ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 130

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

51e jaargang
20 mei 2008


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 430/2008 van de Commissie van 19 mei 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 431/2008 van de Commissie van 19 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 02062991

3

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2008/376/EG

 

*

Beschikking van de Raad van 29 april 2008 inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma

7

 

 

Commissie

 

 

2008/377/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 8 mei 2008 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1765)  ( 1 )

18

 

 

2008/378/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 15 mei 2008 tot wijziging van Beschikking 2006/133/EG tot tijdelijke verplichting van de lidstaten om ten aanzien van andere gebieden in Portugal dan die waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) er niet voorkomt, aanvullende maatregelen te nemen teneinde de verspreiding ervan tegen te gaan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1892)

22

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2008/379/GBVB van de Raad van 19 mei 2008 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EUBAM Rafah)

24

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

20.5.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 130/1


VERORDENING (EG) Nr. 430/2008 VAN DE COMMISSIE

van 19 mei 2008

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 20 mei 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 mei 2008.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 350 van 31.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 19 mei 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

54,0

TN

105,3

TR

90,6

ZZ

83,3

0707 00 05

EG

167,2

JO

196,3

MK

40,9

TR

127,2

ZZ

132,9

0709 90 70

TR

122,5

ZZ

122,5

0805 10 20

EG

42,0

IL

71,2

MA

56,7

TN

52,0

TR

54,8

US

56,4

ZZ

55,5

0805 50 10

AR

144,4

BR

156,0

MK

58,7

TR

155,1

US

135,5

ZA

134,8

ZZ

130,8

0808 10 80

AR

94,1

BR

83,7

CA

75,2

CL

92,2

CN

84,8

MK

64,0

NZ

114,9

US

122,8

UY

77,7

ZA

80,5

ZZ

89,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.


20.5.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 130/3


VERORDENING (EG) Nr. 431/2008 VAN DE COMMISSIE

van 19 mei 2008

betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 32, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van de CXL-lijst van de Wereldhandelsorganisatie moet de Gemeenschap jaarlijks een tariefcontingent openen voor de invoer van 53 000 ton bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 (volgnummer 09.4003). De uitvoeringsbepalingen voor de opening en de wijze van beheer van dit invoercontingent moeten jaarlijks worden vastgesteld voor de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar.

(2)

Overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 moet de invoer in de Gemeenschap worden beheerd door middel van invoercertificaten. Het is evenwel dienstig dit contingent te beheren door in eerste instantie invoerrechten toe te kennen en in tweede instantie invoercertificaten af te geven, zoals is vastgesteld in artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoercontingenten voor landbouwproducten (2). Op die manier kunnen marktdeelnemers met invoerrechten in de loop van de contingentperiode beslissen wanneer zij, rekening houdend met de door hen verhandelde hoeveelheden, het best invoercertificaten aanvragen. Bij die verordening is de geldigheid van certificaten beperkt tot en met de laatste dag van de invoertariefcontingentperiode.

(3)

De op grond van deze verordening afgegeven invoercertificaten moeten, behoudens afwijkingen, voldoen aan Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (3) en aan Verordening (EG) nr. 382/2008 van de Commissie van 21 april 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer- en uitvoercertificatenregeling in de sector rundvlees (4).

(4)

Het contingent voor 2007/2008 werd beheerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 529/2007 van de Commissie van 11 mei 2007 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 (1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008) (5). De bij die verordening vastgestelde wijze van beheer is gebaseerd op een criterium inzake de invoerprestatie dat ervoor zorgt dat het contingent wordt toegewezen aan professionele marktdeelnemers die in staat zijn om rundvlees in te voeren zonder ongepaste speculatie te bedrijven.

(5)

Blijkens de met die wijze van beheer opgedane ervaring zijn de resultaten positief en daarom is het dienstig er ook mee te werken voor de contingentperiode die begint op 1 juli 2008. Voor de in aanmerking komende invoer moet daarom een referentieperiode worden vastgesteld die lang genoeg is om de representatieve prestatie te kunnen meten en recent genoeg om een beeld te kunnen krijgen van de laatste ontwikkelingen in de handel.

(6)

In Verordening (EG) nr. 1301/2006 zijn met name uitvoeringsbepalingen inzake het aanvragen van invoerrechten, de status van de aanvragers en de afgifte van invoercertificaten vastgesteld. Verordening (EG) nr. 1301/2006 moet van toepassing zijn op de op grond van de onderhavige verordening afgegeven invoercertificaten, onverminderd de bij de onderhavige verordening vastgestelde aanvullende voorschriften.

(7)

Ter voorkoming van speculatie dient een zekerheid betreffende de invoerrechten te worden vastgesteld die door elke aanvrager in het kader van het contingent moet worden gesteld.

(8)

Om de marktdeelnemers ertoe te verplichten invoercertificaten aan te vragen voor alle toegewezen rechten tot invoer, moet worden bepaald dat deze verplichting een primaire eis is in de zin van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (6).

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar (hierna „de invoertariefcontingentperiode” genoemd) wordt voor bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 een tariefcontingent geopend van 53 000 ton, uitgedrukt in vlees zonder been.

Het volgnummer van het tariefcontingent is 09.4003.

2.   Voor het in lid 1 vastgestelde contingent bedraagt het toe te passen recht van het gemeenschappelijk douanetarief 20 % ad valorem.

Artikel 2

1.   Het in artikel 1, lid 1, vastgestelde invoertariefcontingent wordt beheerd door in eerste instantie invoerrechten toe te kennen en in tweede instantie invoercertificaten af te geven.

2.   De Verordeningen (EG) nr. 1291/2000, (EG) nr. 1301/2006 en (EG) nr. 382/2008 zijn van toepassing, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Artikel 3

Voor de toepassing van deze verordening:

a)

stemt 100 kg vlees met been overeen met 77 kg vlees zonder been;

b)

wordt onder „bevroren vlees” verstaan: vlees in bevroren toestand dat een kerntemperatuur van ten hoogste – 12 °C heeft wanneer het in het douanegebied van de Gemeenschap wordt binnengebracht.

Artikel 4

1.   Voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 tonen aanvragers van invoerrechten aan dat in de periode van 1 mei tot en met 30 april die voorafgaat aan de jaarlijkse invoertariefcontingentperiode hoeveelheden rundvlees van GN-code 0201 , 0202 , 0206 10 95 of 0206 29 91 overeenkomstig de betrokken douanebepalingen door henzelf of voor hun rekening zijn ingevoerd (hierna „referentiehoeveelheden”) genoemd).

2.   Een bedrijf dat is ontstaan uit een fusie tussen bedrijven die elk referentiehoeveelheden hebben ingevoerd, mag deze referentiehoeveelheden gebruiken als basis voor zijn aanvraag.

Artikel 5

1.   Aanvragen voor invoerrechten moeten uiterlijk om 13.00 uur, Belgische tijd, op 1 juni vóór de jaarlijkse invoertariefcontingentperiode worden ingediend.

De totale hoeveelheid waarvoor in de invoertariefcontingentperiode aanvragen voor invoerrechten worden ingediend, mag de referentiehoeveelheden van de aanvrager niet overschrijden. Aanvragen die niet aan deze bepaling voldoen, worden door de bevoegde autoriteiten afgewezen.

2.   Bij het indienen van de invoerrechtenaanvraag wordt een zekerheid van 6 EUR per 100 kg vlees, uitgedrukt in vlees zonder been, gesteld.

3.   Uiterlijk om 13.00 uur, Belgische tijd, op de derde vrijdag na de in lid 1 bedoelde termijn voor het indienen van de aanvragen delen de lidstaten de totale aangevraagde hoeveelheden aan de Commissie mee.

Artikel 6

1.   De invoerrechten worden van de zevende tot en met de zestiende werkdag na de in artikel 5, lid 3, bedoelde meldingstermijn toegekend.

2.   Indien de toepassing van de in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 bedoelde toewijzingscoëfficiënt ertoe leidt dat minder invoerrechten kunnen worden toegewezen dan werden aangevraagd, wordt de krachtens artikel 5, lid 2, van de onderhavige verordening gestelde zekerheid onverwijld overeenkomstig vrijgegeven.

Artikel 7

1.   De hoeveelheden die in het kader van het in artikel 1, lid 1, vastgestelde contingent worden gegund, mogen pas na het overleggen van een invoercertificaat in het vrije verkeer worden gebracht.

2.   Invoercertificaataanvragen moeten betrekking hebben op de totale toegewezen hoeveelheid. Deze verplichting geldt als een primaire eis in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2220/85.

Artikel 8

1.   Certificaataanvragen mogen slechts worden ingediend in de lidstaat waar de aanvrager invoerrechten in het kader van het in artikel 1, lid 1, vastgestelde contingent heeft aangevraagd en gekregen.

