ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 303

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
21 november 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1351/2007 van de Commissie van 20 november 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1352/2007 van de Commissie van 16 november 2007 tot wijziging van Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1353/2007 van de Commissie van 20 november 2007 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat monensine, lasalocide en tylvalosine betreft ( 1 )

6

 

 

II   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

 

 

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

 

 

Raad

 

 

2007/745/EG

 

*

Besluit van de Raad van 28 september 2007 betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007 en een slotakte

9

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007

11

Slotakte

20

 

 

Commissie

 

 

2007/746/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 19 november 2007 tot wijziging van Beschikking 2007/554/EG tot vaststelling van beschermende maatregelen tegen mond-en-klauwzeer in het Verenigd Koninkrijk (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5533)  ( 1 )

24

 

 

2007/747/EG

 

*

Beschikking van de Commissie van 19 november 2007 betreffende de erkenning van certificeringsprocedures overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en houdende intrekking van Beschikking 97/264/EG (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5291)  ( 1 )

37

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2007/748/GBVB van de Raad van 19 november 2007 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2007/87/GBVB tot wijziging en verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

38

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB van de Raad van 19 november 2007 inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH)

40

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/1


VERORDENING (EG) Nr. 1351/2007 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 21 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 20 november 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

125,5

MA

52,8

MK

46,0

TR

82,2

ZZ

76,6

0707 00 05

JO

196,3

MA

55,2

TR

92,7

ZZ

114,7

0709 90 70

MA

56,4

TR

104,3

ZZ

80,4

0709 90 80

EG

336,4

ZZ

336,4

0805 20 10

MA

71,3

ZZ

71,3

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

HR

55,3

IL

70,2

TR

75,1

UY

83,0

ZZ

70,9

0805 50 10

AR

71,4

TR

98,4

ZA

54,7

ZZ

74,8

0808 10 80

AR

91,9

BR

82,0

CA

88,9

CL

86,0

CN

86,3

MK

30,6

US

105,7

ZA

81,3

ZZ

81,6

0808 20 50

AR

49,0

CN

62,6

TR

105,2

ZZ

72,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.


21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/3


VERORDENING (EG) Nr. 1352/2007 VAN DE COMMISSIE

van 16 november 2007

tot wijziging van Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de statistiek- en tariefnomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie van 11 juli 1991 inzake de kenmerken van olijfoliën en oliën uit afvallen van olijven en de desbetreffende analysemethoden (2) werd gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 702/2007 om rekening te houden met de conclusies van deskundigen op het gebied van de chemie. De wijzigingen in Verordening (EEG) nr. 2568/91 bestaan met name uit een nauwkeuriger bepaling van het percentage aan 2-glycerylmonopalmitaat voor de opsporing van veresterde oliën en de vermindering van de grenswaarde voor stigmastadieen in bij eerste persing verkregen olijfolie om een beter onderscheid te kunnen maken tussen bij eerste persing verkregen olijfolie en geraffineerde olijfolie.

(2)

Als gevolg daarvan moet aanvullende aantekening 2 bij hoofdstuk 15 van de gecombineerde nomenclatuur inzake olijfolie ook worden gewijzigd.

(3)

Verordening (EEG) nr. 2658/87 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De wijziging die in 2007 in Verordening (EEG) nr. 2568/91 werd aangebracht is vanaf 1 januari 2008 van toepassing. Daarom moet onderhavige verordening ook vanaf dezelfde datum van toepassing zijn.

(5)

De bepalingen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité Douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 wordt overeenkomstig de bijlage bij onderhavige verordening gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 november 2007.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie (PB L 286 van 31.10.2007, blz. 1).

(2)   PB L 248 van 5.9.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 702/2007 (PB L 161 van 22.6.2007, blz. 11).


BIJLAGE

In Verordening (EEG) nr. 2658/87, Bijlage I, Hoofdstuk 15, wordt de aanvullende aantekening 2 als volgt gewijzigd:

1)

Aanvullende aantekening 2.B.1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Punt a) wordt als volgt vervangen:

„a)

een van de volgende gehalten aan was:

i)

gehalte aan was van niet meer dan 300 mg/kg of

ii)

gehalte aan was van meer dan 300 mg/kg en minder dan 350 mg/kg, mits

het totale gehalte aan alifatische alcohol niet meer is dan 350 mg/kg of

het totale gehalte aan erythrodiol en uvaol niet meer is dan 3,5 %.”.

b)

Punt c) wordt als volgt vervangen:

„c)

een van de volgende twee kenmerken:

i)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 0,9 % indien het gehalte aan palmitinezuur niet hoger is dan 14 % van het totale gehalte aan vetzuren;

ii)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 1,1 % indien het gehalte aan palmitinezuur hoger is dan 14 % van het totale gehalte aan vetzuren;”.

2)

Aanvullende aantekening 2.B.2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Punt ij) wordt als volgt vervangen:

„ij)

een van de twee volgende kenmerken:

i)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 0,9 % indien het gehalte aan palmitinezuur niet hoger is dan 14 % van het totale gehalte aan vetzuren;

ii)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 1,0 % indien het gehalte aan palmitinezuur hoger is dan 14 % van het totale gehalte aan vetzuren;”.

b)

Punt l) wordt als volgt vervangen:

„l)

gehalte aan stigmastadieen van niet meer dan 0,10 mg/kg;”.

3)

In aanvullende aantekening 2.C wordt punt f) als volgt vervangen:

„f)

een van de twee volgende kenmerken:

i)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 0,9 % indien het gehalte aan palmitinezuur niet hoger is dan 14 % van het totale gehalte aan vetzuren;

ii)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 1,0 % indien het gehalte aan palmitinezuur hoger is dan 14 % van het totale gehalte aan vetzuren;”.

4)

In aanvullende aantekening 2.D worden de punten a) tot en met d) als volgt vervangen:

„a)

een van de volgende gehalten aan was:

i)

gehalte aan was van meer dan 350 mg/kg of

ii)

gehalte aan was van meer dan 300 mg/kg en minder dan 350 mg/kg, mits

het totale gehalte aan alifatische alcohol meer is dan 350 mg/kg, en

het totale gehalte aan erythrodiol en uvaol meer is dan 3,5 %;

b)

gehalte aan erythrodiol en uvaol van meer dan 4,5 %;

c)

gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat van niet meer dan 1,4 % van het totale gehalte aan vetzuren;

d)

de som van de transisomeren van oliezuur niet meer is dan 0,20 % en de som van de transisomeren van linolzuur en linoleenzuur niet meer is dan 0,10 %;

e)

verschil tussen HPCL-samenstelling en theoretische samenstelling van de triglyceriden met ECN42 niet meer is dan 0,6.”.

5)

In aanvullende aantekening 2.E wordt de tweede zin als volgt vervangen:

„Oliën van deze onderverdeling moeten een gehalte aan 2-glycerylmonopalmitaat hebben van niet meer dan 1,4 %, de som van de transisomeren van oliezuur mag niet meer zijn dan 0,4 %, de som van de transisomeren van linolzuur en translinoleenzuur mag niet meer zijn dan 0,35 % en het verschil tussen HPCL-samenstelling en theoretische samenstelling van de triglyceriden met ECN42 mag niet meer zijn dan 0,5.”.


21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/6


VERORDENING (EG) Nr. 1353/2007 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2007

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat monensine, lasalocide en tylvalosine betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name op artikel 2,

Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau dat is opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Alle farmacologisch werkzame substanties die in de Gemeenschap worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die bestemd zijn voor voedselproducerende dieren, moeten worden beoordeeld overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2377/90.

(2)

Bij het Europees Geneesmiddelenbureau is een aanvraag tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen ingediend voor monensine, een antibioticum en coccidiostaticum dat tot de groep van de ionoforen behoort. Op grond van de aanbeveling van het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik moet deze stof in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 worden opgenomen voor spier, vetweefsel, lever, nieren en melk van runderen.

(3)

Lasalocide is voor spier, huid en vetweefsel, lever en nieren van pluimvee opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 en, in afwachting van de validering van een analysemethode, voor eieren van pluimvee die voor menselijke consumptie zijn bestemd in bijlage III bij die verordening. De wetenschappelijke studies hiernaar zijn inmiddels afgerond en de analysemethode is door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik gevalideerd. Lasalocide behoort tot de groep van antibiotische ionoforen met coccidiostatische werking. Daarom moet lasalocide voor eieren van pluimvee die voor menselijke consumptie zijn bestemd onder een nieuw punt 1.2.16 in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 worden opgenomen en moet de vermelding van lasalocide in punt 2.4.4 van die bijlage worden geschrapt.

(4)

Acetylisovaleryltylosine, een antibioticum dat tot de groep van macroliden behoort, is voor varkens en pluimvee in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 opgenomen. Het Europees Geneesmiddelenbureau is ervan op de hoogte gebracht dat de algemene internationale benaming (INN) van deze werkzame stof is gewijzigd. Daarom moet de naam van acetylisovaleryltylosine worden vervangen door de nieuwe INN, tylvalosine.

(5)

Verordening (EEG) nr. 2377/90 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Voordat deze verordening van toepassing wordt, moeten de lidstaten voldoende tijd krijgen om de in verband met deze verordening noodzakelijke aanpassingen aan te brengen in de overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (2) verleende vergunningen om de betrokken geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in de handel te brengen.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 20 januari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2007.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1323/2007 van de Commissie (PB L 294 van 13.11.2007, blz. 11).

(2)   PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt 1.2.4 wordt de vermelding voor acetylisovaleryltylosine vervangen door:

1.2.4.   Macroliden

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

Tylvalosine

Som van tylvalosine en 3-O-acetyltylosine

Varkens

50 μg/kg

Spier

50 μg/kg

Vetweefsel (1)

50 μg/kg

Lever

50 μg/kg

Nieren

Pluimvee (2)

50 μg/kg

Vetweefsel (3)

50 μg/kg

Lever

2)

Het volgende punt 1.2.16 wordt toegevoegd:

1.2.16.   Ionoforen

Farmacologisch werkzame substantie(s)

Indicatorresidu

Diersoorten

Maximumwaarden voor residuen

Te onderzoeken weefsels

Monensine

Monensine A

Runderen

2 μg/kg

Spier

10 μg/kg

Vetweefsel

30 μg/kg

Lever

2 μg/kg

Nieren

2 μg/kg

Melk

Lasalocide

Lasalocide A

Pluimvee

20 μg/kg

Spier

100 μg/kg

Vetweefsel (4)

100 μg/kg

Lever

50 μg/kg

Nieren

150 μg/kg

Eieren

3)

In punt 2.4.4 wordt de vermelding voor lasalocide geschrapt.


(1)  Voor varkens betreft deze maximumwaarde voor residuen „huid en vet in natuurlijke verhoudingen”.

(2)  Niet voor gebruik bij dieren die eieren voor menselijke consumptie produceren.

(3)  Voor pluimvee betreft deze maximumwaarde voor residuen „huid en vet in natuurlijke verhoudingen”.”

(4)  Voor pluimvee betreft deze maximumwaarde voor residuen „huid en vet in natuurlijke verhoudingen”.”


II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is

BESLUITEN/BESCHIKKINGEN

Raad

21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/9


BESLUIT VAN DE RAAD

van 28 september 2007

betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van een Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007 en een slotakte

(2007/745/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 150, lid 4, en artikel 157, lid 3, in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit nr. 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (Media 2007) (1), en met name artikel 8, bepaalt dat dit programma openstaat voor deelname van landen die partij zijn bij de overeenkomst van de Raad van Europa inzake grensoverschrijdende televisie en die noch bij de EER-overeenkomst aangesloten EVA-landen, noch kandidaat-lidstaten van de Europese Unie zijn, op basis van aanvullende kredieten onder de voorwaarden die in overeenkomsten tussen de betrokken partijen worden vastgelegd.

(2)

De Raad heeft de Commissie gemachtigd om namens de Europese Gemeenschap te onderhandelen over een overeenkomst om de Zwitserse Bondsstaat in staat te stellen aan programma Media 2007 deel te nemen, alsook over een slotakte bij die overeenkomst.

(3)

De onderhandelingen zijn op 2 juli 2007 afgerond met de parafering van een ontwerp-overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007 en een slotakte.

(4)

Artikel 13 van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst voorlopig van toepassing is vanaf 1 september 2007.

(5)

De overeenkomst en de slotakte moeten worden ondertekend onder voorbehoud van sluiting,

BESLUIT:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007 en een slotakte worden namens de Gemeenschap ondertekend, onder voorbehoud van sluiting.

De teksten van de overeenkomst en de slotakte zijn aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad is gemachtigd om de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om deze overeenkomst en de slotakte namens de Gemeenschap te ondertekenen, onder voorbehoud van sluiting.

Artikel 3

De overeenkomst is voorlopig van toepassing vanaf 1 september 2007.

