ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 291

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
9 november 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Verordening (EG) nr. 1307/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1308/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

3

 

 

Verordening (EG) nr. 1309/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 900/2007 bedoelde permanente inschrijving

5

 

 

Verordening (EG) nr. 1310/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 1060/2007 bedoelde permanente inschrijving

6

 

 

Verordening (EG) nr. 1311/2007 van de Commissie van 8 november 2007 houdende vaststelling van het definitieve eenheidsbedrag van de restitutie, en van het percentage in de sector groenten en fruit afgegeven uitvoercertificaten van het B-stelsel (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik, appelen en perziken)

7

 

 

Verordening (EG) nr. 1312/2007 van de Commissie van 8 november 2007 betreffende de afgifte van uitvoercertificaten van het A3-stelsel in de sector groenten en fruit (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen)

9

 

*

Verordening (EG) nr. 1313/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2076/2002 wat betreft de verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn voor metalaxyl en Verordening (EG) nr. 2024/2006 wat betreft het schrappen van de afwijking voor metalaxyl ( 1 )

11

 

*

Verordening (EG) nr. 1314/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 499/96 van de Raad wat betreft tariefcontingenten voor bepaalde visserijproducten van oorsprong uit IJsland

13

 

*

Verordening (EG) nr. 1315/2007 van de Commissie van 8 november 2007 betreffende het veiligheidstoezicht in het luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 ( 1 )

16

 

*

Verordening (EG) nr. 1316/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-deelgebied VIIb-k, VIII, IX en X; CECAF 34.1.1 (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van Nederland voeren

23

 

 

Verordening (EG) nr. 1317/2007 van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

25

 

*

Informatie betreffende de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad en van de Verordeningen (EG) nr. 876/2007 en (EG) nr. 877/2007 van de Commissie

28

 

 

III   Besluiten op grond van het EU-Verdrag

 

 

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

 

*

Gemeenschappelijk Optreden 2007/720/GBVB van de Raad van 8 november 2007 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB inzake de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

29

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/1


VERORDENING (EG) Nr. 1307/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 756/2007 (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 41).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

81,5

MK

46,6

TR

71,7

ZZ

66,6

0707 00 05

JO

196,3

MA

42,3

MK

70,4

TR

101,6

ZZ

102,7

0709 90 70

MA

76,0

TR

121,8

ZZ

98,9

0805 20 10

MA

97,0

ZZ

97,0

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

HR

39,1

IL

67,2

TR

110,0

UY

82,8

ZZ

74,8

0805 50 10

AR

71,6

TR

98,9

ZA

58,3

ZZ

76,3

0806 10 10

BR

246,8

TR

121,8

US

291,2

ZZ

219,9

0808 10 80

AR

83,4

AU

183,7

CA

89,8

CL

86,8

MK

19,6

US

95,5

ZA

73,5

ZZ

90,3

0808 20 50

AR

49,4

CN

93,7

TR

139,6

ZZ

94,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/3


VERORDENING (EG) Nr. 1308/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat het verschil tussen de prijzen voor de in artikel 1, lid 1, onder b), van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en op de interne markt mag worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gezien de huidige situatie op de suikermarkt moeten derhalve uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften en bepaalde criteria van de artikelen 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 318/2006.

(3)

In artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat de restitutie naar gelang van de bestemming kan variëren indien dat gezien de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is.

(4)

Alleen voor producten die tot het vrije verkeer in de Gemeenschap zijn toegelaten en voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 318/2006, mogen restituties worden verleend.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde restituties worden verleend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).


BIJLAGE

Met ingang van 9 november 2007 geldende restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm (1)

GN-code

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1701 11 90 9100

S00

EUR/100 kg

28,57  (1)

1701 11 90 9910

S00

EUR/100 kg

28,97  (1)

1701 12 90 9100

S00

EUR/100 kg

28,57  (1)

1701 12 90 9910

S00

EUR/100 kg

28,97  (1)

1701 91 00 9000

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3106

1701 99 10 9100

S00

EUR/100 kg

31,06

1701 99 10 9910

S00

EUR/100 kg

31,49

1701 99 10 9950

S00

EUR/100 kg

31,49

1701 99 90 9100

S00

EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct

0,3106

NB: De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:

S00

alle bestemmingen met uitzondering van de volgende:

a)

derde landen: Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, Kosovo, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Andorra, Liechtenstein, de Heilige Stoel (Staat Vaticaanstad);

b)

gebieden van lidstaten van de EU die niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behoren: Gibraltar, Ceuta, Melilla, de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, Helgoland, Groenland, de Faeröer en de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent.


(1)  De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).

(1)  Dit bedrag geldt voor ruwe suiker met een rendement van 92 %. Indien het rendement van de geëxporteerde ruwe suiker afwijkt van 92 %, wordt het bedrag van de toe te passen restitutie voor elke betrokken uitvoertransactie vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor die wordt verkregen door het overeenkomstig bijlage I, punt III, punt 3, van Verordening (EG) nr. 318/2006 berekende rendement van de geëxporteerde ruwe suiker te delen door 92.


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/5


VERORDENING (EG) Nr. 1309/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 900/2007 bedoelde permanente inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea en derde alinea, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 900/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 betreffende een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker voor het verkoopseizoen 2007/2008 (2) moeten deelinschrijvingen worden gehouden.

(2)

Op grond van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 900/2007 en op grond van het onderzoek van de biedingen voor de op 8 november 2007 verstrijkende deelinschrijving, dient de maximumrestitutie bij uitvoer in het kader van die deelinschrijving te worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De maximumrestitutie bij uitvoer van het in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 900/2007 bedoelde product wordt voor de op 8 november 2007 verstrijkende deelinschrijving vastgesteld op 36,494 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).

(2)   PB L 196 van 28.7.2007, blz. 26. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1298/2007 van de Commissie (PB L 289 van 7.11.2007, blz. 3).


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/6


VERORDENING (EG) Nr. 1310/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 1060/2007 bedoelde permanente inschrijving

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea en derde alinea, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1060/2007 van de Commissie van 14 september 2007 met betrekking tot de opening van een permanente openbare inschrijving voor de verkoop voor uitvoer van suiker uit de voorraden van de interventiebureaus van België, Tsjechië, Spanje, Ierland, Italië, Hongarije, Polen, Slowakije en Zweden (2) moeten deelinschrijvingen worden gehouden.