Telkens wanneer een invoercertificaat wordt afgegeven, worden de gekregen invoerrechten overeenkomstig verlaagd en de krachtens artikel 5, lid 2, gestelde zekerheid onverwijld overeenkomstig vrijgegeven.

2.   Een invoercertificaat wordt afgegeven op aanvraag en op naam van de marktdeelnemer die de invoerrechten heeft gekregen.

3.   De certificaataanvragen en de invoercertificaten bevatten de volgende gegevens:

a)

in vak 16, één van de volgende groepen van GN-codes:

0202 10 00 , 0202 20

0202 30 , 0206 29 91 ;

b)

in vak 20, het volgnummer van het contingent (09.4003) en één van de in bijlage opgenomen vermeldingen.

Artikel 9

1.   In afwijking van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 delen de lidstaten de Commissie de volgende gegevens mee:

a)

uiterlijk op de tiende dag van elke maand, de hoeveelheden producten, ook als deze nul bedragen, waarvoor tijdens de vorige maand invoercertificaten werden afgegeven;

b)

uiterlijk op 31 oktober na het einde van elke invoertariefcontingentperiode, de hoeveelheden producten, ook als deze nul bedragen, waarvoor invoercertificaten of gedeelten daarvan niet zijn gebruikt en die overeenstemmen met het verschil tussen de op de achterzijde van de invoercertificaten afgeschreven hoeveelheden en de hoeveelheden waarvoor die invoercertificaten waren afgegeven.

2.   Uiterlijk op 31 oktober na het einde van elke invoertariefcontingentperiode delen de lidstaten de Commissie de hoeveelheden producten mee die tijdens de voorgaande invoertariefcontingentperiode in het vrije verkeer werden gebracht.

3.   Voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde mededelingen worden de in kilogram productgewicht uitgedrukte hoeveelheden vermeld per productcategorie zoals aangegeven in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 382/2008.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 mei 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)   PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 98/2008 van de Commissie (PB L 29 van 2.2.2008, blz. 5).

(2)   PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 289/2007 (PB L 78 van 17.3.2007, blz. 17).

(3)   PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1423/2007 (PB L 317 van 5.12.2007, blz. 36).

(4)   PB L 115 van 29.4.2008, blz. 10.

(5)   PB L 123 van 12.5.2007, blz. 26.

(6)   PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 52).


BIJLAGE

In artikel 8, lid 3, onder b), bedoelde vermeldingen

in het Bulgaars

:

Замразено говеждо или телешко месо (Регламент (ЕО) № 431/2008)

in het Spaans

:

Carne de vacuno congelada [Reglamento (CE) no 431/2008]

in het Tsjechisch

:

Zmrazené maso hovězího skotu (nařízení (ES) č. 431/2008)

in het Deens

:

Frosset oksekød (forordning (EF) nr. 431/2008)

in het Duits

:

Gefrorenes Rindfleisch (Verordnung (EG) Nr. 431/2008)

in het Ests

:

Külmutatud veiseliha (määrus (EÜ) nr 431/2008)

in het Grieks

:

Κατεψυγμένο βόειο κρέας [κανονισμός (EK) αριθ. 431/2008]

in het Engels

:

Frozen meat of bovine animals (Regulation (EC) No 431/2008)

in het Frans

:

Viande bovine congelée [Règlement (CE) no 431/2008]

in het Italiaans

:

Carni bovine congelate [Regolamento (CE) n. 431/2008]

in het Lets

:

Saldēta liellopu gaļa (Regula (EK) Nr. 431/2008)

in het Litouws

:

Sušaldyta galvijų mėsa (Reglamentas (EB) Nr. 431/2008)

in het Hongaars

:

Szarvasmarhafélék húsa fagyasztva (431/2008/EK rendelet)

in het Maltees

:

Laħam iffriżat ta’ annimali bovini (Regolament (KE) Nru 431/2008)

in het Nederlands

:

Bevroren rundvlees (Verordening (EG) nr. 431/2008)

in het Pools

:

Mięso wołowe mrożone (Rozporządzenie (WE) nr 431/2008)

in het Portugees

:

Carne de bovino congelada [Regulamento (CE) n.o 431/2008]

in het Roemeens

:

Carne de vită congelată [Regulamentul (CE) nr. 431/2008]

in het Slowaaks

:

Mrazené mäso z hovädzieho dobytka [Nariadenie (ES) č. 431/2008]

in het Sloveens

:

Zamrznjeno goveje meso (Uredba (ES) št. 431/2008)

in het Fins

:

Jäädytettyä naudanlihaa (asetus (EY) N:o 431/2008)

in het Zweeds

:

Fryst kött av nötkreatur (förordning (EG) nr 431/2008)


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

20.5.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 130/7


BESCHIKKING VAN DE RAAD

van 29 april 2008

inzake de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en inzake de technische meerjarenrichtsnoeren voor dat programma

(2008/376/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal,

Gelet op Beschikking 2003/76/EG van de Raad van 1 februari 2003 tot vaststelling van de bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (1), inzonderheid op artikel 4, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De opbrengst van beleggingen van de nettowaarde van de „EGKS in vereffening” en, na afwikkeling van de vereffening, van het vermogen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, wordt toegewezen aan het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat uitsluitend bestemd is om onderzoekprojecten te financieren, buiten het communautaire kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie.

(2)

Het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal moet door de Commissie worden beheerd volgens beginselen welke overeenkomen met die betreffende de voormalige EGKS-programma’s voor technisch onderzoek op het gebied van kolen en staal en op basis van technische meerjarenrichtsnoeren die aansluiten op deze EGKS-programma’s, waarbij zorg wordt gedragen voor sterke concentratie van de onderzoekactiviteiten en erop toegezien wordt dat deze activiteiten de onderzoekactiviteiten van het communautaire kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie aanvullen.

(3)

Het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013), omschreven in Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (3) (hierna „het zevende kaderpogramma” genoemd), is aanleiding tot het herzien van Beschikking 2003/78/EG van de Raad van 1 februari 2003 tot vaststelling van de technische meerjarenrichtsnoeren betreffende het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (4) teneinde te waarborgen dat het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal een aanvulling vormt op het zevende kaderprogramma in de sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie.

(4)

Onderzoek en technische ontwikkeling zijn een zeer belangrijk instrument ter ondersteuning van de communautaire energiedoelstellingen waar deze betrekking hebben op de voorziening, de concurrerende en milieuvriendelijke omzetting en het gebruik van kolen in de Gemeenschap. Bovendien betekent de toenemende internationalisering van de kolenmarkt en de mondiale schaal van de problemen waarmee deze te maken heeft, dat de Gemeenschap een leidende rol moet spelen ten opzichte van de problemen waarmee moderne technieken, mijnveiligheid en milieubescherming op wereldniveau gepaard gaan. Daartoe moet zij zorgen voor de overdracht van de knowhow die nodig is voor verdere technologische vooruitgang alsmede betere arbeidsvoorwaarden (gezondheid en veiligheid) en milieubescherming.

(5)

In het kader van het algemeen doel het concurrentievermogen te vergroten en bij te dragen tot duurzame ontwikkeling, ligt de klemtoon van het onderzoek en de technologische ontwikkeling in het bijzonder op de ontwikkeling van nieuwe of betere technologieën voor een economische, schone en veilige productie van staal en staalproducten, met als kenmerken: gestaag toenemende prestaties, geschiktheid voor gebruik, tevredenheid van de klant, langere levensduur, gemakkelijke terugwinning en recycling.

(6)

De volgorde waarin de onderzoeksdoelstellingen voor kolen en staal in deze beschikking worden gepresenteerd, betekent niet dat er een rangorde is tussen de verschillende doelstellingen.

(7)

Bij de beheersactiviteiten van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal dient de Commissie te worden bijgestaan door adviesgroepen en technische groepen die een breed scala van belangen van bedrijfstakken en andere betrokkenen vertegenwoordigen.

(8)

De recente uitbreiding met nieuwe lidstaten maakt het nodig de bij Beschikking 2003/78/EG vastgestelde technische meerjarenrichtsnoeren te wijzigen, met name wat betreft de samenstelling van de adviesgroepen en de definitie van kolen.

(9)

In overeenstemming met verklaring nr. 4 van het Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, 2002/234/EGKS van 27 februari 2002 (5), heeft de Commissie de definitie van staal opnieuw bezien en is zij tot de conclusie gekomen dat het niet nodig is deze definitie te wijzigen. Stalen gietstukken, smeedstukken en poedermetallurgische producten vallen reeds onder het zevende kaderprogramma.

