|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
51e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
* |
Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen ( 1 ) |
|
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
|
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Commissie |
|
|
|
|
2008/58/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2008/59/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2008/60/EG |
|
|
|
* |
Beschikking van de Commissie van 21 december 2007 tot wijziging van Besluit 2003/548/EG met betrekking tot de schrapping van bepaalde huurlijnen uit het minimumpakket van huurlijnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6635) ( 1 ) |
|
|
|
|
2008/61/EG |
|
|
|
* |
Beschikking van de Commissie van 17 januari 2008 tot wijziging van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG van de Raad ten aanzien van de invoer van vers rundvlees uit Brazilië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 28) ( 1 ) |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is
VERORDENINGEN
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 31/2008 VAN DE RAAD
van 15 november 2007
betreffende de sluiting van een partnerschapsovereenkomst in de visserijsector tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Madagaskar
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, juncto artikel 300, lid 2 en lid 3, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Gemeenschap en de Republiek Madagaskar hebben onderhandeld over een partnerschapsovereenkomst in de visserijsector waarbij aan communautaire vissers vangstmogelijkheden worden toegekend in de wateren die onder de soevereiniteit van de Republiek Madagaskar vallen, en hebben deze overeenkomst geparafeerd. |
|
(2) |
Het is in het belang van de Gemeenschap deze overeenkomst goed te keuren. |
|
(3) |
Bepaald moet worden hoe de vangstmogelijkheden over de lidstaten moeten worden verdeeld, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De Partnerschapsovereenkomst in de visserijsector tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Madagaskar wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.
De tekst van de overeenkomst is aan deze verordening gehecht (1).
Artikel 2
De in het protocol bij de overeenkomst vastgestelde vangstmogelijkheden worden als volgt over de lidstaten verdeeld:
|
Type visserij |
Vaartuigtype |
Lidstaat |
Vergunningen of quota |
|
Tonijnvisserij |
Vriesschepen voor de tonijnvisserij met de zegen |
Spanje |
23 |
|
Frankrijk |
19 |
||
|
Italië |
1 |
||
|
Tonijnvisserij |
Vaartuigen voor de visserij met de drijvende beug van meer dan 100 BT |
Spanje |
25 |
|
Frankrijk |
13 |
||
|
Portugal |
7 |
||
|
Verenigd Koninkrijk |
5 |
||
|
Tonijnvisserij |
Vaartuigen voor de visserij met de drijvende beug van 100 BT of minder |
Frankrijk |
26 |
|
Demersale visserij |
Experimentele visserij met de beug of de grondbeug |
Frankrijk |
5 |
Indien met de door deze lidstaten ingediende vergunningaanvragen niet alle in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden worden benut, kan de Commissie vergunningaanvragen van andere lidstaten in aanmerking nemen.
Artikel 3
De lidstaten waarvan de vaartuigen in het kader van deze overeenkomst vissen, melden de in de visserijzone van Madagaskar gevangen hoeveelheden van elk bestand aan de Commissie overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 500/2001 van de Commissie van 14 maart 2001 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad wat betreft de controle op de vangsten van de communautaire vissersvaartuigen in de wateren van derde landen en in volle zee (2).
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 november 2007.
Voor de Raad
De voorzitter
M. L. RODRIGUES
(1) Voor de tekst van het akkoord, zie PB L 331 van 17.12.2007, blz. 7.
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 32/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 138, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 1580/2007 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1580/2007 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 18 januari 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
IL |
134,0 |
|
MA |
53,3 |
|
|
TN |
129,8 |
|
|
TR |
99,8 |
|
|
ZZ |
104,2 |
|
|
0707 00 05 |
JO |
187,5 |
|
MA |
48,4 |
|
|
TR |
114,1 |
|
|
ZZ |
116,7 |
|
|
0709 90 70 |
MA |
97,4 |
|
TR |
140,9 |
|
|
ZZ |
119,2 |
|
|
0709 90 80 |
EG |
313,6 |
|
ZZ |
313,6 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
48,6 |
|
IL |
54,3 |
|
|
MA |
72,8 |
|
|
TN |
62,9 |
|
|
TR |
80,2 |
|
|
ZA |
52,9 |
|
|
ZZ |
62,0 |
|
|
0805 20 10 |
MA |
108,5 |
|
TR |
101,8 |
|
|
ZZ |
105,2 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
CN |
63,4 |
|
IL |
76,2 |
|
|
JM |
120,0 |
|
|
TR |
80,4 |
|
|
ZZ |
85,0 |
|
|
0805 50 10 |
BR |
72,8 |
|
EG |
102,1 |
|
|
IL |
123,3 |
|
|
TR |
119,8 |
|
|
ZA |
54,7 |
|
|
ZZ |
94,5 |
|
|
0808 10 80 |
CA |
96,2 |
|
CN |
76,8 |
|
|
MK |
40,4 |
|
|
US |
115,5 |
|
|
ZA |
59,7 |
|
|
ZZ |
77,7 |
|
|
0808 20 50 |
CN |
65,6 |
|
US |
88,7 |
|
|
ZZ |
77,2 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/5 |
VERORDENING (EG) Nr. 33/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG wordt bepaald dat de Commissie een werkprogramma uitvoert om geleidelijk de werkzame stoffen te onderzoeken die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn op de markt zijn. Dit programma is verdeeld in vier fasen en overeenkomstig Beschikking 2003/565/EG van de Commissie van 25 juli 2003 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad vastgestelde periode (2), loopt de laatste fase af op 31 december 2008. |
|
(2) |
De eerste fase van dit programma is vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (3). De tweede en de derde fase zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 451/2000 van de Commissie van 28 februari 2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4) en Verordening (EG) nr. 1490/2002 van de Commissie (5). De vierde fase is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2229/2004 van de Commissie van 3 december 2004 houdende nadere bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (6). |
|
(3) |
Voor de opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het eerste, tweede, derde en vierde werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van die richtlijn, is het noodzakelijk nadere bepalingen vast te stellen voor het opnieuw indienen van aanvragen en zo dubbel werk te voorkomen, een hoog veiligheidsniveau te garanderen en ervoor te zorgen dat snel een besluit wordt genomen. Voorts moet de relatie tussen de aanvragers, de lidstaten, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, hierna „de Autoriteit” genoemd, en de Commissie worden vastgesteld, alsook de verplichting voor elke partij om de procedure toe te passen. |
|
(4) |
Voor de stoffen van de eerste fase werden de dossiers in 1995 en 1996 ingediend. De Autoriteit heeft geen intercollegiale toetsing uitgevoerd. Aangezien de oorspronkelijke dossiers al jaren oud zijn en de wetenschappelijke kennis inmiddels is geëvolueerd, zoals blijkt uit de richtsnoeren van de diensten van de Commissie, is voor deze stoffen een volledig bijgewerkt dossier vereist en zou de Autoriteit in principe een intercollegiale toetsing moeten uitvoeren. Dat geldt in principe ook voor stoffen van de tweede, derde en vierde fase van het werkprogramma, maar indien een ontwerp-beoordelingsverslag is opgesteld en een aanvraag wordt ingediend binnen een redelijke termijn na het besluit om de stof in kwestie niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen, kan een versnelde procedure worden toegepast. |
|
(5) |
Voor stoffen van de tweede fase golden strikte termijnen en moest een besluit worden genomen op basis van de door de Autoriteit intercollegiaal getoetste beschikbare informatie. In sommige gevallen zijn er problemen gerezen waardoor bepaalde stoffen niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn opgenomen. Voor die stoffen zijn de oorspronkelijke dossiers uiterlijk in april 2002 ingediend. De Autoriteit heeft tussen 2003 en 2006 intercollegiale toetsingen uitgevoerd en de dossiers zijn dus bijgewerkt. In sommige van deze gevallen zijn er wellicht maar enkele studies nodig om een compleet dossier te vormen voor het opnieuw indienen van aanvragen voor mogelijke opneming in bijlage I, op basis van dezelfde of beperktere ondersteunde toepassingen. Het verdient aanbeveling te voorzien in een versnelde procedure voor het opnieuw indienen van aanvragen en voor intercollegiale toetsing in gevallen waarin het dossier recentelijk werd samengesteld en besproken. Dat zou ook moeten gelden voor stoffen van de derde en vierde fase van het werkprogramma waarvoor de procedures laatstelijk zijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1095/2007. |
|
(6) |
Aanvullende gegevens mogen alleen in aanmerking worden genomen als zij binnen de vastgestelde termijn zijn ingediend. |
|
(7) |
De mogelijkheid moet worden geboden om voor dezelfde stof op gelijk welk ogenblik een nieuwe aanvraag in te dienen. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Toepassingsgebied
Bij deze verordening worden nadere bepalingen vastgesteld voor de indiening en beoordeling van aanvragen voor opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die door de Commissie zijn beoordeeld in het kader van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van die richtlijn, maar die op de in de punten a), b) en c), vermelde data nog niet in bijlage I bij die richtlijn waren opgenomen:
|
a) |
voor stoffen van de eerste fase, uiterlijk 31 december 2006 of, in het geval van metalaxyl, uiterlijk 30 juni 2010; |
|
b) |
voor stoffen van de tweede fase, uiterlijk 30 september 2007; |
|
c) |
voor stoffen van de derde en vierde fase, uiterlijk 31 december 2008. |
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
a) |
„aanvrager”: de persoon die de werkzame stof zelf produceert of de productie daarvan uitbesteedt aan een andere partij of een persoon die door de producent is aangewezen als zijn alleenvertegenwoordiger voor de naleving van deze verordening; |
|
b) |
„comité”: het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, zoals bedoeld in artikel 19 van Richtlijn 91/414/EEG; |
|
c) |
„stoffen van de eerste fase”: werkzame stoffen die in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn opgenomen; |
|
d) |
„stoffen van de tweede fase”: werkzame stoffen die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 451/2000 zijn opgenomen; |
|
e) |
„stoffen van de derde fase”: werkzame stoffen die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 zijn opgenomen; |
|
f) |
„stoffen van de vierde fase”: werkzame stoffen die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2229/2004 zijn opgenomen. |
HOOFDSTUK II
NORMALE PROCEDURE
Artikel 3
Aanvraag
1. Een aanvrager die een onder artikel 1 vallende werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wenst te doen opnemen, dient voor die werkzame stof bij een lidstaat (hierna „de als rapporteur optredende lidstaat” genoemd) een aanvraag in en een compleet dossier, met inbegrip van het in artikel 4 bedoelde beknopte dossier waaruit blijkt dat de werkzame stof aan de in artikel 5 van die richtlijn gestelde eisen voldoet. Het is de aanvrager die aantoont dat aan deze eisen is voldaan.
