ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 298

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
7 november 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1094/2008 van de Commissie van 6 november 2008 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1095/2008 van de Commissie van 6 november 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 109/2007 wat betreft de voorwaarden voor de verlening van de vergunning voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding monensin-natrium (Coxidin) ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1096/2008 van de Commissie van 6 november 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1356/2004 wat betreft de voorwaarden voor de verlening van de vergunning voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding Elancoban, behorend tot de groep Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen ( 1 )

5

 

*

Verordening (EG) nr. 1097/2008 van de Commissie van 6 november 2008 tot vaststelling van buitengewone maatregelen met betrekking tot invoercertificaten in de rijstsector in verband met problemen op de internationale markt in 2008

7

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2008/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende een communautaire procedure inzake de doorzichtigheid van de prijzen van gas en elektriciteit voor industriële eindverbruikers (herschikking) ( 1 )

9

 

 

DOOR HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD GEZAMENLIJK AANGENOMEN BESLUITEN

 

*

Besluit nr. 1098/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010) ( 1 )

20

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

 

2008/835/GBVB

 

*

Besluit EUPM/1/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité van 24 oktober 2008 betreffende de benoeming van het hoofd van de missie/de directeur van politie van de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina

30

 

 

 

*

Bericht aan de lezer (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/1


VERORDENING (EG) Nr. 1094/2008 VAN DE COMMISSIE

van 6 november 2008

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 7 november 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 november 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

51,6

MK

46,2

TR

69,3

ZZ

55,7

0707 00 05

JO

175,3

MA

30,8

TR

71,6

ZZ

92,6

0709 90 70

MA

53,8

TR

123,0

ZZ

88,4

0805 20 10

MA

102,7

ZZ

102,7

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

HR

24,8

TR

80,5

ZZ

52,7

0805 50 10

AR

82,1

MA

103,9

TR

101,7

ZA

96,4

ZZ

96,0

0806 10 10

BR

234,7

TR

134,2

US

272,9

ZA

218,0

ZZ

215,0

0808 10 80

AL

32,1

AR

75,0

CA

96,3

CL

68,1

CN

66,8

MK

37,6

NZ

104,3

US

162,2

ZA

99,1

ZZ

82,4

0808 20 50

CN

68,2

TR

124,9

US

208,3

ZZ

133,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/3


VERORDENING (EG) Nr. 1095/2008 VAN DE COMMISSIE

van 6 november 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 109/2007 wat betreft de voorwaarden voor de verlening van de vergunning voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding monensin-natrium (Coxidin)

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor het toevoegingsmiddel monensin-natrium (Coxidin) is onder bepaalde voorwaarden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1831/2003 een vergunning verleend. Bij Verordening (EG) nr. 109/2007 van de Commissie (2) is voor het gebruik van dat toevoegingsmiddel voor mestkippen en kalkoenen een vergunning voor tien jaar verleend die is gebonden aan de persoon die houder is van de vergunning voor het in de handel brengen van dat toevoegingsmiddel.

(2)

Verordening (EG) nr. 1831/2003 biedt de mogelijkheid om de vergunning voor een toevoegingsmiddel te wijzigen ingevolge een verzoek van de vergunninghouder en een advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA).

(3)

De houder van de vergunning voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding monensin-natrium (Coxidin) heeft een aanvraag ingediend waarin wordt voorgesteld om de voorwaarden van de vergunning te wijzigen door het verkorten van de wachttijd vóór het slachten en door het vaststellen van de definitieve maximumresidugehalten (MRL’s).

(4)

In haar op 18 juni 2008 goedgekeurde advies (3) heeft de EFSA na een nieuwe beoordeling van de menselijke blootstelling geconcludeerd dat voor Coxidin een wachttijd van één dag voor mestkippen en kalkoenen kon worden vastgesteld. Door de vergunninghouder zijn geen nieuwe gegevens verstrekt op grond waarvan de EFSA een definitieve MRL zou kunnen voorstellen.

(5)

Verordening (EG) nr. 109/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 109/2007 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 31 van 6.2.2007, blz. 6.

(3)  Scientific Opinion of the Panel on Additives and Products or Substances used in Animal Feed (FEEDAP) on a request from the European Commission on the withdrawal period for Coxidin for chickens and turkeys for fattening and the re-examination of the provisional Maximum Residue Limit. The EFSA Journal (2008) 731, blz. 1-14.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

(handelsnaam)

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Voorlopige maximumresidugehalten (MRL’s) in de desbetreffende levensmiddelen van dierlijke oorsprong

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Coccidiostatica en histomonostatica

5 1 701

Huvepharma

nv Belgium

Monensin-natrium

(Coxidin)

 

Werkzame stof

C36H61O11Na

Natriumzout van polyether-monocarbonzuur geproduceerd door Streptomyces cinnamonensis, 28682 LMG S-19095, in poedervorm.

Samenstelling:

 

monensin A: niet minder dan 90 %;

 

monensin A + B: niet minder dan 95 %;

 

monensin C: 0,2-0,3 %.

 

Samenstelling toevoegingsmiddel

monensin-natrium, technische stof overeenkomend met een monensinactiviteit: 25 %;

perliet: 15-20 %;

tarwezemelen: 55-60 %.

 

Analysemethode  (1)

Methode voor de bepaling van de werkzame stof: hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC) met post-column derivatisering en uv-detectie (λ = 520 nm).

Mestkippen

100

125

1.

Toediening verboden vanaf ten minste één dag vóór het slachten.

2.

Het toevoegingsmiddel moet worden opgenomen in mengvoeder in de vorm van een voormengsel.

3.

Toegestane maximumdosis monensin-natrium in aanvullende diervoeders:

625 mg/kg voor mestkippen;

500 mg/kg voor kalkoenen.

4.

Monensin-natrium mag niet worden gemengd met andere coccidiostatica.

5.

In de gebruiksaanwijzing moet worden vermeld:

„Gevaarlijk voor paardachtigen. Dit voeder bevat een ionofoor: gelijktijdige toediening met tiamuline vermijden en toezien op eventuele bijwerkingen bij gelijktijdig gebruik met andere geneeskrachtige stoffen”.

6.

Dragen van geschikte beschermende kleding, handschoenen en een beschermingsmiddel voor de ogen/het gezicht. Dragen van geschikte ademhalingsapparatuur bij onvoldoende ventilatie in het gebouw.

6.2.2017

25 μg monensin-natrium/kg natte huid + vet.

8 μg monensin-natrium/kg natte lever, natte nieren en natte spier.

Kalkoenen

16 weken

60

100


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/5


VERORDENING (EG) Nr. 1096/2008 VAN DE COMMISSIE

van 6 november 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1356/2004 wat betreft de voorwaarden voor de verlening van de vergunning voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding Elancoban, behorend tot de groep Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name op artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor het toevoegingsmiddel monensin-natrium (Elancoban G100, Elancoban 100, Elancogran 100, Elancoban G200, Elancoban 200) is onder bepaalde voorwaarden overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2) een vergunning verleend. Bij Verordening (EG) nr. 1356/2004 van de Commissie (3) is voor het gebruik van dat toevoegingsmiddel voor mestkippen, opfokleghennen en kalkoenen een vergunning voor tien jaar verleend die is gebonden aan de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van dat toevoegingsmiddel. Dat toevoegingsmiddel werd overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product aangemeld. Aangezien alle krachtens die bepaling vereiste informatie werd ingediend, is het toevoegingsmiddel in het Communautair repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding opgenomen.

(2)

Verordening (EG) nr. 1831/2003 biedt de mogelijkheid om de vergunning voor een toevoegingsmiddel te wijzigen ingevolge een verzoek van de vergunninghouder en een advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA).

(3)

De houder van de vergunning voor het toevoegingsmiddel monensin-natrium (Elancoban G100, Elancoban 100, Elancogran 100, Elancoban G200, Elancoban 200) heeft een aanvraag ingediend om de voorwaarden van de vergunning te wijzigen door het verkorten van de wachttijd vóór het slachten.

(4)

In haar op 18 juni 2008 goedgekeurde advies (4) heeft de EFSA na een nieuwe beoordeling van de menselijke blootstelling geconcludeerd dat voor Elancoban G100, Elancoban 100, Elancogran 100, Elancoban G200 en Elancoban 200 een wachttijd van één dag voor mestkippen, opfokleghennen en kalkoenen kon worden vastgesteld.

(5)

Verordening (EG) nr. 1356/2004 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1356/2004 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 november 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1. Richtlijn ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(3)   PB L 251 van 27.7.2004, blz. 6.

(4)  Scientific Opinion of the Panel on Additives and Products or Substances used in Animal Feed (FEEDAP) on a request from the European Commission on the withdrawal period for Elancoban for chickens for fattening, chickens reared for laying and turkeys for fattening. The EFSA Journal (2008) 730, blz. 1-16.


BIJLAGE

Registratienummer van het toevoegingsmiddel

Naam en registratienummer van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het toevoegingsmiddel

Toevoegingsmiddel

(handelsnaam)

Samenstelling, chemische formule, beschrijving

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Maximumresidugehalten (MRL’s) in de desbetreffende levensmiddelen van dierlijke oorsprong

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder

Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen

E 757

Eli Lilly and Company Limited

Monensin-natrium

(Elancoban G100, Elancoban 100, Elancogran 100, Elancoban G200, Elancoban 200)

 

Werkzame stof

C36H61O11Na

natriumzout van polyethermonocarbonzuur geproduceerd door Streptomyces cinnamonensis, ATCC 15413, in korrelvorm.

Samenstelling:

 

monensin A: niet minder dan 90 %;

 

monensin A + B: niet minder dan 95 %.

 

Samenstelling toevoegingsmiddel

monensin in korrelvorm (gedroogd fermentatieproduct), overeenkomend met een monensinactiviteit van 10 % m/m;

minerale olie: 1-3 % m/m;

kalksteenkorrels: 13-23 % m/m;

rijstdoppen of kalksteenkorrels qs 100 % m/m;

monensin in korrelvorm (gedroogd fermentatieproduct), overeenkomend met een monensinactiviteit van 20 % m/m;

minerale olie: 1-3 % m/m;

rijstdoppen of kalksteenkorrels qs 100 % m/m.

Mestkippen

100

125

Toediening verboden vanaf ten minste één dag vóór het slachten.