(10)

Uitgangspunt bij de herziening van de Beschikking 2003/78/EG is over het algemeen handhaving van de procedures die de bijstandbiedende groepen doeltreffend achten in combinatie met de invoering van een beperkt aantal noodzakelijke aanpassingen en administratieve vereenvoudigingen om de complementariteit met het zevende kaderprogramma te bewerkstelligen.

(11)

Tot deze aanpassingen behoort het schrappen van enkele flankerende maatregelen zoals reeds voorzien in het zevende kaderprogramma. Het is tevens nodig de frequentie waarmee het programma wordt herzien en de benoeming van de deskundigen betreffende het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal af te stemmen op die van het zevende kaderprogramma.

(12)

De regels met betrekking tot de samenstelling van de adviesgroepen dienen te worden herzien, met name wat betreft de vertegenwoordiging van betrokken lidstaten en man/vrouwverhouding overeenkomstig Besluit 2000/407/EG van de Commissie van 19 juni 2000 betreffende een evenwichtige deelneming van mannen en vrouwen in haar comités en groepen deskundigen (6).

(13)

De Commissie dient in de gelegenheid te worden gesteld in het kader van de in deze beschikking omschreven onderzoeksdoelstellingen gerichte uitnodigingen te doen uitgaan.

(14)

De maximale totale financiële bijdrage voor proef- en demonstratieprojecten uit het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal voor onderzoek dient te worden verhoogd tot 50 % van de subsidiabele kosten.

(15)

De methode voor subsidiabele kosten dient te worden gehandhaafd, maar met een betere omschrijving van de kostencategorieën en een herzien percentage voor berekening van de overhead.

(16)

De Commissie heeft de technische meerjarenrichtsnoeren in Beschikking 2003/78/EG van de Raad geëvalueerd en heeft geoordeeld dat de beschikking met het oog op de benodigde wijzigingen het best kan worden vervangen.

(17)

Teneinde de noodzakelijke aansluiting op Beschikking 2003/78/EG te bewerkstelligen is deze beschikking van toepassing met ingang van 16 september 2007. Indien er tussen 16 september 2007 en de datum van inwerkingtreding van deze beschikking voorstellen worden ingediend, zal de indieners worden gevraagd hun voorstellen opnieuw in te dienen met inachtneming van deze beschikking, zodat zij kunnen profiteren van de hierin opgenomen gunstiger voorwaarden, met name wat betreft de financiële bijdrage voor proef- en demonstratieprojecten.

(18)

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze beschikking moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze beschikking voorziet in de vaststelling van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en bepaalt de technische meerjarenrichtsnoeren voor de uitvoering van dit programma.

HOOFDSTUK II

ONDERZOEKSPROGRAMMA VAN HET FONDS VOOR ONDERZOEK INZAKE KOLEN EN STAAL

AFDELING 1

Vaststelling van het onderzoeksprogramma

Artikel 2

Vaststelling

Hierbij wordt een onderzoeksprogramma voor het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (hierna „het onderzoeksprogramma” genoemd) vastgesteld.

Het onderzoeksprogramma ondersteunt het concurrentievermogen van de communautaire sectoren die verband houden met de kolen- en staalindustrie. Het onderzoeksprogramma is in overeenstemming met de wetenschappelijke, technologische en politieke doelstellingen van de Gemeenschap en vult de activiteiten aan die worden uitgevoerd in de lidstaten en binnen de bestaande communautaire onderzoeksprogramma’s, in het bijzonder het kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (hierna „het kaderprogramma voor onderzoek” genoemd).

De coördinatie, complementariteit en synergie tussen deze programma’s worden gestimuleerd, evenals de uitwisseling van informatie tussen krachtens het onderhavige onderzoeksprogramma gefinancierde projecten en projecten die krachtens het kaderprogramma voor onderzoek worden gefinancierd.

Het onderzoeksprogramma steunt onderzoeksactiviteiten die zijn gericht op de onderzoeksdoelstellingen voor kolen en staal zoals omschreven in respectievelijk afdeling 3 en 4.

AFDELING 2

Definities van kolen en staal

Artikel 3

Definities

In het kader van deze beschikking zijn de volgende definities van toepassing:

1.

onder kolen wordt verstaan:

a)

steenkool, omvattende de hoogwaardige kolen en minder hoogwaardige „A”-kolen (of subbitumineuze kolen) van het Internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;

b)

geperste steenkool;

c)

cokes en halfcokes van steenkool;

d)

bruinkool, omvattende de laagwaardige „C”-steenkool (of ortholigniet) en de laagwaardige „B”-steenkool (of metaligniet) zoals omschreven in het bovengenoemde codificatiesysteem;

e)

bruinkoolbriketten;

f)

cokes en halfcokes van bruinkool;

g)

oliehoudende leisteen;

2.

onder staal wordt verstaan:

a)

grondstoffen voor de productie van ruwijzer en staal, zoals ijzererts, sponsijzer en ijzerhoudend schroot;

b)

ruwijzer (inclusief vloeibaar ruwijzer) en ferrolegeringen;

c)

ruwe producten en halffabricaten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal (met inbegrip van producten bestemd voor hergebruik en herwalsing), zoals continu of anders gegoten vloeibaar staal en halffabricaten, zoals bloemen, knuppels, staven, plakken en band;

d)

warmgewalste walserijproducten van ijzer, van gewoon staal en van speciaal staal (al dan niet oppervlaktebeklede producten, exclusief stalen gietstukken, smeedstukken en poedermetallurgische producten), zoals rails, damwandstaal, constructievormen, staven, walsdraad, platen, strips en band, en rond en vierkant staafmateriaal voor buizen;

e)

walserijproducten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal (al dan niet oppervlaktebekleed), zoals koudgewalst(e) band en platen, en elektroplaten;

f)

producten van de eerstefaseverwerking van staal die de concurrentiepositie van bovengenoemde staalproducten kunnen verbeteren, zoals buisproducten, getrokken en blanke producten, koudgewalste en koudgeprofileerde producten.

AFDELING 3

Onderzoeksdoelstellingen voor kolen

Artikel 4

Verbetering van de concurrentiepositie van de communautaire kolen

1.   Doel van de onderzoeksprojecten is terugdringing van de totale productiekosten van de mijnen, verbetering van de productkwaliteit en vermindering van de kosten van het gebruik van kolen. De onderzoeksprojecten behelzen de volledige productieketen van kolen:

a)

moderne exploratietechnieken voor kolenlagen;

b)

geïntegreerde mijnplanning;

c)

hoogefficiënte, grotendeels geautomatiseerde mijngangtechnologieën en nieuwe en bestaande winningstechnologieën die zijn afgestemd op de bijzondere geologie van Europese steenkoollagen;

d)

adequate ondersteunende technologieën;

e)

vervoersystemen;

f)

elektriciteitsvoorziening, communicatie en informatie, transmissie, bewakings- en procesbesturingssystemen;

g)

koolvoorbereidingstechnieken, gericht op de behoeften van de gebruikersmarkten;

h)

omzetting van kolen;

i)

verbranding van kolen.

2.   Onderzoeksprojecten zijn ook gericht op wetenschappelijke en technologische vooruitgang, die moet leiden tot een beter inzicht in het gedrag en de beheersing van kolenlagen met betrekking tot rotsdruk, gasemissies, explosiegevaar, ventilatie en alle andere factoren die de mijnbouw beïnvloeden. Onderzoeksprojecten met deze doelstellingen moeten uitzicht bieden op resultaten die op korte tot middellange termijn toepasbaar zijn op een aanzienlijk deel van de communautaire productie.

3.   De voorkeur wordt gegeven aan projecten die ten minste een van de volgende doelstellingen bevorderen:

a)

de integratie van afzonderlijke technieken in systemen en methoden en de ontwikkeling van geïntegreerde winningsmethoden;

b)

aanzienlijke vermindering van productiekosten;

c)

voordelen op het gebied van mijnveiligheid en milieu.

Artikel 5

Gezondheid en veiligheid in mijnen

Met vraagstukken inzake mijnveiligheid, waaronder gasbeheersing, ventilatie en luchtbehandeling, gericht op een verbetering van de arbeidsomstandigheden onder de grond, alsmede de gezondheid en veiligheid op het werk en milieuvraagstukken, zal eveneens rekening worden gehouden in de activiteiten waarnaar wordt verwezen in artikel 4, a) tot en met f).

Artikel 6

Efficiënte milieubescherming en beter gebruik van steenkool als bron van schone energie

1.   Onderzoeksprojecten streven ernaar het effect van mijnbouw en van het gebruik van steenkool in de Gemeenschap op lucht, water en bodem zoveel mogelijk te beperken door middel van een geïntegreerde beheersstrategie inzake milieuverontreiniging. Gezien de voortdurende herstructurering van de communautaire kolenindustrie wordt het onderzoek ook afgestemd op het beperken van het milieueffect van voor sluiting bestemde ondergrondse mijnen.

