|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
51e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
|
||
|
|
* |
|
|
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
|
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
|
2008/578/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2008/579/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2008/580/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
Commissie |
|
|
|
|
2008/581/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2008/582/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
OVEREENKOMSTEN |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is
VERORDENINGEN
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 664/2008 VAN DE COMMISSIE
van 14 juli 2008
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (2), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XV, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juli 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 510/2008 van de Commissie (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 61).
(2) PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 590/2008 (PB L 163 van 24.6.2008, blz. 24).
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
33,6 |
|
MK |
19,3 |
|
|
TR |
113,8 |
|
|
ZZ |
55,6 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
21,3 |
|
TR |
76,4 |
|
|
ZZ |
48,9 |
|
|
0709 90 70 |
TR |
85,7 |
|
ZZ |
85,7 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
85,8 |
|
US |
89,1 |
|
|
UY |
75,0 |
|
|
ZA |
94,0 |
|
|
ZZ |
86,0 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
95,0 |
|
BR |
97,0 |
|
|
CL |
107,3 |
|
|
CN |
86,9 |
|
|
NZ |
115,1 |
|
|
US |
118,0 |
|
|
UY |
60,2 |
|
|
ZA |
96,2 |
|
|
ZZ |
97,0 |
|
|
0808 20 50 |
AR |
99,2 |
|
CL |
104,9 |
|
|
NZ |
116,2 |
|
|
ZA |
122,3 |
|
|
ZZ |
110,7 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
177,5 |
|
XS |
125,7 |
|
|
ZZ |
151,6 |
|
|
0809 20 95 |
TR |
373,8 |
|
US |
305,5 |
|
|
ZZ |
339,7 |
|
|
0809 30 |
TR |
177,4 |
|
ZZ |
177,4 |
|
|
0809 40 05 |
IL |
217,7 |
|
ZZ |
217,7 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 665/2008 VAN DE COMMISSIE
van 14 juli 2008
tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 4, lid 4, artikel 5, lid 3, artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 7, artikel 12, lid 2, en artikel 25,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 199/2008 is een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens vastgesteld dat een solide basis moet vormen voor wetenschappelijke analysen van de visserij en voor degelijk wetenschappelijk advies met het oog op de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna „GVB” genoemd). |
|
(2) |
De protocollen en methoden voor het verzamelen en controleren van de gegevens moeten voldoen aan de kwaliteitsnormen van de internationale wetenschappelijke organen en de regionale organisaties voor visserijbeheer, en moeten zijn gebaseerd op de ervaring die sinds de instelling van het eerste communautaire kader in 2000 met de verzameling van gegevens over de visserij is opgedaan, en op het advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (hierna „het WTECV” genoemd). |
|
(3) |
De lidstaten moeten overeenkomstig het communautaire meerjarenprogramma nationale meerjarenprogramma's opstellen voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens. Deze programma's moeten bijtijds bij de Commissie worden ingediend om haar in de gelegenheid te stellen tijdig de financiële besluiten voor het volgende jaar te nemen. Doublures bij het verzamelen van de gegevens moeten door de lidstaten worden vermeden. De lidstaten moeten verslag uitbrengen over de tenuitvoerlegging van hun nationale programma's. |
|
(4) |
Op regionaal niveau moet erop worden toegezien dat de acties van de lidstaten worden gecoördineerd en de taken waar mogelijk worden verdeeld over de nationale programma's. |
|
(5) |
Het communautaire meerjarenprogramma vormt het voorwerp van een afzonderlijk besluit van de Commissie. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserij en aquacultuur, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderdelen van de nationale programma's
De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde nationale meerjarenprogramma's bevatten:
|
a) |
de voorgenomen acties, ingedeeld naar module en onderdeel als bedoeld in het communautaire meerjarenprogramma, en naar gebied:
|
|
b) |
de elementen van analytische rekeningen, ingedeeld naar module en onderdeel als bedoeld in het communautaire meerjarenprogramma, en naar gebied als aangegeven onder a); |
|
c) |
een uitvoerige beschrijving van de bemonsteringsstrategie en van de toegepaste statistische ramingen, op grond waarvan de nauwkeurigheidsniveaus en de verhouding kosten/nauwkeurigheid kunnen worden beoordeeld; |
|
d) |
de elementen die wijzen op coördinatie van de nationale programma's in één regio en op taakverdeling tussen de betrokken lidstaten. |
Artikel 2
Indiening van de nationale programma's
1. De nationale meerjarenprogramma's worden uiterlijk op 31 maart van het jaar vóór de tenuitvoerleggingsperiode van het meerjarenprogramma via elektronische weg bij de Commissie ingediend. De eerste periode loopt van 2009 tot en met 2010. De nationale programma's voor deze periode worden uiterlijk op 15 oktober 2008 ingediend.
2. De lidstaten maken voor de indiening van de nationale programma's gebruik van:
|
a) |
de door het WTECV vastgestelde modellen en richtsnoeren, met betrekking tot de technische en wetenschappelijke aspecten van het programma; |
|
b) |
de door de Commissie geleverde formulieren, met betrekking tot de financiële aspecten van het programma. |
Artikel 3
Nationale coördinatie en coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten
1. Elke lidstaat wijst een nationale correspondent aan die als contactpunt fungeert voor de uitwisseling van informatie over de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van de nationale programma's tussen de Commissie en de lidstaten.
2. Indien meerdere organen aan het nationale programma deelnemen, is de nationale correspondent verantwoordelijk voor de coördinatie van het nationale programma. Hiertoe wordt jaarlijks een nationale coördinatievergadering belegd. Indien nodig, kan een tweede vergadering worden belegd. Deze vergaderingen worden georganiseerd door de nationale correspondent en worden slechts bijgewoond door personen die behoren tot de bij het nationale programma betrokken organen. De Commissie mag aan dergelijke vergaderingen deelnemen.
3. Een verslag van de in lid 2 bedoelde coördinatievergadering wordt opgenomen in het in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde jaarverslag.
4. Communautaire financiële bijdragen voor in lid 2 bedoelde vergaderingen worden afhankelijk gesteld van de naleving van dit artikel door de lidstaten.
Artikel 4
Regionale coördinatie
1. Tijdens de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde regionale coördinatievergaderingen wordt de regionale samenwerking in het kader van de nationale programma's geëvalueerd en worden zo nodig aanbevelingen gedaan met het oog op een betere integratie van de nationale programma's en een betere taakverdeling tussen de lidstaten.
2. De voorzitter van de vergadering wordt in samenspraak met de Commissie voor een periode van twee jaar aangewezen door de regionale coördinatievergadering.
3. De regionale coördinatievergaderingen mogen eens per jaar worden gehouden. Het mandaat voor de vergadering wordt door de Commissie, in samenspraak met de voorzitter, voorgesteld en wordt drie weken vóór de vergadering aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde nationale correspondenten meegedeeld. De lidstaten dienen twee weken vóór de vergadering de deelnemerslijst in bij de Commissie.
Artikel 5
Indiening van het jaarverslag
1. De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 31 mei na het tenuitvoerleggingsjaar van het nationale programma via elektronische weg het in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde jaarverslag in bij de Commissie. Het jaarverslag bevat met name de volgende onderdelen, ingedeeld naar module en onderdeel als bedoeld in het communautaire meerjarenprogramma, en naar gebied als aangegeven in artikel 1, onder a):
|
a) |
een overzicht van de jaarlijkse uitvoering van het programma met nadere informatie over de resultaten van de voorgenomen acties; |
|
b) |
de elementen van de jaarlijkse analytische rekeningen. |
2. De lidstaten maken voor de indiening van het jaarverslag gebruik van:
|
a) |
de door het WTECV vastgestelde modellen en richtsnoeren, met betrekking tot de technische en wetenschappelijke aspecten van het programma; |
|
b) |
de door de Commissie geleverde formulieren, met betrekking tot de financiële aspecten van het programma. |
Artikel 6
Verlaging van de communautaire financiële bijdrage
1. Verlagingen van de communautaire financiële bijdrage op grond van artikel 8, lid 5, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 199/2008 staan in verhouding tot het aantal weken vertraging, te rekenen met ingang van de in de artikelen 2 en 5 vastgestelde termijnen. De verlaging bedraagt 2 % van de totale communautaire financiële bijdrage voor elke twee weken vertraging, met een maximale verlaging van 25 % van de totale jaarlijkse kosten van het nationale programma.
2. Verlagingen van de communautaire financiële bijdrage op grond van artikel 8, lid 5, onder c), van Verordening (EG) nr. 199/2008 staan in verhouding tot het aantal keer dat geen gevolg is gegeven aan het verzoek tot levering van gegevens aan een eindgebruiker. De verlaging bedraagt 1 % van de totale communautaire financiële bijdrage voor elk niet ingewilligd verzoek, met een maximale verlaging van 25 % van de totale jaarlijkse kosten van het nationale programma.
3. Wanneer lid 1 en lid 2 van toepassing zijn, bedraagt de gecumuleerde verlaging maximaal 25 % van de totale jaarlijkse kosten van het nationale programma.
Artikel 7
Onderzoeken op zee
1. De lijst van onderzoeken op zee die in aanmerking komen voor een communautaire financiële bijdrage, als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 199/2008, wordt in het communautaire meerjarenprogramma opgenomen.
2. Op basis van advies van het WTECV kan de Commissie de in lid 1 bedoelde lijst bijwerken en lidstaten de toestemming geven het plan van de onderzoeken op zee te wijzigen.
Artikel 8
Beheer van primaire en metagegevens
1. De in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 199/2008 bedoelde geautomatiseerde gegevensbanken worden verbonden met een nationaal geautomatiseerd netwerk om een kostenefficiënte uitwisseling van gegevens en informatie binnen de lidstaten mogelijk te maken.
2. Elke lidstaat beschikt over een centrale website waar alle informatie betreffende het bij Verordening (EG) nr. 199/2008 vastgestelde kader voor gegevensverzameling wordt ingediend. Alle deelnemers aan het nationale gegevensverzamelingsprogramma hebben toegang tot deze website.
Artikel 9
Follow-up van verzoeken en verstrekking van gegevens
1. Voor de toepassing van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 199/2008 zorgen de lidstaten ervoor dat de door hen ontvangen verzoeken tot gegevensverstrekking en de door hen geleverde antwoorden worden samengebracht in een geautomatiseerde gegevensbank en aan de Commissie, op haar verzoek, ter beschikking worden gesteld.
2. De in lid 1 bedoelde gegevensbank bevat informatie over:
|
a) |
de verzoeken, de datum van indiening van de verzoeken, de aard en het doel van de aangevraagde gegevens, informatie over de eindgebruiker; |
|
b) |
de antwoorden, de datum van de antwoorden en de aard van de verstrekte gegevens. |
Artikel 10
Steun voor wetenschappelijk advies
1. Om de beschikbaarheid van voldoende expertise te garanderen, kan de Gemeenschap een financiële bijdrage leveren in de kosten van de deelname van de deskundigen aan relevante wetenschappelijke bijeenkomsten van regionale organisaties voor visserijbeheer waarbij de Gemeenschap partij of waarnemer is, en aan vergaderingen van internationale wetenschappelijke organisaties die wetenschappelijk advies verstrekken, als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 199/2008.
2. De Commissie deelt aan de lidstaten uiterlijk op 15 december van elk jaar de lijst van de in het volgende jaar plaatsvindende vergaderingen mee die haars inziens in aanmerking komen voor een communautaire bijdrage in de kosten van deelname van de deskundigen.
3. De Gemeenschap draagt slechts bij in de kosten van deelname van maximaal twee deskundigen per lidstaat per wetenschappelijke bijeenkomst.
Artikel 11
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juli 2008.
Voor de Commissie
Joe BORG
Lid van de Commissie
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Raad
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/6 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 28 februari 2008
betreffende de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van Europa inzake samenwerking tussen het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en de Raad van Europa
(2008/578/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 308, in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea, en lid 3, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (1) voorziet in nauwe samenwerking tussen het Bureau en de Raad van Europa. |
|
(2) |
De Commissie heeft namens de Europese Gemeenschap met de Raad van Europa onderhandeld over een Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van Europa inzake samenwerking tussen het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en de Raad van Europa („de overeenkomst”). |
|
(3) |
De overeenkomst dient bijgevolg te worden ondertekend en goedgekeurd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van Europa inzake samenwerking tussen het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en de Raad van Europa, zoals opgenomen in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 168/2007, wordt hierbij namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd.
De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd de persoon/personen aan te wijzen die bevoegd is/zijn de overeenkomst te ondertekenen, waarmee de instemming van de Gemeenschap om door de overeenkomst gebonden te zijn tot uiting wordt gebracht (2).
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 28 februari 2008.