(2)

Op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2007 en op grond van het onderzoek van de biedingen voor de op 7 november 2007 verstrijkende deelinschrijving, dient de maximumrestitutie bij uitvoer in het kader van die deelinschrijving te worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De maximumrestitutie bij uitvoer van het in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2007 bedoelde product wordt voor de op 7 november 2007 verstrijkende deelinschrijving vastgesteld op 422,21 EUR/t.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).

(2)   PB L 242 van 15.9.2007, blz. 8.


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/7


VERORDENING (EG) Nr. 1311/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

houdende vaststelling van het definitieve eenheidsbedrag van de restitutie, en van het percentage in de sector groenten en fruit afgegeven uitvoercertificaten van het B-stelsel (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik, appelen en perziken)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1961/2001 van de Commissie van 8 oktober 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad wat de toekenning van uitvoerrestituties in de sector groenten en fruit betreft (2), en met name op artikel 6, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 628/2007 van de Commissie (3) zijn de indicatieve hoeveelheden vastgesteld waarvoor uitvoercertificaten van het B-stelsel kunnen worden afgegeven.

(2)

Het is dienstig om voor de certificaten van het B-stelsel die in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober 2007 zijn aangevraagd voor tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik, appelen en perziken, het definitieve eenheidsbedrag van de restitutie vast te stellen op het niveau van het indicatieve eenheidsbedrag en om het op de gevraagde hoeveelheden toe te passen afgiftepercentage vast te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de uitvoercertificaataanvragen van het B-stelsel die op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 628/2007 zijn aangevraagd in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober 2007, worden de afgiftepercentages en de eenheidsbedragen van de restitutie die van toepassing zijn, vastgesteld in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)   PB L 268 van 9.10.2001, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 548/2007 (PB L 130 van 22.5.2007, blz. 3).

(3)   PB L 145 van 7.6.2007, blz. 7.


BIJLAGE

Op de gevraagde hoeveelheden toe te passen afgiftepercentage en eenheidsbedrag van de restitutie, van toepassing op certificaten van het B-stelsel die in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober 2007 zijn aangevraagd (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik, appelen en perziken)

Product

Eenheidsbedrag van de restitutie

(EUR/t nettogewicht)

Op de gevraagde hoeveelheden toe te passen afgiftepercentage

Tomaten

20

100  %

Sinaasappelen

26

100  %

Citroenen

50

100  %

Druiven voor tafelgebruik

13

100  %

Appelen

22

100  %

Perziken

12

100  %


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/9


VERORDENING (EG) Nr. 1312/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

betreffende de afgifte van uitvoercertificaten van het A3-stelsel in de sector groenten en fruit (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1), en met name op artikel 35, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1210/2007 van de Commissie (2) is een openbare inschrijving geopend en zijn de indicatieve eenheidsbedragen van de restitutie en de indicatieve hoeveelheden vastgesteld waarvoor uitvoercertificaten van het A3-stelsel worden aangevraagd.

(2)

Afhankelijk van de ingediende offertes moeten de maximale eenheidsbedragen van de restitutie worden vastgesteld, alsmede de afgiftepercentages voor de offertes waarin de maximumrestitutie wordt gevraagd.

(3)

Voor tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen, bedraagt de maximale restitutie die nodig is voor de toekenning van certificaten voor de totale indicatieve hoeveelheid, binnen de grenzen van de hoeveelheden waarvoor offertes zijn ingediend, niet meer dan anderhalf maal de indicatieve restitutie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De maximale eenheidsbedragen van de restituties en de afgiftepercentages voor tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen, in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 1210/2007 geopende openbare inschrijving, zijn vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 47/2003 van de Commissie (PB L 7 van 11.1.2003, blz. 64).

(2)   PB L 274 van 18.10.2007, blz. 3.


BIJLAGE

Afgifte van uitvoercertificaten van het A3-stelsel in de sector groenten en fruit (tomaten, sinaasappelen, citroenen, druiven voor tafelgebruik en appelen)

Product

Maximaal eenheidsbedrag van de restitutie

(EUR/t netto)

Afgiftepercentage voor de hoeveelheden waarvoor het maximale eenheidsbedrag van de restitutie wordt gevraagd

Tomaten

30

100  %

Sinaasappelen

40

100  %

Citroenen

60

100  %

Druiven voor tafelgebruik

100  %

Appelen

35

100  %


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/11


VERORDENING (EG) Nr. 1313/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2076/2002 wat betreft de verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn voor metalaxyl en Verordening (EG) nr. 2024/2006 wat betreft het schrappen van de afwijking voor metalaxyl

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië,

Gelet op de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en met name op artikel 42,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 8, lid 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Metalaxyl is een van de werkzame stoffen die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (3), is de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde termijn voor de werkzame stoffen die worden geëvalueerd in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92, op 31 december 2006 afgelopen.

(3)

Op 2 mei 2003 heeft de Commissie Beschikking 2003/308/EG betreffende de niet-opneming van metalaxyl in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten (4), vastgesteld.

(4)

Verordening (EG) nr. 2024/2006 van de Commissie van 22 december 2006 tot vaststelling van overgangsmaatregelen tot afwijking van Verordening (EG) nr. 2076/2002 en de Beschikkingen 98/270/EG, 2002/928/EG, 2003/308/EG, 2004/129/EG, 2004/141/EG, 2004/247/EG, 2004/248/EG, 2005/303/EG en 2005/864/EG wat betreft het voortgezette gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die bepaalde werkzame stoffen bevatten die niet zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, wegens de toetreding van Roemenië (5), voorziet in een afwijking van artikel 3 van Beschikking 2003/308/EG.

(5)

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft Beschikking 2003/308/EG in zijn arrest van 18 juli 2007 in zaak C-326/05 P (6) vernietigd.

(6)

Volgens artikel 233 van het Verdrag moet de instelling waarvan een handeling nietig is verklaard de nodige maatregelen nemen om het arrest van het Hof van Justitie uit te voeren.

(7)

Bijgevolg moet voor metalaxyl de bij Verordening (EG) nr. 2076/2002 vastgestelde termijn worden verlengd zodat deze stof kan worden geëvalueerd en de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten, intussen kunnen toelaten. In een specifiek besluit zullen nadere gegevens betreffende de evaluatieprocedure voor metalaxyl moeten worden gedefinieerd. Met het oog op een zo spoedig mogelijke uitvoering van het arrest moet de termijn worden verlengd zonder de vaststelling van een dergelijk besluit af te wachten.