2.   De voorkeur wordt gegeven aan projecten die ten minste een van de volgende doelstellingen bevorderen:

a)

vermindering van de emissie veroorzaakt door het gebruik van kolen, waaronder het invangen en opslaan van CO2;

b)

vermindering van de emissie van broeikasgassen, in het bijzonder methaan, uit kolenlagen;

c)

terugbrengen naar de mijn van mijnbouwafval, vliegas en ontzwavelingsproducten, indien nodig samen met andere vormen van afval;

d)

sanering van afvalhopen en industrieel gebruik van residuen van de productie en het gebruik van kolen;

e)

bescherming van het grondwater en zuivering van mijnafvalwater;

f)

vermindering van het milieueffect van installaties die hoofdzakelijk communautaire steen- en bruinkool gebruiken;

g)

bescherming van oppervlakte-installaties tegen de gevolgen van bodemverzakking op korte en lange termijn.

Artikel 7

Beheer van de afhankelijkheid van externe energievoorziening

Onderzoeksprojecten hebben betrekking op de vooruitzichten voor energievoorziening op de lange termijn en betreffen de valorisering, in economisch opzicht, energieopzicht en milieuopzicht, van kolenvoorraden die met conventionele mijnbouwtechnieken niet economisch kunnen worden ontgonnen. Tot de projecten behoren studies, het uitstippelen van strategieën, fundamenteel en toegepast onderzoek en het uittesten van innovatieve technieken die uitzicht bieden op de valorisering van communautaire kolenvoorraden.

De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij complementaire technieken worden geïntegreerd, zoals adsorptie van methaan of kooldioxide, methaanextractie van kolenlagen, ondergrondse steenkoolvergassing.

AFDELING 4

Onderzoeksdoelstellingen voor staal

Artikel 8

Nieuwe en betere technieken voor staalfabricage en -afwerking

Onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) op dit gebied hebben verbetering van de staalproductieprocédés tot doel om de kwaliteit van de producten en de productiviteit te verhogen. Een verlaging van emissies, energieverbruik en milieueffecten, alsmede een beter gebruik van grondstoffen en het behoud van hulpbronnen, vormen een integraal deel van de ontwikkelingen. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:

a)

nieuwe en verbeterde procedés voor ijzerertsreductie;

b)

procedés en bewerkingen voor ijzerproductie;

c)

procedés van vlamboogovens;

d)

procedés voor staalfabricage;

e)

secundaire metallurgische technieken;

f)

continugieten en „near net shape”-giettechnieken met en zonder warme verbinding;

g)

wals-, afwerkings- en oppervlaktebekledingstechnieken;

h)

warm- en koudwalstechnieken, beits- en afwerkingsprocédés;

i)

procesinstrumentatie, -besturing en -automatisering;

j)

onderhoud en betrouwbaarheid van productiebanden.

Artikel 9

OTO en het gebruik van staal

OTO is gericht op het gebruik van staal om tegemoet te kunnen komen aan de toekomstige eisen van staalgebruikers en nieuwe marktkansen te scheppen. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:

a)

nieuwe staalsoorten voor veeleisende toepassingen;

b)

staaleigenschappen waarbij het gaat om de mechanische eigenschappen bij lage en hoge temperaturen, zoals sterkte en taaiheid, moeheid, slijtage, kruipen, corrosie en breukvastheid;

c)

verlenging van de levensduur, in het bijzonder door verbetering van de warmte- en corrosievastheid van staal en staalconstructies;

d)

composieten met staal en sandwichconstructies;

e)

voorspellende simulatiemodellen van microstructuren en mechanische eigenschappen;

f)

methoden voor de veiligheid en het ontwerp van constructies, in het bijzonder met betrekking tot brand en aardbevingen;

g)

technologieën met betrekking tot het vormen, lassen en verbinden van staal en andere materialen;

h)

normalisatie van test- en evaluatiemethoden.

Artikel 10

Behoud van hulpbronnen en verbetering van arbeidsomstandigheden

Bij zowel de productie als het gebruik van staal vormen het behoud van hulpbronnen, de bescherming van het ecosysteem en veiligheidskwesties een integraal deel van het OTO-werk. De onderzoeksprojecten bestrijken ten minste een van de volgende gebieden:

a)

technieken voor de recycling van oud staal uit verschillende bronnen en de classificatie van staalschroot;

b)

staalsoorten en ontwerp van geassembleerde constructies, die een gemakkelijke terugwinning van staalschroot en de omzetting daarvan in bruikbaar staal bevorderen;

c)

bewaking en bescherming van het milieu op en rond de werkplek;

d)

sanering van staalfabrieken;

e)

verbetering van arbeidsomstandigheden en kwaliteit van leven op de werkplek;

f)

ergonomische methoden;

g)

arbeidsomstandigheden;

h)

vermindering van blootstelling aan emissies op het werk.

HOOFDSTUK III

TECHNISCHE MEERJARENRICHTSNOEREN

AFDELING 1

Deelname

Artikel 11

Lidstaten

Ondernemingen, overheidsinstanties, onderzoeksorganisaties en instellingen voor secundair of hoger onderwijs of andere rechtspersonen en natuurlijke personen die gevestigd zijn op het grondgebied van een lidstaat kunnen aan het onderzoeksprogramma deelnemen en een financiële bijdrage aanvragen, mits beoogd wordt een OTO-activiteit uit te voeren of mits daaraan een substantiële bijdrage kan worden geleverd.

Artikel 12

Kandidaat-lidstaten

Ondernemingen, overheidsinstanties, onderzoeksorganisaties en instellingen voor secundair of hoger onderwijs of andere rechtspersonen en natuurlijke personen uit de kandidaat-lidstaten hebben het recht deel te nemen zonder een financiële bijdrage te ontvangen krachtens het onderzoeksprogramma, tenzij in de betrokken Europaovereenkomsten en aanvullende protocollen en in de besluiten van de respectieve associatieraden anders is bepaald.

Artikel 13

Derde landen

Ondernemingen, overheidsinstanties, onderzoeksorganisaties en instellingen voor secundair of hoger onderwijs of andere rechtspersonen en natuurlijke personen uit derde landen hebben het recht deel te nemen op basis van afzonderlijke projecten zonder een financiële bijdrage te ontvangen krachtens het onderzoeksprogramma, mits de deelname in het belang van de Gemeenschap is.

AFDELING 2

Subsidiabele activiteiten

Artikel 14

Onderzoeksprojecten

Een onderzoeksproject dient bedoeld te zijn voor onderzoek of experimenteel werk om nieuwe kennis te verwerven en het bereiken van specifieke praktische doeleinden, zoals het creëren of ontwikkelen van producten, productieprocessen of diensten, te vergemakkelijken.

Artikel 15

Proefprojecten

Bij een proefproject wordt een installatie of een significant deel van een installatie op een adequate schaal en met gebruikmaking van componenten van geschikte grootte gebouwd, in werking gesteld en ontwikkeld met het oog op het verifiëren van de bruikbaarheid van theoretische resultaten of laboratoriumresultaten en/of het vergroten van de betrouwbaarheid van de technische en economische gegevens die nodig zijn op weg naar de demonstratiefase, en in sommige gevallen naar de industriële en/of commerciële fase.

Artikel 16

Demonstratieprojecten

Bij een demonstratieproject wordt een installatie of een significant deel van een installatie op industriële schaal gebouwd en/of in werking gesteld, zodat alle technische en economische gegevens verzameld kunnen worden die nodig zijn om met zo weinig mogelijk risico over te gaan tot industriële en/of commerciële exploitatie van de technologie.

Artikel 17

Flankerende maatregelen

Flankerende maatregelen hebben betrekking op het bevorderen van het gebruik van verworven kennis of op het organiseren van specifieke workshops of conferenties in verband met projecten of prioriteiten van het onderzoeksprogramma.

Artikel 18

Ondersteunende en voorbereidende activiteiten

Ondersteunende en voorbereidende activiteiten zijn activiteiten voor een gezond en effectief beheer van het onderzoeksprogramma, zoals de beoordeling en selectie van voorstellen waarvan sprake is in de artikelen 27 en 28, de periodieke voortgangscontrole en evaluatie waarvan sprake is in artikel 38, studies, en het groeperen of het door middel van een netwerk verbinden van gerelateerde projecten die krachtens het onderzoeksprogramma worden gefinancierd.

De Commissie mag indien zij dit nodig acht onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen aanstellen om mee te werken aan ondersteunende en voorbereidende activiteiten.