Voor de Raad
De voorzitter
D. MATE
(1) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(2) De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
DE EUROPESE GEMEENSCHAP, hierna „de Gemeenschap” genoemd,
enerzijds,
en
DE RAAD VAN EUROPA,
anderzijds,
hierna „de partijen” genoemd,
OVERWEGENDE dat de Raad van de Europese Unie op 15 februari 2007 Verordening (EG) nr. 168/2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (hierna „het Bureau” genoemd) heeft vastgesteld,
OVERWEGENDE dat het Bureau ten doel heeft de betrokken instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap en haar lidstaten wanneer zij het Gemeenschapsrecht uitvoeren, bijstand en expertise te bieden op het gebied van de grondrechten om hen te helpen de grondrechten volledig te eerbiedigen wanneer zij op hun respectieve bevoegdheidsgebieden maatregelen nemen of acties ontwerpen,
OVERWEGENDE dat het Bureau bij de vervulling van zijn taken refereert aan de grondrechten zoals die zijn omschreven in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met inbegrip van de door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 gewaarborgde rechten en vrijheden,
OVERWEGENDE dat de Raad van Europa een aanzienlijke ervaring en expertise heeft opgebouwd in intergouvernementele samenwerking en hulpactiviteiten op het gebied van de mensenrechten, en op dat gebied tevens verscheidene toezicht- en controlemechanismen alsook de functie van Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa heeft ingesteld,
OVERWEGENDE dat het Bureau bij de vervulling van zijn taken zo nodig rekening houdt met reeds door de Raad van Europa verrichte werkzaamheden,
OVERWEGENDE dat het Bureau zijn activiteiten met die van de Raad van Europa moet coördineren om doublures te voorkomen en om complementariteit en meerwaarde te waarborgen, met name op het gebied van zijn jaarlijkse werkprogramma en samenwerking met het maatschappelijke middenveld,
OVERWEGENDE dat overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 168/2007 nu nauwe banden moeten worden gelegd tussen het Bureau en de Raad van Europa,
OVERWEGENDE dat de vertegenwoordigers van de lidstaten van de Europese Unie op hun bijeenkomst in de Europese Raad van 16 en 17 december 2004 zijn overeengekomen dat het Bureau een belangrijke rol zal spelen bij de versterking van de samenhang en de consistentie van het EU-beleid inzake mensenrechten,
OVERWEGENDE dat de richtsnoeren inzake de betrekkingen tussen de Raad van Europa en de Europese Unie, vastgesteld op de derde top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (op 16 en 17 mei 2005 in Warschau), verwijzen naar het Bureau als een gelegenheid om de samenwerking met de Raad van Europa verder te versterken en om bij te dragen tot een grotere samenhang en meer complementariteit,
OVERWEGENDE dat het op 23 mei 2007 tussen de Raad van Europa en de Europese Unie gesloten Memorandum van overeenstemming een algemeen kader bevat voor de samenwerking op het gebied van mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rol van de Raad van Europa onderstreept als het referentiepunt voor de mensenrechten, de rechtstaat en de democratie in Europa,
OVERWEGENDE dat het Bureau, overeenkomstig het Memorandum van overeenstemming de eenheid, geldigheid en doeltreffendheid van de door de Raad van Europa ter controle van de bescherming van de mensenrechten in zijn lidstaten gebruikte instrumenten eerbiedigt,
OVERWEGENDE dat het aan de Raad van Europa is om een onafhankelijke persoon als lid van de raad van bestuur en van het dagelijks bestuur van het Bureau aan te wijzen,
HEBBEN OMTRENT HET VOLGENDE OVEREENSTEMMING BEREIKT:
I. Bedridden
|
1. |
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:
|
II. Algemeen samenwerkingskader
|
2. |
In deze overeenkomst wordt een kader voor samenwerking tussen het Bureau en de Raad van Europa vastgesteld om doublures te voorkomen en om complementariteit en meerwaarde te waarborgen. |
|
3. |
Tussen het Bureau en de Raad van Europa worden op het gepaste niveau regelmatige contacten gelegd. De directeur van het Bureau en het secretariaat van de Raad van Europa wijzen elk een contactpersoon aan die specifiek aangelegenheden in verband met hun samenwerking behandelt. |
|
4. |
In de regel worden vertegenwoordigers van het secretariaat van de Raad van Europa door het dagelijks bestuur van het Bureau uitgenodigd om als waarnemers de vergaderingen van de raad van bestuur van het Bureau bij te wonen. Dit geldt niet voor specifieke agendapunten waarvoor, omwille van hun interne aard, een dergelijke aanwezigheid niet gerechtvaardigd zou zijn. De vertegenwoordigers kunnen ook worden uitgenodigd op andere bijeenkomsten die door de raad van bestuur van het Bureau worden georganiseerd, met inbegrip van de bijeenkomsten bedoeld in artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 168/2007. |
|
5. |
Vertegenwoordigers van het Bureau worden als waarnemers uitgenodigd voor bijeenkomsten van de intergouvernementele comités van de Raad van Europa waarvoor het Bureau belangstelling heeft laten blijken. Op uitnodiging van het betrokken comité mogen vertegenwoordigers van het Bureau als waarnemers bijeenkomsten of gedachtewisselingen bijwonen die worden georganiseerd door toezichtcomités mensenrechten van de Raad van Europa of door bij deelovereenkomsten opgerichte comités. Vertegenwoordigers van het Bureau kunnen ook worden uitgenodigd om deel te nemen aan door het Comité van ministers van de Raad van Europa georganiseerde gedachtewisselingen. |
|
6. |
De samenwerking heeft betrekking op alle activiteiten van het Bureau, zowel de huidige als de toekomstige. |
III. Uitwisseling van informatie en gegevens
|
7. |
Onverminderd de respectievelijk voor het Bureau en voor de Raad van Europa geldende regels in verband met gegevensbescherming, verschaffen het Bureau en de Raad van Europa elkaar informatie en gegevens die zij in het kader van hun taken hebben verzameld, met inbegrip van toegang tot online-informatie. Op die manier verschafte informatie en gegevens kunnen door het Bureau en de Raad van Europa worden gebruikt bij de vervulling van hun respectieve taken. Deze bepalingen hebben geen betrekking op vertrouwelijke gegevens en taken. |
|
8. |
Het Bureau houdt terdege rekening met de arresten en beschikkingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens op het gebied van de activiteiten van het Bureau en, zo nodig, met bevindingen, verslagen en activiteiten op het gebied van de mensenrechten van de toezichtcomités mensenrechten en van de intergouvernementele comités van de Raad van Europa, alsook met die van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa. |
|
9. |
Wanneer het Bureau informatie gebruikt uit bronnen bij de Raad van Europa, geeft het de oorsprong en de referentie daarvan aan. De Raad van Europa handelt op dezelfde wijze wanneer hij informatie gebruikt uit bronnen van het Bureau. |
|
10. |
Het Bureau en de Raad van Europa garanderen door middel van hun netwerken de ruimst mogelijke verspreiding van de resultaten van hun respectieve taken op wederzijdse basis. |
|
11. |
Het Bureau en de Raad van Europa garanderen een regelmatige uitwisseling van informatie over voorgestelde, aan de gang zijnde of uitgevoerde taken. |
IV. Methoden van samenwerking
|
12. |
Tussen het Bureau en het secretariaat van de Raad van Europa vindt regelmatig overleg plaats, met het doel de activiteiten van het Bureau te coördineren met die van de Raad van Europa om doublures te voorkomen en complementariteit, meerwaarde en het best mogelijke gebruik van beschikbare middelen te garanderen, met name wat betreft het uitvoeren van onderzoek en wetenschappelijke enquêtes, alsook het opstellen van conclusies, adviezen en verslagen, te coördineren met die van de Raad van Europa om complementariteit en het best mogelijke gebruik van beschikbare middelen te garanderen. |
|
13. |
Dergelijk overleg heeft met name betrekking op:
|
|
14. |
Op grond van dit overleg kan worden overeengekomen dat het Bureau en de Raad van Europa gezamenlijke en/of complementaire taken betreffende onderwerpen van gemeenschappelijk belang zullen uitvoeren, zoals de organisatie van conferenties of workshops, gegevensverzameling en -analyse of het opzetten van gedeelde informatiebronnen of -producten. |
|
15. |
De samenwerking tussen het Bureau en de Raad van Europa kan verder worden bevorderd via door het Bureau aan de Raad van Europa toegekende subsidies. De administratieve kaderovereenkomst van 2004 tussen de Commissie en de Raad van Europa over de toepassing van de verificatieclausule op de door de Raad van Europa beheerde en door de Europese Gemeenschap gefinancierde of medegefinancierde activiteiten is van toepassing. |
|
16. |
Tijdelijke uitwisselingen van personeel tussen het Bureau en de Raad van Europa kunnen tot stand komen via een overeenkomt tussen de secretaris-generaal van de Raad van Europa en de directeur van het Bureau, voor zover de betrokken toepasselijke personeelsstatuten dat toestaan. |
V. Aanstelling door de Raad van Europa van een onafhankelijke persoon die zitting heeft in het dagelijks bestuur en de raad van bestuur van het Bureau
|
17. |
Het Comité van ministers van de Raad van Europa stelt een onafhankelijke persoon aan die zitting heeft in het dagelijks bestuur en de raad van bestuur van het Bureau, alsook een plaatsvervanger. De door de Raad van Europa aangestelde personen beschikken over de nodige ervaring in het beheren van organisaties uit de openbare of de particuliere sector en over kennis op het gebied van grondrechten. |
|
18. |
De Raad van Europa brengt het Bureau en de Commissie op de hoogte van de aanstellingen. |
|
19. |
De door de Raad van Europa in de raad van bestuur aangestelde persoon wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur deel te nemen. Er wordt terdege rekening gehouden met zijn standpunten, in het bijzonder om meerwaarde en complementariteit tussen de activiteiten van het Bureau en die van de Raad van Europa te waarborgen. Hij beschikt over stemrecht in het dagelijks bestuur met betrekking tot de voorbereiding van de besluiten van de raad van bestuur, waarover hij overeenkomstig artikel 12, lid 8, van Verordening (EG) nr. 168/2007 mag stemmen. |
VI. Algemene en slotbepalingen
|
20. |
Geen enkele bepaling van deze overeenkomst mag dusdanig worden uitgelegd dat de partijen hun respectieve taken niet langer kunnen uitoefenen. |
|
21. |
De Overeenkomst van 10 februari 1999 tussen de Europese Gemeenschap en de Raad van Europa voor de instelling van een nauwe samenwerking tussen het Waarnemingscentrum en de Raad van Europa overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1035/97 van de Raad van 2 juni 1997 houdende oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat wordt door onderhavige overeenkomst ingetrokken en vervangen. |
|
22. |
Deze overeenkomst treedt in werking na ondertekening door de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de partijen. |
|
23. |
De overeenkomst kan met wederzijdse instemming van beide partijen worden gewijzigd. De partijen evalueren de uitvoering van deze overeenkomst ten laatste op 31 december 2013 met het oog op een eventuele herziening daarvan. |
Съставено в Брюксел на осемнадесети юни две хиляди и осма година.
Hecho en Estrasburgo, el dieciocho de junio de dos mil ocho.
Ve Štrasburku dne osmnáctého června dva tisíce osm.
Udfærdiget i Strasbourg den attende juni to tusind og otte.
Geschehen zu Strassburg am achtzehnten Juni zweitausendacht.
Kahe tuhande kaheksanda aasta juunikuu kaheksateistkümnendal päeval Strasbourgis.
'Εγινε στo Στρασβoύργo, στις δέκα οκτώ Ιουνίου δύο χιλιάδες οκτώ.
Done at Strasbourg on the eighteenth day of June in the year two thousand and eight.
Fait à Strasbourg, le dix-huit juin deux mille huit.
Fatto a Strasburgo, addì diciotto giugno duemilaotto.
Strasbūrā, divtūkstoš astotā gada astoņpadsmitajā jūnijā.
Priimta du tūkstančiai aštuntų metų birželio aštuonioliktą dieną Strasbūre.
Kelt Strasbourgban, a kétezer-nyolcadik év június tizennyolcadik napján.
Magħmul fi Strasburgu, fit-tmintax-il jum ta' Ġunju tas-sena elfejn u tmienja.
Gedaan te Straatsburg, de achttiende juni tweeduizend acht.
Sporządzono w Strasburgu dnia osiemnastego czerwca roku dwa tysiące ósmego.
Încheiat la Strasbourg, la optsprezece iunie două mii opt.
Feito em Estrasburgo, em dezoito de Junho de dois mil e oito.
V Štrasburgu dňa osemnásteho júna dvetisícosem.
V Strasbourgu, dne osemnajstega junija leta dva tisoč osem.
Tehty Strasbourgissa kahdeksantenatoista päivänä kesäkuuta vuonna kaksituhattakahdeksan.
Som skedde i Strasbourg den artonde juni tjugohundraåtta.
За Европейската общност
Por la Comunidad Europea
Za Evropské společenství
For Det Europæiske Fællesskab
Für die Europäische Gemeinschaft
Euroopa Ühenduse nimel
Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα
For the European Community
Pour la Communauté européenne
Per la Comunità europea
Eiropas Kopienas vārdā
Europos bendrijos vardu
Az Európai Közösség részéről
Għall-Komunità Ewropea
Voor de Europese Gemeenschap
W imieniu Wspólnoty Europejskiej
Pela Comunidade Europeia
Pentru Comunitatea Europeană
Za Európske spoločenstvo
Za Evropsko skupnost
Euroopan yhteisön puolesta
För Europeiska gemenskapen
За Съвета на Европа
Por el Consejo de Europa
Za Radu Evropy
For Europarådet
Für den Europarat
Euroopa Nõukogu nimel
Για το Συμβούλιο της Ευρώπης
For the Council of Europe
Pour le Conseil de l'Europe
Per il Consiglio d'Europa
Eiropas Padomes vārdā
Europos Tarybos vardu
Az Európa Tanács részéről
Għall-Kunsill ta' l-Ewropa
Voor de Raad van Europa
W imieniu Rady Europy
Pelo Conselho da Europa
Pentru Consiliul Europei
Za Radu Európy
Za Svet Evrope
Euroopan neuvoston puolesta
För Europarådet
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/12 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 16 juni 2008
betreffende de ondertekening en de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Internationale Koffieovereenkomst van 2007
(2008/579/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133, in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Internationale Koffieraad hechtte bij Resolutie nr. 431 van 28 september 2007 zijn goedkeuring aan de tekst van de Internationale Koffieovereenkomst van 2007. |
|
(2) |
De Internationale Koffieovereenkomst van 2007 werd overeengekomen om de Internationale Koffieovereenkomst van 2001, die tot 30 september 2008 was verlengd, te vervangen. |
|
(3) |
De Internationale Koffieovereenkomst van 2007 staat tot 31 augustus 2008 open voor ondertekening en voor nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. |
|
(4) |
De Gemeenschap is partij bij de Internationale Overeenkomst van 2001, zoals verlengd, en heeft er bijgevolg belang bij haar goedkeuring te hechten aan de Internationale Koffieovereenkomst van 2007, die deze vervangt, |
BESLUIT:
Artikel 1
De Internationale Koffieovereenkomst van 2007 wordt hierbij namens de Gemeenschap goedgekeurd.
De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt tot 31 augustus 2008 gemachtigd de persoon/personen aan te wijzen die bevoegd is/zijn de overeenkomst te ondertekenen en de akte van goedkeuring namens de Gemeenschap neder te leggen, samen met de daaraan gehechte verklaring.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 16 juni 2008.
