/2006 komt met ingang van 1 juni 2009 in de plaats van Richtlijn 76/769/EEG, die op die datum wordt ingetrokken. Bijlage XVII bij die verordening komt in de plaats van bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG. |
|
(2) |
Artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bepaalt dat stoffen, mengsels en voorwerpen waarvoor in bijlage XVII bij die verordening een beperking is opgenomen, niet vervaardigd, in de handel gebracht of gebruikt mogen worden tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. |
|
(3) |
Richtlijn 2006/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot dertigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad (perfluoroctaansulfonaten (PFOS)) (3) en Richtlijn 2006/139/EG van de Commissie van 20 december 2006 tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat de beperking van het in de handel brengen en het gebruik van arseenverbindingen betreft met het oog op de aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang (4), waarbij bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG gewijzigd werd, zijn kort voor de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in december 2006 goedgekeurd, maar de desbetreffende wijzigingen zijn nog niet in bijlage XVII bij die verordening opgenomen. Bijlage XVII moet dus worden gewijzigd om daar de beperkingen uit de Richtlijnen 2006/122/EG en 2006/139/EG in op te nemen, aangezien die beperkingen anders op 1 juni 2009 komen te vervallen. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 137, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt elke wijziging van de goedgekeurde beperkingen krachtens Richtlijn 76/769/EEG vanaf 1 juni 2007 met ingang van 1 juni 2009 opgenomen in Verordening (EG) nr. 1907/2006. |
|
(5) |
Richtlijn 2007/51/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen (5) is op 25 september 2007 goedgekeurd. Beschikking nr. 1348/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van 2-(2-methoxyethoxy)ethanol, 2-(2-butoxyethoxy)ethanol, methyleendifenyldiisocyanaat, cyclohexaan en ammoniumnitraat (6) is op 16 december 2008 goedgekeurd. De desbetreffende beperkingen zijn nog niet in bijlage XVII bij de verordening opgenomen. Bijlage XVII moet dus worden gewijzigd om daarin de beperkingen betreffende bepaalde kwikhoudende meettoestellen krachtens Richtlijn 2007/51/EG en de beperkingen ten aanzien van 2-(2-methoxyethoxy)ethanol, 2-(2-butoxyethoxy)ethanol, methyleendifenyldiisocyanaat, cyclohexaan en ammoniumnitraat krachtens Beschikking nr. 1348/2008/EG op te nemen. |
|
(6) |
Er moet rekening worden gehouden met de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (7). |
|
(7) |
Aangezien de bepalingen van titel VIII van Verordening (EG) nr. 1907/2006, en met name bijlage XVII, met ingang van 1 juni 2009 rechtstreeks toepasselijk zijn, moeten de beperkingen duidelijk worden geformuleerd, zodat de marktdeelnemers en de handhavingsinstanties ze correct kunnen toepassen. Daarom moet de tekst van de beperkingen worden herzien. De terminologie van de verschillende vermeldingen moet geharmoniseerd worden en meer in overeenstemming worden gebracht met de definities in Verordening (EG) nr. 1907/2006. |
|
(8) |
Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (pcb’s/pct’s) (8) schrijft voor dat apparaten die pcb’s en pct’s bevatten, zo spoedig mogelijk gereinigd of verwijderd moeten worden en bevat de voorschriften voor de reiniging van apparaten die die stoffen bevatten. In de vermelding in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende pct’s dient daarom geen bepaling te staan over apparaten die pct’s bevatten; dat is immers al volledig bij Richtlijn 96/59/EG geregeld. |
|
(9) |
De bestaande beperkingen voor de stoffen 2-naftylamine, benzidine, 4-nitrobifenyl en 4-aminobifenyl zijn dubbelzinnig, aangezien niet duidelijk is of het verbod alleen de levering aan het grote publiek of ook de levering aan professionele gebruikers betreft. Dit moet worden verduidelijkt. Daar Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (9) het produceren, vervaardigen en gebruiken van die stoffen op het werk verbiedt, moeten de beperkingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende die stoffen met Richtlijn 98/24/EG in overeenstemming zijn. |
|
(10) |
De stoffen tetrachloorkoolstof en 1,1,1-trichloorethaan zijn krachtens Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (10) aan strenge beperkingen onderworpen. In Verordening (EG) nr. 2037/2000 is voor tetrachloorkoolstof een verbod met uitzonderingen en voor 1,1,1-trichloorethaan een totaalverbod vastgelegd. De beperkingen ten aanzien van tetrachloorkoolstof en 1,1,1-trichloorethaan in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn derhalve overbodig en moeten worden geschrapt. |
|
(11) |
Aangezien kwik in batterijen is geregeld bij Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s (11) zijn de huidige bepalingen voor kwik in batterijen en accu’s in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 overbodig en moeten zij worden geschrapt. |
|
(12) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn afvalstoffen geen stof, mengsel of voorwerp in de zin van artikel 3 van die verordening. Daar afvalstoffen niet onder de beperkingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006 vallen, zijn de bepalingen in bijlage XVII bij die verordening waarbij afvalstoffen worden uitgezonderd, overbodig en moeten zij worden geschrapt. |
|
(13) |
Een aantal beperkingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet worden gewijzigd in verband met de definitie van „gebruik” en „in de handel brengen” in artikel 3 van die verordening. |
|
(14) |
De vermelding betreffende asbestvezels in bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG bevat een uitzondering voor membranen die chrysotiel bevatten. Gepreciseerd moet worden dat deze uitzondering zal worden geëvalueerd na ontvangst van de verslagen die de lidstaten die van deze uitzonderingsregeling gebruikmaken, moeten indienen. Bovendien moeten de lidstaten, gezien de definitie van „in de handel brengen” in Verordening (EG) nr. 1907/2006, de mogelijkheid hebben om het in de handel brengen van bepaalde voorwerpen die dergelijke vezels bevatten en al vóór 1 januari 2005 geïnstalleerd of in bedrijf waren, toe te staan onder bepaalde voorwaarden waardoor een hoog beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid gewaarborgd is. |
|
(15) |
Voor stoffen die in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn opgenomen omdat hiervoor beperkingen waren vastgesteld in Richtlijn 76/769/EEG (de vermeldingen 1 tot en met 58) moet worden gepreciseerd dat de beperkingen niet gelden voor de opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten of overbrenging van de ene recipiënt naar de andere van die stoffen met het oog op uitvoer, tenzij de vervaardiging van die stoffen verboden is. |
|
(16) |
In Verordening (EG) nr. 1907/2006 is de term „voorwerp” gedefinieerd, wat in Richtlijn 76/769/EEG niet het geval was. Om ervoor te zorgen dat de beperking ten aanzien van cadmium hetzelfde omvat als de oorspronkelijke beperking, moet in sommige bepalingen de term „mengsels” worden toegevoegd. |
|
(17) |
Gepreciseerd moet worden dat de beperkingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende het in de handel brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen niet gelden voor toestellen die al in de Gemeenschap in gebruik waren op het tijdstip dat de beperkingen in werking traden. |
|
(18) |
In de vermeldingen in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor de stoffen difenylether, pentabroomderivaat, en difenylether, octabroomderivaat, moet worden bepaald dat de beperkingen niet gelden voor voorwerpen die al in gebruik waren op het tijdstip waarop de beperking voor die stoffen inging, aangezien die stoffen zijn verwerkt in voorwerpen met een lange levensduur die op de tweedehandsmarkt worden verkocht, zoals vliegtuigen en voertuigen. Aangezien voorts het gebruik van die stoffen in elektrische en elektronische apparatuur is geregeld in Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (12), gelden de beperkingen niet voor dergelijke apparatuur. |
|
(19) |
In de beperking voor nonylfenol en nonylfenolethoxylaten moet worden aangegeven dat de bestaande nationale toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden die nonylfenolethoxylaten als co-formulant bevatten, onverlet blijven, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2003/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 houdende zesentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende beperkingen op het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement) (13). |
|
(20) |
Gepreciseerd moet worden dat de beperking in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende perfluoroctaansulfonaten niet geldt voor producten die al in de Gemeenschap in gebruik waren op het tijdstip dat de beperking in werking trad. |
|
(21) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
De verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2009.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vicevoorzitter
(1) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201.
(3) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 32.
(4) PB L 384 van 29.12.2006, blz. 94.
(5) PB L 257 van 3.10.2007, blz. 13.
(6) PB L 348 van 24.12.2008, blz. 108.
(7) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(8) PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31.
(9) PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.
(10) PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1.
(11) PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.
BIJLAGE
Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
De titel komt als volgt te luiden: „Beperkingen op de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen, mengsels en voorwerpen”. |
|
2. |
De tabel met de benaming van de stoffen, groepen van stoffen en mengsels en de beperkingsvoorwaarden wordt als volgt vervangen: „Voor stoffen die in deze bijlage zijn opgenomen omdat hiervoor beperkingen waren vastgesteld in Richtlijn 76/769/EEG (de vermeldingen 1 tot en met 58) gelden de beperkingen niet voor de opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten of overbrenging van de ene recipiënt naar de andere van die stoffen met het oog op uitvoer, tenzij de vervaardiging van die stoffen verboden is.
|
|
3) |
In de aanhangsels 1 tot en met 6 komt het voorwoord als volgt te luiden: „VOORWOORD Toelichting bij de hoofdjes van de kolommen Naam van de stof: De naam komt overeen met de internationale chemische identificatie in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006. Stoffen zijn zo veel mogelijk onder hun Iupac-naam opgenomen. Stoffen die in Einecs (Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen), Elincs (Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan) of de lijst van „no-longer polymers” staan, zijn onder de in de desbetreffende lijst gebruikte naam opgenomen. Soms zijn andere namen, zoals gangbare of triviale namen, vermeld. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn zo veel mogelijk onder hun ISO-naam opgenomen. Groepsvermeldingen: In deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn een aantal groepsvermeldingen opgenomen. In dat geval gelden de indelingsvoorschriften voor alle stoffen die onder de beschrijving vallen. In sommige gevallen zijn er indelingsvoorschriften voor specifieke stoffen die onder de groepsvermelding zouden vallen. In dat geval wordt de stof afzonderlijk in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 opgenomen en wordt in de groepsvermelding de volgende zin toegevoegd: „met uitzondering van stoffen die elders in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 vermeld zijn.”. In sommige gevallen kunnen bepaalde stoffen onder meer dan één groepsvermelding vallen. In dat geval moet de indeling van de stof voldoen aan de indelingsvoorschriften voor beide groepsvermeldingen. Indien voor hetzelfde gevaar verschillende indelingen zijn gegeven, geldt de strengste indeling. Catalogusnummer: Het catalogusnummer is de in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 gebruikte identificatiecode. In het aanhangsel worden de stoffen volgens dit catalogusnummer gerangschikt. EG-nummers: Het EG-nummer (d.w.z. het Einecs-, Elincs- of NLP-nummer) is het officiële nummer van de stof in de Europese Unie. Het Einecs-nummer is te vinden in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs). Het Elincs-nummer is te vinden in de Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan. Het NLP-nummer is te vinden in de lijst van „no-longer-polymers”. Deze lijsten worden door het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen uitgebracht. Het EG-nummer bestaat uit zeven cijfers in het formaat XXX-XXX-X, met als eerste nummer 200-001-8 (Einecs), 400-010-9 (Elincs) respectievelijk 500-001-0 (NLP). Het staat vermeld in de kolom „EG-nummer”. CAS-nummer: Het CAS-nummer (het nummer van de Chemical Abstracts Service) wordt vermeld om identificatie van de stof te vergemakkelijken.
