|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 106 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
51e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
|
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
|
2008/305/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2008/306/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
III Besluiten op grond van het EU-Verdrag |
|
|
|
|
BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is
VERORDENINGEN
|
16.4.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 106/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 336/2008 VAN DE COMMISSIE
van 15 april 2008
tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 16 april 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 april 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 15 april 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
69,6 |
|
TN |
115,9 |
|
|
TR |
109,1 |
|
|
ZZ |
98,2 |
|
|
0707 00 05 |
JO |
178,8 |
|
MA |
43,7 |
|
|
TR |
150,5 |
|
|
ZZ |
124,3 |
|
|
0709 90 70 |
MA |
97,2 |
|
TR |
105,2 |
|
|
ZZ |
101,2 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
53,4 |
|
IL |
59,3 |
|
|
MA |
56,1 |
|
|
TN |
53,2 |
|
|
TR |
56,0 |
|
|
US |
55,6 |
|
|
ZZ |
55,6 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
117,4 |
|
IL |
117,6 |
|
|
TR |
129,6 |
|
|
ZA |
134,8 |
|
|
ZZ |
124,9 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
81,7 |
|
BR |
82,8 |
|
|
CA |
79,6 |
|
|
CL |
81,8 |
|
|
CN |
92,0 |
|
|
MK |
57,9 |
|
|
NZ |
124,5 |
|
|
US |
102,4 |
|
|
UY |
73,5 |
|
|
ZA |
73,0 |
|
|
ZZ |
84,9 |
|
|
0808 20 50 |
AR |
83,5 |
|
AU |
93,7 |
|
|
CL |
92,9 |
|
|
CN |
47,6 |
|
|
ZA |
95,7 |
|
|
ZZ |
82,7 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.
|
16.4.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 106/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 337/2008 VAN DE COMMISSIE
van 15 april 2008
tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 april 2008
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name op artikel 2, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00 , 1001 90 91 , ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 , ex 1005 , met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, en ex 1007 , met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief. |
|
(2) |
In artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 2 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00 , 1001 90 91 , ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00 , 1005 10 90 , 1005 90 00 en 1007 00 90 , de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 4 van die verordening. |
|
(4) |
Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 16 april 2008, die van toepassing zullen zijn tot er nogmaals nieuwe invoerrechten worden vastgesteld en in werking treden. |
|
(5) |
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1/2008 van de Raad van 20 december 2007 houdende tijdelijke opschorting van de douanerechten bij invoer van bepaalde granen voor het verkoopseizoen 2007/2008 (3) wordt de toepassing van bepaalde bij de onderhavige verordening vastgestelde rechten evenwel tijdelijk opgeschort, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zullen zijn vanaf 16 april 2008, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld zoals zij zijn bepaald aan de hand van de in bijlage II bij de onderhavige verordening vermelde elementen.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 16 april 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 april 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 735/2007 (PB L 169 van 29.6.2007, blz. 6). Verordening (EG) nr. 1784/2003 wordt per 1 juli 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
(2) PB L 161 van 29.6.1996, blz. 125. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1816/2005 (PB L 292 van 8.11.2005, blz. 5).
BIJLAGE I
Vanaf 16 april 2008 geldende invoerrechten voor de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 bedoelde producten
|
GN-code |
Omschrijving |
Invoerrecht (1) (EUR/t) |
|
1001 10 00 |
HARDE TARWE van hoge kwaliteit |
0,00 (*1) |
|
van gemiddelde kwaliteit |
0,00 (*1) |
|
|
van lage kwaliteit |
0,00 (*1) |
|
|
1001 90 91 |
ZACHTE TARWE, zaaigoed |
0,00 |
|
ex 1001 90 99 |
ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed |
0,00 (*1) |
|
1002 00 00 |
ROGGE |
0,00 (*1) |
|
1005 10 90 |
MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden |
0,00 |
|
1005 90 00 |
MAÏS, andere dan zaaigoed (2) |
0,00 (*1) |
|
1007 00 90 |
GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden |
0,00 (*1) |
(1) Voor producten die via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal in de Gemeenschap worden aangevoerd, komt de importeur op grond van artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1249/96 in aanmerking voor een verlaging van het invoerrecht met:
|
— |
3 EUR/t als de loshaven aan de Middellandse Zee ligt, |
|
— |
2 EUR/t als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt. |
(2) De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR/t als aan de in artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1249/96 vastgestelde voorwaarden is voldaan.
(*1) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1/2008 wordt de toepassing van dit recht opgeschort.
BIJLAGE II
Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten
1.4.2008-14.4.2008
|
1. |
Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2. |
Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1249/96 bedoelde referentieperiode:
|
(*1) Premie van 14 EUR/t inbegrepen (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).
(*2) Korting van 10 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).
(*3) Korting van 30 EUR/t (artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1249/96).
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Raad
|
16.4.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 106/6 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 18 februari 2008
inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten
(2008/305/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 80, lid 2, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en lid 3, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft de Commissie op 5 juni 2003 gemachtigd met derde landen onderhandelingen te beginnen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een communautaire overeenkomst. |
|
(2) |
Overeenkomstig de mechanismen en richtsnoeren in de bijlage bij het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om met derde landen onderhandelingen te beginnen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een communautaire overeenkomst, heeft de Commissie namens de Gemeenschap met Panama onderhandeld over een overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (hierna „de overeenkomst” genoemd). |
|
(3) |
De overeenkomst is namens de Gemeenschap op 1 oktober 2007 ondertekend onder voorbehoud van mogelijke sluiting ervan op een latere datum. |
|
(4) |
Deze overeenkomst dient te worden goedgekeurd, |
BESLUIT:
Artikel 1
1. De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.
2. De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht (1).
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd om de persoon/personen aan te wijzen die bevoegd is/zijn om de in artikel 9, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving te verrichten.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2008.
Voor de Raad
De voorzitter
D. RUPEL
(1) Zie bladzijde 7 van dit Publicatieblad.