Artikel 4

De Commissie vertegenwoordigt de Gemeenschap in het bij artikel 8 van de overeenkomst opgerichte gemengd comité.

Artikel 5

De overeenkomst houdt verband met de zeven overeenkomsten die op 21 juni 1999 met Zwitserland zijn ondertekend en bij Besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en de Commissie van 4 april 2002 (2) zijn gesloten.

Indien de in de eerste alinea genoemde overeenkomsten worden beëindigd, vinden geen hernieuwing van of nieuwe onderhandelingen over deze overeenkomst overeenkomstig artikel 12 plaats.

Artikel 6

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 september 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

M. PINHO


(1)   PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.

(2)   PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1.


OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007

DE EUROPESE GEMEENSCHAP, hierna „de Gemeenschap” genoemd,

enerzijds, en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna „Zwitserland” genoemd,

anderzijds,

hierna samen „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

OVERWEGENDE dat de Gemeenschap bij Besluit nr. 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (Media 2007) (1) een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector heeft ingesteld (hierna „het besluit tot instelling van het programma Media 2007” genoemd),

OVERWEGENDE dat artikel 8 van het besluit tot instelling van het programma Media 2007 onder bepaalde voorwaarden voorziet in de deelname van derde landen die partij zijn bij de Overeenkomst van de Raad van Europa inzake grensoverschrijdende televisie en die noch bij de EER-overeenkomst aangesloten EVA-lidstaten, noch kandidaat-lidstaten van de Europese Unie zijn, op basis van aanvullende kredieten onder de voorwaarden die in overeenkomsten tussen de betrokken partijen worden vastgelegd,

OVERWEGENDE dat in bovengenoemde bepaling de openstelling van het programma voor deze derde landen afhankelijk wordt gesteld van een voorafgaand onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van deze landen met het desbetreffende communautair acquis,

OVERWEGENDE dat Zwitserland heeft deelgenomen aan de programma’s Media Plus en Media Opleiding, die op 31 december 2006 zijn afgelopen,

OVERWEGENDE dat Zwitserland zich ertoe verbindt zijn wetgevend kader aan te vullen om te zorgen voor het vereiste niveau van verenigbaarheid met het communautair acquis, en dat Zwitserland bijgevolg op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst voldoet aan de deelnamevoorwaarden van artikel 8 van het besluit tot instelling van het programma Media 2007,

OVERWEGENDE dat de samenwerking tussen de Gemeenschap en Zwitserland met het oog op de doelstellingen van het programma Media 2007 in de context van de transnationale samenwerkingsactiviteiten waarbij de Gemeenschap en Zwitserland betrokken zijn, met name van dien aard is dat zij het effect van de verschillende, ter uitvoering van dit programma ondernomen acties vergroot en het kwalificatieniveau van de human resources in de Gemeenschap en Zwitserland versterkt,

OVERWEGENDE dat de overeenkomstsluitende partijen een gemeenschappelijk belang hebben bij de ontwikkeling van een Europese audiovisueleprogramma-industrie in het kader van een bredere samenwerking,

OVERWEGENDE dat de overeenkomstsluitende partijen bijgevolg verwachten wederzijds profijt te zullen trekken van de deelname van Zwitserland aan het programma Media 2007,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Onderwerp

De samenwerking tussen de Gemeenschap en Zwitserland ingevolge deze overeenkomst beoogt de deelname van Zwitserland aan alle acties in het kader van het programma Media 2007. Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, worden daarbij de doelstellingen, criteria, procedures en termijnen in acht genomen die zijn vastgesteld bij het besluit tot instelling van het programma Media 2007.

Artikel 2

Verenigbaarheid van de wetgevingskaders

Om op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst aan de bij het besluit tot instelling van het programma Media 2007 vastgestelde deelnamevoorwaarden te kunnen voldoen, legt Zwitserland de in bijlage I beschreven maatregelen ten uitvoer teneinde het Zwitserse wetgevingskader aan te vullen met het oog op het vereiste niveau van verenigbaarheid met het communautair acquis.

Artikel 3

In aanmerking komende instellingen, organisaties en particuliere personen

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, geldt het volgende:

1.

De voorwaarden voor de deelname van organisaties en particuliere personen uit Zwitserland aan elke van de acties zijn dezelfde als voor organisaties en particuliere personen uit de lidstaten van de Gemeenschap.

2.

In aanmerking komen instellingen, organisaties en particuliere personen uit Zwitserland die voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het besluit tot instelling van het programma Media 2007.

3.

Om de communautaire dimensie van het programma te waarborgen, komen projecten en activiteiten die een Europees partnerschap vereisen, slechts voor financiële steun van de Gemeenschap in aanmerking indien er ten minste één partner uit een lidstaat van de Gemeenschap bij betrokken is. De andere projecten en acties moeten een duidelijke Europese en communautaire dimensie hebben.

Artikel 4

Procedures

1.   Voor instellingen, organisaties en particuliere personen uit Zwitserland gelden wat de indiening, evaluatie en selectie van aanvragen betreft, dezelfde voorwaarden als voor instellingen, organisaties en particuliere personen uit de lidstaten van de Gemeenschap.

2.   Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het besluit tot instelling van het programma Media 2007 kan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, hierna „de Commissie” genoemd, bij de benoeming van onafhankelijke deskundigen ook deskundigen uit Zwitserland aanwijzen om haar bij de evaluatie van de projecten te helpen.

3.   In alle contacten met de Commissie, bij het indienen van aanvragen, het opstellen van overeenkomsten en verslagen en andere administratieve aangelegenheden in verband met de programma’s wordt een van de officiële talen van de Gemeenschap gebruikt.

Artikel 5

Nationale structuren

1.   Zwitserland zet de nodige structuren op nationaal niveau op en neemt alle andere maatregelen die nodig zijn voor de coördinatie en organisatie op nationaal vlak van de uitvoering van het programma Media 2007 overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het besluit tot instelling van het programma Media 2007. Zwitserland verbindt zich er met name toe om in samenwerking met de Commissie een Media Desk op te richten.

2.   De financiële steun die door het programma aan de activiteiten van de Media Desk wordt toegekend, bedraagt maximaal 50 % van de totale begroting voor deze activiteiten.

Artikel 6

Financiële bepalingen

Om de uit de deelname aan het programma Media 2007 voortvloeiende kosten te dekken, betaalt Zwitserland elk jaar overeenkomstig de in bijlage II vermelde voorwaarden een bijdrage in de algemene begroting van de Europese Unie.

Artikel 7

Financiële controle

De regels voor de financiële controle met betrekking tot de Zwitserse deelnemers aan het programma Media 2007 zijn vermeld in bijlage III.

Artikel 8

Gemengd comité

1.   Er wordt een gemengd comité opgericht.

2.   Het gemengd comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Gemeenschap en vertegenwoordigers van Zwitserland. Het spreekt zich uit met algemene stemmen.

3.   Het gemengd comité is verantwoordelijk voor het beheer en de correcte toepassing van deze overeenkomst.

4.   Op verzoek van een van beide partijen wisselen de overeenkomstsluitende partijen in het gemengd comité informatie uit en plegen zij overleg over de onder deze overeenkomst vallende activiteiten en de daarmee verband houdende financiële aspecten.

5.   Voor overleg over het goede functioneren van deze overeenkomst komt het gemengd comité op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen bijeen. Het stelt zijn reglement van orde vast en het kan werkgroepen oprichten om het bij de uitvoering van zijn taken bij te staan.

6.   De overeenkomstsluitende partijen kunnen elk geschil over de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst aan het gemengd comité voorleggen. Het gemengd comité kan het geschil beslechten. Het gemengd comité krijgt de beschikking over alle nodige inlichtingen om de situatie diepgaand te onderzoeken en een aanvaardbare oplossing te vinden. Hiertoe onderzoekt het alle mogelijkheden om het goede functioneren van de overeenkomst te handhaven.

7.   Het gemengd comité onderzoekt periodiek de bijlagen bij deze overeenkomst. Het gemengd comité kan op voorstel van een van de partijen besluiten om de bijlagen bij deze overeenkomst te wijzigen.

Artikel 9

Toezicht, evaluatie en verslagen

Onverminderd de verantwoordelijkheden van de Commissie met betrekking tot het toezicht op en de evaluatie van het programma overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het besluit tot instelling van het programma Media 2007 wordt in het kader van een partnerschap tussen de Commissie en Zwitserland voortdurend toezicht gehouden op de deelname van Zwitserland aan het programma Media 2007. Om de Commissie te helpen bij het opstellen van verslagen over de ervaring die bij de uitvoering van het programma is opgedaan, legt Zwitserland de Commissie een bijdrage voor waarin de nationale maatregelen worden beschreven die het daartoe heeft genomen. Zwitserland neemt deel aan alle andere specifieke activiteiten die daartoe door de Gemeenschap worden voorgesteld.

Artikel 10

Bijlagen

De bijlagen I, II en III vormen een integrerend deel van deze overeenkomst.

Artikel 11

Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat Verdrag vastgestelde voorwaarden, en op het grondgebied van Zwitserland.

Artikel 12

Duur en opzegging

1.   Deze overeenkomst wordt gesloten voor de duur van het programma Media 2007.

2.   Indien de Gemeenschap een nieuw meerjarig programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector vaststelt, kan deze overeenkomst worden verlengd of kunnen er nieuwe onderhandelingen over worden gevoerd, onder onderling overeen te komen voorwaarden.

3.   Zowel de Gemeenschap als Zwitserland kan deze overeenkomst door middel van een kennisgeving aan de andere partij opzeggen. De overeenkomst houdt op van toepassing te zijn twaalf maanden na de datum van de kennisgeving. Bij opzegging worden de lopende projecten en activiteiten voltooid onder de in deze overeenkomst vastgestelde voorwaarden. Voor eventuele andere gevolgen van de opzegging komen de overeenkomstsluitende partijen onderling een regeling overeen.

Artikel 13

Inwerkingtreding en voorlopige toepassing

Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op die waarin de overeenkomstsluitende partijen elkaar kennis geven van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures. De overeenkomst is voorlopig van toepassing vanaf 1 september 2007.

Artikel 14

Talen

Deze overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Съставено в Брюксел на единадесети октомври две хиляди и седма година.

Hecho en Bruselas, el once de octubre de dos mil siete.

V Bruselu dne jedenáctého října dva tisíce sedm.

Udfærdiget i Bruxelles, den ellevte oktober to tusind og syv.

Geschehen zu Brüssel am elften Oktober zweitausendsieben.

Kahe tuhande seitsmenda aasta oktoobrikuu üheteistkümnendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις ένδεκα Οκτωβρίου δύο χιλιάδες επτά.

Done at Brussels on the eleventh day of October in the year two thousand and seven.

Fait à Bruxelles, le onze octobre deux mille sept.

Fatto a Bruxelles, addì undici ottobre duemilasette.

Briselē, divtūkstoš septītā gada vienpadsmitajā oktobrī.

Priimta du tūkstančiai septintųjų metų spalio vienuoliktą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-hetedik év október havának tizenegyedik napján.

Magħmul fi Brussell, fil-ħdax-il jum ta' Ottubru tas-sena elfejn u sebgħa.

Gedaan te Brussel, de elfde oktober tweeduizend zeven.

Sporządzono w Brukseli, dnia jedenastego października roku dwa tysiące siódmego.

Feito em Bruxelas, em onze de Outubro de dois mil e sete.

Încħeiat la Bruxelles, unsprezece octombrie două mii șapte.

V Bruseli jedenásteho októbra dvetisícsedem.

V Bruslju, dne enajstega oktobra leta dva tisoč sedem.

Tehty Brysselissä yhdentenätoista päivänä lokakuuta vuonna kaksituhattaseitsemän.

Som skedde i Bryssel den elfte oktober tjugohundrasju.

За Европейската общност

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

az Európai Közösség részéről

Għall-Komunitá Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Comunidade Europeia

Pentru Comunitatea Europeană

Za Európske spoločenstvo

Za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Image 1

За Конфедерация Швейцария

Por la Confederación Suiza

Za Švýcarskou konfederaci

For Det Schweiziske Forbund

Für die Schweizerische Eidgenossenschaft

Šveitsi Konföderatsiooni nimel

Για την Ελβετική Συνομοσπονδία

For the Swiss Confederation

Pour la Confédération suisse

Per la Confederazione svizzera

Šveices Konfederācijas vārdā

Šveicarijos Konfederacijos vardu

a Svájci Államszövetség részéről

Għall-Konfederazzjoni Żvizzera

Voor de Zwitserse Bondsstaat

W imieniu Konfederacji Szwajcarskiej

Pela Confederação Suíça

Pentru Confederația Elvețiană

Za Švajčiarsku konfederáciu

Za Švicarsko konfederacijo

Sveitsin valaliiton puolesta

På Schweiziska edsförbundets vägnar

Image 2


(1)   PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.