AFDELING 3

Beheer van het onderzoeksprogramma

Artikel 19

Beheer

Het onderzoeksprogramma wordt beheerd door de Commissie. Deze wordt bijgestaan door het Comité kolen en staal, de Adviesgroepen kolen en staal en de Technische Groepen kolen en staal.

Artikel 20

Oprichting van de Adviesgroepen kolen en staal

De Adviesgroepen kolen en staal (hierna „de adviesgroepen” genoemd) zijn onafhankelijke technische adviesgroepen.

Artikel 21

Taken van de adviesgroepen

Wat kolengerelateerde respectievelijk staalgerelateerde OTO-aspecten betreft, adviseert elke adviesgroep de Commissie omtrent:

a)

de algemene uitwerking van het onderzoeksprogramma, het in artikel 25, lid 3, bedoelde informatiepakket en de toekomstige richtsnoeren;

b)

de samenhang en mogelijke doublures met andere OTO-programma’s op communautair en nationaal niveau;

c)

het bepalen van de leidende beginselen betreffende de voortgangscontrole van OTO-projecten;

d)

het werk betreffende specifieke projecten;

e)

de in de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk II vermelde onderzoeksdoelstellingen van het onderzoeksprogramma;

f)

de in het informatiepakket vermelde jaarlijkse prioritaire doelstellingen en, voor zover van toepassing, de prioritaire doelstellingen voor gerichte uitnodigingen als bedoeld in artikel 25, lid 2;

g)

het samenstellen van een handboek voor de beoordeling en selectie van OTO-activiteiten als bedoeld in de artikelen 27 en 28;

h)

de beoordeling van voorstellen voor OTO-activiteiten en de aan deze voorstellen te geven prioriteit, rekening houdend met de beschikbare fondsen;

i)

het aantal, de bevoegdheden en de samenstelling van de in artikel 24 bedoelde technische groepen;

j)

het opstellen van gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen zoals bedoeld in artikel 25;

k)

andere maatregelen wanneer dit door de Commissie wordt gevraagd.

Artikel 22

Samenstelling van de adviesgroepen

1.   Elke adviesgroep is samengesteld overeenkomstig de tabellen in de bijlage. De leden van de adviesgroepen worden op persoonlijke titel door de Commissie benoemd voor een periode van 42 maanden. Benoemingen kunnen worden ingetrokken.

2.   De Commissie neemt benoemingsvoorstellen in overweging die zij op de volgende manieren heeft ontvangen:

a)

van de lidstaten;

b)

van de instanties waarvan sprake is in de tabellen in de bijlage;

c)

in antwoord op een uitnodiging tot het indienen van aanvragen voor opneming op een lijst van mogelijke leden.

3.   De Commissie zorgt in elke adviesgroep voor een evenwichtige verdeling qua expertise en voor de breedst mogelijke geografische vertegenwoordiging.

4.   De leden van de adviesgroepen zijn actief op het betrokken gebied en zijn op de hoogte van prioriteiten in de bedrijfstak. Voorts streeft de Commissie bij de benoeming van leden een evenwichtige man/vrouwverdeling na.

Artikel 23

Het bijeenkomen van de adviesgroepen

De vergaderingen van de adviesgroepen worden geregeld en voorgezeten door de Commissie, die ook het secretariaat verzorgt.

Zo nodig kan de voorzitter de leden vragen te stemmen. Elk lid heeft één stem. Door de voorzitter kunnen eventueel bijkomende deskundigen of waarnemers worden uitgenodigd op de vergaderingen. De bijkomende deskundigen en waarnemers hebben geen stemrecht.

Zo nodig vergaderen de twee adviesgroepen gezamenlijk, bijvoorbeeld om advies te verstrekken over zaken die van belang zijn voor zowel de kolen- als de staalsector.

Artikel 24

Oprichting en taken van de Technische Groepen kolen en staal

De Technische Groepen kolen en staal (hierna „de technische groepen” genoemd) adviseren de Commissie over de voortgangscontrole van onderzoeksprojecten en proef- of demonstratieprojecten en, waar nodig, bij het vaststellen van de prioritaire doelstellingen van het onderzoeksprogramma.

De leden van de technische groepen worden door de Commissie aangewezen en zijn afkomstig uit de sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie, onderzoeksinstellingen of gebruikersindustrieën, waar ze verantwoordelijk zijn voor onderzoeksstrategie, beheer of productie. Voorts streeft de Commissie bij de benoeming van leden van de technische groepen een evenwichtige man/vrouwverdeling na.

Vergaderingen van de technische groepen vinden zo veel mogelijk plaats op locaties die dusdanig zijn gekozen dat de voortgangscontrole van projecten en de evaluatie van resultaten hierbij het meest gebaat zijn.

AFDELING 4

Uitvoering van het onderzoeksprogramma

Artikel 25

Uitnodiging tot het indienen van voorstellen

1.   Bij deze wordt een permanente open uitnodiging tot het indienen van voorstellen ingesteld. Tenzij anders vermeld valt de sluitingsdatum voor het indienen van voorstellen ter beoordeling elk jaar op 15 september.

2.   Indien de Commissie overeenkomstig artikel 41, onder d) en e), besluit tot het wijzigen van de sluitingsdatum voor het indienen van voorstellen zoals bedoeld in lid 1, of tot het doen uitgaan van gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, publiceert zij deze informatie in het Publicatieblad van de Europese Unie.

In gerichte uitnodigingen worden de data en modaliteiten kenbaar gemaakt die gelden voor het indienen van de voorstellen (bijvoorbeeld of het een een- of tweestapsprocedure betreft) en voor de beoordeling van de voorstellen, de prioriteiten, indien nodig het type subsidiabel project zoals bedoeld in de artikelen 14 tot en met 18 en de beoogde financiering.

3.   De Commissie stelt een informatiepakket samen dat gedetailleerde regels voor deelname bevat en informatie over de wijze waarop voorstellen en projecten worden beheerd, aanvraagformulieren, regels voor de indiening van voorstellen, modelsubsidieovereenkomsten, subsidiabele kosten, maximale financiële bijdrage, betalingsregeling en jaarlijkse prioritaire doelstellingen van het onderzoeksprogramma.

De Commissie maakt het informatiepakket openbaar op de website van Cordis (Informatiedienst voor communautair onderzoek en ontwikkeling) of op een overeenkomstige website.

Aanvragen moeten bij de Commissie worden ingediend overeenkomstig de regels in het informatiepakket, dat op verzoek bij de Commissie verkrijgbaar is op papier.

Artikel 26

Inhoud van de voorstellen

De voorstellen moeten betrekking hebben op de onderzoeksdoelstellingen in de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk II en, indien van toepassing, op de prioritaire doelstellingen vermeld in het informatiepakket overeenkomstig artikel 25, lid 3, of de prioritaire doelstellingen vastgesteld voor de gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen zoals genoemd in artikel 25, lid 2.

Elk voorstel moet een gedetailleerde beschrijving omvatten van het voorgestelde project en alle informatie bevatten betreffende de doelstellingen, het samenwerkingsverband (met gegevens over de rol van elke partner), de beheerstructuur, verwachte resultaten en vooruitzichten voor de toepassing ervan en een schatting van de verwachte industriële, economische en sociale baten en milieubaten.

De voorgestelde totale kosten en de verdeling ervan moeten realistisch en effectief zijn, en er moet van het project een gunstige kosten-batenverhouding kunnen worden verwacht.

Artikel 27

Beoordeling van de voorstellen

De Commissie zorgt ervoor dat de voorstellen op vertrouwelijke, eerlijke en rechtvaardige wijze worden beoordeeld.

De Commissie stelt een handboek samen voor de beoordeling en selectie van OTO-activiteiten en publiceert dit.

Artikel 28

Selectie van voorstellen en voortgangscontrole van projecten

1.   De Commissie registreert de ontvangen voorstellen en controleert of zij aan de criteria voldoen.

2.   De Commissie beoordeelt de voorstellen met de hulp van onafhankelijke deskundigen.

3.   De Commissie stelt een lijst op van de in aanmerking genomen voorstellen, gerangschikt naar verdienste. De ranglijst wordt besproken door de relevante adviesgroep.

4.   De Commissie neemt een beslissing over de selectie van de projecten en over de toewijzing van middelen. Indien het geschatte bedrag van de communautaire bijdrage krachtens het onderzoeksprogramma 0,6 miljoen euro of meer bedraagt, is artikel 41, onder a), van toepassing.

5.   De Commissie, bijgestaan door de in artikel 24 bedoelde technische groepen, houdt toezicht op de onderzoeksprojecten en -activiteiten.

