ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 144

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
4 juni 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 490/2008 van de Commissie van 3 juni 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 491/2008 van de Commissie van 3 juni 2008 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat de productierestituties in de sector granen betreft

3

 

*

Verordening (EG) nr. 492/2008 van de Commissie van 3 juni 2008 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China

14

 

*

Verordening (EG) nr. 493/2008 van de Commissie van 2 juni 2008 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in het gebied Noorse wateren van ICES-deelgebieden I en II door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren

31

 

*

Verordening (EG) nr. 494/2008 van de Commissie van 2 juni 2008 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-deelgebied VI; EG-wateren van ICES-sector V b; EG-wateren en internationale wateren van ICES-deelgebieden XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

33

 

*

Verordening (EG) nr. 495/2008 van de Commissie van 2 juni 2008 tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwe wijting in EG-wateren en internationale wateren van ICES-gebieden I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII a, VIII b, VIII d, VIII e, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

35

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Commissie

 

 

2008/408/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 20 november 2007 betreffende steunmaatregel C 36/A/06 (ex NN 38/06) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5400)  ( 1 )

37

 

 

2008/409/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 17 april 2008 betreffende de toewijzing van de hoeveelheden gereguleerde stoffen waarvan het gebruik in de Gemeenschap in 2008 voor essentiële toepassingen is toegestaan krachtens Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1403)  ( 1 )

55

 

 

2008/410/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 30 april 2008 betreffende de toewijzing van invoerquota voor gereguleerde stoffen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 krachtens Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1639)

69

 

 

2008/411/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 21 mei 2008 betreffende de harmonisering van de 3400-3800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1873)  ( 1 )

77

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

 

2008/412/GBVB

 

*

Besluit CHAD/3/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité van 28 mei 2008 tot wijziging van Besluit CHAD/1/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité inzake de aanvaarding van bijdragen van derde staten aan de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek, en van Besluit CHAD/2/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité tot instelling van het Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek

82

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/1


VERORDENING (EG) Nr. 490/2008 VAN DE COMMISSIE

van 3 juni 2008

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 4 juni 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juni 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 3 juni 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

41,9

MK

44,3

TR

93,6

ZZ

59,9

0707 00 05

MK

30,3

TR

134,3

ZZ

82,3

0709 90 70

TR

101,8

ZZ

101,8

0805 50 10

AR

146,8

IL

134,6

TR

144,8

US

143,6

UY

61,8

ZA

130,6

ZZ

127,0

0808 10 80

AR

104,6

BR

84,5

CA

61,8

CL

91,9

CN

82,3

MK

50,7

NZ

113,4

TR

85,9

US

113,4

UY

89,8

ZA

85,2

ZZ

87,6

0809 10 00

TR

250,6

ZZ

250,6

0809 20 95

TR

532,1

US

508,1

ZZ

520,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/3


VERORDENING (EG) Nr. 491/2008 VAN DE COMMISSIE

van 3 juni 2008

tot vaststelling van de toepassingsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat de productierestituties in de sector granen betreft

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (1), en met name op artikel 98 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (2) moet krachtens artikel 201, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 op 1 juli 2008 worden ingetrokken.

(2)

Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie van 30 juni 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad wat de regelingen inzake de productierestituties in de sector granen betreft (3) is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd. Nu Verordening (EG) nr. 1234/2007 als integrale-GMO-verordening is vastgesteld, is het dienstig Verordening (EEG) nr. 1722/93 dienovereenkomstig aan te passen. Duidelijkheidshalve moet die verordening worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen.

(3)

Gezien de bijzondere situatie op de markt voor zetmeel en met name de noodzaak om concurrerende prijzen te handhaven ten opzichte van zetmeel dat in derde landen wordt geproduceerd en wordt ingevoerd in de vorm van goederen waartegen de invoerregelingen de communautaire producenten onvoldoende beschermen, wordt op grond van artikel 96 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 een productierestitutie toegekend voor mais-, tarwe- of aardappelzetmeel en bepaalde derivaten daarvan die gebruikt worden bij de vervaardiging van bepaalde op een door de Commissie opgestelde lijst voorkomende producten, en, bij ontstentenis van een omvangrijke nationale productie van andere granen ten behoeve van de zetmeelproductie, voor bepaalde hoeveelheden zetmeel die elk verkoopseizoen in Finland en Zweden worden verkregen uit gerst en haver, mits dit niet leidt tot een toename van de productie van zetmeel op basis van deze twee granen. Deze restitutie wordt toegekend om het de betrokken verwerkende industrie mogelijk te maken zetmeel en sommige derivaten daarvan tegen lagere prijzen aan te schaffen dan het geval zou zijn wanneer de regels van de gemeenschappelijke marktordening voor de betrokken producten zouden worden toegepast.

(4)

Op grond van artikel 98 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 moeten nadere voorschriften voor de toekenning van de productierestituties worden vastgesteld, inclusief voorschriften inzake controle en betaling, zodat in alle lidstaten dezelfde voorschriften worden toegepast.

(5)

In Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat een lijst moet worden opgesteld van de producten bij de vervaardiging waarvan zetmeel wordt gebruikt dat recht geeft op de restitutie.

(6)

Met het oog op doeltreffende controlemaatregelen moet worden bepaald dat de begunstigden van de restitutie vooraf moeten worden erkend door de lidstaten op het grondgebied waarvan bovenbedoelde producten worden vervaardigd.

(7)

Er moet worden bepaald hoe de productierestitutie moet worden berekend en hoe vaak die moet worden vastgesteld. De momenteel meest bevredigende berekeningswijze is die welke is gebaseerd op het verschil tussen de marktprijs voor granen en de prijs die als grondslag dient voor de berekening van de invoerheffing. Met het oog op stabiliteit moet de productierestitutie in de regel elke maand worden vastgesteld en, om te controleren of de productierestitutie de juiste hoogte heeft, moet de ontwikkeling van de graanprijzen op de wereldmarkt en op de meest representatieve markten van de Gemeenschap worden gevolgd. Er moet worden gepreciseerd welke communautaire markten moeten worden gevolgd en worden bepaald dat alleen de prijzen van mais in aanmerking moeten worden genomen. In het verleden werden prijzen van andere granen in aanmerking genomen, maar die hadden geen enkel praktisch effect op de berekening van het restitutiebedrag, zodat referenties naar de prijzen van andere granen overbodig zijn.

(8)

Voor zetmeel en sommige derivaten daarvan die bij de vervaardiging van bepaalde goederen worden gebruikt, moet een productierestitutie worden betaald. Om zowel een passende controle op de productierestitutie als de betaling ervan aan de aanvragers te vergemakkelijken, zijn gedetailleerde gegevens nodig. De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat moet worden gemachtigd om van de aanvragers te eisen dat zij haar alle gegevens ter beschikking stellen en haar alle verificaties of inspecties laten verrichten die met het oog op deze controle nodig zijn.

(9)

De fabrikant van het product hoeft niet noodzakelijk basiszetmeel te gebruiken en daarom moet een lijst worden opgesteld van de zetmeelderivaten die de fabrikant, bij gebruik ervan, recht op de productierestitutie geven.

(10)

Veresterd of veretherd zetmeel zou wegens hun bijzondere kenmerken kunnen aanzetten tot een bepaalde speculatieve vorm van verwerking waarbij het de bedoeling is om voor eenzelfde product meer dan eenmaal de productierestitutie te ontvangen. Om deze speculatie te voorkomen, moeten maatregelen worden vastgesteld die garanderen dat veresterd of veretherd zetmeel niet opnieuw wordt verwerkt tot een grondstof voor het gebruik waarvan een restitutie kan worden aangevraagd. De hoogte van de zekerheid moet worden aangepast om dergelijke speculatie te voorkomen.

(11)

De productierestitutie mag niet worden betaald voordat de verwerking heeft plaatsgevonden. Zodra de verwerking heeft plaatsgevonden, moet de betaling worden verricht binnen vijf maanden nadat de bevoegde autoriteit heeft gecontroleerd dat het zetmeel is verwerkt. De fabrikant moet evenwel een voorschot kunnen krijgen voordat de controles zijn afgerond.

(12)

Met het oog op vereenvoudiging, verlichting van de administratieve druk en vermindering van de kosten voor de wederomzetting van gewijzigd zetmeel is het dienstig het bedrag van de productierestitutie waaronder controlemaatregelen niet nodig worden geacht, te verhogen, zonder dat evenwel het risico dat communautaire middelen onterecht worden uitgegeven, wordt vergroot.

(13)

Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwprodukten (4) is van toepassing op de regelingen waarin deze verordening voorziet. Bijgevolg moeten de primaire eisen worden vastgesteld inzake de verplichtingen waaraan de fabrikanten moeten voldoen en waarvan naleving met een zekerheid wordt gewaarborgd.

(14)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Overeenkomstig artikel 96 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan een productierestitutie, hierna „restitutie” genoemd, worden toegekend aan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die uit tarwe, mais of aardappelen verkregen zetmeel of sommige derivaten daarvan gebruikt voor de vervaardiging van goederen die zijn vermeld in de lijst in bijlage I bij de onderhavige verordening.

Voor Finland en Zweden kan ook een restitutie voor het gebruik van gerst- en haverzetmeel worden toegekend voor een totale hoeveelheid van 50 000 ton in Finland en 10 000 ton in Zweden.

2.   Bij het nemen van een besluit over de toekenning van een restitutie wordt met name rekening gehouden met:

a)

de concurrentie met derde landen en de mate van bescherming tegen die concurrentie die wordt geboden door de regelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en door het gemeenschappelijk douanetarief;

b)

de technologische ontwikkeling op het gebied van de fabricage en het gebruik van zetmeel;

c)

de in het eindproduct verwerkte hoeveelheid zetmeel en/of de relatieve waarde van het zetmeel in het eindproduct en/of het belang van het product voor de afzet van zetmeel, in het licht van de concurrentie met andere producten.

3.   De eventuele toekenning van een restitutie voor een product mag niet tot concurrentiedistorsies ten opzichte van andere, niet voor deze restitutie in aanmerking komende producten leiden.

4.   Als wordt geconstateerd dat de toekenning van een restitutie concurrentiedistorsie veroorzaakt, wordt deze restitutie:

a)

afgeschaft, of

b)

aangepast in de mate die nodig is om de concurrentiedistorsie weg te nemen.

5.   Voor zetmeel dat in de Gemeenschap is ingevoerd in het kader van een invoerregeling op grond waarvan een verlaagd invoerrecht wordt toegepast, mag geen restitutie worden toegekend.

6.   De Commissie stelt de in dit artikel bedoelde besluiten vast volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„zetmeel”: basiszetmeel of een zetmeelderivaat als genoemd in bijlage II;

b)

„goedgekeurde producten”: alle producten die zijn genoemd in bijlage I;

c)

„de fabrikant”: de persoon die zetmeel gebruikt voor de vervaardiging van goedgekeurde producten.

Artikel 3

1.   Als een restitutie wordt toegekend, wordt zij eenmaal per maand vastgesteld. Als de prijzen voor mais en/of tarwe in de Gemeenschap of op de wereldmarkt evenwel een significante verandering te zien geven, kan de overeenkomstig lid 2 berekende restitutie in de loop van die maand worden gewijzigd om met deze verandering rekening te houden.

2.   De restitutie, per ton mais-, tarwe-, gerst- of haverzetmeel, wordt met name berekend op basis van het verschil, vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,6, tussen:

a)

het gemiddelde van de marktprijzen voor mais in Frankrijk en Hongarije gedurende de laatste vijf dagen vóór de dag van de vaststelling van de restitutie, en

b)

het gemiddelde van de voor de bepaling van de invoerrechten voor mais gebruikte representatieve invoerprijzen cif Rotterdam die zijn genoteerd gedurende de laatste vijf dagen vóór de eerste toepassingsdag.

Voor de berekening van het in de eerste alinea bedoelde verschil zijn de volgende regels van toepassing:

a)

als de in de eerste alinea, onder a), bedoelde marktprijs voor mais hoger is dan de interventieprijs als bedoeld in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1234/2007, maar lager dan 155 % van die prijs, is de prijs die in aanmerking moet worden genomen, gelijk aan de interventieprijs, verhoogd met de helft van het verschil tussen de werkelijke prijs en de interventieprijs;

b)

als de in de eerste alinea, onder a), bedoelde marktprijs voor mais hoger is dan 155 % van de interventieprijs, is de prijs die in aanmerking moet worden genomen, gelijk aan de interventieprijs, verhoogd met 27,5 % van de interventieprijs.

Voor aardappelzetmeel kan een aparte restitutie worden vastgesteld om rekening te houden met de in artikel 4 bis van Verordening (EG) nr. 1868/1994 van de Raad (5) bedoelde minimumprijs. In dit geval wordt de berekening uitgevoerd op basis van de in de eerste alinea, onder a), bedoelde marktprijs voor mais in Frankrijk en Hongarije, binnen de grenzen van 115 % van de interventieprijs.

In de maanden juli, augustus en september wordt de in de eerste alinea, onder a), bedoelde prijs voor mais verminderd met het verschil tussen de in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde interventieprijs voor granen die geldt in juni en die welke geldt in juli, tenzij de in de eerste alinea, onder a), bedoelde prijs voor mais reeds overeenkomt met de voor de nieuwe oogst geldende prijs.

3.   De te betalen restitutie is de overeenkomstig lid 2 berekende restitutie, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die in bijlage II is vermeld voor de GN-code van het daadwerkelijk voor de vervaardiging van de goedgekeurde producten gebruikte zetmeel.

4.   De Commissie stelt de in dit artikel bedoelde besluiten vast volgens de in artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde procedure.

Artikel 4

1.   Fabrikanten die voornemens zijn restituties aan te vragen, moeten zich daarvoor richten tot de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het zetmeel zal worden gebruikt, en daarbij de volgende gegevens verstrekken:

a)

de naam en het adres van de fabrikant;

b)

het gamma producten waarin zetmeel is verwerkt, waaronder zowel de op de lijst in bijlage I vermelde producten als die welke niet daarop voorkomen, met een volledige omschrijving en de GN-codes;

c)

het adres van de plaats(en) waar het zetmeel tot een goedgekeurd product zal worden verwerkt, wanneer dit adres verschilt van dat van de fabrikant.

De lidstaten kunnen de fabrikant om aanvullende inlichtingen verzoeken.

2.   De fabrikanten dienen bij de bevoegde autoriteit een schriftelijke verbintenis in waarin zij de bevoegde autoriteiten toestaan alle controles op het gebruik van het zetmeel te verrichten en verklaren dat zij alle vereiste inlichtingen zullen verstrekken.

3.   De bevoegde autoriteit neemt maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de fabrikant in de lidstaat is gevestigd en daar officieel is erkend.

4.   Aan de hand van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens stelt de bevoegde autoriteit een lijst van erkende fabrikanten op, die regelmatig wordt bijgewerkt.

Alleen fabrikanten die op deze wijze zijn erkend, kunnen overeenkomstig artikel 5 een restitutieaanvraag indienen.

Artikel 5

1.   Als een fabrikant een restitutie wenst aan te vragen, moet hij schriftelijk bij de voor hem bevoegde autoriteit een restitutiecertificaat aanvragen. De aanvragen kunnen elke werkdag vóór 13.00 uur (Brusselse tijd) worden ingediend.

2.   In de aanvraag moet het volgende worden vermeld:

a)

de naam en het adres van de fabrikant;

b)

de hoeveelheid te gebruiken zetmeel;

c)

in geval van vervaardiging van een product van GN-code 3505 10 50 , de hoeveelheid zetmeel die zal worden gebruikt;

d)

de plaats(en) waar het zetmeel zal worden gebruikt;

e)

de voor de verwerkingsverrichtingen geplande data.

3.   De aanvraag moet vergezeld gaan van:

a)

een zekerheidstelling overeenkomstig artikel 8;

b)

een verklaring van de leverancier van het zetmeel dat het te gebruiken product rechtstreeks is vervaardigd van mais, tarwe, gerst, haver of aardappelen, met uitsluiting van elk gebruik van bijproducten die bij de vervaardiging van andere landbouwproducten of goederen zijn verkregen.

4.   De lidstaten kunnen om aanvullende gegevens verzoeken.

Artikel 6

1.   Zodra de bevoegde autoriteit de overeenkomstig artikel 5 ingediende aanvragen ontvangt, verifieert zij die en geeft zij meteen het restitutiecertificaat af.

2.   De lidstaten gebruiken nationale formulieren voor het restitutiecertificaat, dat, onverminderd andere bepalingen in de communautaire regelgeving, ten minste de in lid 3 bedoelde gegevens bevat.

3.   Het restitutiecertificaat bevat de in artikel 5, lid 2, genoemde gegevens, alsmede het restitutiebedrag en de datum waarop de geldigheid van het certificaat afloopt, namelijk de laatste dag van de derde maand volgende op die waarin het certificaat is afgegeven.

De geldigheidsduur van certificaten die in de periode van 1 juli tot en met 24 september worden aangevraagd, is evenwel beperkt tot 30 dagen te rekenen vanaf de dag van afgifte ervan, met dien verstande dat deze geldigheidsduur in ieder geval op 30 september afloopt.

4.   Het te betalen en op het certificaat te vermelden restitutiebedrag is het op de dag van ontvangst van de aanvraag geldende bedrag.

Wanneer echter een deel van de op het certificaat vermelde hoeveelheid zetmeel wordt verwerkt in het verkoopseizoen voor granen na dat waarin de aanvraag is ontvangen, wordt de restitutie voor het zetmeel dat in het nieuwe verkoopseizoen wordt verwerkt, aangepast op basis van het verschil tussen de interventieprijs die geldt in de maand waarin het restitutiecertificaat is afgegeven enerzijds, en de in de maand van verwerking geldende interventieprijs anderzijds, vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,6. Het ontstaansfeit voor de wisselkoers die geldt voor de restitutie, is het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1913/2006 bedoelde ontstaansfeit.

Artikel 7

1.   Fabrikanten die in het bezit zijn van een overeenkomstig artikel 6 afgegeven restitutiecertificaat kunnen, voor zover aan alle in deze verordening vastgestelde eisen is voldaan, om betaling van de op het certificaat vermelde restitutie verzoeken nadat het zetmeel is gebruikt voor de vervaardiging van de betrokken goedgekeurde producten.

2.   De uit het certificaat voortvloeiende rechten zijn niet overdraagbaar.

Artikel 8

1.   Het certificaat wordt afgegeven op voorwaarde dat de fabrikant bij de bevoegde autoriteit een zekerheid stelt van 15 EUR per ton basiszetmeel, in voorkomend geval vermenigvuldigd met de in bijlage II vermelde coëfficiënt voor de te gebruiken soort zetmeel.

2.   De zekerheid wordt overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven. Als primaire eis in de zin van artikel 20 van die verordening geldt de verwerking, binnen de geldigheidsduur van het certificaat, van de in de aanvraag vermelde hoeveelheid zetmeel tot goedgekeurde producten. Wanneer een fabrikant evenwel ten minste 90 % van de in de aanvraag vermelde hoeveelheid zetmeel heeft verwerkt, wordt aangenomen dat hij aan de bovenbedoelde primaire eis heeft voldaan.

Artikel 9

1.   De restitutie mag pas definitief worden betaald nadat de fabrikant aan de bevoegde autoriteit de volgende gegevens heeft meegedeeld:

a)

de datum of data van aankoop en levering van het zetmeel;

b)

de naam en het adres van de leveranciers van het zetmeel;

c)

de naam en het adres van de producenten van het zetmeel;

d)

de datum of data waarop het zetmeel is verwerkt;

e)

de hoeveelheid en de soort van het gebruikte zetmeel, met de GN-codes;

f)

de uit het zetmeel vervaardigde hoeveelheid goedgekeurd product dat op het certificaat is vermeld.

2.   Valt het op het certificaat vermelde product onder GN-code 3505 10 50 , dan moet bij indiening van de in lid 1 bedoelde mededeling een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan de restitutie die na de vervaardiging van het betrokken product zal worden betaald. Wanneer de restitutie evenwel minder dan 30 EUR per ton zetmeel bedraagt, hoeft geen zekerheid te worden gesteld en zijn de in artikel 10 van deze verordening bedoelde verificatie- en controlemaatregelen niet van toepassing.

De primaire eis in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 is het gebruik of de uitvoer van het product overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder a), respectievelijk onder b), van de onderhavige verordening. Het gebruik of de uitvoer vindt plaats binnen twaalf maanden na de datum waarop de geldigheidsduur van het certificaat afloopt. Als daartoe bij de bevoegde autoriteit een naar behoren gemotiveerd verzoek wordt ingediend, kan een verlenging van deze termijn met ten hoogste zes maanden worden overwogen.

3.   Alvorens te betalen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat het zetmeel voor de vervaardiging van de goedgekeurde producten is gebruikt overeenkomstig de op het certificaat vermelde gegevens. Normaal worden hiertoe administratieve controles verricht, die, indien nodig, met fysieke controles worden aangevuld.

4.   De bij deze verordening voorgeschreven controles moeten volledig zijn uitgevoerd binnen vijf maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit de in lid 1 bedoelde inlichtingen heeft ontvangen.

5.   Wanneer de verwerkte hoeveelheid zetmeel groter is dan de op het restitutiecertificaat vermelde hoeveelheid, wordt deze extra hoeveelheid, tot maximaal 5 % van de op het certificaat vermelde hoeveelheid, geacht op basis van dit document te zijn verwerkt en geeft zij recht op toekenning van de op het certificaat vermelde restitutie.

Artikel 10

1.   De in artikel 9, lid 2, bedoelde zekerheid wordt pas vrijgegeven nadat ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat het product van GN-code 3505 10 50 :

a)

binnen het douanegebied van de Gemeenschap is gebruikt voor de vervaardiging van andere dan de in bijlage II vermelde producten, of

b)

bij rechtstreekse uitvoer naar derde landen, het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten.

2.   Het in lid 1, onder a), bedoelde bewijs wordt geleverd doordat de fabrikant bij de bevoegde autoriteit een verklaring indient waarin wordt aangegeven:

a)

of het betrokken product een verwerking moet ondergaan;

b)

dat het product slechts voor de vervaardiging van andere dan de in bijlage II vermelde producten zal worden gebruikt;

c)

dat het product slechts zal worden verkocht aan een partij die de onder b) bedoelde verbintenis aangaat, welke is vastgelegd in een daartoe in het verkoopcontract opgenomen bepaling of in een bijzondere, op de verkoopfactuur vermelde voorwaarde; de fabrikant moet een kopie van het aldus opgestelde verkoopcontract of van de aldus opgestelde factuur ter beschikking van de bevoegde autoriteit houden;

d)

dat de fabrikant kennis heeft genomen van lid 8;

e)

de naam en het adres van de ontvanger ingeval voor het product een transactie wordt gesloten, en de ontvangen hoeveelheid;

f)

het nummer van het controle-exemplaar T5, als de koper van het product in een andere lidstaat is gevestigd.

3.   Na elk kwartaal moet de fabrikant binnen 20 werkdagen bij de bevoegde autoriteit waaronder hij ressorteert, kopieën van de in lid 2 bedoelde verklaring indienen. De bevoegde autoriteit waaronder de fabrikant ressorteert, legt diezelfde documenten binnen 20 werkdagen na de ontvangst ervan over aan de bevoegde autoriteit waaronder de koper ressorteert.

4.   De fabrikanten en de kopers van het onder GN-code 3505 10 50 vallende product moeten over een door de lidstaten erkende voorraadboekhouding beschikken aan de hand waarvan kan worden nagetrokken of de verbintenissen en de gegevens in de in lid 2 bedoelde verklaring van de fabrikant in acht zijn genomen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verrichten verificaties op basis van deze voorraadboekhouding, en maken daarbij gebruik van financiële bescheiden, waaronder facturen en bankuittreksels, voor zover dit nodig is om zich te vergewissen van de geregistreerde kwantitatieve transacties.

Kopers die per kwartaal minder dan 1 000 kg producten van de genoemde code gebruiken, kunnen evenwel van toepassing van het bepaalde in de bovenstaande alinea worden vrijgesteld.

5.   De in lid 4 bedoelde verificaties worden na afloop van elk kwartaal door de bevoegde autoriteiten van de respectieve lidstaten verricht in de gebouwen van de fabrikant en van de koper. Bij deze verificaties wordt nagegaan of de algemene gegevens voor die periode voor de betrokken fabrikanten en kopers met elkaar in overeenstemming zijn, en op ten minste 10 % van alle transacties en alle vormen van gebruik wordt een gedetailleerde verificatie verricht.

De bevoegde autoriteiten bepalen op basis van een risicoanalyse welke verificaties moeten worden verricht, rekening houdend met de grootte van de betrokken hoeveelheden en sommen, de bevindingen bij vorige verificaties en andere factoren die de bevoegde controleautoriteiten vaststellen.

Elke verificatie moet binnen vijf maanden na afloop van elk kwartaal zijn afgerond.

De bevoegde autoriteit waaronder de fabrikant ressorteert, moet binnen 20 werkdagen na het einde van de verificatie in het bezit zijn van de resultaten ervan.

Als de verificaties in twee of meer lidstaten worden verricht, delen de betrokken bevoegde autoriteiten elkaar de resultaten mee in het kader van de procedures als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad (6).

6.   Wanneer bij ten minste 3 % van de in lid 5 bedoelde controles onregelmatigheden worden ontdekt, verscherpen de bevoegde autoriteiten deze controles.

Als de resultaten van de verificaties zulks rechtvaardigen, legt de autoriteit die de zekerheid heeft vrijgegeven, aan de betrokken fabrikant de in lid 8 bedoelde sanctie op.

7.   Wanneer het betrokken product naar een andere lidstaat wordt verzonden of over het grondgebied van een andere lidstaat naar derde landen wordt uitgevoerd, wordt overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (7) een controle-exemplaar T5 afgegeven.

In vak 104 van dit controle-exemplaar wordt in de rubriek „Andere” een van de in bijlage III bij de onderhavige verordening opgenomen vermeldingen aangebracht.

8.   Als niet aan de in de leden 1 tot en met 7 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan, eist de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, onverminderd de sancties waarin de nationale wetgeving voorziet, de betaling van een bedrag dat overeenkomt met 150 % van de hoogste restitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken product heeft gegolden.

Artikel 11

1.   De op het certificaat vermelde restitutie wordt slechts betaald voor de werkelijk verwerkte hoeveelheid zetmeel. Tegelijk wordt de in artikel 8, lid 1, bedoelde zekerheid overeenkomstig titel V van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven.

2.   De restitutie wordt betaald binnen vijf maanden na de afronding van de in artikel 9, lid 3, bedoelde controle. Op verzoek van de fabrikant kan de bevoegde autoriteit hem evenwel 30 dagen na ontvangst van de bovenbedoelde inlichtingen een met de restitutie overeenkomend voorschot toekennen. Behalve als het product onder GN-code 3505 10 50 valt, wordt dit voorschot slechts betaald nadat de fabrikant een zekerheid heeft gesteld die gelijk is aan 115 % van het voorschot. De zekerheid wordt overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven.

Artikel 12

De lidstaten delen de Commissie de volgende gegevens mee:

a)

uiterlijk aan het einde van de eerste week van elke maand, de hoeveelheden zetmeel waarvoor in de voorafgaande maand certificaataanvragen als bedoeld in artikel 5, lid 1, zijn ingediend;

b)

binnen drie maanden na het einde van elk kwartaal, de soort, de hoeveelheden en de oorsprong van het zetmeel (mais, tarwe, aardappelen, gerst of haver) waarvoor restituties zijn betaald en de hoeveelheden producten waarvoor het zetmeel is gebruikt.

Artikel 13

Verordening (EEG) nr. 1722/93 wordt ingetrokken.

Artikel 14

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juni 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 361/2008 (PB L 121 van 7.5.2008, blz. 1).

(2)   PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6).

(3)   PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1996/2006 (PB L 398 van 30.12.2006, blz. 1).

(4)   PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 52).

(5)   PB L 197 van 30.7.1994, blz. 4.

(6)   PB L 144 van 2.6.1981, blz. 1.