BIJLAGE I

Artikel 1

Vrijheid van ontvangst en doorgifte van televisieprogramma's

1.   Zwitserland garandeert op zijn grondgebied de vrijheid van ontvangst en doorgifte van televisie-uitzendingen die onder de bevoegdheid van een lidstaat van de Gemeenschap vallen zoals bepaald bij Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (1) (hierna „richtlijn „Televisie zonder grenzen”” genoemd), volgens de volgende procedures.

Zwitserland behoudt zich het recht voor om:

a)

de doorgifte op te schorten van uitzendingen van een onder de bevoegdheid van een lidstaat van de Gemeenschap vallende televisieomroeporganisatie die op duidelijke, belangrijke en ernstige wijze de regels inzake de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid heeft geschonden, als vermeld in de artikelen 22 en 22 bis van de richtlijn „Televisie zonder grenzen”;

b)

maatregelen te nemen tegen een televisieomroeporganisatie die op het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap is gevestigd maar waarvan de activiteit volledig of hoofdzakelijk op het Zwitserse grondgebied is gericht, indien deze organisatie zich daar heeft gevestigd om zich te onttrekken aan de regels die op haar van toepassing zouden zijn als zij op Zwitsers grondgebied was gevestigd. Deze voorwaarden worden geïnterpreteerd in het licht van de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

2.   In de in lid 1 van dit artikel genoemde gevallen worden maatregelen genomen na een gedachtewisseling in het bij deze overeenkomst opgerichte gemengd comité.

Artikel 2

Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving

1.   Zwitserland zorgt ervoor dat omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen, hun exclusieve rechten op evenementen die volgens de lijst van een lidstaat van de Gemeenschap van aanzienlijk belang zijn, niet op dergelijke wijze uitoefenen dat een belangrijk deel van het publiek in die lidstaat deze evenementen niet kan volgen, overeenkomstig artikel 3 bis van de richtlijn „Televisie zonder grenzen”.

2.   Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 bis van de richtlijn „Televisie zonder grenzen” stelt Zwitserland de Commissie in kennis van de maatregelen die het in dit verband neemt of heeft genomen.

Artikel 3

Bevordering van de distributie en de productie van Europese producties

Voor de toepassing van de maatregelen ter bevordering van de distributie en de productie van Europese producties geldt de definitie van „Europese producties” in artikel 6 van de richtlijn „Televisie zonder grenzen”.

Artikel 4

Overgangsbepalingen

Artikel 1 van deze bijlage is van toepassing vanaf 30 november 2009.

Vóór 30 november 2009 blijven de bepalingen van artikel 1 van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelneming van de Zwitserse Bondsstaat aan de communautaire programma's Media Plus en Media Opleiding (2) van toepassing.


(1)   PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60).

(2)   PB L 90 van 28.3.2006, blz. 22.

BIJLAGE II

FINANCIËLE BIJDRAGE VAN ZWITSERLAND AAN HET PROGRAMMA MEDIA 2007

1.

Voor zijn deelname aan het programma Media 2007 betaalt Zwitserland de volgende financiële bijdrage in de begroting van de Europese Unie (in euro):

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

4 205 000

5 805 677

5 921 591

6 039 823

6 160 419

6 283 427

6 408 897

2.

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (1) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (2) zijn van toepassing, met name op het beheer van de bijdrage van Zwitserland.

3.

De reis- en verblijfkosten van de vertegenwoordigers en deskundigen van Zwitserland in het kader van hun deelname aan door de Commissie georganiseerde vergaderingen over de uitvoering van het programma worden door de Commissie vergoed op dezelfde basis en volgens de procedures die gelden voor de deskundigen van de lidstaten van de Gemeenschap.

4.

Na de voorlopige inwerkingtreding van deze overeenkomst en aan het begin van elk daaropvolgend jaar richt de Commissie aan Zwitserland een verzoek tot storting dat overeenkomt met de bijdrage van Zwitserland in het budget van het programma volgens deze overeenkomst. Deze bijdrage wordt in euro uitgedrukt en wordt op een bankrekening in euro van de Commissie gestort.

5.

Zwitserland betaalt zijn bijdrage uiterlijk op 1 april indien de Commissie het verzoek tot storting vóór 1 maart verstuurt, of uiterlijk een maand na het verzoek tot storting indien de Commissie dit na die datum verstuurt. Voor elke te laat betaalde bijdrage betaalt Zwitserland achterstandsrente op het vanaf de vervaldatum verschuldigde bedrag. De rentevoet stemt overeen met de door de Europese Centrale Bank op de vervaldag voor haar eurotransacties gehanteerde rentevoet, vermeerderd met 3,5 procentpunten.

(1)   PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).

(2)   PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).

BIJLAGE III

FINANCIËLE CONTROLE MET BETREKKING TOT DE ZWITSERSE DEELNEMERS AAN HET PROGRAMMA MEDIA 2007

Artikel 1

Rechtstreekse contacten

De Commissie neemt rechtstreeks contact op met de in Zwitserland gevestigde deelnemers aan het programma en met hun subcontractanten. Deze kunnen alle informatie en documentatie die zij op grond van de in deze overeenkomst genoemde instrumenten en de ter uitvoering daarvan gesloten contracten moeten verstrekken, rechtstreeks aan de Commissie toezenden.

Artikel 2

Audits

1.   Overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 en de andere in deze overeenkomst vermelde bepalingen kan in subsidieovereenkomsten waarbij in Zwitserland gevestigde deelnemers aan het programma betrokken zijn, worden bepaald dat functionarissen van de Commissie of andere door de Commissie gemachtigde personen bij de deelnemers en hun subcontractanten te allen tijde wetenschappelijke, financiële, technologische of andere audits mogen uitvoeren.

2.   Aan de functionarissen van de Commissie en andere door haar gemachtigde personen wordt passende toegang geboden tot plaatsen, werken en documenten en tot alle nodige informatie, inclusief informatie in elektronische vorm, om deze audits uit te voeren. Dit toegangsrecht wordt uitdrukkelijk vermeld in de contracten die worden gesloten ter uitvoering van de in deze overeenkomst genoemde instrumenten.

3.   De Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen heeft dezelfde rechten als de Commissie.

4.   De audits kunnen ook worden uitgevoerd na afloop van dit programma of van deze overeenkomst, overeenkomstig de in de desbetreffende contracten vastgestelde voorwaarden.

5.   De Zwitserse financiële controledienst (Eidgenössische Finanzkontrolle) wordt van tevoren in kennis gesteld van audits die op het Zwitserse grondgebied worden uitgevoerd. Deze kennisgeving is evenwel geen wettelijke voorwaarde voor de uitvoering van deze audits.

Artikel 3

Controles ter plaatse

1.   In het kader van deze overeenkomst is de Commissie (alsook OLAF) gemachtigd om op het Zwitserse grondgebied controles en inspecties ter plaatse uit te voeren overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (1).

2.   De controles en inspecties ter plaatse worden door de Commissie voorbereid en uitgevoerd in nauwe samenwerking met de Zwitserse financiële controledienst of andere door deze dienst aangewezen bevoegde Zwitserse instanties, die tijdig in kennis worden gesteld van het voorwerp, het doel en de juridische grondslag van de controles en inspecties zodat zij alle nodige hulp kunnen bieden. De functionarissen van de bevoegde Zwitserse instanties kunnen daartoe deelnemen aan de controles en inspecties ter plaatse.

3.   Indien de betrokken Zwitserse instanties dat verlangen, worden de controles en inspecties ter plaatse gezamenlijk door de Commissie en henzelf uitgevoerd.

4.   Indien deelnemers aan het programma Media 2007 zich verzetten tegen een controle of inspectie ter plaatse, verlenen de Zwitserse autoriteiten de controleurs van de Commissie, overeenkomstig de nationale bepalingen ter zake, de nodige assistentie om hen in staat te stellen de hun opgedragen controles en inspecties ter plaatse tot een goed einde te brengen.

5.   De Commissie brengt de Zwitserse financiële controledienst onverwijld op de hoogte wanneer zij bij een controle of inspectie ter plaatse kennis krijgt van feiten of vermoedens van onregelmatigheden. De Commissie stelt de Zwitserse financiële controledienst in ieder geval in kennis van het resultaat van deze controles en inspecties.

Artikel 4

Informatie en overleg

1.   Met het oog op een goede uitvoering van deze bijlage wisselen de bevoegde Zwitserse en communautaire instanties regelmatig informatie uit en plegen zij op verzoek van een van de partijen overleg.

2.   De bevoegde Zwitserse instanties brengen de Commissie onverwijld op de hoogte wanneer zij kennis krijgen van feiten of vermoedens van onregelmatigheden bij de sluiting en uitvoering van contracten of overeenkomsten ter uitvoering van de in de overeenkomst genoemde instrumenten.

Artikel 5

Vertrouwelijkheid

Ingevolge deze bijlage meegedeelde of verkregen informatie, in eender welke vorm, valt onder het beroepsgeheim en wordt beschermd op dezelfde wijze als soortgelijke informatie wordt beschermd krachtens het Zwitserse recht en de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de instellingen van de Gemeenschap. Deze informatie mag niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke binnen de instellingen van de Gemeenschap, in de lidstaten of in Zwitserland op grond van hun functie van deze informatie op de hoogte moeten zijn, en mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het waarborgen van een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

Artikel 6

Administratieve maatregelen en sancties

Onverminderd de toepassing van het Zwitserse strafrecht kan de Commissie administratieve maatregelen en sancties opleggen in overeenstemming met de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en (EG, Euratom) nr. 2342/2002 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (2).

Artikel 7

Invordering en tenuitvoerlegging

Besluiten die de Commissie in het kader van het programma Media 2007 en binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst neemt en die voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen in Zwitserland executoriale titel. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de autoriteit die daartoe door de Zwitserse regering is aangewezen. Deze autoriteit geeft daarvan onverwijld kennis aan de Commissie. De tenuitvoerlegging vindt plaats volgens de Zwitserse regels. De rechtsgeldigheid van het besluit dat executoriale titel vormt, wordt ter controle voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg die worden gewezen ingevolge een arbitrageclausule, vormen onder dezelfde voorwaarden executoriale titel.


(1)   PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(2)   PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1233/2007 van de Commissie (PB L 279 van 23.10.2007, blz. 10).


SLOTAKTE

De gevolmachtigden

van de EUROPESE GEMEENSCHAP

en

de ZWITSERSE BONDSSTAAT,

bijeengekomen te Brussel, de elfde oktober tweeduizend zeven voor de ondertekening van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het communautaire programma Media 2007, hebben de volgende gemeenschappelijke verklaringen aangenomen, die aan deze slotakte zijn gehecht:

Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen over de ontwikkeling van een dialoog van wederzijds belang over het audiovisueel beleid

Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen over de aanpassing van de overeenkomst aan de nieuwe communautaire richtlijn.

Voorts hebben zij nota genomen van de volgende verklaringen, die bij deze slotakte zijn gevoegd:

 

Verklaring van de Raad over de deelname van Zwitserland aan de comités

 

Verklaring van de Raad over bijlage I bij de overeenkomst.

Съставено в Брюксел на единадесети октомври две хиляди и седма година.

Hecho en Bruselas, el once de octubre de dos mil siete.

V Bruselu dne jedenáctého října dva tisíce sedm.

Udfærdiget i Bruxelles, den ellevte oktober to tusind og syv.

Geschehen zu Brüssel am elften Oktober zweitausendsieben.

Kahe tuhande seitsmenda aasta oktoobrikuu üheteistkümnendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις ένδεκα Οκτωβρίου δύο χιλιάδες επτά.

Done at Brussels on the eleventh day of October in the year two thousand and seven.

Fait à Bruxelles, le onze octobre deux mille sept.

Fatto a Bruxelles, addì undici ottobre duemilasette.

Briselē, divtūkstoš septītā gada vienpadsmitajā oktobrī.

Priimta du tūkstančiai septintųjų metų spalio vienuoliktą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-hetedik év október havának tizenegyedik napján.

Magħmul fi Brussell, fil-ħdax-il jum ta' Ottubru tas-sena elfejn u sebgħa.

Gedaan te Brussel, de elfde oktober tweeduizend zeven.

Sporządzono w Brukseli, dnia jedenastego października roku dwa tysiące siódmego.

Feito em Bruxelas, em onze de Outubro de dois mil e sete.

Încħeiat la Bruxelles, unsprezece octombrie două mii șapte.

V Bruseli jedenásteho októbra dvetisícsedem.

V Bruslju, dne enajstega oktobra leta dva tisoč sedem.

Tehty Brysselissä yhdentenätoista päivänä lokakuuta vuonna kaksituhattaseitsemän.

Som skedde i Bryssel den elfte oktober tjugohundrasju.