2. Bij de indiening van zijn aanvraag kan de aanvrager overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG verzoeken bepaalde delen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde dossiers vertrouwelijk te behandelen. De aanvrager licht dan voor elk document of deel van een document toe waarom het als vertrouwelijk moet worden beschouwd.
Tegelijkertijd verzoekt hij om gegevensbescherming overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG.
Informatie die vertrouwelijk moet worden behandeld, dient hij apart in.
Artikel 4
Dossiers
1. Het beknopte dossier omvat:
|
a) |
gegevens over een beperkte verscheidenheid van representatieve toepassingen van ten minste één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat, waaruit blijkt dat aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG is voldaan; |
|
b) |
voor elk punt van de vereiste gegevens voor de werkzame stof bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 91/414/EEG, de samenvattingen en resultaten van de tests en studies, de naam van de eigenaar en van de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd; |
|
c) |
voor elk punt van de vereiste gegevens voor het gewasbeschermingsmiddel bedoeld in bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG, de samenvattingen en resultaten van de tests en studies, de naam van de eigenaar en van de persoon of de instelling die de tests en studies heeft uitgevoerd, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de in artikel 5 van die richtlijn bedoelde eisen, rekening houdend met het feit dat ontbrekende gegevens in het in bijlage II of bijlage III bedoelde dossier als gevolg van de voorgestelde beperkte verscheidenheid van representatieve toepassingen, tot een beperktere opneming in bijlage I kunnen leiden; |
|
d) |
een checklist waaruit blijkt dat het dossier waarin lid 2 voorziet, volledig is; |
|
e) |
de redenen waarom de ingediende test- en studieverslagen nodig zijn voor de eerste opneming van de werkzame stof; |
|
f) |
een beoordeling van alle ingediende informatie. |
2. Het volledige dossier bevat de volledige tekst van de afzonderlijke test- en studieverslagen betreffende alle in lid 1, onder b) en c), bedoelde informatie.
Artikel 5
Controle van de volledigheid van het dossier
1. Binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag controleert de als rapporteur optredende lidstaat of de dossiers die samen met de aanvraag zijn ingediend, alle elementen bevatten waarin in artikel 4 is voorzien; hij maakt daarbij gebruik van de checklist bedoeld in artikel 4, lid 1, onder d).
2. Wanneer één of meer elementen waarin artikel 4 voorziet ontbreken, licht de lidstaat de aanvrager in en stelt hij een termijn vast voor de indiening ervan. Deze termijn mag niet meer dan zes maanden bedragen.
3. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van de in lid 2 bedoelde termijn niet heeft ingediend, meldt de als rapporteur optredende lidstaat dat aan de aanvrager, de Commissie en de andere lidstaten. Als de Commissie, nadat zij de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven om opmerkingen te formuleren, vaststelt dat deze de ontbrekende elementen niet heeft ingediend, neemt zij een besluit aan waarin wordt bepaald dat de werkzame stof in kwestie niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG moet worden opgenomen. Met een dergelijk besluit eindigt de beoordeling van die werkzame stof in het kader van deze verordening.
4. Voor dezelfde stof kan steeds een nieuwe aanvraag worden ingediend.
5. Wanneer de dossiers die samen met de aanvraag zijn ingediend alle elementen bevatten waarin in artikel 3 is voorzien, stelt de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager, de Commissie, de andere lidstaten en de Autoriteit in kennis van de volledigheid van de aanvraag.
Artikel 6
Publicatie van informatie
Van volledige aanvragen maakt de Commissie de volgende gegevens bekend:
|
a) |
de naam van de werkzame stof; |
|
b) |
de datum van de aanvraag; |
|
c) |
de naam en het adres van de aanvragers; |
|
d) |
de als rapporteur optredende lidstaat. |
Artikel 7
Indiening van informatie door derden
1. Een persoon of een lidstaat die bij de als rapporteur optredende lidstaat informatie wenst in te dienen die aan de beoordeling kan bijdragen, met name betreffende de mogelijk gevaarlijke uitwerkingen van een werkzame stof of de residuen daarvan op de gezondheid van mens of dier en het milieu, moet dat doen uiterlijk 90 dagen nadat de in artikel 6 bedoelde informatie bekend is gemaakt, onverminderd artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG.
2. De als rapporteur optredende lidstaat dient de ontvangen informatie onverwijld bij de Autoriteit en de aanvrager in.
3. De aanvrager kan zijn opmerkingen over de ingediende informatie uiterlijk 60 dagen na ontvangst aan de als rapporteur optredende lidstaat en de Autoriteit toezenden.
Artikel 8
Beoordeling door de als rapporteur optredende lidstaat
1. Binnen twaalf maanden na de datum van de aanvraag waarin artikel 3, lid 1, voorziet, stelt de als rapporteur optredende lidstaat een verslag op (hierna het „ontwerp-beoordelingsverslag” genoemd), dat hij bij de Commissie indient, met een kopie aan de Autoriteit, en waarin wordt beoordeeld of kan worden verwacht dat de werkzame stof aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG voldoet. Tegelijkertijd laat hij de aanvrager weten dat het ontwerp-beoordelingsverslag is ingediend en verzoekt hij hem het bijgewerkte dossier onmiddellijk naar de Autoriteit, de lidstaten en de Commissie door te sturen.
2. De als rapporteur optredende lidstaat kan de Autoriteit raadplegen.
3. Indien de als rapporteur optredende lidstaat aanvullende informatie nodig heeft, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de periode van twaalf maanden uitgebreid met de extra termijn die de als rapporteur optredende lidstaat toekent. De extra termijn bedraagt ten hoogste zes maanden en loopt af zodra de als rapporteur optredende lidstaat de aanvullende informatie ontvangt. Hij brengt de Commissie en de Autoriteit daarvan op de hoogte. De als rapporteur optredende lidstaat houdt bij zijn beoordeling alleen rekening met informatie die tijdens de toegekende termijn werd ingediend.
4. Wanneer de aanvrager de ontbrekende elementen na afloop van de in lid 3 bedoelde termijn niet heeft ingediend, meldt de als rapporteur optredende lidstaat dat aan de aanvrager, de Commissie en de andere lidstaten. Als de Commissie, nadat zij de aanvrager de mogelijkheid heeft gegeven om opmerkingen te formuleren, vaststelt dat deze heeft nagelaten ontbrekende elementen in te dienen die nodig zijn om uit te maken of de stof aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG voldoet, neemt zij een besluit aan waarin wordt bepaald dat de werkzame stof in kwestie niet in bijlage I bij die richtlijn moet worden opgenomen en waarmee de beoordeling van die werkzame stof in het kader van deze verordening wordt beëindigd.