OVEREENKOMST
tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten
DE EUROPESE GEMEENSCHAP
enerzijds, en
DE REPUBLIEK PANAMA
anderzijds,
(hierna „de partijen” genoemd),
VASTSTELLEND dat verscheidene lidstaten van de Europese Gemeenschap met de Republiek Panama bilaterale overeenkomsten met betrekking tot luchtdiensten hebben ondertekend die bepalingen bevatten welke in strijd zijn met het Europese Gemeenschapsrecht,
VASTSTELLEND dat de Europese Gemeenschap exclusief bevoegd is voor diverse aspecten die kunnen worden opgenomen in bilaterale luchtvaartovereenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en derde landen,
VASTSTELLEND dat in een lidstaat gevestigde communautaire luchtvervoerders overeenkomstig het Europese Gemeenschapsrecht recht hebben op niet-discriminerende toegang tot luchtroutes tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap en derde landen,
GELET OP de overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en bepaalde derde landen waarin onderdanen van deze derde landen de mogelijkheid wordt geboden eigendom te verwerven in luchtvervoerders die een vergunning hebben gekregen overeenkomstig het Europese Gemeenschapsrecht,
ERKENNENDE dat sommige bepalingen van de tussen lidstaten van de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama gesloten bilaterale overeenkomsten met betrekking tot luchtdiensten die in strijd zijn met het Europese Gemeenschapsrecht met deze wetgeving in overeenstemming moeten worden gebracht om een degelijke rechtsgrond voor luchtdiensten tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama tot stand te brengen en om de continuïteit van dergelijke luchtdiensten te garanderen,
VASTSTELLEND dat de Europese Gemeenschap er in het kader van deze onderhandelingen niet naar streeft het totale volume aan luchtverkeer tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Panama te doen toenemen, noch om het evenwicht tussen communautaire luchtvervoerders en luchtvervoerders uit de Republiek Panama te wijzigen, noch om te onderhandelen over wijzigingen van de bepalingen van bestaande bilaterale overeenkomsten inzake verkeersrechten,
ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:
Artikel 1
Algemene bepalingen
1. In deze overeenkomst wordt onder „lidstaten” lidstaten van de Europese Gemeenschap verstaan. „LACAC-lidstaten” zijn lidstaten van de Latijns-Amerikaanse commissie voor de burgerluchtvaart.
2. Wanneer in de in bijlage I vermelde overeenkomsten wordt verwezen naar onderdanen van de lidstaat die partij is bij de overeenkomst, wordt dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap.
3. Wanneer in de in bijlage I vermelde overeenkomsten wordt verwezen naar luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen van de lidstaat die partij is bij de overeenkomst, wordt dit begrepen als een verwijzing naar de door die lidstaat aangewezen luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen.
Artikel 2
Aanwijzing, vergunning en intrekking
1. De bepalingen van de leden 2 en 3 van dit artikel hebben voorrang op de overeenkomstige bepalingen van de in bijlage II, onder a) en b), genoemde artikelen wat betreft de aanwijzing van een luchtvervoerder door de desbetreffende lidstaat, de vergunningen en machtigingen die door de Republiek Panama aan deze luchtvervoerder zijn toegekend en de weigering, intrekking, opschorting of beperking van de vergunningen en machtigingen van de luchtvervoerder. De bepalingen van de leden 4 en 5 van dit artikel hebben voorrang op de overeenkomstige bepalingen van de in bijlage II, onder a) en b), genoemde artikelen wat betreft de aanwijzing van een luchtvervoerder door de Republiek Panama, de vergunningen en machtigingen die door de lidstaat aan deze luchtvervoerder zijn toegekend en de weigering, intrekking, opschorting of beperking van de vergunningen en machtigingen van de luchtvervoerder.
2. Wanneer de Republiek Panama een aanwijzing door een lidstaat ontvangt, verleent hij zo spoedig mogelijk de passende vergunningen en machtigingen mits:
|
i) |
de luchtvervoerder, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, op het grondgebied van de aanwijzende lidstaat is gevestigd en beschikt over een geldige exploitatievergunning overeenkomstig het Europese Gemeenschapsrecht; |
|
ii) |
de lidstaat die verantwoordelijk is voor de afgifte van het Air Operators Certificate op doeltreffende wijze controleert of de luchtvervoerder de regelgeving naleeft, en de bevoegde luchtvaartautoriteit duidelijk in de aanwijzing is vermeld; en |
|
iii) |
de luchtvervoerder rechtstreeks of door een meerderheidsbelang eigendom is van lidstaten en/of onderdanen van lidstaten, of van andere in bijlage III vermelde landen en/of onderdanen van die landen, en deze landen en/of onderdanen daadwerkelijke zeggenschap uitoefenen over de luchtvervoerder. |
3. De Republiek Panama mag de vergunningen of machtigingen van een door een lidstaat aangewezen luchtvervoerder weigeren, intrekken, opschorten of beperken mits:
|
i) |
de luchtvervoerder, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet op het grondgebied van de aanwijzende lidstaat is gevestigd en niet beschikt over een geldige exploitatievergunning overeenkomstig het Europese Gemeenschapsrecht; of |
|
ii) |
de lidstaat die verantwoordelijk is voor de afgifte van het Air Operators Certificate niet op doeltreffende wijze controleert of de luchtvervoerder de regelgeving naleeft, of de relevante luchtvaartautoriteit niet duidelijk in de aanwijzing is vermeld; of |
|
iii) |
de luchtvervoerder geen eigendom is van en niet rechtstreeks of door een meerderheidsbelang onder daadwerkelijke zeggenschap staat van lidstaten en/of onderdanen van lidstaten of andere in bijlage III vermelde landen en/of onderdanen van die landen; of |
|
iv) |
de luchtvervoerder reeds over een exploitatievergunning beschikt krachtens een bilaterale overeenkomst tussen de Republiek Panama en een andere lidstaat en de Republiek Panama aantoont dat de luchtvervoerder, door krachtens de onderhavige overeenkomst verkeersrechten uit te oefenen op een traject dat een plaats in die andere lidstaat omvat, de krachtens die andere overeenkomst opgelegde beperkingen van de verkeersrechten omzeilt; of |
|
v) |
de luchtvervoerder houder is van een Air Operators Certificate dat is afgegeven door een lidstaat en er geen bilaterale overeenkomst voor luchtdiensten bestaat tussen de Republiek Panama en die lidstaat, en verkeersrechten naar die lidstaat zijn geweigerd aan de door de Republiek Panama aangewezen luchtvervoerder. |
Bij de uitoefening van de rechten die krachtens dit lid aan de Republiek Panama zijn verleend, mag de Republiek Panama geen onderscheid maken tussen communautaire luchtvervoerders op grond van nationaliteit.