(7)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE I

Onder de onderstaande codes en hoofdstukken van de gecombineerde nomenclatuur vallende producten waarvoor zetmeel en/of derivaten daarvan zijn gebruikt

GN-code

Omschrijving

ex 1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agaragar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

 

– plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd, verkregen uit plantaardige producten:

ex 1302 32 90

– – – plantenslijmen uit guarzaden

ex 1302 39 00

– – andere:

 

– carrageen

ex 1404

Plantaardige producten, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1404 20 00

– katoenlinters

ex 1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthoning, ook indien met natuurhoning vermengd; karamel:

1702 50 00

– chemisch zuivere fructose

ex 1702 90

– andere, invertsuiker daaronder begrepen:

1702 90 10

– – chemisch zuivere maltose

ex Hoofdstuk 29

Organische chemische producten — met uitzondering van de onderverdelingen 2905 43 00 en 2905 44

Hoofdstuk 30

Farmaceutische producten

3402

Organische tensioactieve producten (andere dan zeep); tensioactieve bereidingen, wasmiddelen (hulppreparaten voor het wassen daaronder begrepen) en reinigingsmiddelen, ook indien zeep bevattend, andere dan die bedoeld bij post 3401

ex Hoofdstuk 35

Eiwitstoffen; gewijzigd zetmeel; lijm; enzymen — met uitzondering van post 3501 en de onderverdelingen 3505 10 10 , 3505 10 90 en 3505 20

ex Hoofdstuk 38

Diverse producten van de chemische industrie — met uitzondering van post 3809 en onderverdeling 3824 60

Hoofdstuk 39

Kunststof en werken daarvan

ex Hoofdstuk 48

Papier en karton; cellulose-, papier- en kartonwaren

4801 00

Courantenpapier, op rollen of in bladen

4802

Papier en karton, niet gestreken en niet voorzien van een deklaag, van de soort gebruikt om te worden beschreven of bedrukt of voor andere grafische doeleinden, alsmede papier en karton voor ponskaarten of ponsband, op rollen of in bladen, ander dan papier bedoeld bij de posten 4801 en 4803 ; handgeschept papier en handgeschept karton

4803 00

Papier van de soort gebruikt voor toiletpapier, voor tissues, voor handdoeken, voor servetten en dergelijk papier voor huishoudelijk, hygiënisch of toiletgebruik, cellulosewatten en vliezen van cellulosevezels, ook indien gecrept, geplisseerd, gegaufreerd, gegreineerd, geperforeerd of met gekleurd, versierd of bedrukt oppervlak, op rollen of in bladen

4804

Kraftpapier en kraftkarton, niet gestreken en niet voorzien van een deklaag, op rollen of in bladen, ander dan dat bedoeld bij post 4802 of 4803

4805

Ander papier en karton, niet gestreken en niet voorzien van een deklaag, op rollen of in bladen, niet verder bewerkt dan bedoeld bij aantekening 2 op hoofdstuk 48 van de gecombineerde nomenclatuur

4806

Perkamentpapier en perkamentkarton, vetvrij papier („greaseproof”), calqueerpapier, alsmede kristalpapier en ander door kalanderen verkregen doorschijnend of doorzichtig papier, op rollen of in bladen

4807

Papier en karton, samengesteld uit opeengelijmde vellen, niet geïmpregneerd, niet gestreken en niet voorzien van een deklaag, ook indien inwendig versterkt, op rollen of in bladen

4808

Papier en karton, gegolfd (ook indien daarop papier of karton in vlakke bladen is gelijmd), gecrept, geplisseerd, gegaufreerd (voorzien van inpersingen), gegreineerd of geperforeerd, op rollen of in bladen, ander dan papier van de soort beschreven in post 4803

4809

Carbonpapier, zelfkopiërend papier en ander papier voor het maken van doorslagen en overdrukken (gestreken, van een deklaag voorzien of geïmpregneerd papier voor stencils of offsetplaten daaronder begrepen), ook indien bedrukt, op rollen of in bladen

4810

Papier en karton, aan een of aan beide zijden gestreken met kaolien of met andere anorganische stoffen, ook indien met bindmiddel, doch met uitzondering van elke andere deklaag, ook indien aan het oppervlak gekleurd of versierd, dan wel bedrukt, op rollen of in bladen

4811

Papier, karton, cellulosewatten en vliezen van cellulosevezels, gestreken, van een deklaag voorzien, geïmpregneerd, bekleed, aan het oppervlak gekleurd of versierd, dan wel bedrukt, op rollen of in bladen, andere dan de producten omschreven in post 4803 , 4809 of 4810

4812 00 00

Blokken en platen, van papierstof, voor filtreerdoeleinden

ex 4813

Sigarettenpapier, ook indien op maat gesneden of in boekjes of in hulzen:

ex 4813 90

– ander

ex 4814

Behangselpapier en dergelijke wandbekleding; vitrofanies:

4814 10 00

– zogenaamd ingrain-papier

4814 20 00

– behangselpapier en dergelijke wandbekleding, bestaande uit papier aan de voorzijde voorzien van een deklaag van of bekleed met kunststof die is gegreineerd, gegaufreerd, gekleurd, met motieven bedrukt of op andere wijze versierd

4814 90

– ander

ex 4816

Carbonpapier, zelfkopiërend papier en ander papier voor het maken van doorslagen en overdrukken (ander dan dat van post 4809 ), complete stencils en offsetplaten, van papier, ook indien verpakt in dozen:

4816 10 00

– carbonpapier en dergelijk papier

4816 90 00

– ander

Hoofdstuk 52

Katoen

ex 5801

Fluweel, pluche en chenilleweefsel, ander dan bedoeld bij post 5806 :

 

– van katoen:

5801 21 00

– – ongesneden inslagfluweel en -pluche

ex 5802

Lussenweefsel (bad- of frotteerstof), ander dan bedoeld bij post 5806 ; getufte textielstoffen, andere dan bedoeld bij post 5703 :

 

– lussenweefsel van katoen:

5802 11 00

– – ongebleekt

5802 19 00

– – ander

ex 5803

Weefsel met gaasbinding, ander dan bedoeld bij post 5806 :

5803 10 00

– van katoen


BIJLAGE II

Basiszetmeel en zetmeelderivaten

GN-code

Omschrijving

Voor het vervaardigen van 1 ton benodigde hoeveelheid zetmeel

(coëfficiënt)

A.   

BASISZETMEEL (1)  (2)

ex 1108

Zetmeel en inuline:

 

 

– zetmeel:

 

1108 11 00

– – tarwezetmeel

1,00

1108 12 00

– – maiszetmeel

1,00

1108 13 00

– – aardappelzetmeel

1,00

ex 1108 19

– – ander zetmeel

1,00

B.   

DE HIERNAVOLGENDE DERIVATEN WANNEER ZIJ ZIJN VERVAARDIGD UIT DE BOVENSTAANDE PRODUCTEN

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthoning, ook indien met natuurhoning vermengd; karamel:

 

ex 1702 30

– glucose en glucosestroop, in droge toestand geen of minder dan 20 gewichtspercenten fructose bevattend:

 

 

– – andere:

 

 

– – – bevattende, in droge toestand, 99 of meer gewichtspercenten zuivere glucose:

 

1702 30 51

– – – – in wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd

1,304

1702 30 59

– – – – andere (3)

1,00

 

– – – andere:

 

1702 30 91

– – – – in wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd

1,304

1702 30 99

– – – – andere (3)

1,00

ex 1702 40

– glucose en glucosestroop, in droge toestand 20 of meer doch minder dan 50 gewichtspercenten fructose bevattend:

 

1702 40 90

– – andere (3)

1,00

ex 1702 90

– andere, invertsuiker daaronder begrepen:

 

1702 90 50

– – maltodextrine en maltodextrinestroop:

 

 

– – – in wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd

1,304

 

– – – andere (3)

1,00

 

– – karamel:

 

 

– – – andere:

 

1702 90 75

– – – – in poeder, ook indien geagglomereerd

1,366

1702 90 79

– – – – andere (3)

0,95

ex 2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

 

 

– andere meerwaardige alcoholen:

 

2905 43 00

– – mannitol

1,52

2905 44

– – D-glucitol (sorbitol):

 

 

– – – in waterige oplossing:

 

2905 44 11

– – – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte (4)

1,068

2905 44 19

– – – – andere (4)

0,944

 

– – – andere:

 

2905 44 91

– – – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte

1,52

2905 44 99

– – – – andere

1,52

3505

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel:

 

ex 3505 10

– dextrine en ander gewijzigd zetmeel:

 

3505 10 10

– – dextrine (5)

1,14

 

– – ander gewijzigd zetmeel:

 

3505 10 90

– – – andere (5)

1,14

3505 20

– lijm

1,14

ex 3809

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, de papierindustrie, de lederindustrie of dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

3809 10

– op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen (5)

1,14

ex 3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen; residuen van de chemische of van aanverwante industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

3824 60

– sorbitol, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44 :

 

 

– – in waterige oplossing:

 

3824 60 11

– – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte (4)

1,068

3824 60 19

– – – andere (4)

0,944

 

– – andere

 

3824 60 91

– – – met een gehalte aan D-mannitol van niet meer dan 2 gewichtspercenten, berekend op het D-glucitolgehalte

1,52

3824 60 99

– – – andere

1,52


(1)  De aangegeven coëfficient geldt voor zetmeel met een drogestofgehalte van ten minste 87 % voor mais- en tarwezetmeel en ten minste 80 % voor aardappelzetmeel.

De restitutie voor basiszetmeel met een lager drogestofgehalte wordt aangepast volgens de volgende formule:

1.

mais- of tarwezetmeel: (werkelijk percentage drogestofgehalte/87) × restitutie;

2.

aardappelzetmeel: (werkelijk percentage drogestofgehalte/80) × restitutie.

Als de restitutie wordt betaald voor zetmeel van GN-code 1108 , moet de zuiverheid van het zetmeel in de droge stof ten minste 97 % bedragen.

De zuiverheid van het zetmeel in de droge stof wordt bepaald aan de hand van een van de methoden die zijn bekendgemaakt in bijlage I bij Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie (PB L 123 van 29.5.1972, blz. 6).

(2)  Rechtstreeks vervaardigd uit mais, tarwe of aardappelen, met uitsluiting van elk gebruik van bijproducten die zijn verkregen bij de vervaardiging van andere landbouwproducten of goederen.

(3)  De restitutie wordt betaald voor producten van deze GN-codes met een drogestofgehalte van ten minste 78 %. De restitutie voor producten van deze GN-codes met een drogestofgehalte van minder dan 78 % wordt aangepast volgens de formule: (werkelijk percentage drogestofgehalte/78) × restitutie.

(4)  De restitutie wordt betaald voor D-glucitol (sorbitol) in waterige oplossing dat een drogestofgehalte heeft van ten minste 70 %. Als het drogestofgehalte lager is dan 70 %, wordt de restitutie aangepast volgens de formule: (werkelijk percentage drogestofgehalte/70) × restitutie.

(5)  De restitutie wordt betaald voor het werkelijke drogestofgehalte van zetmeel of dextrine.


BIJLAGE III

In artikel 10, lid 7, bedoelde vermeldingen

in het Bulgaars

:

Предназначено за преработка или доставка съгласно Регламент (ЕО) № 491/2008, или за износ извън митническата територия на Общността.

in het Spaans

:

Se utilizará para la transformación o la entrega, de conformidad con el artículo 10 del Reglamento (CE) no 491/2008 o para la exportación a partir del territorio aduanero de la Comunidad.

in het Tsjechisch

:

Použije se pro zpracování nebo dodávku v souladu s článkem 10 nařízení Komise (ES) č. 491/2008 nebo pro vývoz z celního území Společenství.

in het Deens

:

Til forarbejdning eller levering i overensstemmelse med artikel 10 i forordning (EF) nr. 491/2008 eller til udførsel fra Fællesskabets toldområde.

in het Duits

:

Zur Verarbeitung oder Lieferung gemäß Artikel 10 der Verordnung (EG) Nr. 491/2008 oder zur Ausfuhr aus dem Zollgebiet der Gemeinschaft bestimmt.

in het Ests

:

Kasutatakse töötlemiseks või tarnimisekskomisjoni määruse (EÜ) nr 491/2008 artikli 10 kohaselt või ekspordiks ühenduse tolliterritooriumilt.

in het Grieks

:

Προς χρήση για μεταποίηση ή παράδοση σύμφωνα με το άρθρο 10 του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 491/2008 ή για εξαγωγή από το τελωνειακό έδαφος της Κοινότητας.

in het Engels

:

To be used for processing or delivery in accordance with Article 10 of Commission Regulation (EC) No 491/2008 or for export from the customs territory of the Community.

in het Frans

:

À utiliser pour la transformation ou la livraison, conformément à l’article 10 du règlement (CE) no 491/2008, ou pour l’exportation à partir du territoire douanier de la Communauté.

in het Italiaans

:

Da utilizzare per la trasformazione o la consegna, conformemente all’articolo 10 del regolamento (CE) n. 491/2008, o per l’esportazione dal territorio doganale della Comunità.

in het Lets

:

Izmantošanai pārstrādei vai piegādei saskaņā ar Komisijas Regulas (EK) Nr. 491/2008 10. pantu, vai arī eksportam no Kopienu teritorijas.

in het Litouws

:

Naudoti perdirbimui arba pristatymui pagal Komisijos reglamento (EB) Nr. 491/2008 10 straipsnį, arba eksportui iš Bendrijos muitų teritorijos.

in het Hongaars

:

Az 491/2008/EK bizottsági rendelet 10. cikkével összhangban történő feldolgozásra vagy szállításra vagy a Közösség vámterületéről történő kivitelre irányuló felhasználásra.

in het Maltees

:

Biex jintuża għall-ipproċessar jew għall-kunsinna b’konformità ma’ l-Artikolu 10 tar-Regolament tal-Kummissjoni (KE) Nru 491/2008 jew għall-esportazzjoni mit-territorju doganali tal-Komunità.

in het Nederlands

:

Bestemd voor verwerking of levering overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 491/2008 of voor uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap.

in het Pools

:

Do przetwarzania lub dostaw, zgodnie z art. 10 rozporządzenia Komisji (WE) nr 491/2008, lub do wywozu z terytorium celnego Wspólnoty.

in het Portugees

:

A utilizar para transformação ou entrega, em conformidade com o disposto no artigo 10.o do Regulamento (CE) n.o 491/2008, ou para exportação a partir do território aduaneiro da Comunidade.

in het Roemeens

:

A se folosi pentru procesare sau livrare, conform articolului 10 din Regulamentul (CE) nr. 491/2008, sau pentru export de pe teritoriul vamal al Comunității.

in het Slowaaks

:

Na použitie pri spracovaní alebo dodávke v súlade s článkom 10 nariadenia Komisie (ES) č. 491/2008 alebo na vývoz z colného územia Spoločenstva.

in het Sloveens

:

Za predelavo ali dobavo v skladu s členom 10 Uredbe Komisije (ES) št. 491/2008 ali za izvoz iz carinskih območij Skupnosti.

in het Fins

:

Käytetään jalostamiseen tai toimittamiseen asetuksen (EY) N:o 491/2008 10 artiklan mukaisesti taikka vientiin yhteisön tullialueelta.

in het Zweeds

:

Avsedd för bearbetning eller leverans i enlighet med artikel 10 i kommissionens förordning (EG) nr 491/2008 eller för export från gemenskapens tullområde.


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/14


VERORDENING (EG) Nr. 492/2008 VAN DE COMMISSIE

van 3 juni 2008

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding van een procedure

(1)

Op 5 september 2007 heeft de Commissie met een bericht („het bericht van inleiding”) in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van mononatriumglutamaat (MNG) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC” of „het betrokken land”) aangekondigd.

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 23 juli 2007 werd ingediend door Ajinomoto Foods Europe S.A.S., die 100 % van de totale communautaire productie van MNG vertegenwoordigt. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal om aan te tonen dat het genoemde product met dumping werd ingevoerd en dat de enige communautaire producent daardoor aanmerkelijke schade leed, werd toereikend geacht om een procedure in te leiden.

1.2.   Bij de procedure betrokken partijen

(3)

De Commissie heeft de klager, de haar bekende betrokken producenten/exporteurs, importeurs, leveranciers en gebruikers alsmede de vertegenwoordigers van de betrokken landen van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(4)

De klager, de producenten/exporteurs, de importeurs, de verenigingen van leveranciers en de gebruikers hebben hun standpunt kenbaar gemaakt. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(5)

In het bericht van inleiding had de Commissie vermeld dat kennelijk een groot aantal producenten/exporteurs in de VRC en importeurs in de Gemeenschap bij deze procedure betrokken was en dat zij daarom van steekproeven gebruik kon maken. Daar het aantal producenten/exporteurs in de VRC en het aantal importeurs in de Gemeenschap die tot medewerking bereid waren lager was dan verwacht, werd echter besloten dat steekproeven niet nodig waren.

(6)

Om de producenten/exporteurs in de VRC in de gelegenheid te stellen desgewenst om een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) of een individuele behandeling („IB”) te verzoeken, heeft de Commissie de haar bekende betrokken producenten/exporteurs en de autoriteiten van de VRC aanvraagformulieren toegezonden.

(7)

De Commissie heeft een vragenlijst toegezonden aan alle haar bekende betrokken partijen en aan alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, namelijk aan de enige communautaire producent, 22 importeurs en 27 gebruikers van het betrokken product, alsmede twee grondstoffenleveranciers.

(8)

Er werden antwoorden ontvangen van de communautaire producent die de klacht heeft ingediend, alsmede van drie niet-verbonden importeurs, vier gebruikers en twee leveranciers.

(9)

Voorts heeft de Commissie antwoorden ontvangen van drie producenten/exporteurs in de VRC.

(10)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, schade als gevolg hiervan en het belang van de Gemeenschap nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:

a)

in de Gemeenschap gevestigde producent

Ajinomoto Foods Europe S.A.S, Nesle, Frankrijk, en zijn verbonden handelaar Ajinomoto Foods Deutschland, Hamburg, Duitsland;

b)

communautaire gebruiker

Eén gebruiker verzocht de Commissie overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening zijn gegevens niet bekend te maken, omdat dit hem aanzienlijk nadeel zou berokkenen. Dit verzoek werd als voldoende onderbouwd beschouwd en daarom ingewilligd.

Nestlé, Vevey, Zwitserland;

Unilever, Neuhausen, Zwitserland;

c)

importeurs in de Gemeenschap

Omya Peralta GmbH, Hamburg, Duitsland;

Helm AG, Hamburg, Duitsland;

Standard sp z.o.o., Lublin, Polen;

d)

producenten/exporteurs en verbonden ondernemingen in de VRC

1.

Meihua-groep

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd, Bazhou, Hebei;

Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd, Tongliao, Neimenggu, Binnen-Mongolië;

Tongliao Jianlong Hyperacidity Co., Ltd, Tongliao, Neimenggu, Binnen-Mongolië;

Langfang Jianlong Hyperacidity, Bazhou, Hebei;

2.

LingHua-groep

Shandong Linghua MSG Incorporated Company, Jining, Shandog. Controlebezoeken gepland voor de andere twee ondernemingen van de groep:

Shangong Lingwei Seasoning Co., Ltd, Jining, Shandog, en

Jining Jusheng Gourmet Powder Food Co., Ltd, Jining, Shandog, moesten om de in de overwegingen 15 tot en met 18 vermelde redenen worden geannuleerd;

3.

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd, Jianyang, Fujian

e)

producent in het referentieland

Ajinomoto Co., (Thailand) Ltd, Bangkok, Thailand.

1.3.   Onderzoektijdvak

(11)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 (het „onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van april 2004 tot het einde van het OT (de „beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(12)

Het naar de Gemeenschap uitgevoerde MNG van oorsprong uit de VRC („het betrokken product”) is een levensmiddelenadditief dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als smaakversterker in soepen, bouillons, vis- en vleesgerechten en kant-en-klaarmaaltijden. Het wordt ook in de cosmetische industrie gebruikt in producten voor persoonlijke verzorging. Het wordt doorgaans aangegeven onder GN-code ex 2922 42 00 .

(13)

MNG is verkrijgbaar in verpakkingen van verschillende grootte, gaande van zakjes van 0,5 g voor verkoop aan de consument tot balen van 1 000 kg. De kleinere zakjes worden via de kleinhandel aan particuliere consumenten verkocht, terwijl de grotere zakken van 20 kg en meer voor industriële gebruikers bestemd zijn. Bovendien zijn er verschillende zuiverheidsgraden. MNG heeft echter steeds dezelfde kenmerken, ongeacht de grootte van de verpakking of de zuiverheidsgraad.

2.2.   Soortgelijk product

(14)

Er werden geen verschillen geconstateerd tussen het betrokken product en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde en op de communautaire markt verkochte MNG. De VRC is een land met een overgangseconomie en zoals in de overwegingen 30 tot en met 34 wordt vermeld, moest de normale waarde worden vastgesteld op basis van informatie die in een derde land met markteconomie werd verkregen. Volgens de beschikbare informatie heeft MNG dat in het derde land met markteconomie wordt geproduceerd en verkocht, dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen als MNG dat in de VRC wordt geproduceerd en naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd. Daarom luidt de voorlopige conclusie dat alle soorten MNG worden beschouwd als gelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Toepassing van artikel 18 van de basisverordening

(15)

Bij één producent/exporteur werd op de eerste dag van de controle ter plaatse geconstateerd dat hij over zijn uitvoer gegevens had ingediend die werden beschouwd als onjuiste en misleidende inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

(16)

Vanwege deze constatering werd de controle stopgezet, werd aan de onderneming meegedeeld dat op grond van artikel 18 van de basisverordening werd overwogen aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies (voorlopige of definitieve, zowel in positieve als in negatieve zin) te trekken en werd zij in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

(17)

In haar reactie hierop heeft de onderneming de bevindingen van het onderzoek betreffende de vervalsing van documenten niet betwist en heeft zij geen bezwaar aangetekend tegen de toepassing van artikel 18 van de basisverordening.

(18)

In deze omstandigheden werd geen rekening gehouden met de door deze producent/exporteur verstrekte inlichtingen en werd van de beschikbare gegevens gebruikgemaakt.

3.2.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(19)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer van oorsprong uit de VRC vastgesteld volgens de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten/exporteurs waarvan is aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Voor de duidelijkheid zijn deze criteria hieronder nog eens kort samengevat:

1.

de besluiten van ondernemingen worden zonder staatsinmenging van betekenis genomen als reactie op marktsignalen, en de kosten geven de marktwaarde weer;

2.

ondernemingen beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende boekhoudnormen („IAS”) en die alle terreinen bestrijkt;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit;

5.

munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(20)

Drie Chinese producenten/exporteurs verzochten om BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening en hebben binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingevuld.

(21)

Op één Chinese producent/exporteur moest artikel 18 van de basisverordening worden toegepast (zie de overwegingen 15 tot en met 18).

(22)

Uit de controle is gebleken dat de overige twee Chinese producenten/exporteurs niet aan alle vijf BMO-criteria voldeden.

(23)

Uit de controle is gebleken dat één Chinese producent/exporteur (de uit vijf ondernemingen bestaande Meihua-groep) niet kon aantonen dat hij aan het tweede en het derde criterium hierboven voldeed. Ten eerste heeft de Meihua-groep in haar BMO-aanvraag of tijdens het controlebezoek geen gecontroleerde geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig IAS 27 overgelegd. Uit het onderzoek is gebleken dat, aangezien binnen de groep veel transacties plaatsvonden, alleen een gecontroleerde geconsolideerde jaarrekening waaruit alle saldi, transacties, inkomsten en uitgaven binnen de groep zijn verwijderd, een duidelijk beeld van de groep zou geven. De Meihua-groep heeft pas geruime tijd na het controlebezoek een gecontroleerde geconsolideerde jaarrekening overgelegd, zodat de Commissie de gegevens in die rekening niet kon controleren en geen duidelijk beeld van de financiële situatie van de groep kon krijgen. Bovendien bleken de rekeningen van de individuele ondernemingen niet in overeenstemming te zijn met IAS 1 en IAS 18, daar de moederonderneming inkomsten en uitgaven verrekende en deze verrekening van aanmerkelijk belang was. Gezien deze inbreuken op de IAS en het feit dat deze niet eens in de auditverslagen werden vermeld, wordt aangenomen dat de Meihua-groep niet heeft aangetoond dat haar boekhouding overeenkomstig de genoemde normen werd gecontroleerd (tweede criterium).

(24)

Ten tweede werden op basis van de tijdens het controlebezoek gecontroleerde individuele rekeningen van de ondernemingen van de groep en op basis van de bovenvermelde ongecontroleerde informatie aanzienlijke verstoringen van de financiële situatie van de ondernemingen en van de groep ontdekt. Er bleken voor aanzienlijke bedragen renteloze leningen te bestaan. Dit resulteerde in een aanzienlijk bedrag aan negatief bedrijfskapitaal en potentiële hoge financiële kosten die niet in de boekhouding van de individuele ondernemingen of de groep werden weergegeven (derde criterium).

(25)

De tweede onderneming, Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co. Ltd, kon niet aantonen dat zij aan de criteria 1 tot en met 3 voldeed. Ten eerste werden haar besluiten niet genomen als reactie op marktsignalen en zonder staatsinmenging van betekenis, met name omdat de staat in haar raad van bestuur oververtegenwoordigd was en omdat de onderneming enkele dubieuze transacties met staatsbedrijven had waar bovendien aanzienlijke bedragen mee gemoeid waren (lening bij de staat tegen een rente die tweemaal hoger was dan het markttarief, voorschotten aan staatsbedrijven zonder enige rechtvaardiging) (eerste criterium). Ten tweede heeft zij niet met bewijzen aangetoond dat zij over een duidelijke basisboekhouding beschikte die overeenkomstig de IAS werd opgesteld en gecontroleerd; de rekeningen bleken immers niet met IAS 1 en IAS 18 in overeenstemming te zijn daar de onderneming i) debetrekeningen verrekende met creditrekeningen en ii) inkomsten verrekende met uitgaven. Beide soorten verrekeningen, die van aanmerkelijk belang waren, maakten de transacties en andere gebeurtenissen en toestanden in verband met de activiteiten van de onderneming minder inzichtelijk. Aangezien deze inbreuken op de IAS niet in het auditverslag werden vermeld, kon de onderneming niet aantonen dat haar boekhouding overeenkomstig de genoemde normen werd gecontroleerd (tweede criterium). Ten slotte werden nog uit het systeem zonder markteconomie voortvloeiende verstoringen waargenomen in de vorm van incorrecte waardebepaling van activa en grondgebruiksrechten (derde criterium).

(26)

Bijgevolg werd geconcludeerd dat geen enkele Chinese producent/exporteur aantoonde dat hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

3.3.   Individuele behandeling („IB”)

(27)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt voor landen waarop dat artikel van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat ze aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening inzake de individuele behandeling voldoen, daarvan worden uitgezonderd.

(28)

De producenten/exporteurs die niet aan de BMO-criteria voldeden, hadden ook om IB verzocht voor het geval dat zij geen BMO verkregen.

(29)

Aan de hand van de beschikbare gegevens werd geconstateerd dat twee Chinese producenten/exporteurs voldoen aan alle eisen voor IB als vermeld in artikel 9, lid 5, van de basisverordening.

3.4.   Normale waarde

3.4.1.   Referentieland

(30)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten/exporteurs in landen met een overgangseconomie aan wie geen BMO wordt toegekend, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie („referentieland”).

(31)

In het bericht van inleiding werd Thailand voorgesteld als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde voor de VRC. De Commissie verzocht alle belanghebbenden om reacties op dit voorstel.

(32)

Slechts één belanghebbende diende opmerkingen in en stelde daarin Brazilië of Indonesië voor als alternatief referentieland. De Commissie heeft contact opgenomen met haar bekende ondernemingen in Brazilië en Indonesië. Van Braziliaanse of Indonesische producenten werden evenwel geen antwoorden op de vragenlijsten of zinvolle reacties ontvangen.

(33)

Bovendien is Thailand wereldwijd een van de grootste producenten van MNG met een concurrerende markt en heeft de grootste producent van MNG in Thailand volledig meegewerkt. Thailand voldeed aan de criteria om als geschikt referentieland te worden beschouwd, daar er concurrentie is op de Thaise markt, de op de Thaise markt verkochte hoeveelheden groot genoeg zijn, en de Chinese en de Thaise markt vergelijkbaar zijn wat productassortiment en productieproces betreft.

(34)

Derhalve luidt de voorlopige conclusie dat Thailand een geschikt referentieland is in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

3.4.2.   Methode voor de vaststelling van de normale waarde

(35)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor de VRC vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens die de medewerkende producent in het referentieland had verstrekt, dat wil zeggen aan de hand van de op de binnenlandse markt van Thailand voor vergelijkbare productsoorten betaalde of te betalen prijzen, daar deze in het kader van normale handelstransacties tot stand bleken te zijn gekomen. Met betrekking tot de productsoorten zij opgemerkt dat tijdens het OT in wezen slechts één productsoort uit de VRC werd uitgevoerd, namelijk MNG met een zuiverheid van minimaal 99 %, en dat deze soort direct vergelijkbaar was met het product dat door de producent in het referentieland op de binnenlandse markt werd verkocht. Het onderzoek bracht bepaalde verschillen in het productieproces van de Thaise en de Chinese producenten aan het licht: laatstgenoemden gebruiken andere apparatuur die minder elektriciteit verbruikt. Daarom werden de Thaise binnenlandse verkoopprijzen naar beneden aangepast met een bedrag dat in overeenstemming is met deze verschillen.

3.5.   Uitvoerprijs

(36)

Alle medewerkende Chinese producenten/exporteurs voerden uit naar de Gemeenschap, hetzij rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap, hetzij via niet-verbonden ondernemingen in de VRC en Taiwan. Daarom werden de uitvoerprijzen vastgesteld aan de hand van de werkelijk voor het betrokken product betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(37)

Wat alle andere Chinese exporteurs betreft, stelde de Commissie eerst de mate van medewerking vast. Er werd een vergelijking gemaakt tussen de totale uitgevoerde hoeveelheden, als aangegeven in de antwoorden van de twee medewerkende producenten/exporteurs op de vragenlijst, en de totale met dumping vanuit de VRC ingevoerde hoeveelheden, zoals afgeleid uit de invoerstatistieken van Eurostat. Zo werd de mate van medewerking vastgesteld op 74 %. Op grond daarvan werd de mate van medewerking als laag beschouwd. Daarom werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening voorlopig vastgesteld aan de hand van de transacties met de hoogste dumpingmarge die tot stand werden gebracht door één van de twee medewerkende Chinese producenten/exporteurs aan wie IB werd toegekend.

3.6.   Vergelijking

(38)

De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek.

(39)

Om een billijke vergelijking te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor alle onderzochte ondernemingen (medewerkende producenten/exporteurs en de producent in het referentieland) werden, waar van toepassing en gerechtvaardigd, correcties toegestaan voor verschillen in de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakking, krediet en commissies.

3.7.   Dumpingmarges

3.7.1.   Voor de medewerkende producenten aan wie IB werd toegekend

(40)

Voor de ondernemingen waaraan IB werd toegekend, werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening.

(41)

De voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd, en Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd

33,8  %

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd

36,5  %

3.7.2.   Voor alle andere producenten/exporteurs

(42)

De dumpingmarge voor het gehele land werd berekend op basis van een vergelijking tussen de uitvoerprijs zoals beschreven in overweging 37 en de normale waarde zoals beschreven in overweging 35.