5. Voor dezelfde stof kan steeds een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Artikel 9
Ontvangst van en toegang tot het ontwerp-beoordelingsverslag
Na ontvangst van het in artikel 8, lid 1, bedoelde dossier stuurt de Autoriteit het ontwerp-beoordelingsverslag dat zij van de als rapporteur optredende lidstaat heeft ontvangen door naar de aanvrager, de andere lidstaten en de Commissie.
Zij maakt het toegankelijk voor het publiek, nadat de aanvrager twee weken heeft gekregen om te verzoeken dat bepaalde delen van het ontwerp-beoordelingsverslag vertrouwelijk blijven.
De Autoriteit wacht gedurende 90 dagen schriftelijke opmerkingen van lidstaten en de aanvrager in.
Zo nodig organiseert de Autoriteit een intercollegiale toetsing met onder meer deskundigen uit de lidstaten.
Artikel 10
Conclusie van de Autoriteit
1. Binnen 90 dagen na afloop van de in artikel 9, lid 3, van deze verordening bedoelde periode keurt de Autoriteit een conclusie goed waarin zij vermeldt of kan worden verwacht dat de werkzame stof aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG voldoet, en deelt zij die mee aan de aanvrager, de lidstaten en de Commissie.
Zo nodig gaat de Autoriteit in haar conclusie in op de risicoverlagende opties in verband met de beoogde toepassingen die in het ontwerp-beoordelingsverslag zijn genoemd.
2. Indien de Autoriteit aanvullende informatie nodig heeft, stelt zij in overleg met de als rapporteur optredende lidstaat een termijn van ten hoogste 90 dagen vast waarbinnen de aanvrager die aan de Autoriteit en de als rapporteur optredende lidstaat moet verstrekken. In dat geval wordt de periode van 90 dagen waarin in lid 1 is voorzien, uitgebreid met de extra termijn die de Autoriteit toekent. Zij brengt de Commissie en de lidstaten daarvan op de hoogte. De Autoriteit houdt in haar conclusie alleen rekening met informatie die tijdens de toegekende termijn werd ingediend.
3. De als rapporteur optredende lidstaat beoordeelt de aanvullende informatie en stuurt ze onverwijld en uiterlijk 60 dagen na ontvangst naar de Autoriteit.
4. De Commissie en de Autoriteit komen een tijdschema overeen voor het overleggen van de conclusies om de planning van de werkzaamheden te vergemakkelijken. De Commissie en de Autoriteit komen overeen in welke vorm de conclusies van de Autoriteit worden ingediend.
Artikel 11
Indiening van een ontwerp-richtlijn of een ontwerp-beschikking
1. Onverminderd de voorstellen die de Commissie kan indienen met het oog op de wijziging van de bijlage bij Richtlijn 79/117/EEG van de Raad (7), dient zij uiterlijk zes maanden na ontvangst van de conclusie van de Autoriteit of van informatie dat de aanvrager de ontbrekende elementen van het dossier niet heeft ingediend, bij het comité een ontwerp-evaluatieverslag in dat tijdens zijn vergadering moet worden afgerond.
De aanvrager krijgt de mogelijkheid om binnen een door de Commissie vastgestelde termijn opmerkingen op het evaluatieverslag in te dienen.
2. Op basis van het evaluatieverslag waarin lid 1 voorziet en rekening houdend met de opmerkingen die de aanvrager binnen de overeenkomstig lid 1 door de Commissie vastgestelde termijn heeft gemaakt, wordt volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG een richtlijn of een beschikking vastgesteld, die bepaalt dat:
|
a) |
een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt opgenomen, zo nodig onderworpen aan voorwaarden en beperkingen; |
|
b) |
een werkzame stof niet in bijlage I bij die richtlijn wordt opgenomen. |
3. Met het aannemen van een besluit krachtens lid 2, onder b), eindigt de beoordeling van die werkzame stof in het kader van deze verordening.
Artikel 12
Toegang tot het evaluatieverslag
Het afgeronde evaluatieverslag, met uitzondering van de gedeelten die betrekking hebben op informatie uit de dossiers die overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG als vertrouwelijk moet worden beschouwd, wordt beschikbaar gesteld voor openbare raadpleging.
HOOFDSTUK III
VERSNELDE PROCEDURE
Artikel 13
Voorwaarden voor toepassing van de versnelde procedure
Wanneer overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG een besluit is genomen om een stof van de tweede, derde of vierde fase niet in bijlage I op te nemen, en een ontwerp-beoordelingsverslag is opgesteld, kan iemand die als kennisgever heeft deelgenomen aan de procedure die tot dat besluit heeft geleid, of iemand die de oorspronkelijke kennisgever in overleg met deze laatste in het kader van deze verordening heeft vervangen, een aanvraag indienen overeenkomstig de versnelde procedure waarin is voorzien in de artikelen 14 tot en met 19 van deze verordening. Een dergelijke aanvraag moet worden ingediend binnen zes maanden vanaf de bekendmaking van het besluit tot niet-opneming in het geval van stoffen van de derde en de vierde fase, of binnen zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze verordening in het geval van stoffen van de tweede fase.
Artikel 14
Aanvraag
1. De in artikel 13 bedoelde aanvraag wordt ingediend bij de lidstaat die als rapporteur optrad tijdens de beoordelingsprocedure die eindigde met het aannemen van het besluit tot niet-opneming, tenzij een andere lidstaat de Commissie laat weten bereid te zijn de beoordeling uit te voeren in overleg met de oorspronkelijke als rapporteur optredende lidstaat.
2. Bij de indiening van zijn aanvraag kan de aanvrager overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG verzoeken bepaalde delen van de in lid 2 van artikel 15 bedoelde aanvullende gegevens vertrouwelijk te behandelen. Voor elk document of deel van een document moet hij toelichten waarom het als vertrouwelijk moet worden beschouwd.
Informatie die vertrouwelijk moet worden behandeld, dient hij apart in.
Tegelijkertijd verzoekt hij om gegevensbescherming overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 91/414/EEG.
Artikel 15
Materiële en procedurele voorschriften
1. De volgende materiële voorschriften zijn van toepassing:
|
a) |
de specificatie van de werkzame stof is dezelfde als bij het voorwerp van het besluit tot niet-opneming. Zij mag alleen worden gewijzigd voor zover dit, gezien de redenen die aan de basis van het besluit tot niet-opneming lagen, nodig is om deze stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen; |
|
b) |
de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als bij het voorwerp van het besluit tot niet-opneming. Zij mogen alleen worden gewijzigd voor zover dit, gezien de redenen die aan de basis van het besluit tot niet-opneming lagen, nodig is om deze stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen; |
|
c) |
het is de aanvrager die aantoont dat aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG is voldaan. |
2. De aanvrager dient samen met de aanvraag het volgende in:
|
a) |
de aanvullende gegevens die nodig zijn om een oplossing te bieden voor de specifieke kwesties die tot het aannemen van het desbetreffende besluit tot niet-opneming hebben geleid; |
|
b) |
aanvullende gegevens die de ontwikkeling van wetenschap en techniek weergeven, met name veranderingen in de wetenschappelijke en technische kennis sinds de indiening van de gegevens die tot het besluit tot niet-opneming hebben geleid; |
|
c) |
in voorkomend geval een supplement op het oorspronkelijke dossier; |
|
d) |
een checklist waaruit blijkt dat het dossier volledig is, onder vermelding van de gegevens die nieuw zijn. |
Artikel 16
Publicatie van informatie
Van volledige aanvragen maakt de Commissie de volgende gegevens bekend:
|
a) |
de naam van de werkzame stof; |
|
b) |
de datum van de aanvraag; |
|
c) |
de naam en het adres van de aanvragers; |
|
d) |
de als rapporteur optredende lidstaat. |
Artikel 17
Indiening van informatie door derden
1. Een persoon of een lidstaat die bij de als rapporteur optredende lidstaat informatie wenst in te dienen die tot de beoordeling kan bijdragen, met name betreffende de mogelijk gevaarlijke uitwerkingen van een werkzame stof of de residuen daarvan op de gezondheid van mens of dier en het milieu, moet dat doen uiterlijk 90 dagen nadat de in artikel 16 bedoelde informatie bekend is gemaakt, onverminderd artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG.
2. De als rapporteur optredende lidstaat dient de ontvangen informatie onverwijld bij de Autoriteit en de aanvrager in.
3. De aanvrager kan zijn opmerkingen over de ingediende informatie uiterlijk 60 dagen na ontvangst aan de als rapporteur optredende lidstaat en de Autoriteit toezenden.