4. Wanneer een lidstaat een aanwijzing door de Republiek Panama ontvangt, verleent zij zo spoedig mogelijk de passende vergunningen en machtigingen mits:
|
i) |
de luchtvervoerder in de Republiek Panama is gevestigd; en tevens |
|
ii) |
de Republiek Panama op doeltreffende wijze controleert of de luchtvervoerder de regelgeving naleeft, en de Republiek Panama verantwoordelijk is voor de afgifte van het Air Operators Certificate; en tevens |
|
iii) |
de luchtvervoerder rechtstreeks of door een meerderheidsbelang eigendom is van en onder daadwerkelijke zeggenschap staat van LACAC-lidstaten en/of onderdanen van LACAC-lidstaten. |
5. Een lidstaat mag de vergunningen of machtigingen van een door de Republiek Panama aangewezen luchtvervoerder weigeren, intrekken, opschorten of beperken mits:
|
i) |
de luchtvervoerder niet in de Republiek Panama is gevestigd; of |
|
ii) |
de Republiek Panama niet op doeltreffende wijze controleert of de luchtvervoerder de regelgeving naleeft of de Republiek Panama niet verantwoordelijk is voor de afgifte van het Air Operators Certificate; of |
|
iii) |
de luchtvervoerder niet rechtstreeks of door een meerderheidsbelang eigendom is van en onder daadwerkelijke zeggenschap staat van LACAC-lidstaten en/of onderdanen van LACAC-lidstaten; of |
|
iv) |
de luchtvervoerder reeds over een exploitatievergunning beschikt krachtens een bilaterale overeenkomst tussen de desbetreffende lidstaat en een andere LACAC-lidstaat en de lidstaat aantoont dat de luchtvervoerder, door krachtens de onderhavige overeenkomst verkeersrechten uit te oefenen op een traject dat een punt in die andere LACAC-lidstaat omvat, de krachtens die andere overeenkomst opgelegde beperkingen van de verkeersrechten omzeilt. |
Artikel 3
Veiligheid
1. De bepalingen van lid 2 van dit artikel vormen een aanvulling op de in bijlage II, onder c), vermelde artikelen.
2. Wanneer een lidstaat een luchtvervoerder heeft aangewezen die door een andere lidstaat wordt gecontroleerd op naleving van de regelgeving, zijn de rechten van de Republiek Panama uit hoofde van de veiligheidsvoorschriften van de overeenkomst tussen de lidstaat die de luchtvervoerder heeft aangewezen en de Republiek Panama zowel van toepassing op de goedkeuring, naleving of handhaving van veiligheidsnormen door die andere lidstaat als op de exploitatievergunning van die luchtvervoerder.
Artikel 4
Belasting op vliegtuigbrandstof
1. De bepalingen van lid 2 en lid 3 van dit artikel vormen een aanvulling op de overeenkomstige bepalingen van de in bijlage II, onder d), vermelde artikelen.
2. Niettegenstaande eventuele andersluidende bepalingen, beletten de in bijlage II, onder d), vermelde overeenkomsten op generlei wijze dat de lidstaten op niet-discriminerende wijze belastingen, heffingen, accijnzen, vergoedingen of kosten in rekening brengen voor de brandstof die op hun grondgebied wordt geleverd voor gebruik in een vliegtuig van een aangewezen luchtvervoerder van de Republiek Panama dat een plaats op het grondgebied van die lidstaat verbindt met een andere plaats op het grondgebied van die lidstaat of op het grondgebied van een andere lidstaat.
3. Niettegenstaande eventuele andersluidende bepalingen, beletten de in bijlage II, onder d), vermelde overeenkomsten op generlei wijze dat de Republiek Panama op niet-discriminerende wijze belastingen, heffingen, accijnzen, vergoedingen of kosten in rekening brengt voor de brandstof die op haar grondgebied wordt geleverd voor gebruik in een vliegtuig van een aangewezen luchtvervoerder van een lidstaat dat een plaats op het grondgebied van de Republiek Panama verbindt met een andere plaats op het grondgebied van de Republiek Panama of op het grondgebied van een andere LACAC-lidstaat.
Artikel 5
Vervoerstarieven
1. De bepalingen van lid 2 en lid 3 van dit artikel vormen een aanvulling op de in bijlage II, onder e), vermelde artikelen.
2. De tarieven die de luchtvervoerder(s) die door de Republiek Panama is/zijn aangewezen krachtens een in bijlage I vermelde overeenkomst die een in bijlage II, onder e), vermelde bepaling bevat, in rekening brengen voor vervoer dat volledig binnen de Europese Gemeenschap plaatsvindt, zijn onderhevig aan de Europese Gemeenschapswetgeving. Het Europese Gemeenschapsrecht wordt op niet-discriminerende wijze toegepast.
3. De tarieven die de luchtvervoerder(s) die door een lidstaat (is) zijn aangewezen krachtens een in bijlage I vermelde overeenkomst die een in bijlage II, onder e), vermelde bepaling bevat, in rekening brengen voor vervoer tussen de Republiek Panama en een andere LACAC-lidstaat, zijn onderhevig aan de Panamese wetgeving inzake prijsleiderschap en worden op niet-discriminerende wijze toegepast.
Artikel 6
Verenigbaarheid met de mededingingsregels
1. Niettegenstaande eventuele andersluidende bepalingen, leiden de in bijlage I vermelde overeenkomsten op generlei wijze tot i) bevordering van de goedkeuring van overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de mededinging verhinderen, beperken of verstoren; ii) versterking van de gevolgen van dergelijke overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen; of iii) het aan particuliere economische operatoren overdragen van de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen die de mededinging verhinderen, beperken of verstoren.
2. De bepalingen in de in bijlage I vermelde overeenkomsten die niet verenigbaar zijn met lid 1 van dit artikel worden niet toegepast.
Artikel 7
Bijlagen bij de overeenkomst
De bijlagen bij deze overeenkomst maken een integrerend deel uit van de overeenkomst.
Artikel 8
Herziening of wijziging
De partijen kunnen deze overeenkomst op elk ogenblik met wederzijdse instemming herzien of wijzigen.
Artikel 9
Inwerkingtreding
Deze overeenkomst treedt in werking wanneer de partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat zij hun interne procedures voor de inwerkingtreding van de overeenkomst hebben voltooid.
Artikel 10
Beëindiging
1. Wanneer een in bijlage I vermelde overeenkomst wordt beëindigd, worden ook alle bepalingen van de onderhavige overeenkomst die betrekking hebben op de desbetreffende in bijlage I vermelde overeenkomst tegelijkertijd beëindigd.
2. Wanneer alle in bijlage I vermelde overeenkomsten worden beëindigd, wordt de onderhavige overeenkomst tegelijkertijd beëindigd.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.
Gedaan te Panama-stad in tweevoud, op de eerste oktober tweeduizend zeven in de Bulgaarse, de Tsjechische, de Deense, de Nederlandse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Duitse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Slowaakse, de Sloveense, de Spaanse en de Zweedse taal. In geval van tegenstrijdigheden tussen de taalversies is de Spaanse tekst bindend.