(43)

Zo werd de dumpingmarge voor het gehele land voorlopig vastgesteld op 39,7 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(44)

De enige medewerkende communautaire producent nam in het OT de gehele communautaire productie van MNG voor zijn rekening. Deze producent wordt dan ook geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

(45)

Daar de bedrijfstak van de Gemeenschap uit slechts één producent bestaat, moesten alle cijfers betreffende gevoelige gegevens met het oog op de vertrouwelijkheid in geïndexeerde vorm of als orde van grootte worden gepresenteerd. De cijfers tussen haakjes zijn negatieve cijfers.

(46)

Daar de communautaire producent werkt met een boekjaar dat loopt van 1 april tot en met 31 maart van het volgende jaar, worden alle cijfers hierna weergegeven voor boekjaren (BJ) in plaats van kalenderjaren (bv. BJ2005 betreft de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005). De gegevens over de invoer worden op dezelfde vergelijkbare basis gepresenteerd.

4.2.   Verbruik in de Gemeenschap

(47)

Het verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt en de invoer uit de VRC en andere derde landen volgens Eurostat. Het verbruik van MNG in de Gemeenschap is tussen BJ2005 en BJ2006 gestegen en is daarna in BJ2007 en het OT gestaag afgenomen. Over de gehele beoordelingsperiode is het verbruik met 4 % gedaald.

Tabel 1

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Verbruik in de Gemeenschap (t)

 

 

 

 

Index

100

107

98

96

4.3.   Invoer in de Gemeenschap uit de VRC

4.3.1.   Hoeveelheid en marktaandeel

(48)

De invoer uit de VRC is tussen BJ2005 en het eind van het OT aanzienlijk toegenomen, namelijk van 4 701 t tot 34 613 t, wat neerkomt op een stijging met 636 % over de beoordelingsperiode.

(49)

Het overeenkomstige marktaandeel bedroeg 3 à 7 % in BJ2005 en is over de beoordelingsperiode ondanks de daling van het verbruik toegenomen tot 38 à 43 %.

Tabel 2

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Invoer uit de VRC (t)

4 701

11 376

34 254

34 613

Index

100

242

729

736

Marktaandeel van de VRC

 

 

 

 

Index

100

226

745

768

Bron: Ingevoerde hoeveelheden volgens Eurostat.

4.3.2.   Verkoopprijs per eenheid

(50)

De gemiddelde prijzen van de invoer uit de VRC schommelden tijdens de beoordelingsperiode en geven over het geheel genomen een lichte daling met 2 % te zien.

Tabel 3

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Prijzen van de invoer uit de VRC

(EUR/t)

790

818

785

773

Index

100

104

99

98

Bron: Invoerprijzen volgens Eurostat.

4.3.3.   Prijsonderbieding

(51)

Voor de beoordeling van de prijsonderbieding werden de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor niet-verbonden afnemers op de communautaire markt, af fabriek, per productsoort, vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde prijzen van de betrokken invoer, op cif-niveau, gecorrigeerd voor douanerechten en de kosten na invoer. De vergelijking werd gemaakt na aftrek van kortingen en rabatten.

(52)

Het aldus berekende prijsverschil, uitgedrukt in procenten van de gewogen gemiddelde prijs (af fabriek) van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dat wil zeggen de prijsonderbiedingsmarge, bedraagt 21 à 24 %.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(53)

Voor alle in artikel 3, lid 5, van de basisverordening vermelde economische factoren werden de trends onderzocht om een beeld te krijgen van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode.

4.4.1.   Productiecapaciteit, productie en bezettingsgraad

(54)

De productiecapaciteit is in BJ2006 met 5 % en in BJ2007 met nog eens drie procentpunten gestegen en is in het OT stabiel gebleven. De toename van de productiecapaciteit was het resultaat van nieuwe investeringen, zoals in overweging 60 wordt beschreven.

(55)

De productie van MNG door de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode gestaag afgenomen, over het geheel genomen met 6 %. In de productiecijfers voor BJ2007 en het OT komt tot uiting dat de bedrijfstak van de Gemeenschap de productie in 2006 een maand heeft moeten staken.

(56)

Als gevolg van de daling van de productievolumes is de bezettingsgraad over de beoordelingsperiode met 14 % teruggelopen.

Tabel 4

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Productiecapaciteit

 

 

 

 

Index

100

105

108

108

Productie

 

 

 

 

Index

100

99

93

94

Bezettingsgraad

 

 

 

 

Index

100

95

86

86

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

4.4.2.   Verkoopvolume, marktaandeel en gemiddelde eenheidsprijzen in de Gemeenschap

(57)

De verkoop van MNG door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers op de communautaire markt is in BJ2006 licht gestegen, waarna zich in BJ2007 een forse daling met 25 procentpunten heeft voorgedaan. Over de beoordelingsperiode is de verkoop met 24 % afgenomen. Deze enorme daling van het verkoopvolume heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering van het marktaandeel, met in totaal 12,5 procentpunten, over de beoordelingsperiode (van een marktaandeel van 58,6 % in BJ2005 tot 46,1 % in het OT).

(58)

De gemiddelde verkoopprijs aan niet-verbonden afnemers op de communautaire markt is over de beoordelingsperiode met 19 % gestegen. De stijging was nog opmerkelijker in BJ2007 (+ 23 %), terwijl de prijzen in de laatste drie maanden van het OT licht gedaald zijn. De prijsverhoging was noodzakelijk om de stijging van de kosten van grondstoffen en andere inputs op te vangen. Niettegenstaande de bedrijfstak van de Gemeenschap erin geslaagd is zijn efficiëntie bij de productie van MNG werkelijk te verhogen, konden de verkoopprijzen de productiekosten in het OT niet dekken.

Tabel 5

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Verkoopvolume

 

 

 

 

Index

100

101

76

76

Marktaandeel

 

 

 

 

Index

100

94

77

79

Gemiddelde prijs

 

 

 

 

Index

100

106

123

119

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

4.4.3.   Voorraad

(59)

Over de beoordelingsperiode is de voorraad met 52 % toegenomen. Deze toename deed zich voor in de tweede helft van de beoordelingsperiode en viel samen met de sterke daling van de verkoop vanaf BJ2007. Aan het eind van het OT was het voorraadniveau nog steeds hoog.

Tabel 6

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Voorraad

 

 

 

 

Index

100

101

153

152

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

4.4.4.   Winstgevendheid, investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(60)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft in de beoordelingsperiode geen winst gemaakt op de verkoop van het soortgelijke product op de communautaire markt. Aan het begin van deze periode moest de situatie worden bekeken tegen de achtergrond van de overname van Orsan S.A. door Ajinomoto Foods Europe (AFE) en de herstructurering die in die tijd plaatsvond. Orsan S.A. verkeerde tot 2003 immers in een slechte financiële situatie en AFE bracht in 2004 en 2005 een grondige herstructurering tot stand om door specifieke investeringen de kosten te verlagen en de efficiëntie te verhogen. Deze investeringen hadden tot doel de productiecapaciteit te vergroten, een nieuwe productlijn te ontwikkelen en de energie-efficiëntie te verhogen. De groep waartoe de bedrijfstak van de Gemeenschap nu behoort droeg ook knowhow over, onder meer nieuwe en beter presterende bacteriestammen voor het fermentatieproces dat nodig is voor de productie van MNG in de Gemeenschap.

(61)

Hoewel in 2006 en 2007 verder werd geïnvesteerd, slaagde de bedrijfstak van de Gemeenschap erin zijn verliezen met name in het OT te beperken door hogere verkoopprijzen, maar ook door een hogere efficiëntie bij het gebruik van grondstoffen en energie. Een verdere verhoging van de prijzen was echter niet mogelijk. De Chinese exporteurs versterkten hun aanwezigheid en realiseerden een snelle marktpenetratie in de Gemeenschap. Daardoor leed de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT nog steeds aanzienlijke verliezen op zijn verkoop op de communautaire markt.

(62)

Het rendement van investeringen bij de productie en verkoop van het soortgelijke product was over de hele beoordelingsperiode negatief, wat de bovenbeschreven negatieve trend voor de winstgevendheid weerspiegelt.

(63)

Zoals voor de andere financiële indicatoren het geval was, was de kasstroom die door het in de EU geproduceerde en verkochte MNG werd gegenereerd, over de hele beoordelingsperiode negatief.

(64)

Afgezien van de financiële verliezen waren er geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, als onderdeel van de Ajinomoto-groep, nog andere moeilijkheden ondervond om kapitaal voor zijn activiteiten aan te trekken.

Tabel 7

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Winstgevendheid

 

 

 

 

Index

(100)

(103)

(66)

(75)

Investeringen

 

 

 

 

Index

100

211

65

51

Rendement van de investeringen

 

 

 

 

Index

(100)

(92)

(63)

(67)

Kasstroom

 

 

 

 

Index

(100)

(102)

(59)

(83)

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

4.4.5.   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(65)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode met 9 % gedaald. De lonen zijn aanvankelijk in BJ2006 met 6 % gestegen in vergelijking met BJ2005. In BJ2007 en het OT zijn zij echter weer gedaald tot het niveau van BJ2005.

(66)

De productiviteit is in BJ2006 met 3 % gestegen, waarna zij in BJ2007 licht gedaald is. In het OT is de productiviteit weer gestegen tot het niveau van BJ2006.

Tabel 8

 

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Werkgelegenheid

 

 

 

 

Index

100

95

92

91

Lonen

 

 

 

 

Index

100

106

100

100

Productiviteit

 

 

 

 

Index

100

103

101

103

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

4.4.6.   Groei

(67)

Terwijl het verbruik in de Gemeenschap over de beoordelingsperiode met 4 % is gedaald, is het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 24 % gedaald. Daardoor heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode 12,5 procentpunten aan marktaandeel verloren.

4.4.7.   Omvang van de huidige dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(68)

De dumpingmarges voor de exporteurs in de VRC zijn hierboven in het gedeelte over dumping aangegeven en zijn duidelijk meer dan minimaal. Bovendien kunnen de gevolgen van de werkelijke dumpingmarge, gezien de omvang van de invoer met dumping en de prijzen van de ingevoerde producten, niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(69)

Er zijn geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zich herstelt van de gevolgen van eerdere dumping. Op de invoer van MNG waren sinds 2003 geen maatregelen van toepassing.

4.5.   Conclusie inzake schade

(70)

De meeste schade-indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Gemeenschap kenden in de beoordelingsperiode een negatieve ontwikkeling. De productie en de bezettingsgraad zijn met respectievelijk 6 % en 14 % gedaald. Terwijl het verbruik in de Gemeenschap met 4 % is gedaald, is het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap veel sterker teruggelopen, namelijk met 24 %, waardoor 12,5 procentpunten aan marktaandeel verloren ging. Andere schade-indicatoren zoals de voorraad en de werkgelegenheid kenden in de beoordelingsperiode ook een negatieve ontwikkeling.

(71)

Uit het onderzoek is gebleken dat de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT met 24 % werden onderboden door de laaggeprijsde Chinese invoer. De verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in de beoordelingsperiode met 19 % gestegen als gevolg van hogere kosten, maar dit leidde tot een daling van het verkoopvolume en een inkrimping van het marktaandeel. Daardoor gaven de andere financiële schade-indicatoren, zoals het rendement van investeringen, de kasstroom en de winstgevendheid, in de beoordelingsperiode ook een negatieve ontwikkeling te zien.

(72)

Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Inleiding

(73)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping van MNG van oorsprong uit de VRC zodanige schade heeft geleden dat deze als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap tezelfdertijd schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht, zodat mogelijke schade door deze andere factoren niet aan de invoer met dumping zou worden toegeschreven.

5.2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(74)

Over de beoordelingsperiode is het volume van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC meer dan verzevenvoudigd, waardoor het aandeel van Chinees MNG in de communautaire markt van 3 à 7 % in BJ2005 is toegenomen tot 38 à 43 % in het OT. Tegelijkertijd waren de Chinese exporteurs de enige spelers op de markt die hun verkoopprijzen verlaagden. Uit de beschikbare informatie blijkt dat zowel de communautaire producent als exporteurs uit andere derde landen hun prijzen verhoogden in verband met toenemende productiekosten (vooral als gevolg van hogere grondstoffen- en energieprijzen).

(75)

Deze toename van de invoer uit de VRC viel samen met de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. In BJ2006 is de uit de VRC ingevoerde hoeveelheid met 142 % toegenomen, terwijl het verkoopvolume in de Gemeenschap met 1 % is gestegen. In BJ2007 is de uit de VRC ingevoerde hoeveelheid met nog eens 201 % toegenomen en zijn de verkoopprijzen met 4 % gedaald, terwijl het verkoopvolume in de Gemeenschap met 25 procentpunten is verminderd. Daardoor heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoopvolume op de communautaire markt in het OT zien teruglopen en als gevolg daarvan een verlies van marktaandeel van 12,5 procentpunten geleden. Door de neerwaartse prijsdruk als gevolg van de Chinese invoer met dumping kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoopprijzen niet voldoende optrekken om de verliezen op te vangen en zijn financiële situatie verder te verbeteren.

(76)

Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT in aanzienlijke mate onderboden werden en die ook in volume aanzienlijk toenam, een bepalende rol speelde bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, wat blijkt uit zijn slechte financiële situatie en de verslechtering van andere schade-indicatoren in het OT, alsook uit het verlies van marktaandeel.

5.3.   Gevolgen van andere factoren

5.3.1.   Invoer uit andere derde landen

(77)

De invoer uit niet bij dit onderzoek betrokken derde landen is in de beoordelingsperiode met 65 % gedaald, waardoor het marktaandeel van 35 à 40 % in BJ2005 is gekrompen tot 10 à 15 % in het OT. De prijzen van deze invoer zijn in de beoordelingsperiode met 20 % gedaald en volgen daarmee de trend van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(78)

Voor de hoeveelheden die tussen BJ2005 en het eind van het OT uit andere derde landen werden ingevoerd, en de prijzen daarvan waren de trends als volgt:

Tabel 9

Andere derde landen

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Totale invoer

(t)

31 910

30 926

13 080

11 225

Index

100

97

41

35

Bron: Eurostat.


Andere derde landen

BJ2005

BJ2006

BJ2007

OT

Gemiddelde prijs van alle invoer

(EUR/t)

789

831

976

945

Index

100

105

124

120

Bron: Eurostat.

(79)

Op basis van het bovenstaande werd voorlopig geconcludeerd dat het oorzakelijk verband tussen de geconstateerde dumping en de aanmerkelijke schade die door de invoer met dumping uit de VRC voor de bedrijfstak van de Gemeenschap werd veroorzaakt, niet werd verbroken door de invoer uit andere derde landen.

5.3.2.   Ontwikkeling van de vraag

(80)

Het verbruik van MNG in de Gemeenschap is tussen BJ2005 en het eind van het OT gedaald. Deze daling was echter niet aanzienlijk (– 4 %) en kan geen verklaring zijn voor de daling van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dat met 24 % is verminderd. Het moet worden beklemtoond dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode zijn marktaandeel met 12,5 procentpunten zag krimpen en dat deze verkoop werd vervangen door invoer met dumping van oorsprong uit de VRC. De door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade kan derhalve niet aan een inkrimping van de vraag op de communautaire markt worden toegeschreven.

5.3.3.   Uitvoerprestaties en productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(81)

In tegenstelling tot wat sommige belanghebbenden beweren, namelijk dat de slechte uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap de oorzaak van de geleden schade kunnen zijn, is de uitvoer in de beoordelingsperiode met meer dan 50 % toegenomen. Die bewering moet daarom worden afgewezen.

(82)

Wat de productiviteitsfactor betreft, zij erop gewezen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap er in de beoordelingsperiode in geslaagd is zijn vaste kosten en arbeidskosten te verlagen en zijn productiviteit per werknemer te verhogen.

(83)

Gezien het bovenstaande hebben noch de uitvoerprestaties, noch een beweerde daling van de productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap bijgedragen tot de verslechtering van zijn situatie in het OT.

5.3.4.   Wisselkoersschommelingen

(84)

Enkele belanghebbenden beweerden dat de waardevermindering van de Amerikaanse dollar (USD) ten opzichte van de euro de invoer van MNG in de Europese Gemeenschap heeft bevorderd. Bij invoer uit de VRC in de Europese Gemeenschap bleken veruit de meeste transacties inderdaad in USD te worden gefactureerd.

(85)

Bij het onderzoek moet echter worden vastgesteld of de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden door de invoer met dumping (wat prijzen en hoeveelheden betreft) dan wel of deze schade aan andere factoren is toe te schrijven. Volgens artikel 3, lid 6, van de basisverordening moet worden aangetoond dat het prijspeil van de invoer met dumping schade veroorzaakt. Er wordt alleen gesproken over een verschil in prijspeil; de factoren die dat prijspeil bepalen, hoeven niet te worden geanalyseerd.

(86)

In de praktijk wordt het effect van de invoer met dumping op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in hoofdzaak beoordeeld door na te gaan of er sprake is van prijsonderbieding, neerwaartse druk op de prijzen en belemmeringen voor prijsverhoging. Daartoe worden de prijzen van de met dumping ingevoerde producten vergeleken met de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waarbij in sommige gevallen de uitvoerprijzen die voor de berekening van de schade worden gebruikt, in een andere valuta moeten worden omgerekend om tot een vergelijkbare basis te komen. Bijgevolg heeft het gebruik van wisselkoersen in dit verband alleen tot doel de prijsverschillen op een vergelijkbare basis vast te stellen. Hieruit wordt duidelijk dat de wisselkoers in beginsel geen schadefactor kan zijn.

(87)

Dit wordt ook bevestigd in artikel 3, lid 7, van de basisverordening, waarin wordt verwezen naar andere bekende factoren dan de invoer met dumping. In de lijst van de andere bekende factoren in dat artikel wordt geen enkele factor genoemd die van invloed is op het prijspeil van de invoer met dumping. Samengevat komt het erop neer dat, als met dumping wordt ingevoerd, de ontwikkeling van de wisselkoersen niet als een van de schadefactoren kan worden beschouwd, zelfs als die ontwikkeling de uitvoerprijzen gunstig beïnvloedde.

(88)

De analyse van de factoren die van invloed zijn op het prijspeil van de invoer met dumping, zoals wisselkoersschommelingen, kan dus geen sluitende conclusie opleveren en een dergelijke analyse zou verdergaan dan wat in de basisverordening is voorgeschreven.

(89)

In elk geval en onverminderd het bovenstaande werden de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk onderboden door de invoer uit de VRC, ook al wordt daarbij uitgegaan van de aan het begin van BJ2005 geldende wisselkoers. Deze aanzienlijke prijsonderbiedingsmarge is dus niet te verklaren doordat de wisselkoers van de euro ten opzichte van de USD in de beoordelingsperiode veranderd is.

(90)

Gezien het bovenstaande werd voorlopig geconcludeerd dat de waardevermeerdering van de euro ten opzichte van de USD geen voldoende belangrijke factor is om het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade te verbreken.

5.3.5.   Invoer door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(91)

Sommige belanghebbenden voerden aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap MNG invoerde uit zijn niet-Chinese verbonden fabrieken buiten de Gemeenschap, wat van invloed was op zijn verkoopvolume van in de Gemeenschap geproduceerd MNG.

(92)

Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoopstructuur/-kanalen in de Gemeenschap na de overname van Orsan heeft gereorganiseerd. Bijna al het MNG dat in het OT door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt werd verkocht, werd door de enige communautaire producent vervaardigd. De verkoop op de communautaire markt van MNG van oorsprong van met de bedrijfstak van de Gemeenschap verbonden exporteurs in landen buiten de Gemeenschap werd over de beoordelingsperiode gestaag en aanzienlijk verminderd.

(93)

Sommige belanghebbenden betoogden ook dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zelf of andere ondernemingen van de Ajinomoto-groep verbonden zijn met Chinese producenten van MNG die het betrokken product naar de Gemeenschap uitvoeren. Er werd beweerd dat de uitvoer naar de Gemeenschap door deze verbonden ondernemingen de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade heeft veroorzaakt. Er werd ook beweerd dat de Ajinomoto-groep zelf verantwoordelijk is voor het prijsbeleid van deze Chinese exporteurs.

(94)

Wat één Chinese onderneming betreft die met de Ajinomoto-groep verbonden zou zijn, is uit het onderzoek gebleken dat deze relatie vóór het OT ophield te bestaan. Bovendien bleek de uitvoer van deze onderneming naar de Gemeenschap in de jaren vóór het OT te verwaarlozen te zijn. Met betrekking tot twee andere Chinese producenten van MNG die met de enige communautaire producent verbonden zijn, werd geconstateerd dat hun uitvoer naar de Gemeenschap in het OT onbetekenend was. In dit verband werd het feit dat de Ajinomoto-groep verantwoordelijk kan geweest zijn voor het prijsbeleid van deze ondernemingen, niet relevant geacht.

(95)

Er werd dan ook voorlopig geconcludeerd dat de invoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap afkomstig van verbonden partijen buiten de Gemeenschap niet heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

5.3.6.   Nieuwe suikerregeling

(96)

De bewering van bepaalde belanghebbenden betreffende de negatieve invloed van de nieuwe suikerregeling van de Gemeenschap (en de daaruit voortvloeiende stijging van de suikerprijzen) op de productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap werd niet bevestigd. Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Gemeenschap geruime tijd vóór de tenuitvoerlegging van de nieuwe regeling langetermijnovereenkomsten had gesloten, zodat hij gedurende het grootste deel van de beoordelingsperiode suiker tegen een lage prijs kon aankopen. In het tweede deel van het OT is de suikeraankoopprijs als gevolg van de tenuitvoerlegging van de nieuwe suikerregeling licht gestegen, maar dit effect werd gedeeltelijk opgeheven door de ontwikkeling van een efficiëntere fermentatietechnologie. Het fermentatierendement is in het OT gestegen en is hoog vergeleken met het rendement dat gemiddeld door de Chinese producenten wordt gehaald. Dit betekent dat de communautaire producent per ton MNG aanzienlijk minder suiker nodig heeft in vergelijking met de behoeften van de Chinese producenten.

5.3.7.   Verschil in grondstoffen

(97)

MNG wordt in de Gemeenschap vervaardigd van suikermelasse, terwijl het in China van mais- of rijstzetmeel wordt gemaakt. Sommige belanghebbenden voerden aan dat de prijsontwikkeling van deze grondstoffen de Chinese producenten een comparatief voordeel kan hebben gegeven. Uit een vergelijking van de kosten van de nodige grondstoffen om dezelfde hoeveelheid MNG te produceren blijkt echter dat de productie van MNG uit melasse een comparatief voordeel biedt. De beschikbare informatie wijst erop dat dit comparatieve voordeel in het OT nog groter is geworden door de forse stijging van de maisprijzen, zowel internationaal als op de Chinese markt. Doordat Chinese producten met dumping werden ingevoerd, heeft dit comparatieve voordeel echter geen groter marktaandeel opgeleverd voor door de bedrijfstak van de Gemeenschap uit melasse vervaardigd MNG.

(98)

Daarom wordt voorlopig geconcludeerd dat het verschil in grondstoffen die door de bedrijfstak van de Gemeenschap en de Chinese producenten/exporteurs worden gebruikt, niet heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

5.4.   Conclusie betreffende het oorzakelijk verband

(99)

Uit bovenstaande analyse blijkt dat de invoer met dumping van oorsprong uit de VRC tussen BJ2005 en het eind van het OT in hoeveelheid en in marktaandeel aanzienlijk is toegenomen en dat dit gepaard ging met een aanzienlijke prijsonderbieding in het OT. Deze toename van het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer uit de VRC viel samen met een forse inkrimping van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, hetgeen er, tezamen met de neerwaartse druk op de prijzen, onder meer toe heeft geleid dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode grote verliezen leed. Bij het onderzoek van de andere factoren waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap schade kon hebben geleden, bleek dat geen van die factoren aanzienlijke negatieve gevolgen kon hebben gehad.

(100)

Op grond van bovenstaande analyse, waarbij een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer uit het betrokken land aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft geleden.

6.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

6.1.   Opmerkingen vooraf

(101)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of er ondanks de conclusie inzake schadeveroorzakende dumping dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap was in dit bijzondere geval maatregelen te nemen. Het belang van de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van een afweging van de belangen van alle betrokkenen, d.w.z. de bedrijfstak van de Gemeenschap, de grondstoffenleveranciers, de importeurs en de gebruikers van het betrokken product.

6.2.   Bedrijfstak van de Gemeenschap

6.2.1.   Aard en structuur van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(102)

De bedrijfstak van de Gemeenschap wordt gevormd door één producent, die in Frankrijk is gevestigd. De onderneming is in handen van de Ajinomoto-groep, die zich onder meer bezighoudt met de productie en de verkoop van MNG over de hele wereld. De bedrijfstak van de Gemeenschap kocht zijn grondstoffen bij leveranciers in de Gemeenschap en had aldus een invloed op de werkgelegenheid bij de grondstoffenleveranciers.

6.2.2.   Gevolgen van het al dan niet instellen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(103)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft vanaf BJ2005 door investeringen werk gemaakt van een grondige herstructurering om de kosten te verlagen, zodat hij nu als levensvatbaar kan worden beschouwd. Als gevolg van invoer met dumping is er echter schade toegebracht die tot uiting komt in een aanzienlijke daling van het verkoopvolume en een ontoereikende stijging van de verkoopprijs, wat op zijn beurt leidde tot aanzienlijke financiële verliezen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Verwacht wordt dat na het instellen van antidumpingrechten de door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte hoeveelheid MNG zal toenemen en dat de prijzen van de bedrijfstak op de communautaire markt ook in zekere mate zullen stijgen. Daardoor zou de bedrijfstak van de Gemeenschap een aanvaardbaar niveau van winstgevendheid kunnen bereiken.

(104)

Er wordt aangenomen dat door antidumpingmaatregelen de eerlijke concurrentie op de markt zal worden hersteld. Dat de bedrijfstak van de Gemeenschap verlies maakt, komt doordat hij moeilijk kan concurreren met de laaggeprijsde invoer met dumping van oorsprong uit de VRC. Door het instellen van antidumpingmaatregelen zal de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk in staat worden gesteld ten minste een deel van zijn verloren marktaandeel terug te winnen, wat een positief effect op de winstgevendheid zal hebben.

(105)

Zoals hierboven vermeld, heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade geleden door de invoer met dumping van oorsprong uit de VRC. Als geen maatregelen worden ingesteld, is een verdere verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk, waardoor de positieve effecten van de investeringen van de laatste jaren zullen worden ondermijnd. De neerwaartse prijsdruk als gevolg van de invoer met dumping zal alle inspanningen van de bedrijfstak van de Gemeenschap blijven verijdelen, met name zijn pogingen om weer winst te maken. Geen maatregelen nemen zou de aanwezigheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap op lange termijn in gevaar brengen.

(106)

Geconcludeerd wordt dat maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap naar verwachting in staat zullen stellen zich te herstellen van de schadeveroorzakende dumping die tijdens het onderzoek is geconstateerd.

6.3.   Importeurs

(107)

In totaal drie importeurs hebben aan het onderzoek meegewerkt en zij waren allen tegen het instellen van antidumpingmaatregelen. Deze importeurs vertegenwoordigden in het OT ongeveer 46 % van de totale invoer uit de VRC in de Gemeenschap en ongeveer 19 % van het verbruik van MNG in de Gemeenschap.

(108)

Op basis van de voorlopige bevindingen werd geconcludeerd dat de gevolgen van het instellen van antidumpingmaatregelen te verwaarlozen zouden zijn voor twee van de medewerkende importeurs. Voor de derde medewerkende importeur maakt MSG volgens de voorlopige aanwijzingen 7 à 12 % van zijn omzet uit. In deze onderneming zijn minder dan vijf mensen direct bezig met het MSG-segment van haar activiteiten. De winst van de onderneming op de verkoop van MNG is laag. Dit betekent dat de gevolgen van het instellen van antidumpingrechten waarschijnlijk niet te verwaarlozen zullen zijn. De verwachting is echter dat door het instellen van maatregelen de prijzen van MNG (uit alle bronnen) op de communautaire markt zullen stijgen. Deze importeur zou dan ook in staat moeten zijn om de uit het instellen van antidumpingmaatregelen voortvloeiende stijging geheel of bijna geheel door te berekenen zonder dat dit enig effect van betekenis op zijn totale winst heeft.

(109)

In deze omstandigheden werd voorlopig geconcludeerd dat, gezien de verstrekte informatie, antidumpingmaatregelen hoogstwaarschijnlijk geen aanmerkelijke gevolgen zullen hebben voor de importeurs.

6.4.   Gebruikers

(110)

In totaal vier verwerkende bedrijven die 18 % van de invoer van MNG uit de VRC voor hun rekening nemen, hebben aan het onderzoek meegewerkt. Deze ondernemingen zijn actief in de voedselverwerkende industrie en in het segment „producten voor persoonlijke verzorging” van de cosmetische industrie.

(111)

Twee van de medewerkende gebruikers zijn actief in de voedselverwerkende industrie. Deze twee ondernemingen namen in het OT in totaal circa 17 % van de invoer van MNG uit de VRC voor hun rekening. Beide ondernemingen betrekken ook aanzienlijke hoeveelheden bij de bedrijfstak van de Gemeenschap en uit nog andere bronnen. De MNG-gerelateerde activiteiten maken maar een klein deel uit van de totale activiteiten van beide ondernemingen. Een van de ondernemingen heeft in het OT slechts een zeer kleine hoeveelheid MNG uit de VRC ingevoerd en voor die onderneming zullen de gevolgen van het instellen van maatregelen te verwaarlozen zijn. Voor de andere onderneming zullen de gevolgen van het eventuele instellen van maatregelen verder worden onderzocht.

(112)

De twee andere medewerkende gebruikers bleken in het OT niet meer dan ongeveer 1 % van de invoer uit de VRC te vertegenwoordigen. Er werd dan ook aangenomen dat het instellen van antidumpingmaatregelen geen aanzienlijke gevolgen voor de financiële situatie van deze ondernemingen zou hebben.