Artikel 18
Beoordeling door de als rapporteur optredende lidstaat
1. De in artikel 15, lid 2, bedoelde gegevens worden beoordeeld door de in artikel 14, lid 1, bedoelde als rapporteur optredende lidstaat, tenzij die lidstaat met een andere lidstaat overeenkomt dat deze laatste als rapporteur zal optreden. De aanvrager, de Commissie, de Autoriteit en de andere lidstaten worden van deze overeenkomst in kennis gesteld.
2. Binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag stuurt de als rapporteur optredende lidstaat een beoordeling van de aanvullende gegevens in een verslag, hierna „het aanvullende verslag” genoemd, naar de Autoriteit en de Commissie. Hierin moet de stand van de wetenschappelijke en technische kennis worden weergegeven, en indien nodig ook informatie uit het oorspronkelijke dossier, rekening houdend met de door derden ingediende beschikbare informatie over mogelijk gevaarlijke uitwerkingen en eventuele opmerkingen van de aanvrager overeenkomstig artikel 17, lid 3. In het aanvullende verslag wordt beoordeeld of kan worden verwacht dat de werkzame stof aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG voldoet. Tegelijkertijd laat de als rapporteur optredende lidstaat de aanvrager weten dat het aanvullende verslag is ingediend en dat het bijgewerkte dossier onmiddellijk naar de Autoriteit, de lidstaten en de Commissie moet worden doorgestuurd.
De als rapporteur optredende lidstaat kan de Autoriteit raadplegen.
3. Indien de als rapporteur optredende lidstaat aanvullende informatie nodig heeft, die geen betrekking heeft op de indiening van nieuwe studies, stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvrager die moet verstrekken. In dat geval wordt de in lid 2 bedoelde periode van zes maanden uitgebreid met de extra termijn die de als rapporteur optredende lidstaat toekent. De extra termijn bedraagt ten hoogste 90 dagen en loopt af zodra de als rapporteur optredende lidstaat de aanvullende informatie ontvangt. Hij brengt de Commissie en de Autoriteit daarvan op de hoogte. De als rapporteur optredende lidstaat houdt bij zijn beoordeling alleen rekening met informatie die tijdens de toegekende termijn werd ingediend.
Artikel 19
Toegang tot het aanvullende verslag
1. Na ontvangst van het aanvullende verslag deelt de Autoriteit het onmiddellijk aan de andere lidstaten en de aanvrager mee voor eventuele opmerkingen. Opmerkingen moeten binnen 30 dagen na ontvangst van het aanvullende verslag naar de Autoriteit worden gestuurd. De Autoriteit bundelt de opmerkingen en stuurt ze naar de Commissie.
2. De Autoriteit stelt het aanvullende verslag op verzoek ter beschikking of houdt het ter beschikking voor inzage door belangstellende personen, met uitzondering van de elementen daarvan die overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG als vertrouwelijk worden beschouwd.
Artikel 20
Evaluatie
1. De Commissie evalueert het aanvullende verslag en in voorkomend geval het in artikel 13 bedoelde ontwerp-beoordelingsverslag, alsook de aanbeveling van de als rapporteur optredende lidstaat en de opmerkingen die binnen 30 dagen na ontvangst van de gebundelde opmerkingen van de Autoriteit zijn ontvangen.
De lidstaat kan de Autoriteit raadplegen. Een dergelijke raadpleging kan zo nodig een verzoek omvatten tot uitvoering van een intercollegiale toetsing met onder meer deskundigen uit de lidstaten.
2. Wanneer de Commissie de Autoriteit raadpleegt over stoffen van de tweede fase, verstrekt deze laatste haar conclusie uiterlijk 90 dagen na ontvangst van het verzoek van de Commissie. In het geval van stoffen van de derde en de vierde fase levert de Autoriteit haar conclusieverslag uiterlijk zes maanden na het verzoek af.
Indien de Autoriteit wat stoffen van de derde en de vierde fase betreft aanvullende informatie nodig heeft, die geen betrekking heeft op de indiening van nieuwe studies, stelt zij een termijn van ten hoogste 90 dagen vast waarbinnen de aanvrager die informatie aan de Autoriteit en de als rapporteur optredende lidstaat moet verstrekken. In dat geval wordt de in de vorige alinea bedoelde periode van zes maanden uitgebreid met de extra termijn die de Autoriteit toekent.
De als rapporteur optredende lidstaat beoordeelt de aanvullende informatie en stuurt ze onverwijld en uiterlijk 60 dagen na ontvangst naar de Autoriteit.
3. De Commissie en de Autoriteit komen een tijdschema overeen voor het overleggen van de conclusies om de planning van de werkzaamheden te vergemakkelijken. De Commissie en de Autoriteit komen overeen in welke vorm de conclusies van de Autoriteit worden ingediend.
Artikel 21
Indiening van een ontwerp-richtlijn of een ontwerp-beschikking
1. Onverminderd de voorstellen die de Commissie kan indienen met het oog op de wijziging van de bijlage bij Richtlijn 79/117/EEG van de Raad, dient zij uiterlijk zes maanden na ontvangst van de in de eerste alinea van artikel 20, lid 1, bedoelde informatie of van de conclusie van de Autoriteit of van informatie dat de aanvrager de ontbrekende elementen van het dossier niet heeft ingediend, bij het comité een ontwerp-evaluatieverslag in dat tijdens zijn vergadering moet worden afgerond.
De aanvrager krijgt de mogelijkheid om binnen een door de Commissie vastgestelde termijn opmerkingen op het evaluatieverslag in te dienen.
2. Op basis van het evaluatieverslag waarin lid 1 voorziet en rekening houdend met de opmerkingen die de aanvrager binnen de overeenkomstig lid 1 door de Commissie vastgestelde termijn heeft gemaakt, wordt volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG een richtlijn of een beschikking vastgesteld, die bepaalt dat:
|
a) |
een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt opgenomen, zo nodig onderworpen aan voorwaarden en beperkingen; |
|
b) |
een werkzame stof niet in bijlage I bij die richtlijn wordt opgenomen. |
Artikel 22
Toegang tot het evaluatieverslag
Het afgeronde evaluatieverslag, met uitzondering van de gedeelten die betrekking hebben op informatie uit de dossiers die overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 91/414/EEG als vertrouwelijk moet worden beschouwd, wordt beschikbaar gesteld voor publieke raadpleging.
HOOFDSTUK IV
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 23
Vergoedingen
1. De lidstaten stellen een regeling in die de aanvragers verplicht tot betaling van een vergoeding of retributie voor de administratieve behandeling en de evaluatie van aanvullende gegevens of daarmee verband houdende dossiers.
2. De lidstaten stellen een specifieke vergoeding of retributie in voor de evaluatie.
3. Hiertoe handelen de lidstaten als volgt:
|
a) |
zij verlangen dat een vergoeding of retributie wordt betaald, die zoveel mogelijk overeenkomt met hun kosten voor de uitvoering van alle procedures in verband met de evaluatie van aanvullende gegevens of dossiers; |
|
b) |
zij zorgen ervoor dat het bedrag van de vergoeding of retributie op transparante wijze wordt bepaald zodat het overeenkomt met de werkelijke kosten van het onderzoek en de administratieve behandeling van aanvullende gegevens of dossiers; de lidstaten kunnen echter een schaal van op gemiddelde kosten gebaseerde vaste tarieven voor de berekening van de totale vergoeding vaststellen; |
|
c) |
zij zien erop toe dat de vergoeding of retributie wordt ontvangen overeenkomstig de instructies van de Autoriteit in elke lidstaat en dat de opbrengsten ervan worden gebruikt om uitsluitend de kosten te financieren die de als rapporteur optredende lidstaat werkelijk maakt voor de evaluatie en administratieve behandeling van aanvullende gegevens of dossiers waarvoor hij als rapporteur optreedt, of om algemene activiteiten te financieren met het oog op de uitvoering van de verplichtingen die een lidstaat ingevolge deze verordening heeft. |
Artikel 24
Andere belastingen, heffingen of vergoedingen
Artikel 23 laat de rechten van de lidstaten onverlet om in overeenstemming met het Verdrag andere belastingen, heffingen of vergoedingen met betrekking tot de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van en de controle op werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen te handhaven of in te voeren dan de vergoeding waarin dat artikel voorziet.
Artikel 25
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/50/EG van de Commissie (PB L 202 van 3.8.2007, blz. 15).
(2) PB L 192 van 31.7.2003, blz. 40.
(3) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.7.2000, blz. 27).
(4) PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1044/2003 (PB L 151 van 19.6.2003, blz. 32).