За Европейската общнoст
Por la Comunidad Europea
Za Evropské společenství
For Det Europæiske Fællesskab
Für die Europäische Gemeinschaft
Euroopa Ühenduse nimel
Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα
For the European Community
Pour la Communauté européenne
Per la Comunità europea
Eiropas Kopienas vārdā
Europos bendrijos vardu
Az Európai Közösség részéről
Għall-Komunità Ewropea
Voor de Europese Gemeenschap
W imieniu Wspólnoty Europejskiej
Pela Comunidade Europeia
Pentru Comunitatea Europeană
Za Európske spoločenstvo
Za Evropsko skupnost
Euroopan yhteisön puolesta
För Europeiska gemenskapen
За Република Панама
Por la República de Panamá
Za Panamskou republiku
For Republikken Panama
Für die Republik Panama
Panama Vabariigi nimel
Για τη Δημοκρατία του Παναμά
For the Republic of Panama
Pour la République du Panama
Per la Repubblica di Panama
Panamas Republikas vārdā
Panamos Respublikos vardu
A Panamai Köztársaság részéről
Għar-Repubblika tal-Panama
Voor de Republiek Panama
W imieniu Republiki Panamy
Pela República do Panamá
Pentru Republica Panama
Za Panamskú republiku
Za Republiko Panamo
Panaman tasavallan puolesta
För Republiken Panama
BIJLAGE I
Lijst van de overeenkomsten waarnaar wordt verwezen in artikel 1 van deze overeenkomst
|
a) |
Overeenkomsten voor luchtdiensten tussen de Republiek Panama en lidstaten van de Europese Gemeenschap die, op de datum van ondertekening van onderhavige overeenkomst, zijn gesloten, ondertekend en/of voorlopig worden toegepast
|
|
b) |
Geparafeerde of ondertekende overeenkomsten en andere regelingen tussen de Republiek Panama en lidstaten van de Europese Gemeenschap met betrekking tot luchtdiensten die, op de datum van ondertekening van de onderhavige overeenkomst, nog niet van kracht zijn en niet voorlopig worden toegepast |
BIJLAGE II
Lijst van de artikelen van de in bijlage I vermelde overeenkomsten waarnaar wordt verwezen in de artikelen 2 tot en met 5 van onderhavige overeenkomst
|
a) |
Aanwijzing:
|
|
b) |
Weigering, intrekking, opschorting of beperking van vergunningen en machtigingen:
|
|
c) |
Wettelijk toezicht:
|
|
d) |
Belasting op vliegtuigbrandstof:
|
|
e) |
Tarieven voor vervoer:
|
BIJLAGE III
Lijst van andere landen waarnaar wordt verwezen in artikel 2 van deze overeenkomst
|
a) |
De Republiek IJsland (in het kader van de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte); |
|
b) |
Het Prinsdom Liechtenstein (in het kader van de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte); |
|
c) |
Het Koninkrijk Noorwegen (in het kader van de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte); |
|
d) |
De Zwitserse Bondsstaat (in het kader van de overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat). |
|
16.4.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 106/14 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 17 maart 2008
betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake uitvoerrechten
(2008/306/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133, lid 1, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 14 juni 1994 hebben de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten en Oekraïne in Luxemburg de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst gesloten die op 1 maart 1998 in werking is getreden. |
|
(2) |
De verbintenis van de Gemeenschap en haar lidstaten en van Oekraïne om de economische integratie te versterken, vormt een essentiële basis van hun partnerschap. |
|
(3) |
In maart 2007 zijn onderhandelingen geopend voor een nieuwe, uitgebreide overeenkomst tussen de EU en Oekraïne, ter vervanging van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst. |
|
(4) |
Het is de bedoeling dat de uitgebreide overeenkomst voorziet in de oprichting van een ruime vrijhandelszone, als een kernelement van de uitgebreide overeenkomst, na de toetreding van Oekraïne tot de WTO. |
|
(5) |
In de context van de onderhandelingen over de toetreding van Oekraïne tot de WTO heeft de Commissie namens de Gemeenschap onderhandeld over vergaande verbintenissen tot openstelling van de markt door Oekraïne, die voor de Gemeenschap van bijzonder belang zijn; deze verbintenissen zijn vervat in een memorandum waarover de onderhandelaars van Oekraïne en de Commissie op 17 maart 2003 overeenstemming hebben bereikt. |
|
(6) |
Deze verbintenissen zullen worden opgenomen in het Protocol van toetreding van Oekraïne tot de WTO. |
|
(7) |
Tijdens het proces van toetreding van Oekraïne tot de WTO heeft de Commissie namens de Gemeenschap onderhandeld over een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne, waarbij Oekraïne zich verbond tot de afschaffing van uitvoerrechten op goederen bij de inwerkingtreding van de toekomstige vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Oekraïne. |
|
(8) |
De overeenkomst moet namens de Gemeenschap worden goedgekeurd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake uitvoerrechten wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.
De tekst van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling is aan dit besluit gehecht.
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de personen aan te wijzen die bevoegd zijn de overeenkomst te ondertekenen teneinde daardoor de Gemeenschap te binden (1).
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 17 maart 2008.
Voor de Raad
De voorzitter
I. JARC
(1) De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
VERTALING
OVEREENKOMST
in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake uitvoerrechten
A. Brief van de regering van Oekraïne
Kiev, 11 december 2007
Excellentie,
In de context van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten en Oekraïne van 14 juni 1994 en in overeenstemming met de onderhandelingen over de toetreding van Oekraïne tot de Wereldhandelsorganisatie, is het doel van deze brief te bevestigen dat de rechten die door Oekraïne worden toegepast op goederen van oorsprong uit Oekraïne die naar de Europese Gemeenschap worden uitgevoerd, zullen worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Oekraïne, waarover in het kader van een nieuwe, uitgebreide overeenkomst zal worden onderhandeld na afronding van het proces van toetreding van Oekraïne tot de WTO.
Ik stel voor dat deze brief en uw antwoord daarop een formele overeenkomst tussen ons vormen.
Deze overeenkomst zal in werking treden met ingang van de dag waarop de Europese Gemeenschap een schriftelijke kennisgeving van Oekraïne ontvangt luidende dat het de nodige interne procedures heeft voltooid.
Ik bevestig dat deze brief en uw antwoord daarop een formele overeenkomst tussen ons vormen.
Met bijzondere hoogachting,
Namens Oekraïne
M. AZAROV
B. Brief van de Europese Gemeenschap
Brussel, 1 april 2008
Excellentie,
Ik bevestig de ontvangst van de brief van de regering van Oekraïne van 11 december 2007, waarvoor ik u dank, en die luidt als volgt:
„In de context van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten en Oekraïne van 14 juni 1994 en in overeenstemming met de onderhandelingen over de toetreding van Oekraïne tot de Wereldhandelsorganisatie, is het doel van deze brief te bevestigen dat de rechten die door Oekraïne worden toegepast op goederen van oorsprong uit Oekraïne die naar de Europese Gemeenschap worden uitgevoerd, zullen worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Oekraïne, waarover in het kader van een nieuwe, uitgebreide overeenkomst zal worden onderhandeld na afronding van het proces van toetreding van Oekraïne tot de WTO.
Ik stel voor dat deze brief en uw antwoord daarop een formele overeenkomst tussen ons vormen.
Deze overeenkomst zal in werking treden met ingang van de dag waarop de Europese Gemeenschap een schriftelijke kennisgeving van Oekraïne ontvangt luidende dat het de nodige interne procedures heeft voltooid.