Voor de Raad
De voorzitter
D. RUPEL
VERTALING
INTERNATIONALE KOFFIEOVEREENKOMST 2007
INHOUDSOPGAVE
Artikel
| Preambule | 15 |
HOOFDSTUK I — DOELSTELLINGEN
|
1. |
Doelstellingen | 15 |
HOOFDSTUK II — DEFINITIES
|
2. |
Definities | 16 |
HOOFDSTUK III — ALGEMENE VERBINTENISSEN VAN DE LEDEN
|
3. |
Algemene verbintenissen van de leden | 17 |
HOOFDSTUK IV — LIDMAATSCHAP
|
4. |
Lidmaatschap van de Organisatie | 17 |
|
5. |
Groepslidmaatschap | 17 |
HOOFDSTUK V — INTERNATIONALE KOFFIEORGANISATIE
|
6. |
Zetel en structuur van de Internationale Koffieorganisatie | 17 |
|
7. |
Voorrechten en immuniteiten | 17 |
HOOFDSTUK VI — INTERNATIONALE KOFFIERAAD
|
8. |
Samenstelling van de Internationale Koffieraad | 18 |
|
9. |
Bevoegdheden en taken van de Raad | 18 |
|
10. |
Voorzitter en vicevoorzitter van de Raad | 18 |
|
11. |
Zittingen van de Raad | 18 |
|
12. |
Stemmen | 19 |
|
13. |
Stemprocedure in de Raad | 19 |
|
14. |
Besluiten van de Raad | 19 |
|
15. |
Samenwerking met andere organisaties | 19 |
|
16. |
Samenwerking met niet-gouvernementele organisaties | 20 |
HOOFDSTUK VII — UITVOEREND DIRECTEUR EN PERSONEEL
|
17. |
Uitvoerend directeur en personeel | 20 |
HOOFDSTUK VIII — FINANCIËN EN BESTUUR
|
18. |
Commissie voor financiële en administratieve zaken | 20 |
|
19. |
Financiering | 20 |
|
20. |
Vaststelling van de huishoudelijke begroting en van de bijdragen | 20 |
|
21. |
Betaling van de bijdragen | 21 |
|
22. |
Passiva | 21 |
|
23. |
Accountantscontrole en openbaarmaking van de rekeningen | 21 |
HOOFDSTUK IX — STIMULERING EN ONTWIKKELING VAN DE MARKT
|
24. |
Verwijdering van belemmeringen voor handel en verbruik | 21 |
|
25. |
Stimulering en ontwikkeling van de markt | 22 |
|
26. |
Maatregelen betreffende koffie in bewerkte vorm | 22 |
|
27. |
Mengsels en vervangingsmiddelen | 22 |
HOOFDSTUK X — PROJECTACTIVITEITEN VAN DE ORGANISATIE
|
28. |
Ontwikkeling en financiering van projecten | 22 |
HOOFDSTUK XI — PARTICULIERE KOFFIESECTOR
|
29. |
Adviesraad voor de particuliere sector | 22 |
|
30 |
Wereldkoffieconferentie | 23 |
|
31. |
Adviesforum inzake de financiering van de koffiesector | 23 |
HOOFDSTUK XII — STATISTISCHE INFORMATIE, STUDIES EN ONDERZOEKEN
|
32. |
Statistische informatie | 23 |
|
33. |
Certificaten van oorsprong | 24 |
|
34. |
Studies, onderzoeken en verslagen | 24 |
HOOFDSTUK XIII — ALGEMENE BEPALINGEN
|
35. |
Voorbereidingen voor een nieuwe overeenkomst | 24 |
|
36. |
Duurzame koffiesector | 25 |
|
37. |
Levensstandaard en arbeidsvoorwaarden | 25 |
HOOFDSTUK XIV — OVERLEG, GESCHILLEN EN KLACHTEN
|
38. |
Overleg | 25 |
|
39. |
Geschillen en klachten | 25 |
HOOFDSTUK XV — SLOTBEPALINGEN
|
40. |
Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding en goedkeuring | 25 |
|
41. |
Voorlopige toepassing | 25 |
|
42. |
Inwerkingtreding | 25 |
|
43. |
Toetreding | 26 |
|
44. |
Punten van voorbehoud | 26 |
|
45. |
Vrijwillige uittreding | 26 |
|
46. |
Uitsluiting | 26 |
|
47. |
Vereffening met uittredende of uitgesloten leden | 26 |
|
48. |
Looptijd, verlenging en beëindiging | 26 |
|
49. |
Wijziging | 27 |
|
50. |
Aanvullende bepalingen en overgangsbepalingen | 27 |
|
51. |
Authentieke teksten van de overeenkomst | 27 |
|
BIJLAGE |
Conversiecoëfficiënten voor gebrande, cafeïnevrije, vloeibare en oplosbare koffie volgens de Internationale Koffieovereenkomst van 2001 | 28 |
INTERNATIONALE KOFFIEOVEREENKOMST 2007
PREAMBULE
DE REGERINGEN DIE PARTIJ ZIJN BIJ DEZE OVEREENKOMST,
Zich bewust van de bijzondere betekenis van koffie voor de economie van vele landen die grotendeels van dit product afhankelijk zijn voor hun inkomsten uit export en voor het bereiken van hun ontwikkelingsdoelstellingen op sociaal en economisch gebied;
Zich bewust van de betekenis van de koffiesector voor de bestaanszekerheid van miljoenen mensen, met name in de ontwikkelingslanden, en in het besef dat de productie in vele van die landen op kleinschalige familiebedrijven plaatsvindt;
Zich bewust van de bijdrage van een duurzame koffiesector aan de verwezenlijking van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen, inclusief de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, met name wat de uitroeiing van armoede betreft;
Zich bewust van de noodzaak duurzame ontwikkeling in de koffiesector te stimuleren, die moet leiden tot meer werkgelegenheid en inkomsten en betere levens- en arbeidsvoorwaarden in de leden;
Overwegende dat nauwe internationale samenwerking in koffieaangelegenheden, inclusief voor de internationale handel, een mondiale economisch gediversifieerde koffiesector kan bevorderen, alsook de economische en sociale ontwikkeling van de producerende landen, de ontwikkeling van de koffieproductie en -consumptie, en betere relaties tussen koffie-exporterende en -importerende landen;
Overwegende dat samenwerking tussen de leden, internationale organisaties, de particuliere sector en alle andere belanghebbenden kan bijdragen tot de ontwikkeling van de koffiesector;
Zich bewust van het feit dat een grotere toegang tot koffiegerelateerde informatie en op de markt gebaseerde strategieën voor risicobeheer kunnen helpen wanverhoudingen bij de productie en het verbruik van koffie te vermijden, die kunnen leiden tot een uitgesproken marktvolatiliteit die zowel voor de producenten als de consumenten schadelijk kan zijn, en
Gelet op de voordelen van de internationale samenwerking die tot stand is gekomen als gevolg van de toepassing van de Internationale Koffieovereenkomsten van 1962, 1968, 1976, 1983, 1994 en 2001,
ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:
HOOFDSTUK I
DOELSTELLINGEN
Artikel 1
Doelstellingen
Deze overeenkomst beoogt de mondiale koffiesector te versterken en diens duurzame uitbreiding in een op de markt gebaseerd milieu te bevorderen ten voordele van alle deelnemers aan de sector, door middel van:
|
1. |
de bevordering van internationale samenwerking op koffiegebied; |
|
2. |
het bieden van een forum voor overleg over koffieaangelegenheden tussen de regeringen en met de particuliere sector; |
|
3. |
het aanmoedigen van de leden om een op economisch, sociaal en milieugebied duurzame koffiesector te ontwikkelen; |
|
4. |
het bieden van een forum voor overleg om tot overeenstemming te komen in verband met de structuur van de internationale markten en productie- en consumptietrends op de lange termijn die rekening houden met vraag en aanbod, zulks met het oog op eerlijke prijzen voor zowel de consument als de producent; |
|
5. |
de vergemakkelijking van de expansie en transparantie van de internationale handel in alle soorten en vormen van koffie, en de bevordering van het wegwerken van handelsbelemmeringen; |
|
6. |
de verzameling, verspreiding en publicatie van economische, technische en wetenschappelijke informatie, statistieken en studies, alsook van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling op koffiegebied; |
|
7. |
de bevordering van de ontwikkeling van de consumptie en de markten voor alle soorten en vormen van koffie, inclusief in koffieproducerende landen; |
|
8. |
de ontwikkeling, evaluatie en het zoeken naar financiering van projecten ten voordele van de leden en de mondiale koffie-economie; |
|
9. |
de bevordering van de kwaliteit van koffie tot grotere tevredenheid van de consument en ten voordele van de producenten; |
|
10. |
het aanmoedigen van de leden om passende procedures voor de voedselveiligheid in de koffiesector te ontwikkelen; |
|
11. |
het bevorderen van opleidings- en voorlichtingsprogramma’s die behulpzaam zijn bij de overdracht van voor koffie relevante technologie naar de leden; |
|
12. |
het aanmoedigen van de leden om strategieën te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen tot stimulering van het vermogen van lokale gemeenschappen en kleine boeren om voordeel te halen uit de koffieproductie, hetgeen tot een vermindering van de armoede kan leiden, en |
|
13. |
gemakkelijker informatie ter beschikking te stellen over financiële middelen en diensten ten behoeve van koffieproducenten, met inbegrip van toegang tot krediet en de aanpak van beheersrisico’s. |
HOOFDSTUK II
DEFINITIES
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:
|
1. |
koffie: de bonen en bessen van de koffieboom, in de hoornschil, al dan niet gebrand, alsmede gemalen, cafeïnevrije, vloeibare en oplosbare koffie. De Raad evalueert zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en opnieuw na telkens drie jaar, de voor de typen koffie onder d), e), f) en g) genoemde conversiecoëfficiënten. Na deze evaluatie stelt de Raad passende conversiecoëfficiënten vast en publiceert deze. Vóór de eerste evaluatie heeft plaatsgevonden, en ingeval de Raad ter zake niet tot een besluit kan komen, gelden de conversiecoëfficiënten van de Internationale Koffieovereenkomst van 2001, die in de bijlage bij deze overeenkomst zijn opgenomen. Deze bepalingen in aanmerking genomen, wordt onder onderstaande termen het volgende verstaan:
|
|
2. |
baal: 60 kg of 132,276 pond ongebrande koffie; ton: een metrieke ton van 1 000 kg of 2 204,6 pond; pond: 453,597 g; |
|
3. |
koffiejaar: periode van één jaar van 1 oktober tot en met 30 september; |
|
4. |
Organisatie en Raad: respectievelijk de Internationale Koffieorganisatie en de Internationale Koffieraad; |
|
5. |
overeenkomstsluitende partij: een regering, de Europese Gemeenschap of een intergouvernementele organisatie zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of kennisgeving van voorlopige toepassing van deze overeenkomst heeft nedergelegd in overeenstemming met de artikelen 40, 41 en 42, dan wel tot de overeenkomst is toegetreden in overeenstemming met artikel 43; |
|
6. |
lid: een overeenkomstsluitende partij; |
|
7. |
exporterend lid of exporterend land: een lid of een land dat netto-exporteur van koffie is; dat wil zeggen een lid of een land waarvan de uitvoer de invoer overtreft; |
|
8. |
importerend lid of importerend land: een lid of een land dat netto-importeur van koffie is; dat wil zeggen een lid of een land waarvan de invoer de uitvoer overtreft; |
|
9. |
verdeelde meerderheid van stemmen: 70 % of meer van de stemmen van de aanwezige en stemmende exporterende leden, en 70 % of meer van de stemmen van de aanwezige en stemmende importerende leden, afzonderlijk geteld; |
|
10. |
depositaris: de intergouvernementele organisatie of overeenkomstsluitende partij bij de Internationale Koffieovereenkomst van 2001, aangewezen bij besluit van de Raad krachtens de Internationale Koffieovereenkomst van 2001, te nemen bij consensus vóór 31 januari 2008. Dit besluit vormt een integrerend onderdeel van deze overeenkomst. |
HOOFDSTUK III
ALGEMENE VERBINTENISSEN VAN DE LEDEN
Artikel 3
Algemene verbintenissen van de leden
1. De leden verbinden zich ertoe de maatregelen te nemen die nodig zijn om hun verplichtingen in het kader van deze overeenkomst te kunnen nakomen, en elkaar volledige medewerking te verlenen om de doelstellingen van deze overeenkomst te verwezenlijken; de leden verbinden zich in het bijzonder tot het verstrekken van alle informatie die nodig is om de toepassing van deze overeenkomst te vergemakkelijken.
2. De leden erkennen dat certificaten van oorsprong belangrijke bronnen van informatie betreffende de koffiehandel zijn. De exporterende leden zien er derhalve op toe dat de certificaten van oorsprong op de juiste wijze worden afgegeven en gebruikt in overeenstemming met de door de Raad vastgestelde regels.
3. De leden erkennen voorts dat informatie betreffende wederuitvoer eveneens van belang is voor een juiste analyse van de mondiale situatie in de koffiesector. De importerende leden zien er derhalve op toe dat geregeld en nauwkeurig informatie wordt verstrekt over de wederuitvoer overeenkomstig de door de Raad vastgestelde vorm- en methodevoorschriften.
HOOFDSTUK IV
LIDMAATSCHAP
Artikel 4
Lidmaatschap van de Organisatie
1. Elke overeenkomstsluitende partij vormt één lid van de Organisatie.
2. Een lid kan op de door de Raad vast te stellen voorwaarden veranderen van lidmaatschapscategorie.
3. Steeds wanneer er in deze overeenkomst sprake is van „regeringen” worden hiermee tevens bedoeld de Europese Gemeenschap en elke andere intergouvernementele organisatie die exclusieve verantwoordelijkheden draagt ten aanzien van het onderhandelen over en het sluiten en het toepassen van deze overeenkomst.
Artikel 5
Groepslidmaatschap
Twee of meer overeenkomstsluitende partijen kunnen, door een passende kennisgeving aan de Raad en de depositaris, die ingaat op een datum die door de betrokken overeenkomstsluitende partijen wordt vastgesteld en op de door de Raad overeengekomen voorwaarden, verklaren dat zij aan de Organisatie deelnemen als een ledengroep.
HOOFDSTUK V
INTERNATIONALE KOFFIEORGANISATIE
Artikel 6
Zetel en structuur van de Internationale Koffieorganisatie
1. De Internationale Koffieorganisatie, opgericht bij de Internationale Koffieovereenkomst van 1962, blijft voortbestaan om de bepalingen van deze overeenkomst ten uitvoer te leggen en op de werking ervan toe te zien.
2. De zetel van de Organisatie is Londen, tenzij de Raad anders besluit.
3. De hoogste autoriteit in de Organisatie is de Internationale Koffieraad. De Raad wordt bijgestaan door desgewenst de Commissie voor financiële en administratieve zaken, de Commissie voor stimulering en ontwikkeling van de markt en de Projectcommissie. De Raad wordt ook geadviseerd door de Adviesraad voor de particuliere sector, de Wereldkoffieconferentie en het Adviesforum inzake de financiering van de koffiesector.
Artikel 7
Voorrechten en immuniteiten
1. De Organisatie bezit rechtspersoonlijkheid. In het bijzonder heeft zij de bevoegdheid contracten te sluiten, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden en rechtsvorderingen in te stellen.
2. Voor de status, de voorrechten en de immuniteiten van de Organisatie, haar uitvoerend directeur, haar personeel en haar deskundigen, alsmede van de vertegenwoordigers van de leden wanneer zij zich op het grondgebied van het gastland bevinden voor het uitoefenen van hun functies, geldt de zetelovereenkomst die door de regering van het gastland en de Organisatie werd gesloten.