(5) PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1095/2007 (PB L 246 van 21.9.2007, blz. 19).
(6) PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1095/2007.
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/13 |
VERORDENING (EG) Nr. 34/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (1), en met name op artikel 5, lid 4,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee (2), en met name op artikel 5, lid 4,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2783/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (3), en met name op artikel 3, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (4), zijn de uitvoeringsbepalingen van de regeling voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten en de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovoalbumine, vastgesteld. |
|
(2) |
Uit een regelmatige controle van gegevens waarvan wordt uitgegaan bij de vaststelling van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovoalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd, met inachtneming van de naar gelang van de oorsprong optredende prijsverschillen. Derhalve moeten de representatieve prijzen voor die producten worden gepubliceerd. |
|
(3) |
Deze wijziging, gezien de marktsituatie, moet zo spoedig mogelijk worden toegepast. |
|
(4) |
Het Comité van beheer voor slachtpluimvee en eieren heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 49. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006 (PB L 119 van 4.5.2006, blz. 1). Verordening (EEG) nr. 2771/75 wordt per 1 juli 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
(2) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 77. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 679/2006 (PB L 119 van 4.5.2006, blz. 1).
(3) PB L 282 van 1.11.1975, blz. 104. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2916/95 van de Commissie (PB L 305 van 19.12.1995, blz. 49).
(4) PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1468/2007 (PB L 329 van 14.12.2007, blz. 3).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95
„BIJLAGE I
|
GN-code |
Omschrijving |
Representatieve prijs (EUR/100 kg) |
Zekerheid zoals bedoeld in artikel 3, lid 3 (EUR/100 kg) |
Oorsprong (1) |
|
0207 12 10 |
Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren |
103,9 |
0 |
01 |
|
112,4 |
0 |
02 |
||
|
0207 12 90 |
Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren |
110,0 |
2 |
01 |
|
102,3 |
5 |
02 |
||
|
131,6 |
0 |
03 |
||
|
0207 14 10 |
Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren |
228,3 |
22 |
01 |
|
260,3 |
12 |
02 |
||
|
326,6 |
0 |
03 |
||
|
0207 14 50 |
Borsten van kippen, bevroren |
322,0 |
0 |
01 |
|
283,9 |
0 |
02 |
||
|
0207 14 60 |
Dijen van kippen, bevroren |
110,8 |
10 |
01 |
|
0207 14 70 |
Andere delen van hanen of van kippen, bevroren |
211,9 |
22 |
01 |
|
0207 25 10 |
Geslachte kalkoenen (zogenaamde kalkoenen 80 %), bevroren |
151,3 |
3 |
01 |
|
0207 27 10 |
Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren |
343,5 |
0 |
01 |
|
363,9 |
0 |
03 |
||
|
0408 11 80 |
Eigeel, gedroogd |
318,9 |
0 |
02 |
|
0408 91 80 |
Eieren uit de schaal, gedroogd |
374,2 |
0 |
02 |
|
1602 32 11 |
Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken |
218,2 |
21 |
01 |
|
376,2 |
0 |
04 |
||
|
3502 11 90 |
Ovoalbumine, gedroogd |
475,4 |
0 |
02 |
(1) Verklaring van de code:
|
01 |
Brazilië |
|
02 |
Argentinië |
|
03 |
Chili |
|
04 |
Thailand.” |
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/15 |
VERORDENING (EG) Nr. 35/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor boter in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 581/2004
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 581/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 tot opening van een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor bepaalde soorten boter (2) voorziet in een permanente inschrijving. |
|
(2) |
In het kader van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 580/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 houdende een inschrijvingsprocedure tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (3) en na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, dient te worden besloten geen restitutie toe te kennen voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 15 januari 2008. |
|
(3) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 581/2004 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 15 januari 2008, geen uitvoerrestitutie toegekend voor de producten en de bestemmingen zoals vermeld in artikel 1, lid 1, van die verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 18 januari 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1152/2007 van de Commissie (PB L 258 van 4.10.2007, blz. 3). Verordening (EEG) nr. 1255/1999 wordt per 1 juli 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
(2) PB L 90 van 27.3.2004, blz. 64. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1543/2007 (PB L 337 van 21.12.2007, blz. 62).
(3) PB L 90 van 27.3.2004, blz. 58. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 128/2007 (PB L 41 van 13.2.2007, blz. 6).
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/16 |
VERORDENING (EG) Nr. 36/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 33, lid 3, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 33, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, lid 1, van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer. |
|
(2) |
Gezien de huidige marktsituatie in de sector rundvlees moeten derhalve uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde voorschriften en criteria. |
|
(3) |
In artikel 33, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is bepaald dat de restitutie kan variëren naar gelang van de bestemming indien de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten dat noodzakelijk maakt of maken. |
|
(4) |
Restituties mogen uitsluitend worden toegekend voor producten die vrij in de Gemeenschap kunnen circuleren en die zijn voorzien van een gezondheidsmerk zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2). Deze producten moeten ook voldoen aan het bepaalde in Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (3) en in Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (4). |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1964/82 van de Commissie van 20 juli 1982 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van bijzondere restituties bij uitvoer van bepaalde soorten rundvlees zonder been (5) wordt de bijzondere restitutie verlaagd wanneer de voor uitvoer bestemde hoeveelheid minder dan 95 %, doch ten minste 85 % van de totale hoeveelheid (in gewicht) door uitbening verkregen stukken bedraagt. |
|
(6) |
Verordening (EG) nr. 1218/2007 van de Commissie (6) moet derhalve worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening, onder de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.
2. De op grond van lid 1 voor een restitutie in aanmerking komende producten moeten voldoen aan de desbetreffende eisen van de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en (EG) nr. 853/2004, namelijk dat zij zijn vervaardigd in een erkende inrichting en dat zij voldoen aan de in bijlage I, sectie I, hoofdstuk III, bij Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde bepalingen inzake gezondheidsmerken.
Artikel 2
In het in artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 1964/82 bedoelde geval wordt de restitutie voor producten van code 0201 30 00 9100 verminderd met 7 EUR/100 kg.
Artikel 3
Verordening (EG) nr. 1218/2007 wordt ingetrokken.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op 18 januari 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2). Verordening (EEG) nr. 1254/1999 wordt per 1 juli 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
(2) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55; gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1243/2007 van de Commissie (PB L 281 van 25.10.2007, blz. 8).
(3) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1; gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 3.
(4) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206; gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 83. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).
(5) PB L 212 van 21.7.1982, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1713/2006 (PB L 321 van 21.11.2006, blz. 11).
BIJLAGE
Met ingang van 18 januari 2008 geldende uitvoerrestituties in de sector rundvlees
|
Productcode |
Bestemming |
Meeteenheid |
Bedrag van de restitutie (7) |
||||||||||||
|
0102 10 10 9140 |
B00 |
EUR/100 kg levend gewicht |
25,9 |
||||||||||||
|
0102 10 30 9140 |
B00 |
EUR/100 kg levend gewicht |
25,9 |
||||||||||||
|
0201 10 00 9110 (1) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
36,6 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
21,5 |
|||||||||||||
|
0201 10 00 9130 (1) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
48,8 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
28,7 |
|||||||||||||
|
0201 20 20 9110 (1) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
48,8 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
28,7 |
|||||||||||||
|
0201 20 30 9110 (1) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
36,6 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
21,5 |
|||||||||||||
|
0201 20 50 9110 (1) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
61,0 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
35,9 |
|||||||||||||
|
0201 20 50 9130 (1) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
36,6 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
21,5 |
|||||||||||||
|
0201 30 00 9050 |
US (3) |
EUR/100 kg nettogewicht |
6,5 |
||||||||||||
|
CA (4) |
EUR/100 kg nettogewicht |
6,5 |
|||||||||||||
|
0201 30 00 9060 (6) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
22,6 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
7,5 |
|||||||||||||
|
B04 |
EUR/100 kg nettogewicht |
84,7 |
|||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
49,8 |
|||||||||||||
|
EG |
EUR/100 kg nettogewicht |
103,4 |
|||||||||||||
|
B04 |
EUR/100 kg nettogewicht |
50,8 |
|||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
29,9 |
|||||||||||||
|
EG |
EUR/100 kg nettogewicht |
62,0 |
|||||||||||||
|
0202 10 00 9100 |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
16,3 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
5,4 |
|||||||||||||
|
0202 20 30 9000 |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
16,3 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
5,4 |
|||||||||||||
|
0202 20 50 9900 |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
16,3 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
5,4 |
|||||||||||||
|
0202 20 90 9100 |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
16,3 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
5,4 |
|||||||||||||
|
0202 30 90 9100 |
US (3) |
EUR/100 kg nettogewicht |
6,5 |
||||||||||||
|
CA (4) |
EUR/100 kg nettogewicht |
6,5 |
|||||||||||||
|
0202 30 90 9200 (6) |
B02 |
EUR/100 kg nettogewicht |
22,6 |
||||||||||||
|
B03 |
EUR/100 kg nettogewicht |
7,5 |
|||||||||||||
|
1602 50 31 9125 (5) |
B00 |
EUR/100 kg nettogewicht |
23,3 |
||||||||||||
|
1602 50 31 9325 (5) |
B00 |
EUR/100 kg nettogewicht |
20,7 |
||||||||||||
|
1602 50 95 9125 (5) |
B00 |
EUR/100 kg nettogewicht |
23,3 |
||||||||||||
|
1602 50 95 9325 (5) |
B00 |
EUR/100 kg nettogewicht |
20,7 |
||||||||||||
|
NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A ” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1). De bestemmingscodes zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:
|
|||||||||||||||
(1) Indeling onder deze onderverdeling is afhankelijk van de overlegging van het attest dat is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 433/2007 van de Commissie (PB L 104 van 21.4.2007, blz. 3).