De volledige tekst van de noten is te vinden in deel 1 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008. De voor deze verordening van toepassing zijnde noten zijn:
|
|
4) |
In de vermeldingen in de aanhangsels 1, 2, 3, 5 en 6 worden in de kolom „Opmerkingen” de verwijzingen naar de noten E, H en S geschrapt. |
|
5) |
In aanhangsel 1 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 28 — Kankerverwekkende stoffen: categorie 1A (tabel 3.1)/categorie 1 (tabel 3.2)”. |
|
6) |
Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
7) |
In aanhangsel 3 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 29 — Mutagene stoffen: categorie 1A (tabel 3.1)/categorie 1 (tabel 3.2)”. |
|
8) |
In aanhangsel 4 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 29 — Mutagene stoffen: categorie 1B (tabel 3.1)/categorie 2 (tabel 3.2)”. |
|
9) |
In aanhangsel 5 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 30 — Voor de voortplanting giftige stoffen: categorie 1A (tabel 3.1)/categorie 1 (tabel 3.2)”. |
|
10) |
In aanhangsel 6 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 30 — Voor de voortplanting giftige stoffen: categorie 1B (tabel 3.1)/categorie 2 (tabel 3.2)”. |
|
11) |
In aanhangsel 8 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 43 — Azokleurstoffen — Lijst van aromatische amines”. |
|
12) |
In aanhangsel 9 komt de titel als volgt te luiden: „Vermelding 43 — Azokleurstoffen — Lijst van azokleurstoffen”. |
|
13) |
Aanhangsel 10 wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) PB L 256 van 7.9.1987, blz. 42.
(*2) PB L 147 van 9.6.1975, blz. 40.
(*3) PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19.
(*4) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(*5) PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.
(*6) PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1.
(*7) PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.
(*8) PB L 104 van 8.4.2004, blz. 1.
(*9) PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18.
(*10) PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1.
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/32 |
VERORDENING (EG) Nr. 553/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
betreffende de opening van een specifieke openbare inschrijving voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO”-verordening) (1), en met name op artikel 43, onder f), juncto artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 127/2009 van de Commissie van 12 februari 2009 tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de betaalorganen of interventiebureaus (2) is bepaald dat de verkoop van graan dat in het bezit is van het interventiebureau, bij inschrijving plaatsvindt tegen prijzen waarmee verstoring van de markt kan worden voorkomen. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 712/2007 van de Commissie (3) zijn voor het verkoopseizoen 2007/2008 permanente openbare inschrijvingen geopend voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van graan dat in het bezit is van de interventiebureaus van de lidstaten. Om ervoor te zorgen dat de veehouders en de diervoederindustrie zich in de eerste maanden van het verkoopseizoen 2008/2009 tegen concurrerende prijzen konden bevoorraden, is die verordening gewijzigd in die zin dat de biedingen voor de deelinschrijvingen konden worden ingediend tot en met 17 december 2008. |
|
(3) |
Bij het begin van het verkoopseizoen 2007/2008 bedroegen de communautaire interventievoorraden 2,46 miljoen ton, waarvan 2,23 miljoen ton mais. Tijdens dat verkoopseizoen werden in het kader van de inschrijving op grond van Verordening (EG) nr. 712/2007 relatief grote interventiehoeveelheden verkocht, vooral mais. |
|
(4) |
Als gevolg van de sinds midden september 2008 geldende marktvoorwaarden, met name wat de prijs betreft, hebben de marktdeelnemers evenwel geen biedingen meer ingediend, en op 31 oktober 2008 was er nog ongeveer 16 000 ton interventiemais beschikbaar. Deze oude voorraden (vooral uit de oogsten van 2004 en 2005) zullen concurreren met de communautaire mais van de overvloedige oogst van 2008, waarvoor de verkoopprijzen reeds op 31 oktober 2008 onder de interventieprijs lagen. Gezien deze situatie moet deze voorraad ter beschikking worden gesteld voor gebruik op de interne markt. |
|
(5) |
In artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 127/2009 is bepaald dat, wanneer verstoringen blijken op te treden in het functioneren van de gemeenschappelijke ordening der markten, met name doordat het moeilijk is om in een bepaald verkoopseizoen graan te verkopen tegen prijzen die in overeenstemming zijn met de prijzen waarin lid 1 van dat artikel voorziet, de verkoop op de markt van de Gemeenschap kan worden georganiseerd op basis van specifieke inschrijvingen onder bijzondere condities. Dat de mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit van het Hongaarse interventiebureau is, al zo lang is opgeslagen, vormt, in combinatie met de momenteel in Hongarije genoteerde marktprijzen voor mais, een bijzondere omstandigheid die de opening rechtvaardigt van een specifieke openbare inschrijving voor de verkoop van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 tegen prijzen die misschien lager zullen liggen dan de interventieprijs. |
|
(6) |
Bovendien zijn op de markt van de Gemeenschap grote prijsschommelingen geconstateerd. Deze verschillen zouden ertoe kunnen leiden dat de marktdeelnemers aan wie in het kader van deze inschrijving wordt gegund, de gegunde partijen niet afhalen. De zekerheid van 5 EUR per ton waarin is voorzien in artikel 5, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 127/2009, volstaat dus wellicht niet om die afhaling te garanderen. Om die situatie te voorkomen en de in het kader van deze verordening gehouden inschrijving efficiënt te laten verlopen, moet die zekerheid worden verhoogd om de risico’s te beperken. |
|
(7) |
Gelet op de situatie van de markt van de Gemeenschap is het wenselijk te bepalen dat de inschrijving door de Commissie moet worden beheerd. Voorts moet voor biedingen tegen de minimumverkoopprijs een toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld. |
|
(8) |
Met het oog op een efficiënt beheer van de regeling moet worden bepaald dat de door de Commissie gevraagde gegevens elektronisch moeten worden verstrekt. In de mededeling van het interventiebureau aan de Commissie mag de identiteit van de inschrijvers niet worden bekendgemaakt. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Hongaarse interventiebureau gaat, via inschrijving, over tot de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in zijn bezit is.
Artikel 2
1. De in artikel 1 bedoelde verkoop vindt plaats overeenkomstig de bij Verordening (EG) nr. 127/2009 vastgestelde voorwaarden.
2. In afwijking van artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 127/2009 kan de minimale verkoopprijs lager liggen dan de interventieprijs, vermeerderd met een maandelijkse verhoging.
3. In afwijking van artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 127/2009 wordt de zekerheid voor de biedingen vastgesteld op 10 EUR per ton.
Artikel 3
1. De termijn voor het indienen van biedingen voor de eerste deelinschrijving verstrijkt op 30 juni 2009 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).
Voor de volgende deelinschrijvingen verstrijkt deze termijn op de onderstaande woensdagen om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel):
|
— |
15 juli 2009, |
|
— |
5 en 26 augustus 2009, |
|
— |
9 en 23 september 2009, |
|
— |
14 en 28 oktober 2009, |
|
— |
11 en 25 november 2009, |
|
— |
2 en 16 december 2009. |
2. De biedingen moeten worden ingediend bij het Hongaarse interventiebureau
|
Artikel 4
Het betrokken interventiebureau stelt de Commissie uiterlijk vier uur na het verstrijken van de termijn die in artikel 3, lid 1, voor de indiening van de biedingen is vastgesteld, in kennis van de ontvangen biedingen. Als geen biedingen zijn ingediend, meldt de betrokken lidstaat dat binnen dezelfde termijn aan de Commissie. Als de lidstaat binnen de voorgeschreven termijn geen mededeling heeft gedaan aan de Commissie, gaat deze laatste ervan uit dat in de betrokken lidstaat geen biedingen zijn ingediend.
De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden elektronisch meegedeeld met gebruikmaking van het formulier volgens het model in bijlage. De identiteit van de inschrijvers moet geheim blijven.
Artikel 5
1. Overeenkomstig de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure stelt de Commissie de minimumverkoopprijs voor mais vast of besluit zij aan de ontvangen biedingen geen gevolg te geven.
2. Als de vaststelling van een minimumverkoopprijs overeenkomstig lid 1 tot gevolg zou hebben dat de beschikbare maximumhoeveelheid wordt overschreden, kan tegelijk ook een toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld voor de hoeveelheden waarvoor de minimumprijs is geboden, zodat de beschikbare maximumhoeveelheid in acht wordt genomen.
Artikel 6
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
BIJLAGE
Mededeling aan de Commissie van de gegevens betreffende de in het kader van de specifieke openbare inschrijving ontvangen biedingen voor de verkoop op de markt van de Gemeenschap van mais van vroegere oogsten dan die van het verkoopseizoen 2007/2008 die in het bezit is van het Hongaarse interventiebureau
Model (*1)
(Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 553/2009)
|
1 |
2 |
3 |
4 |
|
Volgnummer van de inschrijvers |
Nummer van de partij |
Hoeveelheid (ton) |
In de bieding opgenomen prijs (euro/ton) |
|
1 |
|
|
|
|
2 |
|
|
|
|
3 |
|
|
|
|
enz. |
|
|
|
|
Gelieve de totale hoeveelheden van de biedingen te vermelden (inclusief de afgewezen biedingen voor eenzelfde partij): … ton. |
|||
(*1) Te sturen naar DG AGRI (D2).