(8)

De Verordeningen (EG) nr. 2076/2002 en (EG) nr. 2024/2006 moeten dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregel is in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2076/2002 wordt na de eerste zin de volgende zin ingevoegd:

„Voor metalaxyl echter wordt de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde periode van twaalf jaar verlengd tot en met 30 juni 2010.”.

Artikel 2

In Verordening (EG) nr. 2024/2006 wordt artikel 4 geschrapt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 2 mei 2003.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/52/EG van de Commissie (PB L 214 van 17.8.2007, blz. 3).

(2)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 27).

(3)   PB L 319 van 23.11.2002, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1980/2006 (PB L 368 van 23.12.2006, blz. 96).

(4)   PB L 113 van 7.5.2003, blz. 8.

(5)   PB L 384 van 29.12.2006, blz. 79.

(6)   PB C 235 van 6.10.2007, blz. 5.


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/13


VERORDENING (EG) Nr. 1314/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 499/96 van de Raad wat betreft tariefcontingenten voor bepaalde visserijproducten van oorsprong uit IJsland

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 499/96 van de Raad van 19 maart 1996 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde visserijproducten en levende paarden van oorsprong uit IJsland (1), met name op artikel 5, lid 1, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Over de deelname van Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte werd overeenstemming bereikt bij de op 25 juli 2007 ondertekende EER-uitbreidingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland en de landen die wensen toe te treden tot de EER.

(2)

In afwachting van de voltooiing van de procedures die voor de goedkeuring van de EER-uitbreidingsovereenkomst van 2007 zijn vereist, werd een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling gesloten volgens welke de EER-uitbreidingsovereenkomst voorlopig kan worden toegepast. Deze overeenkomst werd goedgekeurd bij Besluit 2007/566/EG van de Raad van 23 juli 2007 inzake de ondertekening en de voorlopige toepassing van een overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte en vier daarmee verband houdende overeenkomsten (2).

(3)

De EER-uitbreidingsovereenkomst van 2007 voorziet in een aanvullend protocol bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EG en IJsland van 1972. Volgens dit aanvullende protocol zullen nieuwe jaarlijkse tariefcontingenten worden geopend voor invoer met vrijstelling van invoerrechten van bepaalde visserijproducten van oorsprong uit IJsland.

(4)

Voor de tenuitvoerlegging van de nieuwe tariefcontingenten moet Verordening (EG) nr. 499/96 worden gewijzigd.

(5)

Bij Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3) is een systeem voor het beheer van tariefcontingenten vastgesteld, volgens hetwelk de tariefcontingenten worden toegewezen in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften. Om redenen van vereenvoudiging moet hetzelfde systeem worden toegepast op de bij Verordening (EG) nr. 499/96 vastgestelde tariefcontingenten.

(6)

De bij het aanvullend protocol vastgestelde tariefcontingenten moeten aanvankelijk niet als kritiek worden beschouwd in de zin van artikel 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93. Artikel 308 quater, leden 2 en 3, van die verordening zijn derhalve niet van toepassing.

(7)

Overeenkomstig het aanvullend protocol moet de niet-benutte hoeveelheid van het tariefcontingent voor bevroren langoustines voor 2007 worden overgedragen naar het overeenkomstige tariefcontingent voor 2008.

(8)

Overeenkomstig Besluit 2007/566/EG moeten de nieuwe tariefcontingenten vanaf 1 september 2007 van toepassing zijn. Deze verordening moet daarom vanaf dezelfde datum van toepassing zijn en onmiddellijk in werking treden.

(9)

De bepalingen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité Douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 499/96 wordt als volgt gewijzigd:

1.

De artikelen 2 en 3 worden vervangen door:

„Artikel 2

De bij deze verordening bedoelde tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 308 quater, leden 2 en 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn echter niet van toepassing op de tariefcontingenten met de volgnummers 09.0810 en 09.0811.

Artikel 3

Wanneer het tariefcontingent met volgnummer 09.0810 voor langoustines (GN-code 0306 19 30 ) eind 2007 niet volledig zal zijn benut, zal de resterende hoeveelheid worden overgedragen naar het overeenkomstige tariefcontingent voor 2008.

Te dien einde zullen toewijzingen uit het tariefcontingent voor 2007 worden gestopt op de tweede werkdag bij de Commissie na 1 april 2008. Op de volgende werkdag wordt het niet-benutte restant van het tariefcontingent voor 2007 overgedragen naar het overeenkomstige tariefcontingent voor 2008.

Vanaf die datum kunnen geen hoeveelheden achteraf worden opgenomen uit of worden teruggestort in bedoeld tariefcontingent voor 2007.”.

2.

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

László KOVÁCS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 75 van 23.3.1996, blz. 8. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1921/2004 (PB L 331 van 5.11.2004, blz. 5).

(2)   PB L 221 van 25.8.2007, blz. 1.

(3)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 214/2007 (PB L 62 van 1.3.2007, blz. 6).


BIJLAGE

In bijlage bij Verordening (EG) nr. 499/96 worden de volgende rijen toegevoegd:

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Omvang van het contingent

Contingentrecht

(%)

„09.0810

0306 19 30

Langoustines (Nephrops norvegicus)

 

 

Van 1.9. t/m 31.12.2007: 520 t

0

Van 1.1. t/m 31.12.2008: 520 t

0

Van 1.1. t/m 30.4.2009: 174 t

0

09.0811

0304 19 35

Filets van Noorse schelvis (Sebastes spp.), vers of gekoeld

 

 

Van 1.9. t/m 31.12.2007: 750 t

0

Van 1.1. t/m 31.12.2008: 750 t

0

Van 1.1. t/m 30.4.2009: 250 t

0 ”


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/16


VERORDENING (EG) Nr. 1315/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

betreffende het veiligheidstoezicht in het luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim („de luchtvaartnavigatiedienstenverordening”) (1), en met name op artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 550/2004 moet de Commissie de relevante bepalingen van de Eurocontrol Safety Regulatory Requirements (ESARR's) vaststellen en goedkeuren, rekening houdend met bestaande Gemeenschapswetgeving. ESARR 1 bevat een reeks veiligheidsregelgevingseisen voor de tenuitvoerlegging van doeltreffend toezicht op de veiligheid van het luchtverkeersbeheer.