In de gebruiksaanwijzing moet worden vermeld:

„Gevaarlijk voor paardachtigen. Dit voeder bevat een ionofoor: gelijktijdige toediening met tiamuline vermijden en toezien op eventuele bijwerkingen bij gelijktijdig gebruik met andere geneeskrachtige stoffen.”.

30.7.2014

25 μg monensin-natrium/kg natte huid + vet

8 μg monensin-natrium/kg natte lever, natte nieren en natte spier.

Opfokleghennen

16 weken

100

120

Kalkoenen

16 weken

60

100


7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/7


VERORDENING (EG) Nr. 1097/2008 VAN DE COMMISSIE

van 6 november 2008

tot vaststelling van buitengewone maatregelen met betrekking tot invoercertificaten in de rijstsector in verband met problemen op de internationale markt in 2008

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1), en met name op de artikelen 134 en 148 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sinds begin 2008 is de invoerstroom in de Gemeenschap van rijst verstoord door diverse uitvoerbeperkende maatregelen in derde landen. In een aantal gevallen ging het om een officieel uitvoerverbod, in andere om maatregelen met dezelfde werking. Bijgevolg konden de importeurs in de Gemeenschap niet voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van de invoercertificaten, en met name aan de verplichting tot invoer als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (2).

(2)

Om de nadelige gevolgen voor importeurs te beperken, dient te worden voorzien in buitengewone maatregelen voor uit hoofde van de tariefcontingentperioden 2007/2008 en 2008 afgegeven invoercertificaten.

(3)

De verplichting tot invoer is een primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (3) die, wanneer de verplichting niet is nagekomen, moet leiden tot het verbeuren van de zekerheid overeenkomstig artikel 22 van die verordening. Op verzoek van de belanghebbende partijen en overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EG) nr. 376/2008 is het dienstig om, van geval tot geval, de verplichting tot invoer te annuleren en de zekerheid vrij te geven. Het is dienstig de voorwaarden vast te stellen waaraan de titularis moet voldoen om aan te tonen dat de uitvoerbeperkende maatregelen als overmacht kunnen worden beschouwd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EG) nr. 376/2008 wordt, met betrekking tot invoercertificaten die zijn afgegeven in de tariefcontingentperiode 2007/2008 uit hoofde van de Verordeningen (EG) nrs. 964/2007 (4) en 1002/2007 (5) of in de tariefcontingentperiode 2008 uit hoofde van de Verordeningen (EG) nrs. 2058/96 (6), 327/98 (7), 955/2005 (8), 1964/2006 (9) en 1529/2007 (10), de verplichting tot invoer voor de niet-gebruikte hoeveelheden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geannuleerd met vrijgave van de zekerheid, op voorwaarde dat de titularis binnen een maand na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening een verzoek daartoe heeft ingediend.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregel geldt alleen wanneer de titularis zich beroept op door een derde land opgelegde voorschriften die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat worden beschouwd als overmacht overeenkomstig de artikelen 39 en 40 van Verordening (EG) nr. 376/2008. De titularis toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat hij niet kon invoeren wegens een door derde landen ingesteld formeel uitvoerverbod of een maatregel met gelijke werking, die een handelaar die te werk gaat met de omzichtigheid die normaal van hem mag worden verwacht, niet kon voorzien op het ogenblik van de aanvraag van het invoercertificaat, en dat de titularis alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om het invoercertificaat te gebruiken tijdens de geldigheidsduur ervan.

Artikel 2

De lidstaten stellen de Commissie vóór 31 januari 2009 in kennis van de ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van deze verordening genomen maatregelen.

Deze kennisgevingen vinden elektronisch plaats. De vorm en de inhoud van de kennisgevingen worden vastgesteld op basis van de modellen die de Commissie ter beschikking stelt van de lidstaten.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 november 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 114 van 26.4.2008, blz. 3.

(3)   PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5.

(4)   PB L 213 van 15.8.2007, blz. 26.

(5)   PB L 226 van 30.8.2007, blz. 15.

(6)   PB L 276 van 29.10.1996, blz. 7.

(7)   PB L 37 van 11.2.1998, blz. 5.

(8)   PB L 164 van 24.6.2005, blz. 5.

(9)   PB L 408 van 22.12.2006, blz. 19.

(10)   PB L 348 van 31.12.2007, blz. 155.


RICHTLIJNEN

7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/9


RICHTLIJN 2008/92/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2008

betreffende een communautaire procedure inzake de doorzichtigheid van de prijzen van gas en elektriciteit voor industriële eindverbruikers (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 90/377/EEG van de Raad van 29 juni 1990 betreffende een communautaire procedure inzake de doorzichtigheid van de prijzen van gas en elektriciteit voor industriële eindverbruikers (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Aangezien de genoemde richtlijn opnieuw wordt gewijzigd, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van de betrokken bepalingen te worden overgegaan.

(2)

De doorzichtigheid van de energieprijzen is, in zoverre deze de voorwaarden versterkt die waarborgen dat de concurrentie op de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst, voor de verwezenlijking en de goede werking van de interne energiemarkt van essentieel belang.

(3)

Doorzichtigheid kan bijdragen tot de opheffing van eventuele discriminatie van de verbruikers doordat de vrije keuze van energievormen en leveranciers wordt bevorderd.

(4)

De mate van doorzichtigheid loopt naar energievorm en naar gelang van de lidstaten en regio’s van de Gemeenschap uiteen en dit brengt de verwezenlijking van een interne energiemarkt in gevaar.

(5)

De prijzen die de industrie van de Gemeenschap voor de door haar gebruikte energie betaalt, vormen echter één van de factoren die haar concurrentievermogen beïnvloeden en derhalve moet dienaangaande vertrouwelijkheid worden bewaard.

(6)

Het door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) in zijn publicaties inzake prijzen gehanteerde systeem van standaardverbruikers en het prijssysteem dat op de grote industriële verbruikers van elektriciteit wordt toegepast, zijn van dien aard dat de doorzichtigheid de bescherming van de vertrouwelijkheid niet in de weg staat.

(7)

Het is dienstig de categorieën verbruikers die door Eurostat worden gehanteerd, uit te breiden tot het maximale niveau waarop de representativiteit van de verbruikers nog gewaarborgd is.

(8)

Aldus zou de doorzichtigheid van de prijzen voor de eindverbruikers kunnen worden bereikt, zonder dat de noodzakelijke vertrouwelijkheid van de contracten in gevaar wordt gebracht. Teneinde de vertrouwelijkheid te eerbiedigen moet een bepaalde categorie ten minste drie verbruikers omvatten, om een prijs te kunnen bekendmaken.

(9)

Deze gegevens die betrekking hebben op het gas en de elektriciteit die door de industrie in het kader van het finale energieverbruik zijn verbruikt, zullen ook de vergelijking met de andere energiebronnen (aardolie, steenkool, fossiele en hernieuwbare energiebronnen) en de andere verbruikers mogelijk maken.

(10)

De bedrijven die gas en elektriciteit leveren, evenals de industriële gas- en elektriciteitsverbruikers, blijven — onafhankelijk van de toepassing van deze richtlijn — onderworpen aan de mededingingsregels van het Verdrag en de Commissie kan uit dien hoofde mededeling van prijzen en verkoopvoorwaarden verlangen.

(11)

De kennis van de geldende prijsstelsels vormt een onderdeel van de prijsdoorzichtigheid.

(12)

De kennis omtrent de onderverdeling van de verbruikers per categorie en van hun respectieve marktaandelen vormt eveneens een onderdeel van de prijsdoorzichtigheid.

(13)

De kennisgeving aan Eurostat van de prijzen en verkoopvoorwaarden voor de verbruikers, vergezeld van de mededeling van de geldende prijsstelsels en van de onderverdeling van de verbruikers in verbruikscategorieën, moet de Commissie in staat stellen in voorkomend geval op grond van deze informatie op de situatie van de interne energiemarkt afgestemde beleidsmaatregelen vast te stellen of voorstellen in te dienen.

(14)

De betrouwbaarheid van de aan Eurostat medegedeelde gegevens zal beter zijn gewaarborgd indien de ondernemingen zelf deze gegevens uitwerken.

(15)

Kennis van de belastingen en parafiscale heffingen is in elke lidstaat van belang voor het verzekeren van de doorzichtigheid van de prijzen.

(16)

Het is dienstig zich te voorzien van de middelen om de betrouwbaarheid van de aan Eurostat meegedeelde gegevens te controleren.

(17)

De verwezenlijking van de doorzichtigheid impliceert de bekendmaking en de zo ruim mogelijke verspreiding van prijzen en prijsstelsels onder de verbruikers.

(18)

Ten behoeve van de totstandbrenging van deze doorzichtigheid op het gebied van de energieprijzen, dient gebruik te worden gemaakt van de door Eurostat ontwikkelde en toegepaste methoden en verworven deskundigheid, zowel op het gebied van de verwerking en de controle van de correctheid van de gegevens als wat de publicatie ervan betreft.

(19)

Met het oog op de totstandbrenging van de interne energiemarkt, is het van belang dat het doorzichtigheidssysteem zo spoedig mogelijk operationeel wordt.

(20)

De uniforme tenuitvoerlegging van deze richtlijn kan in alle lidstaten eerst plaatsvinden wanneer de aardgasmarkt, met name de infrastructuur, een voldoende niveau van ontwikkeling heeft bereikt.

(21)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4).

(22)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven in de bijlagen I en II de wijzigingen aan te brengen die nodig zijn wegens specifieke problemen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(23)

Daar de in deze richtlijn opgenomen nieuwe onderdelen alleen de comitéprocedure betreffen, is omzetting ervan door de lidstaten niet nodig.

(24)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor zorg te dragen dat de bedrijven die gas of elektriciteit aan industriële eindverbruikers als omschreven in de bijlagen I en II leveren, in de in artikel 3 vastgelegde vorm aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) mededeling doen van:

1.

de verkoopprijzen en -voorwaarden die voor industriële eindverbruikers van gas en elektriciteit worden gehanteerd;

2.

de geldende prijsstelsels;

3.

de onderverdeling van de verbruikers en van de overeenkomstige volumes per verbruikscategorie, teneinde de representativiteit van deze categorieën op nationaal niveau te waarborgen.

Artikel 2

1.   De in artikel 1 bedoelde bedrijven nemen jaarlijks op 1 januari en 1 juli de in de punten 1 en 2 van dat artikel bedoelde gegevens op.