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/35 |
VERORDENING (EG) nr. 554/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2597/2001 wat betreft tariefcontingenten voor bepaalde wijnen van oorsprong uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 153/2002 van de Raad van 21 januari 2002 betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, en de interimovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (1), en met name op artikel 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (2) is op 18 februari 2008 ondertekend. Het is bij Besluit 2008/438/EG, Euratom van de Raad en de Commissie (3) namens de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de lidstaten goedgekeurd en wordt sinds 1 januari 2007 op voorlopige basis toegepast. |
|
(2) |
Artikel 5 van het protocol en bijlage VIII daarbij voorzien in wijzigingen van de bestaande tariefcontingenten voor bepaalde wijnen in verpakkingen van meer dan 2 liter, van oorsprong uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, met ingang van 1 januari 2007. |
|
(3) |
Teneinde de in het protocol vastgestelde tariefcontingenten voor wijn ten uitvoer te leggen, dient Verordening (EG) nr. 2597/2001 van de Commissie van 28 december 2001 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde wijnen van oorsprong uit de Republiek Kroatië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (4) te worden gewijzigd. |
|
(4) |
De Taric-onderverdelingen van bepaalde GN-posten (gecombineerde nomenclatuur) zijn met ingang van 1 juli 2007 gewijzigd. De Taric-onderverdelingen van deze GN-posten in deel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2597/2001 dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. |
|
(5) |
Aangezien het protocol vanaf 1 januari 2007 van toepassing is, moet deze verordening ook vanaf die datum van toepassing zijn en onmiddellijk in werking treden. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Deel II van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2597/2001 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
László KOVÁCS
Lid van de Commissie
(1) PB L 25 van 29.1.2002, blz. 16.
(2) PB L 99 van 10.4.2008, blz. 2.
BIJLAGE
„DEEL II: VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REPUBLIEK MACEDONIË
|
Volgnummer |
GN-code |
Taric-onderverdeling |
Omschrijving |
Omvang van het jaarlijkse contingent (in hl) |
Contingentrecht |
|
09.1558 |
ex 2204 10 19 |
98 (1) |
Mousserende wijn, andere dan Champagne of Asti spumante Andere wijn van verse druiven, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l |
49 000 (2) |
Vrij |
|
ex 2204 10 99 |
98 (1) |
||||
|
2204 21 10 |
|
||||
|
ex 2204 21 79 |
79 , 80 |
||||
|
ex 2204 21 80 |
79 , 80 |
||||
|
ex 2204 21 84 |
59 , 70 |
||||
|
ex 2204 21 85 |
79 , 80 |
||||
|
ex 2204 21 94 |
20 |
||||
|
ex 2204 21 98 |
20 |
||||
|
ex 2204 21 99 |
10 |
||||
|
09.1559 |
2204 29 10 |
|
Andere wijn van verse druiven, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l |
350 000 (3) |
Vrij |
|
2204 29 65 |
|
||||
|
ex 2204 29 75 |
10 |
||||
|
2204 29 83 |
|
||||
|
ex 2204 29 84 |
20 |
||||
|
ex 2204 29 94 |
20 |
||||
|
ex 2204 29 98 |
20 |
||||
|
ex 2204 29 99 |
10 |
(1) Deze Taric-onderverdeling is van toepassing vanaf 1 juli 2007.
(2) Vanaf 1 januari 2008 wordt de omvang van dit contingent jaarlijks verhoogd met 6 000 hl.
(3) Vanaf 1 januari 2008 wordt de omvang van dit contingent jaarlijks verlaagd met 6 000 hl.”
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/37 |
VERORDENING (EG) Nr. 555/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 318/2007 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name op artikel 10, lid 3, tweede alinea, en artikel 10, lid 4, eerste alinea,
Gelet op Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (2), en met name op artikel 18, lid 1, vierde streepje,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 318/2007 van de Commissie (3) stelt de veterinairrechtelijke voorschriften vast voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee, in de Gemeenschap en de desbetreffende quarantainevoorschriften die na invoer voor deze vogels gelden. |
|
(2) |
Bijlage V bij die verordening bevat een lijst van de quarantainevoorzieningen en -stations die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn erkend voor de invoer van bepaalde vogels, met uitzondering van pluimvee. |
|
(3) |
Duitsland en Slowakije hebben hun erkende quarantainevoorzieningen of -stations aan een herziening onderworpen en hebben de Commissie een bijgewerkte lijst daarvan toegestuurd. De lijst van erkende quarantainevoorzieningen en -stations in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 318/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Verordening (EG) nr. 318/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage V bij Verordening (EG) nr. 318/2007 wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
In het deel betreffende Duitsland wordt de volgende vermelding geschrapt:
|
|
2. |
Na het deel betreffende Portugal wordt de volgende vermelding toegevoegd voor Slowakije:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Androulla VASSILIOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/38 |
VERORDENING (EG) Nr. 556/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
betreffende de toewijzing van rechten tot invoer voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 geopende tariefcontingent voor bevroren rundvlees
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 431/2008 van de Commissie van 19 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 (3) is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector rundvlees. |
|
(2) |
De aanvragen voor rechten tot invoer die voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 zijn ingediend, hebben betrekking op een hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheden overschrijdt. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de rechten tot invoer kunnen worden toegewezen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Op de aanvragen voor rechten tot invoer die in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 vastgestelde contingent met het volgnummer 09.4003 zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 29,943487 %.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/39 |
VERORDENING (EG) Nr. 557/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
betreffende de toewijzing van rechten tot invoer voor aanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 412/2008 geopende tariefcontingenten voor bevroren rundvlees, bestemd voor verwerking
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 412/2008 van de Commissie van 8 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (3) is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector rundvlees. |
|
(2) |
De aanvragen voor rechten tot invoer die voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 zijn ingediend, hebben betrekking op hoeveelheden die de beschikbare hoeveelheden overschrijden voor de rechten in het kader van het contingent met volgnummer 09.4057. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de rechten tot invoer kunnen worden toegewezen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Op de aanvragen voor rechten tot invoer die op grond van Verordening (EG) nr. 412/2008 zijn ingediend voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 18,957513 % voor de rechten tot invoer in het kader van het contingent met volgnummer 09.4057.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/40 |
VERORDENING (EG) Nr. 558/2009 VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 945/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2008/2009
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2008/2009 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 945/2008 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 514/2009 van de Commissie (4). |
|
(2) |
Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 951/2006 te worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bij Verordening (EG) nr. 951/2006 voor het verkoopseizoen 2008/2009 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 945/2008 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 26 juni 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
(2) PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.
BIJLAGE
Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 26 juni 2009
|
(EUR) |
||
|
GN-code |
Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product |
Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product |
|
1701 11 10 (1) |
30,00 |
2,29 |
|
1701 11 90 (1) |
30,00 |
6,53 |
|
1701 12 10 (1) |
30,00 |
2,15 |
|
1701 12 90 (1) |
30,00 |
6,10 |
|
1701 91 00 (2) |
30,72 |
9,87 |
|
1701 99 10 (2) |
30,72 |
5,35 |
|
1701 99 90 (2) |
30,72 |
5,35 |
|
1702 90 95 (3) |
0,31 |
0,34 |
(1) Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.
(2) Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.
(3) Vaststelling per procent sacharose.
RICHTLIJNEN
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/42 |
RICHTLIJN 2009/49/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 18 juni 2009
tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 44, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In de conclusies van het voorzitterschap heeft de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 onderstreept dat terugdringing van de administratieve lasten een belangrijk middel is om de Europese economie te doen opleven, vooral wegens de potentiële voordelen ervan voor de kleine en middelgrote ondernemingen. Tevens werd benadrukt dat de zowel de Europese Unie als de lidstaten een krachtige gezamenlijke inspanning moeten leveren om de administratieve lasten te verminderen. |
|
(2) |
Financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen zijn aangewezen als gebieden waarop de administratieve lasten voor vennootschappen in de Gemeenschap kunnen worden verminderd. |
|
(3) |
In de mededeling van de Commissie van 10 juli 2007 over een vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen zijn noodzakelijke wijzigingen vastgesteld van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (3) en Zevende Richtlijn 83/349/EEG van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (4). Er ging bijzondere aandacht uit naar het verder verlichten van de lasten inzake financiële verslaggeving voor kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
(4) |
In het verleden zijn verschillende wijzigingen doorgevoerd, zodat ondernemingen die onder het toepassingsgebied van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG vallen, verslagleggingsmethoden kunnen gebruiken die in overeenstemming zijn met de International Financial Reporting Standards (IFRS). Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (5) moeten ondernemingen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat, hun geconsolideerde jaarrekening opstellen volgens de IFRS en bijgevolg zijn zij vrijgesteld van de meeste verplichtingen van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG. Deze richtlijnen vormen echter nog steeds de grondslag voor de financiële verslaggeving van kleine en middelgrote ondernemingen in de Gemeenschap. |
|
(5) |
Kleine en middelgrote ondernemingen zijn vaak onderworpen aan dezelfde regelgeving als grotere ondernemingen, doch hun specifieke behoeften op het gebied van financiële verslaggeving zijn amper geanalyseerd. Met name het toenemende aantal informatieverplichtingen zorgt bij deze ondernemingen voor problemen. Uitgebreide regelgeving inzake financiële verslaggeving vormt een financiële last die een doeltreffend gebruik van kapitaal voor productiedoeleinden in de weg kan staan. |
|
(6) |
Uit de toepassing van Verordening (EG) nr. 1606/2002 is ook gebleken dat er duidelijkheid moet worden verschaft over de verhouding tussen de standaarden voor jaarrekeningen van Richtlijn 83/349/EEG en de IFRS. |
|
(7) |
Wanneer de kosten van oprichting en uitbreiding in de balans onder de activa mogen worden opgenomen, schrijft artikel 34, lid 2, van Richtlijn 78/660/EEG voor dat deze post in de toelichting bij de jaarrekening wordt uitgelegd. Op grond van artikel 44, lid 2, van die richtlijn kunnen kleine vennootschappen van deze informatieverplichting worden vrijgesteld. Om onnodige administratieve lasten te verminderen, zou het eveneens mogelijk moeten zijn ook middelgrote vennootschappen van deze informatieverplichting vrij te stellen. |
|
(8) |
Richtlijn 83/349/EEG vereist dat een moederonderneming een geconsolideerde jaarrekening opstelt, zelfs indien haar enige dochteronderneming of al haar dochterondernemingen tezamen, gelet op het doel van artikel 16, lid 3, van die richtlijn slechts van te verwaarlozen betekenis zijn. Dit heeft tot gevolg dat deze ondernemingen onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vallen en derhalve volgens de IFRS een geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen. Deze verplichting wordt belastend geacht indien een moederonderneming slechts dochterondernemingen van te verwaarlozen betekenis heeft. Een moederonderneming dient derhalve te worden vrijgesteld van de verplichting een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag op te stellen, indien zij slechts dochterondernemingen heeft die, individueel en tezamen, van te verwaarlozen betekenis worden geacht. Hoewel deze wettelijke verplichting dient te worden geschrapt, dient de moederonderneming de mogelijkheid te behouden op eigen initiatief een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag opstellen. |
|
(9) |
Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vermindering van de administratieve lasten die voortvloeien uit bepaalde informatieverplichtingen van middelgrote ondernemingen en uit de verplichting een geconsolideerde jaarrekening op te stellen voor bepaalde ondernemingen in de Gemeenschap, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. |
|
(10) |
De Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
Overeenkomstig punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (6) worden de lidstaten ertoe aangespoord om voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 78/660/EEG
In artikel 45, lid 2, van Richtlijn 78/660/EEG, wordt de eerste zin van de tweede alinea vervangen door:
„De lidstaten kunnen de in artikel 27 bedoelde vennootschappen toestaan de in artikel 34, lid 2, en artikel 43, lid 1, punt 8, genoemde gegevens achterwege te laten.”.