3. De in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake vestiging van de zetel staat los van de onderhavige overeenkomst. Zij wordt in de volgende gevallen evenwel beëindigd:
|
a) |
in overleg tussen de gastregering en de Organisatie; |
|
b) |
wanneer de zetel van de Organisatie uit het grondgebied van het gastland verhuist, of |
|
c) |
ingeval de Organisatie ophoudt te bestaan. |
4. De Organisatie kan met één of meer andere leden door de Raad goed te keuren overeenkomsten sluiten betreffende de voorrechten en immuniteiten die voor de goede werking van de overeenkomst nodig kunnen zijn.
5. De regeringen van de landen die lid zijn, behalve het gastland, kennen de Organisatie met betrekking tot valuta- of wisselkoersbeperkingen, het houden van bankrekeningen en het overmaken van gelden dezelfde faciliteiten toe als die welke aan de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties worden verleend.
HOOFDSTUK VI
INTERNATIONALE KOFFIERAAD
Artikel 8
Samenstelling van de Internationale Koffieraad
1. De Internationale Koffieraad bestaat uit alle leden van de Organisatie.
2. Elk lid stelt een vertegenwoordiger aan in de Raad en, indien het zulks wenst, één of meer plaatsvervangers. Elk lid kan tevens één of meer adviseurs voor zijn vertegenwoordiger of plaatsvervangers aanwijzen.
Artikel 9
Bevoegdheden en taken van de Raad
1. Alle in het kader van deze overeenkomst verleende bevoegdheden berusten bij de Raad, die de bevoegdheid heeft en de functies uitoefent die nodig zijn om de bepalingen van deze overeenkomst uit te voeren.
2. De Raad kan indien nodig andere dan de in artikel 6, lid 3, bedoelde commissies en hulporganen oprichten en opheffen.
3. De Raad stelt de voor de uitvoering van deze overeenkomst nodige en daarmee in overeenstemming zijnde voorschriften vast, met inbegrip van zijn eigen reglement van orde, alsmede het financiële reglement en het personeelsstatuut van de Organisatie. De Raad kan in zijn reglement van orde een procedure opnemen om over bepaalde vraagstukken een beslissing te nemen zonder bijeen te komen.
4. De Raad stelt regelmatig een strategisch actieplan op om zijn werkzaamheden te leiden en prioriteiten vast te stellen, met inbegrip van prioriteiten voor projectactiviteiten als bedoeld in artikel 28 en studies, onderzoeken en verslagen als bedoeld in artikel 34. De in het actieplan omschreven prioriteiten worden vertaald in de door de Raad goedgekeurde jaarlijkse werkprogramma’s.
5. De Raad houdt tevens de voor de uitoefening van zijn taken in het kader van deze overeenkomst noodzakelijke bescheiden en alle andere door hem wenselijk geachte bescheiden bij.
Artikel 10
Voorzitter en vicevoorzitter van de Raad
1. De Raad kiest voor ieder koffiejaar een voorzitter en een vicevoorzitter, die niet worden bezoldigd door de Organisatie.
2. De voorzitter wordt gekozen uit de vertegenwoordigers van de exporterende leden of uit de vertegenwoordigers van de importerende leden; de vicevoorzitter wordt gekozen uit de vertegenwoordigers van de andere categorie. Deze functies worden voor één koffiejaar bij toerbeurt bekleed door vertegenwoordigers van de twee ledencategorieën.
3. Noch de voorzitter noch een als voorzitter optredende vicevoorzitter is stemgerechtigd. Het stemrecht van het lid wordt in dit geval door een plaatsvervanger uitgeoefend.
Artikel 11
Zittingen van de Raad
1. De Raad houdt tweemaal per jaar een regelmatige vergadering en besluit indien nodig tot het houden van speciale zittingen. Op verzoek van tien leden kunnen speciale zittingen worden gehouden. De zittingen worden ten minste dertig dagen tevoren aangekondigd; in spoedeisende gevallen kan deze aankondiging uiterlijk tien dagen tevoren worden verricht.
2. De zittingen worden gehouden in het hoofdkantoor van de Organisatie, tenzij de Raad anders besluit. Indien een lid de Raad uitnodigt op zijn grondgebied bijeen te komen en de Raad daarmee instemt, komen de meerkosten ten opzichte van op de zetel gehouden zittingen ten laste van dat lid.
3. De Raad kan landen die geen lid zijn of om het even welke van de in de artikelen 15 en 16 bedoelde organisaties uitnodigen tot het in de hoedanigheid van waarnemer bijwonen van zijn zittingen. Bij elke zitting besluit de Raad over het toelaten van waarnemers.
4. Als quorum voor het nemen van besluiten op een zitting van de Raad is de aanwezigheid vereist van meer dan de helft van het aantal exporterende leden en meer dan de helft van het aantal importerende leden, waarbij voor beide categorieën ten minste twee derde van de stemmen moet zijn vertegenwoordigd. Indien er bij de opening van een zitting van de Raad of van een plenaire vergadering geen quorum is, wordt de opening van de zitting of van de plenaire vergadering door de voorzitter met ten minste twee uur uitgesteld. Indien er op het nieuwe tijdstip van de opening nog geen quorum is, kan de opening van de zitting of van de plenaire vergadering door de voorzitter nogmaals met ten minste twee uur worden uitgesteld. Indien er op het einde van dit nieuwe uitstel nog steeds geen quorum is, worden de kwesties waarover een besluit moet worden genomen, uitgesteld tot de volgende zitting van de Raad.
Artikel 12
Stemmen
1. De exporterende leden hebben tezamen 1 000 stemmen en de importerende leden hebben tezamen 1 000 stemmen, welke binnen elke ledencategorie, dat wil zeggen de categorie van exporterende leden en de categorie van importerende leden, worden verdeeld als bepaald in hetgeen volgt.
2. Ieder lid heeft vijf vaste stemmen.
3. De overige stemmen voor de exporterende leden worden onder die leden verdeeld naar verhouding van de gemiddelde omvang van de koffie-uitvoer van ieder exporterend lid naar alle bestemmingen in de voorgaande vier kalenderjaren.
4. De overige stemmen voor de importerende leden worden onder die leden verdeeld naar verhouding van de gemiddelde omvang van de koffie-invoer van ieder importerend lid in de voorgaande vier kalenderjaren.
5. De Europese Gemeenschap of enige andere intergouvernementele organisatie als bedoeld in artikel 4, lid 3, heeft een stem als één lid; zij heeft vijf vaste stemmen en extra stemmen naar verhouding van het gemiddelde volume import of export van koffie in de voorbije vier kalenderjaren.
6. De verdeling van de stemmen wordt overeenkomstig het in dit artikel bepaalde aan het begin van elk koffiejaar door de Raad vastgesteld en blijft gedurende dat jaar van kracht behoudens het in lid 7 van dit artikel bepaalde.
7. De Raad regelt in overeenstemming met het in dit artikel bepaalde de herverdeling van de stemmen indien er verandering komt in het aantal leden van de Organisatie of indien een lid op grond van artikel 21 in zijn stemrecht wordt geschorst of hersteld.
8. Geen lid kan in zijn categorie twee derde of meer van de stemmen hebben.
9. Er worden geen gedeelten van stemmen toegekend.
Artikel 13
Stemprocedure in de Raad
1. Ieder lid heeft het recht het aantal stemmen uit te brengen dat het bezit, en is niet gerechtigd zijn stemmen te verdelen. Een lid kan echter de stemmen die het op grond van lid 2 van dit artikel bezit, verschillend uitbrengen.
2. Een exporterend lid kan elk ander exporterend lid, en een importerend lid elk ander importerend lid, schriftelijk machtigen om op een vergadering of vergaderingen van de Raad zijn belangen te vertegenwoordigen en zijn stemrecht uit te oefenen.
Artikel 14
Besluiten van de Raad
1. De Raad streeft ernaar al zijn besluiten te nemen en al zijn aanbevelingen te doen bij consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, neemt de Raad besluiten en doet hij aanbevelingen bij verdeelde meerderheid van 70 % of meer van de aanwezige en aan de stemming deelnemende exporterende leden, en 70 % of meer van de aanwezige en aan de stemming deelnemende importerende leden, afzonderlijk geteld.
2. Voor elk besluit van de Raad bij verdeelde meerderheid wordt de volgende procedure gebruikt:
|
a) |
indien de verdeelde meerderheid van stemmen niet wordt verkregen, als gevolg van het tegenstemmen door drie of minder exporterende leden of drie of minder importerende leden, wordt het voorstel binnen 48 uur opnieuw in stemming gebracht, indien de Raad daartoe bij meerderheid van de aanwezige leden besluit, en |
|
b) |
indien dan opnieuw geen verdeelde meerderheid van stemmen wordt bereikt, geldt het voorstel als afgewezen. |
3. De leden aanvaarden alle overeenkomstig deze overeenkomst door de Raad genomen besluiten als bindend.
Artikel 15
Samenwerking met andere organisaties
1. De Raad kan regelingen treffen voor overleg en samenwerking met de Verenigde Naties en hun gespecialiseerde organisaties, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele organisaties en relevante internationale en regionale organisaties. De Raad maakt gebruik van alle faciliteiten van het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen en andere financieringsbronnen. Dergelijke regelingen kunnen tevens financiële regelingen omvatten die de Raad dienstig acht voor het verwezenlijken van de doelstellingen van deze overeenkomst. De Organisatie kan bij de uitvoering van projecten in het kader van dergelijke regelingen evenwel geen financiële verplichtingen aangaan met betrekking tot garanties die door afzonderlijke leden of andere instanties zijn gegeven. Leden kunnen niet op grond van hun lidmaatschap van de Organisatie aansprakelijk worden gesteld voor door andere leden of instanties in verband met dergelijke projecten opgenomen of verstrekte leningen.
2. De Organisatie kan voorts, waar dat mogelijk is, bij leden, niet-leden, donororganisaties en andere organisaties informatie vergaren over ontwikkelingsprojecten en -programma’s die op de koffiesector zijn gericht. Met instemming van de betrokken partijen kan de Organisatie die informatie eventueel aan dergelijke andere organisaties en aan de leden ter beschikking stellen.
Artikel 16
Samenwerking met niet-gouvernementele organisaties
De Organisatie kan voor de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van deze overeenkomst, onverminderd de bepalingen van de artikelen 15, 29, 30 en 31, samenwerkingsactiviteiten opzetten en versterken met in aanmerking komende niet-gouvernementele organisaties die ervaring hebben met de relevante aspecten van de koffiesector en met andere deskundigen op koffiegebied.
HOOFDSTUK VII
UITVOEREND DIRECTEUR EN PERSONEEL
Artikel 17
Uitvoerend directeur en personeel
1. De Raad benoemt de uitvoerend directeur. De voorwaarden waaraan de te benoemen uitvoerend directeur moet voldoen, worden vastgesteld door de Raad en moeten overeenstemmen met die welke gelden voor vergelijkbare functies bij soortgelijke intergouvernementele organisaties.
2. De uitvoerend directeur is het administratieve hoofd van de Organisatie en is verantwoordelijk voor de vervulling van alle met de uitvoering van de overeenkomst verband houdende werkzaamheden.
3. De uitvoerend directeur benoemt het personeel van de Organisatie in overeenstemming met door de Raad vastgestelde voorschriften.
4. De uitvoerend directeur en de leden van het personeel mogen geen financiële belangen hebben in de koffie-industrie, de koffiehandel of het vervoer van koffie.
5. Bij de vervulling van hun werkzaamheden mogen de uitvoerend directeur en het personeel geen instructies vragen of ontvangen van leden of van enige andere autoriteit buiten de Organisatie. Zij onthouden zich van handelingen die in strijd zijn met hun positie als internationaal functionaris die uitsluitend aan de Organisatie verantwoording verschuldigd is. De leden verbinden zich ertoe het uitsluitend internationale karakter van de taak van de uitvoerend directeur en het personeel te eerbiedigen en niet te trachten hen in de vervulling van hun taak te beïnvloeden.
HOOFDSTUK VIII
FINANCIËN EN BESTUUR
Artikel 18
Commissie voor financiële en administratieve zaken
Er wordt een Commissie voor financiële en administratieve zaken opgericht. De Raad besluit over haar samenstelling en mandaat. Deze Commissie is verantwoordelijk voor het toezicht op de voorbereiding van de huishoudelijke begroting die ter goedkeuring aan de Raad moet worden voorgelegd, en voert elke andere taak uit die haar door de Raad wordt toegewezen, met inbegrip van toezicht op de inkomsten en de uitgaven en administratieve kwesties van de Organisatie. De Commissie voor financiële en administratieve zaken brengt over haar werkzaamheden verslag uit aan de Raad.
Artikel 19
Financiering
1. De uitgaven van de delegaties naar de Raad en van vertegenwoordigers in de commissies van de Raad worden betaald door hun onderscheiden regeringen.
2. De andere uitgaven die nodig zijn voor de uitvoering van deze overeenkomst, worden betaald uit de overeenkomstig artikel 20 vastgestelde jaarlijkse bijdragen van de leden, alsook met de opbrengsten van de verkoop van bepaalde diensten aan leden en van de verkoop van de overeenkomstig artikelen 32 en 34 verkregen informatie en tot stand gekomen studies.
3. Het boekjaar van de Organisatie valt samen met het koffiejaar.
Artikel 20
Vaststelling van de huishoudelijke begroting en van de bijdragen
1. Gedurende de tweede helft van ieder boekjaar keurt de Raad de huishoudelijke begroting van de Organisatie voor het volgende boekjaar goed en stelt hij de bijdrage van ieder lid aan de begroting vast. Door de uitvoerend directeur wordt onder toezicht van de Commissie voor financiële en administratieve zaken een ontwerp van huishoudelijke begroting opgesteld overeenkomstig artikel 18.
2. De bijdrage van ieder lid aan de huishoudelijke begroting van ieder boekjaar wordt bepaald door de verhouding van het aantal stemmen van dat lid op de datum waarop de huishoudelijke begroting voor dat boekjaar wordt goedgekeurd, tot het totale aantal stemmen van alle leden. Indien echter aan het begin van het boekjaar waarvoor de bijdragen worden vastgesteld, wijzigingen optreden in de verdeling van de stemmen onder de leden overeenkomstig artikel 12, lid 6, worden de bijdragen voor dat jaar naar verhouding aangepast. Bij het vaststellen van de bijdragen worden de stemmen van ieder lid berekend zonder eventuele opschorting van het stemrecht van leden of een daaruit voortvloeiende herverdeling van de stemmen in aanmerking te nemen.
3. Zoals vastgesteld in artikel 42 wordt de eerste bijdrage van een na de inwerkingtreding van deze overeenkomst tot de Organisatie toetredend lid door de Raad vastgesteld op basis van het aantal stemmen waarover het lid beschikt en het van het lopende boekjaar nog overblijvende tijdvak; de voor andere leden voor het lopende boekjaar vastgestelde bijdragen worden evenwel niet gewijzigd.