(113)

In deze omstandigheden werd voorlopig geconcludeerd dat, gezien de verstrekte informatie, antidumpingmaatregelen hoogstwaarschijnlijk geen aanmerkelijke gevolgen zullen hebben voor de gebruikers.

6.5.   Leveranciers van grondstoffen

(114)

Twee leveranciers hebben de vragenlijst beantwoord en waren voor het instellen van antidumpingmaatregelen. Een van hen is leverancier van grondstof, namelijk melasse, aan de bedrijfstak van de Gemeenschap. De door deze onderneming aan de bedrijfstak van de Gemeenschap geleverde melasse maakt ongeveer 5 % van de omzet van de onderneming uit. Indien geen antidumpingmaatregelen worden ingesteld kan, zoals hierboven vermeld, de aanwezigheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap op lange termijn in het gedrang komen. In dat geval zou er sprake zijn van duidelijke negatieve gevolgen voor de situatie van de leveranciers van grondstoffen aan de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(115)

Voor de tweede leverancier zal de situatie verder worden onderzocht na het instellen van eventuele voorlopige maatregelen.

(116)

Indien geen maatregelen worden ingesteld, zal de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap verder achteruitgaan en zal bijgevolg ook zijn vraag naar grondstoffen verminderen. Dit zal hoogstwaarschijnlijk ongunstige gevolgen hebben voor de winstgevendheid van de grondstoffenleveranciers.

6.6.   Verstoring van concurrentie en handel

(117)

Sommige belanghebbenden beweerden dat de Ajinomoto-groep misschien niet alleen op de communautaire markt, maar ook op de wereldmarkt een machtspositie heeft. Deze belanghebbenden voerden aan dat, de Chinese concurrenten buiten beschouwing gelaten, de Ajinomoto-groep de wereldwijde productie van MNG in feite monopoliseert. Het moet echter worden beklemtoond dat, volgens de informatie die is verstrekt door een van de belanghebbenden die dit argument naar voren brachten, de niet-Chinese en niet met Ajinomoto verbonden productie van MNG nog steeds goed is voor 500 000 t (wat meer is dan de totale productie van MNG door de Ajinomoto-groep).

(118)

Indien antidumpingmaatregelen worden ingesteld, zullen de betrokken Chinese producenten/exporteurs gezien hun sterke marktpositie hun producten waarschijnlijk blijven verkopen op de communautaire markt, zij het niet langer tegen dumpingprijzen. Het is ook waarschijnlijk dat er nog steeds een voldoende groot aantal belangrijke concurrenten op de communautaire markt zal zijn, waaronder de producenten in Indonesië, Zuid-Korea, Vietnam, Brazilië en Taiwan. Het moet worden benadrukt dat de invoer uit deze bronnen aan het begin van de beoordelingsperiode 31,4 % van de communautaire markt uitmaakte en als gevolg van de invoer met dumping uit de VRC aanzienlijk is verminderd. De gebruikers zullen dus waarschijnlijk nog steeds uit verschillende leveranciers van MNG kunnen kiezen. Als er echter geen maatregelen worden ingesteld, wordt de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn voortbestaan bedreigd. Als deze laatste verdwijnt, zou de concurrentie op de communautaire markt fel verminderen.

6.7.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(119)

Gezien het voorgaande wordt voorlopig geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om in dit geval geen antidumpingrechten in te stellen.

7.   VOORSTEL VOOR VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

7.1.   Schademarge

(120)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap dienen voorlopige antidumpingmaatregelen te worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door invoer met dumping.

(121)

Bij de vaststelling van de hoogte van het recht werd rekening gehouden met de vastgestelde dumpingmarges en met het bedrag van het recht dat nodig is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade op te heffen.

(122)

Daar de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende de hele beoordelingsperiode financiële verliezen heeft geleden, werd de winst die zonder invoer met dumping kon worden gemaakt, gebaseerd op de winstmarges van het soortgelijke product die in de beoordelingsperiode werden gerealiseerd door MNG-producenten in landen waar geen sprake was van Chinese invoer met dumping (namelijk Taiwan en Thailand). Op basis daarvan werd vastgesteld dat een winstmarge van 5 % op de omzet kon worden beschouwd als een passend minimum dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in afwezigheid van schadeveroorzakende dumping had kunnen verwachten. De noodzakelijke prijsverhoging werd vervolgens berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs, die bij de berekening van de prijsonderbieding was vastgesteld, met de niet-schadeveroorzakende prijs van producten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt worden verkocht. De niet-schadeveroorzakende prijs werd berekend door de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap te verhogen met het werkelijke verlies in het OT en daaraan bovengenoemde winstmarge toe te voegen. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt in procenten van de totale cif-waarde bij invoer.

7.2.   Voorlopige maatregelen

(123)

In het licht van het voorgaande en overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening wordt geoordeeld dat op de invoer van oorsprong uit de VRC voorlopige antidumpingrechten moeten worden ingesteld die gelijk zijn aan de dumpingmarge, of aan de schademarge indien deze lager is.

(124)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om ondernemingen die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(125)

De voorgestelde antidumpingrechten zijn als volgt:

Onderneming

Schademarge

Dumpingmarge

Antidumpingrecht

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd, en Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd

54,8  %

33,8  %

33,8  %

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd

60,4  %

36,5  %

36,5  %

Alle andere ondernemingen

63,7  %

39,7  %

39,7  %

8.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(126)

De bovenstaande voorlopige bevindingen worden meegedeeld aan alle belanghebbenden, die de gelegenheid zullen krijgen hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te vragen te worden gehoord. Hun opmerkingen worden geanalyseerd en, wanneer dat gerechtvaardigd is, in aanmerking genomen vooraleer tot een definitieve vaststelling wordt overgegaan. Het is mogelijk dat de voorlopige bevindingen opnieuw moeten worden bekeken met het oog op de definitieve bevindingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op mononatriumglutamaat, ingedeeld onder GN-code ex 2922 42 00 (Taric-code 2922 42 00 10), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten bedraagt:

Onderneming

Antidumpingrecht (%)

Aanvullende Tariccode

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd, en Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd

33,8

A883

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd

36,5

A884

Alle andere ondernemingen

39,7

A999

3.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde product dient een zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

4.   Tenzij anders vermeld zijn de bepalingen inzake douanerechten op dit recht van toepassing.

Artikel 2

1.   Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

2.   Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen doen toekomen over de toepassing ervan.

Artikel 3

Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juni 2008.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)   PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)   PB C 206 van 5.9.2007, blz. 20.


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/31


VERORDENING (EG) Nr. 493/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 juni 2008

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in het gebied Noorse wateren van ICES-deelgebieden I en II door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2008 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2008 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2008 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 juni 2008.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)   PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)   PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9); gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)   PB L 19 van 23.1.2008, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

04/T&Q

Lidstaat

PORTUGAL

Bestand

COD/1N2AB.

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Zone

Noorse wateren van I en II

Datum

26.3.2008


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/33


VERORDENING (EG) Nr. 494/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 juni 2008

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-deelgebied VI; EG-wateren van ICES-sector V b; EG-wateren en internationale wateren van ICES-deelgebieden XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2008 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2008 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2008 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 juni 2008.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)   PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)   PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9); gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)   PB L 19 van 23.1.2008, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

05/T&Q

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

COD/561214

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Zone

VI; EG-wateren van V b; EG-wateren en internationale wateren van XII en XIV

Datum

6.5.2008


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/35


VERORDENING (EG) Nr. 495/2008 VAN DE COMMISSIE

van 2 juni 2008

tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwe wijting in EG-wateren en internationale wateren van ICES-gebieden I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII a, VIII b, VIII d, VIII e, XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 40/2008 van de Raad van 16 januari 2008 tot vaststelling, voor 2008, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2008 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2008 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2008 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 juni 2008.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)   PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)   PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9); gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)   PB L 19 van 23.1.2008, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

06/T&Q

Lidstaat

Spanje

Bestand

WHB/1X14

Soort

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

Gebied

EG-wateren en internationale wateren van I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII a, VIII b, VIII d, VIII e, XII en XIV

Datum

29.4.2008


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Commissie

4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2007

betreffende steunmaatregel C 36/A/06 (ex NN 38/06) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5400)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/408/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

In het kader van zaak C 13/06 (ex N 587/05) — Preferent elektriciteitstarief op Sardinië, stelde de Commissie vast dat twee maatregelen waren verlengd waarbij een preferent tarief voor elektriciteit werd toegekend. De verlenging werd toegestaan op grond van artikel 11, lid 11 van Decreto-legge nr. 35/2005, omgezet in Wet 80 van 14 mei 2005 (hierna „Wet 80/2005” te noemen) en werd ten uitvoer gelegd zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie. Begunstigden zijn aluminiumproducent Alcoa en de drie ondernemingen die de Società Terni hebben opgevolgd: Terni Acciasi Speciali, Nuova Terni Industrie Chimiche en Cementir (hierna „de Terni-ondernemingen” te noemen).

(2)

Bij schrijven van 23 december 2005 heeft de Commissie Italië om inlichtingen verzocht. Italië heeft op 24 februari 2006 schriftelijk geantwoord. Op 2 maart 2006 en 27 april 2006 heeft Italië schriftelijk nadere inlichtingen verstrekt.

(3)

Bij schrijven van 19 juli 2006 heeft de Commissie Italië in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden voor beide regelingen (zaak C 36/06).

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de maatregelen kenbaar te maken.

(5)

Italië heeft opmerkingen kenbaar gemaakt bij schrijven van 25 oktober 2006. Nadere inlichtingen werden schriftelijk verstrekt op 9 november 2006 en 7 december 2006.

(6)

De Commissie heeft opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. Zij heeft deze aan Italië doorgezonden en dat land in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De opmerkingen van Italië werden ontvangen bij schrijven van 22 december 2006.

(7)

Bij schrijven van 20 februari 2007 verzocht de Commissie om nadere inlichtingen, die door Italië schriftelijk werden verstrekt op 16 april 2007, 10 mei 2007 en 14 mei 2007.

(8)

Op 18 september 2007 werd het dossier gesplitst in een deel A, dat betrekking heeft op de drie ondernemingen die zijn voortgekomen uit de opsplitsing van Società Terni (de Terni-ondernemingen) en een deel B dat betrekking heeft op Alcoa. Onderhavige beschikking heeft uitsluitend betrekking op de verlenging van het preferente tarief voor de Terni-ondernemingen.

(9)

De briefwisseling over Alcoa wordt hier niet vermeld.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

(10)

Artikel 11, lid 11 van wet 80/2005 voorziet in de verlenging van twee maatregelen waarbij kortingen worden verleend op het algemeen geldende elektriciteitstarief. De begunstigden van deze twee maatregelen, die naar hun aard verschillen en afzonderlijk zullen worden behandeld, zijn aluminiumproducent Alcoa enerzijds en drie ondernemingen die zijn voortgekomen uit de opsplitsing van Società Terni anderzijds.

Oorspronkelijke maatregel en eerste verlenging

(11)

Italië nationaliseerde zijn elektriciteitssector bij Wet nr. 1643 van 6 december 1962 (hierna de „nationalisatiewet” te noemen). De wet voorzag in de overdracht van de bestaande Italiaanse elektriciteitscentrales aan het nieuw opgerichte staatsbedrijf ENEL, dat een monopolie kreeg op de opwekking, distributie en levering van elektriciteit.

(12)

Ten tijde van de nationalisatie was Società Terni een staatsbedrijf dat staal, cement en chemicaliën produceerde. De staat had de feitelijke zeggenschap over de onderneming omdat zij de meerderheid van de aandelen bezat via haar houdstermaatschappij IRI en het staatsconcern Finsider. Società Terni was ook eigenaar en exploitant van een waterkrachtcentrale. De meeste geproduceerde elektriciteit werd gebruikt voor de energievoorziening van de productieprocessen van de onderneming.

(13)

In de nationalisatiewet werd in algemene zin bepaald dat ondernemingen die hoofdzakelijk voor eigen gebruik elektriciteit opwekten (zelfproducenten) niet zouden worden genationaliseerd en hun activa in de elektriciteitssector zouden mogen behouden (3). Ondanks zijn status van zelfproducent werden de activa in de elektriciteitssector van Società Terni genationaliseerd omdat zij zich op een strategische locatie op het Italiaanse grondgebied bevonden. De overdracht aan ENEL werd geregeld in artikel 4, lid 5, vierde aandachtstreepje van de nationalisatiewet.

(14)

Bij Presidentieel besluit nr. 1165/63 kende Italië de onderneming een compensatie toe voor de overdracht van haar activa in de elektriciteitssector. De compensatie werd verleend in de vorm van een preferent elektriciteitstarief voor de periode 1963-1992.

(15)

In 1964 werd de Società Terni opgesplitst in drie ondernemingen: staalproducent Terni Acciai Speciali, chemieproducent Nuova Terni Industrie Chimiche en cementproducent Cementir. Deze ondernemingen werden later geprivatiseerd en overgenomen door respectievelijk ThyssenKrupp, Norsk Hydro en Caltagirone.

(16)

Zoals aangegeven in punt 1 van deze beschikking worden deze nieuwe ondernemingen tezamen „de Terni-ondernemingen” genoemd, terwijl de oorspronkelijke onderneming zal worden aangeduid met de naam „Società Terni”. Het tarief dat in eerste instantie voor Società Terni en later voor de Terni-ondernemingen gold, wordt „het Terni-tarief” genoemd.

(17)

Het preferente tarief bleef onder dezelfde voorwaarden gelden voor de drie Terni-ondernemingen. De belangrijkste begunstigde (uitgedrukt in de hoeveelheid gesubsidieerde elektriciteit in absolute zin en als aandeel van het totale elektriciteitsverbruik van de onderneming) is ThyssenKrupp.

(18)

De looptijd van het bijzondere tarief viel samen met de algemene looptijd van concessies voor waterkrachtenergie (4) in Italië, die in 1992 zouden aflopen. De eigen concessie van Società Terni voor de opwekking van waterkrachtenergie was bij wijze van uitzondering verleend voor een periode van 60 jaar (in plaats van de gebruikelijke 30 jaar) en zou eind jaren tachtig aflopen.

(19)

In 1991 verlengde Italië de bestaande concessies voor de opwekking van waterkrachtenergie tot 2001 bij Wet nr. 9 van 9 januari 1991„Uitvoeringsbepalingen voor het nieuwe nationale energieplan: institutionele aspecten, waterkrachtcentrales en netwerken, koolwaterstoffen en geothermische energie, zelfproducenten en fiscale bepalingen” (hierna „Wet 9/1991” te noemen). Op grond van artikel 20, lid 4 van Wet 9/1991 verlengde Italië ook het preferente tarief voor de Terni-ondernemingen tot 2001. In de daarop volgende 6 jaar (2002-2007) zouden de aan de Terni-ondernemingen geleverde hoeveelheden gesubsidieerde elektriciteit geleidelijk (phasing out) worden afgebouwd, zodat het tariefvoordeel eind 2007 zou verdwijnen.

(20)

Wet 9/1991 bevatte een groot aantal bepalingen, waarbij in een aantal gevallen sprake was van staatssteun. Wet 9/1991 werd aan de Commissie voorgelegd, samen met Wet 10/1991 „Uitvoeringsbepalingen voor het Nationaal energieplan met betrekking tot energierendement, energiebesparing en de ontwikkeling van duurzame energiebronnen”. De Commissie verklaarde de steun op grond van beide wetten in 1991 verenigbaar met de regels voor staatssteun (5).

Opbouw van het Terni-tarief

(21)

De voorwaarden voor het preferente tarief van Società Terni werden vastgesteld in de artikelen 6, 7 en 8 van Presidentieel besluit nr. 1165/63 Overdracht aan Ente Nazionale per l'Energia Elettrica van de activa die worden gebruikt voor de activiteiten als genoemd in artikel 1, lid 1 van Wet nr. 1643 van 6 december 1962 door „Terni-società per l'Industria e l'Elettricità S.p.A.” (hierna „PB 1165/1963” te noemen). In PB 1165/1963 werd bepaald dat ENEL aan Società Terni een vaste hoeveelheid elektriciteit (van 1 025 000 MWh per jaar) zou leveren. Deze hoeveelheid komt overeen met het elektriciteitsverbruik van de onderneming in 1961, vermeerderd met een extra hoeveelheid (van 595 000 MWh per jaar) voor het verwachte extra verbruik wegens investeringen waarmee in 1962 een begin was gemaakt, maar die nog niet waren voltooid.

(22)

De preferente prijs werd berekend door vergelijking van twee alternatieve methodes, waarna de voor de onderneming gunstigste methode werd toegepast.

a)

Alternatief 1 was gebaseerd op de gemiddelde elektriciteitsprijs die door de productietakken van Società Terni werd betaald aan de elektriciteitstak van de onderneming (dus de productiekosten van Terni's eigen waterkrachtcentrale).

b)

Alternatief 2 was gekoppeld aan de referentieprijs van ENEL voor een afnemer met eenzelfde profiel (zelfproducent) als Società Terni.

(23)

In de praktijk werd de eerste methode toegepast tot het jaar 2000, toen op de tweede methode moest worden overgestapt vanwege wijzigingen in de Italiaanse tariefstructuur ten gevolge van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt.

(24)

In 1997 werd een begin gemaakt met de herziening van de tariefstructuur en werd een uit twee delen bestaand gestructureerd tarief ingevoerd: Deel A voor de vaste en algemene kosten en deel B voor de variabele kosten. Vanaf 1 januari 2000 werd het Terni-tarief toegekend in de vorm van een compensatiecomponent (componente compensativa), die werd berekend als de som van alle tariefcomponenten die Terni als (virtuele) zelfproducent niet hoefde te betalen (deel B in zijn geheel en een gedeelte van deel A). Deze methode komt overeen met de tweede alternatieve methode als beschreven in Besluit 1165/63.

(25)

De geleidelijke vermindering van de hoeveelheden elektriciteit en energie die gedurende de afbouwperiode (2002-2007) tegen de preferente prijs aan de Terni-ondernemingen werden geleverd, is weergegeven in onderstaande tabel:

Jaar

GWh

MW

2001

1 620

270

2002

1 389

231

2003

1 157

193

2004

926

154

2005

694

116

2006

463

77

2007

231

39

Tweede verlenging van het tarief

(26)

In artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 besloot Italië om de afbouw te onderbreken en de regeling met het Terni-tarief opnieuw te verlengen, tot 2010. Op grond van artikel 11, lid 13 van de wet werd deze maatregel met ingang van 1 januari 2005 van kracht. Kort daarna werden gewone concessies voor de opwekking van waterkrachtenergie verlengd tot 2020 (6).

(27)

De tweede verlenging van het tarief is de maatregel ten aanzien waarvan de Commissie de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag heeft ingeleid en waarop deze beschikking betrekking heeft.

(28)

In Wet 80/2005 werd bepaald dat de wijze waarop de Terni-ondernemingen op 31 december 2004 werden behandeld tot 2010 zal worden verlengd waar het gaat om de geleverde hoeveelheden (926 GWh voor de drie Terni-ondernemingen) en de prijzen (1,32 eurocent/kWh). De hoeveelheden geleverde elektriciteit kunnen momenteel als volgt worden uitgesplitst: Thyssen/Krupp 86 %, Nuova Terni Industrie Chimiche 10 % en Cementir 4 %.

(29)

In Wet 80/2005 werd, in de interpretatie en de uitvoering van de AEEG, ook een indexeringsregeling ingevoerd, die inhoudt dat vanaf 1 januari 2006 het preferente tarief jaarlijks zou worden verhoogd in lijn met de prijsstijgingen die worden genoteerd op de Europese energiebeurzen van Amsterdam en Frankfurt, met een maximum van 4 %.

Financieringsmechanisme

(30)

Het preferente Terni-tarief werd aanvankelijk beheerd en betaald door het staatsbedrijf ENEL, dat in Italië een monopolie had voor de opwekking, het transport, de invoer, de distributie en de levering van elektriciteit.

(31)

Toen in 2002 de elektriciteitsmarkt geleidelijk werd geliberaliseerd en ENEL niet langer een monopoliepositie had, werd de financiële last van de preferente tariefstelsels van ENEL overgedragen op alle gebruikers van elektriciteit (7). De aan de Terni-ondernemingen verschuldigde compensatiecomponenten werden voorgeschoten door elektriciteitsdistributeurs, die vervolgens terug werden betaald door de overheidsinstantie Cassa Conguaglio per il Settore Elettrico (Egalisatiefonds voor de elektriciteitssector, hierna „Cassa Conguaglio” te noemen) door middel van een parafiscale heffing die werd geïnd via de A4-component van het elektriciteitstarief, een van de posten op de elektriciteitsrekening.

(32)

In 2004 besloot de AEEG om het administratieve beheer van de bijzondere tariefstelsels geheel over te dragen aan de Cassa Conguaglio (8). Vanaf september 2004 betalen de Terni-ondernemingen de marktprijs voor de elektriciteit die zij (op de geliberaliseerde markt) inkopen en ontvangen zij van de Cassa Conguaglio een vergoeding die overeenkomt met het verschil tussen de betaalde prijs en de preferente prijs waarop zij recht hebben (de compensatiecomponent), verminderd met de kosten voor transport, bemetering en verkoop. De kosten worden door elektriciteitsverbruikers in Italië opgebracht door middel van de parafiscale heffing als bedoeld in punt 31.

Door de AEEG voorgeschreven garantie

(33)

Nadat de Commissie de formele onderzoeksprocedure had ingeleid, verbond de AEEG in Delibera (besluit) 190/06 aan betalingen op grond van Wet 80/2005 de voorwaarde dat de Terni-ondernemingen garant zouden staan voor het risico van terugvordering van de steun.

(34)

In dezelfde Delibera noemde de AEEG als alternatief de mogelijkheid om in 2006 bij wijze van voorschot de steunbedragen uit te betalen die tot het eind van de vorige regeling (2007) verschuldigd zouden zijn op grond van Wet 9/1991. Voor deze bedragen vroeg de AEEG niet om een garantie. Deze mogelijkheid werd door de Terni-ondernemingen gekozen en door de AEEG uitgevoerd.

(35)

Met uitzondering van de in bovenstaand punt 34 genoemde voorschotten is voor alle overige betalingen aan de ondernemingen door de Cassa Conguaglio op grond van Wet 80/2005 een garantstelling afgegeven.

III.   BESCHIKKING TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE OP GROND VAN ARTIKEL 88, LID 2, VAN HET EG-VERDRAG

(36)

De beschikking van de Commissie om een formeel onderzoek in te stellen, was gebaseerd op de gronden die zijn beschreven in de punten 37 tot en met 41.

(37)

De Commissie betwijfelde of het tarief wel als een compensatiemaatregel kon worden beschouwd omdat Società Terni op het moment van nationalisatie een staatsbedrijf was. Aangezien de staat zichzelf niet kan onteigenen, betwijfelde de Commissie of de overdracht van de activa van Società Terni aan ENEL wel kon worden gezien als een onteigening waaraan Società Terni een recht op compensatie zou kunnen ontlenen, en veronderstelde zij dat een dergelijke overdracht in feite gewoon zou kunnen worden beschouwd als een herstructurering van de eigen activa van de staat.

(38)

De Commissie stelde zich op het standpunt dat er, zelfs wanneer zou worden aangenomen dat de maatregel compenserend van aard was, twijfel zou blijven bestaan over de evenredigheid van deze compensatie met de door Società Terni geleden financiële schade. Met name betwijfelde de Commissie of compensatie na 44 jaar nog steeds gerechtvaardigd was.

(39)

De Commissie wees erop dat de aard van het tarief leek te zijn gewijzigd op het moment dat ENEL de regeling niet langer beheerde en de bijbehorende financiële lasten niet langer droeg.

(40)

De beschikking van de Commissie om de procedure in te leiden was ook gestoeld op Beschikking 83/396/EGKS: Beschikking van de Commissie van 29 juni 1983 inzake de steun die de Italiaanse Regering voornemens is aan bepaalde ijzer- en staalproducenten te verlenen (9), waarin de toekenning van dergelijke steun aan Società Terni werd verboden, en op het arrest van het Hof van Justitie in zaak C 99/92 (10), waarin het Hof bovengenoemde EGKS-beschikking bekrachtigde, waarmee werd aangetoond dat het Terni-tarief reeds als staatssteun was aangemerkt.

(41)

In de inleidingsbeschikking werd er ook op gewezen dat ThyssenKrupp door Italië verstrekte staatssteun die onverenigbaar is verklaard nog niet heeft terugbetaald (11) en derhalve op grond van de jurisprudentie uit het Deggendorf-arrest (12) geen staatssteun meer kan ontvangen.

IV.   OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

Opmerkingen van de Terni-ondernemingen

(42)

De opmerkingen van de Terni-ondernemingen over het functioneren van de Società Terni als ente pubblico economico, de aard van de transactie die leidde tot de overdracht van de activa van de onderneming, de compenserende aard van het tarief, de interpretatie van de EGKS-beschikking en het arrest van het Hof van Justitie alsmede de rol van de Cassa Conguaglio, sluiten grotendeels aan bij de opmerkingen van Italië, die zijn samengevat in de punten 52 tot en met 69. Daarom zijn slechts de kern van de opmerkingen van de Terni-ondernemingen en eventueel verstrekte nadere informatie hier opgenomen in de punten 43 tot en met 51.

Aard van de compensatie

(43)

Volgens de Terni-ondernemingen is het tarief de rechtmatige compensatie waarop Società Terni aanspraak kon maken na de onteigening van zijn activa en kan het derhalve niet als staatssteun worden aangemerkt.

Toereikendheid van de compensatie

(44)

Met betrekking tot de toereikendheid van de compensatie schetsen de Terni-ondernemingen de historische achtergrond van het tarief, waarbij zij erop wijzen dat alle verlengingen van het Terni-tarief na 1991 samenvielen met de algemene vernieuwing van de concessies voor waterkrachtenergie voor andere producenten, en daarom in overeenstemming zijn met het beginsel dat geen onderscheid behoort te worden gemaakt tussen Terni en andere zelfproducenten die niet waren onteigend en daarom tegen zeer lage kosten elektriciteit konden blijven produceren en verbruiken.

(45)

De Terni-ondernemingen wijzen er ook op dat de bedragen die werden ontvangen in de vorm van lagere elektriciteitstarieven nooit hoger waren dan het verschil tussen de kosten van de inkoop van energie op de markt en de kosten van zelf opgewekte elektriciteit.

Effecten op het handelsverkeer

(46)

De Terni-ondernemingen stellen dat de maatregel om de navolgende redenen niet van invloed is geweest op het handelsverkeer tussen de lidstaten.

a)

Cementir: In zijn fabriek in Spoleto (de fabriek waarvoor het tarief geldt) produceert en verkoopt Cementir hoofdzakelijk cement voor gebruik in de bouw. Cement kan moeilijk door andere producten worden vervangen. Omdat het niet rendabel is te vervoeren, is de geografische markt voor cement regionaal of multiregionaal. De invoer van cement is in Italië te verwaarlozen en goed voor niet meer dan 5 % van de totale vraag in Italië, en Cementir verkoopt de gehele productie van zijn fabriek in Spoleto in midden-Italië.

b)

Nuova Terni Industrie Chimiche: De fabriek waarvoor het tarief geldt, produceert ammonia en salpeterzuur. Het vervoer van ammonia is alleen over zee rendabel, mits havens beschikken over de juiste opslagfaciliteiten. Dergelijke faciliteiten ontbreken in midden-Italië. Dat geldt ook voor salpeterzuur. Daarom stellen de Terni-ondernemingen dat de geografische markt in het gunstigste geval nationaal is. Aan de binnenlandse vraag wordt geheel door de binnenlandse productie voldaan en er zijn geen handelsstromen.

c)

ThyssenKrupp: de Terni-ondernemingen stellen dat de markt voor de distributie (niet de productie of de verkoop) van staalproducten nationaal is. De Terni-fabriek van ThyssenKrupp verkoopt namelijk slechts 6 % van zijn productie in de Europese Unie.

Gewettigd vertrouwen

(47)

De Terni-ondernemingen doen op twee gronden een beroep op gewettigd vertrouwen.

a)

In de eerste plaats had de Italiaanse regering in een brief aan de AEEG uitdrukkelijk bevestigd dat het tarief compenserend van aard was en dat de verlenging van de bestaande tariefregeling niet tevoren aan de Commissie behoefde te worden gemeld op grond van de regels voor staatssteun (13).

b)

In de tweede plaats had de Commissie de desbetreffende maatregel niet in twijfel getrokken bij zijn eerste verlenging bij Wet 9/1991 (goedgekeurd in het kader van zaak NN 52/1991), noch toen inlichtingen waren verstrekt over de tweede verlenging in het kader van een andere staatssteunprocedure (C 13/06).

Tweede verlenging niet aangemerkt als staatssteun

(48)

De Terni-ondernemingen stellen in dit verband verder dat de Italiaanse regering, toen artikel 11, lid 12 van Wet 80/2005 (waarin werd voorzien in een preferent tarief voor bepaalde energie-intensieve ondernemingen op Sardinië, zaak C 13/06) bij de Commissie werd aangemeld, ook over het Terni-tarief informatie en toelichtingen heeft verstrekt, zodat de kennisgeving als volledig zou kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (14). De Commissie heeft toen niet binnen twee maanden een besluit genomen. Zelfs al was het tarief toen als staatssteun aangemerkt, hetgeen niet het geval is geweest, dan dient het nog toelaatbaar te worden geacht op grond van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 659/1999 (15).

(49)

De Terni-ondernemingen benadrukken dat hun goede trouw blijkt uit het feit dat ThyssenKrupp bij twijfel over de verenigbaarheid van het tarief zeker niet op grote schaal in het Terni-gebied zou hebben geïnvesteerd.