(2)

De rol en de functies van de nationale toezichthoudende instanties zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”) (2), Verordening (EG) nr. 550/2004, Verordening (EG) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging („de interoperabiliteitsverordening”) (3) en Verordening (EG) nr. 2096/2005 van de Commissie van 20 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (4). In die verordeningen zijn eisen met betrekking tot de veiligheid van luchtvaartnavigatiediensten vastgesteld. De exploitant blijft verantwoordelijk voor de veiligheid van de verleende dienst, maar de lidstaten moeten doeltreffend toezicht houden via de nationale toezichthoudende instanties.

(3)

Deze verordening dient geen betrekking te hebben op militaire operaties en opleidingen, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004.

(4)

De nationale toezichthoudende instanties moeten audits van de veiligheidsvoorzieningen en toetsingen uitvoeren overeenkomstig deze verordening, in het kader van de door hen verrichte inspecties en onderzoeken die vereist zijn uit hoofde van Verordening (EG) nr. 550/2004.

(5)

De nationale toezichthoudende instanties moeten overwegen om de in deze verordening uiteengezette benadering van het veiligheidstoezicht waar mogelijk ook te hanteren op andere toezichtsgebieden, teneinde doeltreffend en samenhangend toezicht tot stand te brengen.

(6)

In overeenstemming met bijlage 11, punt 2.26, van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, vereist ESARR 1 toezicht op en beoordeling van de bereikte veiligheidsniveaus aan de hand van de aanvaardbare veiligheidsniveaus die voor specifieke luchtruimblokken zijn vastgesteld. Die aanvaardbare veiligheidsniveaus zijn echter nog niet volledig vastgesteld op Gemeenschapsniveau; daarom moet in deze verordening pas in een latere fase met deze niveaus rekening worden gehouden.

(7)

Alle luchtvaartnavigatiediensten, alsook de luchtverkeersstroomregeling en het luchtruimbeheer maken gebruik van functionele systemen die het beheer van het luchtverkeer mogelijk maken. Derhalve dienen alle wijzigingen in functionele systemen aan een veiligheidstoezicht te worden onderworpen.

(8)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 552/2004 moet een nationale toezichthoudende instantie alle nodige maatregelen treffen wanneer een systeem of een onderdeel van een systeem niet aan de desbetreffende eisen voldoet. In dat verband, en met name wanneer een veiligheidsaanwijzing moet worden uitgevaardigd, moet de nationale toezichthoudende instantie overwegen de aangemelde instanties die bij de afgifte van EG-verklaringen zijn betrokken, opdracht te geven dat technische systeem specifiek te onderzoeken.

(9)

De nationale toezichthoudende instanties moeten voldoende tijd krijgen om het veiligheidstoezicht op wijzigingen voor te bereiden, met name wat de vaststelling van de doelstellingen en normen betreft. Die vaststelling moet worden gestaafd met passende communautaire specificaties en ander begeleidend materiaal.

(10)

Het jaarlijkse verslag dat de nationale toezichthoudende instanties uitbrengen over het veiligheidstoezicht draagt bij tot de transparantie en verantwoordingsplicht op het gebied van veiligheidstoezicht. Deze verslagen moeten worden gericht aan de lidstaten die de instantie hebben aangesteld of opgericht. Zij moeten voorts ook worden gebruikt in de context van regionale samenwerking en internationale monitoring van het veiligheidstoezicht. Er moet relevante informatie worden verstrekt over, onder meer, de monitoring van de veiligheidsprestaties, de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen door de organisaties waarop toezicht wordt uitgeoefend, het programma inzake de audits van de veiligheidsvoorzieningen, de toetsing van de veiligheidsargumenten, de wijzigingen in functionele systemen die door de organisaties overeenkomstig door de instantie aanvaarde procedures en de door de nationale toezichthoudende instantie uitgevaardigde veiligheidsaanwijzingen worden uitgevoerd.

(11)

Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 550/2004 moeten de nationale toezichthoudende instanties passende regelingen voor nauwe onderlinge samenwerking treffen, teneinde te garanderen dat adequaat toezicht wordt uitgeoefend op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die diensten verlenen met betrekking tot het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid valt van een andere lidstaat dan de lidstaat die het certificaat heeft afgegeven. De instanties moeten met name passende informatie over het veiligheidstoezicht op organisaties uitwisselen.

(12)

Met het oog op een samenhangende implementatie van het gemeenschappelijke Europese luchtruim moet Verordening (EG) nr. 2096/2005 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een veiligheidstoezichtsfunctie met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer voor algemeen luchtverkeer vastgesteld, door de relevante verplichte bepalingen van het „Eurocontrol Safety Regulatory Requirement on safety oversight on air traffic management” (ESARR 1) van 5 november 2004 aan te wijzen en goed te keuren.

2.   Deze verordening is van toepassing op de activiteiten van de nationale toezichthoudende instanties en de namens hen optredende erkende organisaties met betrekking tot het veiligheidstoezicht op luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van Verordening (EG) nr. 549/2004.

Voorts wordt verstaan onder:

1.

„corrigerende maatregelen”: maatregelen om de oorzaak van een vastgesteld geval van niet-overeenstemming weg te nemen;

2.

„functioneel systeem”: een combinatie van systemen, procedures en mensen die georganiseerd zijn om een functie in de context van luchtverkeersbeheer te vervullen;

3.

„organisatie”: een verlener van luchtvaartnavigatiediensten of een entiteit die luchtverkeersstroomregeling of luchtruimbeheer aanbiedt;

4.

„proces”: een reeks onderling verband houdende of op elkaar inwerkende activiteiten die inputs omzetten in outputs;

5.

„veiligheidsargument”: het aantoonbare bewijs dat een voorgestelde wijziging in een functioneel systeem kan worden uitgevoerd binnen het kader van de doelstellingen of normen die via het bestaande regelgevingskader en overeenkomstig de veiligheidsregelgevingseisen zijn vastgesteld;

6.

„veiligheidsaanwijzing”: een door een nationale toezichthoudende instantie uitgegeven of goedgekeurd document waarin opdracht wordt gegeven actie te ondernemen met betrekking tot een functioneel systeem teneinde de veiligheid opnieuw te garanderen, wanneer uit gegevens blijkt dat de veiligheid van de luchtvaart anders in het gedrang zou kunnen komen;

7.