Ik bevestig dat deze brief en uw antwoord daarop een formele overeenkomst tussen ons vormen.”.
Ik bevestig dat vorenbedoelde brief en uw antwoord een formele overeenkomst tussen ons vormen.
Met bijzondere hoogachting,
Namens de Europese Gemeenschap
P. MANDELSON
III Besluiten op grond van het EU-Verdrag
BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG
|
16.4.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 106/17 |
GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2008/307/GBVB
van 14 april 2008
ter ondersteuning van de activiteiten van de Wereldgezondheidsorganisatie op het gebied van de bioveiligheid en -beveiliging in laboratoria in het kader van de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (hierna „EU-strategie” genoemd) aangenomen, met in hoofdstuk III een lijst van maatregelen ter bestrijding van de verspreiding daarvan. |
|
(2) |
De Europese Unie geeft momenteel actief uitvoering aan de EU-strategie en aan de in hoofdstuk III daarvan genoemde maatregelen, met name die welke verband houden met het versterken van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (btwC), met inbegrip van de ondersteuning van de nationale implementatie van het btwC, onder meer door Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB van de Raad van 27 februari 2006 betreffende de ondersteuning van het btwC (1) in het kader van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en het actieplan van de Europese Unie inzake biologische en toxinewapens, in aanvulling op het Gemeenschappelijk Optreden ter ondersteuning van het btwC (2). |
|
(3) |
De Raad van de Europese Unie heeft op 20 maart 2006 Gemeenschappelijk Standpunt 2006/242/GBVB (3) betreffende de Conferentie ter toetsing van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (btwC) vastgesteld teneinde het universele karakter van het btwC verder te versterken en het welslagen van genoemde conferentie (hierna de „Zesde Toetsingsconferentie” genoemd) in de hand te werken. Tijdens de in december 2006 gehouden Zesde Toetsingsconferentie heeft de Europese Unie gepleit voor volledige naleving van de bepalingen van het btwC door alle staten die partij zijn, versterking, waar nodig, van nationale uitvoeringsmaatregelen, waaronder strafwetgeving, en controle op ziekteverwekkers en toxines in het kader van het btwC. Ook heeft de Europese Unie toen werkdocumenten over onder meer bioveiligheid en -beveiliging ter tafel gebracht. |
|
(4) |
De Zesde Toetsingsconferentie heeft opnieuw de verbintenis van de Verdragsstaten bevestigd om de krachtens de artikelen I, II, III en IV vereiste nationale maatregelen te treffen teneinde de veiligheid en beveiliging van microbiële en andere biologische agentia of toxines in laboratoria en andere faciliteiten, alsmede tijdens het vervoer daarvan, te waarborgen en ongeoorloofde toegang tot en verwijdering van dergelijke agentia en toxines te voorkomen. De Conferentie heeft daarnaast de Verdragsstaten met relevante ervaring met wettelijke en administratieve maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van het btwC ertoe opgeroepen bijstand te verlenen op verzoek van andere Verdragsstaten. De Conferentie heeft die bijstand op regionaal niveau aangemoedigd. |
|
(5) |
De Zesde Toetsingsconferentie heeft ertoe besloten in 2008 onderlinge overeenstemming en concrete actie te bespreken en te bevorderen over onder meer nationale, regionale, en internationale maatregelen ter verbetering van de bioveiligheid en -beveiliging, met inbegrip van de veiligheid en de beveiliging van ziekteverwekkers en toxines in laboratoria. |
|
(6) |
Voorts heeft de Zesde Toetsingsconferentie in verband met artikel VII van het btwC opgemerkt dat de nationale paraatheid van de Verdragsstaten bijdraagt tot de internationale capaciteit tot reactie op, onderzoek naar en vermindering van de gevolgen van uitbraken van ziekten, waaronder die welke worden toegeschreven aan het gebruik van biologische of toxinewapens. |
|
(7) |
De Zesde Toetsingsconferentie heeft de Verdragsstaten aangemoedigd om in het kader van artikel X van het btwC de bestaande internationale organisaties en netwerken, met name die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC), te blijven versterken, heeft de Verdragsstaten ertoe opgeroepen de nationale en regionale capaciteit tot bewaking, opsporing, diagnosestelling en bestrijding van infectieziekten, en ook van andere mogelijke biologische bedreigingen, te blijven ondersteunen, en heeft de Verdragsstaten die daartoe in staat zijn, aangespoord om zowel rechtstreeks als via internationale organisaties steun te blijven verlenen aan activiteiten voor de capaciteitsopbouw in Verdragsstaten die bijstand behoeven op het gebied van bewaking, opsporing, diagnosestelling en bestrijding van infectieziekten en gerelateerd onderzoek. |
|
(8) |
Op 15 juni 2007 is de Internationale Gezondheidsregeling (hierna „IGR” genoemd) in werking getreden. De regeling heeft betrekking op de bewegingen en de beheersing van en de reactie op uitbraken van infectieziekten, ongeacht hun oorsprong, en bepaalt dat de lidstaten van de WHO belangrijke capaciteiten op het gebied van laboratoria en toezicht dienen op te bouwen om de IGR uit te voeren. Het WHO-secretariaat dient de WHO-lidstaten bij de uitvoering van hun nationale IGR-plannen bij te staan via het hoofdkwartier en de regionale bureaus van de WHO, waaronder het WHO-bureau in Lyon. Het WHO-beheersprogramma inzake de terugdringing van biologische risico’s verstrekt aanwijzingen inzake de wijze waarop laboratoria moeten werken door middel van normatieve richtsnoeren, workshops en opleiding op het gebied van bioveiligheidspraktijken, biobeveiliging van laboratoria, gedragscodes voor verantwoordelijk onderzoek in de levenswetenschappen. Tevens vervult het een rol bij het vaststellen van de VN-richtsnoeren inzake het vervoer van infectieuze stoffen. Uit hoofde van de IGR vervullen volksgezondheidslaboratoria een rol bij de paraatheid betreffende de aanpak van biologische, chemische, radiologische en nucleaire bedreigingen. De definities van bioveiligheid en van biobeveiliging in laboratoria zijn vervat in het „Laboratory Biosafety Manual” van de WHO, derde editie (2004), en in de „Biorisk Management, Laboratory Biosecurity Guidance” (2006). |
|
(9) |
Dit gemeenschappelijk optreden zal worden uitgevoerd overeenkomstig de financiële en administratieve kaderovereenkomst tussen de Commissie en de VN (hierna de „kaderovereenkomst” genoemd), waarin voor beide partijen een kader wordt vastgesteld om hun samenwerking te verbeteren, onder andere door een operationeel partnerschap, |
HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Teneinde onmiddellijke en praktische uitvoering te geven aan de relevante onderdelen van de EU-strategie, draagt de Europese Unie bij tot de uitvoering van de door de Verdragsstaten tijdens de Zesde Conferentie ter toetsing van het btwC genomen besluiten, en streeft zij daarbij de volgende doelstellingen na:
|
a) |
het waarborgen van de veiligheid en beveiliging van microbiële en andere biologische agentia of toxines in laboratoria en andere faciliteiten, alsmede tijdens het vervoer daarvan, en het voorkomen van ongeoorloofde toegang tot en verwijdering van dergelijke agentia en toxines; |
|
b) |
het stimuleren van praktijken om biologische gevaren terug te dringen en van de bewustwording daaromtrent, inclusief bioveiligheid, biobeveiliging, bio-ethiek en paraatheid voor doelbewust misbruik van biologische agentia en toxines, door middel van internationale samenwerking op dit gebied. |
2. Om de in lid 1 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, stelt de Europese Unie projecten in die bestaan uit de volgende maatregelen:
|
a) |
het organiseren van stimuleringsworkshops, overleg en opleiding voor bevoegde autoriteiten in de betrokken sectoren en voor laboratoriumbeheer/-personeel op nationaal, subregionaal en regionaal niveau, met als doel een grondiger kennis van praktijken voor het terugdringen van biologische risico’s en de daadwerkelijke toepassing daarvan in laboratoria en andere faciliteiten, mede, in voorkomend geval, tijdens het transport; |
|
b) |
het verlenen van bijstand aan een geselecteerd land met het oog op de beoordeling van de reactiecapaciteit van de volksgezondheidssector in het kader van de verhoging van de nationale biologische paraatheid, met het oog op de ontwikkeling en uitvoering van een beheersplan voor het terugdringen van biologische risico’s, met name wat betreft de praktijk en de veiligheid in laboratoria, en de harmonisering met geïntegreerde nationale draaiboeken en met het oog op de verbetering van de prestaties alsook het functioneren op lange termijn van nationale laboratoria door deze in regionale en internationale netwerken met elkaar te verbinden. |
In de bijlage bij dit gemeenschappelijk optreden gaat een nadere omschrijving van deze projecten.