Ontvangen bedragen

(50)

De Terni-ondernemingen wijzen erop dat zij zonder Wet 80/2005 tot 31 december 2007 van het preferente tarief gebruik hadden kunnen maken op grond van artikel 20, lid 4 van Wet 9/1991 (goedgekeurd door de Commissie). De AEEG machtigde de Cassa Conguaglio om in 2006 (als voorschot) alleen de bedragen uit te betalen die in 2007 verschuldigd zouden zijn geworden (16). Derhalve dienen de bedragen die tot 31 december 2006 werden ontvangen als toegestaan te worden beschouwd. Volgens de ondernemingen zijn de bepalingen van het Decreto-legge nr. 80/2005 voor deze bedragen de facto niet uitgevoerd.

Deggendorf-jurisprudentie

(51)

Met betrekking tot de Deggendorf-jurisprudentie geeft ThyssenKrupp aan dat het in beginsel bereid is om de steun terug te betalen wanneer overeenstemming wordt bereikt over het terug te betalen bedrag.

V.   OPMERKINGEN VAN ITALIË

Onteigening van de activa van Terni en zijn recht op compensatie

(52)

Italië voert aan dat bij de nationalisatie van Terni's activa in de elektriciteitssector sprake was van een uitzondering op de algemene regel van de nationalisatiewet, waarin werd bepaald dat zelfproducenten niet zouden worden onteigend. De nationalisatiewet van 1962 was gebaseerd op artikel 43 van de Italiaanse grondwet, waarin is vastgelegd dat bepaalde ondernemingen die diensten van fundamenteel openbaar belang of diensten in de energiesector verrichten door middel van onteigening aan de staat kunnen worden overgedragen op voorwaarde dat compensatie wordt verleend.

(53)

Met betrekking tot de twijfels van de Commissie over de mogelijkheid om activa van een staatsbedrijf te onteigenen, stelt Italië dat artikel 42 noch 43 van de grondwet het begrip van onteigening beperkt tot uitsluitend particulier eigendom. De onteigening van de elektriciteitstak van Società Terni was volgens Italië wettelijk vereist omdat Terni werd bestuurd door een „ente pubblico economico” die in tegenstelling tot een „ente pubblico” verplicht was om volgens de beginselen van de markt te opereren. De nationalisatiewet voorzag niet in compensatie voor ondernemingen die strictu sensu door overheidsinstanties werden bestuurd, maar deed dat vanwege Terni's andere status en wijze van functioneren wel.

(54)

Met betrekking tot de eigendomsstructuur van Terni benadrukt Italië dat Terni een naamloze vennootschap (società per azioni) was, waarin de staat een meerderheidsbelang had, maar waarin ook particuliere beleggers aandelen hadden. Italië heeft documenten verstrekt waaruit blijkt dat het kapitaal van Terni deels ook in particuliere handen was en dat de onderneming beursgenoteerd was.

(55)

Indien Terni geen aanspraak had kunnen maken op de passende compensatie waarop ook een particuliere onderneming recht zou hebben gehad, zou dat volgens Italië een inbreuk zijn geweest op het beginsel van de neutraliteit van eigendom dat is vastgelegd in artikel 295 van het EG-Verdrag.

(56)

Italië verwijst naar een aantal uitspraken van het Corte di Cassazione en de Consiglio di Stato waarin deze hoven bevestigden dat het Terni-tarief was bedoeld om de onderneming op dezelfde voet te behandelen als zelfproducenten van elektriciteit uit duurzame energiebronnen, en dat het tarief daarom niet zou kunnen worden verhoogd met toeslagen die niet zouden gelden voor zelfproducenten.

(57)

Met betrekking tot andere elektriciteitsproducenten die eveneens werden onteigend, voert Italië aan dat, met uitzondering van Terni, alle onteigende ondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk actief waren op het gebied van productie, invoer of levering van elektriciteit. In algemene zin kwam de door de staat betaalde compensatie overeen met de marktwaarde van de activa, die naar gelang van het type onderneming op verschillende wijzen werd berekend. De netto boekwaarde van de activa werd als referentiewaarde genomen, maar gecorrigeerd op basis van andere factoren waarop in Italië niet uitvoerig is ingegaan. Voor wat betreft producenten van waterkrachtenergie lijken de opmerkingen van Italië erop te wijzen dat de resterende looptijd van de concessie een rol heeft gespeeld bij de berekening van de compensatie.

Terni-tarief: geen steun en in overeenstemming met de regels voor staatssteun

(58)

Italië stelt dat de oorspronkelijke tariefregeling — die Terni rechtmatig compenseerde voor de onteigening van zijn activa — noch de latere verlengingen staatssteun vormen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst Italië naar een aantal arresten van het Europees Hof van Justitie die betrekking hebben op bepaalde vormen van compensatie aan ondernemingen die geen steun zouden vormen (17), met name waar het gaat om compensatie voor schade en diensten van algemeen economisch belang.

(59)

Met betrekking tot het feit dat het Terni-tarief geen staatssteun is, benadrukt Italië dat Wet 9/1991, waarin de eerste verlenging van het tarief werd geregeld, naar behoren bij de Commissie is aangemeld en door haar is goedgekeurd. De latere verlengingen van het tarief, die samenvallen met de verlenging van concessies voor de opwekking van waterkrachtenergie door producenten van waterkrachtenergie, zijn op dezelfde wijze tot stand gekomen en nooit door de Commissie ter discussie gesteld. Derhalve behoort het Terni-tarief volgens Italië te worden beschouwd als een bestaande maatregel die geen staatssteun is.

(60)

Italië stelt dat het daarom altijd te goeder trouw heeft gehandeld. Het heeft de betwiste verlenging van de tariefregeling voor Terni niet op grond van artikel 88, lid 3, aangemeld omdat er naar haar mening geen sprake was van staatssteun. Italië benadrukt dat de Commissie in kennis is gesteld van het bestaan van deze maatregel (rapport van november 2005 en brief van februari 2006).

(61)

Met betrekking tot de beleidsredenen voor de tweede verlenging voert Italië aan dat het tarief noodzakelijk is om gelijke kansen te waarborgen voor deze energie-intensieve ondernemingen in Italië en hun concurrenten in de EU (18), die ook van verlaagde energieprijzen (tarief of op contractbasis) profiteren zolang lopende infrastructuurprojecten voor de opwekking en het transport van elektriciteit nog niet zijn afgerond. Bij afschaffing van het tarief zouden de desbetreffende ondernemingen hun activiteiten naar buiten de EU verplaatsen. Dit zou onvermijdelijk leiden tot een industriële crisis en grootschalig verlies van werkgelegenheid in de getroffen regio's. Volgens Italië moet de verlenging van het tarief dan ook als een tijdelijke oplossing worden gezien. Italië wijst op de conclusies van de Groep op hoog niveau voor concurrentievermogen, energie en milieu (19) die verbetering van onderlinge verbindingen en infrastructuur voorstelt als oplossing voor de lange termijn, en leveringscontracten en samenwerkingsverbanden tussen klanten en leveranciers/producenten van energie als oplossing voor de middellange termijn.

Geen overcompensatie

(62)

Met betrekking tot het feit dat de compensatie niet overmatig hoog is, maakt Italië de volgende opmerkingen. Als Terni zijn productieactiva had behouden, had het een deel van zijn energie aan derden kunnen verkopen en dus extra opbrengsten kunnen genereren. De door Terni geleden schade werd vergroot door de sterke stijging van de elektriciteitsprijzen in de loop der jaren. De nog niet voltooide liberalisering van de energiemarkten heeft nog niet geresulteerd in concurrerende elektriciteitsprijzen. Daarom moet Terni nog steeds worden gecompenseerd. De Terni-ondernemingen betalen momenteel een prijs (tussen 40 en 72 EUR/MWh) die niet veel afwijkt van de elektriciteitsprijzen die worden betaald door ondernemingen in de EU met een vergelijkbaar verbruiksprofiel. Had Terni zijn activa behouden, dan zou het tussen de 5 en 7 EUR per MWh zelf opgewekte elektriciteit betaald hebben. Italië concludeert daarom dat met het tarief geen sprake is van overcompensatie.

(63)

Italië heeft een „studie” overgelegd die in opdracht van de Terni-ondernemingen is uitgevoerd door de particuliere consulent Energy Advisors S.r.l. De studie, die wellicht beter gewoon een „berekening” kan worden genoemd omdat zij uit één tabel met een enkele pagina's tellende methodologische toelichting bestaat, moet de waarde van de activa in de elektriciteitssector beoordelen en dit cijfer vergelijken met het door Terni genoten cumulatieve tariefvoordeel. De studie gaat uit van de boekwaarde van de activa in de elektriciteitssector en actualiseert deze op basis van de inflatie naar een waarde voor 2006. Vervolgens berekent de studie het netto tariefvoordeel voor Terni. Voor de periode 1963-1999 onderzoekt de studie het verschil tussen de jaarlijkse elektriciteitskosten van een vergelijkbare afnemer (alternatief 2) en de werkelijke jaarlijkse kosten van Terni op basis van de „eigen productiekosten” (alternatief 1). Voor deze berekening is een vergelijkbare afnemer een zelfproducent van elektriciteit (onder meer vrijgesteld van betaling van de sovrapprezzo termico). Voor de periode 2000-2006 wordt het tariefvoordeel berekend als het verschil tussen de kosten die Terni jaarlijks had moeten maken wanneer het tarief zou zijn berekend op basis van zijn eigen productiekosten (alternatief 1 — niet langer mogelijk na de hervorming van het tarief) en Terni's werkelijke kosten op basis van de „vergelijkbare afnemer”-methode (alternatief 2). De studie leverde de navolgende resultaten op:

a)

Geactualiseerde waarde (2006) van Terni's activa: 1 687 745 045,19 EUR,

b)

Tariefvoordeel (eveneens geactualiseerd naar 2006): 1 400 895 446,90 EUR.

(64)

Volgens de studie is er derhalve geen sprake geweest van overcompensatie van de verliezen van Terni. Uit een prognose van het tariefvoordeel van Terni in de periode tot 2010 zou eveneens blijken dat geen sprake is van overmatige compensatie.

Ontoepasselijkheid van de EGKS-beschikking en het arrest van het Hof van Justitie met betrekking tot Terni

(65)

Met betrekking tot EGKS-beschikking 83/396 en arrest C-99/92 van het Hof van Justitie verduidelijkt Italië de volgende feiten. De beschikking van de EGKS heeft geen betrekking op Cementir of Nuova Terni, die nooit actief zijn geweest in de staalsector. De EGKS-beschikking verwees naar de verenigbaarheid van staatssteun die wordt toegekend in de vorm van terugbetaling van een onderdeel van het tarief, de sovrapprezzo termico, aan de fabriek die deel uitmaakt van de staaltak van Terni maar is gevestigd in Lovere, in Lombardije, buiten het gebied van Terni. Deze steun zou alleen kunnen worden toegekend aan particuliere staalproducenten. In de EGKS-beschikking wordt bepaald dat de fabriek in Lovere niet voor de steun in aanmerking komt omdat Terni een staatsbedrijf is. De prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie had betrekking op een mogelijk geval van discriminatie tussen particuliere staalproducenten en staatsbedrijven. De EGKS-beschikking werd in die zin bevestigd dat in de beslissing werd bepaald dat geen sprake is van discriminatie wanneer voor particuliere producenten en producenten in overheidshanden niet dezelfde steunmaatregelen worden overwogen.

(66)

Derhalve stelt het Terni-concern dat zowel de EGKS-beschikking als het arrest van het Hof in onderhavig geval niet toepasselijk zijn omdat zij betrekking hebben op de door de fabriek in Lovere betaalde sovrapprezzo termico en niet op het bijzondere algemene tarief dat geldt voor de drie fabrieken in het Terni-gebied.

Door ThyssenKrupp voorgenomen nieuwe investeringen in het Terni-gebied

(67)

Italië benadrukt ook dat de betwiste verlenging van het tarief uit artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 gekoppeld is aan een breed investeringsprogramma dat ThyssenKrupp uitvoert in het industriegebied van Terni-Narni. In het kader van dit actieplan wordt in dat gebied nieuwe opwekkingscapaciteit ontwikkeld. Het tarief is daarom bedoeld als tijdelijke oplossing tot het moment dat die opwekkingscapaciteit gerealiseerd is. Afschaffing van het tarief zou de investeringen die momenteel worden voorbereid in gevaar brengen.

Rol van Cassa Conguaglio en gebruik van staatsmiddelen

(68)

Ten aanzien van de aard en de rol van Cassa Conguaglio stelt Italië dat dit vooral een technische tussenpersoon is, waarvan de rol zich beperkt tot het innen en uitbetalen van gelden. Cassa Conguaglio is niet bevoegd om het tarief vast te stellen en heeft geen zeggenschap over de gelden. Volgens Italië a) zijn de geldstromen die via Cassa Conguaglio lopen derhalve geen staatsmiddelen in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (20) en b) zijn derhalve de wijzigingen in het beheer van de bijzondere tarieven met de tussenkomst van Cassa Conguaglio in 2004 niet van invloed op de compenserende aard van het tarief.

Deggendorf-jurisprudentie

(69)

Met betrekking tot de Deggendorf-jurisprudentie deelt Italië de Commissie mee dat het uitvoering geeft aan de lopende opdracht tot terugvordering van ThyssenKrupp en dat de onderneming een bedrag van 865 538,00 EUR op een geblokkeerde rekening heeft gereserveerd met het oog op de uiteindelijke terugbetaling, mits overeenstemming wordt bereikt over het bedrag.

VI.   BEOORDELING VAN DE MAATREGEL

(70)

Compensatie die door de staat wordt toegekend wegens onteigening van activa wordt in algemene zin niet als staatssteun aangemerkt. Bij de beoordeling van deze maatregel moet daarom allereerst worden vastgesteld of door de overdracht van Società Terni's activa in de waterkrachtsector aan ENEL een verplichting tot compensatie ontstond, of dat deze moet worden beschouwd als niets anders dan een reorganisatie van overheidsactiva. Als het antwoord luidt dat compensatie gerechtvaardigd was, moet de Commissie vervolgens vaststellen tot welke datum en/of welk bedrag het preferente tarief voor Terni kan worden beschouwd als een passende compensatiemaatregel.

Aanmerking als onteigening en recht op compensatie

(71)

Toen in 1962 zijn activa in de waterkrachtsector aan ENEL werden overgedragen, was Società Terni een staatsbedrijf waarover een ente pubblico economico de zeggenschap had. Volgens de Italiaanse regering moesten dergelijke ondernemingen worden bestuurd volgens de beginselen van de markt. De staat was de grootste aandeelhouder in Società Terni maar een deel van het kapitaal was verder in handen van particuliere investeerders en de onderneming was beursgenoteerd. De nationalisatiewet voorzag niet in compensatie voor enti pubblici„strictu sensu”, maar deed dat wel voor enti pubblici economici als Società Terni. Hieruit blijkt dat deze ondernemingen volgens verschillende beginselen werden gedreven. Bovendien werden in dezelfde periode andere „zuivere” elektriciteitsproducenten ook onteigend en kregen ook zij compensatie (zij het op basis van andere criteria).

(72)

De Commissie stelt vast dat de belangen van de onderneming, en in het bijzonder van zijn particuliere aandeelhouders, zouden zijn geschaad wanneer de activa van Società Terni zonder compensatie zouden zijn weggenomen. In het licht van het beginsel van gelijke behandeling van particuliere en overheidsondernemingen en gelet op de noodzakelijke bescherming van de grondwettelijke rechten op compensatie van Società Terni's particuliere aandeelhouders, is de Commissie van mening dat het besluit van Italië om Terni op gelijke voet met een particuliere onderneming in dezelfde positie te behandelen en om de onderneming te compenseren voor het wegnemen van zijn activa als gerechtvaardigd kan worden beschouwd.

Compenserende aard van het tarief

De oorspronkelijke compensatieregeling

(73)

In 1962 besloot Italië om Società Terni niet te compenseren tot een vast bedrag op basis van de marktwaarde van de onteigende activa (in tegenstelling tot hetgeen werd gedaan voor „zuivere” elektriciteitsproducenten). In plaats daarvan werd compensatie verleend in de vorm van de vaststelling van een vaste hoeveelheid elektriciteit tegen de prijs die de onderneming zou hebben betaald wanneer zij haar activa voor de opwekking van elektriciteit had behouden. Vastgesteld dient te worden dat deze methode vanuit economisch oogpunt deugdelijk was: de behandeling van Società Terni als een „virtuele zelfproducent” van elektriciteit had als voordeel dat op deze manier kon worden vermeden dat Terni in de loop der tijd nog meer schade zou kunnen lijden, bijvoorbeeld bij stijging van de energieprijzen.

(74)

De Commissie kan instemmen met het principe van deze methode. Compensatie voor een onteigening kan echter niet de vorm van een open-einderegeling hebben, maar moet duidelijk en voorspelbaar worden vastgesteld op het moment van onteigening. Daarbij moet de onteigende onderneming het aangeboden bedrag kunnen aanvechten. Na vaststelling kan een compensatieregeling niet op een later moment weer worden opengebroken.

(75)

In dit geval was het totale compensatiebedrag afhankelijk van de looptijd van het tarief. Bij de oorspronkelijke compensatieregeling die de Italiaanse regering aanbood, werd ervan uitgegaan dat het tarief dertig jaar lang zou gelden en dus in 1992 zou aflopen. Società Terni had deze regeling in het kader van de nationalisatiewet kunnen aanvechten wanneer zij deze als ontoereikend had beschouwd (21), maar besloot dat niet te doen.

(76)

De Commissie heeft onderzocht of de oorspronkelijke compensatieregeling voor wat betreft zijn werking en looptijd als passend zou kunnen worden beschouwd.

(77)

Voor de exploitatie van een waterkrachtcentrale is in Italië een concessie vereist, waarvan de looptijd zodanig is dat de onderneming de investering kan afschrijven. Bij het aflopen van de concessie verliest de onderneming in beginsel het recht om zijn activa te exploiteren. Met betrekking tot de wijze waarop Terni werd gecompenseerd, was het vanuit economisch oogpunt verstandig om de levering van elektriciteit tegen productiekosten niet langer te laten voortduren dan de resterende looptijd van de concessie van de onderneming. Dit lijkt inderdaad de achtergrond van de oorspronkelijke bepaling in de Italiaanse wet, waarin werd geregeld dat het preferente tarief tot 1992 zou gelden. Hoewel Terni's eigen concessie al enkele jaren eerder zou zijn verstreken, is het voorstelbaar dat de Italiaanse regering de einddatum van het Terni-tarief gelijk wilde stellen aan de algemene einddatum van concessies voor waterkrachtenergie in Italië in 1992. Bovendien was aan Società Terni een bijzonder langlopende concessie verleend (van 60 jaar in plaats van 30) en had de onderneming daarom ten tijde van de onteigening al 30 jaar de tijd gehad om zijn investering af te schrijven.

(78)

Concluderend is de Commissie van mening dat de oorspronkelijke compensatieregeling passend en geenszins nadelig voor de onderneming was.

(79)

De centrale vraag is hier of de herhaalde verlengingen van deze tariefregeling nog als een essentieel onderdeel van de compensatie kunnen worden beschouwd. De Commissie is van mening dat dit niet het geval kan zijn. Wanneer de staat onteigent, stelt zij vooraf een absoluut compensatiebedrag vast of, zoals in dit geval, een compensatieregeling. Elke wijziging achteraf van de bedragen of de regeling betekent noodzakelijkerwijs dat de aard van de maatregel verandert, en dat deze niet langer als compensatie kan worden beschouwd voor zover zij afwijkt van de oorspronkelijke regeling. Wanneer van het tegendeel zou worden uitgegaan, zou dit type maatregelen niet meer onder het toezicht op staatssteun vallen.

(80)

Een lidstaat kan de Commissie echter in kennis stellen van zijn voornemen om een onteigende onderneming andere voordelen toe te kennen. Dergelijke kennisgevingen worden door de Commissie op hun eigen merites beoordeeld aan de hand van de regels voor staatssteun en rekening houdend met de aangevoerde bijzondere omstandigheden.

De „studie”

(81)

De in punt 63 genoemde studie moet aantonen dat de compensatie die in de loop der jaren werd toegekend aan Società Terni en de daaruit voortgekomen ondernemingen de marktwaarde van de onteigende activa niet volledig dekt, dat daarom geen sprake was van overcompensatie en dat de begunstigden de facto nooit voordeel hebben genoten.

(82)

Vooraf zou de Commissie willen benadrukken dat de vraag of een compensatieregeling toereikend is alleen vooraf kan worden beantwoord, dus op het moment van onteigening. In dat verband moet worden opgemerkt dat de door de Italiaanse regering gekozen regeling was bedoeld om de positie van Società Terni vergelijkbaar te maken met een situatie waarin zij niet zou zijn onteigend, door haar gedurende de looptijd van haar concessie toegang te geven tot elektriciteit tegen kostprijs. Het argument dat de Terni-ondernemingen met deze regeling minder hebben gekregen dan datgene waar zij rechtmatig aanspraak op konden maken, is moeilijk te volgen. Bovendien stelt de Commissie dat, zelfs wanneer de uitkomsten van de studie zouden zijn onderbouwd (hetgeen niet het geval is, zoals is aangetoond in de punten 88 tot en met 92 die omstandigheid niet relevant zou zijn voor de vraag of het tarief de begunstigden een voordeel opleverde.

(83)

Gewezen moet worden op het feit dat Italië op het moment van de onteigening had kunnen besluiten om Terni te compenseren met een vast geldbedrag, gebaseerd op de waarde van de onteigende activa. Italië heeft echter een andere methode gekozen, waarbij Società Terni gelijk werd gesteld aan een zelfproducent. Vanuit economisch oogpunt was deze methode deugdelijk, en het bestaan van een voordeel behoort binnen dit kader te worden bezien. Volgens deze benadering moet worden geconcludeerd dat de begunstigden geen voordeel hebben genoten tot het moment waarop de oorspronkelijke regeling voor een compensatietarief afliep (en niet langer). Deze conclusie kan niet ter discussie worden gesteld op basis van alternatieve berekeningen van kosten en baten, en met name niet wanneer deze achteraf worden gemaakt.

(84)

Wanneer achteraf een andere methode wordt toegepast, zijn de uitkomsten tegenstrijdig of zelfs onlogisch, zoals blijkt uit het volgende voorbeeld. Als vanwege sterk stijgende energieprijzen de door de begunstigden ontvangen bedragen binnen de eerste 10 jaar van de tariefregeling al hoger waren geworden dan de marktwaarde van Terni's fabriek, dan zou (volgens de methodiek van de studie) moeten worden geconcludeerd dat er sprake was van overcompensatie, hoewel het tarief volgens de onteigeningsregeling 30 jaar lang zou gelden. Dit zou duidelijk een misvatting zijn, omdat dan geen rekening wordt gehouden met de gedachte achter de oorspronkelijke regeling. Hetzelfde moet a contrario gelden voor het geval dat de feitelijk ontvangen bedragen lager zouden zijn dan de waarde van de activa.

(85)

Bovendien is in het geval van een onteigening een achteraf gemaakte herberekening van kosten en baten weinig zinvol. In economisch opzicht kunnen de langetermijngevolgen voor de onteigende onderneming, die op het moment van onteigening niet te voorspellen zijn, vele tientallen jaren later niet worden herzien om verdere compensatierondes te rechtvaardigen.

(86)

Derhalve kan de studie als irrelevant worden afgedaan.

(87)

Toch heeft de Commissie de gegevens en uitkomsten van de studie bestudeerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat de studie methodologisch gezien ondeugdelijk is. Zoals in het onderstaande zal worden aangetoond, wordt in de studie het tariefvoordeel voor de Terni-ondernemingen stelselmatig te laag gewaardeerd en wordt de waarde van de onteigende activa naar alle waarschijnlijkheid te hoog ingeschat.

(88)

Om het tariefvoordeel voor de periode 1963-1999 te berekenen, vergelijkt de studie de door Terni betaalde prijs (alternatief 1: de kosten van zelf opgewekte elektriciteit) met de gewone prijs die wordt betaald door een vergelijkbare afnemer, dus een zelfproducent die bepaalde tariefcomponenten niet hoefde te betalen (alternatief 2). Het voordeel wordt dus berekend als het verschil tussen de twee alternatieve preferente behandelingen die Terni moesten compenseren. De Commissie stelt vast dat voor een berekening van het tariefvoordeel het feitelijke tarief van Terni had moeten worden vergeleken met het gewone tarief voor een niet-zelfproducent met het verbruiksprofiel van Terni. De studie waardeert het tariefvoordeel voor Terni daarom te laag.

(89)

Ook voor de periode 2000-2006 wordt het voordeel gelijkgesteld aan het verschil tussen de beide voorkeursbehandelingen, met als enig verschil dat de werkelijk door Terni betaalde prijs overeenkomt met alternatief 2 (en niet langer alternatief 1, dat na de herziening van het tarief niet langer mogelijk was). Met deze methode is het voordeel voor bepaalde jaren zelfs negatief, waaruit de tekortkomingen van de methodiek blijken, omdat de Terni-ondernemingen altijd een lager tarief dan de marktprijs betaalden. Voor deze periode had het tariefvoordeel in principe gewoon gelijk moeten zijn aan de door Cassa Conguaglio betaalde compensatiecomponent. Ook hier wordt het voordeel dus aanzienlijk te laag ingeschat.

(90)

Een andere tekortkoming van de studie betreft de waarde van de activa. De studie neemt voor de boekwaarde van de activa gewoon het verschil tussen de post „fabriek en machines” op de jaarrekening van Terni over 1962 (het jaar vóór de nationalisatie) en dezelfde post in het volgende jaar. Ten eerste moet worden opgemerkt dat niet concreet is komen vast te staan dat het verschil uitsluitend te wijten is aan het verlies van de waterkrachtcentrale. Zelfs wanneer we er voor het gemak even van uitgaan dat die boekwaarde juist is, zou de in de studie gebruikte methode echter nog steeds ondeugdelijk zijn. Zoals door Italië bevestigd, is de werkelijke waarde van een waterkrachtcentrale op het moment van onteigening gekoppeld aan de resterende looptijd van de achterliggende concessie (22). De boekwaarde van de fabriek had daarom hiervoor moeten worden gecorrigeerd. In de studie wordt de boekwaarde eenvoudigweg voor 2006 geactualiseerd op basis van de inflatie. Er is echter reden om aan te nemen dat de activa in de studie te hoog worden gewaardeerd.

(91)

Concluderend kan de studie in zijn geheel worden afgewezen.

De verlengingen van het tarief

(92)

Met betrekking tot de verlengingen van het Terni-tarief meent de Commissie dat deze bedoeld waren om de gelijke behandeling voort te zetten met producenten van waterkrachtenergie van wie de concessie was verlengd. Een dergelijke gelijke behandeling, die centraal staat in de compensatieregeling, was in de onteigeningsregeling echter opgenomen voor een periode van slechts 30 jaar, en niet voor onbeperkte tijd. Zoals reeds uiteengezet in de punten 73 tot en met 78 hadden deze verlengingen daarom niet het karakter van een compensatie.

(93)

Voor de tweede verlenging van het tarief ligt deze conclusie nog veel meer voor de hand. Deze verlenging doorkruiste een geleidelijke overgang van de ondernemingen naar het volle tarief, een overgang waaruit bleek dat de Italiaanse regering van mening was dat de ondernemingen volledig waren gecompenseerd. Italië heeft in feite zelf de redenen voor deze tweede verlenging uitvoerig toegelicht. Deze houden uitsluitend verband met industriebeleid (zie de opmerkingen van Italië in punt 60.

Conclusies ten aanzien van de compenserende aard van het tarief

(94)

Gelet op het bovenstaande is de Commissie van mening dat het Terni-tarief tot 1992 als compensatie kan worden beschouwd. Tot die datum kan de maatregel niet als staatssteun worden aangemerkt. Alle latere verlengingen van het tarief moeten echter worden getoetst aan de regels voor staatssteun.

Bestaan van steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag

(95)

De Commissie heeft daarom onderzocht of er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag in het geval van het preferente tarief dat na 1992 aan het Terni-concern werd toegekend, en dan met name vanaf 1 januari 2005, toen artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 van kracht werd, het artikel waarop deze procedure betrekking heeft.

(96)

In dit verband neemt de Commissie nota van de Italiaanse toelichting met betrekking tot de ontoepasselijkheid van EGKS-beschikking 83/396 en Arrest C-99/92 van het Hof en erkent zij dat dergelijke beschikkingen los staan van de vraag of het voor de drie fabrieken in het Terni-gebied gehanteerde tarief het karakter van staatssteun heeft.

(97)

Een maatregel is staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag wanneer aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de maatregel a) geeft de begunstigde een economisch voordeel; b) wordt door de staat of met staatsmiddelen bekostigd en is aan de staat toerekenbaar; c) is selectief; d) is van invloed op het intracommunautaire handelsverkeer en kan de concurrentie binnen de EU verstoren.

Voordeel

(98)

Gelet op hetgeen is uiteengezet in de punten 73 tot en met 94 moet de Commissie concluderen dat het preferente tarief voor Terni de begunstigden niet tot voordeel heeft gestrekt gedurende de looptijd van de oorspronkelijke compensatieregeling, dus tot 1992. Derhalve moeten alleen de verlengingen van het tarief worden onderzocht om vast te stellen of sprake is van staatssteun.

(99)

Het lijdt geen twijfel dat de levering van elektriciteit tegen prijzen die lager zijn dan het gewone elektriciteitstarief een duidelijk economisch voordeel is voor de begunstigden, die hun productiekosten zien dalen en hun concurrentiepositie versterken.

Selectiviteit

(100)

Aangezien deze bijzondere tariefregeling uitsluitend voor het Terni-concern geldt, is de maatregel selectief.