Zij delen deze gegevens, die overeenkomstig artikel 3 zijn uitgewerkt, binnen twee maanden mede aan Eurostat en aan de bevoegde instanties van de lidstaten.

2.   Op de grondslag van de in lid 1 bedoelde gegevens publiceert Eurostat jaarlijks, in mei en november, in een passende vorm, de prijzen van gas en elektriciteit voor industrieel gebruik in de lidstaten, alsmede de prijsstelsels aan de hand waarvan deze zijn vastgesteld.

3.   De in artikel 1, punt 3, bedoelde informatie wordt om de twee jaar aan Eurostat en aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verstrekt.

Deze informatie wordt niet gepubliceerd.

Artikel 3

De uitvoeringsbepalingen betreffende de vorm en de inhoud alsmede alle andere kenmerken van de in artikel 1 bedoelde gegevens zijn opgenomen in de bijlagen I en II.

Artikel 4

Eurostat is gehouden de gegevens die uit hoofde van artikel 1 worden meegedeeld en die, vanwege hun aard, onder het bedrijfsgeheim van de ondernemingen kunnen vallen, niet bekend te maken. Dergelijke vertrouwelijke statistische gegevens die Eurostat worden toegezonden, zijn enkel toegankelijk voor ambtenaren van Eurostat en mogen alleen voor statistische doeleinden worden gebruikt.

De eerste alinea vormt echter geen beletsel voor de bekendmaking van dergelijke gegevens in een geaggregeerde vorm die identificatie van de afzonderlijke handelstransacties onmogelijk maakt.

Artikel 5

Wanneer Eurostat statistisch significante anomalieën of incoherenties in de uit hoofde van deze richtlijn meegedeelde gegevens vaststelt, kan het de nationale instanties verzoeken kennis te mogen nemen van de desbetreffende gegevens, in niet-geaggregeerde vorm, evenals van de berekeningswijzen en beoordelingsmethoden waarop de geaggregeerde gegevens zijn gebaseerd, teneinde als afwijkend beschouwde informatie te beoordelen of zelfs te corrigeren.

Artikel 6

De Commissie brengt in de bijlagen I en II de wijzigingen aan die nodig zijn gebleken wegens vastgestelde specifieke problemen. Deze wijzigingen die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigingen, worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Deze wijzigingen mogen evenwel alleen betrekking hebben op technische punten van de bijlagen I en II en mogen geen afbreuk doen aan de opzet van het stelsel in zijn geheel.

Artikel 7

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 8

Eenmaal per jaar doet de Commissie aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Europees Economisch en Sociaal Comité een beknopt verslag over de toepassing van deze richtlijn toekomen.

Artikel 9

Wat aardgas betreft, wordt deze richtlijn in een lidstaat eerst toegepast wanneer deze energievorm daar vijf jaar op de markt is.

De betrokken lidstaat deelt de datum waarop aardgas op de nationale markt beschikbaar is geworden, onverwijld in een kennisgeving aan de Commissie mee.

Artikel 10

Richtlijn 90/377/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage III, deel A, genoemde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 11

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2008.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J.-P. JOUYET


(1)  Advies van het Europees Parlement van 17 juni 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 september 2008.

(2)   PB L 185 van 17.7.1990, blz. 16.

(3)  Zie bijlage III, deel A.

(4)   PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


BIJLAGE I

GASPRIJZEN

Gasprijzen voor industriële eindverbruikers (1) worden volgens de hierna uiteengezette methode verzameld en samengesteld.

a)

De mee te delen prijzen zijn de prijzen die worden betaald door industriële eindverbruikers die via gaspijpleidingen verdeeld gas aankopen voor eigen gebruik.

b)

Alle vormen van industrieel gasgebruik worden in aanmerking genomen. Consumenten die:

gas gebruiken voor de opwekking van elektriciteit in elektriciteitscentrales of WKK-installaties,

gas gebruiken voor niet energetische doeleinden (bv. in de chemische industrie),

meer dan 4 000 000 gigajoule (GJ) aan gas per jaar verbruiken,

zijn echter van het systeem uitgesloten.

c)

De geregistreerde prijzen zijn gebaseerd op een systeem van standaardverbruiksschijven, waarbij elke categorie overeenstemt met een bepaalde jaarlijkse verbruiksschijf.

d)

De prijzen worden tweemaal per jaar verzameld, aan het begin van elke periode van zes maanden (januari en juli), en hebben betrekking op de gemiddelde prijs die de industriële eindverbruikers gedurende de voorbije zes maanden voor gas hebben betaald. De eerste prijsgegevens die aan het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) worden meegedeeld, hebben betrekking op de situatie op 1 januari 2008.

e)

De prijzen worden uitgedrukt in de nationale munteenheid, per gigajoule. De gebruikte eenheid van energie wordt gemeten op basis van de calorimetrische warmtewaarde (Gross Calorific Value, GCV).

f)

Alle kosten dienen in de prijs te zijn opgenomen: netwerktarieven plus verbruikte energie min eventuele kortingen of premies, plus andere heffingen (huur van de meter, vaste kosten enz.). De kosten van eerste aansluiting worden echter niet in de prijzen opgenomen.

g)

De prijzen moeten als nationale gemiddelden worden geregistreerd.

h)

De lidstaten zorgen voor de opstelling en toepassing van kostenefficiënte procedures om te garanderen dat het systeem voor het verzamelen van gegevens representatief is, uitgaande van de volgende regels:

de prijzen zijn gewogen gemiddelden, waarbij het marktaandeel van de onderzochte gasleveranciers als weegfactor wordt gebruikt. Alleen wanneer de gewogen gemiddelden niet kunnen worden berekend, worden wiskundige gemiddelden gehanteerd. De lidstaten dienen in elk geval te garanderen dat een representatief gedeelte van de nationale markt wordt onderzocht;

de marktaandelen dienen gebaseerd te zijn op de hoeveelheid gas die door de gasleveranciers wordt gefactureerd aan de industriële eindverbruikers. Indien mogelijk moeten de marktaandelen voor elke verbruikscategorie afzonderlijk worden berekend. De informatie die gebruikt wordt voor het berekenen van de gewogen gemiddelde prijzen wordt beheerd door de lidstaten, waarbij zij de voorschriften inzake vertrouwelijkheid in acht dienen te nemen;

teneinde de vertrouwelijkheid te bewaren, worden gegevens over de prijzen slechts meegedeeld indien er in de betrokken lidstaat in elke onder j) genoemde categorie ten minste drie eindverbruikers zijn.

i)

Er dient informatie over drie prijsniveaus te worden verstrekt:

de prijzen exclusief belastingen en heffingen;

de prijzen exclusief btw en andere terugvorderbare belastingen;

de prijzen inclusief alle belastingen, heffingen en btw.

j)

De gasprijzen worden onderzocht voor de volgende categorieën industriële eindverbruikers:

Industriële eindverbruiker

Jaarlijks gasverbruik (GJ)

Laagst

Hoogst

Verbruikscategorie-I1

 

< 1 000

Verbruikscategorie-I2

1 000

< 10 000

Verbruikscategorie-I3

10 000

< 100 000

Verbruikscategorie-I4

100 000

< 1 000 000

Verbruikscategorie-I5

1 000 000

<= 4 000 000

k)

Om de twee jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt informatie over het toepaste systeem voor het verzamelen van informatie meegedeeld aan Eurostat, met name: een beschrijving van het onderzoek, het toepassingsgebied daarvan (aantal onderzochte leveranciers, totaal vertegenwoordigd marktpercentage enz.) en de criteria die gebruikt zijn voor het berekenen van de gewogen gemiddelde prijzen en de totale verbruiksvolumen in elke verbruikscategorie. De eerste mededeling betreffende het systeem voor het verzamelen van informatie heeft betrekking op de situatie op 1 januari 2008.

l)

Eenmaal per jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt informatie over de belangrijkste gemiddelde kenmerken en factoren die een invloed hebben op de voor elke verbruikscategorie meegedeelde prijzen meegedeeld aan Eurostat.

De informatie heeft betrekking op:

de met elke gebruikscategorie overeenstemmende gemiddelde belastingsfactoren voor industriële eindverbruikers, berekend op basis van de totale geleverde energie en de gemiddelde maximale vraag,

een beschrijving van de kortingen voor onderbreekbare leveringen,

een beschrijving van de vaste kosten, kosten voor de huur van de meter en andere op nationaal niveau relevante heffingen.

m)

Eenmaal per jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt informatie verstrekt over de tarieven en de berekeningsmethode en wordt een beschrijving gegeven van de belastingen die worden geheven op de verkoop van gas aan industriële eindverbruikers. In die beschrijving moeten ook alle niet-fiscale heffingen ter dekking van systeemkosten en openbaredienstverplichtingen zijn opgenomen.

De beschrijving van de belastingen moet uit drie duidelijk onderscheiden delen bestaan:

belastingen, heffingen, niet-fiscale heffingen, vergoedingen en alle andere fiscale lasten die niet zijn geïdentificeerd in de facturen welke aan industriële eindverbruikers worden verstrekt. De in dit punt beschreven elementen worden opgenomen in de meegedeelde cijfers voor het prijsniveau: „Prijzen exclusief belastingen en heffingen”;

belastingen en heffingen die zijn geïdentificeerd op de facturen die aan industriële eindverbruikers worden verstrekt en die als niet-terugvorderbaar worden beschouwd. De in dit punt beschreven elementen worden derhalve opgenomen in de meegedeelde cijfers voor het prijsniveau: „Prijzen exclusief btw en andere terugvorderbare belastingen”;

belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere terugvorderbare belastingen die zijn geïdentificeerd in de facturen die aan industriële eindverbruikers worden verstrekt. De in dit punt beschreven elementen worden opgenomen in de meegedeelde cijfers voor het prijsniveau: „Prijzen inclusief alle belastingen, heffingen en btw”.

Overzicht van de bedoelde belastingen, heffingen, niet-fiscale heffingen, vergoedingen en fiscale lasten:

belasting over de toegevoegde waarde;

concessievergoedingen. Dit heeft meestal betrekking op licenties en vergoedingen voor het aanleggen van netwerken of andere gasvoorzieningen op gronden of publieke of private eigendommen;

milieubelastingen of -heffingen. Dit heeft meestal betrekking op het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen of WKK of op het belasten van CO2-, SO2- of andere emissies die klimaatverandering in de hand werken;

andere belastingen of heffingen die verband houden met de energiesector: openbaredienstverplichtingen/belastingen of heffingen voor de financiering van regelgevende instanties op het gebied van energie enz.;

andere belastingen of heffingen die geen verband houden met de energiesector: nationale, lokale of regionale fiscale belastingen op energieverbruik, belastingen op gasdistributie enz.