Artikel 21
Betaling van de bijdragen
1. De bijdragen aan de huishoudelijke begroting voor ieder boekjaar worden betaald in vrij converteerbare valuta en zijn verschuldigd op de eerste dag van het boekjaar waarop zij betrekking hebben.
2. Indien een lid zijn volledige bijdrage aan de huishoudelijke begroting niet betaalt binnen zes maanden na de datum waarop zij verschuldigd is, worden zijn stemrecht en zijn recht om deel te nemen aan de zittingen van de gespecialiseerde commissies opgeschort tot de bijdrage is betaald. Bedoeld lid wordt evenwel niet uit zijn andere rechten ontzet of van enige van zijn verplichtingen op grond van deze overeenkomst ontheven, tenzij de Raad daartoe besluit.
3. Ieder lid wiens stemrecht is opgeschort op grond van lid 2 van dit artikel, blijft niettemin verantwoordelijk voor de betaling van zijn bijdrage.
Artikel 22
Passiva
1. De overeenkomstig artikel 6, lid 3, functionerende Organisatie kan buiten het kader van deze overeenkomst geen verplichtingen oplopen en kan niet als daartoe door haar leden gemachtigd worden beschouwd; in het bijzonder kan zij geen geldleningen aangaan. De Organisatie ziet er, bij de uitoefening van haar bevoegdheid contracten te sluiten, op toe dat de voorwaarden van dit artikel op zodanige wijze in haar contracten worden opgenomen dat zij onder de aandacht worden gebracht van de andere partijen die contracten met de Organisatie aangaan; het verzuim om die voorwaarden op te nemen maakt het contract evenwel niet ongeldig of onbevoegdelijk gesloten.
2. De aansprakelijkheid van een lid blijft beperkt tot de omvang van zijn verplichtingen inzake bijdragen welke in deze overeenkomst duidelijk worden omschreven. Derden worden ten aanzien van hun relaties met de Organisatie geacht kennis te hebben genomen van het in deze overeenkomst bepaalde betreffende de aansprakelijkheid van de leden.
Artikel 23
Accountantscontrole en openbaarmaking van de rekeningen
Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na het einde van ieder boekjaar, wordt een onafhankelijke accountantsverklaring opgesteld inzake de activa, passiva, ontvangsten en uitgaven van de Organisatie gedurende het boekjaar. Deze verklaring wordt aan de Raad ter goedkeuring voorgelegd op de eerstvolgende zitting.
HOOFDSTUK IX
STIMULERING EN ONTWIKKELING VAN DE MARKT
Artikel 24
Verwijdering van belemmeringen voor handel en verbruik
1. De leden zijn zich bewust van het belang van duurzame ontwikkeling voor de koffiesector, alsook van het wegwerken van de bestaande belemmeringen voor handel en consumptie en het vermijden van nieuwe, en erkennen tegelijkertijd dat de leden het recht hebben regelgeving af te kondigen en nieuwe regelgeving in te voeren om tegemoet te komen aan de doelstellingen van hun nationale beleid inzake volksgezondheid en milieu, in overeenstemming met hun verplichtingen en verbintenissen krachtens internationale overeenkomsten, met inbegrip van overeenkomsten over de internationale handel.
2. De leden erkennen dat er thans maatregelen van kracht zijn die in meerdere of mindere mate de toename van het koffieverbruik belemmeren, in het bijzonder:
|
a) |
invoerregelingen voor koffie, waaronder preferentiële en andere rechten, contingenten, activiteiten van staatsmonopolies en officiële aankoopbureaus, en andere administratieve regelingen en handelsgebruiken; |
|
b) |
uitvoerregelingen betreffende directe en indirecte subsidies en andere administratieve regelingen en handelsgebruiken, en |
|
c) |
binnenlandse handelsvoorwaarden, alsmede binnenlandse en regionale wettelijke en administratieve bepalingen die het verbruik kunnen beïnvloeden. |
3. Met inachtneming van bovengenoemde doelstellingen en van lid 4 van dit artikel proberen de leden te bereiken dat de tarieven voor koffie worden verlaagd of ondernemen zij andere acties om belemmeringen voor een toename van het verbruik weg te werken.
4. Rekening houdend met hun gezamenlijke belangen verbinden de leden zich ertoe methoden en middelen te zoeken waarmee de belemmeringen voor een toename van de handel en het verbruik zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, geleidelijk kunnen worden ingekrompen en uiteindelijk, waar dat mogelijk is, kunnen worden weggewerkt, of waarmee de gevolgen van die belemmeringen in aanzienlijke mate kunnen worden verminderd.
5. Rekening houdend met de op grond van lid 4 van dit artikel aangegane verbintenissen doen de leden aan de Raad jaarlijks kennisgeving van alle maatregelen welke zij ter uitvoering van dit artikel hebben getroffen.
6. De uitvoerend directeur stelt periodiek een overzicht van de belemmeringen voor het verbruik op, dat door de Raad wordt geëvalueerd.
7. De Raad kan met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel aanbevelingen doen aan de leden, die zo spoedig mogelijk aan de Raad verslag uitbrengen over de maatregelen die zij ter uitvoering van die aanbevelingen hebben genomen.
Artikel 25
Stimulering en ontwikkeling van de markt
1. De leden zijn zich bewust van de voordelen voor zowel exporterende als importerende leden van de inspanningen om de consumptie te stimuleren, de kwaliteit van het product te verbeteren en markten voor koffie, inclusief in de exporterende leden, te ontwikkelen.
2. Activiteiten voor promotie- en marktontwikkeling kunnen informatiecampagnes, onderzoek, capaciteitsopbouw en studies in verband met koffieproductie en -consumptie omvatten.
3. Dergelijke activiteiten kunnen worden opgenomen in het jaarlijkse werkprogramma van de Raad of in de projectactiviteiten van de Organisatie als bedoeld in artikel 28 en zij kunnen gefinancierd worden door vrijwillige bijdragen van leden, niet-leden, andere organisaties en de particuliere sector.
4. Er wordt een Commissie voor stimulering en ontwikkeling van de markt opgericht. De Raad besluit over haar samenstelling en mandaat.
Artikel 26
Maatregelen betreffende koffie in bewerkte vorm
De leden erkennen dat het voor de ontwikkelingslanden noodzakelijk is hun economische basis te verbreden door onder meer industrialisatie en uitvoer van industrieproducten, zoals de bewerking van koffie en de uitvoer van bewerkte koffie als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d), e), f) en g). In dit verband vermijden de leden overheidsmaatregelen in te stellen die de koffiesector van andere leden zouden kunnen ontwrichten.
Artikel 27
Mengsels en vervangingsmiddelen
1. De leden houden geen voorschriften in stand krachtens welke koffie met andere producten moet worden vermengd, verwerkt of gebruikt om als koffie in de handel te worden gebracht. De leden streven ernaar de verkoop van en de reclame voor producten onder de naam koffie te verbieden indien deze producten minder dan het equivalent van 95 % ongebrande koffie als grondstof bevatten.
2. De uitvoerend directeur legt de Raad periodiek een verslag voor over de naleving van dit artikel.
HOOFDSTUK X
PROJECTACTIVITEITEN VAN DE ORGANISATIE
Artikel 28
Ontwikkeling en financiering van projecten
1. De leden en de uitvoerend directeur kunnen voorstellen indienen voor projecten die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en voor één of meer prioritaire gebieden van werkzaamheden die in het door de Raad overeenkomstig artikel 9 goedgekeurde actieplan zijn omschreven.
2. De Raad stelt procedures en mechanismen vast voor het indienen, evalueren, goedkeuren, prioritair rangschikken en financieren van projecten, alsook voor hun tenuitvoerlegging, toezicht en evaluatie, en voor de ruime verspreiding van de resultaten ervan.
3. Bij elke zitting van de Raad brengt de uitvoerend directeur verslag uit over de stand van zaken van alle projecten die door de Raad werden goedgekeurd, met inbegrip van de projecten die nog wachten op financiering, die nog worden uitgevoerd, of die sinds de vorige zitting van de Raad zijn voltooid.
4. Er wordt een Projectcommissie opgericht. De Raad besluit over haar samenstelling en mandaat.
HOOFDSTUK XI
PARTICULIERE KOFFIESECTOR
Artikel 29
Adviesraad voor de particuliere sector
1. De Adviesraad voor de particuliere sector (hierna de „Adviesraad” genoemd) is een raadgevend lichaam dat aanbevelingen kan doen indien het door de Raad wordt geraadpleegd en de Raad kan verzoeken aangelegenheden in verband met deze overeenkomst in overweging te nemen.
2. De Adviesraad bestaat uit acht vertegenwoordigers van de particuliere sector van exporterende landen en acht vertegenwoordigers van de particuliere sector van importerende landen.
3. De leden van de Adviesraad zijn vertegenwoordigers van verenigingen of organisaties die door de Raad iedere twee koffiejaren worden aangewezen. Zij zijn herbenoembaar. De Raad streeft in dit verband naar aanwijzing van:
|
a) |
twee tot de particuliere sector behorende verenigingen of organisaties op koffiegebied uit exporterende landen of regio’s, die elk van de vier categorieën koffie vertegenwoordigen en bij voorkeur zowel telers als exporteurs vertegenwoordigen, alsmede één of meer plaatsvervangers voor iedere vertegenwoordiger, en |
|
b) |
acht tot de particuliere sector behorende verenigingen of organisaties op koffiegebied uit importerende landen, ongeacht of deze landen lid zijn, die bij voorkeur zowel importeurs als branders vertegenwoordigen, alsmede één of meer plaatsvervangers voor iedere vertegenwoordiger. |
4. Ieder lid van de Adviesraad kan één of meer adviseurs aanwijzen.
5. De Adviesraad heeft een voorzitter en een vicevoorzitter, die voor één jaar uit de leden van de Adviesraad worden verkozen. Deze functionarissen zijn herkiesbaar. De voorzitter en de vicevoorzitter worden niet door de Organisatie bezoldigd. De voorzitter wordt uitgenodigd om als waarnemer de bijeenkomsten van de Raad bij te wonen.
6. De plaats waar de Adviesraad bijeenkomt, is gewoonlijk de zetel van de Organisatie, tegelijkertijd met een gewone zitting van de Raad. Indien de Raad een uitnodiging van een lid aanvaardt om op het grondgebied van dat lid een bijeenkomst te houden, kan de Adviesraad ook op dat grondgebied worden gehouden; de meerkosten voor de Organisatie ten opzichte van op de zetel gehouden bijeenkomsten komen in dat geval ten laste van het land dat of de particuliere organisatie die als gastheer optreedt.
7. De Adviesraad kan met toestemming van de Raad bijzondere bijeenkomsten houden.
8. De Adviesraad brengt regelmatig verslag uit aan de Raad.
9. De Adviesraad stelt zijn reglement van orde op, dat in overeenstemming dient te zijn met het bepaalde in deze overeenkomst.
Artikel 30
Wereldkoffieconferentie
1. De Raad ziet erop toe dat met passende tussenpozen een Wereldkoffieconferentie wordt gehouden (hierna de „Conferentie” genoemd), waaraan wordt deelgenomen door exporterende en importerende leden, vertegenwoordigers van de particuliere sector en andere belanghebbenden, waaronder deelnemers uit landen die geen lid zijn. De Raad ziet er in coördinatie met de voorzitter van de Conferentie op toe dat de Conferentie bijdraagt tot de doelstellingen van de overeenkomst.
2. De Conferentie heeft een voorzitter, die niet door de Organisatie wordt bezoldigd. De voorzitter wordt door de Raad voor een passende termijn benoemd en wordt uitgenodigd om als waarnemer de bijeenkomsten van de Raad bij te wonen.
3. De Raad besluit in overleg met de Adviesraad voor de particuliere sector over de vorm, de titel, het onderwerp en het tijdstip van de Conferentie. De plaats waar de Conferentie wordt gehouden, is gewoonlijk de zetel van de Organisatie, tegelijkertijd met een zitting van de Raad. Indien de Raad een uitnodiging van een lid aanvaardt om op het grondgebied van dat lid een zitting te organiseren, kan de Conferentie ook op dat grondgebied worden gehouden; de meerkosten voor de Organisatie ten opzichte van op de zetel gehouden zittingen komen in dat geval ten laste van het land dat als gastheer optreedt.
4. Tenzij de Raad anders besluit, financiert de Conferentie zichzelf.
5. De voorzitter rapporteert bij de Raad over de conclusies van de Conferentie.
Artikel 31
Adviesforum inzake de financiering van de koffiesector
1. De Raad roept op passende tijdstippen en in samenwerking met andere relevante organisaties een Adviesforum inzake de financiering van de koffiesector samen (hierna het „Forum” genoemd), ten einde overleg over kwesties die met financiën en risicobeheer in de koffiesector verband houden te vergemakkelijken, en met bijzondere aandacht voor de behoeften van kleine en middelgrote producenten en lokale gemeenschappen in koffieproducerende gebieden.
2. Het Forum omvat vertegenwoordigers van de leden, intergouvernementele organisaties, financiële instellingen, de particuliere sector, niet-gouvernementele organisaties, belangstellende niet-leden en anderen met relevante expertise. Tenzij de Raad anders besluit, financiert het Forum zichzelf.
3. De Raad stelt een reglement van orde voor het Forum vast, wijst de voorzitter aan en zorgt voor een ruime verspreiding van de resultaten, indien nodig met gebruikmaking van mechanismen die zijn ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 34. De voorzitter rapporteert bij de Raad over de conclusies van het Forum.
HOOFDSTUK XII
STATISTISCHE INFORMATIE, STUDIES EN ONDERZOEKEN
Artikel 32
Statistische informatie
1. De Organisatie treedt op als centrum voor de verzameling, uitwisseling en publicatie van:
|
a) |
statistische informatie over de mondiale productie, prijzen, uitvoer, invoer en wederuitvoer, distributie en consumptie van koffie, met inbegrip van informatie over de productie, consumptie, handel en prijzen voor koffiesoorten in diverse marktcategorieën en producten die koffie bevatten, en |
|
b) |
technische gegevens over verbouw, be- en verwerking en gebruik van koffie (voor zover nuttig geacht). |
2. De Raad kan de leden verzoeken de gegevens beschikbaar te stellen die hij voor zijn werkzaamheden nodig acht, zoals geregelde statistische rapporten over koffieproductie, productietrends, invoer, uitvoer en wederuitvoer, distributie, verbruik, voorraden, prijzen en belasting, maar maakt geen informatie openbaar die zou kunnen worden gebruikt om gegevens te verzamelen over de activiteiten van personen of ondernemingen die zich bezighouden met de productie, de be- en verwerking of de afzet van koffie. Indien de leden daartoe in staat zijn, verstrekken zij de gevraagde gegevens zo spoedig mogelijk en in zo gedetailleerd en accuraat mogelijke vorm.