За Европейската общност

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

az Európai Közösség részéről

Għall-Komunitá Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Comunidade Europeia

Pentru Comunitatea Europeană

Za Európske spoločenstvo

Za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

På Europeiska gemenskapens vägnar

Image 3

За Конфедерация Швейцария

Por la Confederación Suiza

Za Švýcarskou konfederaci

For Det Schweiziske Forbund

Für die Schweizerische Eidgenossenschaft

Šveitsi Konföderatsiooni nimel

Για την Ελβετική Συνομοσπονδία

For the Swiss Confederation

Pour la Confédération suisse

Per la Confederazione svizzera

Šveices Konfederācijas vārdā

Šveicarijos Konfederacijos vardu

a Svájci Államszövetség részéről

Għall-Konfederazzjoni Żvizzera

Voor de Zwitserse Bondsstaat

W imieniu Konfederacji Szwajcarskiej

Pela Confederação Suíça

Pentru Confederația Elvețiană

Za Švajčiarsku konfederáciu

Za Švicarsko konfederacijo

Sveitsin valaliiton puolesta

På Schweiziska edsförbundets vägnar

Image 4

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN OVER DE ONTWIKKELING VAN EEN DIALOOG VAN WEDERZIJDS BELANG OVER HET AUDIOVISUEEL BELEID

Beide partijen verklaren dat het, met het oog op de goede uitvoering van de overeenkomst en de versterking van de geest van samenwerking in aangelegenheden met betrekking tot het audiovisueel beleid, van wederzijds belang is een dialoog over deze aangelegenheden te ontwikkelen. Beide partijen verklaren dat deze dialoog zal plaatsvinden in het kader van het krachtens de overeenkomst opgerichte gemengd comité alsook in andere fora, waar en voor zover dit passend en nodig blijkt. Beide partijen verklaren dat in deze geest vertegenwoordigers van Zwitserland kunnen worden uitgenodigd voor vergaderingen in de marge van de vergaderingen van het „contactcomité” dat is opgericht bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (1).


(1)   PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN OVER DE AANPASSING VAN DE OVEREENKOMST AAN DE NIEUWE COMMUNAUTAIRE RICHTLIJN

De partijen verklaren dat wanneer op basis van het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG (COM(2005) 646 def.) een nieuwe richtlijn wordt vastgesteld, het gemengd comité zal besluiten de verwijzing naar Richtlijn 89/552/EEG in artikel 1 van bijlage I te vervangen door een verwijzing naar de nieuwe richtlijn.

VERKLARING VAN DE RAAD OVER DE DEELNAME VAN ZWITSERLAND AAN DE COMITÉS

De Raad stemt ermee in dat vertegenwoordigers van Zwitserland, als waarnemers en voor de punten die hen betreffen, deelnemen aan de vergaderingen van de comités en de deskundigengroepen van het Media-programma. De stemming in deze comités en deskundigengroepen wordt door de vertegenwoordigers van Zwitserland niet bijgewoond.

VERKLARING VAN DE RAAD OVER BIJLAGE I BIJ DE OVEREENKOMST

Met het oog op het goede functioneren van de overeenkomst geldt het volgende:

i)

analoog met de verbintenis van Zwitserland betreffende de vrijheid van ontvangst en doorgifte worden televisie-uitzendingen die onder de bevoegdheid van Zwitserland vallen, op dezelfde wijze behandeld als de wijze waarop Zwitserland televisie-uitzendingen die onder de bevoegdheid van een lidstaat van de Gemeenschap vallen, behandelt overeenkomstig artikel 1 van deze bijlage;

ii)

analoog met de verbintenis van Zwitserland om de toepassing te vergemakkelijken van bepalingen betreffende de maatregelen van de lidstaten met het oog op de uitzending van evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving, worden maatregelen die Zwitserland in dit verband neemt of heeft genomen, op dezelfde wijze behandeld als maatregelen die de lidstaten krachtens artikel 3 bis van de richtlijn „Televisie zonder grenzen” kunnen nemen.


Commissie

21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/24


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 19 november 2007

tot wijziging van Beschikking 2007/554/EG tot vaststelling van beschermende maatregelen tegen mond-en-klauwzeer in het Verenigd Koninkrijk

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5533)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/746/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name op artikel 9, lid 4,

Gelet op Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name op artikel 10, lid 4,

Gelet op Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond-en-klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG (3), en met name op artikel 60, lid 2, en artikel 62, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van recente uitbraken van mond-en-klauwzeer in Groot-Brittannië is Beschikking 2007/554/EG van de Commissie van 9 augustus 2007 tot vaststelling van beschermende maatregelen tegen mond-en-klauwzeer in het Verenigd Koninkrijk (4) vastgesteld om de door die lidstaat in het kader van Richtlijn 2003/85/EG genomen beschermende maatregelen tegen mond-en-klauwzeer te versterken.

(2)

Beschikking 2007/554/EG bevat voorschriften voor de verzending vanuit hoog- en laagrisicogebieden, vermeld in bijlage I, respectievelijk bijlage II bij die beschikking („beperkingsgebieden”), in Groot-Brittannië van als veilig te beschouwen producten die voordat de beperkingen in het Verenigd Koninkrijk waren ingesteld, zijn geproduceerd uit grondstoffen die buiten die beperkingsgebieden zijn verkregen, of die een behandeling hebben ondergaan die doeltreffend is gebleken om eventueel aanwezig mond-en-klauwzeervirus te inactiveren.

(3)

In Beschikking 2007/554/EG, zoals gewijzigd bij Beschikking 2007/664/EG, heeft de Commissie voorschriften vastgesteld voor de verzending van bepaalde categorieën vlees uit bepaalde gebieden, vermeld in bijlage III bij Beschikking 2007/554/EG, zoals gewijzigd, waar ten minste 90 dagen voor het slachten geen enkele uitbraak van mond-en-klauwzeer geconstateerd is en die aan een aantal voorwaarden voldoen.

(4)

In verband met de ontwikkeling van de diergezondheidssituatie in het Verenigd Koninkrijk is Beschikking 2007/554/EG gewijzigd bij Beschikking 2007/709/EG; daarbij is bijlage III bij Beschikking 2007/554/EG vervangen om het gebied waaruit vers vlees mag worden uitgevoerd te verruimen, en is de toepassingsduur van die beschikking verlengd tot en met 15 december 2007.

(5)

Het Verenigd Koninkrijk heeft nu een risicogebied voor mond-en-klauwzeer afgebakend van ongeveer 150 km rond de eerste uitbraak, waar intensief toezicht wordt gehouden om na te gaan of er zich geen besmettingen met mond-en-klauwzeervirus in die lidstaat meer voordoen. Dat gebied omvat niet de gebieden die momenteel opgenomen zijn in de lijst in bijlage III bij Beschikking 2007/554/EG. Het 150 km-gebied moet als hoogrisicogebied worden opgenomen in bijlage I bij die beschikking als gevolg van een regionalisatie waarbij in bijlage II in plaats van „Groot-Brittannië” de desbetreffende gebieden worden omschreven.

(6)

De wijzigingen in de lijsten van beperkingsgebieden in de bijlagen I en II bij Beschikking 2007/554/EG zijn nodig om de verzending van producten van dierlijke oorsprong, zoals vlees, vleesproducten, melk, melkproducten en andere dierlijke producten uit de in bijlage II genoemde gebieden toe te staan, onder handhaving van een hoog beschermingsniveau door het verbod op de verzending van levende dieren en sperma, eicellen en embryo's daarvan uit heel Groot-Brittannië, dus zowel de in bijlage I als de in bijlage II genoemde gebieden.

(7)

Omwille van de duidelijkheid en consistentie moeten ook enkele kleine omissies wat betreft embryo's in artikel 6 worden rechtgezet en moet artikel 7 preciezer worden geformuleerd waar het gaat om geneesmiddelen.

(8)

Nadat het klinisch en serologisch onderzoek om te bevestigen dat er geen besmetting met het mond-en-klauwzeervirus meer aanwezig is in het toezichtsgebied met bevredigende resultaten was voltooid, heeft het Verenigd Koninkrijk de maatregelen in het toezichtsgebied rond de bevestigde uitbraken op 5 november 2007 overeenkomstig artikel 44 van Richtlijn 2003/85/EG ingetrokken.

(9)

Volgends artikel 60 van Richtlijn 2003/85/EG kan een lidstaat of een gebied van een lidstaat de status vrij van mond-en-klauwzeer en van besmetting alleen opnieuw verkrijgen wanneer bepaalde in die richtlijn vastgelegde maatregelen zijn uitgevoerd, er ten minste drie maanden zijn verstreken sinds de laatste uitbraak van die ziekte is geconstateerd, en overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn is bevestigd dat er geen besmetting meer aanwezig is.

(10)

Volgens artikel 62 van de richtlijn is het evenwel mogelijk de maatregelen ter verkrijging van de ziektevrije status te wijzigen, waarbij alleen de beperkingen op de verplaatsing van levende dieren worden gehandhaafd. De bepalingen van Beschikking 2007/554/EG betreffende de verplaatsing van levende dieren en sperma, eicellen en embryo's daarvan moeten dus van toepassing blijven tot aan de desbetreffende voorwaarden van artikel 60 van Richtlijn 2003/85/EG is voldaan.

(11)

De toepassingsduur van Beschikking 2007/554/EG moet daarom worden verlengd tot en met 31 december 2007, drie maanden na de voltooiing van de voorlopige reiniging en ontsmetting na de laatste geconstateerde uitbraak op 30 september 2007. Tegelijkertijd moet worden vastgelegd dat sommige beperkingen op producten van dierlijke oorsprong slechts gelden tot en met 15 december, zoals eerder de bedoeling was.

(12)

Beschikking 2007/554/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 2007/554/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aan artikel 1 worden de volgende leden 8, 9 en 10 toegevoegd:

„8.   In afwijking van lid 2 mogen de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk het vervoer van levende runderen, schapen, geiten, varkens en andere evenhoevigen van een bedrijf in een gebied van bijlage II naar in de gebieden van bijlage I gelegen bedrijven of slachthuizen toestaan.

9.   In afwijking van lid 2 mogen de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk het vervoer van levende runderen, schapen, geiten, varkens en andere evenhoevigen van een bedrijf in een in bijlage I genoemd gebied rechtstreeks of via niet meer dan één verzamelplaats, onder officiële controle naar in de gebieden van bijlage II gelegen aangewezen slachthuizen toestaan.

10.   In afwijking van lid 2 mogen de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk het vervoer van levende runderen, schapen, geiten, varkens en andere evenhoevigen van een bedrijf in een gebied van bijlage I rechtstreeks en onder officiële controle naar aangewezen bedrijven in de gebieden van bijlage II toestaan, zonder dat de dieren in contact komen met dieren met een lagere gezondheidsstatus, op voorwaarde dat:

a)

bij inspectie onmiddellijk vóór het laden bij de dieren geen klinische symptomen van mond-en-klauwzeer worden waargenomen, en de dieren:

i)

negatief hebben gereageerd op een test op antilichamen tegen mond-en-klauwzeervirus, uitgevoerd met een bloedmonster dat niet langer dan 10 dagen voorafgaande aan het vervoer is genomen, of

ii)

komen van een bedrijf waar met negatief resultaat een serologisch onderzoek is uitgevoerd volgens een bemonsteringsprotocol waarmee bij een mond-en-klauwzeerprevalentie van 5% de ziekte met een betrouwbaarheid van ten minste 95% kan worden aangetoond, of

iii)

komen van een bedrijf dat gelegen is in een in bijlage III genoemd gebied en aan de volgende voorwaarden voldoen:

de dieren zijn gedurende ten minste 90 dagen, of sinds hun geboorte als zij jonger zijn dan 90 dagen, gehouden op bedrijven die gelegen zijn in de in de kolommen 1, 2 en 3 van bijlage III aangegeven gebieden, waar zich gedurende ten minste die periode geen uitbraak van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan;

in de laatste 21 dagen vóór het vervoer hebben de dieren onder toezicht van de bevoegde veterinaire autoriteiten verbleven op een en hetzelfde bedrijf, waaromheen zich binnen een straal van ten minste 10 km ten minste in de laatste 30 dagen voorafgaande aan het inladen geen uitbraak van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan;

op het in het tweede streepje bedoelde bedrijf zijn in de laatste 21 dagen voorafgaande aan het inladen geen dieren van een voor mond-en-klauwzeer gevoelige soort binnengebracht, tenzij het gaat om varkens afkomstig van een toeleveringsbedrijf dat aan het bepaalde in het tweede streepje voldoet; in dat geval mag de termijn worden teruggebracht tot 7 dagen;

iv)

levende varkens zijn die in het kader van een piramidestructuur worden verplaatst van bedrijven die daarvoor in het kader van deze beschikking door de bevoegde autoriteit zijn erkend en waaromheen zich binnen een straal van ten minste 10 km ten minste in de laatste 30 dagen voorafgaande aan het inladen geen uitbraak van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan.”.

2.