Belastingen op inkomen, eigendom, brandstof voor motorvoertuigen, weggebruik, telecommunicatie-, radio- en reclamevergunningen, afval, enz. worden niet in aanmerking genomen en vallen niet onder deze beschrijving omdat ze ontegensprekelijk deel uitmaken van de kosten van de exploitanten en ook gelden voor andere bedrijfssectoren of activiteiten.

n)

In lidstaten waar één bedrijf instaat voor alle industriële leveringen, mag de informatie door dat bedrijf worden meegedeeld. In lidstaten waar meer dan een bedrijf actief is, moet de informatie door een onafhankelijk statistisch orgaan worden meegedeeld.


(1)  Industriële eindverbruikers kunnen ook andere niet-residentiële verbruikers omvatten.


BIJLAGE II

ELEKTRICITEITSPRIJZEN

De elektriciteitsprijzen voor industriële eindverbruikers (1) worden volgens de hierna uiteengezette methode verzameld en samengesteld.

a)

De mee te delen prijzen zijn de prijzen die worden betaald door industriële eindverbruikers die elektriciteit aankopen voor eigen gebruik.

b)

Alle vormen van industrieel elektriciteitsgebruik worden in aanmerking genomen.

c)

De geregistreerde prijzen zijn gebaseerd op een systeem van standaardverbruiksschijven, waarbij elke categorie overeenstemt met een bepaalde jaarlijkse verbruiksschijf.

d)

De prijzen worden tweemaal per jaar verzameld, aan het begin van elke periode van zes maanden (januari en juli), en hebben betrekking op de gemiddelde prijs die de industriële eindverbruikers gedurende de voorbije zes maanden voor elektriciteit hebben betaald. De eerste prijsgegevens die aan Eurostat worden meegedeeld, hebben betrekking op de situatie op 1 januari 2008.

e)

De prijzen worden uitgedrukt in de nationale munteenheid, per kWh.

f)

Alle kosten dienen in de prijs te zijn opgenomen: netwerktarieven plus verbruikte energie min eventuele kortingen of premies, plus andere heffingen (capaciteitsheffingen, vercommercialisering, huur van de meter enz.). De kosten van eerste aansluiting zijn echter niet in de prijzen opgenomen.

g)

De prijzen moeten als nationale gemiddelden worden geregistreerd.

h)

De lidstaten zorgen voor de opstelling en toepassing van kostenefficiënte procedures om te garanderen dat het systeem voor het verzamelen van gegevens representatief is, uitgaande van de volgende regels:

de prijzen zijn gewogen gemiddelden, waarbij het marktaandeel van de onderzochte elektriciteitsleveranciers als weegfactor wordt gebruikt. Alleen wanneer de gewogen gemiddelden niet kunnen worden berekend, worden wiskundige gemiddelden gehanteerd. De lidstaten dienen in elk geval te garanderen dat een representatief gedeelte van de nationale markt wordt onderzocht;

de marktaandelen dienen gebaseerd te zijn op de hoeveelheid elektriciteit die door de elektriciteitsleveranciers wordt gefactureerd aan de industriële eindverbruikers. Indien mogelijk moeten de marktaandelen voor elke verbruikscategorie afzonderlijk worden berekend. De informatie die gebruikt wordt voor het berekenen van de gewogen gemiddelde prijzen wordt beheerd door de lidstaten, waarbij zij de voorschriften inzake vertrouwelijkheid in acht dienen te nemen;

teneinde de vertrouwelijkheid te bewaren, worden gegevens over de prijzen slechts meegedeeld indien er in de betrokken lidstaat in elke onder j) genoemde categorie ten minste drie eindverbruikers zijn.

i)

Er dient informatie over drie prijsniveaus te worden verstrekt:

de prijzen exclusief belastingen en heffingen;

de prijzen exclusief btw en andere terugvorderbare belastingen;

de prijzen inclusief alle belastingen, heffingen en btw.

j)

De elektriciteitsprijzen worden onderzocht voor de volgende categorieën industriële eindverbruikers:

Industriële eindverbruiker

Jaarlijks elektriciteitsverbruik (MWh)

Laagst

Hoogst

Verbruikscategorie-IA

 

< 20

Verbruikscategorie-IB

20

< 500

Verbruikscategorie-IC

500

< 2 000

Verbruikscategorie-ID

2 000

< 20 000

Verbruikscategorie-IE

20 000

< 70 000

Verbruikscategorie-IF

70 000

≤ 150 000

k)

Om de twee jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt informatie over het toepaste systeem voor het verzamelen van informatie meegedeeld aan Eurostat, met name: een beschrijving van het onderzoek, het toepassingsgebied daarvan (aantal onderzochte leveranciers, totaal vertegenwoordigd marktpercentage enz.) en de criteria die gebruikt zijn voor het berekenen van de gewogen gemiddelde prijzen en de totale verbruiksvolumen in elke verbruikscategorie. De eerste mededeling betreffende het systeem voor het verzamelen van informatie heeft betrekking op de situatie op 1 januari 2008.

l)

Eenmaal per jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt informatie over de belangrijkste kenmerken en factoren die een invloed hebben op de voor elke verbruikcategorie meegedeelde prijzen meegedeeld aan Eurostat.

De informatie heeft betrekking op:

de met elke gebruikscategorie overeenstemmende gemiddelde belastingsfactoren voor industriële eindverbruikers, berekend op basis van de totale geleverde energie en de gemiddelde maximale vraag;

een tabel met de voltagebeperkingen in elk land;

een beschrijving van de vaste kosten, kosten voor de huur van de meter en andere heffingen op nationaal niveau.

m)

Eenmaal per jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt informatie verstrekt over de tarieven en de berekeningsmethode en wordt een beschrijving gegeven van de belastingen die worden geheven op de verkoop van elektriciteit aan industriële eindverbruikers. In die beschrijving moeten ook alle niet-fiscale heffingen ter dekking van systeemkosten en openbaredienstverplichtingen zijn opgenomen.

De beschrijving van de belastingen moet uit drie duidelijk onderscheiden delen bestaan:

belastingen, heffingen, niet-fiscale heffingen, vergoedingen en alle andere fiscale lasten die niet zijn geïdentificeerd in de facturen die aan de industriële eindverbruikers worden verstrekt. De in dit punt beschreven elementen worden opgenomen in het meegedeelde cijfer voor het prijsniveau: „Prijzen exclusief belastingen en heffingen”;

belastingen en heffingen die zijn geïdentificeerd op de facturen die aan industriële eindverbruikers worden verstrekt en die als niet-terugvorderbaar worden beschouwd. De in dit punt beschreven elementen worden opgenomen in de meegedeelde cijfers voor het prijsniveau: „Prijzen exclusief btw en andere terugvorderbare belastingen”;

belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere terugvorderbare belastingen die zijn geïdentificeerd in de facturen die aan industriële eindverbruikers worden verstrekt. De in dit punt beschreven elementen worden opgenomen in de meegedeelde cijfers voor het prijsniveau: „Prijzen inclusief alle belastingen, heffingen en btw”.

Overzicht van de bedoelde belastingen, heffingen, niet-fiscale heffingen, vergoedingen en fiscale lasten die van toepassing kunnen zijn:

belasting over de toegevoegde waarde;

concessievergoedingen. Dit heeft meestal betrekking op licenties en vergoedingen voor het aanleggen van netwerken of andere elektriciteitsvoorzieningen op gronden of publieke of private eigendommen;

milieubelastingen of -heffingen. Dit heeft meestal betrekking op het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen of WKK of op het belasten van CO2-, SO2- of andere emissies die klimaatverandering in de hand werken;

belastingen voor nucleaire en andere inspecties: heffingen voor de ontmanteling van nucleaire installaties, inspecties van en vergoedingen voor nucleaire installaties enz.;

andere belastingen of heffingen in de energiesector: openbare dienstverplichtingen/belastingen of heffingen voor de financiering van regelgevende instanties op het gebied van energie enz.;

andere belastingen of heffingen die geen verband houden met de energiesector: nationale, lokale of regionale fiscale belastingen op energieverbruik, belastingen op elektriciteitsdistributie enz.

Belastingen op inkomen en eigendom, douaneheffingen op olieproducten en brandstoffen voor andere doeleinden dan elektriciteitsopwekking, belastingen op brandstof voor motorvoertuigen en op weggebruik, vergoedingen voor telecommunicatie-, radio- en reclamevergunningen, heffingen voor vergunningen, belastingen op afval, enz. worden niet in aanmerking genomen en vallen niet onder deze beschrijving omdat ze ontegensprekelijk deel uitmaken van de kosten van de exploitanten en ook gelden voor andere bedrijfssectoren of activiteiten.

n)

Eenmaal per jaar, samen met het indienen van de prijsinformatie in januari, wordt een uitsplitsing van de elektriciteitsprijzen in hun belangrijkste onderdelen meegedeeld aan Eurostat. Deze uitsplitsing van de elektriciteitsprijzen in hun belangrijkste onderdelen gebeurt op basis van de hierna uiteengezette methode.

De volledige prijs voor elektriciteit per verbruikscategorie kan worden beschouwd als de totale som van de „netwerkprijs”, de prijzen van „energie en levering” (d.w.z. van opwekking tot vercommercialisering, met uitzondering van de netwerkprijzen) en alle belastingen en heffingen.

De „netwerkprijs” is de verhouding tussen de inkomsten uit de transmissie- en distributietarieven en (indien mogelijk) het daarmee overeenstemmende kWh-volume per verbruikscategorie. Als er geen afzonderlijke kWh-volumen per verbruikscategorie beschikbaar zijn, moeten ramingen worden opgesteld.

De prijs van „energie en levering” is de totale prijs min de „netwerkprijs” en min alle belastingen en heffingen.

Belastingen en heffingen. Dit onderdeel wordt nog eens uitgesplitst in:

belastingen en heffingen op „netwerkprijzen”,

belastingen en heffingen op de prijs van „energie en leveringen”,

btw en andere terugvorderbare belastingen.