3. De Raad stelt een systeem van richtprijzen vast en verzorgt de publicatie van een dagelijkse samengestelde richtprijs, die de werkelijke marktomstandigheden weerspiegelt.
4. Indien een lid in gebreke blijft de Raad binnen een redelijke termijn de statistische en andere inlichtingen te verschaffen welke hij voor het behoorlijke functioneren van de Organisatie nodig heeft, of daarbij moeilijkheden ondervindt, kan de Raad het betrokken lid verzoeken de redenen voor het niet vervullen van zijn verplichtingen mede te delen. Het lid kan de Raad ook in kennis stellen van zijn moeilijkheid en om technische bijstand verzoeken.
5. Indien blijkt dat ter zake technische bijstand nodig is, of indien een lid gedurende twee opeenvolgende jaren de krachtens lid 2 van dit artikel vereiste statistische informatie niet heeft verstrekt, en niet heeft verzocht om bijstand van de Raad, of geen verklaring heeft gegeven voor de niet-naleving, kan de Raad initiatieven nemen die een lid ertoe kunnen brengen de vereiste informatie te verstrekken.
Artikel 33
Certificaten van oorsprong
1. Om de verzameling van statistische gegevens over de internationale koffiehandel te vereenvoudigen en de hoeveelheden koffie die door ieder exporterend lid zijn uitgevoerd vast te stellen, stelt de Organisatie een systeem van certificaten van oorsprong in, waarvoor de Raad de regels vaststelt.
2. Alle uitvoer van koffie door een exporterend lid dient vergezeld te gaan van een geldig certificaat van oorsprong. Certificaten van oorsprong worden overeenkomstig de door de Raad vastgestelde regels afgegeven door een bevoegde instantie die door het lid is aangewezen en door de Organisatie is goedgekeurd.
3. Ieder exporterend lid deelt de Organisatie de naam mede van de gouvernementele of niet-gouvernementele instelling die de in lid 2 van dit artikel omschreven functies moet vervullen. Niet-gouvernementele instellingen dienen door de Organisatie specifiek te worden goedgekeurd, overeenkomstig de door de Raad vastgestelde regels.
4. Bij wijze van uitzondering en met redenen omkleed kan een exporterend lid de Raad verzoeken om toestemming om de gegevens van het certificaat van oorsprong over zijn koffie-uitvoer op andere wijze aan de Raad te doen toekomen.
Artikel 34
Studies, onderzoeken en verslagen
1. Om de leden bij te staan, bevordert de Raad de voorbereiding van studies, onderzoeken, technische verslagen en andere documenten in verband met relevante aspecten van de koffiesector.
2. Dit kan omvatten: werkzaamheden over economische aspecten van de koffieproductie en -distributie, de analyse van de koffie-waardeketen, de aanpak van financieel risico- en ander risicobeheer, de impact van regeringsmaatregelen op de productie en de consumptie van koffie, duurzaamheidsaspecten van de koffiesector, het verband tussen koffie en gezondheid, de mogelijkheden om de koffiemarkten uit te breiden voor traditioneel en mogelijk nieuw gebruik.
3. De verzamelde, gecompileerde, geanalyseerde en verspreide informatie kan ook omvatten, indien technisch haalbaar:
|
a) |
hoeveelheden en prijzen van koffiesoorten gemeten aan factoren als diverse geografische gebieden en kwaliteitsgerelateerde productievoorwaarden, en |
|
b) |
informatie over marktstructuren, nichemarkten en opkomende trends in de productie en consumptie. |
4) Om de bepalingen van lid 1 van dit artikel uit te voeren, hecht de Raad goedkeuring aan een jaarlijks werkprogramma voor studie, onderzoeken en verslagen, met een raming van de nodige middelen. Deze activiteiten worden gefinancierd uit de huishoudelijke begroting of via extra budgettaire middelen.
5. De Organisatie heeft bijzondere aandacht voor de vergemakkelijking van de toegang tot informatie voor kleine koffieproducenten, zodat zij hun financiële prestaties kunnen verbeteren, met inbegrip van krediet- en risicobeheer.
HOOFDSTUK XIII
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 35
Voorbereidingen voor een nieuwe overeenkomst
1. De Raad kan de mogelijkheid onderzoeken van onderhandelingen over een nieuwe internationale koffieovereenkomst.
2. Met het oog op de uitvoering van deze bepaling onderzoekt de Raad de vorderingen die de Organisatie maakt met de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst, zoals deze in artikel 1 zijn vastgesteld.
Artikel 36
Duurzame koffiesector
De leden schenken gepaste aandacht aan het duurzame beheer van de middelen voor de productie en verwerking van koffie, met inachtneming van de beginselen en doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling welke zijn vervat in Agenda 21, overeengekomen op de Conferentie van de Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling, gehouden in 1992 in Rio de Janeiro en die welke zijn goedgekeurd op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling van Johannesburg in 2002.
Artikel 37
Levensstandaard en arbeidsvoorwaarden
De leden schenken aandacht aan de verbetering van de levensstandaard en de arbeidsomstandigheden van in de koffiesector werkzame personen, op een wijze die in overeenstemming is met hun ontwikkelingsniveau en met inachtneming van internationaal erkende beginselen en toepasselijke normen op dit gebied. De leden komen voorts overeen dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor handelsprotectionistische doeleinden.
HOOFDSTUK XIV
OVERLEG, GESCHILLEN EN KLACHTEN
Artikel 38
Overleg
Elk lid besteedt welwillende aandacht aan en geeft voldoende gelegenheid tot overleg over uitspraken van andere leden ten aanzien van met deze overeenkomst verband houdende aangelegenheden. Bij dat overleg stelt de uitvoerend directeur op verzoek van een der partijen en met instemming van de andere partij een onafhankelijk panel samen, dat zijn goede diensten aanwendt om de partijen te verzoenen. De kosten van het panel kunnen niet ten laste van de Organisatie worden gebracht. Indien een partij niet instemt met de instelling van een panel door de uitvoerend directeur of indien het overleg niet tot een oplossing leidt, kan de aangelegenheid overeenkomstig artikel 39 naar de Raad worden verwezen. Indien het overleg wel tot een oplossing leidt, wordt hierover verslag uitgebracht aan de uitvoerend directeur, die het verslag aan alle leden doet toekomen.
Artikel 39
Geschillen en klachten
1. Geschillen betreffende de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst die niet via onderhandelingen zijn beslecht, worden op verzoek van een bij het geschil betrokken lid voor een beslissing aan de Raad voorgelegd.
2. De Raad stelt een procedure vast voor geschillenbeslechting en klachten.
HOOFDSTUK XV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 40
Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding en goedkeuring
1. Behalve indien anders is bepaald, staat deze overeenkomst van 1 februari 2008 tot en met 31 augustus 2008 bij de depositaris open voor ondertekening door de partijen bij de Internationale Koffieovereenkomst van 2001, en door de regeringen die waren uitgenodigd op de zitting van de Raad waarop deze overeenkomst werd aangenomen.
2. Deze overeenkomst wordt door de ondertekenende regeringen bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd overeenkomstig hun respectieve wettelijke procedures.
3. Behalve in de gevallen waarin artikel 42 voorziet, worden de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring uiterlijk op 30 september 2008 bij de depositaris nedergelegd. De Raad kan echter besluiten uitstel te verlenen aan ondertekenende regeringen die niet in staat zijn hun akten uiterlijk op die datum neder te leggen. De Raad brengt deze besluiten ter kennis van de depositaris.
4. Na de ondertekening en bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, of kennisgeving van voorlopige toepassing, legt de Europese Gemeenschap bij de depositaris een verklaring neder waarin haar exclusieve bevoegdheid met betrekking tot de onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden wordt gespecificeerd. De lidstaten van de Europese Gemeenschap komen niet in aanmerking om partij bij de overeenkomst te worden.
Artikel 41
Voorlopige toepassing
Een ondertekenende regering die van plan is deze overeenkomst te bekrachtigen, te aanvaarden of goed te keuren, kan op elk ogenblik de depositaris in kennis stellen van een voorlopige toepassing van deze overeenkomst overeenkomstig de wettelijke procedures van het land.
Artikel 42
Inwerkingtreding
1. De overeenkomst treedt definitief in werking indien de ondertekenende regeringen met ten minste twee derde van de stemmen van de exporterende leden en de ondertekenende regeringen met ten minste twee derde van de stemmen van de importerende leden, als berekend op 28 september 2007, zonder rekening te houden met een eventuele opschorting overeenkomstig artikel 21, hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd. Zij treedt anders definitief in werking op om het even welk tijdstip, indien zij voorlopig in werking is getreden overeenkomstig lid 2 van dit artikel en aan genoemde procentuele voorwaarden is voldaan door de nederlegging van akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
2. Indien deze overeenkomst op 25 september 2008 niet definitief in werking is getreden, treedt zij op die datum voorlopig in werking, of op een andere datum binnen de twaalf maanden na die datum, indien de ondertekenende regeringen met stemrecht als beschreven in lid 1 van dit artikel hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd, of zij overeenkomstig de bepalingen van artikel 41 de kennisgeving aan de depositaris hebben gedaan.
3. Indien deze overeenkomst voorlopig in werking is getreden, maar op 25 september 2009 nog niet definitief in werking is getreden, houdt zij op voorlopig in werking te zijn, tenzij die ondertekenende regeringen welke hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben nedergelegd, of overeenkomstig de bepalingen van artikel 41 de kennisgeving aan de depositaris hebben gedaan, in onderlinge overeenstemming besluiten dat de overeenkomst voor een specifieke periode verder voorlopig in werking blijft. Deze ondertekenende regeringen kunnen ook in onderlinge overeenstemming besluiten dat deze overeenkomst tussen hen onderling definitief in werking treedt.
4. Indien deze overeenkomst op 25 september 2009 niet overeenkomstig de leden 1 of 2 van dit artikel definitief of voorlopig in werking is getreden, kunnen de regeringen die akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd in overeenstemming met hun wetten en voorschriften, gezamenlijk besluiten dat de overeenkomst tussen hen onderling in werking treedt.
Artikel 43
Toetreding
1. Tenzij hierin in deze overeenkomst anders is voorzien, kan de regering van elke lidstaat van de Verenigde Naties of van een van de gespecialiseerde agentschappen ervan of enige andere intergouvernementele organisatie als bedoeld in artikel 4, lid 3, toetreden tot deze overeenkomst overeenkomstig de procedures die door de Raad worden vastgesteld.
2. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de depositaris. De toetreding wordt van kracht op het tijdstip waarop de akte wordt nedergelegd.
3. Na nederlegging van een akte van toetreding legt een intergouvernementele organisatie als bedoeld in artikel 4, lid 3, een verklaring neder waarin zij verklaart over de exclusieve bevoegdheid met betrekking tot alle onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden te beschikken. De lidstaten van een dergelijke organisatie komen niet in aanmerking om partij bij de overeenkomst te worden.
Artikel 44
Punten van voorbehoud
Ten aanzien van de bepalingen van deze overeenkomst mogen geen voorbehouden worden gemaakt.
Artikel 45
Vrijwillige uittreding
Een overeenkomstsluitende partij kan te allen tijde uit deze overeenkomst treden door hiervan schriftelijk kennisgeving te doen aan de depositaris. Deze uittreding wordt negentig dagen na ontvangst van bedoelde kennisgeving van kracht.
Artikel 46
Uitsluiting
Indien de Raad vaststelt dat een lid zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, en tevens tot de conclusie komt dat zulks de werking van de overeenkomst ernstig schaadt, kan hij het betrokken lid uitsluiten van de Organisatie. De Raad brengt onmiddellijk de depositaris op de hoogte van die beslissing. Negentig dagen na de datum van de beslissing van de Raad houdt het lid op lid van de Organisatie en partij bij deze overeenkomst te zijn.
Artikel 47
Vereffening met uittredende of uitgesloten leden
1. De Raad stelt de vereffening van de rekeningen met een uittredend of uitgesloten lid vast. De Organisatie behoudt alle reeds door een uitgetreden of uitgesloten lid betaalde bedragen, en een dergelijk lid blijft verplicht alle bedragen te betalen die het aan de Organisatie verschuldigd is op het ogenblik waarop de uittreding of de uitsluiting van kracht wordt, met dien verstande echter dat, indien een overeenkomstsluitende partij een wijziging niet kan aanvaarden en daarom zijn deelneming in het kader van deze overeenkomst overeenkomstig artikel 49, lid 2, stopzet, de Raad voor het vereffenen van de rekeningen een billijke regeling kan vaststellen.
2. Een lid dat zijn deelneming aan de overeenkomst stopzet, heeft geen recht op een deel van de opbrengst van een liquidatie of op andere activa van de Organisatie; het is ook niet aansprakelijk voor betaling van een deel van het eventuele tekort van de Organisatie bij de beëindiging van deze overeenkomst.
Artikel 48
Looptijd, verlenging en beëindiging
1. Deze overeenkomst blijft van kracht voor een periode van tien jaar na de voorlopige of definitieve inwerkingtreding, tenzij zij op grond van lid 3 van dit artikel wordt verlengd of op grond van lid 4 van dit artikel wordt beëindigd.
2. De Raad herziet deze overeenkomst vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en neemt de passende besluiten.
3. De Raad kan besluiten deze overeenkomst na haar vervaldatum voor één of meer opeenvolgende perioden te verlengen, maar niet langer dan acht jaar in totaal. Een lid dat met een dergelijke verlenging van deze overeenkomst niet instemt, stelt de Raad en de depositaris daarvan schriftelijk in kennis vóór het begin van de verlengingsperiode en houdt vanaf de aanvang van de verlengingsperiode op partij bij deze overeenkomst te zijn.
4. De Raad kan te allen tijde besluiten de overeenkomst te beëindigen. Deze beëindiging wordt van kracht op de datum die de Raad vaststelt.
5. Indien de overeenkomst is beëindigd, blijft de Raad zolang als nodig is bestaan teneinde de noodzakelijke besluiten te nemen gedurende de tijd die vereist is voor de liquidatie van de Organisatie en de vereffening van haar rekeningen, alsmede voor de overdracht van haar activa.
6. De Raad doet besluiten inzake de looptijd en/of de beëindiging van deze overeenkomst en kennisgevingen die door de Raad overeenkomstig dit artikel zijn ontvangen, toekomen aan de depositaris.