„veiligheidsdoelstelling”: een kwalitatieve of kwantitatieve verklaring waarin de maximale frequentie of waarschijnlijkheid is gedefinieerd waarmee een gevaar naar verwachting zal optreden;

8.

„audit van de veiligheidsvoorzieningen”: een systematisch en onafhankelijk onderzoek dat door of namens een nationale toezichthoudende instantie wordt uitgevoerd om te bepalen of volledige veiligheidgerelateerde voorzieningen of onderdelen daarvan, die betrekking hebben op processen en hun resultaten, producten of diensten, voldoen aan de vereiste veiligheidgerelateerde regelingen en om na te gaan of deze effectief worden toegepast en of de voorzieningen geschikt zijn om de verwachte resultaten te bereiken;

9.

„veiligheidsregelgevingseisen”: de in de Gemeenschaps- of nationale regelgeving vastgestelde eisen voor het aanbieden van luchtvaartnavigatiediensten of functies van luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer, met name wat betreft de technische en operationele bekwaamheid en geschiktheid om deze diensten en functies en het veiligheidsbeheer daarvan, alsmede systemen, systeemonderdelen en daarmee verband houdende procedures aan te bieden;

10.

„veiligheidseis”: een middel tot risicobeperking, vastgesteld op basis van de risicobeperkingsstrategie waarmee een specifieke veiligheidsdoelstelling wordt bereikt, met inbegrip van organisatorische, operationele, procedurele, functionele, prestatie- en interoperabiliteitseisen of omgevingskenmerken;

11.

„verificatie”: de bevestiging, door middel van objectief bewijsmateriaal, dat aan specifieke eisen is voldaan.

Artikel 3

Veiligheidstoezichtsfunctie

1.   De nationale toezichthoudende instanties oefenen veiligheidstoezicht uit in het kader van hun toezicht op de voor luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer geldende eisen, teneinde na te gaan of deze activiteiten op veilige wijze worden verricht en of de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen en de uitvoeringsregelingen daarvan worden nageleefd.

2.   Bij het sluiten van een overeenkomst betreffende het toezicht op organisaties die actief zijn in functionele luchtruimblokken die zich uitstrekken over het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid van meer dan een lidstaat valt, zorgen de betrokken lidstaten ervoor dat de verantwoordelijkheden inzake het veiligheidstoezicht op zodanige wijze worden bepaald en toegewezen dat:

a)

er specifieke punten van verantwoordelijkheid bestaan voor de tenuitvoerlegging van elke bepaling van deze verordening;

b)

de lidstaten zicht houden op de mechanismen voor veiligheidstoezicht en de resultaten daarvan.

De lidstaten zullen de overeenkomst en de praktische uitvoering ervan regelmatig opnieuw bezien in het licht van de geleverde veiligheidsprestaties.

Artikel 4

Monitoring van de veiligheidsprestaties

1.   De nationale toezichthoudende instanties zorgen voor regelmatige monitoring en beoordeling van de bereikte veiligheidsniveaus om vast te stellen of deze aan de voor de onder hun verantwoordelijkheid vallende luchtruimblokken geldende veiligheidsregelgevingseisen voldoen.

2.   De nationale toezichthoudende instanties gebruiken de resultaten van de veiligheidsmonitoring in het bijzonder om te bepalen in welke gebieden de verificatie van de naleving van de veiligheidsregelgevingseisen van prioritair belang is.

Artikel 5

Verificatie van de naleving van de veiligheidsregelgevingseisen

1.   De nationale toezichthoudende instanties stellen een proces vast ter verificatie van:

a)

de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen alvorens een certificaat af te geven of te vernieuwen dat nodig is om luchtvaartnavigatiediensten te verlenen, met inbegrip van de daaraan verbonden veiligheidgerelateerde voorwaarden;

b)

de naleving van alle veiligheidgerelateerde verplichtingen in het aanwijzingsbesluit dat overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 550/2004 is opgesteld;

c)

de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen door de organisaties;

d)

de tenuitvoerlegging van veiligheidsdoelstellingen, veiligheidseisen en andere veiligheidgerelateerde voorwaarden die zijn vastgesteld in:

i)

EG-verklaringen van verificatie van systemen, inclusief alle relevante EG-verklaringen van overeenstemming of geschiktheid voor gebruik van systeemonderdelen;

ii)

procedures voor risicobeoordeling en -beperking die vereist zijn uit hoofde van de voor luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer geldende veiligheidsregelgevingseisen;

e)

de tenuitvoerlegging van veiligheidsaanwijzingen.

2.   Het in lid 1 bedoelde proces:

a)

moet gebaseerd zijn op gedocumenteerde procedures;

b)

moet worden onderbouwd met documenten die specifiek tot doel hebben het met het veiligheidstoezicht belaste personeel te begeleiden bij de uitvoering van hun taken;

c)

moet de betrokken organisatie een indicatie geven van de resultaten van het veiligheidstoezicht;

d)

moet gebaseerd zijn op overeenkomstig de artikelen 6, 8 en 9 uitgevoerde audits van de veiligheidsvoorzieningen en toetsingen;

e)

moet de nationale toezichthoudende instantie het benodigde bewijs verschaffen om verdere acties te motiveren, inclusief de maatregelen van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 549/2004 en artikel 7, lid 7, van Verordening (EG) nr. 550/2004, in gevallen waarin niet aan de veiligheidsregelgevingseisen is voldaan.

Artikel 6

Audits van de veiligheidsvoorzieningen

1.   De nationale toezichthoudende instanties, of de door hen gemachtigde erkende organisaties, voeren audits van de veiligheidsvoorzieningen uit.

2.   De in lid 1 bedoelde audits van de veiligheidsvoorzieningen moeten:

a)

de nationale toezichthoudende instanties het bewijs verschaffen van de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen en uitvoeringsregelingen, door te beoordelen of er behoefte is aan verbeteringen of corrigerende maatregelen;

b)

los staan van de interne auditactiviteiten die de betrokken organisatie onderneemt in het kader van haar veiligheids- of kwaliteitsbeheersystemen;

c)

worden uitgevoerd door auditeurs die over de nodige bekwaamheid beschikken, zoals voorgeschreven in artikel 11;

d)

van toepassing zijn op volledige uitvoeringsregelingen of onderdelen daarvan, en op processen, producten of diensten;

e)

het mogelijk maken vast te stellen of:

i)

de uitvoeringsregelingen aan de veiligheidsregelgevingseisen voldoen;

ii)

de ondernomen acties in overeenstemming zijn met de uitvoeringsregelingen;

iii)

de resultaten van de ondernomen acties overeenstemmen met de op grond van de uitvoeringsregelingen verwachte resultaten;

f)

leiden tot correctie van alle vastgestelde gevallen van niet-overeenstemming, overeenkomstig artikel 7.