OPMERKING: Wanneer complementaire diensten afzonderlijk worden geïdentificeerd, kunnen ze als volgt aan een van de twee hoofdonderdelen worden toegewezen:

„netwerkprijzen” omvatten de volgende kosten: transmissie- en distributietarieven, transmissie- en distributieverliezen, netwerkkosten, kosten van klantendienst, kosten van systeemdiensten en meterhuur;

de prijs van „energie en leveringen” omvat de volgende kosten: de kosten van opwekking, aggregatie en balancering van energie, de kosten van de geleverde energie, de kosten van dienstverlening aan de klant, dienst-naverkoop, bemetering en andere leveringskosten;

andere specifieke kosten. Dit punt omvat de kosten die niet onder netwerkkosten, kosten van energie en levering of belastingen vallen. Als dergelijke kosten bestaan, worden ze afzonderlijk meegedeeld.

o)

In lidstaten waar één bedrijf instaat voor alle industriële leveringen, mag de informatie door dat bedrijf worden meegedeeld. In lidstaten waar meer dan een bedrijf actief is, moet de informatie door een onafhankelijk statistisch orgaan worden meegedeeld.


(1)  Industriële eindverbruikers kunnen ook andere niet-residentiële verbruikers omvatten.


BIJLAGE III

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 10)

Richtlijn 90/377/EEG van de Raad

(PB L 185 van 17.7.1990, blz. 16)

 

Richtlijn 93/87/EEG van de Commissie

(PB L 277 van 10.11.1993, blz. 32)

 

Bijlage I bij de Toetredingsakte van 1994

(PB C 241 van 29.8.1994, blz. 21)

 

Punt 12.A.3, a en b, van bijlage II bij de Toetredingsakte van 2003

(PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33)

 

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Uitsluitend bijlage I, punt 3

Richtlijn 2006/108/EG van de Raad

(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 414)

Uitsluitend wat de verwijzing naar Richtlijn 90/377/EEG in artikel 1 en de bijlage, punt 1, onder a) en b), betreft

Besluit 2007/394/EG van de Commissie

(PB L 148 van 9.6.2007, blz. 11)

 

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 10)

Richtlijn

Omzettingstermijn

90/377/EEG

30 juli 1991

93/87/EEG

2006/108/EG

van 1 januari 2007


BIJLAGE IV

Concordantietabel

Richtlijn 90/377/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1, eerste zin

Artikel 2, lid 1, eerste alinea

Artikel 2, lid 1, tweede zin

Artikel 2, lid 1, tweede alinea

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3, eerste zin

Artikel 2, lid 3, eerste alinea

Artikel 2, lid 3, tweede zin

Artikel 2, lid 3, derde zin

Artikel 2, lid 3, tweede alinea

Artikelen 3 tot en met 5

Artikelen 3 tot en met 5

Artikel 6, eerste zin

Artikel 6, eerste alinea, eerste zin

Artikel 6, eerste alinea, tweede zin

Artikel 6, tweede zin

Artikel 6, tweede alinea

Artikel 7, leden 1 en 2

Artikel 7

Artikel 7, lid 3

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9, eerste alinea

Artikel 9, tweede alinea, eerste zin

Artikel 9, eerste alinea

Artikel 9, tweede alinea, tweede zin

Artikel 9, tweede alinea

Artikelen 10 en 11

Artikel 10

Artikel 12

Bijlagen I en II

Bijlagen I en II

Bijlage III

Bijlage IV


DOOR HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD GEZAMENLIJK AANGENOMEN BESLUITEN

7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/20


BESLUIT Nr. 1098/2008/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2008

inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 137, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is een van de bijzondere engagementen van de Europese Unie en haar lidstaten.

(2)

Door het Verdrag van Amsterdam werden in 1997 nieuwe bepalingen over de bestrijding van de sociale uitsluiting toegevoegd aan de bestaande sociale bepalingen van het EG-Verdrag — met name de artikelen 136 en 137 — en werden een rechtskader en een rechtsgrondslag voor een nieuwe beleidsinzet op dit gebied vastgelegd.

(3)

Op 23 en 24 maart 2000 stelde de Europese Raad van Lissabon vast dat het aantal mensen dat onder de armoedegrens leefde en sociaal was uitgesloten, onaanvaardbaar hoog was. De bevordering van de sociale integratie in de Europese Unie werd derhalve van groot belang geacht voor het verwezenlijken van haar strategische doel voor de komende tien jaar, namelijk economische groei, meer en betere banen en een hechtere sociale cohesie.

(4)

Tijdens de Europese Raad van Lissabon werden de lidstaten en de Commissie opgeroepen tot stappen die een doorslaggevend effect moesten hebben op de uitbanning van armoede in het jaar 2010. De Europese Raad van Lissabon bereikte aldus overeenstemming over de invoering van een open coördinatiemethode (OCM) op dit gebied.

(5)

Van meet af aan was de OCM voor sociale bescherming en sociale integratie een belangrijk hulpmiddel waarmee deze beleidsinzet kan worden ondersteund en waarmee de Europese Unie de lidstaten een betere ondersteuning kan bieden bij hun streven naar een grotere sociale cohesie in Europa.

(6)

Dankzij de OCM kunnen de lidstaten van elkaar leren en is het besef gegroeid dat uitsluiting en armoede veel verschijningsvormen kent. De OCM schept hierdoor de voorwaarden om meer resultaten in de praktijk te behalen en om het belang dat de Europese Unie aan sociale waarden hecht, duidelijker kenbaar te maken aan haar burgers.

(7)

Aanzienlijke bevolkingsgroepen zien zich ondanks deze resultaten nog steeds geconfronteerd met achterstelling of een beperkte en ongelijke toegang tot voorzieningen of zijn uitgesloten van de samenleving. In het gezamenlijke verslag over sociale bescherming en sociale integratie 2008 wordt onderstreept dat 78 miljoen mensen in de Europese Unie het risico lopen tot armoede te vervallen, waaronder 19 miljoen kinderen. De genderkloof ligt rond de twee procentpunten.

(8)

Daarnaast zijn de ongelijke welvaartsverdeling en ernstige armoede punten van toenemende zorg in de Europese Unie.

(9)

Er is in het belang van de sociale en economische cohesie nood aan steun voor minder begunstigde regio’s, gebieden met permanente structurele nadelen, de meest perifere regio’s, bepaalde eilanden en insulaire lidstaten en gebieden die te maken hebben gehad met recente de-industrialisatie of industriële omschakeling.

(10)

Sociale uitsluiting schaadt het welzijn van burgers, doordat het hun capaciteit zich uit te drukken en aan het maatschappelijk leven deel te nemen, beperkt. Dit aspect moet daarom in het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (hierna: „het Europees Jaar”) de nodige zichtbaarheid krijgen.

(11)

In zijn resolutie van 15 november 2007 over de balans van de sociale realiteit benadrukt het Europees Parlement dat het versterken van de sociale samenhang en het uitbannen van armoede en sociale uitsluiting een politieke prioriteit moeten worden voor de Europese Unie.

(12)

Armoede en sociale uitsluiting moeten zowel intern, binnen de Europese Unie, worden bestreden als extern overeenkomstig de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de VN, die de Europese Unie en de lidstaten hebben onderschreven.

(13)

Het probleem van armoede en sociale uitsluiting neemt brede, complexe en veelgeschakeerde vormen aan. Deze houden verband met een groot aantal factoren, zoals inkomen en levensstandaard, kansen op het gebied van onderwijs en behoorlijk werk, effectieve socialebeschermingsstelsels, huisvesting en toegang tot gezondheidszorg en andere voorzieningen van goede kwaliteit, alsmede actief burgerschap. Bijgevolg moeten de belanghebbenden op alle relevante beleidsterreinen bij de zaak worden betrokken.

(14)

Armoedepreventie en -bestrijding vereisen daarom meerdimensionale beleidsmaatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau die een evenwicht waarborgen tussen economisch en sociaal beleid en gerichte strategieën voor groepen of mensen in bijzonder kwetsbare situaties. Het Europees Jaar kan helpen dit meerdimensionale beleid te stimuleren, alsmede de verdere ontwikkeling van indicatoren ervoor.

(15)

De sociale agenda 2005-2010, die de strategie van Lissabon aanvult en ondersteunt, vervult een essentiële rol bij de bevordering van de sociale dimensie van de economische groei en de actieve deelname van de burgers aan het maatschappelijk leven en op de arbeidsmarkt. Een van de prioriteiten van de sociale agenda is de bevordering van gelijke kansen voor iedereen als drijvende kracht achter sociale solidariteit en solidariteit tussen de generaties en de totstandbrenging van een sterker op integratie gerichte samenleving zonder armoede.

(16)

Verscheidene lidstaten wijzen in hun nationale actieplannen betreffende sociale integratie op het grote risico van armoede en/of uitsluiting waarmee sommige groepen geconfronteerd worden, zoals kinderen, vroegtijdige schoolverlaters, alleenstaande ouders, grote gezinnen, gezinnen met een enkel inkomen, jongeren, met name jonge vrouwen, bejaarden, migranten en etnische minderheden, mensen met een handicap en hun verzorgers, daklozen, werklozen, met name langdurig werklozen, gevangenen, vrouwen en kinderen die het slachtoffer van geweld zijn, en zware drugsgebruikers. Nationaal beleid en ondersteunende maatregelen voor de meest kwetsbare groepen kunnen een belangrijke rol spelen bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

(17)

Behoorlijk werk kan voor het individu de kans op armoede aanzienlijk geringer maken. Werk op zich is evenwel niet altijd voldoende om mensen uit hun armoede te bevrijden; ook werkenden staan nog steeds aan het risico van armoede bloot. Armoede onder werkenden houdt verband met lage lonen, de kloof tussen beloning van mannen en vrouwen, een laag niveau van vaardigheden, beperkte kans op een beroepsopleiding, de noodzaak baan en gezin te combineren en onzeker werk en werkomstandigheden, en ook met moeilijke omstandigheden in het huishouden. Kwalitatief hoogwaardig werk en sociale en economische ondersteuning zijn daarom essentiële voorwaarden om mensen uit armoede te bevrijden.