Artikel 2
1. Het voorzitterschap, bijgestaan door de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger (hierna „SG/HV” genoemd), is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden. De Commissie wordt hier volledig bij betrokken.
2. De technische uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde maatregelen is in handen van de WHO, met inbegrip van het WHO-bureau in Lyon.
De WHO verricht haar taken onder toezicht van de SG/HV, die het voorzitterschap bijstaat. Daartoe treft de SG/HV de nodige regelingen met de WHO.
3. Conform hun respectieve bevoegdheden houden het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, en de Commissie elkaar regelmatig op de hoogte omtrent de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde maatregelen bedraagt 2 105 000 EUR, te financieren uit de algemene begroting van de Europese Unie.
2. Voor het beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven gelden de communautaire procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie.
3. De Commissie ziet toe op het correcte beheer van de in lid 2 bedoelde uitgaven, die als schenking worden verstrekt. Zij sluit daartoe een financieringsovereenkomst met de WHO. In die financieringsovereenkomst wordt bepaald dat de WHO er zorg voor draagt dat de bijdrage van de Europese Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met de omvang ervan, mede door deelname van EU-deskundigen.
4. De Commissie tracht de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk te sluiten nadat dit gemeenschappelijk optreden in werking is getreden. Zij brengt de Raad op de hoogte van eventuele daarbij rijzende moeilijkheden en van de datum waarop de financieringsovereenkomst wordt gesloten.
Artikel 4
Het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden, op basis van de kwartaalverslagen die worden opgesteld door de WHO. Deze verslagen zullen de basis vormen voor de evaluatie door de Raad. De Commissie wordt hier volledig bij betrokken. Zij brengt aan de Raad verslag uit over de financiële aspecten van de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.
Artikel 5
Dit gemeenschappelijk optreden wordt van kracht op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Het verstrijkt 24 maanden na de datum waarop de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst is gesloten, of zes maanden na de datum waarop dit gemeenschappelijk optreden is vastgesteld, indien er binnen die termijn geen financieringsovereenkomst gesloten is.
Artikel 6
Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 14 april 2008.
Voor de Raad
De voorzitter
I. JARC
(1) PB L 65 van 7.3.2006, blz. 51.
BIJLAGE
BESCHRIJVING VAN DE TE FINANCIEREN PROJECTEN
1. Algemene doelstellingen
Het algemene doel van dit gemeenschappelijk optreden is, door middel van de hierna beschreven projecten, ondersteuning te verlenen aan de uitvoering van het btwC, en met name van de aspecten daarvan die verband houden met de veiligheid en beveiliging van microbiële en andere biologische agentia of toxines in laboratoria en andere faciliteiten, mede, in voorkomend geval, tijdens het vervoer daarvan, en het voorkomen van ongeoorloofde toegang tot en verwijdering van dergelijke agentia en toxines.
Daarnaast dient het gemeenschappelijk optreden bij te dragen tot de bewustmaking omtrent praktijken inzake beheersing van biologische risico’s, en met name middels project 2 goede nationale laboratoriumpraktijken en een goede aanpak van biologische agentia in het kader van een algemene nationale paraatheid voor biologische risico’s te bevorderen.