(2) De restitutie wordt toegekend mits voldaan is aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1359/2007 van de Commissie (PB L 304 van 22.11.2007, blz. 21) en, indien van toepassing, aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1741/2006 van de Commissie (PB L 329 van 25.11.2006, blz. 7).
(3) Zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1643/2006 van de Commissie (PB L 308 van 8.11.2006, blz. 7).
(4) Zoals bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2051/96 van de Commissie (PB L 274 van 26.10.1996, blz. 18).
(5) De restitutie wordt toegekend mits voldaan is aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1731/2006 van de Commissie (PB L 325 van 24.11.2006, blz. 12).
(6) Het gehalte aan mager rundvlees met uitzondering van vet wordt bepaald aan de hand van de analyseprocedure die is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2429/86 van de Commissie (PB L 210 van 1.8.1986, blz. 39).
Het begrip „gemiddeld gehalte” verwijst naar de hoeveelheid van het monster zoals bepaald in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2002 van de Commissie (PB L 117 van 4.5.2002, blz. 6). Het monster wordt genomen uit het deel van de betrokken partij met het hoogste risico.
(7) Krachtens artikel 33, lid 10, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt geen restitutie toegekend bij de uitvoer van producten die uit derde landen worden ingevoerd en naar derde landen worden wederuitgevoerd.
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/20 |
VERORDENING (EG) Nr. 37/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1109/2007 voor het verkoopseizoen 2007/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2007/2008 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1109/2007 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1509/2007 van de Commissie (4). |
|
(2) |
De bovenbedoelde prijzen en invoerrechten moeten op grond van de gegevens waarover de Commissie nu beschikt, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 951/2006 worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bij Verordening (EG) nr. 1109/2007 voor het verkoopseizoen 2007/2008 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 18 januari 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1260/2007 (PB L 283 van 27.10.2007, blz. 1). Verordening (EG) nr. 318/2006 wordt per 1 oktober 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
(2) PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2031/2006 (PB L 414 van 30.12.2006, blz. 43).
BIJLAGE
Met ingang van 18 januari 2008 geldende gewijzigde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en de producten van GN-code 1702 90 95
|
(EUR) |
||
|
GN-code |
Representatieve prijs per 100 kg nettogewicht van het betrokken product |
Aanvullend invoerrecht per 100 kg nettogewicht van het betrokken product |
|
1701 11 10 (1) |
21,15 |
5,73 |
|
1701 11 90 (1) |
21,15 |
11,14 |
|
1701 12 10 (1) |
21,15 |
5,54 |
|
1701 12 90 (1) |
21,15 |
10,62 |
|
1701 91 00 (2) |
22,77 |
14,47 |
|
1701 99 10 (2) |
22,77 |
9,33 |
|
1701 99 90 (2) |
22,77 |
9,33 |
|
1702 90 95 (3) |
0,23 |
0,41 |
(1) Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt III, bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1).
(2) Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt II, bij Verordening (EG) nr. 318/2006.
(3) Vastgesteld per procentpunt sacharosegehalte.
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/22 |
VERORDENING (EG) Nr. 38/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1529/2007 geopende tariefcontingenten voor de deelperiode januari 2008
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name op artikel 7, lid 2,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1529/2007 van de Commissie van 21 december 2007 inzake de opening en de wijze van beheer van contingenten voor de invoer van rijst van oorsprong uit de staten die deel vidmaken van de Cariforum-regio en uit de landen en gebieden overzee (de LGO) (3), en met name op artikel 4, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordning (EG) nr. 1529/2007 is voor 2008 een jaarlijks tariefcontingent geopend voor de invoer van 187 000 ton rijst, uitgedrukt in equivalent gedopte rijst, van oorsprong uit de staten die deel uitmaken van de Cariforum-regio (volgnummer 09.4219), alsmede een tariefcontingent voor de invoer van 25 000 ton rijst, uitgedrukt in equivalent gedopte rijst, van oorsprong uit de Nederlandse Antillen en Aruba (volgnummer 09.4189) en een tariefcontingent voor de invoer van 10 000 ton rijst, uitgedrukt in equivalent gedopte rijst, van oorsprong uit de minst ontwikkelde LGO (volgnummer 09.4190). |
|
(2) |
Voor deze bij artikel 1, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1529/2007 vastgestelde contingenten is de eerste deelperiode de maand januari. |
|
(3) |
Blijkens de gegevens die overeenkomstig artikel 6, onder a), van Verordening (EG) nr. 1529/2007 zijn verstrekt, hebben voor het contingent met het volgnummer 09.4219 de aanvragen die overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die verordening zijn ingediend gedurende de eerste zeven dagen van de maand januari 2008, betrekking op een hoeveelheid, uitgedrukt in equivalent gedopte rijst, die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de voor het betrokken contingent aangevraagde hoeveelheden, te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven. |
|
(4) |
Blijkens bovengenoemde mededeling hebben voor de contingenten met de volgnummers 09.4189 en 09.4190 de aanvragen die overeenkomstig artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1529/2007 zijn ingediend gedurende de eerste zeven dagen van de maand januari 2008, betrekking op een hoeveelheid, uitgedrukt in equivalent gedopte rijst, die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid. |
|
(5) |
Ook dienen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1529/2007 de hoeveelheden te worden vastgesteld die beschikbaar zijn voor de volgende contingentsdeelperiode, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op grond van de certificaataanvragen voor de invoer van rijst in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1529/2007 vastgestelde contingenten met het volgnummer 09.4219 die zijn ingediend gedurende de eerste zeven dagen van de maand januari 2008, worden certificaten afgegeven voor de gevraagde hoeveelheden, vermenigvuldigd met de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten.
2. De hoeveelheden die in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1529/2007 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4219, 09.4189 en 09.4190 beschikbaar zijn voor de volgende contingentsdeelperiode, worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 797/2006 (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 1). Verordening (EEG) nr. 1785/2003 wordt per 1 september 2008 vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
(2) PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 289/2007 (PB L 78 van 17.3.2007, blz. 17).
BIJLAGE
Hoeveelheden die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1529/2007 moeten worden toegewezen voor de deelperiode januari 2008, respectievelijk beschikbaar zijn voor de daaropvolgende deelperiode
|
Oorsprong/Product |
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode januari 2008 |
Hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode mei 2008 (in kg) |
||
|
Staten die deel uitmaken van de Cariforum-regio (artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EG) Nr. 1529/2007) |
09.4219 |
80,286290 % |
62 334 003 |
||
|
|
|
|
||
|
LGO (artikel 1, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1529/2007) |
|
|
|
||
|
|
|
|
||
|
09.4189 |
— (2) |
15 942 363 |
||
|
09.4190 |
— (1) |
6 667 000 |
(1) Geen toepassing van een toewijzingscoëfficiënt voor deze deelperiode: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen.
(2) De aanvragen hebben betrekking op een hoeveelheid die kleiner is dan of gelijk is aan de beschikbare hoeveelheid: alle aanvragen zijn derhalve ontvankelijk.