Artikel 49
Wijziging
1. De Raad kan wijzigingen aan de overeenkomst voorstellen en dit voorstel ter kennis brengen van de overeenkomstsluitende partijen. De wijziging wordt voor alle leden van de Organisatie van kracht honderd dagen nadat de depositaris bericht van aanvaarding heeft ontvangen van overeenkomstsluitende partijen die ten minste twee derde vertegenwoordigen van de stemmen van de exporterende landen en van overeenkomstsluitende partijen die ten minste twee derde van de stemmen van de importerende landen bezitten. Het hier genoemde percentage van twee derde wordt berekend op basis van het aantal overeenkomstsluitende partijen bij de overeenkomst op het ogenblik dat het voorstel voor een wijziging aan de betrokken overeenkomstsluitende partijen ter aanvaarding werd voorgelegd. De Raad stelt een termijn vast waarbinnen de overeenkomstsluitende partijen de depositaris van hun aanvaarding van de wijziging in kennis dienen te stellen, hetgeen dan door de Raad alle overeenkomstsluitende partijen en de depositaris ter kennis wordt gebracht. Indien bij het verstrijken van de vastgestelde termijn niet aan de procentuele voorwaarden voor het in werking treden van de wijziging is voldaan, wordt de wijziging als ingetrokken beschouwd.
2. Tenzij de Raad anders besluit, houdt elke overeenkomstsluitende partij die niet binnen de door de Raad vastgestelde termijn kennis heeft gegeven van aanvaarding van een wijziging, op overeenkomstsluitende partij bij deze overeenkomst te zijn vanaf de datum waarop deze wijziging in werking treedt.
3. De Raad stelt de depositaris in kennis van de wijzigingen die overeenkomstig dit artikel aan de overeenkomstsluitende partijen zijn toegezonden.
Artikel 50
Aanvullende bepalingen en overgangsbepalingen
Alle krachtens de Internationale Koffieovereenkomst van 2001 door of namens de Organisatie of een van haar organen getroffen regelingen, blijven van kracht tot op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.
Artikel 51
Authentieke teksten van de overeenkomst
De teksten van deze overeenkomst in de Engelse, de Franse, de Portugese en de Spaanse taal zijn gelijkelijk authentiek. De originelen worden nedergelegd bij de depositaris.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe gemachtigd door hun regering, deze overeenkomst hebben ondertekend op de naast hun handtekening vermelde datum.
BIJLAGE
CONVERSIECOËFFICIËNTEN VOOR GEBRANDE, CAFEÏNEVRIJE, VLOEIBARE EN OPLOSBARE KOFFIE VOLGENS DE INTERNATIONALE KOFFIEOVEREENKOMST VAN 2001
Gebrande koffie
Voor de berekening van het equivalent van gebrande koffie ten opzichte van ongebrande koffie wordt het nettogewicht van de gebrande koffie vermenigvuldigd met 1,19.
Cafeïnevrije koffie
Voor de berekening van het equivalent van cafeïnevrije koffie ten opzichte van ongebrande koffie wordt het nettogewicht van de cafeïnevrije koffie in ongebrande, gebrande of oplosbare vorm vermenigvuldigd met respectievelijk 1,00, 1,19 en 2,6.
Vloeibare koffie
Voor de berekening van het equivalent van vloeibare koffie ten opzichte van ongebrande koffie wordt het nettogewicht van de gedroogde vaste koffiebestanddelen in de vloeibare koffie vermenigvuldigd met 2,6.
Oplosbare koffie
Voor de berekening van het equivalent van oplosbare koffie ten opzichte van ongebrande koffie wordt het nettogewicht van oplosbare koffie vermenigvuldigd met 2,6.
Verklaring van de Europese Gemeenschap overeenkomstig artikel 40, lid 4, van de Internationale Koffieovereenkomst van 2007
Overeenkomstig artikel 40, lid 4, van de Internationale Koffieovereenkomst van 2007 wordt in deze verklaring aangegeven welke bevoegdheden met betrekking tot de overeenkomst de lidstaten overdragen aan de Gemeenschap. De Europese Gemeenschap verklaart dat overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden uit hoofde van de gemeenschappelijke handelspolitiek tot haar exclusieve bevoegdheid behoren.
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/30 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 23 juni 2008
tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (zuidoostelijke buurlanden, Middellandse Zeegebied, Latijns-Amerika en Azië en de Republiek Zuid-Afrika)
(Gecodificeerde versie)
(2008/580/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 181 A,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit 2000/24/EG van de Raad van 22 december 1999 tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (Midden- en Oost-Europa, Middellandse Zeegebied, Latijns-Amerika en Azië en de Republiek Zuid-Afrika) (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van dit besluit te worden overgegaan. |
|
(2) |
De Europese Raad heeft op 15 en 16 december 1995 te Madrid het belang bevestigd van de Europese Investeringsbank, hierna „EIB” genoemd, als instrument van samenwerking tussen de Gemeenschap en Latijns-Amerika, en heeft de EIB verzocht haar activiteiten in de regio te intensiveren. Deze projecten dienen van belang te zijn voor zowel de Gemeenschap als de betrokken landen. |
|
(3) |
De Europese Raad heeft op 21 en 22 juni 1996 te Florence verklaard verheugd te zijn over de resultaten van de Aziatisch-Europese topontmoeting, die een keerpunt in de betrekkingen tussen de twee werelddelen vormt. |
|
(4) |
De Europese Raad heeft op 16 en 17 juni 1997 te Amsterdam zijn voldoening uitgesproken over de conclusies van de tweede Europees-mediterrane conferentie van 15 en 16 april 1997 te Valletta (Malta), waar de in 1995 in Barcelona overeengekomen beginselen en doelstellingen zijn bevestigd. |
|
(5) |
De Europese Raad heeft op 12 en 13 december 1997 te Luxemburg het proces van de uitbreiding met de landen van Midden- en Oost-Europa en Cyprus op gang gebracht. |
|
(6) |
De Europese Raad heeft op 15 en 16 juni 1998 te Cardiff verklaard verheugd te zijn over de inspanningen die de Republiek Zuid-Afrika zich getroost om zijn economie te moderniseren en in het wereldhandelsstelsel te integreren. |
|
(7) |
De huidige programma’s van de EIB voor de verstrekking van leningen aan Midden- en Oost-Europa, het Middellandse Zeegebied, Azië en Latijns-Amerika en de Republiek Zuid-Afrika op grond van Besluit 97/256/EG (4) lopen ten einde; dit is ook het geval met de kredietverlening die geregeld is bij het Protocol betreffende financiële samenwerking met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, overeenkomstig Besluit 98/348/EG (5). |
|
(8) |
De Raad heeft de EIB verzocht activiteiten te starten in Bosnië en Herzegovina. Deze activiteiten kunnen worden voortgezet indien een positief verslag (6) wordt uitgebracht, zoals bepaald in Besluit 98/729/EG van de Raad (7). |
|
(9) |
Hoewel Bosnië en Herzegovina en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië sinds de aanneming van Besluit 97/256/EG onder Midden- en Oost-Europa vallen, moet het totaal aan leningen van de EIB voor kandidaat-lidstaten in die regio worden verhoogd vanwege het belang van de pretoetredingsfaciliteit die de Bank wil creëren voor EIB-leningen voor projecten in die landen waarvoor geen garantie van de Gemeenschapsbegroting of de lidstaten geldt. |
|
(10) |
De EIB moet er tegen die achtergrond voor zorgen dat met haar gegarandeerde leningen, binnen het mandaat betreffende Midden- en Oost-Europa, in het bijzonder projecten gefinancierd worden in landen waar minder projecten zich voor financiering uit de pretoetredingsfaciliteit lenen, of in landen die geen kandidaat-lidstaat zijn. |
|
(11) |
De samenwerkingsovereenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en onderscheidenlijk Nepal, de Democratische Volksrepubliek Laos en Jemen zijn op 1 juni 1996 respectievelijk 1 december 1997 en 1 juli 1998 in werking getreden. De samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Zuid-Korea is op 28 oktober 1996 ondertekend. Nepal, Jemen, de Democratische Volksrepubliek Laos en Zuid-Korea zouden in aanmerking moeten komen voor financiering van de EIB in het kader van haar mandaat voor Azië en Latijns-Amerika. |
|
(12) |
Het is passend om in de leningsprogramma’s een aantal verbeteringen aan te brengen met betrekking tot de duur en de geografische werkingssfeer. Het is passend het percentage voor de globale garantie alsmede het leningspercentage waarvoor de EIB het commerciële risico uit niet-soevereine garanties moet dekken, aan te passen. |
|
(13) |
De Raad verzoekt de EIB haar kredietverlening ten behoeve van investeringsprojecten in deze landen voort te zetten en verleent haar daartoe de bij dit besluit vastgestelde garantie. |
|
(14) |
De Commissie heeft in overleg met de EIB in juni 1996 een voorstel bij de Raad ingediend voor een nieuwe garantieregeling voor de kredietverlening van de EIB in derde landen. |
|
(15) |
De Raad heeft op 2 december 1996 de conclusies goedgekeurd inzake een nieuwe garantieregeling voor EIB-leningen aan derde landen, gebaseerd op het beginsel van een globale garantie waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen regio’s en projecten, en een regeling voor de scheiding van de risico’s is aanvaard. In de risicodelingsregeling moet de begrotingsgarantie de politieke risico’s van niet-overdracht van deviezen, onteigening, oorlog en binnenlandse onlusten en van rechtsweigering na bepaalde vormen van contractbreuk door de overheid van het derde land of andere instanties dekken. |
|
(16) |
In de risicodelingsregeling moet de EIB commerciële risico’s afdekken door middel van niet-soevereine garanties van derde partijen of door middel van andere waarborgen of onderpanden, en tevens steunen op de financiële soliditeit van de debiteur, volgens haar gebruikelijke criteria. |
|
(17) |
De garantieregeling mag geen afbreuk doen aan de uitstekende kredietwaardigheid van de EIB. |
|
(18) |
Bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1149/1999 van de Raad (8) zijn het streefbedrag en het voorzieningspercentage voor het Garantiefonds voor leningen als vastgesteld bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad (9) herzien. |
|
(19) |
In de financiële vooruitzichten 2000-2006 bij het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (10) is voor de leninggarantiereserve in de Gemeenschapsbegroting een plafond van 200 miljoen EUR (in prijzen van 1999) per jaar opgenomen. |
|
(20) |
De kredietverlening door de EIB aan de in aanmerking komende landen moet, in overeenstemming met de gebruikelijke criteria en procedures van de EIB, met inbegrip van passende controlemaatregelen, en met de desbetreffende regels en procedures in verband met de controle door de Rekenkamer en het OLAF, zodanig beheerd worden dat de communautaire beleidsmaatregelen worden ondersteund en de coördinatie met de andere financiële instrumenten van de Gemeenschap wordt verbeterd. Er vindt regelmatig overleg plaats tussen de EIB en de Commissie om de prioriteiten en activiteiten in die landen te coördineren en om na te gaan of er vorderingen zijn gemaakt in de verwezenlijking van de relevante beleidsdoelstellingen van de Gemeenschap; de Raad van bewind van de EIB is verantwoordelijk voor de vaststelling en de periodieke herziening van de operationele doelstellingen en de beoordeling van de verwezenlijking daarvan. In de kredietverlening door de EIB aan de kandidaat-lidstaten moeten met name de prioriteiten die zijn vastgelegd in de toetredingspartnerschappen tussen de Gemeenschap en deze landen tot uitdrukking komen. De transparantie van de EIB moet in het kader van dit besluit aanzienlijk verbeterd worden. De Commissie heeft derhalve verslag uitgebracht over de toepassing van Besluit 2000/24/EG (11). |
|
(21) |
Door nauwe samenwerking tussen de EIB en de Commissie moet worden gezorgd voor consistentie en synergie met de geografische samenwerkingsprogramma’s van de Europese Unie en moet er voorts voor worden gezorgd dat de leningen van de EIB de beleidsmaatregelen van de Europese Unie voor deze regio’s aanvullen en versterken. |
|
(22) |
De garantie van de Gemeenschap voor de speciale aardbevingsfaciliteit voor Turkije, verleend bij Besluit 1999/786/EG van de Raad (12), zal de vorm krijgen van een uitbreiding van de algemene garantie van de Gemeenschap als vervat in het onderhavige besluit. |
|
(23) |
De EIB en de Commissie zullen de procedures voor de verlening van de garantie vaststellen, |
BESLUIT:
Artikel 1
1. De Gemeenschap verleent de Europese Investeringsbank (EIB) een globale garantie voor alle betalingen die de EIB niet ontvangt, maar die verschuldigd zijn wegens kredieten die volgens haar gebruikelijke criteria en ter ondersteuning van de doelstellingen van het buitenlandse beleid van de Gemeenschap zijn verleend voor investeringsprojecten in de zuidoostelijke buurlanden, het Middellandse Zeegebied, Azië en Latijns-Amerika, en de Republiek Zuid-Afrika.
Deze garantie is beperkt tot 65 % van het totale bedrag van de uitstaande kredieten, plus alle daarmee verband houdende bedragen. Het totale plafond voor de verleende kredieten is 19 460 miljoen EUR, verdeeld als volgt:
|
— |
zuidoostelijke buurlanden: 9 185 miljoen EUR, |
|
— |
Middellandse Zeegebied: 6 520 miljoen EUR, |
|
— |
Azië en Latijns-Amerika: 2 480 miljoen EUR, |
|
— |
de Republiek Zuid-Afrika: 825 miljoen EUR, |
|
— |
speciaal actieprogramma ter ondersteuning van de consolidatie en verdieping van de douane-unie tussen de Europese Gemeenschap en Turkije: 450 miljoen EUR, |
en kan uiterlijk tot en met 31 januari 2007 worden gebruikt. De al ondertekende kredieten worden van de regionale plafonds afgetrokken.
De Commissie zal uiterlijk zes maanden voor de inwerkingtreding van een nieuw toetredingsverdrag, verslag uitbrengen over de toepassing van dit besluit, en, indien nodig, voorstellen voor wijziging van dit besluit indienen. De Raad zal eventuele voorstellen vanaf de datum van de inwerkingtreding van een nieuw toetredingsverdrag bespreken en aannemen.
Indien bij het verstrijken van de periode van de gegarandeerde kredietverlening op 31 januari 2007, het bedrag van de door de EIB verstrekte leningen niet de in de tweede alinea genoemde totale bedragen bereikt heeft, wordt die periode automatisch één keer met zes maanden verlengd.
2. Tot de in lid 1 genoemde landen behoren:
|
— |
zuidoostelijke buurlanden: Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Servië, Montenegro en Turkije; |
|
— |
in het Middellandse Zeegebied: Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Syrië, Tunesië, Gazastrook en Westelijke Jordaanoever; |
|
— |
in Latijns-Amerika: Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, Ecuador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, El Salvador, Uruguay en Venezuela; |
|
— |
in Azië: Bangladesh, Brunei, China, India, Indonesië, Laos, Macau, de Maldiven, Maleisië, Mongolië, Nepal, Pakistan, Filipijnen, Singapore, Zuid-Korea, Sri Lanka, Thailand, Vietnam en Jemen; |
|
— |
de Republiek Zuid-Afrika. |
3. De EIB wordt verzocht ernaar te streven het commerciële risico van haar totale kredietverlening uit hoofde van dit besluit zo veel mogelijk op basis van een individueel regionaal mandaat voor 30 % te dekken met andere dan staatsgaranties. Dit percentage moet, voor zover de marktomstandigheden dat toelaten, worden opgevoerd.