2. Specifieke doelstellingen op basis van de projecten
De hierna beschreven projecten hebben betrekking op de volgende drie prioritaire aandachtspunten inzake accidentele en doelbewuste verspreiding van ziekten:
|
1. |
Het risico dat terroristen of andere criminelen toegang hebben tot gevaarlijke biologische ziekteverwekkers/toxines. Plannen van terroristen om ziekte als wapen te verwerven en in te zetten mogen niet ten uitvoer kunnen worden gebracht. Gebeurtenissen als het opduiken van brieven met miltvuursporen in de Verenigde Staten in 2001 kunnen grote politieke en economische beroering veroorzaken. |
|
2. |
Een aanzienlijke toename van het aantal nieuwe laboratoria in het algemeen, en van laboratoria met een hoog beheersingsniveau in het bijzonder, die een achterstand hebben met de inachtneming van adequate bioveiligheids- en biobeveiligingsnormen. De afgelopen jaren hebben heel wat landen, waaronder landen met beperkte middelen en fondsen, geld uitgetrokken voor de bouw van laboratoria met een hoog beheersingsniveau. Dit stelt de wetenschappers van de betrokken landen in staat om ervaring op te doen met de behandeling van gevaarlijke ziekteverwekkers, zoals het SARS-coronavirus of virale hemorragische koortsvirussen, maar het kan ook risico’s met zich brengen, met name in landen die niet voldoende middelen kunnen toewijzen voor het onderhoud van hun faciliteiten op lange termijn, en die niet in adequate opleiding voor het personeel voorzien. |
|
3. |
Het vóórkomen van laboratoriumincidenten en de accidentele introductie van zeer gevaarlijke biomaterialen vanwege inadequate bioveiligheids- en biobeveiligingspraktijken in laboratoria en andere faciliteiten, en de niet-nakoming van de VN-regelgeving inzake verpakking en vervoer van infectieuze stoffen. Drie afzonderlijke SARS-incidenten in laboratoria in Azië in 2003 en 2004, het recente sterfgeval door een laboratoriuminfectie met de hemorragische koorts Ebola in Rusland en tekortkomingen in de bioveiligheidspraktijken die hebben geleid tot laboratoriuminfecties (tularemia en meliodosis) in de Verenigde Staten zijn voorbeelden van de risico’s in verband met ontoereikende bioveiligheid en -beveiliging in laboratoria waarvan de verbetering meer inzet vraagt door de beheerspraktijken en de opleiding van het personeel, ongeacht het soort laboratoriumomgeving (mensen, dieren of landbouw) waarin de werknemer zich bevindt. |
2.1. Project 1: Bevordering van het beheer inzake terugdringing van biorisico’s door middel van regionale en nationale stimuleringsactiviteiten
Doel van het project
Met dit project wordt beoogd de lidstaten ertoe aan te zetten verantwoordelijkheid op zich te nemen voor het ontwikkelen van programma’s ter voorkoming van accidentele blootstelling of introductie, alsmede van doelbewuste verduistering of doelbewust misbruik van bioagentia in de laboratoria. Bij het project zullen nationale beleidsmakers op het gebied van de gezondheid alsmede leidinggevenden en personeel van laboratoria worden betrokken, met als doel hen aan te zetten om zich voor een bioveiligheids-, c.q. -beveiligingscultuur te beijveren. Het project zal voorts bijdragen tot de ontwikkeling van programma’s voor het terugdringen van biorisico’s op nationaal, regionaal en internationaal niveau, mede door de laboratoria in netwerken met elkaar te verbinden en door in de landen van de regio te komen tot geharmoniseerde normen voor bioveiligheid en biobeveiliging in laboratoria, waarbij ernaar wordt gestreefd transparantie en inachtneming van bio-ethiek (alsmede non-proliferatie) te bevorderen. Speciale aandacht zal uitgaan naar het uitbouwen van sectordoorsnijdende netwerken tussen volksgezondheid en andere sectoren, zoals diergezondheid en milieu, met als oogmerk een gecoördineerde totaalaanpak inzake het terugdringen van biorisico’s.
Resultaten van het project
|
i) |
regio’s en landen worden betrokken in een actieve dialoog over aangelegenheden in verband met de veiligheid en de beveiliging van gevaarlijke bio-agentia en toxines in laboratoria en andere faciliteiten; |
|
ii) |
de huidige praktijken aangaande bioveiligheid en -beveiliging worden in kaart gebracht; |
|
iii) |
de ontwikkeling van nationale plannen wordt ondersteund, met name in overeenstemming met de IGR, regelgeving inzake ziekteverwekkers en beheersingsmaatregelen ter verhoging van de veiligheid en de beveiliging bij de behandeling van zeer infectieuze materialen; |
|
iv) |
er worden opleidingscurricula ontwikkeld die het oogmerk hebben beleidsmakers alsmede leidinggevenden en personeel van laboratoria betrokken te houden bij de praktijken voor het terugdringen van biorisico’s (bio-ethiek en bevordering van de gedragscodes zullen hiervan deel uitmaken); |
|
v) |
er worden middelen verschaft om de nationale betrokken partijen onderling en met internationale organisaties (waaronder de FAO, de OIE en het IPPC) te verbinden, teneinde ondersteuning te verlenen voor hun activiteiten en hen te helpen om verantwoordelijke mondiale partners te worden in beroepsorganisaties en internationale netwerken. |
Beschrijving van het project
a) Regionale stimuleringsworkshops ter bevordering van de bewustwording omtrent het beheer inzake terugdringing van biorisico’s en concrete landgerichte operationele initiatieven op het gebied van bioveiligheid en biobeveiliging.
In 2006 heeft de WHO workshops voor de bewustmaking omtrent het beheer inzake terugdringing van biorisico’s georganiseerd in Midden- en Zuid-Amerika, in oostelijke Mediterrane landen en in Engelstalige landen van Afrika. Zij zal deze eerste algemene stimulerings- en bewustmakingscyclus in de overige regio’s voltooien, waarna er een follow-up zal komen in de vorm van gerichtere stimuleringsacties waarmee zal worden ingespeeld op de specifieke behoeften van de landen in de geselecteerde regio’s, mede op het gebied van bio-ethiek en de gedragscodes. Om dubbel werk te voorkomen en de werkwijzen te coördineren en te harmoniseren, zal de WHO met de relevante betrokken partijen en donoren (internationale actoren en niet-gouvernementele organisaties) overleg voeren over de lopende projecten en de behoefte aan bijstand.
Er zijn vijf regionale workshops gepland, mogelijk voor de volgende regio’s: de Afrikaanse landen beneden de Sahara, Zuid-Amerika, Zuid- en Zuidoost-Azië, Oost-Azië/westelijke Stille Oceaan, Centraal-Azië en de Oost-Europese landen (waaronder Rusland).
b) Overleg met de bevoegde autoriteiten ter zake om ze te betrekken bij het beheer inzake terugdringing van biorisico’s in de gezondheidszorg.
De WHO zal overleg voeren met de bevoegde autoriteiten in de betrokken sectoren en met de beheerders van de referentielaboratoria, teneinde hun inzet voor het beheer inzake terugdringing van biorisico’s te bevorderen. Er zijn ten minste vier bezoeken gepland. De te bezoeken landen zullen worden geselecteerd door middel van overleg in het stuurcomité en de selectie van de landen zal worden gebaseerd op hun inzet voor de uitvoering van het non-proliferatiebeleid.
c) Diepgaande gespecialiseerde themaworkshops over praktijken van het terugdringen van biorisico’s
De WHO zal ten minste twee regionale workshops over specifieke thema’s organiseren teneinde het begrip van de belangrijkste aspecten van de praktijken inzake het terugdringen van biorisico’s te verdiepen, zowel voor beleidsmakers op het gebied van de gezondheid als voor leidinggevenden en personeel van laboratoria. De aandacht zal uitgaan naar aangelegenheden in verband met wetgeving en beheer, evenals naar de vraag hoe ervoor kan worden gezorgd dat de programma’s op lange termijn blijven functioneren, door middel van netwerken, seminars en beroepsorganisaties. De seminars zullen in de eerste plaats bestemd zijn voor de landen van het oostelijke Middellandse-Zeegebied en van Oost-Europa, of voor andere landen die in aanmerking komen voor selectie in het kader van project 2.