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/25 |
VERORDENING (EG) Nr. 39/2008 VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op bepaalde zuivelproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, onder a), b), c), d), e) en g), van die verordening bedoelde producten in de internationale handel enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd. |
|
(2) |
In Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad wat betreft de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2) is aangegeven voor welke producten een restitutie moet worden vastgesteld wanneer zij worden uitgevoerd in de vorm van goederen bedoeld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1255/1999. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 14, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet de restitutievoet per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten maandelijks worden vastgesteld. |
|
(4) |
Voor bepaalde melkproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, bestaat evenwel het gevaar dat, indien vooraf hoge restituties worden vastgesteld, de verplichtingen die met betrekking tot deze restituties zijn aangegaan, op het spel worden gezet. Om dat gevaar te voorkomen dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden genomen, zonder evenwel contracten op lange termijn uit te sluiten. De vaststelling van specifieke restitutiebedragen voor het vooraf vaststellen van de restituties voor deze producten moet het mogelijk maken beide doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(5) |
In artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 is bepaald dat voor de vaststelling van de restitutie in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de restituties bij de productie en de steunmaatregelen of andere maatregelen van gelijke werking die voor de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 vermelde basisproducten of daarmee gelijkgestelde producten in alle lidstaten worden toegepast uit hoofde van de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de betrokken sector. |
|
(6) |
Ingevolge artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 wordt steun verleend aan in de Gemeenschap geproduceerde en tot caseïne verwerkte ondermelk, indien deze melk en de daarvan vervaardigde caseïne aan bepaalde eisen voldoen. |
|
(7) |
Verordening (EG) nr. 1898/2005 van de Commissie van 9 november 2005 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad, wat betreft maatregelen voor de afzet van room, boter en boterconcentraat op de markt van de Gemeenschap (3) voorziet in de levering van boter en room tegen verlaagde prijs aan de fabrikanten van bepaalde koopwaren. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De restitutiebedragen die van toepassing zijn op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 en in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 opgenomen basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1255/1999 vermelde goederen, worden vastgesteld zoals bepaald in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 18 januari 2008.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Heinz ZOUREK
Directeur-generaal Ondernemingen en industrie
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1152/2007 van de Raad (PB L 258 van 4.10.2007, blz. 3).
(2) PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1496/2007 (PB L 333 van 19.12.2007, blz. 3).
(3) PB L 308 van 25.11.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1546/2007 (PB L 337 van 21.12.2007, blz. 68).
BIJLAGE
Restituties welke van toepassing zijn vanaf 18 januari 2008 op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (1)
|
(EUR/100 kg) |
||||
|
GN-code |
Omschrijving |
Restituties |
||
|
Bij vaststelling vooraf van de restituties |
Overige gevallen |
|||
|
ex 0402 10 19 |
Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van minder dan 1,5 gewichtspercenten (PG 2): |
|
|
|
|
— |
— |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
|
ex 0402 21 19 |
Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten (PG 3): |
|
|
|
|
0,00 |
0,00 |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
|
ex 0405 10 |
Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (PG 6): |
|
|
|
|
0,00 |
0,00 |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
(1) De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar:
|
a) |
derde landen: Andorra, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein en de Verenigde Staten van Amerika en op de naar de Zwitserse Bondsstaat uitgevoerde goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II van Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972; |
|
b) |
gebieden van de lidstaten van de EU die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap: Ceuta, Melilla, de gemeenten Livigno en Campione d’Italia, Helgoland, Groenland, de Faeröer en de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent; |
|
c) |
Europese gebieden waarvoor buitenlandse betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van een lidstaat vallen en die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap: Gibraltar. |
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Commissie
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/28 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2007
waarbij Oostenrijk voor het verkoopseizoen 2007/2008 wordt gemachtigd om de in wijnbouwzone B geproduceerde druivenmost en wijn aan te zuren
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5615)
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(2008/58/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (1), en met name op artikel 46, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Door de uitzonderlijke weersomstandigheden tijdens de rijping van de druiven in wijnbouwzone B in Oostenrijk, is het gehalte aan zuren van de druiven en de druivenmost aanzienlijk en onomkeerbaar verminderd. De uitzonderlijke weersomstandigheden die zich in de zomer van 2007 op het grondgebied van Oostenrijk hebben voorgedaan, zijn te vergelijken met die welke normaal voorkomen in veel zuidelijker gelegen wijnbouwzones. |
|
(2) |
Het totale gehalte aan zuren van de rijp geoogste druiven in de betrokken regio's is abnormaal laag en is onverenigbaar met een goede wijnbereiding en een goede bewaring van de wijn. |
|
(3) |
Oostenrijk moet derhalve worden gemachtigd om toe te staan dat de druivenmost en wijn van de oogst van 2007 in wijnbouwzone B worden aangezuurd overeenkomstig de in bijlage V, deel E, punten 2, 3 en 7, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 vastgestelde voorwaarden. |
|
(4) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor wijn, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
In afwijking van bijlage V, deel E, punt 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1493/1999 mogen in Oostenrijk de druivenmost en wijn van de oogst van 2007 in wijnbouwzone B worden aangezuurd overeenkomstig de in deel E, punten 2, 3 en 7, van bovengenoemde bijlage vastgestelde voorwaarden.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Republiek Oostenrijk.
Gedaan te Brussel, 26 november 2007.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/29 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 18 december 2007
tot wijziging van de aanpassingscoëfficiënten die met ingang van 1 augustus 2006, 1 september 2006, 1 oktober 2006, 1 november 2006, 1 december 2006 en 1 januari 2007 van toepassing zijn op de bezoldigingen van de ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen die in derde landen tewerkgesteld zijn, en van een deel van de ambtenaren die in de twee nieuwe lidstaten tewerkgesteld blijven gedurende een periode van ten hoogste negentien maanden na de toetreding
(2008/59/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (1), en met name op artikel 13, tweede alinea, van bijlage X,
Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van de twee lidstaten, en met name op artikel 33, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 13, eerste alinea, van bijlage X bij het statuut zijn bij Verordening (EG, Euratom) nr. 453/2007 van de Raad (2) de aanpassingscoëfficiënten vastgesteld die met ingang van 1 juli 2006 van toepassing zijn op de in de valuta van het land van tewerkstelling uitbetaalde bezoldigingen van de ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen die in derde landen tewerkgesteld zijn, en van een deel van de ambtenaren die in de twee nieuwe lidstaten tewerkgesteld blijven gedurende een periode van ten hoogste negentien maanden na de toetreding. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 13, tweede alinea, van bijlage X bij het statuut moeten bepaalde van deze aanpassingscoëfficiënten met ingang van 1 augustus 2006, 1 september 2006, 1 oktober 2006, 1 november 2006, 1 december 2006 en 1 januari 2007 worden gewijzigd, aangezien uit de statistische gegevens waarover de Commissie beschikt, blijkt dat de wijziging van de kosten van levensonderhoud, die aan de hand van de aanpassingscoëfficiënt en de desbetreffende wisselkoers wordt gemeten, voor bepaalde derde landen sinds de laatste vaststelling of wijziging meer dan 5 % bedraagt, |
BESLUIT:
Enig artikel
Met ingang van 1 augustus 2006, 1 september 2006, 1 oktober 2006, 1 november 2006, 1 december 2006 en 1 januari 2007 worden de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op de in de valuta van het land van tewerkstelling uitbetaalde bezoldigingen van de ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten van de Europese Gemeenschappen die in derde landen tewerkgesteld zijn, en van een deel van de ambtenaren die in de twee nieuwe lidstaten tewerkgesteld blijven gedurende een periode van ten hoogste negentien maanden na de toetreding, gewijzigd overeenkomstig de bijlage.
De voor de berekening van deze bezoldigingen toegepaste wisselkoersen worden vastgesteld in overeenstemming met de uitvoeringsbepalingen van het Financieel Reglement en hebben betrekking op de in de eerste alinea bedoelde data.
Gedaan te Brussel, 18 december 2007.
Voor de Commissie
Benita FERRERO-WALDNER
Lid van de Commissie
(1) PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 337/2007 (PB L 90 van 30.3.2007, blz. 1).