Artikel 2 komt als volgt te luiden:

„Artikel 2

Vlees

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „vlees” verstaan „vers vlees”, „gehakt vlees”, „separatorvlees” en „vleesbereidingen” als omschreven in de punten 1.10, 1.13, 1.14 en 1.15 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004.

2.   Het Verenigd Koninkrijk verzendt geen vlees van runderen, schapen, geiten, varkens of andere evenhoevige dieren dat afkomstig is uit, of dat is verkregen van dieren uit, de in bijlage I vermelde gebieden.

3.   Vlees dat krachtens deze beschikking niet uit het Verenigd Koninkrijk mag worden verzonden, wordt voorzien van het overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 2002/99/EG of Beschikking 2001/304/EG vastgestelde keurmerk.

4.   Het in lid 2 vastgestelde verbod geldt niet voor vlees dat is voorzien van het in sectie I, hoofdstuk III, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde keurmerk, op voorwaarde dat:

a)

het vlees duidelijk geïdentificeerd wordt en vanaf de productiedatum bij vervoer en opslag gescheiden gehouden is van vlees dat overeenkomstig deze beschikking niet uit de in bijlage I vermelde gebieden mag worden verzonden;

b)

het vlees aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i)

het is vóór 15 juli 2007 verkregen, of

ii)

het is afkomstig van dieren die ten minste 90 dagen voorafgaande aan de slacht, of sinds hun geboorte wanneer zij jonger zijn dan 90 dagen, zijn gehouden en zijn geslacht buiten de in de bijlagen I en II genoemde gebieden, of, wanneer het gaat om vlees van vrij wild van voor mond-en-klauwzeer gevoelige soorten („vrij wild”), zijn gedood buiten die gebieden, of

iii)

het voldoet aan de onder c), d) en e) en in lid 6 genoemde voorwaarden;

c)

het vlees is verkregen van als huisdier gehouden hoefdieren of van gekweekt wild van voor mond-en-klauwzeer gevoelige soorten („gekweekt wild”), zoals voor de desbetreffende categorie vlees is aangegeven in een van de kolommen 4 tot en met 7 van bijlage III, en voldoet aan de volgende voorwaarden:

i)

de dieren zijn gedurende ten minste 90 dagen voorafgaande aan de slacht, of sinds hun geboorte als zij jonger zijn dan 90 dagen, gehouden op bedrijven die gelegen zijn in de in de kolommen 1, 2 en 3 van bijlage III aangegeven gebieden, waar zich gedurende ten minste die periode geen uitbraak van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan;

ii)

in de laatste 21 dagen voorafgaande aan het vervoer naar het slachthuis of, wanneer het gaat om gekweekt wild, voorafgaande aan het slachten op het bedrijf, hebben de dieren onder toezicht van de bevoegde veterinaire autoriteiten verbleven op een en hetzelfde bedrijf, waaromheen zich binnen een straal van ten minste 10 km gedurende ten minste 30 dagen voorafgaande aan het inladen geen uitbraak van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan;

iii)

op het in punt ii) bedoelde bedrijf zijn in de laatste 21 dagen voorafgaande aan het inladen of, wanneer het gaat om gekweekt wild, voorafgaande aan het slachten op het bedrijf, geen dieren van een voor mond-en-klauwzeer gevoelige soort binnengebracht, tenzij het gaat om varkens afkomstig van een toeleveringsbedrijf dat aan punt ii) voldoet; in dat geval mag de termijn worden teruggebracht tot 7 dagen.

De bevoegde autoriteit mag echter toestaan dat op het in punt ii) bedoelde bedrijf voor mond-en-klauwzeer gevoelige dieren worden binnengebracht die aan de voorwaarden van de punten i) en ii) voldoen en die:

komen van een bedrijf waar in de laatste 21 dagen voorafgaande aan het vervoer naar het in punt ii) bedoelde bedrijf geen voor mond-en-klauwzeer gevoelige dieren zijn binnengebracht, tenzij het gaat om varkens afkomstig van een toeleveringsbedrijf; in dat geval mag de termijn worden teruggebracht tot 7 dagen, of

negatief hebben gereageerd op een test op antilichamen tegen mond-en-klauwzeervirus, uitgevoerd met een bloedmonster dat niet langer dan 10 dagen voorafgaande aan het vervoer naar het onder ii) bedoelde bedrijf is genomen, of

komen van een bedrijf waar met negatief resultaat een serologisch onderzoek is uitgevoerd volgens een bemonsteringsprotocol waarmee bij een mond-en-klauwzeerprevalentie van 5 % de ziekte met een betrouwbaarheid van ten minste 95 % kan worden aangetoond;

iv)

de dieren of, wanneer het gaat om gekweekt wild dat op het bedrijf is geslacht, de karkassen zijn onder officiële controle in vervoermiddelen die vóór het laden zijn gereinigd en ontsmet, van het in punt ii) bedoelde bedrijf naar het aangewezen slachthuis vervoerd;

v)

de dieren zijn binnen 24 uur na aankomst in het slachthuis geslacht, en zij zijn daarbij gescheiden gehouden van dieren waarvan het vlees niet uit het in bijlage I omschreven gebied mag worden verzonden;

d)

als het gaat om vlees waarvoor in kolom 8 van bijlage III een plusteken is vermeld, dat vlees is verkregen van vrij wild dat is gedood in gebieden waar zich gedurende ten minste 90 dagen voorafgaande aan het doden geen uitbraak van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan en die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van niet in de in de kolommen 1, 2 en 3 van bijlage III aangegeven gebieden;

e)

vlees als bedoeld onder c) en d) moet bovendien aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)

de verzending van dergelijk vlees mag alleen door de bevoegde veterinaire autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk worden toegestaan indien de onder c) iv) bedoelde dieren naar het slachthuis zijn vervoerd zonder in contact te komen met bedrijven in gebieden die niet in de kolommen 1, 2 en 3 van bijlage III zijn vermeld;

ii)

het vlees is steeds duidelijk geïdentificeerd en wordt bij hantering, opslag en vervoer gescheiden gehouden van vlees dat niet uit het in bijlage I vermelde gebied mag worden verzonden;

iii)

bij de postmortemkeuring door de officiële dierenarts in het slachthuis van verzending of, wanneer het gaat om het slachten van gekweekt wild, op het onder c) ii) bedoelde bedrijf of, wanneer het gaat om vrij wild, in de wildverwerkingsinrichting zijn geen klinische symptomen, noch andere tekenen van mond-en-klauwzeer gevonden;

iv)

het vlees is gedurende ten minste 24 uur na de postmortemkeuring van de onder c) en d) bedoelde dieren in het slachthuis, het bedrijf of de inrichting als bedoeld onder e) iii), gebleven;

v)

verdere bereiding van vlees voor verzending buiten het in bijlage I genoemde gebied wordt opgeschort:

wanneer in het slachthuis, het bedrijf of de inrichting als bedoeld onder e) iii) mond-en-klauwzeer is geconstateerd, totdat alle aanwezige dieren zijn geslacht en alle vlees en dode dieren zijn verwijderd, en ten minste 24 uur is verstreken sinds de betrokken inrichtingen en bedrijven grondig zijn gereinigd en ontsmet onder controle van een officiële dierenarts, en

wanneer in dezelfde inrichting voor mond-en-klauwzeer gevoelige dieren worden geslacht die afkomstig zijn van bedrijven in de in bijlage I genoemde gebieden die niet voldoen aan de onder c) en d) genoemde voorwaarden, totdat al die dieren zijn geslacht en het slachthuis, het bedrijf of de inrichting grondig is gereinigd en ontsmet onder controle van een officiële dierenarts;

vi)

de centrale veterinaire autoriteiten stellen de overige lidstaten en de Commissie in het bezit van de lijst van slachthuizen, bedrijven en inrichtingen die zij voor de toepassing van het bepaalde onder c), d) en e) hebben erkend.

5.   De naleving van de voorschriften in de leden 3 en 4 wordt gecontroleerd door de bevoegde veterinaire autoriteit onder toezicht van de centrale veterinaire autoriteiten.

6.   Het in lid 2 vastgestelde verbod geldt niet voor vers vlees dat is verkregen van runderen, schapen, geiten, varkens en andere evenhoevigen, die zijn gehouden buiten de in bijlage I vermelde gebieden en die, in afwijking van artikel 1, leden 2 en 3, rechtstreeks en onder officiële controle zonder contact met in de gebieden van bijlage I gelegen bedrijven voor onmiddellijke slachting zijn vervoerd naar een slachthuis dat ligt in een in bijlage I vermeld gebied, mits dit vlees aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

al het verse vlees wordt voorzien van het in sectie I, hoofdstuk III, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde keurmerk;

b)

het slachthuis

i)

functioneert onder stringente veterinaire controle;

ii)

schorst de verdere voorbereiding van vlees voor verzending buiten de in bijlage I vermelde gebieden bij slachting in hetzelfde slachthuis van voor mond-en-klauwzeer gevoelige dieren van in gebieden van bijlage I gelegen bedrijven tot alle dergelijke dieren zijn geslacht en de reiniging en ontsmetting van de inrichting onder de controle van een officiële dierenarts zijn voltooid;

c)

het verse vlees wordt duidelijk geïdentificeerd en wordt bij vervoer en opslag gescheiden gehouden van vlees dat niet uit het Verenigd Koninkrijk mag worden verzonden.

De naleving van de voorschriften in de eerste alinea wordt gecontroleerd door de bevoegde veterinaire autoriteit onder toezicht van de centrale veterinaire autoriteiten.

De centrale veterinaire autoriteiten stellen de Commissie en de overige lidstaten in het bezit van de lijst van inrichtingen die zij voor de toepassing van dit lid hebben erkend.

7.   Het in lid 2 vastgestelde verbod geldt niet voor vers vlees dat in uitsnijderijen in de in bijlage I vermelde gebieden is verkregen met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a)

in de uitsnijderij wordt, op één en dezelfde dag, alleen vers vlees verwerkt als omschreven in lid 4, onder b), en lid 6. Reiniging en ontsmetting zijn vereist wanneer vlees is verwerkt dat niet aan deze eis voldoet;

b)

al dit vlees wordt voorzien van het in sectie I, hoofdstuk III, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde keurmerk;

c)

in de uitsnijderij wordt gewerkt onder stringente veterinaire controle;

d)

het verse vlees wordt duidelijk geïdentificeerd en wordt bij vervoer en opslag gescheiden gehouden van vlees dat niet uit het in bijlage I vermelde gebied mag worden verzonden.

De naleving van de voorschriften in de eerste alinea wordt gecontroleerd door de bevoegde veterinaire autoriteit onder toezicht van de centrale veterinaire autoriteiten.

De centrale veterinaire autoriteiten stellen de overige lidstaten en de Commissie in het bezit van de lijst van inrichtingen die zij voor de toepassing van dit lid hebben erkend.

8.   Vlees dat uit het Verenigd Koninkrijk naar andere lidstaten wordt verzonden, gaat vergezeld van een officieel certificaat met de volgende vermelding:

„Dit vlees voldoet aan Beschikking 2007/554/EG van de Commissie van 9 augustus 2007 tot vaststelling van beschermende maatregelen tegen mond-en-klauwzeer in het Verenigd Koninkrijk.”.”.

3.

Artikel 3, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor vleesproducten die zijn voorzien van het in sectie I, hoofdstuk III, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde keurmerk, op voorwaarde dat de vleesproducten:

a)

duidelijk geïdentificeerd worden en vanaf de productiedatum bij vervoer en opslag gescheiden gehouden zijn van vleesproducten die overeenkomstig deze beschikking niet uit de in bijlage I vermelde gebieden mogen worden verzonden;

b)

aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

i)

zij zijn bereid met vlees zoals omschreven in artikel 2, lid 4, onder b), en lid 6, of

ii)

zij hebben ten minste een van de in deel 1 van bijlage III bij Richtlijn 2002/99/EG voor mond-en-klauwzeer toepasselijke behandelingen ondergaan.

De naleving van de voorschriften in de eerste alinea wordt gecontroleerd door de bevoegde veterinaire autoriteit onder toezicht van de centrale veterinaire autoriteiten.

De centrale veterinaire autoriteiten stellen de overige lidstaten en de Commissie in het bezit van de lijst van inrichtingen die zij voor de toepassing van dit lid hebben erkend.”.

4.