2.2. Project 2: Versterking van de beveiligings- en laboratoriumbeheerspraktijken voor het terugdringen van biologische risico’s (een demonstratiemodel voor landen)
Doelstellingen van het project
|
i) |
het in kaart brengen en beoordelen van de reactiecapaciteit van volksgezondheid, met name in verband met biologische agentia en toxines, in het kader van het vergroten van de nationale biologische paraatheid, door de gezondheidssector te verbinden met buitenlandse zaken, justitie, milieu, handel, landbouw (en diergezondheid) en inlichtingen; |
|
ii) |
het ontwikkelen van een forum om de betrokken nationale actoren op de hoogte en in verbinding te houden inzake de paraatheid en de reactiecapaciteit van volksgezondheid; |
|
iii) |
het ontwikkelen van een beheersplan voor het terugdringen van biorisico’s, met name met betrekking tot de laboratoriumpraktijk en -veiligheid, en het in overeenstemming brengen van dit beheersplan met geïntegreerde nationale paraatheidsplannen; |
|
iv) |
het uitvoeren van het nationale beheersplan voor het terugdringen van biorisico’s, met name met betrekking tot de laboratoriumpraktijk en -veiligheid; |
|
v) |
het in kaart brengen en versterken van de prestaties, de capaciteit en het functioneren op lange termijn van de nationale laboratoria, door ze in regionale en internationale laboratoriumnetwerken met elkaar te verbinden. |
Resultaten van het project
|
i) |
het programma van het geselecteerde land wordt versterkt om de biologische risico’s zoveel mogelijk te beperken; |
|
ii) |
onder de nationale betrokkenen wordt het begrip verbeterd en vertrouwen geschapen over de rol van de volksgezondheidssector inzake reactie op biologische incidenten; |
|
iii) |
er wordt een verbinding tussen de biolaboratoria en de nationale betrokken partijen tot stand gebracht inzake reactie op biologische incidenten; |
|
iv) |
de laboratoriumveiligheid, -kwaliteit en prestaties worden verbeterd; |
|
v) |
een voortdurende erkende laboratoriumkwaliteit en -connectiviteit wordt gewaarborgd door middel van regionale en internationale validering; |
|
vi) |
het land wordt in staat gesteld te voldoen aan de minimumvereisten voor laboratoria overeenkomstig de IGR. |
Beschrijving van het project
Om de hierboven beschreven doelstellingen te verwezenlijken zal het project gedurende een passend tijdsbestek worden uitgevoerd, hetgeen van zowel het verzoekende land als de Europese Unie een langdurig engagement zal vereisen. Het project zal gefaseerd worden uitgevoerd. Er moet een door de Europese Unie gefinancierde gedetacheerde deskundige worden aangewezen als projectleider voor het betrokken land.
Voorbereidende fase
De WHO zal een aantal kandidaat-lidstaten voor het project vaststellen, en de EU-lidstaten via het stuurcomité een geschikte kandidaat aanbevelen. De selectiecriteria zullen bij voorrang op non-proliferatieoverwegingen berusten. De WHO en het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, zullen met de kandidaat-lidstaten verkennende besprekingen voeren. Op basis van de voortgang van die gesprekken zal de WHO eerste pre-evaluatiebezoeken aan de betrokken landen afleggen, die relevant zijn voor de volgende fase van het project. De WHO zal een onderdaan van een van de EU-lidstaten als projectfunctionaris aanwijzen.
Als resultaat van deze voorbereidende fase zal door de Europese Unie (te dien einde vertegenwoordigd door het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV), de WHO en het geselecteerde land een memorandum van overeenstemming worden ondertekend.
Beoordelingsfase
In de beoordelingsfase zal de WHO de nationale biologische activiteiten en middelen in het geselecteerde land beoordelen, en bijstand verlenen bij het afstemmen daarvan op het nationale reactievermogen voor biologische incidenten. Als onderdeel daarvan zullen de beoordelingsexercitie inzake bio-incidenten en het coördinatieplan om alle betrokken partijen in kennis te stellen van de staat van nationale paraatheid voor biologische incidenten worden voltooid, en zal er worden begonnen met de aanpassing van de verantwoordelijkheden op het gebied van de volksgezondheid in het plan van nationale paraatheid voor biologische dreigingen en/of incidenten in samenhang met internationale volksgezondheidscrises.
Technischebijstandsfase
In deze fase is het de bedoeling de laboratoriumpraktijken te consolideren teneinde te reageren op een gebeurtenis in samenhang met een internationale volksgezondheidscrisis, en om te waarborgen dat de laboratoria veilig functioneren en dat hun resultaten op nationaal, regionaal en internationaal niveau worden gevalideerd. Om deze doelstellingen te verwezenlijken zal worden gezorgd voor opleiding van de verantwoordelijke betrokkenen op het gebied van volksgezondheid en reactie op biologische incidenten. Er zullen plannen voor de laboratoriuminfrastructuur worden ontwikkeld en degenen die werkzaam zijn in de sector bioveiligheid zullen in internationale netwerken worden verbonden, mede door deelname aan de jaarlijkse vergaderingen en conferenties van de internationale bioveiligheidsorganisaties.
Evaluatiefase
De WHO zal om de drie maanden in samenwerking met het geselecteerde land een evaluatieverslag opstellen over de uitvoering van de nationale plannen voor biologische paraatheid en over het presteren van de nationale laboratoria vanuit bioveiligheids- en -beveiligingsoogpunt, en zal dat evaluatieverslag voorleggen aan het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, en aan de Commissie.
3. Duur
De totale duur van de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden wordt op 24 maanden geraamd.
4. Begunstigden
De begunstigden zijn staten die partij zijn bij het btwC, of staten die het ratificatie/toetredingsproces hebben ingeleid. Het gemeenschappelijk optreden is in de eerste plaats gericht op landen en regio’s die kwetsbaar zijn vanwege onveilige praktijken in biologische laboratoria, hetgeen bijdraagt tot een verhoogd risico op verlies, diefstal en/of misbruik van micro-organismen met grote gevolgen, en de daarvan afgeleide producten.
5. Uitvoeringsorgaan
Het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden en voor het toezicht daarop. Het voorzitterschap vertrouwt de technische uitvoering toe aan de WHO.
De projecten zullen worden uitgevoerd door WHO-personeel, in voorkomend geval in samenwerking met (deskundigen uit) WHO-lidstaten, met name de lidstaten van de Europese Unie. Wanneer voor de uitvoering van het project nieuw personeel wordt aangeworven, dient de voorkeur te worden gegeven aan onderdanen van de EU-lidstaten. Op de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden wordt toezicht uitgeoefend door een stuurcomité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de WHO, het EU-voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, en de Commissie. Het stuurcomité vergadert wanneer dit vereist is, doch ten minste tweemaal per jaar, om de voortgang te toetsen en om uitvoeringsaangelegenheden te bespreken. Hiermee wordt beoogd de samenhang van de algehele uitvoering van het project en de evaluatieverslagen te garanderen. Het stuurcomité zal tevens dienen als mechanisme voor de selectie van de landen voor project 1b, en project 2.