BIJLAGE
|
Standplaats |
Aanpassingscoëfficiënten augustus 2006 |
|
Lesotho |
68,3 |
|
Madagaskar |
76,9 |
|
Mozambique |
76,4 |
|
Zimbabwe |
60,1 |
|
Standplaats |
Aanpassingscoëfficiënten september 2006 |
|
Jemen |
71,9 |
|
Senegal |
85,5 |
|
Zimbabwe |
71,4 |
|
Standplaats |
Aanpassingscoëfficiënten oktober 2006 |
|
Brazilië |
79,3 |
|
Democratische Republiek Congo |
122,8 |
|
Guinee |
55,8 |
|
Nepal |
72,4 |
|
Zimbabwe |
82,6 |
|
Standplaats |
Aanpassingscoëfficiënten november 2006 |
|
Algerije |
91,4 |
|
Armenië |
122,5 |
|
Democratische Republiek Congo |
125,6 |
|
Indonesië |
89,8 |
|
Moldavië |
55,8 |
|
Soedan |
57,6 |
|
Zimbabwe |
95,1 |
|
Standplaats |
Aanpassingscoëfficiënten december 2006 |
|
Argentinië |
50,7 |
|
Chili |
72,4 |
|
Democratische Republiek Congo |
127,1 |
|
Oekraïne |
106,5 |
|
Rwanda |
89,6 |
|
Salomonseilanden |
89,1 |
|
Venezuela |
60,9 |
|
Zimbabwe |
102,4 |
|
Standplaats |
Aanpassingscoëfficiënten januari 2007 |
|
Bangladesh |
47,1 |
|
Botswana |
63,3 |
|
Brazilië |
83,9 |
|
Burkina Faso |
94,9 |
|
Djibouti |
96,8 |
|
Eritrea |
49,5 |
|
Ethiopië |
88,1 |
|
Gambia |
58,6 |
|
Georgië |
99,8 |
|
Guinee |
52,3 |
|
Jamaica |
90,2 |
|
Jemen |
74,5 |
|
Malawi |
70,8 |
|
Marokko |
91,1 |
|
Mauritius |
65,7 |
|
Mexico |
73,7 |
|
Mozambique |
76,1 |
|
Pakistan |
53,5 |
|
Swaziland |
56,8 |
|
Tanzania |
59,5 |
|
Zimbabwe |
114,,9 |
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/32 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 21 december 2007
tot wijziging van Besluit 2003/548/EG met betrekking tot de schrapping van bepaalde huurlijnen uit het minimumpakket van huurlijnen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6635)
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/60/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESTE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (1), en met name op artikel 17, lid 1,
Gelet op Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (2), en met name op artikel 18, lid 3,
Na raadpleging van het Comité voor Communicatie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft op 24 juli 2003 Besluit 2003/548/EG van 24 juli 2003 inzake het minimumpakket van huurlijnen met geharmoniseerde kenmerken en de bijbehorende normen als bedoeld in artikel 18 van de universeledienstrichtlijn goedgekeurd (3). Dit minimumpakket omvatte twee soorten analoge huurlijnen en drie soorten digitale huurlijnen met snelheden tot 2 048 kbit/s. |
|
(2) |
Met de wijdverspreide migratie naar nieuwe netwerkarchitecturen, zijn de analoge soorten huurlijn technisch niet meer relevant. Aan de vraag naar digitale huurlijnen, die steeds meer gebruikt worden voor hogesnelheidsverbindingen van meer dan 2 048 kbit/s, wordt door de markt voldaan. Uit de openbare raadpleging is gebleken dat er brede steun is van de lidstaten, bedrijfstakverenigingen en andere betrokkenen om de vijf soorten huurlijnen uit het huidige minimumpakket te halen. |
|
(3) |
Artikel 18, lid 3, van de universeledienstrichtlijn bepaalt dat de Commissie bepaalde soorten huurlijnen uit het minimumpakket kan schrappen. |
|
(4) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor communicatie, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De lijst „Definitie van het minimumpakket van huurlijnen met geharmoniseerde kenmerken en de bijbehorende normen” wordt hierbij geschrapt uit de bijlage bij Besluit 2003/548/EG.
Artikel 2
Adressaten
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 21 december 2007.
Voor de Commissie
Viviane REDING
Lid van de Commissie
(1) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 717/2007 (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 32).
|
18.1.2008 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/33 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 17 januari 2008
tot wijziging van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG van de Raad ten aanzien van de invoer van vers rundvlees uit Brazilië
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 28)
(Voor de EER relevante tekst)
(2008/61/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (1), en met name op artikel 8, punten 1 en 4, en artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Beschikking 79/542/EEG van de Raad van 21 december 1979 tot vaststelling van een lijst van derde landen of delen van derde landen, alsmede tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor de invoer in de Gemeenschap van levende dieren en vers vlees daarvan (2) bepaalt dat de invoer van die dieren en dat vlees moet voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de desbetreffende, krachtens die beschikking opgestelde modelcertificaten. |
|
(2) |
Sinds 2003 zijn tijdens inspectiebezoeken van de Commissie aan Brazilië tekortkomingen met betrekking tot de communautaire invoervoorschriften voor rundvlees aan het licht getreden. Enkele van deze tekortkomingen zijn door Brazilië verholpen, maar tijdens recente inspectiebezoeken van de Commissie zijn niettemin ernstige gevallen van niet-naleving aan het licht getreden met betrekking tot de bedrijfsregistratie, de identificatie van de dieren en de controle op verplaatsingen, en is gebleken dat eerdere toezeggingen om de nodige corrigerende maatregelen te treffen, niet zijn nagekomen. |
|
(3) |
De invoer kan alleen veilig blijven worden toegestaan als de controle en het toezicht op de bedrijven waarvan dieren die naar de Gemeenschap mogen worden uitgevoerd afkomstig zijn, worden geïntensiveerd en als Brazilië een voorlopige lijst opstelt van dergelijke erkende bedrijven, waarvoor garanties worden verstrekt dat zij volledig beantwoorden aan de voorschriften voor de invoer van vers gerijpt rundvlees zonder been in de Gemeenschap, die worden gecontroleerd en geïnspecteerd, en waarvoor volledige controle- en inspectieverslagen ter beschikking van de Commissie worden gesteld. |
|
(4) |
De diensten van de Commissie voeren in het kader van de werkzaamheden van het Voedsel- en Veterinair Bureau inspecties in derde landen uit om na te gaan of op de bedrijven die op de lijst voorkomen, aan de invoervoorschriften van de Europese Unie wordt voldaan. |
|
(5) |
In het licht van de resultaten van deze inspecties kan de voorlopige lijst van bedrijven na voorafgaande kennisgeving aan de Commissie worden herzien. Die lijst van erkende bedrijven moet voor informatiedoeleinden via het geïntegreerd veterinair computersysteem Traces openbaar worden gemaakt. |
|
(6) |
In de lijst in deel 1 van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG van derde landen die vers vlees naar de Gemeenschap mogen exporteren, moet worden bepaald dat uitsluitend vers gerijpt vlees zonder been van dieren die na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige beschikking zijn geslacht, in de Gemeenschap mag worden ingevoerd, aangezien alleen voor dat vlees gegarandeerd kan worden dat aan de nieuwe voorschriften voor erkende bedrijven is voldaan. Tegelijkertijd dient een fout in die tabel te worden gecorrigeerd. |
|
(7) |
De lijst van derde landen in deel 1 van bijlage II en het modelcertificaat „BOV” in deel 2 van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(8) |
Om een onderbreking van het handelsverkeer te vermijden, moet de invoer in de Gemeenschap van zendingen vers gerijpt rundvlees zonder been die voor de datum van inwerkingtreding van deze beschikking zijn gecertificeerd en verzonden, gedurende een nader te bepalen periode worden toegestaan. |
|
(9) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
In de lijst van derde landen in deel 1 van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG wordt de rubriek „BR-Brazilië” vervangen door:
|
BR — Brazilië |
„BR-0 |
Het hele land |
EQU |
|
|
|
|
|||||||||||
|
BR-1 |
De staat Minas Gerais met uitzondering van de gewesten Oliveira, Passos, São Gonçalo de Sapucai, Setelagoas en Bambuí; de staat Espíritu Santo; de staat Goiás; het deel van de staat Mato Grosso bestaande uit de regionale eenheden:
de staat Rio Grande do Sul. |
BOV |
A en H |
1 |
|
van 31 januari 2008 |
||||||||||||
|
BR-2 |
De staat Santa Catarina |
BOV |
A en H |
1 |
|
van 31 januari 2008” |
Artikel 2
In het veterinair certificaat „BOV” in deel 2 van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG:
|
1. |
komt punt 10.3 als volgt te luiden:
|
|
2. |
Na noot (18) wordt de volgende noot (19) toegevoegd:
|
Artikel 3
Zendingen vers gerijpt rundvlees zonder been waarvoor overeenkomstig Beschikking 79/542/EEG vóór de bij de onderhavige beschikking ingevoerde wijzigingen veterinaire certificaten zijn afgegeven met een afgiftedatum vóór 31 januari 2008 en die op die datum onderweg waren naar de Gemeenschap, mogen tot 15 maart 2008 in de Gemeenschap worden ingevoerd.
Artikel 4
Deze beschikking is van toepassing met ingang van 31 januari 2008.
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2008.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 18 van 23.1.2002, blz. 11.
(2) PB L 146 van 14.6.1979, blz. 15. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/736/EG van de Commissie (PB L 296 van 15.11.2007, blz. 29).