Artikel 2
Wijziging van Richtlijn 83/349/EEG
In artikel 13 van Richtlijn 83/349/EEG wordt het volgende lid ingevoegd:
„2 bis. Onverminderd artikel 4, lid 2, en de artikelen 5 en 6 wordt een onder het nationale recht van een lidstaat vallende moederonderneming die alleen maar dochterondernemingen heeft die, gelet op het doel van artikel 16, lid 3, individueel en tezamen, slechts van te verwaarlozen betekenis zijn, vrijgesteld van de in artikel 1, lid 1, opgelegde verplichting.”.
Artikel 3
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om voor 1 januari 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 5
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
H.-G.PÖTTERING
Voor de Raad
De voorzitter
Š. FÜLE
(1) PB C 77 van 31.3.2009, blz. 37.
(2) Advies van het Europees Parlement van 18 december 2008 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 11 mei 2009.
(3) PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.
(4) PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1.
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/45 |
RICHTLIJN 2009/54/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 18 juni 2009
betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater
(Herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 95,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 80/777/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Aangezien de richtlijn opnieuw wordt gewijzigd, dient zij ter wille van de duidelijkheid herschikt te worden. |
|
(2) |
Natuurlijk mineraalwater is in de wetgevingen van de lidstaten omschreven. In deze wetgevingen zijn de voorwaarden neergelegd waaronder natuurlijk mineraalwater als zodanig wordt erkend en zijn de exploitatievoorwaarden van de bronnen geregeld. Deze wetgevingen schrijven bovendien de bijzondere regels voor het in de handel brengen van het betrokken water voor. |
|
(3) |
De verschillen tussen deze wetgevingen belemmeren het vrije verkeer van natuurlijk mineraalwater waardoor ongelijke concurrentievoorwaarden worden geschapen, en zij daardoor een rechtstreekse invloed hebben op de werking van de interne markt. |
|
(4) |
In het voorkomende geval kan de opheffing van deze belemmeringen het gevolg zijn, enerzijds, van de voor iedere lidstaat geldende verplichting op zijn grondgebied het in de handel brengen toe te staan van natuurlijk mineraalwater dat als zodanig door ieder van de andere lidstaten is erkend, en, anderzijds, van het uitvaardigen van gemeenschappelijke regels die met name van toepassing zijn op de gestelde microbiologische vereisten en op de voorwaarden waaronder bijzondere benamingen mogen worden gebruikt voor bepaalde mineraalwaters. |
|
(5) |
Voorschriften voor natuurlijk mineraalwater dienen in de eerste plaats gericht te zijn op de bescherming van de gezondheid van de consument, het voorkomen van misleiding van de consument en het waarborgen van eerlijke handelsvoorwaarden. |
|
(6) |
In afwachting van de sluiting van overeenkomsten inzake de onderlinge erkenning van natuurlijk mineraalwater tussen de Gemeenschap en derde landen, dienen de voorwaarden te worden vastgesteld waaronder, totdat genoemde overeenkomsten worden toegepast, soortgelijke uit derde landen ingevoerde producten in de Gemeenschap als natuurlijk mineraalwater kunnen worden toegelaten. |
|
(7) |
Er dient voor te worden gezorgd dat natuurlijk mineraalwater in het handelsstadium die kenmerken behoudt welke de erkenning ervan als natuurlijk mineraalwater hebben gerechtvaardigd. De voor de verpakking ervan gebruikte recipiënten dienen derhalve passende sluitingen te bezitten. |
|
(8) |
Voor natuurlijk mineraalwater gelden, voor wat betreft de etikettering ervan, de algemene regels van Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (5). Het volstaat derhalve in deze richtlijn de aanvullingen en afwijkingen neer te leggen die ten aanzien van deze algemene regels dienen te worden vastgesteld. |
|
(9) |
Met het oog op de voorlichting van de consument dient de vermelding van de samenstelling van natuurlijk mineraalwater op het etiket verplicht te zijn. |
|
(10) |
De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (6). |
|
(11) |
In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om grenswaarden voor de concentraties aan bestanddelen van natuurlijk mineraal water vast te stellen, alsmede eventuele bepalingen die nodig zijn om hoge concentraties aan bepaalde bestanddelen op de etikettering te vermelden, de voorwaarden voor het gebruik van met ozon verrijkte lucht voor de behandeling van natuurlijk mineraal water, informatie over de behandeling van natuurlijk mineraal water, analysemethoden om vast te stellen dat natuurlijk mineraal water niet verontreinigd is, alsook de bemonsteringsprocedures en analysemethoden die nodig zijn om de microbiologische kenmerken van natuurlijk mineraalwater te controleren. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, onder meer door haar aan te vullen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld. |
|
(12) |
Wanneer om dwingende urgente redenen de normaal voor de regelgevingsprocedure met toetsing toepasselijke termijnen niet kunnen worden nageleefd, moet de Commissie voor de aanneming van de ter bescherming van de volksgezondheid noodzakelijke wijzigingen van deze Richtlijn de in artikel 5 bis, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde urgentieprocedure kunnen toepassen. |
|
(13) |
Daar de nieuwe onderdelen van deze richtlijn slechts de comitéprocedure betreffen, is omzetting door de lidstaten niet nodig. |
|
(14) |
Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Deze richtlijn heeft betrekking op water, gewonnen uit de bodem van een lidstaat, dat door de verantwoordelijke autoriteit van die staat wordt erkend als natuurlijk mineraalwater dat voldoet aan het bepaalde in bijlage I, deel I.
2. Deze richtlijn heeft eveneens betrekking op water, gewonnen uit de bodem van een derde land en ingevoerd in de Gemeenschap, dat door de verantwoordelijke autoriteit van een lidstaat als natuurlijk mineraalwater is erkend.
Het in de eerste alinea bedoelde water kan slechts worden erkend indien de hiertoe bevoegde autoriteit in het land van winning heeft verklaard dat het voldoet aan het bepaalde in bijlage I, deel I, en dat regelmatig wordt gecontroleerd of het bepaalde in bijlage II, punt 2, wordt nageleefd.
De geldigheidsduur van de in de tweede alinea bedoelde verklaring mag niet meer dan vijf jaar bedragen. Indien de verklaring vóór het einde van de genoemde periode wordt vernieuwd, behoeft niet opnieuw tot de in de eerste alinea bedoelde erkenning te worden overgegaan.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
|
a) |
water dat een geneesmiddel is in de zin van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (7); |
|
b) |
natuurlijk mineraalwater dat met het oog op genezing aan de bron in thermale of hydrominerale inrichtingen wordt gebruikt. |
4. De in de leden 1 en 2 bedoelde erkenning wordt met redenen omkleed door de verantwoordelijke autoriteit van de lidstaat en wordt officieel bekendgemaakt.
5. Iedere lidstaat deelt aan de Commissie de gevallen mede waarin werd overgegaan tot de in de leden 1 en 2 bedoelde erkenning of tot intrekking hiervan. De lijst van de als zodanig erkende natuurlijke mineraalwaters wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 2
De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alleen het in artikel 1 bedoelde water dat aan deze richtlijn voldoet, als natuurlijk mineraalwater in de handel kan worden gebracht.
Artikel 3
De bronnen van natuurlijk mineraalwater dienen in overeenstemming met de in bijlage II vermelde voorschriften te worden geëxploiteerd; deze voorschriften gelden ook voor het verpakken van dit water.
Artikel 4
1. Een natuurlijk mineraalwater zoals het bij het ontspringen voorkomt, mag aan geen enkele andere behandeling worden onderworpen dan:
|
a) |
de afscheiding van labiele elementen, zoals ijzer- en zwavelverbindingen, door filtreren of decanteren, eventueel na beluchten, voor zover deze behandeling niet tot gevolg heeft de samenstelling van dit water te veranderen wat de essentiële bestanddelen betreft die het zijn eigenschappen geven; |
|
b) |
de afscheiding van ijzer-, mangaan- en zwavelverbindingen en arseen van bepaalde soorten natuurlijk mineraalwater door behandeling met lucht die met ozon is verrijkt, voor zover deze behandeling niet tot gevolg heeft de samenstelling van dit water te veranderen wat de essentiële bestanddelen betreft die het zijn eigenschappen geven, mits:
|
|
c) |
de afscheiding van andere dan de onder a) en b) bedoelde ongewenste bestanddelen, voor zover deze behandeling niet tot gevolg heeft de samenstelling van dit water te veranderen wat de essentiële bestanddelen betreft die het zijn eigenschappen geven, mits:
|
|
d) |
de totale of gedeeltelijke verwijdering van vrij koolzuurgas via uitsluitend natuurkundige procedés. |
De in punt b), onder i), en punt c), onder i), bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
De eerste alinea vormt geen beletsel voor het gebruik van natuurlijk mineraalwater en bronwater voor de vervaardiging van alcoholvrije frisdranken.
2. Een natuurlijk mineraalwater zoals het bij het ontspringen voorkomt, mag aan geen enkele andere toevoeging worden onderworpen dan het inbrengen of opnieuw inbrengen van koolzuurgas onder de bij bijlage I, deel III, bepaalde voorwaarden.