(18)

Het ontbreken van basiscompetenties en -kwalificaties die aansluiten bij de veranderende eisen van de arbeidsmarkt, vormt eveneens een belangrijke belemmering voor integratie in de samenleving. Er bestaat dus een steeds groter gevaar dat er een nieuwe kloof ontstaat in de maatschappij tussen degenen die toegang hebben tot een leven lang leren en zo hun arbeidskansen en aanpassingsvermogen verbeteren en hun persoonlijke ontwikkeling en actieve deelname aan de samenleving bevorderen enerzijds en degenen die hiervan uitgesloten blijven en te maken hebben met diverse vormen van discriminatie anderzijds. Mensen die geen toereikende kwalificaties bezitten, zullen meer moeilijkheden ondervinden om aan het arbeidsproces deel te nemen en een goede baan te vinden en lopen een groter risico om gedurende lange perioden inactief te zijn of om in laagbetaalde banen terecht te komen.

(19)

De toegang tot informatie- en communicatietechnologie en de mogelijkheid hiervan gebruik te maken worden een steeds belangrijkere voorwaarde voor integratie. Een op 11 juni 2006 te Riga goedgekeurde ministeriële verklaring bevat een oproep voor een informatiemaatschappij voor allen.

(20)

Een brede steun onder de bevolking en ruime politieke steun voor het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is een beslissende factor voor het welslagen ervan. Daarnaast draagt de uitvoering van de EU-wetgeving inzake gelijkheid en niet-discriminatie ook bij tot het halen van de doelstellingen van het Europees Jaar. Het Europees Jaar moet daarom een katalyserende rol vervullen bij het bewustmakings- en activeringsproces alsmede bij de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten, plaatselijke en regionale autoriteiten en internationale organisaties die betrokken zijn bij de strijd tegen armoede. Het moet ertoe bijdragen dat de politieke aandacht gefocust is en dat alle betrokkenen worden gestimuleerd om vorderingen te maken met de OCM voor sociale bescherming en sociale integratie en deze methode te versterken, alsook om verdere acties en initiatieven op communautair en nationaal niveau op dit gebied, samen met de mensen die het slachtoffer zijn van armoede en hun vertegenwoordigers, te bevorderen.

(21)

In het kader van het Europees Jaar moet een op actieve integratie gericht beleid worden bevorderd als middel om armoede en sociale uitsluiting te voorkomen en een bijdrage worden geleverd aan de bevordering van beste praktijken op dit gebied binnen de OCM.

(22)

Gezien de uiteenlopende mate van vooruitgang in de verschillende landen en de uiteenlopende nationale sociaaleconomische en culturele contexten en gevoeligheden moet het merendeel van de activiteiten van het Europees Jaar op nationaal niveau gedecentraliseerd worden door middel van een systeem van indirect gecentraliseerd management overeenkomstig de procedures van artikel 54, lid 2, onder c), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5).

(23)

De Commissie dient echter toe te zien op de vaststelling van de beleidsprioriteiten op nationaal niveau, zodat de samenhang met de voor het Europees Jaar overeengekomen strategische doelstellingen en uiteindelijk met de voor de OCM vastgelegde gemeenschappelijke doelstellingen gewaarborgd wordt.

(24)

Effectieve coördinatie tussen alle deelnemende partners op communautair, nationaal, regionaal en lokaal niveau is een basisvereiste om te bereiken dat het Europees Jaar effect sorteert. Lokale en regionale partners hebben een specifieke rol te spelen met betrekking tot de verdediging van de belangen van mensen die in armoede of sociale uitsluiting leven.

(25)

Deelname aan het Europees Jaar moet openstaan voor de lidstaten, de tot de Europese Vrijhandelsassociatie (EFTA) behorende landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst, de kandidaat-lidstaten waarvoor een pretoetredingsstrategie geldt en de landen van de westelijke Balkan, overeenkomstig de voorwaarden in de respectieve overeenkomsten, en de landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) vallen, overeenkomstig de bepalingen van het strategiedocument van mei 2004 en de nationale actieplannen.

(26)

Het Europees Jaar kan bijdragen tot een betere coördinatie tussen bestaande programma’s en initiatieven voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting op communautair niveau, inclusief de OCM voor sociale bescherming en sociale integratie.

(27)

Samenhang en complementariteit met andere communautaire acties zijn noodzakelijk, in het bijzonder met het Progress-programma, de structuurfondsen en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), acties op het gebied van de bestrijding van discriminatie en de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en van de grondrechten, op het gebied van onderwijs en scholing, cultuur en interculturele dialoog, jeugd, burgerschap, immigratie en asiel, en onderzoek. In dit besluit worden de financiële middelen voor de gehele looptijd van het programma vastgesteld.

(28)

Tijdens het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting dienen de beste praktijken naar aanleiding van vorige Europese Jaren, met name het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen (2007) en het Europees Jaar van de interculturele dialoog (2008), te worden voortgezet.

(29)

In dit besluit worden de financiële middelen voor de gehele looptijd van het programma vastgesteld. Dit bedrag vormt voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (6).

(30)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(31)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit niet volledig door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de behoefte aan onder meer multilaterale samenwerkingsverbanden, transnationale informatie-uitwisseling en de verspreiding van goede werkwijzen in de gehele Gemeenschap, en derhalve wegens de omvang van de actie beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

BESLUITEN:

Artikel 1

Het Europees Jaar

Met het oog op de ondersteuning van het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de bestrijding van sociale uitsluiting wordt het jaar 2010 uitgeroepen tot het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (hierna: „het Europees Jaar”).

Artikel 2

Doelstellingen en leidende beginselen

1.   Hier volgen de doelstellingen en leidende beginselen van het Europees Jaar:

a)

erkenning van rechten — De erkenning van het fundamentele recht van mensen die zich in een situatie van armoede en sociale uitsluiting bevinden, op een waardig leven en volwaardige rol in de samenleving. Het Europees Jaar zal het publieke bewustzijn vergroten omtrent de situatie van mensen die armoede lijden, met name groepen of mensen in kwetsbare situaties, en zal bijdragen tot de bevordering van hun effectieve toegang tot sociale, economische en culturele rechten alsook tot toereikende middelen en diensten van goede kwaliteit. Het Europees Jaar zal tevens bijdragen tot de bestrijding van stereotypen en stigmatisering;

b)

gedeelde verantwoordelijkheid en participatie — Een grotere gezamenlijke verantwoordelijkheid voor beleid en acties op het gebied van de sociale integratie, met het accent op zowel de collectieve als de individuele verantwoordelijkheid bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, alsmede het belang van bevordering van en steun aan vrijwillige activiteiten. Het Europees Jaar stimuleert de betrokkenheid van openbare en particuliere actoren, o.a. door middel van proactieve partnerschappen. Het zal de bewustmaking en de betrokkenheid bevorderen en kansen creëren voor bijdragen van alle burgers, met name mensen met directe of indirecte ervaring met armoede;

c)

cohesie — Bevordering van een op grotere cohesie gerichte samenleving door een betere publieke voorlichting over de voordelen die iedereen ten goede zouden komen als armoede is uitgebannen, eerlijke verdeling wordt ondersteund en niemand in de marge leeft. Het Europees Jaar zal een samenleving bevorderen die voor allen levenskwaliteit, inclusief de kwaliteit van vaardigheden en banen, maatschappelijk welzijn, inclusief het welzijn van kinderen, en gelijke kansen ondersteunt en verbetert. Het zal voorts duurzame ontwikkeling, solidariteit tussen en binnen de generaties en samenhang van het beleid met activiteiten van de Europese Unie op de gehele wereld waarborgen;

d)

inzet en concreet optreden — Herbevestiging van de krachtige politieke inzet van de Europese Unie en de lidstaten om een beslissende impact op de uitbanning van armoede en sociale uitsluiting te hebben en stimulering van deze inzet en dit optreden op alle bestuursniveaus. Door voort te bouwen op de resultaten en het potentieel van de OCM voor sociale bescherming en sociale integratie geeft het Europees Jaar door de nadruk te leggen op politieke aandacht en het in beweging brengen van alle belanghebbende partijen meer gewicht aan politieke inzet voor de preventie en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en geeft het een verdere impuls aan het optreden van de lidstaten en de Europese Unie op dit gebied.

2.   Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen houden de Gemeenschap en de lidstaten rekening met de prioriteiten die vermeld zijn in deel IV van de bijlage.

Artikel 3

Inhoud van de acties

1.   De acties op communautair en nationaal niveau tot verwezenlijking van de in artikel 2 vermelde doelstellingen kunnen onder meer bestaan uit:

a)

bijeenkomsten en evenementen;

b)

voorlichtings-, promotie- en educatieve campagnes;

c)

enquêtes en studies op communautair of nationaal niveau, indien nodig op basis van genderspecifieke gegevensverzameling.

2.   De bijlage bevat de bijzonderheden van de in lid 1 vermelde acties.

3.   Alle acties die bedoeld zijn voor een ruimer publiek, moeten gemakkelijk toegankelijk zijn voor iedereen, inclusief voor mensen die in armoede leven en mensen met een handicap.

Artikel 4

Gendermainstreaming

Bij de uitvoering van het Europees Jaar wordt rekening gehouden met de verschillende risico’s en de omvang van armoede en sociale uitsluiting die door vrouwen en mannen worden ervaren. De Gemeenschap en de lidstaten houden bij de uitvoering van het Europees Jaar rekening met gendermainstreaming.

Artikel 5

Samenwerking en uitvoering op communautair niveau

1.   De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen worden volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie ziet erop toe dat de onder dit besluit vallende communautaire acties in overeenstemming met de bijlage worden uitgevoerd.

3.   De Commissie doet met name het nodige om de samenhang en de complementariteit tussen het communautaire optreden en de initiatieven overeenkomstig artikel 10 te garanderen en zo de in artikel 2 vermelde doelstellingen te verwezenlijken.

4.   De Commissie houdt geregeld gedachtewisselingen met de betrokken partijen, met name met degene die werken met en voor mensen die in armoede leven, in het bijzonder op Europees niveau, over de opzet, de uitvoering, de follow-up en de beoordeling van het Europees Jaar. Zij maakt alle desbetreffende informatie algemeen beschikbaar.

5.   De Commissie betrekt het Comité voor sociale bescherming nauw bij de voorbereiding en uitvoering van het Europees Jaar en informeert andere bevoegde comités of betrekt deze bij de zaak, indien nodig.