Artikel 6, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor:

a)

sperma, eicellen en embryo's, die vóór 15 juli 2007 zijn verkregen;

b)

diepgevroren sperma en embryo's van runderen, diepgevroren sperma van varkens en diepgevroren sperma en embryo's van schapen en geiten dat/die met inachtneming van het bepaalde in de Richtlijnen 88/407/EEG, 89/556/EEG, 90/429/EEG, respectievelijk 92/65/EEG in het Verenigd Koninkrijk is/zijn ingevoerd en dat/die sedertdien tijdens de opslag en het vervoer gescheiden is/zijn gehouden van sperma, eicellen en embryo's dat/die op grond van lid 1 niet mag/mogen worden verzonden;

c)

diepgevroren sperma en embryo's van runderen, varkens, schapen en geiten die ten minste 90 dagen voorafgaande aan de winning en tijdens de winning gehouden zijn in de in bijlage II vermelde gebieden of in de 90 dagen voorafgaande aan de winning naar die gebieden zijn verplaatst uit gebieden buiten bijlage I en dat/die:

i)

gedurende ten minste 30 dagen voorafgaande aan de verzending is/zijn opgeslagen onder erkende voorwaarden, en

ii)

is/zijn verkregen van donordieren in centra of op bedrijven:

die ten minste 90 dagen voorafgaande aan de winning van het sperma of de embryo's tot en met ten minste 30 dagen daarna vrij van mond-en-klauwzeer waren, en

waaromheen zich binnen een straal van ten minste 10 km ten minste 30 dagen voorafgaande aan de winning geen enkel geval van mond-en-klauwzeer heeft voorgedaan.

De centrale veterinaire autoriteiten stellen de overige lidstaten en de Commissie vóór de verzending van het (de) onder a), b) en c) bedoelde sperma of embryo's in het bezit van de lijst van centra en teams die zij voor de toepassing van dit lid hebben erkend.”.

5.

Artikel 7, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt niet voor huiden die:

a)

vóór 15 juli 2007 in het Verenigd Koninkrijk zijn geproduceerd, of

b)

voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk VI, deel A, punt 2, onder c) of d), van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1774/2002, of

c)

buiten de in bijlage I vermelde gebieden overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn geproduceerd en die sinds hun binnenkomst in de in bijlage I vermelde gebieden tijdens de opslag en het vervoer gescheiden zijn gehouden van huiden die op grond van lid 1 niet mogen worden verzonden, of

d)

zijn verkregen van dieren die overeenkomstig artikel 2, lid 4, onder b), of lid 6, in een slachthuis zijn geslacht of, wanneer het gaat om gekweekt wild, op een bedrijf zijn geslacht, of, wanneer het gaat om vrij wild, zijn gedood voor de vleesproductie.

Behandelde huiden worden gescheiden gehouden van onbehandelde huiden.”.

6.

Artikel 8, lid 2, onder a), komt als volgt te luiden:

„a)

dierlijke producten die:

i)

een hittebehandeling hebben ondergaan:

in een hermetisch gesloten recipiënt, bij een Fo-waarde van ten minste 3,0, of

waarbij de kerntemperatuur op ten minste 70 °C wordt gebracht, of

ii)

buiten de in bijlage I vermelde gebieden overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn geproduceerd en die sinds hun binnenkomst in de in bijlage I vermelde gebieden tijdens de opslag en het vervoer gescheiden zijn gehouden van dierlijke producten die op grond van lid 1 niet mogen worden verzonden, of

iii)

zijn verkregen van dieren die overeenkomstig artikel 2, lid 4, onder b), of lid 6, in een slachthuis zijn geslacht of, wanneer het gaat om gekweekt wild, op een bedrijf zijn geslacht, of, wanneer het gaat om vrij wild, zijn gedood voor de vleesproductie, en

voldoen aan de eisen van hoofdstuk II, deel A, punt 1, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1774/2002, en

tijdens de opslag en het vervoer gescheiden zijn gehouden van dierlijke bijproducten die op grond van lid 1 van dit artikel en artikel 2, lid 2, niet mogen worden verzonden;”.

7.

Artikel 8, lid 7, komt als volgt te luiden:

„7.   In afwijking van lid 3 kan er voor de in lid 2, onder i) en j), bedoelde producten mee worden volstaan dat zij vergezeld gaan van een handelsdocument waarin wordt verklaard dat de producten bestemd zijn voor gebruik als in-vitrodiagnosticum, laboratoriumreagens, geneesmiddel of medisch hulpmiddel, op voorwaarde dat op de producten op duidelijke wijze de vermelding „uitsluitend voor gebruik als in-vitrodiagnosticum”, „uitsluitend voor gebruik als laboratoriumreagens”, „uitsluitend voor gebruik als geneesmiddel” of „uitsluitend voor gebruik als medisch hulpmiddel” is aangebracht.”.

8.

Artikel 9, lid 2, eerste zin, komt als volgt te luiden:

„2.   Wanneer het gaat om detailverkoop aan de eindconsument, mogen de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk toestaan dat heterogeen samengestelde zendingen dierlijke producten die allemaal mogen worden uitgevoerd overeenkomstig deze beschikking, vergezeld gaan van een handelsdocument waaraan een kopie is gehecht van een officieel veterinair certificaat waarin wordt bevestigd dat:”.

9.

Artikel 17 komt als volgt te luiden:

„Deze beschikking is van toepassing tot en met 31 december 2007.

De in de artikelen 2, 3, 4, 5, 7 en 8 vastgestelde verzendingsverboden, de bepalingen van de artikelen 9 en 11 betreffende die verboden en de bepalingen van artikel 14 zijn echter van toepassing tot en met 15 december 2007.”.

10.

De bijlagen I, II en III worden vervangen door de tekst in de bijlage.

Artikel 2

Uitvoering

De lidstaten brengen de maatregelen die zij ten aanzien van het handelsverkeer toepassen, in overeenstemming met deze beschikking. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 november 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 33; rectificatie in PB L 195 van 2.6.2004, blz. 12).

(2)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 315 van 19.11.2002, blz. 14).

(3)   PB L 306 van 22.11.2003, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(4)   PB L 210 van 10.8.2007, blz. 36. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2007/709/EG (PB L 287 van 1.11.2007, blz. 29).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

De volgende gebieden in het Verenigd Koninkrijk:

1

2

3

GROEP

ADNS

Administratieve eenheid

England

41

Bracknell Forest

42

Brighton and Hove

49

City of Southampton

56

Luton

57

Medway

59

Milton Keynes

63

Reading

66

Slough

67

Southend-on-Sea

70

Swindon

72

Thurrock

75

West Berkshire

76

Windsor and Maidenhead

77

Wokingham

135

City of Portsmouth

137

Bedfordshire County

138

Buckinghamshire County

139

Cambridgeshire County

145

East Sussex County

146

Essex County

147

Gloucestershire County

148

Hampshire County

149

Hertfordshire County

150

Kent

155

Northamptonshire County

158

Oxfordshire County

163

Surrey

164

Warwickshire County

165

West Sussex County

166

Wiltshire County

168

London

„BIJLAGE II

De volgende gebieden in het Verenigd Koninkrijk:

1

2

3

GROEP

ADNS

Administratieve eenheid

Scottish Islands

131

Shetland Islands

123

Orkney Islands

124

NA H-Eileanan An Iar

Scotland

121

Highland

122

Moray

126

Aberdeenshire

128

Aberdeen City

79

Angus

81

Dundee City

80

Clackmannanshire

90

Perth & Kinross

127

Fife

85

Falkirk

88

Midlothian

96

West Lothian

129

City of Edinburgh

130

East Lothian

92

Scottish Borders

94

Stirling

125

Argyll and Bute

83

East Dunbartonshire

84

East Renfrewshire

86

City of Glasgow

87

Inverclyde

89

North Lanarkshire

91

Renfrewshire

93

South Lanarkshire

95

West Dunbartonshire

82

East Ayrshire

132

North Ayrshire

133

South Ayrshire

134

Dumfries & Galloway

England

141

Cumbria

169

Northumberland

10

Gateshead

16

Newcastle upon Tyne

17

North Tyneside

26

South Tyneside

29

Sunderland

144

Durham

52

Darlington

55

Hartlepool

58

Middlesbrough

64

Redcar and Cleveland

69

Stockton-on-Tees

151

Lancashire

38

Blackburn with Darwen

39

Blackpool

176

North Yorkshire excluding Selby

177

Selby District

78

York

53

East Riding of Yorkshire

45

City of Kingston upon Hull

60

North East Lincolnshire

61

North Lincolnshire

 

West Yorkshire consisting of

32

Wakefield District

11

Kirklees District

6

Calderdale District

4

Bradford

13

Leeds

 

South Yorkshire consisting of

1

Barnsley District

8

Doncaster District

20

Rotherham District

24

Sheffield District

 

Greater Manchester consisting of

30

Tameside District

18

Oldham District

19

Rochdale District

5

Bury District

3

Bolton District

21

Salford District

31

Trafford District

15

Manchester District

27

Stockport District

34

Wigan District

 

Merseyside consisting of

12

Knowsley District

14

Liverpool District

23

Sefton District

28

St. Helens District

74

Warrington

140

Cheshire County

54

Halton

35

Wirral District

142

Derbyshire County

44

City of Derby

157

Nottinghamshire County

47

City of Nottingham

153

Lincolnshire

159

Shropshire

71

Telford and Wrekin

161

Staffordshire County

50

City of Stoke-on-Trent

170

Devon County

73

Torbay

136

Plymouth

171

Cornwall County

143

Dorset County

62

Poole

40

Bournemouth

160

Somerset County

120

North Somerset

37

Bath and North East Somerset

43

City of Bristol

68

South Gloucestershire

51

Herefordshire County

167

Worcestershire County

9

Dudley District

2

Birmingham District

22

Sandwell District

36

Wolverhampton District

33

Walsall District

25

Solihull District

7

Coventry District

152

Leicestershire County

46

City of Leicester

65

Rutland

48

City of Peterborough

154

Norfolk County

162

Suffolk County

172

Isles of Scilly

114

Isle of Wight

Wales

115

Sir Ynys Mon — Isle of Anglesey

116

Gwynedd

103

Conwy

108

Sir Ddinbych-Denbigshir

111

Sir Y Fflint-Flintshire

113

Wrecsam-Wrexham

173

North Powys

174

South Powys

118

Sir Ceredigion-Ceredigion

110

Sir Gaerfyrddin-Carmarthen

119

Sir Benfro-Pembrokeshire

97

Abertawe-Swansea

102

Castell-Nedd Port Talbot-Neath Port Talbot

105

Pen-y-Bont Ar Ogwr — Bridgend

107

Rhondda/Cynon/Taf

99

Bro Morgannwg — The Valee of Glamorgan

98

Bleanau Gwent

112

Tor-Faen — Tor Faen

101

Casnewydd — Newport

104

Merthyr Tudful-Merthyr Tydfil

100

Caerffili — Caerphilly

117

Caerdydd — Cardiff

109

Sir Fynwy — Monmouthshire

„BIJLAGE III

De volgende gebieden van bijlage I hebben de status van in bijlage III opgenomen gebieden:

1

2

3

4

5

6

7

8

GROEP

ADNS

Administratieve eenheid

B

S/G

P

FG

WG

England

42

Brighton and Hove

+

+

+

+

 

56

Luton

+

+

+

+

 

57

Medway

+

+

+

+

 

59

Milton Keynes

+

+

+

+

 

67

Southend-on Sea

+

+

+

+

 

72

Thurrock

+

+

+

+

 

75

West Berkshire

+

+

+

+

 

137

Bedfordshire

+

+

+

+

 

145

East Sussex County

+

+

+

+

 

146

Essex County

+

+

+

+

 

149

Hertfordshire County

+

+

+

+

 

150

Kent

+

+

+

+

 

158

Oxfordshire County

+

+

+

+

 

166

Wiltshire County

+

+

+

+

 

147

Gloucestershire County

+

+

+

+

 

139

Cambridgeshire County

+

+

+

+

 

155

Northamptonshire County

+

+

+

+

 

164

Warwickshire County

+

+

+

+

 

70

Swindon

+

+

+

+

 

ADNS

=

ADNS-code (Animal Disease Notification System) (Beschikking 2005/176/EG)

B

=

vlees van runderen

S/G

=

vlees van schapen en geiten

P

=

vlees van varkens

FG

=

gekweekt wild van voor mond-en-klauwzeer gevoelige soorten

WG

=

vrij wild van voor mond-en-klauwzeer gevoelige soorten


21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 19 november 2007

betreffende de erkenning van certificeringsprocedures overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en houdende intrekking van Beschikking 97/264/EG

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 5291)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/747/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) (1), en met name op artikel 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft kennis genomen van herziene internationale normen en Europese erkenningsvoorschriften inzake de certificerende instanties die aan de bepalingen van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 761/2001 voldoen en derhalve door de Commissie moeten worden erkend.

(2)

De normen en erkenningsvoorschriften die zijn erkend bij Beschikking 97/264/EG van de Commissie van 16 april 1997 betreffende de erkenning van certificeringsprocedures overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 1836/93 van de Raad inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (2) worden niet langer toegepast en Beschikking 97/264/EG dient derhalve te worden ingetrokken.