3. Elke behandeling ter ontsmetting, op welke wijze dan ook, en, behoudens lid 2, toevoeging van bacteriostatica of iedere andere behandeling die de microflora van het natuurlijke mineraalwater kan wijzigen zijn verboden.
Artikel 5
1. Bij het ontspringen moet het totale gehalte aan reactiveerbare micro-organismen van een natuurlijk mineraalwater overeenkomen met de normale microflora daarvan en op een doeltreffende bescherming van de bron tegen elke verontreiniging duiden. Dit gehalte moet worden vastgesteld onder de in bijlage I, deel II, punt 1.3.3, bepaalde voorwaarden.
Na het bottelen mag dit gehalte niet meer bedragen dan 100 per ml bij 20 à 22 °C gedurende 72 uur op een agar-agar-voedingsbodem of een agar-agar-gelatinemengsel en 20 per ml bij 37 °C gedurende 24 uur op een agar-agar-voedingsbodem. Dit gehalte moet binnen 12 uur na het bottelen worden gemeten, waarbij het water gedurende deze periode van 12 uur op 4 °C ± 1 °C wordt gehouden.
Bij het ontspringen mogen deze waarden normaliter niet meer bedragen dan respectievelijk 20 per ml bij 20 à 22 °C gedurende 72 uur en 5 per ml bij 37 °C gedurende 24 uur, waarbij deze waarden moeten worden beschouwd als richtgetallen en niet als maximumconcentraties.
2. Bij het ontspringen en tijdens het in de handel brengen moet een natuurlijk mineraalwater vrij zijn van:
|
a) |
parasieten en pathogene micro-organismen; |
|
b) |
escherichia coli of andere coliforme bacteriën en streptococcus faecalis, in 250 ml onderzocht monster; |
|
c) |
sulfietreducerende sporenvormende anaerobe bacteriën in 50 ml onderzocht monster; |
|
d) |
pseudonomas aeruginosa in 250 ml onderzocht monster. |
3. In het handelsstadium mag onverminderd de leden 1 en 2 en de in bijlage II vastgestelde voorwaarden voor de exploitatie:
|
a) |
het totale gehalte aan reactiveerbare micro-organismen van natuurlijk mineraalwater alleen het gevolg zijn van de normale ontwikkeling van het kiemgehalte van dit water bij het ontspringen; |
|
b) |
natuurlijk mineraalwater geen organoleptische gebreken vertonen. |
Artikel 6
De recipiënten die voor het verpakken van natuurlijk mineraalwater worden gebruikt, moeten voorzien zijn van een sluiting die erop berekend is om iedere mogelijkheid van vervalsing of besmetting te voorkomen.
Artikel 7
1. De verkoopbenaming van natuurlijk mineraalwater is „natuurlijk mineraalwater” of, indien het in bijlage I, deel III, omschreven gashoudend mineraalwater betreft, al naar gelang van het geval „natuurlijk gashoudend mineraalwater”, „met brongas versterkt natuurlijk mineraalwater” of „natuurlijk mineraalwater met toegevoegd koolzuurgas”.
De verkoopbenaming van natuurlijk mineraalwater dat een in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder d), bedoelde behandeling heeft ondergaan, wordt al naar gelang van het geval aangevuld met de vermelding „volledig ontgast” of „gedeeltelijk ontgast”.
2. Op de etikettering van natuurlijk mineraalwater is tevens vermelding van de volgende informatie verplicht:
|
a) |
de analytische samenstelling van het water met vermelding van de kenmerkende bestanddelen; |
|
b) |
de plaats waar de bron wordt geëxploiteerd, en de naam van de bron; |
|
c) |
informatie over eventuele behandelingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b) en c). |
3. Wanneer er geen communautaire bepalingen zijn inzake informatie over de in lid 2, onder c), bedoelde behandelingen, kunnen de lidstaten hun nationale voorschriften handhaven.
Artikel 8
1. De naam van een plaats, een gehucht of een vlek mag deel uitmaken van een handelsbenaming, indien de bron van het natuurlijk mineraalwater op de door die handelsbenaming genoemde plaats wordt geëxploiteerd en mits daardoor geen verwarring wordt gesticht ten aanzien van de plaats waar de bron wordt geëxploiteerd.
2. Het in de handel brengen onder verschillende handelsbenamingen van een natuurlijk mineraalwater afkomstig van een zelfde bron is verboden.
3. Indien op de etiketten of opschriften aangebracht op de recipiënten waarin natuurlijk mineraalwater ten verkoop wordt aangeboden, een andere handelsbenaming staat dan de naam van de bron of van zijn plaats van exploitatie, moet deze plaats van exploitatie of de naam van de bron worden vermeld met lettertekens waarvan de hoogte en de breedte minstens anderhalve maal zo groot zijn als het grootste letterteken dat gebruikt is voor de aanduiding van die handelsbenaming.
De eerste alinea is mutatis mutandis en in dezelfde geest van toepassing op de nadruk die in reclame, in welke vorm ook, voor natuurlijk mineraalwater op de naam van de bron of de plaats van exploitatie wordt gelegd ten opzichte van de vermelding van de handelsbenaming.
Artikel 9
1. Het is verboden zowel op de verpakkingen of etiketten als in reclame, in welke vorm dan ook, gebruik te maken van aanduidingen, benamingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen en andere al of niet figuratieve tekens, die:
|
a) |
doen vermoeden dat het betrokken natuurlijk mineraalwater kenmerken bezit die het in werkelijkheid niet heeft, inzonderheid inzake de oorsprong, de datum van de exploitatievergunning, de resultaten van analyses of aan authenticiteitswaarborg analoge referenties; |
|
b) |
wanneer het verpakt drinkwater betreft dat niet aan bijlage I, deel I, voldoet, verwarring kunnen doen ontstaan met natuurlijk mineraalwater, met name de vermelding „mineraalwater”. |
2. Het is verboden gebruik te maken van aanduidingen die aan het natuurlijk mineraalwater eigenschappen toeschrijven op het gebied van de preventie, de behandeling of genezing van ziekten van de mens.
De vermeldingen opgenomen in bijlage III mogen evenwel worden gebruikt voor zover wordt voldaan aan de daarin vastgestelde overeenkomstige criteria of, bij ontstentenis daarvan, aan de bij nationale bepalingen vastgestelde criteria en op voorwaarde dat zij zijn opgesteld op basis van fysisch-chemische analyses en, indien nodig, van farmacologische, fysiologische en klinische onderzoeken, verricht volgens wetenschappelijk erkende methoden in overeenstemming met bijlage I, deel I, punt 2.
De lidstaten kunnen de vermeldingen „bevordert de spijsvertering”, „kan de functies van lever en gal bevorderen” of soortgelijke vermeldingen toestaan. Voorts kunnen zij andere vermeldingen toestaan voor zover deze niet in strijd zijn met de in de eerste alinea genoemde beginselen en verenigbaar zijn met de in de tweede alinea genoemde beginselen.
3. De lidstaten kunnen bijzondere bepalingen vaststellen inzake aanduidingen - zowel op verpakkingen of etiketten als in reclame - betreffende de geschiktheid van een natuurlijk mineraalwater voor gebruik in babyvoeding. Deze bijzondere bepalingen kunnen ook betrekking hebben op de eigenschappen van het water die de voorwaarden voor het gebruik van deze aanduidingen bepalen.
Lidstaten die het voornemen hebben dergelijke bepalingen vast te stellen, brengen de andere lidstaten en de Commissie daarvan vooraf op de hoogte.
4. De term „bronwater” moet voorbehouden blijven aan in zijn natuurlijke staat voor menselijke consumptie bestemd water dat bij de bron gebotteld is en voldoet aan:
|
a) |
de in bijlage II, punten 2 en 3, vermelde exploitatievoorwaarden, die volledig van toepassing zijn op bronwater; |
|
b) |
de microbiologische eisen van artikel 5; |
|
c) |
de etiketteringsvoorschriften van artikel 7, lid 2, onder b) en c) en artikel 8; |
|
d) |
en geen andere dan de in artikel 4 bedoelde behandelingen heeft ondergaan. Andere behandelingen kunnen door de Commissie worden toegestaan. |
De in punt d) bedoelde maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Voorts moet bronwater voldoen aan Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (9).
5. Wanneer er geen communautaire bepalingen zijn inzake de in lid 4, eerste alinea, onder d), bedoelde behandelingen van bronwater, kunnen de lidstaten hun nationale voorschriften handhaven.
Artikel 10
De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de handel in natuurlijk mineraalwater dat voldoet aan de in deze richtlijn vervatte definities en regels, niet kan worden belemmerd door de toepassing van nationale niet geharmoniseerde bepalingen inzake de eigenschappen, de samenstelling, de exploitatievoorwaarden, de verpakking, of de etikettering van natuurlijke mineraalwaters of van levensmiddelen in het algemeen, of van reclame daarvoor.
Artikel 11
1. Wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een natuurlijk mineraalwater niet aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet of gevaar oplevert voor de volksgezondheid, ook al is het in een of meer lidstaten vrij in de handel, kan die lidstaat de handel in dit product op zijn grondgebied tijdelijk beperken of opschorten. Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis onder vermelding van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid.
2. Op verzoek van een lidstaat of de Commissie verstrekt de lidstaat die dat water heeft erkend, alle relevante informatie over de erkenning van dat water, alsmede de resultaten van de periodieke controles.
3. De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk de door de in lid 1 bedoelde lidstaat opgegeven redenen in het kader van het in artikel 14, lid 1, bedoelde Permanent Comité; zij brengt onverwijld advies uit en neemt passende maatregelen.
4. Indien de Commissie van oordeel is dat deze richtlijn moet worden gewijzigd om de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, stelt zij deze wijzigingen vast.
Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruikmaken van de in artikel 14, lid 3, bedoelde urgentieprocedure.
In dat geval kan de lidstaat die beschermende maatregelen heeft genomen, deze maatregelen handhaven totdat de wijzigingen zijn vastgesteld.
Artikel 12
Door de Commissie worden de volgende maatregelen vastgesteld:
|
a) |
grenswaarden voor de concentraties van bestanddelen van natuurlijk mineraalwater; |
|
b) |
eventuele bepalingen die nodig zijn om hoge concentraties van bepaalde bestanddelen op de etikettering te vermelden; |
|
c) |
de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde voorwaarden voor het gebruik van met ozon verrijkte lucht; |
|
d) |
de informatie over de behandelingen bedoeld in artikel 7, lid 2, onder c); |
|
e) |
analysemethoden en detectiegrenzen om vast te stellen dat natuurlijk mineraalwater niet verontreinigd is; |
|
f) |
bemonsteringsprocedures en analysemethoden die nodig zijn om de microbiologische kenmerken van natuurlijk mineraalwater te controleren. |
Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Artikel 13
Besluiten die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid, worden na raadpleging van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid door de Commissie vastgesteld.