Artikel 29

Subsidieovereenkomsten

Voor projecten die gebaseerd zijn op geselecteerde voorstellen en maatregelen en activiteiten als gespecificeerd in de artikelen 14 tot en met 18 wordt een subsidieovereenkomst gesloten. Subsidieovereenkomsten worden, eventueel rekening houdend met de aard van de betrokken activiteiten, gebaseerd op de desbetreffende modelsubsidieovereenkomst die door de Commissie is opgesteld.

In de subsidieovereenkomst worden de financiële bijdragen krachtens het onderzoeksprogramma op basis van de subsidiabele kosten alsmede de regelingen betreffende de kostenopgave, rekeningafsluiting en accountantsverklaring inzake financiële rapportages bepaald. Verder bevatten de overeenkomsten bepalingen met betrekking tot toegangsrechten en verspreiding en gebruik van kennis.

Artikel 30

Financiële bijdrage

1.   Het onderzoeksprogramma is gebaseerd op OTO-subsidieovereenkomsten met gedeelde kosten. De totale financiële bijdrage, inclusief elke andere bijkomende openbare financiering, is in overeenstemming met de van toepassing zijnde regels betreffende staatssteun.

2.   Voor de levering van roerende of onroerende activa, de uitvoering van werken of de levering van diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de ondersteunende en voorbereidende activiteiten wordt eveneens gebruikgemaakt van overheidsopdrachten.

3.   Onverminderd het bepaalde in lid 1 bedraagt de totale financiële bijdrage, uitgedrukt als percentage van de subsidiabele kosten bepaald in artikel 31 tot en met 35:

a)

voor onderzoeksprojecten: maximaal 60 %;

b)

voor proef- en demonstratieprojecten: maximaal 50 %;

c)

voor flankerende maatregelen en ondersteunende en voorbereidende activiteiten: maximaal 100 %.

Artikel 31

Subsidiabele kosten

1.   De subsidiabele kosten zijn te verdelen in:

a)

materieelkosten;

b)

personeelskosten;

c)

exploitatiekosten;

d)

indirecte kosten.

2.   De subsidiabele kosten omvatten uitsluitend feitelijke kosten die zijn gemaakt voor de uitvoering van het project onder de voorwaarden van de subsidieovereenkomst. Begunstigden, medebegunstigden en ondergeschikte begunstigden kunnen geen aanspraak maken op gebudgetteerde of commerciële tarieven.

Artikel 32

Materieelkosten

De kosten van aangekocht of gehuurd materieel dat rechtstreeks in verband kan worden gebracht met het project, mogen als directe kosten in rekening worden gebracht. De subsidiabele kosten voor gehuurd materieel mogen niet meer bedragen dan de subsidiabele kosten voor de aankoop ervan.

Artikel 33

Personeelskosten

In rekening mag worden gebracht het feitelijke aantal uren dat door wetenschappers, academici en technisch personeel en door het eigen personeel van de begunstigde uitsluitend aan het project is besteed. Voor bijkomende personeelskosten, bijvoorbeeld studiebeurzen, is de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Commissie vereist. Alle in rekening gebrachte werkuren moeten worden geregistreerd en gefiatteerd.

Artikel 34

Exploitatiekosten

De exploitatiekosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het project, omvatten uitsluitend de kosten van:

a)

grondstoffen;

b)

verbruiksgoederen;

c)

energie;

d)

transport van grondstoffen, verbruiksgoederen, materieel, producten, toevoermateriaal of brandstof;

e)

onderhoud, reparatie, aanpassing of omvorming van bestaand materieel;

f)

IT-diensten en andere specifieke diensten;

g)

huur van materieel;

h)

analyses en tests;

i)

organisatie van specifieke workshops;

j)

accountantsverklaring betreffende de financiële rapportage en bankgaranties;

k)

bescherming van kennis;

l)

bijstand door derden.

Artikel 35

Indirecte kosten

Alle andere mogelijke uitgaven, zoals algemene kosten of overhead, die in verband met het project worden gedaan en die in de voormelde categorieën niet specifiek worden genoemd, waaronder reis- en verblijfkosten, worden gedekt door een vast bedrag van 35 % van de in artikel 33 bedoelde subsidiabele personeelskosten.

AFDELING 5

Evaluatie en voortgangscontrole van de onderzoeksactiviteiten

Artikel 36

Technische rapportage

Voor onderzoeks-, proef- en demonstratieprojecten als omschreven in de artikelen 14, 15 en 16 moet(en) de begunstigde(n) periodieke rapporten opstellen. Deze rapporten dienen om de gemaakte technische vooruitgang te documenteren.

Na voltooiing van de werkzaamheden moet door de begunstigde(n) een eindrapport met een exploitatie- en effectbeoordeling worden verstrekt. Na eventueel overleg met de relevante adviesgroep publiceert de Commissie dit rapport volledig of in samengevatte vorm, afhankelijk van de strategische relevantie van het project.

De Commissie kan de begunstigde(n) vragen om eindrapporten over de flankerende maatregelen zoals bedoeld in artikel 17 en de ondersteunende en voorbereidende activiteiten zoals bedoeld in artikel 18 en kan besluiten tot publicatie hiervan.

Artikel 37

Jaarlijks overzicht

De Commissie geeft jaarlijks een overzicht van de activiteiten uitgevoerd in het kader van het onderzoeksprogramma en de vorderingen bij de OTO-werkzaamheden. Het rapport met het jaarlijkse overzicht wordt aan het Comité kolen en staal toegezonden.

De Commissie mag onafhankelijke deskundigen en hooggekwalificeerde deskundigen aanstellen om mee te werken aan het jaarlijkse overzicht.

Artikel 38

Voortgangscontrole en beoordeling van het onderzoeksprogramma

1.   De Commissie controleert de voortgang van het onderzoeksprogramma en beoordeelt daarbij de verwachte baten. Eind 2013, en vervolgens om de zeven jaar, wordt een voortgangsrapport uitgebracht. Deze rapporten worden openbaar gemaakt op de website van Cordis (Informatiedienst voor communautair onderzoek en ontwikkeling) of op een overeenkomstige website.

2.   Bij de voltooiing van de gefinancierde projecten voert de Commissie voor elke periode van zeven jaar een beoordeling van het onderzoeksprogramma uit. Hierbij worden ook de voordelen van het OTO voor de samenleving en de betrokken sectoren beoordeeld. Het beoordelingsrapport wordt gepubliceerd.

3.   Bij de voortgangscontrole en de beoordeling zoals bedoeld in de leden 1 en 2 wordt de Commissie bijgestaan door panels van hooggekwalificeerde deskundigen die zij zelf aanstelt.

Artikel 39

Aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen

Op de aanstelling van onafhankelijke en hooggekwalificeerde deskundigen zoals bedoeld in artikel 18, artikel 28, lid 2, en artikel 38, is het bepaalde in de artikelen 14 en 17 van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (8) van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

Herziening van de technische meerjarenrichtsnoeren

De technische meerjarenrichtsnoeren van hoofdstuk III worden om de zeven jaar herzien, waarbij de eerste periode van zeven jaar afloopt op 31 december 2014. Daartoe evalueert de Commissie uiterlijk in de eerste helft van het laatste jaar van iedere periode van zeven jaar de werking en de doeltreffendheid van de technische meerjarenrichtsnoeren en stelt zij zo nodig wijzigingen voor.

Indien de Commissie zulks nodig acht, kan zij vóór het eind van de periode van zeven jaar tot een dergelijke evaluatie overgaan en voorstellen voor passende wijzigingen bij de Raad indienen.

Artikel 41

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 42, lid 2, uitvoeringsbepalingen vast inzake:

a)

de goedkeuring van financieringsactiviteiten waarbij het geschatte bedrag van de communautaire bijdrage uit hoofde van het onderzoeksprogramma 0,6 miljoen euro of meer bedraagt;

b)

de taakomschrijving voor de voortgangscontrole en beoordeling van het onderzoeksprogramma waarvan sprake is in artikel 38;

c)

wijzigingen in de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk II;

d)

wijzigingen in de sluitingsdatum bedoeld in artikel 25;

e)

het opstellen van gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen.

Artikel 42

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité kolen en staal.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De termijn bedoeld in artikel 4, lid 3, van dat besluit wordt op twee maanden vastgesteld.

Artikel 43

Intrekking en overgangsmaatregelen

Beschikking 2003/78/EG wordt ingetrokken. Beschikking 2003/78/EG blijft echter tot en met 31 december 2008 van toepassing op de financiering van activiteiten die voortkomen uit voorstellen die uiterlijk 15 september 2007 zijn ingediend.

Artikel 44

Toepasselijkheid

Deze beschikking wordt van kracht op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 16 september 2007.