(3)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 14 van Verordening (EG) nr. 761/2001 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 761/2001 erkent de Commissie de volgende normen en erkenningsvoorschriften inzake de certificerende instanties:

1.

in de Oostenrijkse wetgeving: de wet milieubeheer (UMG, BGBl.I nr. 96/2001) in de betreffende versie die van toepassing is op organisaties van milieuverificateurs en individuele milieuverificateurs;

2.

in de Duitse wetgeving: de richtsnoeren voor de erkenning van certificerende instanties van milieubeheersystemen (EMS) en certificeringsprocedures voor EMS — in september 1996 door de Duitse bondsministeries van Milieu, Natuurbehoud en Nucleaire Veiligheid en Economische Zaken uitgevaardigd en overeenkomstig artikel 21 van de Duitse wet inzake milieubeheer- en milieuauditsystemen (Umweltauditgesetz) goedgekeurd door het comité milieuverificatie;

3.

de erkenningsvoorschriften gebaseerd op de desbetreffende richtsnoeren die door de Europese samenwerking op het gebied van accreditatie (EA) zijn bekrachtigd en bekendgemaakt, voor certificerende instanties overeenkomstig ISO 14001:2004 die zijn erkend uit hoofde van een van de volgende documenten:

a)

ISO/IEC 17021:2006 (Conformiteitsbeoordeling — Eisen voor instellingen die audits en certificatie van managementsystemen uitvoeren);

b)

ISO/IEC Handleiding 66:1999 (Algemene eisen voor instellingen die beoordelingen en certificaties/registraties van milieubeheersystemen (EMS) uitvoeren) tot 15 september 2008.

Artikel 2

Beschikking 97/264/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 november 2007.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(2)   PB L 104 van 22.4.1997, blz. 35.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/38


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2007/748/GBVB VAN DE RAAD

van 19 november 2007

tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2007/87/GBVB tot wijziging en verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14, artikel 18, lid 5, en artikel 23, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 7 februari 2007 Gemeenschappelijk Optreden 2007/87/GBVB (1) vastgesteld.

(2)

De Raad heeft op 18 juni 2007 Besluit 2007/427/GBVB (2) houdende benoeming van de heer Miroslav Lajčák tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) in Bosnië en Herzegovina aangenomen.

(3)

Het Politiek en Veiligheidscomité heeft op 19 december 2006 aanbevelingen goedgekeurd teneinde tot een optimale coördinatie en samenhang te komen in situaties waarin ten minste twee EU-actoren op het gebied van crisisbeheersing in hetzelfde land actief zijn, met name door nauwer overleg tussen een commandant van de troepen van de EU en de SVEU, respectievelijk, tussen een commandant van de troepen van de EU en een hoofd van een politiemissie van de EU.

(4)

De Raad heeft op 18 juni 2007 zijn goedkeuring gehecht aan bovengenoemde aanbevelingen voor de militaire operatie ALTHEA van de Europese Unie.

(5)

De Raad heeft op 19 november 2007 Gemeenschappelijk Optreden 2007/749/GBVB inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH) (3) vastgesteld, dat onder meer de nieuwe commando- en controlestructuur voor civiele crisisbeheersingsoperaties van de EU weergeeft die de Raad op 28 juni 2007 heeft goedgekeurd.

(6)

Het mandaat van de SVEU in BiH moet worden gewijzigd om zowel zijn rol met betrekking tot de militaire operatie ALTHEA van de EU, in overeenstemming met de aanbevelingen die de Raad op 18 juni 2007 heeft goedgekeurd, als zijn rol met betrekking tot de EUPM in BiH, in overeenstemming met de nieuwe commando- en controlestructuur voor civiele crisisbeheersingsoperaties van de EU weer te geven,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijk Optreden 2007/87/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Mandaat

Met het oog op de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU in BiH omvat het mandaat van de SVEU het volgende:

a)

het politieke proces van EU-advies voorzien en faciliteren;

b)

de algehele politieke coördinatie van de EU in BiH bevorderen;

c)

de algehele coördinatie op EU-niveau bevorderen en ter plaatse politieke aansturing geven aan de EU-inspanningen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, onverminderd de leidinggevende rol van de Politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in de coördinatie van de politiële aspecten van deze inspanningen, en aan de militaire commandostructuur van ALTHEA (EUFOR);

d)

zonder afbreuk te doen aan de militaire commandostructuur, de commandant van de troepen van de EU politieke aansturing geven inzake militaire aangelegenheden met een lokale politieke dimensie, met name wat betreft delicate operaties, de betrekkingen met de lokale overheden en de betrekkingen met de lokale media;

e)

overleg plegen met de commandant van de troepen van de EU voordat politieke actie wordt ondernomen die gevolgen kan hebben voor de veiligheidssituatie;

f)

overleg plegen met het hoofd van de EUPM voordat politieke actie wordt ondernomen die gevolgen kan hebben voor de politie- en de veiligheidssituatie;

g)

bijdragen tot versterking van de interne coördinatie en de samenhang van het EU-optreden in BiH, onder meer door middel van voorlichtingsbijeenkomsten voor de EU-missiehoofden en door middel van deelname aan (of vertegenwoordiging in) hun regelmatige vergaderingen, door middel van het bekleden van het voorzitterschap van een coördinatiegroep bestaande uit alle op het terrein aanwezige EU-betrokkenen, teneinde de uitvoeringsaspecten van het EU-optreden te coördineren, alsmede door middel van het verstrekken van richtsnoeren aan deze betrokkenen ten aanzien van de betrekkingen met de autoriteiten van BiH;

h)

consistentie en samenhang van het optreden van de EU ten overstaan van het publiek waarborgen. De woordvoerder van de SVEU vormt het belangrijkste EU-aanspreekpunt voor de media van BiH over aangelegenheden met betrekking tot het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid/Europees veiligheids- en defensiebeleid (GBVB/EVDB);

i)

zicht houden op het gehele scala van activiteiten op het gebied van de rechtsstaat en in die context, waar nodig, advies uitbrengen aan de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger (SG/HV) en de Commissie;

j)

het missiehoofd van de EUPM op lokaal niveau politieke aansturing geven. De SVEU en de civiele operationele commandant zullen elkaar naar gelang van de behoefte raadplegen;

k)

als onderdeel van de bredere aanpak inzake de rechtsstaat van de internationale gemeenschap en de autoriteiten van BiH, en met gebruikmaking van de door de EUPM verstrekte technische deskundigheid en bijstand op politieel gebied, de voorbereiding en de uitvoering van de herstructurering van de politie ondersteunen;

l)

ondersteuning bieden voor een versterkt en efficiënter raakvlak tussen strafrechtspleging en politie in BiH, in nauwe samenwerking met de EUPM;

m)

wat betreft activiteiten in het kader van titel VI van het Verdrag, met inbegrip van Europol, en daarmee samenhangende communautaire activiteiten, indien nodig advies uitbrengen aan de SG/HV en aan de Commissie, en deelnemen aan de vereiste lokale coördinatie;

n)

omwille van de coherentie en mogelijke synergieën, geraadpleegd blijven worden over de prioriteiten voor het instrument voor pretoetredingsbijstand;

o)

in de context van de sluiting van het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger (OHR) de planning van een versterkt SVEU-bureau ondersteunen, met inbegrip van adviezen over publieksvoorlichtingsaspecten van de overgang, in nauwe coördinatie met de Commissie;

p)

bijdragen aan de ontwikkeling en bestendiging van het respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in BiH, overeenkomstig het EU-mensenrechtenbeleid en de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten;

q)

de relevante autoriteiten van BiH door middel van dialoog aansporen tot volledige samenwerking met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY);

r)

het grondwettelijk hervormingsproces van politiek advies voorzien en faciliteren;

s)

zonder afbreuk te doen aan de desbetreffende commandostructuur, helpen ervoor te zorgen dat alle EU-instrumenten ter plaatse coherent functioneren om de door de Raad bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.”;

2.

In lid 2 van artikel 8 (Beveiliging) wordt punt v) geschrapt.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 19 november 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

L. AMADO


(1)   PB L 35 van 8.2.2007, blz. 35.

(2)   PB L 159 van 20.6.2007, blz. 63.

(3)  Zie bladzijde 40 van dit Publicatieblad.


21.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/40


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2007/749/GBVB VAN DE RAAD

van 19 november 2007

inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14 en artikel 25, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 24 november 2005 Gemeenschappelijk Optreden 2005/824/GBVB inzake de politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH) (1) vastgesteld. Dit gemeenschappelijk optreden verstrijkt op 31 december 2007.

(2)

In een brief van 19 september 2007 hebben de autoriteiten van BiH de EU verzocht om de EUPM in BiH te verlengen.

(3)

Bij brief van 22 oktober 2007 heeft de secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het GBVB (SG/HV) positief gereageerd op de brief van de autoriteiten van BiH.

(4)

Op 18 juni 2007 heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan richtsnoeren voor de commando- en controlestructuur van de civiele crisisbeheersingsoperaties van de EU. In deze richtsnoeren is met name bepaald dat een bevelhebber het commando en de controle op strategisch niveau uitoefent voor de planning en de uitvoering van alle civiele crisisbeheersingsoperaties, onder het politieke toezicht en de strategische aansturing van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en onder het algemene gezag van de SG/HV; in de richtsnoeren is voorts bepaald dat de directeur van het binnen het secretariaat-generaal van de Raad ingestelde civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) voor iedere civiele crisisbeheersingsoperatie de civiele bevelhebber is.

(5)

De bovengenoemde commando- en controlestructuur laat de contractuele aansprakelijkheid van het hoofd van de missie ten aanzien van de Commissie voor de uitvoering van de begroting van de EUPM onverlet.

(6)

Het mandaat van de EUPM zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de doelstellingen van het Gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid als uiteengezet in artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie kan schaden.

(7)

Voor de EUPM moet de binnen het secretariaat-generaal van de Raad opgerichte wachtdienst in werking worden gesteld.

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Missie

1.   De bij Gemeenschappelijk Optreden 2002/210/GBVB (2) ingestelde en bij Gemeenschappelijk Optreden 2005/824/GBVB verlengde politiemissie van de Europese Unie (EUPM) in Bosnië en Herzegovina (BiH) wordt voortgezet met ingang van 1 januari 2008.

2.   De EUPM treedt op in overeenstemming met de doelstellingen en andere bepalingen vervat in de missieverklaring in artikel 2.

Artikel 2

Missieverklaring

Onder de coördinatie en de lokale politieke aansturing van de speciale vertegenwoordiger van de EU in BiH, en als onderdeel van de meer algemene benadering van de rechtsstaat in Bosnië en Herzegovina en de regio, is de EUPM erop gericht om via begeleiding, controle en inspectie een duurzame, professionele en multi-etnische politiedienst in Bosnië en Herzegovina tot stand te brengen die functioneert volgens de Europese en internationale normen.

Deze politiedienst treedt op in overeenstemming met de toezeggingen die zijn gedaan als onderdeel van het stabilisatie- en associatieproces met de Europese Unie, in het bijzonder met betrekking tot de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en tot de politiehervorming.

De EUPM treedt op in overeenstemming met de algemene doelstellingen van bijlage 11 van het Algemeen Kaderakkoord voor vrede in Bosnië en Herzegovina, die worden ondersteund door de instrumenten van de Europese Gemeenschap. De EUPM blijft leiding geven aan de coördinatie van de politiële aspecten in het kader van de EVDB-inspanningen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, zulks onverminderd de overeengekomen commandostructuren. De EUPM staat de plaatselijke autoriteiten bij in het plannen en uitvoeren van belangrijke strafrechtelijke onderzoeken op het gebied van de georganiseerde criminaliteit, door bij te dragen aan een betere werking van het gehele strafrechtstelsel in het algemeen en door de verhouding tussen politie en openbaar ministerie te versterken in het bijzonder. Samen met de Europese Commissie helpt de EUPM de autoriteiten van BiH te bepalen op welke resterende ontwikkelingsbehoeften op politiegebied de communautaire ondersteuning zich zou kunnen richten.

Artikel 3

Evaluatie

Op basis van een zesmaandelijkse evaluatie overeenkomstig de beoordelingscriteria van het operationeel concept (CONOPS) en het operatieplan (OPLAN) kunnen de activiteiten van de EUPM, indien nodig, worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen op het vlak van de politiehervorming.

Artikel 4

Structuur

1.   De structuur van de EUPM is als volgt:

a)

Een hoofdkwartier in Sarajevo, bestaande uit het hoofd van de missie en personeel als omschreven in het OPLAN.

b)

Missielocaties die op hoog niveau bij de diverse politiediensten van Bosnië en Herzegovina zijn gehuisvest, ondermeer bij/in de staatsinlichtingendienst, de grenspolitie van BiH, het bureau van Interpol/EUROPOL, entiteiten, openbare veiligheidscentra, kantons en het district Brcko.

2.   Deze opzet van onderdelen wordt nader uitgewerkt in het CONOPS en het OPLAN. De Raad keurt het CONOPS en het OPLAN goed.

Artikel 5

Civiele operationele commandant

1.   De directeur van het civiele plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC) is de civiele operationele commandant van de EUPM.