Artikel 14
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1, 2, 4 en 6, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
Artikel 15
Deze richtlijn is niet van toepassing op natuurlijk mineraalwater dat voor export naar derde landen is bestemd.
Artikel 16
Richtlijn 80/777/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.
Artikel 17
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 18
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 18 juni 2009.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
H.-G. PÖTTERING
Voor de Raad
De voorzitter
Š. FÜLE
(1) PB C 162 van 25.6.2008, blz. 87.
(2) Advies van het Europees Parlement van 23 september 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 mei 2009.
(3) PB L 229 van 30.8.1980, blz. 1.
(4) Zie bijlage IV, deel A.
(5) PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.
(6) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(7) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.
BIJLAGE I
I. DEFINITIE
|
1. |
Men verstaat onder „natuurlijk mineraalwater”, in de betekenis van artikel 5, microbiologisch gezond water, een watervlak of een onderaardse laag tot oorsprong hebbende, afkomstig van een bron geëxploiteerd door een of meer natuurlijke of kunstmatige ontspringingspunten.
Natuurlijk mineraalwater onderscheidt zich duidelijk van gewoon drinkwater:
waarbij deze kenmerken intact gebleven zijn dankzij de onderaardse oorsprong van dit water dat van ieder gevaar voor verontreiniging gevrijwaard is gebleven. |
|
2. |
De in punt 1 bedoelde kenmerken, die aan natuurlijk mineraalwater gezondheidbevorderende eigenschappen kunnen verlenen, moeten zijn beoordeeld:
Het in de eerste alinea, onder a), punt iv), bedoelde onderzoek is niet verplicht indien het water, ten aanzien van de samenstelling, eigenschappen bezit op grond waarvan het in de lidstaat van oorsprong reeds vóór 17 juli 1980 als natuurlijk mineraalwater werd aangemerkt. Dit is met name het geval wanneer het betreffende water bij de oorsprong en na botteling in totaal ten minste 1 000 mg vaste stof in oplossing of ten minste 250 mg vrij koolzuurgas per kg bevat. |
|
3. |
De samenstelling, de temperatuur en de andere essentiële kenmerken van het natuurlijk mineraalwater moeten constant blijven binnen natuurlijke schommelingen; in het bijzonder moeten zij niet worden gewijzigd door eventuele variaties in het debiet.
In de zin van artikel 5, lid 1, verstaat men onder normale microflora van natuurlijk mineraalwater de bij het ontspringen, vóór iedere behandeling vastgestelde nagenoeg constante bacteriënflora, waarvan de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling, welke voor de erkenning van dit water in aanmerking is genomen, door middel van periodieke analyses wordt gecontroleerd. |
II. VOORSCHRIFTEN EN CRITERIA VOOR DE TOEPASSING VAN DE DEFINITIE
1.1. Voorschriften voor het geologisch en hydrologisch onderzoek
Met name moeten worden vereist:
|
1.1.1. |
de juiste ligging van het winningspunt dat, met opgave van de hoogte, ten aanzien van de topografie is aangeduid op een kaart met een schaal van ten hoogste 1:1 000; |
|
1.1.2. |
een gedetailleerd geologisch verslag over de oorsprong en de aard van de bodem; |
|
1.1.3. |
de stratigrafie van de hydrogeologische aardlaag; |
|
1.1.4. |
beschrijving van de winningswerkzaamheden; |
|
1.1.5. |
vaststelling van de zone of andere maatregelen ter bescherming van de bron tegen verontreiniging. |
1.2. Voorschriften voor het fysisch, chemisch en fysisch-chemisch onderzoek
Bij het onderzoek op deze gebieden wordt met name het volgende vastgesteld:
|
1.2.1. |
het debiet van de bron; |
|
1.2.2. |
de temperatuur van het water bij het ontspringen en de temperatuur van de omgeving; |
|
1.2.3. |
het verband tussen de bodemgesteldheid en de aard en het type van de in het bronwater voorkomende minerale substanties; |
|
1.2.4. |
de droge residuen bij 180 °C en 260 °C; |
|
1.2.5. |
het soortelijk geleidingsvermogen of de soortelijke weerstand, met opgave van de meettemperatuur; |
|
1.2.6. |
de waterstofionenconcentratie (pH); |
|
1.2.7. |
de anionen en kationen; |
|
1.2.8. |
de niet geïoniseerde elementen; |
|
1.2.9. |
de sporenelementen; |
|
1.2.10. |
de radio-actinologie bij het ontspringen; |
|
1.2.11. |
in voorkomend geval, de relatieve hoeveelheden isotopen van de samenstellende elementen van het water, zuurstof (16O - 18O) en waterstof (protium, deuterium en tritium); |
|
1.2.12. |
de toxiciteit van bepaalde samenstellende elementen van het water, met inachtneming van de in dit opzicht voor elk element vastgestelde grenzen. |
1.3. Criteria voor het microbiologisch onderzoek bij het ontspringen
Dit onderzoek moet met name het volgende omvatten:
|
1.3.1. |
het bewijs van de afwezigheid van pathogene parasieten en micro-organismen; |
|
1.3.2. |
de kwantitatieve vaststelling van op faecale besmetting wijzende reactiveerbare micro-organismen:
|
|
1.3.3. |
de vaststelling van het totale aantal reactiveerbare micro-organismen per ml water:
|
1.4. Voorschriften voor het klinisch en farmacologisch onderzoek
|
1.4.1. |
De aard van het onderzoek, dat volgens erkende wetenschappelijke methodes moet worden uitgevoerd, moet aangepast zijn aan de eigen kenmerken van het natuurlijk mineraalwater en de uitwerking ervan op het menselijk organisme, zoals urineafscheiding, functionering van maag of ingewanden, opheffing van het tekort aan minerale substanties, enz. |
|
1.4.2. |
Indien wordt vastgesteld dat een groot aantal klinische observaties een constant karakter vertoont en steeds dezelfde resultaten oplevert kan zulks in voorkomend geval het in punt 1.4.1 bedoelde onderzoek vervangen. In passende gevallen kan klinisch onderzoek in de plaats komen van het in punt 1.4.1 bedoelde onderzoek, op voorwaarde dat daarmee dezelfde resultaten kunnen worden verkregen doordat een groot aantal observaties een constant karakter vertoont en steeds dezelfde resultaten oplevert. |
III. AANVULLENDE KWALIFICATIES MET BETREKKING TOT DE NATUURLIJKE GASHOUDENDE MINERAALWATERS
Natuurlijke gashoudende mineraalwaters ontwikkelen aan de oorsprong of na bottelen, spontaan en duidelijk zichtbaar, koolzuurgas onder normale omstandigheden van temperatuur en druk. Gashoudende mineraalwaters worden ingedeeld in drie categorieën met de volgende gereserveerde benamingen:
|
a) |
„Natuurlijk gashoudend mineraalwater”, water waarvan het gehalte aan koolzuurgas afkomstig van de bron, na eventueel decanteren en botteling, even groot is als bij het ontspringen, eventueel rekening houdend met het opnieuw inbrengen van een hoeveelheid van hetzelfde watervlak of dezelfde onderaardse laag afkomstig gas, equivalent met het gas dat tijdens die bewerking is vrijgekomen en onder voorbehoud van de gebruikelijke technische toleranties; |
|
b) |
„Met brongas versterkt natuurlijk mineraalwater”, water waarvan het gehalte aan van hetzelfde watervlak of dezelfde onderaardse laag afkomstig koolzuurgas, na eventueel decanteren en botteling, hoger ligt dan bij het ontspringen is waargenomen; |
|
c) |
„Natuurlijk mineraalwater met toegevoegd koolzuurgas”, water waaraan koolzuurgas is toegevoegd dat een andere oorsprong heeft dan het watervlak of de onderaardse laag waarvan het afkomstig is. |
BIJLAGE II
VOORWAARDEN INZAKE DE EXPLOITATIE EN HET IN DE HANDEL BRENGEN VAN NATUURLIJK MINERAALWATER
|
1. |
De exploitatie van een bron van natuurlijk mineraalwater is onderworpen aan een vergunning van de verantwoordelijke autoriteit in het land waar het water wordt gewonnen, na constatering dat het betrokken water voldoet aan bijlage I, deel I. |
|
2. |
De installaties voor de exploitatie moeten zo zijn gebouwd dat iedere mogelijkheid van besmetting wordt voorkomen en dat het water de eigenschappen behoudt, die met zijn kwalificatie overeenkomen en die het op het ogenblik van het ontspringen bezat.