Bekostiging met staatsmiddelen en toerekenbaarheid aan de staat

(101)

Met betrekking tot de bekostiging uit staatsmiddelen moet worden opgemerkt dat vanaf 2002 de kosten voor het tarief door alle elektriciteitsverbruikers in Italië worden opgebracht door middel van een parafiscale heffing die door Cassa Conguaglio wordt geïnd via de A4-component van het elektriciteitstarief. Een dergelijke heffing is verplicht op grond van Delibere van de AEEG, waarmee nationale wetgeving ten uitvoer wordt gelegd. Cassa Conguaglio is een bij wet opgericht overheidslichaam dat zijn taken verricht op grond van nauwkeurig omschreven aanwijzingen die zijn vastgelegd in de Delibere van de AEEG en de relevante wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

(102)

Uit de jurisprudentie blijkt dat de opbrengsten van een wettelijk verplichte binnenlandse heffing die aan een bij wet opgerichte overheidsinstantie wordt betaald staatsmiddelen in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag zijn wanneer deze opbrengsten worden geoormerkt voor de bekostiging van een maatregel die aan de overige criteria van dat artikel voldoet (23).

(103)

In bovenstaand punt 68 verwijst Italië naar de zaak-Pearle (24) om zijn bewering te staven dat de geldstroom via Cassa Conguaglio geen staatssteun vormt. In de zaak-Pearle oordeelde het Hof dat onder bepaalde nauwkeurig omschreven omstandigheden de opbrengsten van een heffing die via een overheidsinstantie worden uitgekeerd niet als staatsmiddelen kunnen worden beschouwd. In de zaak-Pearle werden de maatregelen volledig door, en op initiatief van een economische sector gefinancierd door middel van een heffing waarvan de opbrengsten door een overheidsinstantie alleen werden doorgegeven en degenen die de heffing betaalden ook de opbrengsten van de steunmaatregel ontvingen. De Commissie stelt dat onderhavig geval duidelijk anders is. Het Terni-tarief kwam tot stand op initiatief van de staat (geen economische sector), de heffing wordt in geen enkel opzicht opgebracht door de begunstigden van het tarief maar alleen door de elektriciteitsverbruikers, en de staat kan te allen tijde Cassa Conguaglio door middel van een Delibera van de AEEG of van andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen voorschrijven op welke wijze de met de heffing opgebrachte gelden worden aangewend. Derhalve is de zaak-Pearle in dit geval niet relevant.

(104)

In de zaak-Preussen-Elektra, waarnaar ook door Italië werd verwezen in punt 68, was het Hof van mening dat een verplichting voor particuliere elektriciteitsleveranciers om duurzaam opgewekte elektriciteit in te kopen tegen minimumprijzen die hoger zijn dan de werkelijke economische waarde van dat type elektriciteit, geen staatssteun was omdat bij de maatregel geen sprake was van rechtstreekse of indirecte overdracht van staatsmiddelen.

(105)

Ook in dit geval zijn de zaken duidelijk niet vergelijkbaar. In de zaak-Preussen Elektra werden de voor de maatregel benodigde middelen rechtstreeks door de elektriciteitsleveranciers opgebracht zonder dat daarbij een overheidsinstantie betrokken was, ook niet als „doorgeefluik” voor deze gelden. In dat geval kon overdracht van staatsmiddelen niet worden aangetoond. In onderhavige zaak is het geld via een parafiscale heffing afkomstig van de consumenten. Deze heffing komt via een overheidsinstantie bij de uiteindelijke begunstigden terecht. Daarom is hier sprake van een klassieke vorm van betrokkenheid van staatsmiddelen.

(106)

De parafiscale heffing die werd gebruikt voor de bekostiging van het Terni-tarief is gelet op het bovenstaande dan ook staatssteun.

(107)

Aan het criterium van toerekenbaarheid aan de staat (25) is ook voldaan aangezien de rechtsgrond voor het Terni-tarief is opgenomen in nationale wetgeving, in samenhang met de Delibere van de AEEG, die een overheidsinstantie is.

Effecten op het handelsverkeer en verstoring van de concurrentie

(108)

Ten aanzien van het laatste criterium van artikel 87, lid 1, — effecten op het handelsverkeer tussen lidstaten en verstoring van de concurrentie — kan de Commissie de argumenten die door de Terni-ondernemingen werden aangevoerd in punt 46 afwijzen op grond van de overwegingen uit de punten 109 tot en met 116 .

(109)

Het belangrijkste argument van de begunstigden is dat de fabrieken waarvoor het tarief geldt, niet actief zijn binnen het intracommunautaire handelsverkeer omdat zij het grootste deel van hun productie op de binnenlandse markt afzetten.

(110)

In dit verband moet worden opgemerkt dat de analyse zich niet kan beperken tot de fabrieken in het Terni-gebied. De begunstigden maken deel uit van internationale concerns die actief zijn in diverse economische sectoren (26), en exploitatiesteun aan een bepaalde tak of fabriek kan worden gebruikt voor subsidiëring van andere onderdelen van het concern in sectoren waarin wel sprake is van intracommunautair handelsverkeer. In feite kan alleen dit gegeven al volstaan voor de conclusie dat het tarief van invloed is op het handelsverkeer tussen lidstaten.

(111)

Zelfs indien zou worden aangetoond dat de productie van de ondernemingen geheel of grotendeels op de binnenlandse Italiaanse markt wordt verkocht, hetgeen niet het geval is, dan zou dit niet relevant zijn voor de vaststelling van de invloed van de maatregel op het intracommunautaire handelsverkeer. Het Hof heeft geoordeeld dat „steun aan een onderneming […] het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig [kan] beïnvloeden en de mededinging vervalsen, wanneer die onderneming zich in een situatie bevindt dat zij moet concurreren met producten uit andere lidstaten, zonder dat zij zelf deelneemt aan de uitvoer, (…). Immers, wanneer een staat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse productie in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om hun producten uit te voeren naar de markt van die lidstaat, afnemen” (27).

(112)

Derhalve heeft de Commissie onderzocht of in algemene zin sprake is van intracommunautair handelsverkeer in de desbetreffende sectoren.

(113)

Ten aanzien van cementproducent Cementir heeft de Commissie de cementmarkt en zijn diverse sectoren uitgebreid onderzocht, met name in haar Cementbeschikking van 1994 (28). Cement is een zwaar product met een naar verhouding tot het gewicht lage waarde, waardoor vervoer over lange afstanden vanwege de transportkosten onrendabel is. De Commissie stelde echter vast dat dit geen beletsel vormt voor intracommunautair handelsverkeer. Cementproducten worden de facto tussen lidstaten verhandeld, en de conclusie uit het verleden dat sprake was van onwettige overeenkomsten en afspraken tussen cementproducenten (waartegen met bovengenoemde beschikking werd opgetreden) om hun thuismarkten te beschermen, bewijst ook dat op EU-niveau daadwerkelijk sprake is van concurrentie.

(114)

Met betrekking tot Nuova Terni Industrie Chimiche kan worden volstaan met een verwijzing naar de fusiebeschikking waarmee de Commissie de overname door Norsk Hydro van Nuova Terni Industrie Chimiche goedkeurde (29) en waarin zij vaststelde dat voor de producten die door de chemietak van Terni werden geproduceerd sprake was van intracommunautaire handel en dat de markt geografisch in ieder geval de EER omvatte.

(115)

Ten aanzien van ThyssenKrupp wijst de Commissie erop dat de staalmarkt wereldwijd en bijzonder concurrerend is. In vorige beschikkingen heeft de Commissie al geoordeeld dat de marktsegmenten waarin ThyssenKrupp actief is, zich in ieder geval over de gehele EU uitstrekten (30).

(116)

Derhalve moet worden geconcludeerd dat het preferente elektriciteitstarief dat gold voor de drie Terni-ondernemingen hun concurrentiepositie ten opzichte van concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer kan verbeteren. Uit de jurisprudentie (31) blijkt dat in dergelijke omstandigheden moet worden aangenomen dat het intracommunautaire handelsverkeer is beïnvloed en dat de concurrentie is verstoord.

Conclusies ten aanzien van het bestaan van steun

(117)

Gelet op het bovenstaande is de Commissie tot de slotsom gekomen dat het preferente tarief voor de Terni-ondernemingen vanaf 1 januari 2005 staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag en uitsluitend kan worden toegestaan in een van de uitzonderingsgevallen als bedoeld in het Verdrag.

Aanmerking van de maatregel als nieuwe steun en rechtmatigheid van de steun

(118)

De maatregel kan niet als bestaande steun worden aangemerkt vanwege de redenen die uiteen zijn gezet in de punten 119 tot en met 133 .

(119)

De oorspronkelijke bepaling van Wet 9/1991, die geacht wordt onder een goedkeuring voor staatssteun te vallen, werd in 2005 gewijzigd in artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005.

(120)

Opgemerkt moet worden dat de essentie van het stilzwijgend goedgekeurde tarief en het bij Wet 80/2005 ingevoerde tarief alleen bij een oppervlakkige beschouwing vergelijkbaar is.

(121)

In Wet 80/2005 werd bepaald dat voor Terni tot 2010 een preferent tarief zou blijven gelden. Ook indien de tweede verlenging niet meer dan een verlenging van een vorige maatregel zou zijn geweest dan was er nog sprake van nieuwe steun. Uit de jurisprudentie blijkt dat een wijziging van de looptijd van een bestaande steunmaatregel als nieuwe steun moet worden beschouwd (32).

(122)

Bij een nadere analyse blijkt echter dat de verschillen tussen de beide maatregelen veel groter zijn.

(123)

Vóór de inwerkingtreding van Wet 80/2005 was de prijs voor Terni (en de jaarlijkse aanpassing daarvan) nog steeds gebaseerd op de oorspronkelijke gelijke behandeling met zelfproducenten. Dat verandert met Wet 80/2005, waarin deze koppeling wordt losgelaten en Terni niet meer als zelfproducent wordt behandeld. De voor 2005 vastgestelde prijs is dan wel gelijk aan die van 2004 maar het mechanisme waarmee de prijs wordt bepaald is wezenlijk veranderd, omdat de nieuwe prijs wordt aangepast op basis van de gemiddelde stijging van energieprijzen met een maximum van 4 % per jaar, ook wanneer de werkelijke prijsstijging hoger is.

(124)

De omvang van de steun groeit ook vanwege de toename van de hoeveelheden die tegen het preferente tarief worden geleverd. Van een geleidelijke afbouw is in het geheel geen sprake meer.

(125)

In dit verband moet worden benadrukt dat, zelfs wanneer de hoogte van de steun ongewijzigd zou zijn gebleven, dezelfde conclusie moet worden getrokken als in de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaak van Italië en Sardegna Lines tegen de Commissie (33) wordt gevolgd. In zijn beoordeling van wat een substantiële wijziging in een regeling is, stelde advocaat-generaal Fennelly dat „de invoering van een volledig nieuwe methode om feitelijk hetzelfde steunniveau te handhaven […] duidelijk een belangrijke wijziging van de oorspronkelijke regeling [vormde]”.

(126)

De Commissie stelt ook vast dat het, gelet op de verschillende regelingen die op het tarief van toepassing zijn, onmogelijk zou zijn om in de nieuwe, in 2005 ingevoerde maatregel een deel te onderscheiden dat, tot 2007, bestaande steun zou blijven, naast een wijziging die als nieuwe steun moet worden aangemerkt (34).

(127)

Daarom is de Commissie van mening dat de als „tweede verlenging” betitelde maatregel in feite een volledig nieuwe steunregeling is, aangezien zij wezenlijk verschilt van de maatregel waarop de beschikking van 1991 van toepassing is.

(128)

Gelet op het bovenstaande moet de maatregel als nieuwe steun worden beschouwd vanaf 1 januari 2005, toen de verlenging van het tarief bij Wet 80/2005 van kracht werd (35).

(129)

Duidelijk ongegrond is de bewering uit de punten 48 en 60 dat de maatregel geacht moet worden te zijn toegestaan op grond van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 659/1999 omdat de Commissie daarvan in kennis was gesteld en binnen de voor de procedure vastgestelde termijn geen besluit had genomen. Er is een wezenlijk verschil tussen kennisgeving van een maatregel op grond van artikel 88, lid 3, enerzijds en het alleen informeren van de Commissie over het bestaan van een maatregel anderzijds. In de zaak-Breda Fucine Meridionali (36) heeft het Gerecht van Eerste Aanleg met name bepaald dat de toezending van documenten die niet aan de secretaris-generaal zijn gericht en geen uitdrukkelijke verwijzing bevatten naar artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag niet als geldige kennisgeving kan worden beschouwd.

(130)

Alleen voor maatregelen waarvan naar behoren op grond van artikel 88, lid 3, kennis is gegeven en die niet ten uitvoer worden gelegd voordat de Commissie een besluit heeft genomen, geldt de termijn van Verordening (EG) nr. 659/99. In onderhavig geval wordt niet bestreden dat voor artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 geen kennisgeving is gedaan.

(131)

Bovendien wordt in artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 659/99 bepaald dat, indien de Commissie niet binnen de termijn van twee maanden een beschikking heeft gegeven, de steun wordt geacht te zijn goedgekeurd mits de lidstaat de Commissie vooraf in kennis stelt van zijn voornemen om de maatregel ten uitvoer te leggen en tenzij de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving een beschikking geeft. In deze zaak is van een voorafgaande kennisgeving door Italië geen sprake. Zelfs indien de bewering van de Terni-ondernemingen zou zijn onderbouwd, hetgeen niet het geval is, zoals uiteengezet in de punten 129 en 130, zou artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 659/99 niet van toepassing zijn.

(132)

Aangezien Italië geen kennisgeving heeft gedaan van artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 is de steun onrechtmatig.

Verenigbaarheid van de steun

Eerste verlenging

(133)

Hoewel deze procedure slechts betrekking heeft op de tweede verlenging van het tarief acht de Commissie het passend om een aantal opmerkingen te maken over de eerste verlenging en de goedkeuring daarvan op grond van de regels voor staatssteun.

(134)

De eerste verlenging van het Terni-tarief werd geregeld in artikel 20, lid 4 van Wet 9/1991. Deze wet werd in zaak NN 52/1991 als verenigbaar met de regels voor staatssteun beoordeeld (37). In de tot Italië gerichte beschikking van de Commissie wordt niet aangegeven welke artikelen van de wet verenigbaar werden geacht. In de interne documenten die aan de beschikking van de Commissie ten grondslag lagen, is echter een korte beschrijving en beoordeling opgenomen van de met betrekking tot staatssteun relevante artikelen. Artikel 20, lid 4 van de wet, waarin de verlenging van het Terni-tarief werd geregeld, werd daarbij niet genoemd.

(135)

Vanwege deze schaarse informatie is het helaas niet mogelijk om achteraf vast te stellen welke redenering daarbij werd gevolgd en met name niet of de Commissie het Terni-tarief heeft onderzocht en dit wilde goedkeuren.

(136)

Aangezien Italië echter van de wet als geheel kennis heeft gegeven en de goedkeuringsbeschikking ook naar de wet als geheel verwijst, moet worden aangenomen dat de verlenging van het Terni-tarief valt onder de beschikking van de Commissie van 1991.

De tweede en betwiste verlenging

(137)

In afwijking van het algehele verbod op staatssteun uit artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag kan steun verenigbaar worden verklaard in een van de in het Verdrag genoemde uitzonderingsgevallen.

(138)

De staatssteun die op grond van artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 aan de Terni-ondernemingen werd toegekend, kan als exploitatiesteun worden aangemerkt.

(139)

Volgens de jurisprudentie is exploitatiesteun (dat wil zeggen steun die is bedoeld om voor een onderneming de kosten te verlagen die zij onder normale omstandigheden zou moeten dragen voor haar dagelijkse bedrijfsvoering of haar gebruikelijke activiteiten) in beginsel een verstoring van de concurrentie in een mate die strijdig is met het algemeen belang in de sectoren waarin zij wordt toegekend (38). De Commissie stelt vast dat exploitatiesteun die wordt verleend in de vorm van een preferente elektriciteitsprijs voor een energie-intensieve onderneming, dus een onderneming waarvoor elektriciteit een van de belangrijkste kostenfactoren is, een bijzonder verstorende vorm van steun is, aangezien deze steun van grote en rechtstreekse invloed is op de productiekosten van de onderneming en de daaruit voortvloeiende concurrentiepositie.

(140)

Exploitatiesteun kan onder specifieke voorwaarden worden verleend op grond van de Richtsnoeren voor staatssteun voor milieubescherming (39). Het onderzochte tarief dient echter geen enkel milieudoel.

(141)

In uitzonderlijke gevallen kan exploitatiesteun worden verleend in ondersteunde gebieden die voor steun in aanmerking komen op grond van de uitzondering van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag. Gedurende de onderzochte periode kwam de regio Umbrië niet in aanmerking voor steun op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag.

(142)

Hoewel de beide verlengingen om de redenen zoals uiteengezet in de punten 123 tot en met 127 verschillende maatregelen zijn, acht de Commissie het nuttig om erop te wijzen dat de regio Umbrië, toen van de eerste verlenging kennisgeving werd gedaan, een ernstige economische crisis doormaakte, waardoor met name de staal- en chemiesectoren in het Terni-gebied werden getroffen. Deze crisis, die zijn hoogtepunt bereikte in het begin van de jaren negentig, werd door de Commissie erkend toen zij in 1997 haar goedkeuring verleende aan de Italiaanse kaart van gebieden die op grond van artikel 87, lid 3, onder c), voor steun in aanmerking kwamen (40). De regio's Terni en Perugia kwamen daardoor in aanmerking voor steun in het kader van Doelstelling 2 van de Structuurfondsen.

(143)

Toen in 2005 Wet 80/2005 werd aangenomen, was het proces van structuuraanpassingen in Umbrië echter al ruimschoots voltooid. In het voorstel voor de regiosteunkaart voor de periode 2007-2013 zal Umbrië de status van steungebied geheel verliezen. Hoewel het moeilijk is om vast te stellen of overwegingen op het gebied van regionale ontwikkeling mogelijk een rol hebben gespeeld bij het oorspronkelijke goedkeuringsbesluit staat echter vast dat de Commissie bij haar beoordeling van de tweede verlenging van het tarief met dergelijke overwegingen geen rekening kan houden.

(144)

Italië heeft in feite uitvoerig toegelicht welke redenen van industriebeleid ten grondslag hebben gelegen aan de tweede verlenging van het Terni-tarief (zie punt 61). Italië's belangrijkste argument voor het tarief is het feit dat energie-intensieve ondernemingen in andere lidstaten ook kunnen profiteren van gereduceerde energieprijzen en dat het tarief nodig is als overgangsmaatregel om verplaatsing naar buiten de EU te voorkomen tijdens de volledige liberalisering van de energiemarkt en de verbetering van infrastructuur. Overigens is deze toelichting in strijd met de Italiaanse bewering dat het Terni-tarief nog steeds het karakter van een compensatie zou hebben en vormt zij geen rechtvaardiging voor een herziening van de onteigeningsregeling.

(145)

De Commissie stelt vast dat het Hof heeft bepaald dat „de omstandigheid dat een lidstaat via unilaterale maatregelen de mededingingsvoorwaarden in een bepaalde economische sector probeert aan te passen aan die welke in andere lidstaten heersen, aan die maatregelen niet het karakter van steun ontneemt” (41). Verder wordt het Italiaanse argument dat dergelijke staatssteun gerechtvaardigd is door het bestaan van andere (eveneens verstorende) staatssteun in de EU, geheel verworpen. Een dergelijke benadering zou een subsidiewedloop tot gevolg hebben en strijdig zijn met het eigenlijke doel van het toezicht op staatssteun. Ten aanzien van het vermeende risico op verplaatsing naar landen buiten de EU stelt de Commissie vast dat er in de praktijk van haar beschikkingen noch in de jurisprudentie van de gerechtshoven van de Gemeenschap een precedent te vinden is waarbij een dergelijk argument werd aanvaard als rechtvaardiging voor de toekenning van staatssteun. In onderhavige zaak hoeft de Commissie dit punt zelfs niet eens te onderzoeken aangezien de Italiaanse regering deze bewering op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Met name is niet aangetoond dat het tarief noodzakelijk en evenredig was om dat risico te voorkomen.

(146)

De conclusies van de Groep op hoog niveau die zijn genoemd in punt 61 zijn niet relevant omdat zij de weerslag vormen van de uitkomst van een algemene politieke discussie en niet wettelijk bindend zijn. Overigens moet worden opgemerkt dat bij de oplossingen die deze groep voorstelt en waarnaar door Italië wordt verwezen, de toekenning van staatssteun niet wordt genoemd.

(147)

Aangezien de steun niet onder een van de uitzonderingen van artikel 87 van het EG-Verdrag valt, behoort de tweede verlenging van het preferente tarief voor de Terni-ondernemingen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te worden verklaard.

(148)

Op grond van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (42) tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag dient in gevallen waarin ten onrechte steun is verleend die niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is de feitelijke concurrentie te worden hersteld en dient de steun onverwijld met rente te worden teruggevorderd.

Gewettigd vertrouwen

(149)

Wanneer steun wordt toegekend zonder voorafgaande kennisgeving op grond van artikel 88, lid 3, van het Verdrag kan de ontvanger op dat moment volgens de jurisprudentie geen gewettigd vertrouwen hebben dat de toekenning rechtmatig is (43). Een zorgvuldig ondernemer behoort normaliter in staat te zijn vast te stellen of de kennisgevingsprocedure is nageleefd en de steun rechtmatig is.

(150)

Wie onrechtmatig toegekende steun ontvangt, kan zich echter beroepen op uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan hij legitiem kon aannemen dat de steun rechtmatig was, en derhalve weigeren die steun terug te betalen (44). De Commissie heeft onderzocht of de uitzonderlijke omstandigheden die door de Terni-ondernemingen worden aangevoerd in punt 47 tot dit gewettigd vertrouwen zouden kunnen hebben geleid.

(151)

In wezen stellen de begunstigden dat Italië hun had verzekerd dat de maatregel niet het karakter van staatssteun had, en dat de Commissie de maatregel niet ter discussie heeft gesteld toen deze voor het eerst werd verlengd of toen informatie over de tweede verlenging werd verstrekt.

(152)

Ten aanzien van de eerste bewering kan worden volstaan met te zeggen dat volgens de jurisprudentie het bestaan van een gewettigd vertrouwen niet kan afhangen van het gedrag van de lidstaat die de steun verleent. Met name heeft het GEA bepaald dat „eventuele verwachtingen die een lidstaat ten onrechte zou hebben gewekt zonder de Commissie daarvan op de hoogte te stellen, in geen geval de rechtmatigheid van de bestreden beschikking kunnen aantasten” (45).

(153)

Uitsluitend het gedrag van de administratie van de Gemeenschap kan dus aanleiding geven tot gewettigd vertrouwen. Met name heeft het Hof bepaald dat „een persoon zich niet op schending van dat beginsel kan beroepen tenzij hem precieze toezeggingen (onderstreping toegevoegd) zijn gedaan door de administratie van de Gemeenschap” (46).

(154)

De Terni-ondernemingen voeren aan dat de maatregel niet ter discussie is gesteld in 1991, toen de Commissie Wet 9/1991 goedkeurde. Gewezen dient te worden op het feit dat de beschikking van de Commissie uit 1991 uitsluitend betrekking heeft op de maatregel van Wet 9/1991, zodat de goedkeuring van die maatregel geen aanleiding kan vormen voor een gewettigd vertrouwen ten aanzien van de rechtmatigheid of de verenigbaarheid van de nieuwe steunmaatregel die werd ingevoerd bij Wet 80/2005. Zelfs wanneer de Commissie uitdrukkelijk had verklaard dat de maatregel van 1991 geen staatssteun vormde, hetgeen niet het geval is geweest, dan hadden de begunstigden niet kunnen aannemen dat de maatregel van 2005 automatisch ook niet als steun zou worden beschouwd omdat er vele omstandigheden zijn die een maatregel tot staatssteun kunnen maken.

(155)

Bovendien zou uit de formulering van de tot Italië gerichte beschikking van de Commissie (waarin de steunmaatregelen van Wet 9/1991 en 10/1991 verenigbaar worden verklaard) zo eerder het tegengestelde blijken, dat de Terni-maatregel wel staatssteun was.

(156)

Daarom kan de beschikking van de Commissie de begunstigden onmogelijk precieze toezeggingen hebben gedaan omtrent het feit dat het tarief niet het karakter van steun zou hebben, maar — op zijn hoogst — een gewettigd vertrouwen dat de verlenging van het gerief van 1991 verenigbaar was. Voor wat betreft de verlenging van 2005 kunnen echter geen verwachtingen worden gekoesterd. Derhalve dient ook dit argument te worden afgewezen.

(157)

Duidelijk ongegrond is de bewering dat de Commissie niet zorgvuldig zou hebben gehandeld toen zij informatie ontving over de tweede verlenging van het tarief. Italië zou het Terni-tarief hebben genoemd in het verslag van 2005 inzake staatssteun. Uitvoerige informatie over de maatregel van artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 werd echter pas in februari 2006 op verzoek van de Commissie verstrekt in het kader van het onderzoek naar staatssteun in verband met artikel 11, lid 12 van dezelfde wet (staatssteun C 13/06). Het formele onderzoek werd door de Commissie in juli 2006 ingesteld.

(158)

Gezien de korte tijd die verstreek tussen de indiening van informatie en het optreden van de Commissie is het duidelijk dat de Commissie zorgvuldig heeft gehandeld.

(159)

Gelet op het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de Terni-ondernemingen een gewettigd vertrouwen konden hebben in de rechtmatigheid van de betwiste maatregel.

Terugvordering

(160)

Alle onverenigbare steunbedragen die door ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche werden ontvangen op grond van artikel 11, lid 11 van Wet 80/2005 en betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari 2005 (zie punt 26) dienen met rente te worden teruggevorderd in overeenstemming met hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (47).

(161)

In dit verband moet worden opgemerkt dat met de terugvordering wordt beoogd de concurrentiepositie van de begunstigde terug te brengen naar de situatie die bestond vóór de toekenning van de onverenigbare steun. Bij het vaststellen van de concurrentiepositie van de Terni-ondernemingen vóór de invoering van Wet 80/2005 behoort rekening te worden gehouden met het bestaan van de bestaande steunmaatregel van Wet 9/1991 die tot 2007 in overeenstemming was met de regels voor staatssteun.

(162)

Derhalve is de Commissie van mening dat de resterende steunbedragen waarop de begunstigden in 2005, 2006 en 2007 op grond van Wet 9/1991 recht zouden hebben gehad als Wet 80/2005 niet zou zijn ingevoerd, in mindering mogen worden gebracht op de terug te vorderen bedragen, indien Italië van mening is dat de begunstigden daarop recht hebben op grond van de nationale wetgeving.

VII.   CONCLUSIE

(163)

De Commissie is van mening dat Italië in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag onrechtmatig de bepaling ten uitvoer heeft gelegd van artikel 11, lid 11 van Decreto-legge 80/05, omgezet in Wet 80/2005 tot wijziging en verlenging tot 2010 van het preferente elektriciteitstarief voor de drie Terni-ondernemingen. De Commissie is van mening dat een dergelijke maatregel, die neerkomt op exploitatiesteun, onder geen enkele uitzondering van het EG-Verdrag valt en derhalve onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Derhalve dienen de delen van bovengenoemde maatregel die nog niet zijn toegekend of uitbetaald niet te worden uitgevoerd. Reeds uitbetaalde steun dient te worden teruggevorderd. De bedragen waarop de begunstigden op grond van Wet 9/1991 in 2005, 2006 en 2007 recht zouden hebben gehad, kunnen in mindering worden gebracht op het totaal terug te vorderen bedrag,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De staatssteun die door Italië is verleend aan ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

2.   De staatssteun die door Italië is toegekend maar nog niet is uitgekeerd aan ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche is eveneens onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en dient derhalve niet te worden verleend.

Artikel 2

1.   Italië dient van de begunstigden de in artikel 1, lid 1, genoemde steun terug te vorderen.

2.   De terug te vorderen bedragen dienen te worden vermeerderd met rente over de gehele periode vanaf de dag waarop zij ter beschikking van de begunstigden werden gesteld tot de dag van terugbetaling.

3.   De rente dient te worden berekend op een samengestelde basis in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 794/2004.

Artikel 3

1.   Italië neemt alle nodige maatregelen om de onrechtmatige en onverenigbare steun als bedoeld in artikel 1 van de begunstigden terug te vorderen.

2.   De terugbetaling van de steun zal onverwijld en in overeenstemming met de nationale gerechtelijke procedures plaatsvinden, voorzover deze procedures de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van onderhavige beschikking toelaten.

3.   Italië dient te waarborgen dat deze beschikking binnen vier maanden na kennisgeving daarvan ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 4

1.   Italië dient de Commissie op de hoogte te houden van de voortgang van de nationale maatregelen die worden genomen om deze beschikking ten uitvoer te leggen tot de dag waarop deze maatregelen zijn voltooid.

2.   Binnen twee maanden na kennisgeving van deze beschikking dient Italië informatie te verstrekken met betrekking tot het totaalbedrag (hoofdsom en rente) dat van de begunstigden zal worden teruggevorderd, alsmede een uitvoerige beschrijving van de maatregelen die reeds zijn genomen en nog zullen worden genomen met het oog op de naleving van deze beschikking. Binnen dezelfde termijn dient Italië de Commissie alle documenten te doen toekomen waaruit blijkt dat de ontvangers is aangezegd de steun terug te betalen.

3.   Na de termijn van twee maanden als bedoeld in lid 2, dient Italië op eerste verzoek van de Commissie een verslag in te dienen over de maatregelen die het reeds heeft genomen of nog zal nemen met het oog op de naleving van deze beschikking. In dit verslag dient ook uitvoerige informatie te worden opgenomen over de reeds door de begunstigden terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot Italië.