6.   De Commissie werkt indien nodig samen met andere instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie.

Artikel 6

Samenwerking en uitvoering op nationaal niveau

1.   Elke lidstaat wijst een nationaal uitvoeringorgaan aan, dat belast is met de organisatie van zijn deelname aan het Europees Jaar en met de coördinatie op nationaal niveau. Dit nationale uitvoeringsorgaan is verantwoordelijk voor het vaststellen van het nationale programma en de prioriteiten voor het Europees Jaar, alsook voor de selectie van individuele acties waarvoor communautaire financiering zal worden aangevraagd. De nationale strategie en prioriteiten voor het Europees Jaar zullen overeenkomstig de in artikel 2 vermelde doelstellingen worden vastgesteld.

2.   De procedure voor de toewijzing van communautaire financiering voor activiteiten op nationaal niveau is in deel II van de bijlage vastgelegd.

3.   Bij de uitvoering van zijn taken, in het bijzonder bij het opstellen van het nationale programma, en telkens wanneer dit nodig is gedurende de uitvoering van het Europees Jaar, zal het nationale uitvoeringsorgaan nauw overleggen en samenwerken met een breed scala aan belanghebbende partijen, zoals maatschappelijke organisaties en organisaties die de belangen van mensen die onder armoede en sociale uitsluiting gebukt gaan, verdedigen of vertegenwoordigen, de sociale partners en de regionale en lokale autoriteiten.

Artikel 7

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité, hierna „het comité” genoemd.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

3.   De vertegenwoordiger van de lidstaat in het comité wordt voor zover mogelijk aangewezen uit de leden van het nationale uitvoeringsorgaan als bedoeld in artikel 6, lid 1.

Artikel 8

Financiële bepalingen

1.   De in deel I van de bijlage beschreven acties op communautair niveau kunnen voor ten hoogste 80 % gesubsidieerd worden of leiden tot een uit de middelen van de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde overheidsopdracht.

2.   Nationale, regionale of lokale acties kunnen uit de algemene begroting van de Europese Unie worden medegefinancierd voor ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten van de overeenkomstig de procedure van deel II van de bijlage uitgevoerde acties.

Artikel 9

Procedure voor de indiening en selectie van de aanvragen

1.   De Commissie neemt besluiten betreffende de financiering van acties ingevolge artikel 8, lid 1, overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.   Aanvragen om financiële steun voor maatregelen ingevolge artikel 8, lid 2, worden door de nationale uitvoeringsorganen bij de Commissie ingediend overeenkomstig de in deel II van de bijlage beschreven procedure.

Artikel 10

Samenhang en complementariteit

1.   De Commissie zorgt samen met de deelnemende landen voor samenhang tussen de in dit besluit vastgestelde maatregelen en andere communautaire, nationale, regionale en lokale acties en initiatieven.

2.   Zij dragen zorg voor een volledige complementariteit tussen het Europees Jaar en de bestaande communautaire, nationale en regionale initiatieven en middelen, voor zover deze tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Jaar kunnen bijdragen.

Artikel 11

Deelnemende landen

Het Europees Jaar staat open voor de deelname van:

a)

de lidstaten;

b)

de kandidaat-lidstaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en de algemene bepalingen en voorwaarden voor deelname van deze landen aan communautaire programma’s, die respectievelijk in de kaderovereenkomst en de besluiten van de Associatieraden zijn vastgesteld;

c)

de landen van de westelijke Balkan, overeenkomstig de regelingen die met die landen moeten worden vastgesteld in het kader van de kaderovereenkomsten over de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma’s;

d)

EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst;

e)

de partnerlanden in het kader van het ENB, overeenkomstig de algemene beginselen en de algemene bepalingen en voorwaarden ten aanzien van de deelname van deze landen aan communautaire programma’s zoals vastgesteld in het strategiedocument van mei 2004 en de nationale actieplannen. Financiële steun van de Gemeenschap voor acties in ENB-partnerlanden valt in deze context onder het ENB-instrument, overeenkomstig de prioriteiten en procedures vastgesteld in het kader van de algemene samenwerking met deze landen.

Artikel 12

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van de in dit besluit genoemde activiteiten voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 worden vastgesteld op 17 000 000 EUR, waarvan 6 500 000 EUR bestemd is voor de periode tot en met 31 december 2009.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financiële kader 2007-2013.

Artikel 13

Internationale samenwerking

De Commissie kan voor het Europees Jaar samenwerken met de daartoe in aanmerking komende internationale organisaties, met name de Raad van Europa, de Internationale Arbeidsorganisatie en de Verenigde Naties.

Artikel 14

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

De Commissie zorgt er bij de uitvoering van de uit hoofde van dit besluit gefinancierde acties voor dat de financiële belangen van de Gemeenschap worden beschermd door preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te nemen, doeltreffende controles te verrichten en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen; en, indien er onregelmatigheden worden geconstateerd, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (8) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (9) en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (10).

Artikel 15

Toezicht en evaluatie

1.   De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2011 een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de tenuitvoerlegging, de resultaten en de algehele beoordeling van de in dit besluit voorziene maatregelen.

2.   Het verslag bevat ook informatie over de manier waarop de genderdimensie in de activiteiten van het Europees Jaar is gemainstreamd en over de manier waarop het Europees Jaar groepen of personen in kwetsbare situaties heeft gebaat.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2008.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J.-P. JOUYET


(1)   PB C 224 van 30.8.2008, blz. 106.

(2)  Advies uitgebracht op 18 juni 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Advies van het Europees Parlement van 17 juni 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 2 oktober 2008.

(4)   PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(5)   PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

(6)   PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(7)   PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)   PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(9)   PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(10)   PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.


BIJLAGE

Bijzonderheden van de in artikel 3 van dit besluit genoemde acties

I.   ACTIES OP COMMUNAUTAIR NIVEAU

1.   Bijeenkomsten en evenementen

De organisatie van bijeenkomsten en evenementen op communautair niveau, die bedoeld zijn om bekendheid te geven aan de thema’s van het Europees Jaar en aan armoede en sociale uitsluiting, alsook om een forum voor de uitwisseling van ideeën te bieden. Deze bijeenkomsten van de daartoe in aanmerking komende belanghebbende partijen zullen samen met mensen die in armoede leven en de hen vertegenwoordigende maatschappelijke organisaties worden gepland. Deze bijeenkomsten en evenementen zullen de ontwikkeling bevorderen van maatregelen en praktijken voor sociale zelfbeschikking en helpen om tekortkomingen van het beleid aan te pakken, alsmede om bij de betrokken spelers en de bevoegde instellingen het bewustzijn te vergroten van de vele dimensies van armoede en sociale uitsluiting (vooral bij vrouwen en kinderen), inclusief factoren als de toegang tot werk, huisvesting, sociale bescherming, gezinshulp, gezondheidszorg en sociale voorzieningen.

2.   Voorlichtings- en promotiecampagnes, onder meer bestaande uit:

De organisatie van diverse solidariteitsinitiatieven tot bestrijding van armoede en bevordering van sociale integratie die alle burgers de kans bieden om rechtstreeks of via hun organisaties desnoods een bescheiden bijdrage te leveren in welke vorm dan ook; mediacampagnes op communautair en nationaal en EU-niveau kunnen fondsenwerving in het kader van het Europees Jaar ondersteunen.

Het ontwerpen van een in verschillende formaten beschikbaar logo en bedenken van slagzinnen voor het Europees Jaar, die in het kader van alle activiteiten in verband met het Europees Jaar gebruikt kunnen worden.

Een voorlichtingscampagne op communautair niveau en de lokalisering van die campagne op nationaal en lokaal niveau via zowel traditionele als nieuwe communicatiekanalen en nieuwe technologieën.

De productie van in de hele Gemeenschap verkrijgbare communicatie- en mediamiddelen om de belangstelling van het publiek te wekken.

Adequate maatregelen en initiatieven om informatie te verstrekken, bekendheid te geven aan de resultaten en te zorgen voor een betere zichtbaarheid van de communautaire programma’s en acties en initiatieven die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Jaar bijdragen.

Geschikte initiatieven van onderwijsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties en liefdadigheidsorganisaties op communautair en nationaal niveau, tot verspreiding van informatie over het Europees Jaar en over maatregelen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting.

De organisatie van Europese wedstrijden om de resultaten en de ervaringen in verband met de thema’s van het Europees Jaar voor het voetlicht te brengen.

Nauwe contacten met organisaties en sectoren die in de regel niet betrokken zijn bij met armoede en sociale uitsluiting samenhangende kwesties (bijvoorbeeld sport, kunst), onder meer in de vorm van benefietwedstrijden en voorstellingen en „ambassadeurs”.

De ontwikkeling van inhoud voor de website Europa.

3.   Overige activiteiten

De gehele Gemeenschap omvattende enquêtes en studies, indien nodig op basis van genderspecifieke gegevensverzameling, voor de beoordeling van en de rapportage over de voorbereiding, de doeltreffendheid en het onmiddellijke en langetermijneffect van het Europees Jaar. Met het oog op het vaststellen van innoverende oplossingen zal een van deze enquêtes de publieke opinie peilen ten aanzien van beleid tot preventie en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, inclusief in voorkomend geval socialebeschermingsstelsels, alsook ten aanzien van de mogelijke rol van de Europese Unie bij de bestrijding van armoede en uitsluiting. Deze enquête zal in 2009 worden uitgevoerd, zodat de resultaten ervan tijdens de openingsconferentie van het Europees Jaar bekend kunnen worden gemaakt.

De bevordering van onderzoek naar het verband tussen ernstige armoede en grondrechten.

Samenwerking met de particuliere sector, omroeporganisaties en andere media als partners bij de verspreiding van informatie over het Europees Jaar en bij activiteiten die gericht zijn op een dialoog op de lange termijn over sociale kwesties.

Technische bijstand ten behoeve van de overdracht van leerervaringen.

Een evaluatieverslag over de doeltreffendheid en reikwijdte van het Europees Jaar.

In het bijzonder zou er kunnen worden ingehaakt op de organisatie van evenementen op Europees en internationaal niveau, in het bijzonder door synergieën tot stand te brengen tussen het Europees Jaar en de activiteiten rond de Internationale Dag van de VN voor de uitbanning van armoede op 17 oktober.

De Commissie kan gebruikmaken van technische en/of administratieve bijstand, die zowel haar als de deelnemende landen ten goede komt, bijvoorbeeld door de financiering van externe deskundigen op een specifiek gebied.