3.   In het kader van het bij artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2096/2005 vereiste inspectieprogramma stellen de nationale toezichthoudende instanties een programma voor audits van de veiligheidsvoorzieningen vast en werken dit minstens een maal per jaar bij, teneinde:

a)

alle gebieden te bestrijken die een gevaar voor de veiligheid kunnen inhouden, waarbij de nadruk wordt gelegd op die gebieden waarop problemen zijn vastgesteld;

b)

alle organisaties en diensten te bestrijken die activiteiten verrichten onder het toezicht van de nationale toezichthoudende instantie;

c)

ervoor te zorgen dat de audits worden uitgevoerd op een wijze die in verhouding staat tot het risico dat wordt veroorzaakt door de activiteiten van de organisaties;

d)

ervoor te zorgen dat over een periode van twee jaar voldoende audits wordt uitgevoerd om te controleren of al deze organisaties op alle relevante gebieden van het functionele systeem aan de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen voldoen;

e)

zorg te dragen voor de follow-up van de uitvoering van corrigerende maatregelen.

4.   De nationale toezichthoudende instanties kunnen beslissen het toepassingsgebied van vooraf geplande audits te wijzigen en aanvullende audits uit te voeren, voor zover nodig.

5.   De nationale toezichthoudende instanties beslissen voor welke regelingen, elementen, diensten, producten, fysieke locaties en activiteiten binnen een bepaald tijdsbestek een audit moet worden uitgevoerd.

6.   De bevindingen en de geïdentificeerde gevallen van niet-overeenstemming moeten worden gedocumenteerd. De gevallen van niet-overeenstemming moeten met bewijsstukken worden gestaafd; voorts moet worden vermeld aan welke veiligheidsregelgevingseisen en uitvoeringsregelingen deze gevallen tijdens de audit werden getoetst.

Er moet een auditverslag worden opgesteld, waarin alle bijzonderheden van de gevallen van niet-overeenstemming zijn opgenomen.

Artikel 7

Corrigerende maatregelen

1.   De nationale toezichthoudende instantie deelt de resultaten van de audit mee aan de gecontroleerde organisatie en verzoekt deze organisatie tegelijkertijd corrigerende maatregelen te treffen om de vastgestelde gevallen van niet-overeenstemming te verhelpen, onverminderd aanvullende maatregelen die eventueel vereist zijn uit hoofde van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen.

2.   De gecontroleerde organisatie bepaalt welke corrigerende maatregelen nodig worden geacht om een geval van niet-overeenstemming te verhelpen, en binnen welk tijdsbestek deze maatregelen zullen worden toegepast.

3.   De nationale toezichthoudende instantie beoordeelt de corrigerende maatregelen en de tenuitvoerlegging ervan, zoals vastgesteld door de gecontroleerde organisatie, en aanvaardt deze indien uit de beoordeling blijkt dat zij volstaan om de gevallen van niet-overeenstemming te verhelpen.

4.   De gecontroleerde organisatie begint met de uitvoering van de door de nationale toezichthoudende instantie aanvaarde corrigerende maatregelen. Deze corrigerende maatregelen en de follow-up daarvan worden voltooid binnen het door de nationale toezichthoudende instantie aanvaarde tijdsbestek.

Artikel 8

Veiligheidstoezicht op wijzigingen in functionele systemen

1.   Organisaties gebruiken uitsluitend door hun nationale toezichthoudende instantie aanvaarde procedures wanneer zij beslissen of een veiligheidgerelateerde wijziging in hun functionele systemen wordt ingevoerd. In het geval van verleners van luchtverkeersdiensten, en verleners van communicatie-, navigatie- of bewakingsdiensten, aanvaardt de nationale toezichthoudende instantie deze procedures in het kader van Verordening (EG) nr. 2096/2005.

2.   Organisaties stellen hun nationale toezichthoudende instantie in kennis van alle geplande veiligheidgerelateerde wijzigingen. De nationale toezichthoudende instanties stellen hiertoe passende administratieve procedures vast, overeenkomstig de nationale wetgeving.

3.   Tenzij artikel 9 van toepassing is, mogen de organisaties de aangemelde wijziging uitvoeren volgens de in lid 1 van dit artikel genoemde procedures.

Artikel 9

Toetsing van voorgestelde wijzigingen

1.   De nationale toezichthoudende instantie toetst de veiligheidsargumenten die verband houden met de door een organisatie voorgestelde invoering van nieuwe functionele systemen of wijzigingen in bestaande functionele systemen wanneer:

a)

uit de overeenkomstig bijlage II, punt 3.2.4, van Verordening (EG) nr. 2096/2005 uitgevoerde beoordeling van de ernst van de gevaren blijkt dat het mogelijke gevolg van het geidentificeerde gevaar van ernstcategorie 1 of 2 is, of

b)

de uitvoering van de wijzigingen de invoering van nieuwe luchtvaartnormen vergt.

Wanneer de nationale toezichthoudende instantie in andere dan de onder a) en b) bedoelde gevallen bepaalt dat een toetsing nodig is, stelt zij de organisatie ervan in kennis dat zij een veiligheidstoetsing van de aangemelde wijziging zal verrichten.

2.   De toetsing geschiedt op een wijze die in verhouding staat tot het risiconiveau dat wordt veroorzaakt door de invoering van het nieuwe functionele systeem of de wijziging in de bestaande functionele systemen.