Artikel 45

Geadresseerden

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 29 april 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

D. RUPEL


(1)   PB L 29 van 5.2.2003, blz. 22.

(2)  Advies van 10 april 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)   PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

(4)   PB L 29 van 5.2.2003, blz. 28.

(5)   PB L 79 van 22.3.2002, blz. 42.

(6)   PB L 154 van 27.6.2000, blz. 34.

(7)   PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(8)  Verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013) (PB L 391 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

De samenstelling van de Adviesgroep kolen, waarnaar wordt verwezen in artikel 22:

Leden

Maximumtotaal

a)

Afkomstig van kolenproducenten/landelijke koepels of gerelateerde onderzoekscentra

8

b)

Afkomstig van organisaties van kolenproducenten op Europees niveau

2

c)

Afkomstig van kolengebruikers of gerelateerde onderzoekscentra

8

d)

Afkomstig van organisaties van kolengebruikers op Europees niveau

2

e)

Afkomstig van organisaties van werknemers

2

f)

Afkomstig van organisaties van leveranciers van materieel

2

 

24

De leden moeten een brede achtergrondkennis en individuele expertise op een of meer van de volgende gebieden hebben: kolenwinning en -gebruik, milieukwesties en sociale kwesties, met inbegrip van veiligheidsaspecten.

De samenstelling van de Adviesgroep staal, waarnaar wordt verwezen in artikel 22:

Leden

Maximumtotaal

a)

Afkomstig van staalindustrie/landelijke koepels of gerelateerde onderzoekscentra

21

b)

Afkomstig van organisaties van producenten op Europees niveau

2

c)

Afkomstig van organisaties van werknemers

2

d)

Afkomstig van organisaties van verwerkers of staalgebruikers lager in de bedrijfskolom

5

 

30

De leden moeten een brede achtergrondkennis en individuele expertise op een of meer van de volgende gebieden hebben: grondstoffen; ijzerbereiding; staalbereiding; continugieten; warm- en/of koudwalsen; afwerking en/of oppervlaktebehandeling van staal; ontwikkeling van staalsoorten en/of -producten; staaltoepassingen en -eigenschappen; milieukwesties en sociale kwesties, met inbegrip van veiligheidsaspecten.


Commissie

20.5.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 130/18


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 8 mei 2008

tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1765)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/377/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Slowakije hebben zich uitbraken van klassieke varkenspest voorgedaan.

(2)

In verband met de handel in levende varkens en bepaalde varkensproducten kunnen deze uitbraken een gevaar vormen voor de varkensbestanden in andere lidstaten.

(3)

Slowakije heeft maatregelen genomen in het kader van Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (2).

(4)

Beschikking 2008/303/EG van de Commissie van 14 april 2008 tot vaststelling van tijdelijke beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije (3) is vastgesteld om de door Slowakije krachtens Richtlijn 2001/89/EG genomen maatregelen te ondersteunen.

(5)

Beschikking 2006/805/EG van de Commissie van 24 november 2006 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in bepaalde lidstaten (4) is vastgesteld als reactie op uitbraken van klassieke varkenspest onder wilde varkens in de betrokken lidstaten. Die maatregelen moeten op Slowakije van toepassing blijven.

(6)

De veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringseisen voor de handel in levende varkens zijn vastgesteld bij Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (5).

(7)

De veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringseisen voor de handel in varkenssperma zijn vastgesteld bij Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (6).

(8)

De veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringseisen voor de handel in eicellen en embryo’s van varkens zijn vastgesteld bij Beschikking 95/483/EG van de Commissie van 9 november 1995 tot vaststelling van het model van het certificaat voor het intracommunautaire handelsverkeer van eicellen en embryo's van varkens (7).

(9)

Beschikking 2002/106/EG van de Commissie van 1 februari 2002 houdende goedkeuring van een diagnosehandboek tot vaststelling van diagnostische procedures, bemonsteringsprocedures en criteria voor de evaluatie van de resultaten van laboratoriumtests voor de bevestiging van klassieke varkenspest (8) voorziet in op het risico afgestemde bewakingsprotocollen.

(10)

Afgaande op de door Slowakije verstrekte informatie is het goed mogelijk dat klassieke varkenspest zich al naar beslagen in verscheidene gebieden van die lidstaat had verspreid voordat de uitbraken werden geconstateerd. Gezien de aard van de ziekte vergt het onderzoek voor de tracering en bevestiging dan wel uitsluiting van nieuwe besmettingen tijd. Daarom moeten de beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije worden herzien. In het kader van deze voorzorgsmaatregelen moet voorts met name worden gepreciseerd in welke gevallen en onder welke voorwaarden het vervoer van varkens naar andere lidstaten en binnen het grondgebied van Slowakije kan worden toegestaan zonder dat de ziekte zich kan verspreiden.

(11)

Beschikking 2008/303/EG moet daarom worden ingetrokken.

(12)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn van toepassing onverminderd de maatregelen van:

a)

Richtlijn 2001/89/EG, en met name de artikelen 9, 10 en 11;

b)

Besluit 2006/805/EG.

Artikel 2

Slowakije zorgt ervoor dat geen varkens naar andere lidstaten en derde landen worden verzonden, tenzij de varkens:

a)

van een bedrijf komen dat gelegen is in een gebied buiten de in de bijlage genoemde gebieden, en

b)

ten minste de laatste 45 dagen voor het laden of sedert hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan 45 dagen, op het verblijf van verzending hebben verbleven, en

c)

van een bedrijf komen waar in de laatste 45 dagen vóór de verzending van de varkens in kwestie geen levende varkens zijn binnengebracht.

Artikel 3

1.   Slowakije zorgt ervoor dat geen partijen varkenssperma naar andere lidstaten en derde landen worden verzonden, tenzij het sperma afkomstig is van beren die in een in artikel 3, onder a), van Richtlijn 90/429/EEG bedoeld spermacentrum buiten de in de bijlage genoemde gebieden worden gehouden.

2.   Slowakije zorgt ervoor dat geen partijen eicellen en embryo's van varkens naar andere lidstaten en derde landen worden verzonden, tenzij de eicellen en embryo’s afkomstig zijn van varkens die op een bedrijf buiten de in de bijlage genoemde gebieden worden gehouden.

Artikel 4

1.   Slowakije zorgt ervoor dat:

a)

geen varkens worden vervoerd van en naar bedrijven die in de in de bijlage genoemde gebieden gelegen zijn;

b)

het vervoer van slachtvarkens van bedrijven buiten de in de bijlage genoemde gebieden naar slachthuizen in die gebieden alsmede de doorvoer van varkens door die gebieden alleen toegestaan zijn:

i)

via hoofdwegen of spoorlijnen, en

ii)

overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit verstrekte gedetailleerde instructies om te voorkomen dat de varkens in kwestie tijdens het vervoer direct of indirect in contact komen met andere varkens.

2.   In afwijking van lid 1, onder a), mag de bevoegde autoriteit het vervoer toestaan van varkens afkomstig van een bedrijf dat in een in de bijlage genoemd gebied gelegen is:

a)

rechtstreeks naar een slachthuis dat in een in de bijlage genoemd gebied gelegen is, om daar onmiddellijk te worden geslacht;

b)

naar een bedrijf in een van die gebieden, mits de varkens minimaal 45 dagen, of sinds hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan 45 dagen, hebben verbleven op een bedrijf:

i)

dat in de laatste 45 dagen vóór de verzending van de varkens geen levende varkens heeft ontvangen, en

ii)

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd.

3.   In afwijking van lid 1, onder a), mag de bevoegde autoriteit het vervoer toestaan van varkens afkomstig van een bedrijf dat in een in de bijlage genoemd gebied gelegen is:

a)

rechtstreeks naar een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis, dat buiten de in bijlage I genoemde gebieden gelegen is, mits de varkens minimaal 45 dagen, of sinds hun geboorte indien zij jonger zijn dan 45 dagen, hebben verbleven op een en hetzelfde bedrijf:

i)

dat in de laatste 45 dagen vóór de verzending van de varkens geen levende varkens heeft ontvangen, en

ii)

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd;

b)

naar een bedrijf in Slowakije buiten de in de bijlage genoemde gebieden, mits de varkens minimaal 45 dagen, of sinds hun geboorte indien zij jonger zijn dan 45 dagen, hebben verbleven op een en hetzelfde bedrijf:

i)

dat in de laatste 45 dagen vóór de verzending van de varkens geen levende varkens heeft ontvangen,

ii)

waar de klinische onderzoeken overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 2, van de bijlage bij Beschikking 2002/106/EG zijn uitgevoerd en negatieve resultaten hebben opgeleverd, en

iii)

waar de overeenkomstig hoofdstuk IV, onder D, punt 4, van die bijlage genomen monsters zijn onderzocht en negatief zijn gebleken.