Daartoe en inzonderheid:
Het is evenwel toegestaan het bepaalde onder d) niet toe te passen op mineraalwater dat op het grondgebied van een lidstaat wordt gewonnen, geëxploiteerd en in de handel gebracht, indien het in de betrokken lidstaat op 17 juli 1980 toegestaan was mineraalwater van de bron naar de bottelarij te vervoeren in tanks. Eveneens is het toegestaan het bepaalde onder d) niet toe te passen op bronwater dat op het grondgebied van een lidstaat wordt gewonnen, geëxploiteerd en in de handel gebracht, indien het in de betrokken lidstaat op 13 december 1996 toegestaan was bronwater van de bron naar de bottelarij te vervoeren in tanks. |
|
3. |
Wordt tijdens de exploitatie geconstateerd dat het natuurlijk mineraalwater verontreinigd is en niet voldoet aan de bij artikel 5 bepaalde microbiologische kenmerken, dan moet de exploitant onverwijld alle exploitatiehandelingen, in het bijzonder het bottelen, opschorten tot de oorzaak van de verontreiniging opgeheven is en het water aan artikel 5 voldoet. |
|
4. |
De verantwoordelijke autoriteit in het land van herkomst gaat over tot periodieke controles van:
|
BIJLAGE III
IN ARTIKEL 9, LID 2, BEDOELDE VERMELDINGEN EN CRITERIA
|
Vermeldingen |
Criteria |
|
Zwak mineraalhoudend |
ten hoogste 500 mg/l minerale zouten, berekend als vast residu |
|
Zeer zwak mineraalhoudend |
ten hoogste 50 mg/l minerale zouten, berekend als vast residu |
|
Rijk aan minerale zouten |
meer dan 1 500 mg/l minerale zouten, berekend als vast residu |
|
Bicarbonaathoudend |
meer dan 600 mg/l bicarbonaat |
|
Sulfaathoudend |
meer dan 200 mg/l sulfaten |
|
Chloridehoudend |
meer dan 200 mg/l chloride |
|
Calciumhoudend |
meer dan 150 mg/l calcium |
|
Magnesiumhoudend |
meer dan 50 mg/l magnesium |
|
Fluorhoudend |
meer dan 1 mg/l fluor |
|
IJzerhoudend |
meer dan 1 mg/l tweewaardig ijzer |
|
Zwak verzuurd |
meer dan 250 mg/l vrij koolzuurgas |
|
Natriumhoudend |
meer dan 200 mg/l natrium |
|
Geschikt voor de bereiding van babyvoeding |
— |
|
Geschikt voor zoutarm dieet |
het gehalte aan natrium bedraagt minder dan 20 mg/l |
|
Kan laxerend zijn |
— |
|
Kan diuretisch zijn |
— |
BIJLAGE IV
DEEL A
Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan
(bedoeld in artikel 16)
|
Richtlijn 80/777/EEG van de Raad |
|
|
Richtlijn 80/1276/EEG van de Raad |
Uitsluitend artikel 1, derde streepje |
|
Richtlijn 85/7/EEG van de Raad |
Uitsluitend artikel 1, punt 10 |
|
Punt B.I.o van bijlage I bij de Toetredingsakte van 1985 |
|
|
Richtlijn 96/70/EG van het Europees Parlement en de Raad |
|
|
Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad |
Uitsluitend bijlage III, punt 4 |
DEEL B
Termijnen voor omzetting in nationaal recht
(bedoeld in artikel 16)
|
Richtlijn |
Omzettingstermijn |
Handelstoelating voor producten die voldoen aan deze richtlijn |
Handelsverbod voor producten die niet aan deze richtlijn voldoen |
|
80/777/EEG |
— |
18 juli 1982 |
18 juli 1984 |
|
80/1276/EEG |
— |
— |
— |
|
85/7/EEG |
— |
— |
— |
|
96/70/EG |
— |
28 oktober 1997 |
28 oktober 1998 (1) |
(1) Producten, die voor deze datum in het verkeer zijn gebracht of zijn geëtiketteerd en niet aan deze richtlijn voldoen, mogen echter worden verkocht zolang de voorraad strekt.
BIJLAGE V
CONCORDANTIETABEL
|
Richtlijn 80/777/EEG |
De onderhavige richtlijn |
|
Artikel 1, lid 1 |
Artikel 1, lid 1 |
|
Artikel 1, lid 2 |
Artikel 1, lid 2 |
|
Artikel 1, lid 3, eerste en tweede streepje |
Artikel 1, lid 3, onder a) en b) |
|
Artikel 1, lid 4 |
Artikel 1, lid 4 |
|
Artikel 1, lid 5 |
Artikel 1, lid 5 |
|
Artikel 2 |
Artikel 2 |
|
Artikel 3 |
Artikel 3 |
|
Artikel 4, lid 1, onder a) |
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder a) |
|
Artikel 4, lid 1, onder b), eerste en tweede streepje |
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), punten i) en ii) |
|
Artikel 4, lid 1, onder c), eerste en tweede streepje |
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), punten i) en ii) |
|
Artikel 4, lid 1, onder d) |
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder d) |
|
— |
Artikel 4, lid 1, tweede alinea |
|
Artikel 4, lid 2 |
Artikel 4, lid 2 |
|
Artikel 4, lid 3 |
Artikel 4, lid 3 |
|
Artikel 4, lid 4 |
Artikel 4, lid 1, derde alinea |
|
Artikel 5, lid 1 |
Artikel 5, lid 1 |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 5, lid 2 |
|
Artikel 5, lid 3, eerste en tweede streepje |
Artikel 5, lid 3, onder a) en b) |
|
Artikel 6 |
Artikel 6 |
|
Artikel 7, lid 1 |
Artikel 7, lid 1 |
|
Artikel 7, lid 2 |
Artikel 7, lid 2 |
|
Artikel 7, lid 2 bis |
Artikel 7, lid 3 |
|
Artikel 8 |
Artikel 8 |
|
Artikel 9, lid 1 |
Artikel 9, lid 1 |
|
Artikel 9, lid 2, onder a), b) en c) |
Artikel 9, lid 2, eerste, tweede en derde alinea |
|
Artikel 9, lid 3 |
Artikel 9, lid 3 |
|
Artikel 9, lid 4 |
— |
|
Artikel 9, lid 4 bis, eerste alinea, eerste tot en met vierde streepje |
Artikel 9, lid 4, eerste alinea, onder a) tot en met d) |
|
Artikel 9, lid 4 bis, tweede alinea |
Artikel 9, lid 4, tweede alinea |
|
Artikel 9, lid 4 ter |
Artikel 9, lid 5 |
|
Artikel 10, lid 1 |
Artikel 10 |
|
Artikel 10 bis |
Artikel 11 |
|
Artikel 11, lid 1, eerste tot en met vierde streepje |
Artikel 12, onder a) tot en met d) |
|
Artikel 11, lid 2, eerste en tweede streepje |
Artikel 12, onder e) en f) |
|
Artikel 11 bis |
Artikel 13 |
|
Artikel 12, lid 1 |
Artikel 14, lid 1 |
|
Artikel 12, lid 2 |
Artikel 14, leden 2 en 3 |
|
Artikel 12, lid 3 |
— |
|
Artikel 13 |
— |
|
Artikel 14 |
Artikel 15 |
|
Artikel 15 |
— |
|
Artikel 16 |
— |
|
— |
Artikel 16 |
|
— |
Artikel 17 |
|
Artikel 17 |
Artikel 18 |
|
Bijlage I, deel I, punt 1 |
Bijlage I, deel I, punt 1 |
|
Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder a), punten 1 tot en met 4 |
Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder a), punten i) tot en met iv) |
|
Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder b) |
Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder b) |
|
Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder c) |
Bijlage I, deel I, punt 2, eerste alinea, onder c) |
|
Bijlage I, deel I, punt 2, tweede alinea |
Bijlage I, deel I, punt 2, tweede alinea |
|
Bijlage I, deel I, punt 3 |
Bijlage I, deel I, punt 3 |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.1. |
Bijlage I, deel II, punt 1.1. |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.2. |
Bijlage I, deel II, punt 1.2. |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.3. |
Bijlage I, deel II, punt 1.3. |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.3.1. |
Bijlage I, deel II, punt 1.3.1. |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.3.2. |
Bijlage I, deel II, punt 1.3.2. |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.3.3., onder i) en ii) |
Bijlage I, deel II, punt 1.3.3., onder a) en b) |
|
Bijlage I, deel II, punt 1.4. |
Bijlage I, deel II, punt 1.4. |
|
Bijlage I, deel III |
Bijlage I, deel III |
|
Bijlage II |
Bijlage II |
|
Bijlage III |
Bijlage III |
|
— |
Bijlage IV |
|
— |
Bijlage V |
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/59 |
RICHTLIJN 2009/70/EG VAN DE COMMISSIE
van 25 juni 2009
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel op te nemen als werkzame stoffen
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij de Verordeningen (EG) nr. 1112/2002 (2) en (EG) nr. 2229/2004 (3) van de Commissie zijn de bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG vastgesteld en is een lijst opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel zijn in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
Voor die werkzame stoffen zijn de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieueffect overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1112/2002 en Verordening (EG) nr. 2229/2004 beoordeeld voor een aantal door de kennisgevers voorgestelde toepassingen. Bovendien worden in die verordeningen de als rapporteur optredende lidstaten aangewezen die overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 2229/2004 de desbetreffende evaluatieverslagen met aanbevelingen bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) moeten indienen. Voor difenacum was de rapporterende lidstaat Finland en werd alle relevante informatie ingediend op 16 juli 2007. Voor didecyldimethylammoniumchloride was de rapporterende lidstaat Nederland en werd alle relevante informatie ingediend op 28 november 2007. Voor zwavel was de rapporterende lidstaat Frankrijk en werd alle relevante informatie ingediend op 18 oktober 2007. |
|
(3) |
De evaluatieverslagen zijn door de lidstaten en de EFSA intercollegiaal getoetst en op 19 december 2008 bij de Commissie ingediend in de vorm van het wetenschappelijk verslag van de EFSA voor difenacum (4), didecyldimethylammoniumchloride (5) en zwavel (6). Deze verslagen zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 26 februari 2009 respectievelijk 12 maart 2009 afgerond in de vorm van de evaluatieverslagen van de Commissie voor difenacum respectievelijk didecyldimethylammoniumchloride en zwavel. |
|
(4) |
Uit de verschillende analyses is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel bevatten, in het algemeen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen die zijn onderzocht en opgenomen in de evaluatieverslagen van de Commissie. Deze werkzame stoffen moeten derhalve in bijlage I worden opgenomen, zodat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, in alle lidstaten kunnen worden toegelaten overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn. |
|
(5) |
Onverminderd deze conclusie moet nadere informatie over bepaalde specifieke punten worden ingewonnen. Artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Daarom moet voor difenacum worden voorgeschreven dat door de kennisgever nadere informatie wordt verstrekt over de methoden voor de bepaling van residuen in lichaamsvloeistoffen en over de specificatie van de werkzame stof zoals vervaardigd. Bovendien moet voor didecyldimethylammoniumchloride worden voorgeschreven dat door de kennisgever nadere informatie wordt verstrekt over de chemische specificatie en over de risicobeoordeling voor in het water levende organismen. Ten slotte moet voor zwavel worden voorgeschreven dat door de kennisgever nadere informatie wordt verstrekt ter bevestiging van de risicobeoordeling voor niet tot de doelsoorten behorende organismen, met name vogels, zoogdieren, in het sediment levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen. |
|
(6) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(7) |
Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen naargelang het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaande termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. |
|
(8) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe vastgestelde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(9) |
Richtlijn 91/414/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2010.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel als werkzame stof bevatten, vóór 30 juni 2010 wijzigen of intrekken.
Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG met betrekking tot difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houders van de toelatingen in het bezit zijn van of toegang hebben tot dossiers die overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoen.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I bij die richtlijn wat difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel betreft, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat difenacum, didecyldimethylammoniumchloride en zwavel bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 december 2009 in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van die richtlijn.
Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:
|
a) |
als difenacum, didecyldimethylammoniumchloride of zwavel de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating, indien nodig, uiterlijk op 30 juni 2014 wordt gewijzigd of ingetrokken, of |
|
b) |
wanneer het een product betreft dat difenacum, didecyldimethylammoniumchloride of zwavel als een van de werkzame stoffen bevat, de toelating, indien nodig, wordt gewijzigd of ingetrokken, en wel uiterlijk op 30 juni 2014 of, mocht dit later zijn, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de richtlijn of richtlijnen waarbij de stof of stoffen in kwestie aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG is of zijn toegevoegd. |
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2010.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2009.
Voor de Commissie
Androulla VASSILIOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.
(2) PB L 168 van 27.6.2002, blz. 14.
(3) PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.
(4) EFSA Scientific Report (2008) 218, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance difenacoum (afgerond op 19 december 2008).
(5) EFSA Scientific Report (2008) 214, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance didecyldimethylammonium chloride (afgerond op 19 december 2008).
(6) EFSA Scientific Report (2008) 221, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance sulfur (afgerond op 19 december 2008).
BIJLAGE
Aan het einde van de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nummer |
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||
|
„295 |
Difenacum CAS-nr. 56073-07-5 CIPAC-nr. 514 |
3-[(1RS,3RS;1RS,3SR)-3-bifenyl-4-yl-1,2,3,4-tetrahydro-1-naftyl]-4-hydroxycumarine |
≥ 905 g/kg |
1 januari 2010 |
30 december 2019 |
DEEL A Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als rodenticide in de vorm van kant-en-klaar aas, geplaatst in speciaal gebouwde, veilige en niet te openen lokdozen. De nominale concentratie van de werkzame stof in de producten mag niet meer bedragen dan 50 mg/kg. Toelatingen moeten worden beperkt tot professionele gebruikers. DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over difenacum dat op 26 februari 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II. Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van vogels en niet tot de doelsoorten behorende zoogdieren tegen primaire en doorvergiftiging. Indien nodig moeten risicobeperkende maatregelen worden toegepast. De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever bij de Commissie nadere informatie indient over de methoden voor de bepaling van residuen van difenacum in lichaamsvloeistoffen. Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk op 30 november 2011 aan de Commissie verstrekt. De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever bij de Commissie nadere informatie indient over de specificatie van de werkzame stof zoals vervaardigd. Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever deze informatie uiterlijk op 31 december 2009 aan de Commissie verstrekt. |
||||
|
296 |
Didecyldimethyl-ammoniumchloride CAS-nr.: niet toegewezen CIPAC-nr.: niet toegewezen |
Didecyldimethyl-ammoniumchloride is een mengsel van alkylquaternaire ammoniumzouten met typische alkylketenlengten van C8, C10 en C12, met meer dan 90 % C10 |
≥ 70 % (technisch concentraat) |
1 januari 2010 |
31 december 2019 |
DEEL A Mag alleen worden toegelaten voor indoortoepassingen als bactericide, fungicide, herbicide en algicide voor sierplanten. DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over didecyldimethylammoniumchloride dat op 12 maart 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II. Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:
De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten. De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever uiterlijk op 1 januari 2010 respectievelijk 31 december 2011 bij de Commissie nadere informatie indient over de specificatie van de werkzame stof zoals vervaardigd respectievelijk over het risico voor in het water levende organismen. |
||||
|
297 |
Zwavel CAS-nr. 7704-34-9 CIPAC-nr. 18 |
Zwavel |
≥ 990 g/kg |
1 januari 2010 |
31 december 2019 |
DEEL A Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als fungicide en acaricide. DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over zwavel dat op 12 maart 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II. Bij deze algemene evaluatie moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:
De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kennisgever bij de Commissie nadere informatie indient ter bevestiging van het risico voor vogels, zoogdieren, in het sediment levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen. Zij moeten ervoor zorgen dat de kennisgever op wiens verzoek zwavel in deze bijlage is opgenomen, deze informatie uiterlijk op 30 juni 2011 bij de Commissie indient.” |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Commissie
|
26.6.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/64 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2009
betreffende een financiële bijdrage aan het Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC (TFEU 970089129) ter bestrijding van mond-en-klauwzeer buiten de Gemeenschap
(2009/492/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 13,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Beschikking 90/424/EEG is de procedure vastgesteld voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van specifieke veterinaire maatregelen. Bestrijding van mond-en-klauwzeer valt ook onder die maatregelen. Volgens die beschikking kunnen door de Gemeenschap vastgestelde maatregelen ter bestrijding van mond-en-klauwzeer buiten de Gemeenschap, vooral om risicogebieden binnen de Gemeenschap te beschermen, in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap. |
|
(2) |
Naar aanleiding van de grote epizoötieën van mond-en-klauwzeer (MKZ) eind jaren vijftig, zowel in de Gemeenschap als in de omringende landen, is in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties de Commissie voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer (EUFMD — European Commission for the Control of Foot-and-Mouth Disease) opgericht. |
|
(3) |
In de jaren zestig zijn in verband met het toenemende gevaar voor de insleep van exotische MKZ-stammen in Europa de bij de EUFMD aangesloten landen opgeroepen om een Trustfonds op te richten met het oog op noodmaatregelen in de Balkan, de belangrijkste route voor insleep van het virus. Later werd het fonds opgesplitst in Trustfonds 911100MTF/003/EEC, gefinancierd door de bij de EUFMD aangesloten lidstaten van de Europese Gemeenschap, en Trustfonds 909700MTF/004/MUL, gefinancierd door de bij de EUFMD aangesloten landen die op dat ogenblik geen lidstaat van de Europese Gemeenschap waren. |
|
(4) |
Ingevolge artikel 4 van Richtlijn 90/423/EEG van de Raad (2) is preventieve vaccinatie tegen MKZ in de hele Gemeenschap in 1991 gestaakt. |
|
(5) |
Bij Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer (3) is bevestigd dat preventieve vaccinatie verboden is en zijn de mogelijkheden voor noodvaccinatie tegen MKZ uitgebreid. |
|
(6) |
Aangezien sinds 1992 een aantal uitbraken van MKZ zijn gemeld, vooral in delen van de Gemeenschap die aan endemisch besmette derde landen grenzen, en zich in 2001 in enkele lidstaten een grote epizoötie heeft voorgedaan, is uiterste waakzaamheid en paraatheid voor deze ziekte geboden, evenals internationale samenwerking. |
|
(7) |
Daarnaast hebben zich de laatste jaren uitbraken en soms ernstige epizoötieën voorgedaan in buurlanden van EU-lidstaten die een gevaar kunnen vormen voor de gezondheidsstatus van de voor deze ziekte gevoelige dieren in de Gemeenschap. |
|
(8) |
Wegens het opduiken van nieuwe topotypen van het virus en de steeds gebrekkiger wordende bestrijdingsmaatregelen in sommige regio’s heeft de Commissie, in nauwe samenwerking met de EUFMD en via Trustfonds 911100MTF/003/EEC, steun verleend voor noodvaccinatiecampagnes in Turkije en Trans-Kaukasië. |
|
(9) |
De Gemeenschap en de Verenigde Naties hebben op 29 april 2003 een nieuwe financiële en administratieve kaderovereenkomst ondertekend ter ondersteuning van de overeenkomst tussen de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties van 17 juli 2003. |
|
(10) |
Overeenkomstig Beschikking 2005/436/EG van de Commissie van 13 juni 2005 inzake communautaire samenwerking met de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), in het bijzonder met betrekking tot activiteiten van de Commissie voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer (4) heeft de Commissie op 1 september 2005 een uitvoeringsovereenkomst ondertekend, getiteld „Implementing Agreement MTF/INT/003/EEC911100 (TFEU970089129) on EC Funded Permanent Activities carried out by the FAO European Commission for the Control of Foot-and-Mouth Disease”, die liep van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008. |
|
(11) |
Die uitvoeringsovereenkomst moet worden hernieuwd en de bijdrage van de Gemeenschap aan Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC moet worden vastgesteld. |
|
(12) |
Gezien de uitbreidingen van de Europese Unie in 2004 en 2007 moet de bijdrage van de Gemeenschap worden vastgesteld op maximaal 8 000 000 EUR voor een periode van vier jaar. De begroting van het Trustfonds voor 2009 moet worden opgesteld op basis van het eindsaldo per 31 december 2008, vermeerderd met een bijdrage van de Gemeenschap om het totale bedrag op het equivalent van 2 000 000 EUR in Amerikaanse dollar te brengen. Latere uitgaven moeten worden gecompenseerd via jaarlijkse stortingen. |
|
(13) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
BESLUIT:
Artikel 1
1. Het eindsaldo van Trustfonds 911100MTF/INT/003/EEC (TFEU 970089129) („het Trustfonds”) per 31 december 2008 wordt vastgesteld op 677 855 EUR.
2. De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan het Trustfonds bedraagt ten hoogste 8 000 000 EUR voor een periode van vier jaar met ingang van 1 januari 2009.
3. De eerste betaling van het in lid 2 bedoelde bedrag voor 2009 bestaat uit:
|
a) |
het in lid 1 bedoelde eindsaldo; |
|
b) |
een bijdrage van de Gemeenschap om het totaal van het Trustfonds op het equivalent van 2 000 000 EUR in Amerikaanse dollar te brengen. |
4. De door het Trustfonds in 2009, 2010, 2011 en 2012 gedane uitgaven worden gecompenseerd door de jaarlijkse bijdrage van de Gemeenschap die wordt betaald in respectievelijk 2010, 2011, 2012 en 2013. De betalingen worden evenwel slechts gedaan voor zover daartoe kredieten beschikbaar zijn op de EU-begroting.
5. De in lid 4 bedoelde jaarlijkse bijdragen van de Gemeenschap worden gebaseerd op het financiële verslag dat door de EUFMD wordt overgelegd, hetzij tijdens de jaarlijkse vergadering van het uitvoerend comité, hetzij tijdens de tweejaarlijkse algemene vergadering van de EUFMD, vergezeld van de nodige bewijsstukken overeenkomstig de ter zake geldende regels van de FAO.
Artikel 2
1. De Commissie en de FAO sluiten een uitvoeringsovereenkomst voor de aanwending en het beheer van het Trustfonds voor een periode van vier jaar met ingang van 1 januari 2009.
2. Het Trustfonds wordt gezamenlijk door de Commissie en de EUFMD beheerd overeenkomstig de in lid 1 bedoelde uitvoeringsovereenkomst.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2009.
Voor de Commissie
Androulla VASSILIOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 13.