De toetsing moet:

a)

gebruik maken van gedocumenteerde procedures;

b)

worden onderbouwd met documenten die specifiek tot doel hebben het met het veiligheidstoezicht belaste personeel te begeleiden bij de uitvoering van hun taken;

c)

rekening houden met de veiligheidsdoelstellingen, veiligheidseisen en andere veiligheidgerelateerde voorwaarden die verband houden met de overwogen wijziging en die zijn vermeld in:

i)

EG-verklaringen van verificatie van systemen;

ii)

EG-verklaringen van overeenstemming of geschiktheid voor gebruik van systeemonderdelen, of

iii)

documentatie inzake risicobeoordeling en -beperking, opgesteld overeenkomstig de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen;

d)

waar nodig aanvullende veiligheidgerelateerde voorwaarden aangeven die verband houden met de uitvoering van de wijziging;

e)

de aanvaardbaarheid van de aangevoerde veiligheidsargumenten beoordelen, rekening houdende met:

i)

de identificatie van gevaren;

ii)

de consequentheid waarmee ernstcategorieën worden toegewezen;

iii)

de geldigheid van de veiligheidsdoelstellingen;

iv)

de geldigheid, doeltreffendheid en haalbaarheid van veiligheidseisen en andere vastgestelde veiligheidgerelateerde voorwaarden;

v)

het bewijs dat de veiligheidsdoelstellingen, veiligheidseisen en andere veiligheidgerelateerde voorwaarden steeds worden nageleefd;

vi)

het bewijs dat het proces dat is toegepast om de veiligheidsargumenten op te stellen aan de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen voldoet;

f)

de processen verifiëren die de organisaties toepassen om de veiligheidsargumenten op te stellen met betrekking tot de overwogen nieuwe functionele systemen of wijzigingen in bestaande functionele systemen;

g)

nagaan of moet worden geverifieerd dat de naleving voortduurt;

h)

alle activiteiten omvatten die nodig zijn om te zorgen voor coördinatie met de instanties die verantwoordelijk zijn voor het veiligheidstoezicht op de luchtwaardigheid en de vliegactiviteiten;

i)

kennisgeving doen van de aanvaarding, eventueel met de daaraan verbonden voorwaarden, of de niet-aanvaarding, met opgave van de redenen daarvoor, van de overwogen wijziging.

3.   De ingebruikneming van de overwogen wijziging, die het voorwerp uitmaakt van de toetsing, moet door de nationale toezichthoudende instantie worden aanvaard

Artikel 10

Erkende organisaties

1.   Wanneer een nationale toezichthoudende instantie besluit de uitvoering van audits van de veiligheidsvoorzieningen of toetsingen, overeenkomstig artikel 9, lid 2, te delegeren aan een erkende organisatie, zorgt zij ervoor dat onder meer de volgende criteria worden gehanteerd om een van de overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 550/2004 erkende organisaties te selecteren:

a)

de erkende organisatie moet ervaring hebben met het beoordelen van de veiligheid van luchtvaartentiteiten;

b)

de erkende organisatie mag niet tegelijkertijd betrokken zijn bij interne activiteiten die deel uitmaken van het veiligheids- of kwaliteitsbeheersysteem van de betrokken organisatie;

c)

alle personeelsleden die betrokken zij bij de uitvoering van audits van de veiligheidsvoorzieningen of toetsingen moeten voldoende opgeleid en gekwalificeerd zijn en moeten voldoen aan de kwalificatiecriteria van artikel 11, lid 3, van deze verordening.

2.   De erkende organisatie aanvaardt de mogelijkheid dat de nationale toezichthoudende instantie of een namens die instantie optredend orgaan een audit van die organisatie uivoert.

3.   De nationale toezichthoudende instanties houden een administratie bij van erkende organisaties die gemachtigd zijn om namens hen audits van de veiligheidsvoorzieningen of toetsingen uit te voeren. De administratie bevat documenten waaruit blijkt dat aan de eisen van lid 1 is voldaan.

Artikel 11

Bekwaamheid inzake veiligheidstoezicht

1.   De lidstaten zien erop toe dat de nationale toezichthoudende instanties over de nodige bekwaamheid beschikken om zorg te dragen voor het veiligheidstoezicht op alle organisaties die onder hun toezicht actief zijn en dat zij over de nodige middelen beschikken om de in deze verordening vastgestelde maatregelen uit te voeren.

2.   De nationale toezichthoudende instanties stellen een raming op, en werken deze om de twee jaar bij, van de personele middelen die nodig zijn om hun taken inzake veiligheidstoezicht uit te oefenen, gebaseerd op de analyse van de deze verordening voorgeschreven processen en de toepassing daarvan.

3.   De nationale toezichthoudende instanties zien erop toe dat alle bij het veiligheidstoezicht betrokken personen bevoegd zijn om de vereiste taken uit te voeren. Zij moeten met name:

a)

de scholing, opleiding, technische en operationele kennis, ervaring en kwalificaties die relevant zijn voor de taken van elke bij het veiligheidstoezicht betrokken functie binnen hun structuur definiëren en documenteren;

b)

ervoor zorgen dat degenen die binnen hun structuur bij het veiligheidstoezicht zijn betrokken een specifieke opleiding krijgen;

c)

erop toezien dat het personeel dat is aangewezen om audits van de veiligheidsvoorzieningen uit te voeren, inclusief het auditpersoneel van erkende organisaties, aan de specifieke, door de nationale toezichthoudende instantie opgestelde kwalificatiecriteria voldoet. Deze criteria moeten betrekking hebben op:

i)

kennis en begrip van de eisen met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer die bij de uitvoering van de audits van de veiligheidsvoorzieningen in acht moeten worden genomen;

ii)

het gebruik van beoordelingstechnieken;

iii)

de voor het uitvoeren van een audit vereiste vaardigheden;

iv)

het aantonen van de bekwaamheid van de auditeurs door middel van evaluatie of andere aanvaardbare middelen.

Artikel 12

Veiligheidsaanwijzingen

1.   Wanneer een nationale toezichthoudende instantie vaststelt dat zich in een functioneel systeem een onveilige situatie voordoet die onmiddellijke actie vereist, vaardigt zij een veiligheidsaanwijzing uit.

2.   De veiligheidsaanwijzing wordt naar de betrokken organisaties gezonden en bevat ten minste de volgende informatie:

a)

de identificatie van de onveilige situatie;

b)

de identificatie van het desbetreffende functionele systeem;

c)

de vereiste maatregelen en de motivering daarvan;

d)

het tijdsbestek waarbinnen de vereiste maatregelen aan de veiligheidsaanwijzing moeten voldoen, en

e)

de datum van inwerkingtreding.