Artikel 5

Slowakije zorgt ervoor dat:

a)

op het in Richtlijn 64/432/EEG bedoelde gezondheidscertificaat, waarvan uit Slowakije verzonden varkens vergezeld gaan, de volgende vermelding wordt aangebracht:

„Deze dieren voldoen aan Beschikking C(2008) 1765 van de Commissie van 8 mei 2008 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije.”;

b)

op het in Richtlijn 90/429/EEG bedoelde gezondheidscertificaat, waarvan uit Slowakije verzonden varkenssperma vergezeld gaat, de volgende vermelding wordt aangebracht:

„Dit sperma voldoet aan Beschikking C(2008) 1765 van de Commissie van 8 mei 2008 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije.”;

c)

op het in Beschikking 95/483/EG bedoelde gezondheidscertificaat, waarvan uit Slowakije verzonden eicellen en embryo's van varkens vergezeld gaan, de volgende vermelding wordt aangebracht:

„Deze eicellen/embryo’s (doorhalen wat niet van toepassing is) voldoen aan Beschikking C(2008) 1765 van de Commissie van 8 mei 2008 tot vaststelling van beschermende maatregelen in verband met klassieke varkenspest in Slowakije.”.

Artikel 6

Slowakije zorgt ervoor dat:

a)

voertuigen die gebruikt zijn voor het vervoer van varkens binnen de in de bijlage genoemde gebieden of voor het vervoer van die varkens naar een slachthuis, of die op een bedrijf in de in de bijlage genoemde gebieden geweest zijn waar varkens worden gehouden, na elk vervoer worden gereinigd en ontsmet;

b)

de vervoerders aan de bevoegde veterinaire autoriteit het bewijs leveren dat die ontsmetting heeft plaatsgevonden.

Artikel 7

De lidstaten brengen de maatregelen die zij ten aanzien van het handelsverkeer toepassen, in overeenstemming met deze beschikking en zij maken de getroffen maatregelen onmiddellijk bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 8

Beschikking 2008/303/EG wordt ingetrokken.

Artikel 9

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 mei 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 315 van 19.11.2002, blz. 14).

(2)   PB L 316 van 1.12.2001, blz. 5. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/729/EG (PB L 294 van 13.11.2007, blz. 26).

(3)   PB L 105 van 15.4.2008, blz. 7.

(4)   PB L 329 van 25.11.2006, blz. 67. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2008/225/EG (PB L 73 van 15.3.2008, blz. 32).

(5)   PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/729/EG.

(6)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(7)   PB L 275 van 18.11.1995, blz. 30.

(8)   PB L 39 van 9.2.2002, blz. 71. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2003/859/EG (PB L 324 van 11.12.2003, blz. 55).


BIJLAGE

Het gehele grondgebied van Slowakije.


20.5.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 130/22


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 15 mei 2008

tot wijziging van Beschikking 2006/133/EG tot tijdelijke verplichting van de lidstaten om ten aanzien van andere gebieden in Portugal dan die waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) er niet voorkomt, aanvullende maatregelen te nemen teneinde de verspreiding ervan tegen te gaan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 1892)

(2008/378/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 16, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Beschikking 2006/133/EG van de Commissie van 13 februari 2006 tot tijdelijke verplichting van de lidstaten om ten aanzien van andere gebieden in Portugal dan die waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) er niet voorkomt, aanvullende maatregelen te nemen teneinde de verspreiding ervan tegen te gaan (2), heeft Portugal maatregelen genomen tegen de verspreiding van het dennenaaltje.

(2)

Portugal heeft op 11 april 2008 aan de Commissie een verslag toegezonden over het vinden van nieuwe uitbraken van het dennenaaltje als gevolg van een buitengewoon onderzoek door de Portugese autoriteiten in aanvulling op het jaarlijkse onderzoek, in het gedeelte van Portugal waarvan tot nu toe bekend was dat het dennenaaltje er niet voorkwam.

(3)

Tijdens de verplichte jaarlijkse onderzoeken van de vorige jaren waren deze laatste uitbraken van het dennenaaltje in Portugal niet geconstateerd. In het licht van deze nieuwe uitbraak is het nodig dat Portugal onmiddellijk een aanvullend op een risicobeoordeling gebaseerd onderzoek op het gehele Portugese grondgebied op grond van een door de Commissie goedgekeurd onderzoekprogramma uitvoert en de resultaten van dat onderzoek aan de Commissie voorlegt zodra zij beschikbaar zijn.

(4)

Op grond van de ervaring met de uitvoering van de bestaande spoedmaatregelen en recente wetenschappelijke informatie is het nodig dat bijzonder doeltreffende maatregelen worden genomen ten aanzien van uitbraken in gebieden waarvan tot nu toe bekend was dat het dennenaaltje er niet voorkwam.

(5)

Beschikking 2006/133/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2006/133/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   De lidstaten moeten van hun grondgebied afkomstig vatbaar hout en van hun grondgebied afkomstige vatbare schors en planten eens per jaar officieel onderzoeken op sporen van besmetting met het dennenaaltje.

Onverminderd artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG worden de andere lidstaten en de Commissie jaarlijks vóór 15 december van de resultaten van die onderzoeken in kennis gesteld.

2.   In aanvulling op de in lid 1 bedoelde onderzoeken stelt Portugal een onderzoekprogramma voor het gehele Portugese grondgebied op en legt dit ter goedkeuring aan de Commissie voor. Dat programma is op een risicobeoordeling gebaseerd en houdt rekening met de verspreiding van vatbare planten op het Portugese grondgebied. Indien dit onderzoekprogramma niet vóór 16 mei 2008 wordt ingediend, kan de Commissie passende maatregelen nemen.

De resultaten van de op grond van dat programma uitgevoerde onderzoek worden ter kennis gesteld van de Commissie en de andere lidstaten, zodra zij beschikbaar zijn.”.

2.

In artikel 5 wordt de derde alinea vervangen door:

„De lijst wordt aangepast overeenkomstig de resultaten van de in artikel 4 bedoelde onderzoeken en de bevindingen waarvan op grond van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG kennis wordt gegeven.”.

3.

De bijlage bij Beschikking 2006/133/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 15 mei 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/41/EG van de Commissie (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 51).

(2)   PB L 52 van 23.2.2006, blz. 34. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2008/340/EG (PB L 115 van 29.4.2008, blz. 41).


BIJLAGE

In punt 2, onder a), iii), derde streepje, van de bijlage bij Beschikking 2006/133/EG wordt een tweede alinea toegevoegd:

„Wanneer echter een uitbraak van het dennenaaltje wordt geconstateerd in een gebied waarvan bekend is dat het er niet voorkwam, wordt dat gebied afgebakend (nieuw afgebakend gebied) en worden deze planten in dat gebied gedurende een periode van één jaar na de datum van constatering in alle gevallen gecontroleerd wanneer het gebied zich bevindt in het gedeelte van het afgebakende gebied waarvan bekend is dat het dennenaaltje er voorkomt, en, wanneer het zich bevindt in het gedeelte van het afgebakende gebied dat als bufferzone is aangewezen, worden deze planten op grond van een representatief monster gecontroleerd. De tweede en de derde zin van de eerste alinea zijn van toepassing.”.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

20.5.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 130/24


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2008/379/GBVB VAN DE RAAD

van 19 mei 2008

tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EUBAM Rafah)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 25 november 2005 Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan de grensovergang bij Rafah (EUBAM Rafah) (1) vastgesteld.

(2)

Bij Gemeenschappelijk Optreden 2007/359/GBVB van de Raad (2) is het mandaat van die missie verlengd tot en met 24 mei 2008.

(3)

Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB dient nogmaals te worden verlengd, en wel tot en met 24 november 2008.

(4)

Het financiële referentiebedrag bestemd voor de uitgaven van de missie voor de periode van 25 mei 2007 tot en met 24 mei 2008 dient ook de uitgaven in de resterende periode van de missie te dekken,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Optreden 2005/889/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 13, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Het financiële referentiebedrag bestemd voor de uitgaven van de missie voor de periode van 25 mei 2007 tot en met 24 november 2008 bedraagt 7 000 000 EUR.”.

2.

In artikel 16 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Het verstrijkt op 24 november 2008.”.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 19 mei 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

I. JARC


(1)   PB L 327 van 14.12.2005, blz. 28. Gemeenschappelijk optreden laatstelijk gewijzigd bij Gemeenschappelijk Optreden 2007/807/GBVB (PB L 323 van 8.12.2007, blz. 53).

(2)   PB L 133 van 25.5.2007, blz. 51.