2.   De civiele operationele commandant oefent, onder het politieke toezicht en de strategische leiding van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en onder algemeen gezag van de SG/HV, het commando en de controle op strategisch niveau uit op de EUPM.

3.   De civiele operationele commandant zorgt voor een adequate en efficiënte uitvoering van de besluiten van de Raad, alsmede van het PVC, mede, waar nodig, door middel van instructies op strategisch niveau aan het hoofd van de missie.

4.   Gedetacheerd personeel blijft onder bevel van de nationale autoriteiten van de zendstaat of de EU-instelling. De nationale autoriteiten dragen de operationele controle (OPCON) over hun personeel, teams en eenheden over aan de civiele operationele commandant.

5.   De civiele operationele commandant heeft de algehele verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de EU zich naar behoren van haar zorgplicht kwijt.

6.   De civiele operationele commandant en de SVEU plegen indien nodig onderling overleg.

Artikel 6

Hoofd van de missie

1.   Het hoofd van de missie neemt de verantwoordelijkheid voor de missie op zich en oefent het commando en de controle erover uit op het terrein.

2.   Het hoofd van de missie oefent het commando en de controle uit over het personeel, de teams en de eenheden van de bijdragende staten die door de civiele operationele commandant ter beschikking zijn gesteld, en draagt de administratieve en logistieke verantwoordelijkheid voor de aan de EUPM ter beschikking gestelde activa, middelen en informatie.

3.   Het hoofd van de missie geeft instructies aan alle personeelsleden van de EUPM, met het oog op de effectieve uitvoering van de EUPM op het terrein, is belast met de coördinatie en de dagelijkse leiding van de activiteiten van de EUPM volgens de instructies op strategisch niveau van de civiele operationele commandant.

4.   Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting van de EUPM. Daartoe ondertekent het hoofd van de missie een contract met de Commissie.

5.   Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor het tuchtrechtelijk toezicht op het personeel. Voor gedetacheerd personeel worden tuchtrechtelijke maatregelen door de betrokken nationale of EU-autoriteit genomen.

6.   Het hoofd van de missie vertegenwoordigt de EUPM in het operatiegebied en zorgt voor passende zichtbaarheid van de EUPM.

7.   Het hoofd van de missie zorgt, in voorkomend geval, voor coördinatie met andere actoren op het terrein. Het hoofd van de missie krijgt, onder volledige eerbiediging van de commandostructuur, ter plaatse politieke aansturing van de SVEU.

Artikel 7

Personeel van de EUPM

1.   De getalsterkte en het competentieniveau van de EUPM-personeelsleden zijn in overeenstemming met de in artikel 2 vastgestelde missieverklaring en de in artikel 4 vastgestelde structuur.

2.   De politiefunctionarissen worden door de lidstaten gedetacheerd. Elke lidstaat draagt de kosten in verband met de door hem gedetacheerde politiefunctionarissen, met inbegrip van salarissen, vergoedingen en kosten voor vervoer van en naar BiH.

3.   Internationaal civiel personeel en plaatselijk personeel wordt naargelang de behoeften op contractbasis door de EUPM aangeworven.

4.   De lidstaten en de EU-instellingen kunnen ook, indien nodig, internationaal civiel personeel detacheren voor een periode van ten minste één jaar. Elke lidstaat of EU-instelling draagt de kosten in verband met elk door hem/haar gedetacheerd personeelslid, met inbegrip van salarissen, vergoedingen en kosten voor vervoer van en naar BiH.

5.   Alle personeelsleden vervullen hun plichten en handelen in het belang van de EUPM. Alle personeelsleden nemen de beveiligingsbeginselen en minimumnormen als bedoeld in Besluit 2001/264/EG van de Raad van 19 maart 2001 tot vaststelling van beveiligingsvoorschriften van de Raad in acht (3) (hierna de „beveiligingsvoorschriften van de Raad” genoemd)..

Artikel 8

Status van het personeel van de EUPM

1.   Er worden voor de duur van de EUPM de nodige regelingen getroffen voor de voortzetting van de Overeenkomst tussen de EU en BiH van 4 oktober 2002 betreffende de activiteiten van de EUPM in BiH.

2.   De lidstaat of EU-instelling die een personeelslid heeft gedetacheerd, is verantwoordelijk voor de afhandeling van met de detachering verband houdende schadevorderingen van of betreffende het personeelslid. De betrokken lidstaat of EU-instelling is verantwoordelijk voor het instellen van eventuele vorderingen tegen het gedetacheerd personeelslid.

3.   De arbeidsvoorwaarden en de rechten en verplichtingen van het internationaal en het plaatselijk tijdelijk personeel worden neergelegd in contracten tussen het hoofd van de missie/de directeur van politie en het betrokken personeelslid.

Artikel 9

Commandostructuur

1.   De EUPM heeft, als crisisbeheersingsoperatie, een gemeenschappelijke commandostructuur.

2.   Het PVC oefent, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, het politiek toezicht op en de strategische aansturing van de EUPM uit.

3.   De civiele operationele commandant is, onder het politiek toezicht en de strategische aansturing van het PVC en onder algemeen gezag van de SG/HV, de commandant van de EUPM op strategisch niveau en geeft, in die hoedanigheid, instructies aan het hoofd van de missie en verleent hem advies en technische ondersteuning.

4.   De civiele operationele commandant brengt via de SG/HV verslag uit aan de Raad.

5.   Het hoofd van de missie oefent het commando en de controle op het terrein uit over de EUPM en legt rechtstreeks verantwoording af aan de civiele operationele commandant.

Artikel 10

Politiek toezicht en strategische aansturing

1.   Het PVC zorgt, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, voor het politieke toezicht op en de strategische aansturing van de EUPM. De Raad machtigt het PVC hierbij om de relevante besluiten te nemen overeenkomstig artikel 25 van het Verdrag. Deze machtiging omvat de bevoegdheid om het OPLAN te wijzigen. Zij omvat ook de bevoegdheid om vervolgens besluiten betreffende de benoeming van het hoofd van de missie of betreffende de verlenging van zijn mandaat te nemen. De beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de doelstellingen en de beëindiging van de EUPM blijven berusten bij de Raad.

2.   Het PVC brengt op geregelde tijdstippen verslag uit aan de Raad.

3.   Het PVC ontvangt in voorkomend geval op geregelde tijdstippen door de civiele operationele commandant en het hoofd van de missie opgestelde verslagen over aangelegenheden die onder hun respectieve bevoegdheden vallen.

Artikel 11

Deelname door derde landen

1.   Onder volledige eerbiediging van de beslissingsautonomie van de Unie en het enkelvoudige institutionele kader van de Unie kunnen derde landen worden uitgenodigd om bij te dragen aan de EUPM, met dien verstande dat zij de kosten dragen van het uitzenden van de politiefunctionarissen en/of het door hen gedetacheerd internationaal civiel personeel, met inbegrip van salarissen, vergoedingen en kosten voor vervoer van en naar BiH, en dat zij in voorkomend geval in een evenredig deel van de bedrijfskosten van de EUPM bijdragen.

2.   Derde landen die bijdragen aan de EUPM, hebben bij het dagelijks beheer van de operatie dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende lidstaten.

3.   Hierbij machtigt de Raad het PVC om de noodzakelijke besluiten betreffende de aanvaarding van de voorgestelde bijdragen te nemen en een Comité van contribuanten in te stellen.

4.   Uitvoerige regelingen inzake de deelname van derde landen worden vastgelegd in overeenkomsten die worden gesloten volgens de procedures van artikel 24 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikel 12

Financiële regelingen

1.   De begrotingen voor de jaren 2008 en 2009 wordt op jaarbasis vastgesteld.

2.   De uitgaven van de EUPM worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de EU; eventuele prefinancieringen blijven evenwel niet het eigendom van de Gemeenschap. Onderdanen van derde landen die een financiële bijdrage leveren aan de EUPM en van het gastland, mogen inschrijven bij aanbestedingen.

3.   Het hoofd van de missie/directeur van politie brengt over de in het kader van zijn contract ondernomen activiteiten volledig verslag uit aan de Commissie, onder wier toezicht hij staat.

4.   De financiële regelingen voldoen aan de operationele vereisten van de EUPM.

5.   Uitgaven komen voor financiering in aanmerking vanaf de datum waarop dit gemeenschappelijk optreden in werking treedt.

Artikel 13

Beveiliging

1.   De civiele operationele commandant stuurt de planning van de beveiligingsmaatregelen door het hoofd van de missie aan en zorgt voor een adequate en efficiënte uitvoering daarvan voor de EUPM overeenkomstig de artikelen 5 en 9, in overleg met de Dienst beveiliging van het secretariaat-generaal van de Raad.

2.   Het hoofd van de missie is verantwoordelijk voor de veiligheid van de EUPM en voor de naleving van de minimumbeveiligingsvereisten die op de EUPM van toepassing zijn, overeenkomstig het beleid van de Europese Unie inzake de veiligheid van personeel dat op grond van titel V van het Verdrag en de daarvan afgeleide teksten in een operationele hoedanigheid wordt ingezet buiten de EU.

3.   Het hoofd van de missie wordt bijgestaan door een speciaal voor de missie bestemde hoge veiligheidsfunctionaris, die verslag uitbrengt aan het hoofd van de missie en die tevens nauwe, functionele betrekkingen onderhoudt met de Dienst beveiliging van het secretariaat-generaal van de Raad.

4.   Het hoofd van de missie wijst locale veiligheidsfunctionarissen aan voor de vier regionale missielocaties die, onder het gezag van de hoge veiligheidsfunctionaris, verantwoordelijk zijn voor het dagelijks beheer van alle veiligheidsaspecten van de respectieve onderdelen van de EUPM.

5.   De personeelsleden van de EUPM volgen, overeenkomstig het OPLAN, vóór hun indiensttreding een verplichte veiligheidsopleiding. Zij krijgen regelmatig ter plaatse herhalingscursussen, die worden georganiseerd door de hoge veiligheidsfunctionaris.

Artikel 14

Optreden van de Gemeenschap

1.   De Raad en de Commissie zorgen, overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden, voor de samenhang tussen de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden en het externe optreden van de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 3, tweede alinea, van het Verdrag. De Raad en de Commissie werken daartoe samen.

2.   De Raad merkt op dat er reeds coördinatievoorzieningen in het gebied van de EUPM en in Brussel voorhanden zijn.

Artikel 15

Vrijgave van gerubriceerde gegevens

1.   De SG/HV is gemachtigd om, naargelang de operationele behoeften van de EUPM en met inachtneming van de beveiligingsvoorschriften van de Raad, ten behoeve van de EUPM geproduceerde gerubriceerde gegevens en documenten van de EU tot op het niveau „RESTREINT UE” vrij te geven aan de bij dit gemeenschappelijk optreden betrokken derde staten.

2.   Indien het een concrete en onmiddellijke operationele behoefte betreft, is de SG/HV voorts gemachtigd om ten behoeve van de EUPM geproduceerde gerubriceerde gegevens en documenten van de EU tot op het niveau „RESTREINT UE” met inachtneming van de beveiligingsvoorschriften van de Raad vrij te geven aan de plaatselijke autoriteiten. In alle andere gevallen worden deze gegevens en documenten vrijgegeven aan de plaatselijke autoriteiten volgens de toepasselijke procedures op het niveau van hun samenwerking met de EU.

3.   De SG/HV is gemachtigd om niet-gerubriceerde documenten van de EU betreffende de beraadslagingen van de Raad over de EUPM die onder de geheimhoudingsplicht van artikel 6, lid 1, van het reglement van orde van de Raad (4) vallen, vrij te geven aan de bij dit gemeenschappelijk optreden betrokken derde staten en aan de plaatselijke autoriteiten.

Artikel 16

Wachtdienstvermogen

Voor de EUPM wordt het wachtdienstvermogen geactiveerd.

Artikel 17

Inwerkingtreding en duur

Dit Gemeenschappelijk Optreden treedt in werking op 1 januari 2008.

Het is van toepassing tot en met 31 december 2009.

Artikel 18

Bekendmaking

Dit gemeenschappelijk optreden wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 19 november 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

L. AMADO


(1)   PB L 307 van 25.11.2005, blz. 55.

(2)   PB L 70 van 13.3.2002, blz. 1. Gemeenschappelijk optreden laatstelijk gewijzigd bij Gemeenschappelijk Optreden 2005/143/GBVB (PB L 48 van 19.2.2005, blz. 46).

(3)   PB L 101 van 11.4.2001, blz. 1. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2007/438/EG van de Raad (PB L 164 van 26.6.2007, blz. 24).

(4)  Besluit 2006/683/EG, Euratom van de Raad van 15 september 2006 tot vaststelling van het Reglement van orde van de Raad (PB L 285 van 16.10.2006, blz. 47). Besluit gewijzigd bij Besluit 2007/4/EG, Euratom (PB L 1 van 4.1.2007, blz. 9).