4.   Financiering

Behoudens het bepaalde in de artikelen 8 en 12 van dit besluit kan financiering bestaan uit:

het aankopen van goederen en diensten, in het bijzonder op het gebied van communicatie, via aanbestedingen;

het inhuren van adviesdiensten via aanbestedingen;

subsidies voor uitgaven voor speciale manifestaties op communautair niveau die de aandacht op het Europees Jaar vestigen en er bekendheid aan geven. Deze financiering mag niet meer dan 80 % van de totale uitgaven van de ontvanger bedragen.

II.   MEDEFINANCIERING VAN ACTIES OP NATIONAAL NIVEAU

Bij deze acties wordt er rekening mee gehouden dat er mogelijkheden tot financiering moeten worden geboden, zodat organisaties „in het veld” en projecten waarbij de meest gemarginaliseerde groepen zijn betrokken, kunnen deelnemen.

1.   Acties op nationaal, regionaal of lokaal niveau kunnen in aanmerking komen voor financiering uit de Gemeenschapsbegroting ten bedrage van ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten per deelnemend land. De nationale medefinanciering moet even groot zijn als die van de Europese Unie en voor ten minste 50 % uit publieke of particuliere middelen afkomstig zijn. Bij het selecteren van acties kunnen de nationale uitvoeringsorganen zelf beslissen of zij al dan niet — en zo ja, voor welk bedrag — medefinanciering van de voor de uitvoering van afzonderlijke acties verantwoordelijke organisatie aanvragen.

2.   Na vaststelling van dit besluit stelt de Commissie een strategisch kaderdocument op aan de hand waarvan — naast de in artikel 2 van dit besluit genoemde doelstellingen — de voornaamste prioriteiten voor de uitvoering van de activiteiten in het kader van het Europees Jaar worden afgebakend, met inbegrip van minimumnormen wat betreft deelname aan nationale organen en acties.

3.   In aansluiting op het strategische kaderdocument stelt ieder nationaal uitvoeringsorgaan, na overleg met het maatschappelijk middenveld, in nauwe coördinatie en samenhang met de nationale strategieën voor sociale bescherming en sociale integratie een nationaal programma voor de uitvoering van het Europees Jaar op.

4.   Elk nationaal uitvoeringsorgaan dient een enkele aanvraag voor communautaire financiering in. Deze subsidieaanvraag bevat een beschrijving van het nationale programma en de nationale prioriteiten voor het Europees Jaar en de voor financiering voorgedragen acties. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een gedetailleerde begroting waarin de totale kosten van de voorgestelde activiteiten uiteengezet worden, alsmede het bedrag aan en de bronnen van medefinanciering. Ook de door het nationale uitvoeringsorgaan gemaakte kosten voor personeel en administratie kunnen als subsidiabele kosten opgevoerd worden.

5.   Globale subsidies worden slechts aan de deelnemende landen verstrekt indien er in het nationale programma voor de uitvoering van het Europees Jaar in voldoende mate aan de in artikel 2 van dit besluit vastgelegde en het strategische kaderdocument nader uitgewerkte doelstellingen wordt voldaan.

6.   De Commissie beoordeelt de door de nationale uitvoeringsorganen ingediende aanvragen voor communautaire financiering, waarbij zij ook controleert of deze overeenkomen met de in artikel 2 van dit besluit bepaalde doelstellingen. Indien nodig verlangt de Commissie dat de aanvragen worden gewijzigd.

7.   Acties in het kader van punt 1 betreffen onder meer:

a)

met de doelstellingen van het Europees Jaar verband houdende bijeenkomsten en evenementen, zoals nationale evenementen bij de opening en ter promotie van het Europees Jaar, die een katalysatoreffect bewerkstelligen en ruimte bieden voor een debat over concrete maatregelen tot bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

b)

seminars voor de uitwisseling van leerervaringen op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

c)

andere evenementen die verband houden met de voorbereiding van initiatieven op communautair niveau (zoals bijvoorbeeld de jaarlijkse Europese rondetafelconferentie over armoede en sociale uitsluiting en de Europese bijeenkomst van mensen die in armoede leven);

d)

voorlichtings-, educatieve en promotiecampagnes en andere activiteiten in scholen en maatregelen met een krachtig multiplicatoreffect, waaronder de toekenning van prijzen en de organisatie van wedstrijden, om op nationaal, regionaal en lokaal niveau algemene bekendheid te geven aan de beginselen en onderliggende waarden van het Europees Jaar;

e)

andere enquêtes en studies dan die in deel I, punt 3, zijn vermeld, om de voornaamste thema’s van het Europees Jaar diepgaander te onderzoeken;

f)

scholingsmogelijkheden voor ambtenaren, de sociale partners, de media, vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties en andere actoren om hun kennis te verdiepen van verschijnselen van armoede en sociale uitsluiting, van Europees en nationaal op sociale integratie gericht beleid en van de diverse beschikbare beleidsinstrumenten, zodat zij beter kunnen inspelen op armoedegerelateerde kwesties en zij worden aangemoedigd om een actieve rol te spelen bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

g)

samenwerking met de media;

h)

de ontwikkeling van experimentele regionale en lokale actieplannen ten behoeve van sociale integratie.

III.   NIET-FINANCIËLE ONDERSTEUNING

De Gemeenschap biedt niet-financiële ondersteuning, met inbegrip van schriftelijke toestemming tot het gebruik van het specifiek voor het Europees Jaar ontworpen logo en ander materiaal dat verband houdt met het Europees Jaar, aan initiatieven van publieke of particuliere organisaties, voor zover die organisaties de Commissie kunnen waarborgen — op basis van specifieke, in het strategische kaderdocument vermelde criteria — dat de desbetreffende initiatieven tijdens het Europees Jaar worden uitgevoerd en dat zij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van één of meer doelstellingen ervan.

Ook kunnen initiatieven die in samenhang of samenwerking met het Europees Jaar in derde landen worden georganiseerd, voor niet-financiële ondersteuning van de Gemeenschap in aanmerking komen en daarbij kan gebruik worden gemaakt van het logo en ander materiaal dat verband houdt met het Europees Jaar.

IV.   PRIORITEITEN IN HET KADER VAN DE ACTIVITEITEN VAN HET EUROPEES JAAR

In het licht van de vele facetten van armoede en sociale uitsluiting en met het oog op de integratie van preventie en bestrijding van armoede en uitsluiting in ander beleid dienen de activiteiten in het kader van het Europees Jaar een duidelijke toegevoegde waarde voor en een effectieve aanvulling op de OCM voor sociale bescherming en sociale integratie te bieden. Deze activiteiten moeten daarom gericht zijn op een beperkt aantal prioritaire aandachtsgebieden.

In overeenstemming met de uitgevoerde analyse en de in het Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale integratie in kaart gebrachte prioriteiten moeten tijdens het Europees Jaar de volgende thema’s centraal staan:

bevordering van meerdimensionale geïntegreerde strategieën voor de preventie en terugdringing van armoede, met name ernstige armoede, en benaderingen die worden ingevoerd op alle relevante beleidsterreinen;

bestrijding van kinderarmoede met inbegrip van „overerving” van armoede van generatie op generatie alsmede armoede binnen gezinnen, met bijzondere aandacht voor grote gezinnen, eenoudergezinnen, en gezinnen die een zorgbehoevende persoon verzorgen, alsook armoede waarmee kinderen in instellingen te maken hebben;

bevordering van op integratie gerichte arbeidsmarkten, met aandacht voor armoede onder werkenden en de noodzaak van lonend werk;

beëindiging van de achterstelling in onderwijs en scholing, ook bij de verwerving van digitale vaardigheden en bevordering van gelijke toegang voor iedereen tot ICT, met bijzondere nadruk op de behoeften van gehandicapten;

aanpak van de gender- en leeftijdsdimensie van de armoede;

garanderen van gelijke toegang tot adequate faciliteiten en diensten, zoals behoorlijke huisvesting, gezondheidszorg en sociale bescherming;

vergemakkelijken van de toegang tot cultuur en mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding;

de bestrijding van discriminatie en de bevordering van de sociale inclusie van immigranten en etnische minderheden in de samenleving;

de bevordering van een geïntegreerde aanpak van actieve integratie;

inspelen op de behoeften van mensen met een handicap en hun gezinnen en daklozen, alsmede andere groepen of mensen in kwetsbare situaties.

Bij de planning van de activiteiten voor het Europees Jaar overeenkomstig de bovengenoemde prioriteiten passen de deelnemende landen deze aan de nationale, regionale en lokale situatie en uitdagingen aan, waarbij ook met de met territoriale cohesie samenhangende aspecten rekening wordt gehouden.

In het licht van de in artikel 2 van dit besluit vermelde doelstellingen dient voor het aspect participatie in alle prioriteiten plaats te worden ingeruimd.

Krachtens artikel 4 van dit besluit moeten de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van de activiteiten in het kader van het Europees Jaar rekening houden met de verschillende wijze waarop vrouwen en mannen armoede en sociale uitsluiting ervaren. Met het oog op de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen moeten zij er voorts voor zorgen dat er in alle prioriteiten recht wordt gedaan aan de genderdimensie.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/30


BESLUIT EUPM/1/2008 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 24 oktober 2008

betreffende de benoeming van het hoofd van de missie/de directeur van politie van de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina

(2008/835/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 25, derde alinea,

Gelet op Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB van de Raad van 19 november 2007 inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH) (1), en met name op artikel 10, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 10, lid 1, van Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB is het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) gemachtigd om, overeenkomstig artikel 25 van het Verdrag, de relevante besluiten te nemen, waaronder het besluit betreffende de benoeming van het hoofd van de missie/de directeur van politie.

(2)

De secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger heeft het PVC voorgesteld de heer Stefan FELLER te benoemen tot hoofd van de missie van de EUPM,

BESLUIT:

Artikel 1

De heer Stefan FELLER wordt benoemd tot hoofd van de missie/directeur van politie van de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina, met ingang van 1 november 2008.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen.

Het is van toepassing tot en met 31 december 2009.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2008.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitster

C. ROGER


(1)   PB L 303 van 21.11.2007, blz. 40.


7.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 298/s3


BERICHT AAN DE LEZER

De instellingen hebben besloten in hun teksten niet langer te verwijzen naar de laatste wijziging van de aangehaalde besluiten.

Tenzij anders vermeld, zijn de besluiten waarnaar in de hierin gepubliceerde teksten wordt verwezen, de besluiten zoals die momenteel van kracht zijn.