Gedaan te Brussel, 20 november 2007.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)   PB C 214 van 6.9.2006, blz. 5.

(2)  Zie voetnoot 1.

(3)  Artikel 4, lid 6, eerste aandachtstreepje onder a) en b) van Wet 1643/62.

(4)  Ondernemingen die water voor openbaar gebruik benutten voor de opwekking van elektriciteit doen dat op grond van een tijdelijke concessie (concessione di derivazione idroelettrica). De looptijd (in Italië in het algemeen 30 jaar) is voldoende lang om ondernemingen hun investeringskosten te laten terugverdienen. Wanneer een concessie afloopt, moet zij opnieuw worden verleend via een transparante selectieprocedure.

(5)  Staatssteun NN 52/1991, brief SG(91) D/15502.

(6)  Artikel 1, lid 285 van Wet 266/2005.

(7)   Delibera AEEG Nr. 228/01.

(8)   Delibera AEEG Nr. 148/04.

(9)   PB L 227 van 19.8.1983, blz. 24.

(10)  Arrest van het Hof van Justitie in de zaak Terni SpA en Italsider SpA/Cassa Conguaglio per il settore elettrico, Verzoek om een prejudiciële beslissing, zaak C 99/92, Jurispr. [1994], blz. I-00541.

(11)  Beschikking SEC/1999/687 van 11 mei 1999 in zaak C-49/98, Maatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid, artikel 15 en 26 van Wet 196/97, PB L 42 van 15.2.2000, blz. 1.

(12)  Arrest van het Hof van Justitie in de zaak Deggendorf/Commissie, zaak C-355/95 Jurispr. [1997], blz. I-02549.

(13)  Mededeling van 16.12.2005 van het ministerie voor Productie aan de AEEG.

(14)   PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(15)  Zie voetnoot 14.

(16)  Delibera AEEG 190/2006.

(17)  Dit betreft met name de volgende arresten: A.D.B.H.U., zaak C 240/83 van 7.2.1985, Jurispr. (1985), blz. 00531, Asteris, gevoegde zaken C-106-120/87 van 27.9.1988, Jurispr. (1988) blz. 05515 Altmark, zaak C-280/00 van 24/7/2003, (Jurispr. 2003) blz. I-07747; Ferring, zaak C-53/00 van 22.11.2001, Jurispr. (2001) blz. I-09067.

(18)  Met name in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Griekenland en Finland. Italië heeft een overzicht verstrekt van regelingen die in deze landen zouden gelden voor energie-intensieve industrieën.

(19)  Eerste rapport van de groep op hoog niveau „Bijdragen aan een geïntegreerde benadering van concurrentie-, energie- en milieubeleid — functioneren van de energiemarkt, toegang tot energie, energie-efficiëntie en de Gemeenschapsregeling voor de emissiehandel” van 2 juni 2006.

(20)  Arrest van het Hof van Justitie inzake Pearle e.a., (zaak C-345/02 [2004] Jurispr. I-7139 en Preussen-Elektra, zaak C-379/98 [2001] Jurispr. IT-02099.

(21)  De regeling voor het aanvechten van het compensatiebedrag was opgenomen in artikel 5, lid 5 van de nationalisatiewet.

(22)  Opgemerkt moet worden dat bij het aflopen van concessies voor de opwekking van waterkrachtenergie de producerende onderneming volgens de Italiaanse wet de eigendomsrechten verliest op een deel van zijn activa, waaronder bepaalde technische faciliteiten, die automatisch aan de staat vervallen.

(23)  Zie de arresten van het Hof van Justitie in de zaak Steinike & Weinlig, C-78/76, Jurispr. [1977], blz. 595 en in de zaak van de Franse regering tegen de Commissie, zaak C-47/69, Jurispr. [1970], blz. 00487.

(24)  Arrest van het Hof van Justitie in de zaak Pearle e.a./Commissie, zaak C-345/02, Jurispr. [2004], I-7139.

(25)  Zie arrest van het Hof van Justitie inzake Italië/Commissie, zaak C-303/88, Jurispr. [1988], blz. I-1433, Frankrijk/Commissie, zaak C-47/69 Jurispr. [1970], blz. 4393; arrest van het GEA inzake Deutsche Bahn/Commissie, zaak T-351/02, Jurispr. [2006], blz. II-1047.

(26)  Cementir is onderdeel van het Caltagirone-concern en heeft een aantal fabrieken in Italië, waarvan enkele op exportgebied actief zijn. De onderneming produceert een scala aan cement- en kalkproducten en heeft de zeggenschap over een cementproducent in Turkije die naar de EU exporteert. Nuova Terni Industrie Chimiche is eigendom van Norsk Hydro, dat actief is op het gebied van de productie van chemische en minerale meststoffen, olie en gas en petrochemie. ThyssenKrupp is een wereldwijd opererend conglomeraat dat hoofdzakelijk doch niet uitsluitend actief is op het gebied van de productie van staal.

(27)  Arrest van het Hof van Justitie inzake Franse Republiek/Commissie, zaak C 102/87, Jurispr. [1988], blz. 04067.

(28)  Beschikking van de Commissie van 30.11.1994 (Zaak IV/33.322 — Cement), PB L 343/1994, blz. 1-158.

(29)  Beschikking IV/M.832 van 25.10.1996 Norsk Hydro/Enichem Agricoltura – Terni (II)

(30)  Zie onder meer Beschikking IV/M.925 Krupp-Hoesch/Thyssen van 11.8.1997.

(31)  Zie onder meer het arrest van het Hof van Justitie inzake Philip Morris/Commissie, (zaak 730/79, Jurispr. [1980], blz. 02671, punt 11) en het arrest van het Hof van Justitie inzake Air Liquide Industries/Ville de Seraing et Province de Liège (gevoegde zaken C-393/04 en C-41/05, Jurispr. [2006], blz. I-05293).

(32)  Zie hiervoor bijvoorbeeld het arrest van het GEA inzake Territorio Historico de Alava — Diputacion Foral de Alava, gevoegde zaken T-127/99 ad T-148/99, Jurispr. [2002], blz. II-012575, punt 173-175.

(33)  Gevoegde zaken C-15/98 en C-105/99, Italië en Sardegna Lines/Commissie Jurispr. [2000], blz. I-8855, punt 74 van de conclusie.

(34)  Arrest van het GEA in de zaak van de regering van Gibraltar tegen de Commissie, gevoegde zaken T-195-01 en T-207/01, Jurispr. [2002], blz. II-02309.

(35)  In de omzettingswet van Verordening 80/05 werd geregeld dat de tariefverlaging met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2005 zou gelden.

(36)  Breda Fucine Meridionali/Commissie, gevoegde zaak T-126/96 en T-127/96 Jurispr. [1998], blz. II-3437.

(37)  Zie voetnoot 5.

(38)  Zie de arresten van het Hof van Justitie inzake Italië/Commissie, Zaak C-86/89 Jurispr. [1990], blz. I-3891, punt 18, en Frankrijk/Commissie, Zaak C-301/87 Jurispr. [1990], IT-307, punt 50; arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg inzake Siemens/Commissie, Zaak T-459/93 Jurispr. [1995], blz. II-1675, punt 48.

(39)   PB C 37 van 3.2.2001 blz. 3.

(40)  Staatssteun nr. 27/1997, Beschikking SG(97) 4949 van de Commissie van 30 juni 1997.

(41)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie inzake de Italiaanse Republiek/Commissie, zaak C-372/97, Jurispr. [2004], blz. I-03679, punt 67.

(42)  Zie voetnoot 14.

(43)  Arrest van het Hof van Justitie inzake Alcan Deutschland, zaak C-24/95 Jurispr. [1997], blz. I-1591, punt 25, 30 en 31, en Demesa en Territorio histórico de Álava/Commissie, gevoegde zaken C-183/02 P en C-187/02, Jurispr. [2004], blz. I 10609, punt 45.

(44)  Arrest van het Hof van Justitie inzake Commissie/Duitsland, zaak C-5/89 Jurispr. [1990], blz. I-3437, punt 16.

(45)  Zie arrest van het GEA inzake Fleuren Compost/Commissie, zaak T-109/01, Jurispr. [2004], blz. II-127, punt 141-143.

(46)  Zie arrest van het GEA inzake Duitsland/Commissie, zaak C-506/03, Jurispr. [2005], punt 58.

(47)   PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/55


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 17 april 2008

betreffende de toewijzing van de hoeveelheden gereguleerde stoffen waarvan het gebruik in de Gemeenschap in 2008 voor essentiële toepassingen is toegestaan krachtens Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1403)

(Slechts de teksten in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Franse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Sloveense en de Spaanse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/409/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (1), en met name op artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Gemeenschap is reeds overgegaan tot de geleidelijke stopzetting van de productie en het verbruik van chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, broomfluorkoolwaterstoffen en broomchloormethaan.

(2)

Ieder jaar dient de Commissie te bepalen wat de essentiële toepassingen van deze gereguleerde stoffen zijn, welke hoeveelheden mogen worden gebruikt en welke bedrijven ze mogen gebruiken.

(3)

Besluit IV/25 van de partijen bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, hierna „het Protocol van Montreal” genoemd, bepaalt de criteria die door de Commissie bij de vaststelling van de essentiële toepassingen worden gehanteerd en geeft toestemming voor de productie en het verbruik van de hoeveelheden gereguleerde stoffen die nodig zijn om te voorzien in essentiële toepassingen van die stoffen op het grondgebied van elke partij.

(4)

Besluit XIX/13 van de partijen bij het Protocol van Montreal staat toe dat in de Europese Gemeenschap in 2008 200 ton chloorfluorkoolstoffen (CFK’s) wordt geproduceerd voor de vervaardiging en het gebruik van dosisinhalatoren (MDI’s), die als essentiële toepassingen van CFK’s in de zin van Besluit IV/25 worden aangemerkt.

(5)

Besluit XIX/18 van de partijen bij het Protocol van Montreal staat de productie en het verbruik toe van de hoeveelheden in de bijlagen A, B en C (stoffen van de groepen II en III) van het Protocol van Montreal opgenomen gereguleerde stoffen die nodig zijn om te voorzien in essentiële toepassingen van die stoffen in het kader van analytische en laboratoriumtoepassingen zoals opgesomd in bijlage IV van het verslag over de zevende vergadering der partijen, zulks onder de in bijlage II van het verslag over de zesde vergadering der partijen en in de Besluiten VII/11, XI/15 en XV/5 van de partijen bij het Protocol van Montreal omschreven voorwaarden. Besluit XVII/10 van de partijen bij het Protocol van Montreal staat de productie en het verbruik toe van de hoeveelheden van de in bijlage E van het Protocol van Montreal opgenomen gereguleerde stof die nodig zijn om te voorzien in de analytische en laboratoriumtoepassingen van methylbromide.

(6)

Overeenkomstig punt 3 van Besluit XII/2 van de partijen bij het Protocol van Montreal betreffende maatregelen om de overgang naar MDI’s zonder chloorfluorkoolstoffen te vergemakkelijken, hebben alle lidstaten het UNEP (Milieuprogramma van de Verenigde Naties) in kennis gesteld (2) van de werkzame bestanddelen waarvoor chloorfluorkoolstoffen (CFK’s) niet langer essentieel zijn ter vervaardiging van CFK-MDI’s die in de Europese Gemeenschap op de markt worden gebracht.

(7)

Krachtens artikel 4, lid 4, punt i), onder b), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 mogen CFK’s niet worden gebruikt en niet op de markt worden gebracht, tenzij ze onder de in artikel 3, lid 1, van die verordening beschreven voorwaarden als essentieel worden beschouwd. Doordat is vastgesteld dat CFK’s in een aantal gevallen niet essentieel zijn, is de vraag naar CFK’s die worden gebruikt in MDI’s die in de Europese Gemeenschap op de markt worden gebracht, afgenomen. Bovendien wordt in artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 bepaald dat CFK-MDI’s niet mogen worden ingevoerd of op de markt mogen worden gebracht, tenzij de CFK’s in deze producten onder de in artikel 3, lid 1, beschreven voorwaarden als essentieel worden beschouwd.

(8)

De Commissie heeft op 18 juli 2007 een kennisgeving (3) gepubliceerd die gericht was tot de in de Gemeenschap van 27 lidstaten gevestigde bedrijven die van de Commissie toestemming wensen te krijgen voor het gebruik in 2008 van gereguleerde stoffen voor essentiële toepassingen in de Gemeenschap, en zij heeft verklaringen ontvangen met betrekking tot geplande essentiële toepassingen van gereguleerde stoffen in 2008.

(9)

Om ervoor te zorgen dat geïnteresseerde bedrijven en exploitanten tijdig van het vergunningenstelsel gebruik kunnen blijven maken, dient deze beschikking met ingang van 1 januari 2008 van toepassing te zijn.

(10)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het krachtens artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 ingestelde beheerscomité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep I (chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële medische toepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 155 460,00 ODP-kg (ozone depleting potential).

2.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep I (chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115) en groep II (andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 56 213,60 ODP-kg.

3.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep III (halonen) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 418,7 ODP-kg.

4.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep IV (tetrachloorkoolstof) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 150 832,836 ODP-kg.

5.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep V (1,1,1-trichloorethaan) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 381,5 ODP-kg.

6.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep VI (methylbromide) die in 2008 in de Gemeenschap voor analytische en laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 150,00 ODP-kg.

7.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep VII (broomfluorkoolwaterstoffen) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 0,96 ODP-kg.

8.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep IX (broomchloormethaan) die in 2008 in de Gemeenschap voor essentiële laboratoriumtoepassingen mag worden gebruikt, wordt vastgesteld op 13,368 ODP-kg.

Artikel 2

De in bijlage I vermelde chloorfluorkoolstofhoudende dosisinhalatoren mogen niet op de markt worden gebracht wanneer de bevoegde instantie heeft bepaald dat chloorfluorkoolstoffen voor dosisinhalatoren op de betrokken markt niet essentieel zijn.

Artikel 3

Gedurende het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 2008 gelden de volgende bepalingen:

1.

de quota voor essentiële medische toepassingen van de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115 worden toegewezen aan de in bijlage II vermelde ondernemingen;

2.

de quota voor essentiële laboratoriumtoepassingen van de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115 en andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen worden toegewezen aan de in bijlage III vermelde ondernemingen;

3.

de quota voor essentiële laboratoriumtoepassingen van halonen worden toegewezen aan de in bijlage IV vermelde ondernemingen;

4.

de quota voor essentiële laboratoriumtoepassingen van tetrachloorkoolstof worden toegewezen aan de in bijlage V vermelde ondernemingen;

5.

de quota voor essentiële laboratoriumtoepassingen van 1,1,1-trichloorethaan worden toegewezen aan de in bijlage VI vermelde ondernemingen;

6.

de quota voor kritische analytische en laboratoriumtoepassingen van methylbromide worden toegewezen aan de in bijlage VII vermelde ondernemingen;

7.

de quota voor essentiële laboratoriumtoepassingen van broomfluorkoolwaterstoffen worden toegewezen aan de in bijlage VIII vermelde ondernemingen;

8.

de quota voor essentiële laboratoriumtoepassingen van broomchloormethaan worden toegewezen aan de in bijlage IX vermelde ondernemingen;

9.

de quota voor essentiële toepassingen van de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, broomfluorkoolwaterstoffen en broomchloormethaan worden gespecificeerd in bijlage X.

Artikel 4

Deze beschikking is van toepassing van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de volgende ondernemingen:

 

Acros Organics bvba

Janssen Pharmaceuticalaan 3A°

B-2440 Geel

 

Airbus France

Service EVICS

BP M6322

Route de Bayonne 316

F-31060 Toulouse Cedex 16

 

Bie & Berntsen

Sandbækvej 7

DK-2610 Rødovre

 

Boehringer Ingelheim GmbH

Binger Straße 173

D-55216 Ingelheim am Rhein

 

Carlo Erba Reactifs-SDS

ZI de Valdonne, BP 4

F-13124 Peypin

 

Chiesi Farmaceutici SpA

Via Palermo 26/A

I-43100 Parma

 

CNRS — Département Galilée

Observatoire de la Côte d'Azur — Siège Social

Boulevard de l'Observatoire, BP 4229

F-06304 Nice Cedex 4

 

Eras Labo

222 RN 90

F-38330 Saint-Nazaire-les-Eymes

 

Harp International

Gellihirion Industrial Estate

Rhondda, Cynon Taff

Pontypridd CF37 5SX

United Kingdom

 

Health Protection Inspectorate-Laboratories

Paldiski mnt 81

EE-10617 Tallinn

 

Honeywell Specialty Chemicals Seelze GmbH

Wunstorfer Straße 40

Postfach 100262

D-30918 Seelze

 

Ineos Fluor Ltd

PO Box 13

The Heath

Runcorn

Cheshire WA7 4QX

United Kingdom

 

Laboratorio Aldo-Union SA

Baronesa de Maldá 73

Espluges de Llobregat

E-08950 Barcelona

 

LGC Standards GmbH

Mercatorstraße 51

D-46485 Wesel

 

Mallinckrodt Baker EMEA

Teugseweg 20

7418 AM Deventer

Nederland

 

Mebrom

Assenedestraat 4

B-9940 Rieme Ertvelde

 

Merck KGaA

Frankfurter Straße 250

D-64271 Darmstadt

 

Mikro+Polo d.o.o.

Zagrebška cesta 22

SI-2000 Maribor

 

Ministry of Defense

Defence Fuel Lubricants and Chemicals Service/Chemical Laboratory

PO Box 10.000

1780 CA Den Helder

Nederland

 

Panreac Química SAU

Pol. Ind. Pla de la Bruguera

C/Garraf 2

E-08211 Castellar del Vallès — Barcelona

 

Sanolabor d.d.

Leskoškova 4

Ljubljana

Slovenia

 

SICOR SpA

Via Terrazzano 77

I-20017 Rho

 

Sigma Aldrich Chimie SARL

80, rue de Luzais

L'Isle d'Abeau Chesnes

F-38297 St-Quentin-Fallavier

 

Sigma Aldrich Company

The Old Brickyard, New Road

Gillingham SP8 4XT

United Kingdom

 

Sigma Aldrich Laborchemikalien GmbH

Wunstorfer Straße 40

D-30926 Seelze

 

Sigma Aldrich Logistik GmbH

Riedstraße 2

D-89555 Steinheim

 

Tazzetti Fluids SRL

Corso Europa n. 600/a

I-10070 Volpiano (TO)

 

Valeas SpA Pharmaceuticals

Via Vallisneri, 10

I-20133 Milano

 

Valvole Aerosol Research Italiana (VARI) SpA — LINDAL Group Italia

Via del Pino, 10

I-23854 Olginate (LC)

 

VWR I.SAS.

201, rue Carnot

F-94126 Fontenay-sous-Bois

Gedaan te Brussel, 17 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).

(2)  www.unep.org/ozone/Information_for_the_Parties/3Bi_dec12-2-3.asp

(3)   PB C 164 van 18.7.2007, blz. 37.


BIJLAGE I

Overeenkomstig punt 3 van Besluit XII/2 van de twaalfde vergadering der partijen bij het Protocol van Montreal betreffende maatregelen om de overgang naar dosisinhalatoren (MDI’s) zonder chloorfluorkoolstoffen te vergemakkelijken, hebben de volgende landen bepaald dat CFK’s, vanwege de beschikbaarheid van geschikte MDI’s zonder CFK’s, in combinatie met de volgende werkzame bestanddelen in het kader van het Protocol niet langer als essentieel kunnen worden aangemerkt:

LIJST VAN NIET-ESSENTIËLE STOFFEN

Bron: www.unep.org/ozone/Information_for_the_Parties/3Bi_dec12-2-3.asp

Tabel 1

Kortwerkende bronchodilatoire beta-agonisten

Land

Salbutamol

Terbutaline

Fenoterol

Orciprenaline

Reproterol

Carbuterol

Hexoprenaline

Pirbuterol

Clenbuterol

Bitolterol

Procaterol

Oostenrijk

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

België

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Bulgarije

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Cyprus

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Tsjechië

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Denemarken

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Estland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Finland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Frankrijk

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Duitsland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Griekenland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Hongarije

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Ierland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Italië

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Letland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Litouwen

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Luxemburg

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Malta

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Nederland

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Polen

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Portugal

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Roemenië

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Slowakije

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Slovenië

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Spanje

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Zweden

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Verenigd Koninkrijk

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X


Tabel 2

Inhalatiesteroïden

Land

Beclomethason

Dexamethason

Flunisolid

Fluticason

Budesonid

Triamcinolon

Oostenrijk

X

X

X

X

X

X

België

X

X

X

X

X

X

Bulgarije

X

X

X

X

X

X

Cyprus

 

 

 

 

 

 

Tsjechië

X

X

X

X

X

X

Denemarken

X

 

 

X

 

 

Estland

X

X

X

X

X

X

Finland

X

 

 

X

 

 

Frankrijk

X

 

 

X

 

 

Duitsland

X

X

X

X

X

X

Griekenland

X

 

X

X

X

X

Hongarije

X

X

X

X

X

X

Ierland

X

 

 

X

 

 

Italië

X

X

X

X

X

X

Letland

X

X

X

X

X

X

Litouwen

X

X

X

X

X

X

Luxemburg

X

X

X

X

X

X

Malta

X

 

 

X

 

 

Nederland

X

X

X

X

X

X

Polen

X

X

X

X

X

X

Portugal

X

X

X

X

X

X

Roemenië

X

X

X

X

X

X

Slowakije

X

X

X

X

X

X

Slovenië

X

X

X

X

X

X

Spanje

X

 

 

X

X

 

Zweden

X

 

 

X

 

 

Verenigd Koninkrijk

 

 

 

X

 

 


Tabel 3

Niet-steroïde ontstekingsremmers

Land

Cromoglicinezuur

Nedrocromil

 

 

 

 

Oostenrijk

X

X

 

 

 

 

België

X

X

 

 

 

 

Bulgarije

X

X

 

 

 

 

Cyprus

X

X

 

 

 

 

Tsjechië

X

X

 

 

 

 

Denemarken

X

X

 

 

 

 

Estland

X

X

 

 

 

 

Finland

X

X

 

 

 

 

Frankrijk

X

X

 

 

 

 

Duitsland

X

X

 

 

 

 

Griekenland

X

X

 

 

 

 

Hongarije

X

 

 

 

 

 

Ierland

 

 

 

 

 

 

Italië

X

X

 

 

 

 

Letland

X

X

 

 

 

 

Litouwen

X

X

 

 

 

 

Luxemburg

X

 

 

 

 

 

Malta

 

X

 

 

 

 

Nederland

X

X

 

 

 

 

Polen

X

X

 

 

 

 

Portugal

X

 

 

 

 

 

Roemenië

X

X

 

 

 

 

Slowakije

X

X

 

 

 

 

Slovenië

X

X

 

 

 

 

Spanje

 

X

 

 

 

 

Zweden

X

X

 

 

 

 

Verenigd Koninkrijk

X

X

 

 

 

 


Tabel 4

Anticholinerge luchtwegverwijders

Land

Ipratropiumbromide

Oxitropiumbromide

 

 

 

 

Oostenrijk

X

X

 

 

 

 

België

X

X

 

 

 

 

Bulgarije

X

X

 

 

 

 

Cyprus

X

X

 

 

 

 

Tsjechië

X

X

 

 

 

 

Denemarken

X

X

 

 

 

 

Estland

X

X

 

 

 

 

Finland

X

X

 

 

 

 

Frankrijk

 

 

 

 

 

 

Duitsland

X

X

 

 

 

 

Griekenland

X

X

 

 

 

 

Hongarije

X

X

 

 

 

 

Ierland

X

X

 

 

 

 

Italië

 

 

 

 

 

 

Letland

X

X

 

 

 

 

Litouwen

X

X

 

 

 

 

Luxemburg

X

X

 

 

 

 

Malta

X

X

 

 

 

 

Nederland

X

X

 

 

 

 

Polen

X

X

 

 

 

 

Portugal

X

 

 

 

 

 

Roemenië

X

X

 

 

 

 

Slowakije

X

X

 

 

 

 

Slovenië

X

X

 

 

 

 

Spanje

X

X

 

 

 

 

Zweden

X

X

 

 

 

 

Verenigd Koninkrijk

X

X

 

 

 

 


Tabel 5

Langwerkende bronchodilatoire beta-agonisten

Land

Formoterol

Salmeterol

 

 

 

 

Oostenrijk

X

X

 

 

 

 

België

X

X

 

 

 

 

Bulgarije

X

X

 

 

 

 

Cyprus

X

 

 

 

 

 

Tsjechië

X

X

 

 

 

 

Denemarken

 

X

 

 

 

 

Estland

X

X

 

 

 

 

Finland

X

X

 

 

 

 

Frankrijk

X

X

 

 

 

 

Duitsland

X

X

 

 

 

 

Griekenland

 

 

 

 

 

 

Hongarije

X

X

 

 

 

 

Ierland

X

X

 

 

 

 

Italië

X

X

 

 

 

 

Letland

X

X

 

 

 

 

Litouwen

X

X

 

 

 

 

Luxemburg

X

X

 

 

 

 

Malta

X

X

 

 

 

 

Nederland

X

X

 

 

 

 

Polen

X

X

 

 

 

 

Portugal

X

X

 

 

 

 

Roemenië

X

X

 

 

 

 

Slowakije

X

X

 

 

 

 

Slovenië

X

X

 

 

 

 

Spanje

 

X

 

 

 

 

Zweden

X

X

 

 

 

 

Verenigd Koninkrijk

X

X

 

 

 

 


Tabel 6

Combinaties van meerdere werkzame bestanddelen in één MDI

Land

 

 

 

 

 

 

Oostenrijk

Alle producten

 

 

 

 

 

België

Alle producten

 

 

 

 

 

Bulgarije

Alle producten

 

 

 

 

 

Cyprus

 

 

 

 

 

 

Tsjechië

Alle producten

 

 

 

 

 

Denemarken

Alle producten

 

 

 

 

 

Estland

 

 

 

 

 

 

Finland

Alle producten

 

 

 

 

 

Frankrijk

Alle producten

 

 

 

 

 

Duitsland

Alle producten

 

 

 

 

 

Griekenland

Alle producten

 

 

 

 

 

Hongarije

Alle producten

 

 

 

 

 

Ierland

 

 

 

 

 

 

Italië

Budenosid + Fenoterol

Fluticason +Salmeterol

 

 

 

 

Letland

Alle producten

 

 

 

 

 

Litouwen

Alle producten

 

 

 

 

 

Luxemburg

Alle producten

 

 

 

 

 

Malta

Alle producten

 

 

 

 

 

Nederland

Alle producten

 

 

 

 

 

Polen

Alle producten

 

 

 

 

 

Portugal

Alle producten

 

 

 

 

 

Roemenië

Alle producten

 

 

 

 

 

Slowakije

Alle producten

 

 

 

 

 

Slovenië

Alle producten

 

 

 

 

 

Spanje

 

 

 

 

 

 

Zweden

Alle producten

 

 

 

 

 

Verenigd Koninkrijk

 

 

 

 

 

 


BIJLAGE II

ESSENTIËLE MEDISCHE TOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep I die mogen worden gebruikt bij de productie van dosisinhalatoren (MDI’s) voor de behandeling van astma en andere chronische obstructieve longaandoeningen (COPD), worden toegewezen aan:

 

Boehringer Ingelheim GmbH (DE)

 

Chiesi Farmaceutici SpA (IT)

 

Laboratorio Aldo Union S.A. (ES)

 

SICOR SpA (IT)

 

Valeas SpA Pharmaceuticals (IT)

 

(VARI) Spa — LINDAL Group Italia (IT)

BIJLAGE III

ESSENTIËLE LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van de groepen I en II die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

 

Bie & Berntsen (DK)

 

Carlo Erba Reactifs-SDS (FR)

 

CNRS — Département Galilée (FR)

 

Harp International (UK)

 

Honeywell Specialty Chemicals (DE)

 

Ineos Fluor (UK)

 

LGC Standards (DE)

 

Mallinckrodt Baker (NL)

 

Merck KGaA (DE)

 

Mikro + Polo (SI)

 

Panreac Quimica (ES)

 

Sanolabor (SI)

 

Sigma Aldrich Chimie (FR)

 

Sigma Aldrich Company (UK)

 

Sigma Aldrich Logistik (DE)

 

Tazzetti Fluids (IT)

 

VWR I S A S (FR)

BIJLAGE IV

ESSENTIËLE LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep III die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

 

Airbus France (FR)

 

Eras Labo (FR)

 

Ineos Fluor (UK)

 

Ministerie van Defensie (NL)

BIJLAGE V

ESSENTIËLE LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep IV die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

 

Acros Organics (BE)

 

Bie & Berntsen (DK)

 

Carlo Erba Reactifs-SDS (FR)

 

Health Protection Inspectorate-Laboratories (EE)

 

Honeywell Specialty Chemicals (DE)

 

Mallinckrodt Baker (NL)

 

Merck KGaA (DE)

 

Mikro + Polo (SI)

 

Panreac Quimica (ES)

 

Sanolabor d.d. (SI)

 

Sigma Aldrich Chimie (FR)

 

Sigma Aldrich Company (UK)

 

Sigma Aldrich Laborchemikalien (DE)

 

Sigma Aldrich Logistik (DE)

 

VWR I S A S (FR)

BIJLAGE VI

ESSENTIËLE LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep V die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

 

Acros Organics (BE)

 

Bie & Berntsen (DK)

 

Merck KgaA (DE)

 

Mikro + Polo (SI)

 

Panreac Quimica (ES)

 

Sanolabor d.d. (SI)

 

Sigma Aldrich Chimie (FR)

 

Sigma Aldrich Company (UK)

 

Sigma Aldrich Logistik (DE)

BIJLAGE VII

KRITISCHE ANALYTISCHE EN LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep VI die mogen worden gebruikt voor kritische analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

 

Mebrom nv (BE)

 

Sigma Aldrich Logistik (DE)

BIJLAGE VIII

ESSENTIËLE LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep VII die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

Ineos Fluor (UK)

BIJLAGE IX

ESSENTIËLE LABORATORIUMTOEPASSINGEN

Quota gereguleerde stoffen van groep IX die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

 

Ineos Fluor (UK)

 

Sigma Aldrich Company (UK)

 

Sigma Aldrich Logistik (DE)

BIJLAGE X

Deze bijlage wordt niet gepubliceerd omdat zij vertrouwelijke commerciële informatie bevat.