Artikel 2
Eenmaal per jaar stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van de verstrekte leningen en van de vooruitgang die geboekt is bij de in artikel 1, lid 3, bedoelde risicodeling; tegelijkertijd legt zij een beoordeling over van de werking van de regelingen en van de coördinatie tussen de financiële instellingen die in het betrokken gebied werkzaam zijn. De informatie van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad behelst onder meer een beoordeling van de vraag in hoeverre de uit hoofde van dit besluit verstrekte lening bijdraagt aan de verwezenlijking van de relevante externe beleidsdoelstellingen van de Gemeenschap; daarbij moet rekening worden gehouden met de door de EIB voor leningen uit hoofde van dit besluit vast te stellen operationele doelstellingen en criteria om de realisatie daarvan te toetsen.
Hiertoe doet de EIB de dienstige informatie aan de Commissie toekomen.
Artikel 3
De EIB en de Commissie stellen de voorwaarden vast waarop de garantie wordt verleend.
Artikel 4
Besluit 2000/24/EG, zoals gewijzigd bij de besluiten vermeld in bijlage I, wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar het onderhavige besluit en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.
Artikel 5
Dit besluit wordt van kracht op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2008.
Voor de Raad
De voorzitter
I. JARC
(1) Advies uitgebracht op 19 juni 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB L 9 van 13.1.2000, blz. 24. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/174/EG (PB L 62 van 3.3.2006, blz. 26).
(3) Zie bijlage I.
(4) Besluit 97/256/EG van de Raad van 14 april 1997 tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (landen in Midden- en Oost-Europa, mediterrane landen, landen in Azië en Latijns-Amerika, Zuid-Afrika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Bosnië-Herzegovina) (PB L 102 van 19.4.1997, blz. 33). Besluit laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2666/2000 (PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1).
(5) Besluit 98/348/EG van de Raad van 19 mei 1998 tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (PB L 155 van 29.5.1998, blz. 53).
(6) COM(2000) 115 def. (Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de tenuitvoerlegging van Besluit 98/729/EG van de Raad van 14 december 1998 tot wijziging van Besluit 97/256/EG om de aan de Europese Investeringsbank verleende garantie van de Gemeenschap uit te breiden tot leningen voor projecten in Bosnië-Herzegovina).
(7) PB L 346 van 22.12.1998, blz. 54.
(8) PB L 139 van 2.6.1999, blz. 1.
(9) PB L 293 van 12.11.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 89/2007 (PB L 22 van 31.1.2007, blz. 1).
(10) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.
(11) COM(2006) 323 def. (Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de activiteiten van de Europese Investeringsbank in het kader van de mandaten voor leningen in derde landen en over toekomstvooruitzichten, met bijlage I: SEC(2006) 789 en bijlage 2: SEC(2006) 790).
BIJLAGE I
Ingetrokken besluit met de achtereenvolgende wijzigingen ervan
|
Besluit 2000/24/EG van de Raad |
|
|
Besluit 2000/688/EG van de Raad |
|
|
Besluit 2000/788/EG van de Raad |
|
|
Besluit 2001/778/EG van de Raad |
|
|
Besluit 2005/47/EG van de Raad |
|
|
Besluit 2006/174/EG van de Raad |
BIJLAGE II
Concordantietabel
|
Besluit 2000/24/EG |
Het onderhavige besluit |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 2, eerste en tweede alinea |
Artikel 2, eerste en tweede alinea |
|
Artikel 2, derde alinea |
— |
|
Artikel 3 |
Artikel 3 |
|
— |
Artikel 4 |
|
Artikel 4 |
Artikel 5 |
|
— |
Bijlage I |
|
— |
Bijlage II |
Commissie
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/36 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 4 juli 2008
betreffende de financiering van de opslag van mond-en-klauwzeerantigeen en de aanmaak van vaccins uit dit antigeen
(2008/581/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 14,
Gelet op Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (2), en met name op artikel 80, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig Beschikking 91/666/EEG van de Raad van 11 december 1991 betreffende de vorming van communautaire reserves van mond-en-klauwzeervaccins (3) zijn voorraden antigeen voor de snelle aanmaak van vaccins tegen mond-en-klauwzeer aangelegd, die om veiligheidsredenen in verschillende aangewezen ruimten in het bedrijf van de fabrikant opgeslagen worden. |
|
(2) |
Overeenkomstig Richtlijn 2003/85/EG moet de Commissie erop toezien dat communautaire reserves van geconcentreerd geïnactiveerd antigeen voor de productie van mond-en-klauwzeervaccins in de vestigingen van de communautaire antigeen- en vaccinbank worden aangelegd. |
|
(3) |
Daartoe moet met inachtneming van de in het kader van de rampenplannen geraamde behoeften en van de epizoötiologische situatie en zo nodig na overleg met het communautaire referentielaboratorium worden bepaald hoeveel doses en welke serotypen en stammen van het mond-en-klauwzeerantigeen in de communautaire antigeen- en vaccinbank moeten worden opgeslagen. |
|
(4) |
Bij Beschikking 93/590/EG van de Commissie van 5 november 1993 inzake aankoop door de Gemeenschap van mond-en-klauwzeerantigeen in het kader van communautaire maatregelen betreffende reserves van mond-en-klauwzeervaccin (4) zijn regelingen getroffen voor de aankoop van mond-en-klauwzeerantigeen van de stammen A5 Europese stam, A22 Midden-Oosterse stam en O1 Europese stam. |
|
(5) |
Bij Beschikking 97/348/EG van de Commissie van 23 mei 1997 inzake de aankoop door de Gemeenschap van mond-en-klauwzeerantigeen en inzake de samenstelling, aanmaak, botteling en distributie van mond-en-klauwzeervaccins (5) zijn regelingen getroffen voor de aankoop van mond-en-klauwzeerantigeen van de stammen A22 Iraq, C1 en ASIA 1. |
|
(6) |
Bij Beschikking 2000/77/EG van de Commissie van 17 december 1999 inzake de aankoop door de Gemeenschap van mond-en-klauwzeerantigeen en inzake de samenstelling, aanmaak, botteling en distributie van mond-en-klauwzeervaccins (6) zijn regelingen getroffen voor de aankoop van bepaalde doses mond-en-klauwzeerantigeen van de stammen A Iran 96, A Iran 99, A Malaysia 97, SAT 1, SAT 2 (East Africa en Southern Africa) en SAT 3. |
|
(7) |
Bij Beschikking 2000/569/EG van de Commissie van 8 september 2000 inzake de aankoop door de Gemeenschap van mond-en-klauwzeerantigeen en inzake de samenstelling, aanmaak, botteling en distributie van mond-en-klauwzeervaccins (7) zijn regelingen getroffen voor de aankoop van bepaalde doses mond-en-klauwzeerantigeen van de stammen A22 Iraq, A Malaysia 97, O1 Manisa, ASIA 1, SAT 1, SAT 2 (East Africa en Southern Africa) en SAT 3. |
|
(8) |
In 2003 zijn overeenkomstig Beschikking C(2002)4326 van de Commissie (8) betreffende de aankoop en opslag van mond-en-klauwzeerantigeen, aanvullende hoeveelheden vanuit epizoötiologisch oogpunt relevant antigeen verkregen. |
|
(9) |
Overeenkomstig artikel 14 van Beschikking 90/424/EEG moeten de hoogte van de communautaire bijdrage aan de vorming van dergelijke antigeenvoorraden en de voorwaarden waaronder deze kan worden verstrekt, worden vastgesteld. |
|
(10) |
Alle antigenen ouder dan vijf jaar moeten op hun immuniserend vermogen worden getest. |
|
(11) |
Sinds 2005 bestaat er geen langdurige juridische verbintenis tussen de contractant en de Commissie over de opslag, aanmaak, distributie, botteling, etikettering en het vervoer van mond-en-klauwzeerantigeen dat tussen 1993 en 2005 is aangekocht. |
|
(12) |
De opslagkosten voor mond-en-klauwzeerantigeen voor de jaren 2005, 2006 en 2007 worden overeenkomstig het Financieel Reglement gedekt door een financiële verplichting. |
|
(13) |
Tussen 2005 en 2007 zijn er met betrekking tot dit mond-en-klauwzeerantigeen geen andere kosten dan opslagkosten geweest. |
|
(14) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
BESLUIT:
Artikel 1
De Commissie moet de noodzakelijke stappen nemen om de opslag van al het in de bijlage genoemde mond-en-klauwzeerantigeen te verzekeren met ingang van 1 januari 2008 voor de duur van ten minste vijf jaar.
De Commissie draagt ook zorg voor de tests van het immuniserende vermogen, de aanmaak, distributie, botteling, etikettering en het vervoer van dit antigeen.
Artikel 2
De totale kosten van de in artikel 1 genoemde diensten mogen niet meer dan 4 000 000 EUR bedragen.
Artikel 3
De directeur-generaal van het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming wordt hierbij gemachtigd namens de Commissie de in artikel 1 bedoelde contracten te ondertekenen.
Artikel 4
Met de aanbesteding zal in de eerste helft van 2008 worden begonnen. Vóór 30 september 2008 moet er een dienstencontract zijn gesloten dat voldoet aan het Financieel Reglement (Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002) van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (9) en de uitvoeringsvoorschriften die zijn vastgelegd in Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie (10).
Gedaan te Brussel, 4 juli 2008.
Voor de Commissie
Androulla VASSILIOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).
(2) PB L 306 van 22.11.2003, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).
(3) PB L 368 van 31.12.1991, blz. 21. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).
(4) PB L 280 van 13.11.1993, blz. 33. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2000/112/EG (PB L 33 van 8.2.2000, blz. 21).
(5) PB L 148 van 6.6.1997, blz. 27. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2000/112/EG.
(6) PB L 30 van 4.2.2000, blz. 35.
(7) PB L 238 van 22.9.2000, blz. 61.
(8) Niet bekendgemaakte beschikking.
BIJLAGE
(Bijlage niet bestemd voor publicatie)
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/39 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 8 juli 2008
houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, of voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 3411)
(Slechts de teksten in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Poolse, de Spaanse en de Zweedse taal zijn authentiek)
(2008/582/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1), en met name op artikel 7, lid 4,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (2), en met name op artikel 31,
Na raadpleging van het Comité voor de Landbouwfondsen,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1258/1999 en artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 is bepaald dat de Commissie de nodige verificaties verricht, de resultaten daarvan aan de lidstaten meedeelt, kennis neemt van de door de lidstaten gemaakte opmerkingen, bilaterale besprekingen voert om overeenstemming te bereiken met de betrokken lidstaten en haar conclusies formeel aan deze laatste meedeelt. |
|
(2) |
De lidstaten konden verzoeken een bemiddelingsprocedure te openen. In sommige gevallen is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt en is het aan het einde van de procedure uitgebrachte rapport door de Commissie onderzocht. |
|
(3) |
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1258/1999 en Verordening (EG) nr. 1290/2005 kunnen uitsluitend landbouwuitgaven worden gefinancierd die zijn verricht op een wijze die niet in strijd was met de communautaire voorschriften. |
|
(4) |
Uit de verrichte verificaties, de resultaten van de bilaterale besprekingen en de bemiddelingsprocedures is gebleken dat een deel van de door de lidstaten gedeclareerde uitgaven niet aan die voorwaarde voldoet en derhalve niet door het EOGFL, afdeling Garantie, of door het Europees Landbouwgarantiefonds, hierna „ELGF” genoemd, kan worden gefinancierd. |
|
(5) |
Aangegeven moet worden welke bedragen niet als ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie, of het ELGF worden erkend. Het gaat daarbij niet om uitgaven die zijn gedaan vóór de periode van 24 maanden die voorafging aan het tijdstip waarop de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de lidstaten heeft meegedeeld. |
|
(6) |
Voor de gevallen waarop deze beschikking betrekking heeft, heeft de Commissie de lidstaten in een syntheseverslag de raming meegedeeld van de uitgaven die aan financiering moeten worden onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht. |
|
(7) |
Met deze beschikking wordt niet vooruitgelopen op de financiële consequenties die de Commissie zou kunnen trekken uit arresten van het Hof van Justitie in zaken die op 30 maart 2008 aanhangig waren en aangelegenheden betreffen waarop deze beschikking betrekking heeft, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De ten laste van het EOGFL, afdeling Garantie, of het ELGF gedeclareerde uitgaven van erkende betaalorganen van de lidstaten die in de bijlage zijn vermeld, worden aan communautaire financiering onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Gedaan te Brussel, 8 juli 2008.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103.
(2) PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 479/2008 (PB L 148 van 6.6.2008, blz. 1).
OVEREENKOMSTEN
Raad
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/41 |
Informatie betreffende de datum van inwerkingtreding van de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds
De Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, is op 16 juni 2008 te Luxemburg ondertekend. Voor de Europese Unie is de overeenkomst bekendgemaakt in Publicatieblad L 169 van 30 juni 2008, blz. 13, en voor Bosnië en Herzegovina in het publicatieblad voor internationale overeenkomsten nummer 5 van 20 juni 2008. Overeenkomstig artikel 58 van de interimovereenkomst, die voorziet in de inwerkingtreding ervan „op de eerste dag van de eerste maand volgend op de datum waarop de laatste akte van ratificatie of van goedkeuring is neergelegd”, is de overeenkomst op 1 juli 2008 in werking getreden.
Rectificaties
|
15.7.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 186/42 |
Rectificatie van Richtlijn 2008/42/EG van de Commissie van 3 april 2008 tot wijziging van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad inzake cosmetische producten met het oog op de aanpassing van de bijlagen II en III aan de technische vooruitgang
( Publicatieblad van de Europese Unie L 93 van 4 april 2008 )
Bladzijde 15, kolom e, ten behoeve van rangnummers 45, 72, 73, 88 en 89:
in plaats van:
„De aanwezigheid van de stof moet worden vermeld in de lijst van ingrediënten als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder g):
|
— |
wanneer de stof als parfumerend en aromatisch bestanddeel wordt gebruikt en wanneer de concentratie groter is dan:
|
te lezen:
„De aanwezigheid van de stof moet worden vermeld in de lijst van ingrediënten zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, onder g), wanneer de concentratie meer bedraagt dan:
|
— |
0,001 % in producten die niet worden weggespoeld |
|
— |
0,01 % in producten die worden weggespoeld”. |