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/69


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 30 april 2008

betreffende de toewijzing van invoerquota voor gereguleerde stoffen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 krachtens Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1639)

(Slechts de teksten in de Bulgaarse, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense en de Spaanse taal zijn authentiek)

(2008/410/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (1), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De kwantitatieve beperkingen voor het in de Gemeenschap in de handel brengen van gereguleerde stoffen worden vermeld in artikel 4 en bijlage III van Verordening (EG) nr. 2037/2000.

(2)

Artikel 4, lid 2, punt i), onder d), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 verbiedt producenten en importeurs na 31 december 2004 nog methylbromide op de markt te brengen of voor eigen rekening te gebruiken. Artikel 4, lid 4, punt i), onder b), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 voorziet in een afwijking van deze verbodsbepaling indien het methylbromide wordt gebruikt om te voorzien in de behoeften voor kritische toepassingen door gebruikers aan wie overeenkomstig artikel 3, lid 2, punt ii), van die verordening toestemming is verleend. De hoeveelheid methylbromide die in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 voor kritische toepassingen mag worden gebruikt, zal bij een afzonderlijke beschikking van de Commissie worden bekendgemaakt.

(3)

Artikel 4, lid 2, punt iii), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 voorziet in een afwijking van artikel 4, lid 2, punt i), onder d), indien het methylbromide wordt ingevoerd of geproduceerd voor quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer (QPS). De hoeveelheid methylbromide die voor deze doeleinden in 2008 wordt ingevoerd of geproduceerd, mag niet groter zijn dan het gemiddelde van de berekende hoeveelheden methylbromide die een producent of importeur in de jaren 1996, 1997 en 1998 voor QPS op de markt heeft gebracht of voor eigen rekening heeft gebruikt.

(4)

Artikel 4, lid 4, punt i), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 voorziet in een afwijking van artikel 4, lid 2, indien het methylbromide ter vernietiging of voor gebruik als grondstof wordt ingevoerd.

(5)

In artikel 4, lid 3, punt i), onder e), van Verordening (EG) nr. 2037/2000 wordt de totale berekende hoeveelheid chloorfluorkoolwaterstoffen vermeld die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 op de markt mogen brengen of voor eigen rekening mogen gebruiken.

(6)

De Commissie heeft een kennisgeving gepubliceerd aan de importeurs in de Gemeenschap van gereguleerde stoffen die de ozonlaag afbreken (2) en naar aanleiding daarvan verklaringen ontvangen met betrekking tot de voorgenomen invoer in 2008.

(7)

Voor chloorfluorkoolwaterstoffen gebeurt de toewijzing van quota aan producenten en importeurs overeenkomstig de bepalingen van Beschikking 2007/195/EG van de Commissie van 27 maart 2007 tot vaststelling van een regeling voor de toewijzing van quota aan producenten en importeurs van chloorfluorkoolwaterstoffen voor de jaren 2003 tot en met 2009 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 (3).

(8)

Teneinde te garanderen dat de betrokken bedrijven en exploitanten tijdig gebruik kunnen maken van de toegewezen invoerquota en zodoende de nodige continuïteit bij hun activiteiten te waarborgen, dient deze beschikking vanaf 1 januari 2008 van toepassing te zijn.

(9)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2037/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

1.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep I (chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115) en groep II (andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 8 608 000,00 ODP-kg (ozone depleting potential).

2.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep III (halonen) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 5 144 000,00 ODP-kg.

3.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep IV (tetrachloorkoolstof) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 10 000 330,00 ODP-kg.

4.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep V (1,1,1-trichloorethaan) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 400 060,00 ODP-kg.

5.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep VI (methylbromide) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht voor quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer, voor gebruik als grondstof en ter vernietiging, wordt vastgesteld op 1 372 411,20 ODP-kg.

6.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep VII (broomfluorkoolwaterstoffen) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht voor gebruik als grondstof, wordt vastgesteld op 146 00 ODP-kg.

7.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep VIII (chloorfluorkoolwaterstoffen) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 10 102 977,467 ODP-kg.

8.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 2037/2000 vallende gereguleerde stoffen van groep IX (broomchloormethaan) die in 2008 uit derde landen in de Gemeenschap mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 168 012,00 ODP-kg.

Artikel 2

1.   In bijlage I is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115 en andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen zijn toegewezen.

2.   In bijlage II is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor halonen zijn toegewezen.

3.   In bijlage III is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor tetrachloorkoolstof zijn toegewezen.

4.   In bijlage IV is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor 1,1,1-trichloorethaan zijn toegewezen.

5.   In bijlage V is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor methylbromide zijn toegewezen.

6.   In bijlage VI is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor broomfluorkoolwaterstoffen zijn toegewezen.

7.   In bijlage VII is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor chloorfluorkoolwaterstoffen zijn toegewezen.

8.   In bijlage VIII is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 invoerquota voor broomchloormethaan zijn toegewezen.

9.   De invoerquota voor de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide, broomfluorkoolwaterstoffen, chloorfluorkoolwaterstoffen en broomchloormethaan voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 worden in bijlage IX gespecificeerd.

Artikel 3

Deze beschikking is van toepassing van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de volgende ondernemingen:

 

Agropest Sp. z o.o.

ul. Górnicza 12/14

PL-91-765 Łódź

 

Albemarle Chemicals SAS

28, Étang de la Gaffette

F-13521 Port-de-Bouc

 

Albemarle Europe SPRL

Parc Scientifique Einstein

Rue du Bosquet 9

B-1348 Louvain-la-Neuve

 

Alcobre SA

C/Luis I, Nave 6-B

Poligono Industrial Vallecas

E-28031 Madrid

 

Arkema SA

420, rue d'Estienne D'Orves

F-92705 Colombes

 

AT-Karlovo

56 A, General Kartzov str.

Karlovo 4302

Bulgaria

 

Avantec SA

26, Avenue du Petit Parc

F-94683 Vincennes

 

Bang & Bonsomer

20/22 - 3 Jekaba str

LV-1050 Riga

 

BASF SE

Carl-Bosch-Str. 38

D-67605 Ludwigshafen

 

BaySystems Ibéria

Crta Vilaseca – La Pineda s/n

E-43006 Tarragona

 

Blye Engineering Co Ltd

Naxxar Road

San Gwann SGN 07

Malta

 

Bromotirrena Srl

Via Torino, 4

I-04022 Fondi (LT)

 

Calorie Fluor SAS

503, rue Hélène Boucher

ZI Buc — BP 33

F-78534 Buc Cedex

 

Desautel SAS

Parc d'Entreprises BP 9

F-01121 Montluel (Cedex)

 

Dow Deutschland Anlagegesellschaft mbH

Buetzflethersand

D-21683 Stade

 

DuPont de Nemours (Nederland) BV

Baanhoekweg 22

3313 LA Dordrecht

Nederland

 

Dyneon GmbH & Co KG

Werk Gendorf

D-84504 Burgkirchen

 

Empor d.o.o.

Leskoškova 9a

SLO-1000 Ljubljana

 

Etis d.o.o.

Trzaska 333

SLO-1000 Ljubljana

 

Eurobrom BV

Fosfaatweg 48

1013 BM Amsterdam

Nederland

 

Freolitus

Centrine g. 1D

Ramučiai, Kauno r. LT-54464

Lithuania

 

Fenner Dunlop

Oliemolenstraat 2

9203 ZN Drachten

Nederland

 

Fujifilm Electronic Materials (Europe) NV

Keetberglaan 1A

Haven 1061

B-2070 Zwijndrecht

 

G.A.L Cycle-Air Ltd

3, Sinopis Str.,

Strovolos

2835 Nicosia

Cyprus

 

Galco SA

Avenue Carton de Wiart 79

B-1090 Brussels

 

Harp International Ltd.

Gellihirion Industrial Estate

Rhondda Cynon Taff

Pontypridd CF37 5SX

United Kingdom

 

Honeywell Fluorine Products Europe BV

Laarderhoogtweg 18,

1101 EA Amsterdam

Nederland

 

Hovione Farmaciencia SA

Sete Casas

P-2674-506 Loures

 

Ineos Fluor Ltd

PO Box 13, The Heath

Runcorn, Cheshire WA7 4QX

United Kingdom

 

Laboratorios Miret SA (Lamirsa)

Geminis 4

E-08228 Terrassa (Barcelona)

 

Linde Gaz Polska Sp. z o.o.

al. Jana Pawla II 41 a

PL-31-864 Kraków

 

Matero Ltd

PO Box 51744

3508 Limassol

Cyprus

 

Mebrom NV

Assenedestraat 4

B-9940 Rieme Ertvelde

 

Poż-Pliszka Sp. z o.o.

ul. Szczecińska 45

PL-80-392 Gdańsk

 

PUPH SOLFUM Sp. z o.o.

ul. Ziemiańska 21

PL-95-070 Rąbień AB

 

Refrigerant Products Ltd.

Banyard Road

Portbury West

Bristol BS20 7XH

United Kingdom

 

Sigma Aldrich Company

The Old Brickyard, New Road

Gillingham SP8 4XT

United Kingdom

 

Sigma Aldrich Logistik GmbH

Riedstraße 2

D-89555 Steinheim

 

SJB Energy Trading BV

Slagveld 15

3230 AG Brielle

Nederland

 

Solquimia Iberia

C/Mexico no 3

E-50196 La Muela (Zaragoza)

 

Solvay Fluor GmbH

Hans-Böckler-Allee 20

D-30173 Hannover

 

Solvay Organics GmbH

Hans-Böckler-Allee 20

D-30173 Hannover

 

Solvay Solexis SpA

Viale Lombardia 20

I-20021 Bollate (MI)

 

Syngenta Crop Protection

Surrey Research Park

30 Priestly Road, Guildford Surrey

GU2 7YH

United Kingdom

 

Tazzetti Fluids SRL

Corso Europa n. 600/a

I-10070 Volpiano (TO)

 

Vrec-Co Import-Export Kft.

Kossuth u. 12

HU-6763 Szatymaz

 

Wigmors

ul. Irysowa 5

PL-51-117 Wrocław

 

Wilhelmsen Maritime Service AS

Wilhelmbarentstraat 50, 3165 AB

Rotterdam/Albrandswaard

Nederland

 

Zakłady Azotowe w Tarnowie-Mościcach

ul. Kwiatkowskiego 8

PL-33-101 Tarnów

 

Zephyr Kereskedelmi és Szolgáltató Kft.

6000 Kecskemét

Tatár sor 18.

Hungary

Gedaan te Brussel, 30 april 2008.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 244 van 29.9.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/540/EG van de Commissie (PB L 198 van 31.7.2007, blz. 35).

(2)   PB C 164 van 18.7.2007, blz. 22.

(3)   PB L 88 van 29.3.2007, blz. 51.


BIJLAGE I

GROEPEN I EN II

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115 en andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen voor gebruik als grondstof en ter vernietiging gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

 

Avantec SA (FR)

 

Ineos Fluor Ltd (UK)

 

Honeywell Fluorine Products Europe (NL)

 

Solvay Fluor GmbH (DE)

 

Solvay Solexis SpA (IT)

 

Syngenta Crop Protection (UK)

 

Tazzetti Fluids Srl (IT)

 

Wilhelmsen Maritime Service AS (NL)

BIJLAGE II

GROEP III

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor halonen voor kritische toepassingen en ter vernietiging gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

 

Avantec SA (FR)

 

BASF SE (DE)

 

Desautel SAS (FR)

 

Poz-Pliszka (PL)

 

Wilhelmsen Maritime Service AS (NL)

BIJLAGE III

GROEP IV

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor tetrachloorkoolstof voor gebruik als grondstof en ter vernietiging gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

 

Dow Deutschland (DE)

 

Fenner Dunlop (NL)

BIJLAGE IV

GROEP V

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor 1,1,1-trichloorethaan voor gebruik als grondstof en ter vernietiging gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

 

Arkema SA (FR)

 

Fujifilm Electronic Materials Europe (BE)

BIJLAGE V

GROEP VI

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor methylbromide voor quarantainedoeleinden of toepassingen ter voorbereiding van het vervoer, voor gebruik als grondstof en ter vernietiging gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

 

AT-KARLOVO (BG)

 

Agropest Sp. z o.o. (PL)

 

Albemarle Chemicals (FR)

 

Albemarle Europe (BE)

 

Bang & Bonsomer (LV)

 

Bromotirrena Srl (IT)

 

Eurobrom bv (NL)

 

Mebrom nv (BE)

 

PUPH SOLFUM Sp. z o.o (PL)

 

Sigma Aldrich Logistik (DE)

 

Zephyr Kereskedelmi és Szolgáltató Kft. (HU)

BIJLAGE VI

GROEP VII

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor broomfluorkoolwaterstoffen voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

Hovione Farmaciencia SA (PT)

BIJLAGE VII

GROEP VIII

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 en overeenkomstig de bepalingen van Beschikking 2007/195/EG aan producenten en importeurs toegewezen invoerquota voor chloorfluorkoolwaterstoffen voor gebruik als grondstof, als technische hulpstof, voor regeneratiedoeleinden, ter vernietiging en voor andere krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2037/2000 toegestane toepassingen gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

Producent

 

Arkema SA (FR)

 

DuPont de Nemours (Nederland) bv (NL)

 

Honeywell Fluorine Products Europe bv (NL)

 

Ineos Fluor Ltd (UK)

 

Solvay Fluor GmbH (DE)

 

Solvay Organics GmbH (DE)

 

Solvay Solexis SpA (IT)
Importeur

 

Alcobre S.A. (ES)

 

Avantec SA (FR)

 

Bay Systems Iberia (ES)

 

Blye Engineering Co Ltd (MT)

 

Calorie Fluor SA (FR)

 

Dyneon (DE)

 

Empor d.o.o. (SI)

 

Etis d.o.o. (SI)

 

Freolitus (LT)

 

Galco SA (BE)

 

G.AL. Cycle Air Ltd (CY)

 

Harp International Ltd (UK)

 

Linde Gaz Polska Sp. z o.o (PL)

 

Matero Ltd (CY)

 

Mebrom nv (BE)

 

Refrigerant Products Ltd (UK)

 

SJB Energy Trading bv (NL)

 

Sigma Aldrich Company (UK)

 

Solquimia Iberia, S.L. (ES)

 

Tazzetti Fluids Srl (IT)

 

Vrec-Co Export-Import Kft. (HU)

 

Wigmors (PL)

 

Wilhelmesen Maritime Service AS (NL)

 

Zakady Azotowe (PL)

BIJLAGE VIII

GROEP IX

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2037/2000 aan importeurs toegewezen invoerquota voor broomchloormethaan voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.

 

Albemarle Europe (BE)

 

Eurobrom bv (NL)

 

Laboratorios Miret S.A. (LAMIRSA) (ES)

 

Sigma Aldrich Logistik GmbH (DE)

BIJLAGE IX

Deze bijlage wordt niet gepubliceerd omdat zij vertrouwelijke commerciële informatie bevat.


4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/77


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 21 mei 2008

betreffende de harmonisering van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1873)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/411/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking) (1), met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft zich in haar mededeling over „Snelle toegang tot het spectrum voor draadloze elektronische communicatiediensten door meer flexibiliteit” (2), die zich onder meer richt op de 3 400-3 800 MHz-band, voorstander getoond van een meer flexibel spectrumgebruik. De lidstaten onderstreepten in het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum (Radio Spectrum Policy Group — RSPG) over het draadlozetoegangsbeleid voor elektronische communicatie (Wireless Access Policy for Electronic Communications Services — WAPECS) van 23 november 2005 het belang van technologie- en dienstenneutraliteit als belangrijke beleidsdoelstellingen met het oog op een meer flexibel spectrumgebruik. Deze beleidsdoelstellingen moeten volgens dit advies bovendien niet abrupt maar geleidelijk worden ingevoerd om verstoring van de markt te voorkomen.

(2)

De toewijzing van de 3 400-3 800 MHz-band voor vaste, nomadische en mobiele toepassingen is een belangrijk element bij de convergentie van de mobiele, vaste en omroeptoepassingen en weerspiegelt de technische innovatie. Bij de diensten die in deze frequentieband worden verschaft, zou de toegang van eindgebruikers tot breedbandcommunicatie voorop moeten staan.

(3)

Verwacht wordt dat draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie waarvoor de 3 400-3 800 MHz-band is bestemd, grotendeels pan-Europees zullen zijn in die zin dat gebruikers van dergelijke diensten voor elektronische communicatie in een lidstaat ook toegang zouden kunnen krijgen tot gelijkwaardige diensten in andere lidstaten.

(4)

Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Beschikking nr. 676/2002/EG heeft de Commissie de Europese Conferentie voor post en telecommunicatie (hierna de „CEPT”) op 4 januari 2006 een mandaat gegeven om voorwaarden te formuleren voor het verstrekken van geharmoniseerde radiofrequentiebanden in de EU voor draadlozebreedbandtoepassingen.

(5)

Op grond van dat mandaat heeft de CEPT een rapport ingediend (CEPT-rapport 15) over draadlozebreedbandtoepassingen, waarin wordt vastgesteld dat de invoering van vaste, nomadische en mobiele netwerken technisch haalbaar is binnen de 3 400-3 800 MHz-frequentieband onder de technische voorwaarden die zijn beschreven in Beschikking ECC/DEC/(07)02 en Aanbeveling ECC/REC/(04)05 van het Comité voor elektronische communicatie (ECC).

(6)

De resultaten van dit mandaat aan de CEPT zouden zo snel mogelijk in de Gemeenschap moeten worden toegepast en door de lidstaten moeten worden uitgevoerd gezien de vraag in de markt naar de invoering van diensten voor terrestrische elektronische communicatie die in deze banden breedbandtoegang verlenen. Gezien de verschillen in het huidige gebruik en de vraag in de markt voor de 3 400-3 600 MHz en 3 600-3 800 MHz-subbanden op nationaal niveau zou voor het toewijzen en ter beschikking stellen van de twee subbanden niet dezelfde termijn moeten worden vastgesteld.

(7)

Bij het toewijzen en ter beschikking stellen van de 3 400-3 800 MHz-band in overeenstemming met de resultaten van het mandaat inzake draadlozebreedbandtoegang, wordt er rekening mee gehouden dat er andere bestaande toepassingen zijn in deze banden en wordt het toekomstige gebruik van deze banden door andere systemen en diensten waarvoor deze banden zijn toegewezen in overeenstemming met de radioregelgeving van de ITU (toewijzing op niet-exclusieve basis) niet uitgesloten. Passende criteria om samen met andere systemen en diensten gebruik te maken van dezelfde of aangrenzende banden werden ontwikkeld in het ECC-rapport 100. Dit rapport bevestigt onder meer dat het delen met satellietdiensten in veel gevallen haalbaar is gezien de mate waarin deze diensten zijn ingevoerd in Europa, de eisen inzake geografische scheiding en de evaluatie per geval van feitelijke terreintopografie.

(8)

Block Edge Masks (BEM) (eisen voor het maximale vermogen aan de randen van het toegewezen blokspectrum) zijn technische parameters die van toepassing zijn op het volledige blokspectrum van een specifieke gebruiker, ongeacht het aantal kanalen dat wordt bestreken door de technologie waarvoor de gebruiker heeft gekozen. Het is de bedoeling dat deze BEM's deel uitmaken van de vergunningsregeling voor het spectrumgebruik. Zij bestrijken zowel emissies binnen het blok als emissies daarbuiten. Het betreft hier regelgevende voorschriften die erop gericht zijn het risico van schadelijke interferentie tussen aangrenzende netwerken in goede banen te leiden, die geen afbreuk doen aan de beperkingen die zijn vastgesteld in de normen voor apparatuur op grond van Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (3) (de R&TTE-richtlijn).

(9)

De harmonisering van technische voorwaarden voor de beschikbaarheid en een doelmatig spectrumgebruik bestrijkt niet de toewijzing, de vergunningsprocedures en timing of het besluit om gebruik te maken van concurrerende selectieprocedures voor het toewijzen van radiofrequenties; deze zullen georganiseerd worden door de lidstaten in overeenstemming met de communautaire wetgeving.

(10)

Verschillen in de nationale wetgevingen zouden kunnen leiden tot concurrentieverstoringen. Het bestaande regelgevingskader geeft de lidstaten instrumenten om een oplossing te vinden voor deze problemen op een evenredige, niet-discriminerende en objectieve manier, in overeenstemming met de communautaire wetgeving met inbegrip van Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (4) en Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (5).

(11)

Het gebruik van de 3 400-3 800 MHz-band door andere bestaande toepassingen in derde landen kan de invoering en het gebruik van deze band door elektronischecommunicatienetwerken in verschillende lidstaten beperken. Informatie over dergelijke beperkingen dient op grond van artikel 7 en artikel 6, lid 2, van Beschikking nr. 676/2002/EG aan de Commissie te worden meegedeeld en in overeenstemming met artikel 5 van Beschikking nr. 676/2002/EG te worden gepubliceerd.

(12)

Om ook op langere termijn te zorgen voor een doelmatig gebruik van de 3 400-3 800 MHz-band, moeten de administraties doorgaan met studies die kunnen bijdragen tot een grotere efficiëntie en een meer innovatief gebruik, zoals „meshed”-netwerkarchitecturen. Met dergelijke studies moet ook rekening worden gehouden als een herziening van deze beschikking wordt overwogen.

(13)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Radiospectrumcomité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Deze beschikking beoogt de voorwaarden te harmoniseren voor de beschikbaarheid en het doelmatige gebruik van de 3 400-3 800 MHz-band voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen zonder afbreuk te doen aan de bescherming en de voorgezette exploitatie van andere bestaande toepassingen in deze band.

Artikel 2

1.   Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze beschikking zorgen de lidstaten voor de toewijzing en beschikbaarstelling op niet-exclusieve basis van de 3 400-3 600 MHz-band aan terrestrische elektronischecommunicatienetwerken, in overeenstemming met de in de bijlage bij deze beschikking vermelde parameters.

2.   De lidstaten wijzen vóór 1 januari 2012 de 3 600-3 800 MHz-band op niet-exclusieve basis toe aan terrestrische elektronischecommunicatienetwerken en stellen deze vervolgens beschikbaar, in overeenstemming met de in de bijlage bij deze beschikking vermelde parameters.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1 en 2 vermelde netwerken passende bescherming bieden aan systemen in aangrenzende banden.

4.   De lidstaten zijn niet verplicht de verplichtingen uit hoofde van deze beschikking uit te voeren in geografische gebieden waar coördinatie met derde landen een afwijking vergt van de in de bijlage bij deze beschikking vermelde parameters.

De lidstaten doen alle praktische inspanningen om dergelijke afwijkingen op te lossen en stellen de Commissie hiervan in kennis, met inbegrip van de geografische gebieden in kwestie, en maken de relevante informatie bekend overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG.

Artikel 3

De lidstaten staan het gebruik van de 3 400-3 800 MHz-band toe in overeenstemming met artikel 2 voor netwerken voor vaste, nomadische en mobiele elektronische communicatie.

Artikel 4

De lidstaten houden nauwlettend toezicht op het gebruik van de 3 400-3 800 MHz-band en delen hun bevindingen aan de Commissie mee, zodat de beschikking periodiek en tijdig kan worden getoetst.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 mei 2008.

Voor de Commissie

Viviane REDING

Lid van de Commissie


(1)   PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(2)  COM(2007) 50.

(3)   PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(4)   PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(5)   PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 717/2007 (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 32).


BIJLAGE

IN ARTIKEL 2 BEDOELDE PARAMETERS

De volgende technische parameters, ook wel Block Edge Mask (BEM) genoemd, zijn een wezenlijk onderdeel van de voorwaarden die nodig zijn om te kunnen zorgen voor co-existentie wanneer er geen bilaterale of multilaterale overeenkomsten zijn tussen aangrenzende netwerken. Minder strikte technische parameters kunnen ook worden gebruikt indien exploitanten van dergelijke netwerken deze overeenkomen. Apparatuur die wordt gebruikt in deze band, kan ook gebruikmaken van andere e.i.r.p-grenswaarden (1) dan die welke hieronder zijn vermeld, mits geschikte onderdrukkingstechnieken worden toegepast in overeenstemming met Richtlijn 1999/5/EG die ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming bieden als wordt geboden door deze technische parameters (2).

A)   GRENSWAARDEN VOOR EMISSIES BINNEN HET BLOK

Tabel 1

E.i.r.p.-spectrumdichtheidsgrenswaarden voor vaste en nomadische toepassingen tussen 3 400 en 3 800 MHz

Stationstype

Maximale e.i.r.p.-spectrumdichtheid

(dBm/MHz)

(met inbegrip van toleranties en het ATPC-bereik (bereik voor automatische regeling van het zendvermogen))

Centraal station (en Repeater Station down-links)

+53  (3)

Eindstation buiten (en Repeater Station up-links)

+50

Eindstation (indoor)

+42


Tabel 2

De e.i.r.p.-spectrumdichtheidsgrenswaarden voor mobiele toepassingen tussen 3 400 en 3 800 MHz

Stationstype

Maximale e.i.r.p.-spectrumdichtheid

(dBm/MHz)

(Minimale ATPC-bereik: 15 dB)

Centraal station

+53  (4)

Eindstation

+25

B)   GRENSWAARDEN VOOR EMISSIE BUITEN HET BLOK (BLOCK EDGE MASK VOOR CENTRALE STATIONS)

Figuur

Centraal station voor emissies buiten het blok

Image 1
Noot

Frequentieafwijking

Definitie

(% van de omvang van het toegewezen blok)

A

20  %

B

35  %

Noot: De percentages in de kolom „Definitie” verwijzen naar het kleinste aangrenzende blok wanneer de blokken van ongelijke omvang zijn.

TX-vermogensdichtheid uitgezonden signalen (dBm/MHz)

Toegewezen blok

Aangrenzend blok

PMAX

Interne scheidingsband (~1/2 systeemkanaal)

1ste systeemkanaal (typische breedte)

2de systeemkanaal (typische breedte)

-6

-47

-59

0

A

B

F, vanaf de rand van het blok

Tabel

Beschrijving in tabelvorm van het Block Edge Mask voor het centrale station

Frequentieafwijking

Grenswaarden voor de vermogensdichtheid van door het centrale station uitgezonden signalen

(dBm/MHz)

Binnen de band (binnen het toegewezen blok)

Zie de tabellen 1 en 2

ΔF = 0

– 6

0<ΔF<A

– 6 – 41· (ΔF/A)

A

– 47

A<ΔF<B

– 47 – 12· ((ΔF – A)/(B – A))

ΔF≥B

– 59


(1)  Equivalent isotroop uitgestraald vermogen.

(2)  De generieke technische voorwaarden die van toepassing zijn op vaste en nomadische netwerken worden beschreven in de Geharmoniseerde Normen EN 302 326-2 en EN 302 326-3, die ook definities omvatten voor een centraal en een eindstation. De term centraal station kan worden beschouwd als gelijkwaardig aan de term basisstation in de context van mobiele cellulaire netwerken.

(3)  De e.i.r.p.-spectrumdichtheid van het centrale station in de tabel wordt als geschikt beschouwd voor conventionele sectorantennes van 90 graden.

(4)  De e.i.r.p.-spectrumdichtheid van het centrale station in de tabel wordt als geschikt beschouwd voor conventionele sectorantennes van 90 graden.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

4.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/82


BESLUIT CHAD/3/2008 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 28 mei 2008

tot wijziging van Besluit CHAD/1/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité inzake de aanvaarding van bijdragen van derde staten aan de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek, en van Besluit CHAD/2/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité tot instelling van het Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek

(2008/412/GBVB)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 25, derde alinea,

Gelet op Gemeenschappelijk Optreden 2007/677/GBVB van de Raad van 15 oktober 2007 inzake de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek (1) (operatie EUFOR/Tsjaad/CAR), en met name op artikel 10, lid 2,

Gelet op Besluit CHAD/1/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité van 13 februari 2008 inzake de aanvaarding van bijdragen van derde staten aan de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek (2), en op Besluit CHAD/2/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité tot instelling van het Comité van contribuanten aan de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van de aanbevelingen van de operationele commandant van de Europese Unie en het Militair Comité van de Europese Unie inzake de bijdrage van de Russische Federatie, dient de bijdrage van de Russische Federatie te worden aanvaard.

(2)

Overeenkomstig artikel 6 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en uitvoering van besluiten en acties van de Europese Unie die gevolgen hebben op defensiegebied,

BESLUIT:

Artikel 1

Artikel 1 van Besluit CHAD/1/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité van 13 februari 2008 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Bijdragen van derde staten

Ingevolge de conferenties over de opbouw van de troepenmacht en verder overleg worden de bijdragen van de Republiek Albanië en de Russische Federatie voor de militaire operatie van de Europese Unie in de Republiek Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek aanvaard.”.

Artikel 2

De bijlage bij Besluit CHAD/2/2008 van het Politiek en Veiligheidscomité van 18 maart 2008 wordt vervangen door:

„BIJLAGE

Lijst van derde staten bedoeld in artikel 2, lid 1

de Republiek Albanië

de Russische Federatie”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 28 mei 2008.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

M. IPAVIC


(1)   PB L 279 van 23.10.2007, blz. 21.

(2)   PB L 56 van 29.2.2008, blz. 64.

(3)   PB L 107 van 17.4.2008, blz. 60.