3.   De nationale toezichthoudende instantie zendt een exemplaar van de veiligheidsaanwijzing naar de andere betrokken nationale toezichthoudende instanties, met name die welke bij het veiligheidstoezicht op het functionele systeem zijn betrokken, en naar de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) en Eurocontrol, voor zover van toepassing.

4.   De nationale toezichthoudende instantie gaat na of de toepasselijke veiligheidsaanwijzingen worden nageleefd.

Artikel 13

Administratie van het veiligheidstoezicht

De nationale toezichthoudende instanties houden een administratie van hun processen inzake veiligheidstoezicht bij en zorgen voor blijvende toegang tot die administratie, inclusief de verslagen van alle audits van de veiligheidsvoorzieningen en andere veiligheidgerelateerde administraties met betrekking tot certificaten, aanwijzingen van verleners, veiligheidstoezicht op wijzigingen, veiligheidsaanwijzingen en het inschakelen van erkende organisaties.

Artikel 14

Verslagen over het veiligheidstoezicht

1.   Een nationale toezichthoudende instantie stelt een jaarverslag van het veiligheidstoezicht op van de overeenkomstig deze verordening ondernomen acties. Dit verslag moet ook informatie bevatten over de volgende punten:

a)

de organisatorische structuur en procedures van de nationale toezichthoudende instantie;

b)

het luchtruim dat valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die de nationale toezichthoudende instantie en de onder het toezicht van de nationale toezichthoudende instantie vallende organisaties heeft opgericht of benoemd;

c)

erkende organisaties die zijn gemachtigd om audits van de veiligheidsvoorzieningen uit te voeren;

d)

het actuele niveau van de middelen waarover de instantie kan beschikken;

e)

alle veiligheidskwesties die aan de hand van de door de nationale toezichthoudende instantie uitgevoerde veiligheidstoezichtsprocessen zijn geïdentificeerd.

2.   De lidstaten maken gebruik van de door hun nationale toezichthoudende instanties opgestelde verslagen wanneer zij het jaarverslag opstellen dat zij overeenkomstig artikel 12 van verordening (EG) nr. 549/2004 bij de Commissie moeten indienen.

3.   Het jaarverslag van het veiligheidstoezicht wordt ter beschikking gesteld van de betrokken lidstaten in het geval van functionele luchtruimblokken, en van de uit hoofde van overeengekomen internationale regelingen uitgevoerde programma's of activiteiten voor toezicht op of controle van de tenuitvoerlegging van het veiligheidstoezicht op luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer.

Artikel 15

Informatieuitwisseling tussen nationale toezichthoudende instanties

De nationale toezichthoudende instanties treffen regelingen voor nauwe samenwerking, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 550/2004, en wisselen alle passende informatie uit om het veiligheidstoezicht te garanderen op alle organisaties die grensoverschrijdende diensten of functies aanbieden.

Artikel 16

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005

Artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2096/2005 wordt geschrapt.

Artikel 17

Overgangsmaatregel

De lidstaten mogen de toepassing van artikel 9, lid 3, uitstellen tot 1 november 2008. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vicevoorzitter


(1)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.

(2)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(3)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 26.

(4)   PB L 335 van 21.12.2005, blz. 13.


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/23


VERORDENING (EG) Nr. 1316/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in ICES-deelgebied VIIb-k, VIII, IX en X; CECAF 34.1.1 (EG-wateren) door vaartuigen die de vlag van Nederland voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 26, lid 4,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (2), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 41/2007 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling, voor 2007, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (3) zijn quota voor 2007 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2007 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Derhalve moet het worden verboden op dit bestand te vissen en vis uit dit bestand aan boord te houden, over te laden en aan te voeren.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2007 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbod

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Fokion FOTIADIS

Directeur-generaal Visserij en maritieme zaken


(1)   PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(2)   PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9), gerectificeerd in PB L 36 van 8.2.2007, blz. 6.

(3)   PB L 15 van 20.1.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 898/2007 van de Commissie (PB L 196 van 28.7.2007, blz. 22).


BIJLAGE

Nr.

65

Lidstaat

Nederland

Bestand

COD/7X7A34

Soort

Kabeljauw (Gadus morhua)

Zone

VIIb-k, VIII, IX en X; CECAF 34.1.1 (EG-wateren)

Datum

16.10.2007


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/25


VERORDENING (EG) Nr. 1317/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 november 2007

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 13, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), inzonderheid op artikel 14, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze verordeningen genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Krachtens artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 moeten de restituties worden vastgesteld met inachtneming van de bestaande situatie en de vooruitzichten voor de ontwikkeling, enerzijds van de beschikbare hoeveelheden granen, rijst en breukrijst, evenals van hun prijzen op de markt van de Gemeenschap, en anderzijds van de prijzen van granen, rijst en breukrijst en de producten in de sector granen op de wereldmarkt. Krachtens deze artikelen moeten ook waarborgen worden geschapen dat op de graan- en rijstmarkten een evenwichtige toestand heerst en een natuurlijke ontwikkeling op het gebied van de prijzen en de handel plaatsvindt en moet bovendien rekening worden gehouden met het economische aspect van de bedoelde uitvoer en de noodzaak verstoringen op de markt van de Gemeenschap te vermijden.

(3)

Verordening (EG) nr. 1518/95 van de Commissie (3) betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten heeft in artikel 2 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten.

(4)

Het is wenselijk de aan bepaalde verwerkte producten toe te kennen restitutie, al naar gelang van het product, hoger of lager vast te stellen volgens het asgehalte, het gehalte aan ruwe celstof, het gehalte aan doppen, het eiwitgehalte, het vetgehalte of het zetmeelgehalte, daar deze gehaltes van bijzondere betekenis zijn voor de hoeveelheid basisproduct die werkelijk voor de vervaardiging van het verwerkte product is gebruikt.

(5)

Ten aanzien van maniokwortel en andere tropische wortels en knollen en het daarvan vervaardigde meel behoeft het economische aspect van de uitvoeren die zouden kunnen worden overwogen, in het bijzonder gezien de aard en de herkomst van deze producten, op het ogenblik geen vaststelling van een restitutie bij uitvoer. Voor bepaalde verwerkte producten is het, gezien het geringe aandeel van de Gemeenschap aan de wereldhandel, op het ogenblik niet noodzakelijk een restitutie bij uitvoer vast te stellen.

(6)

De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor zekere producten kunnen een differentiatie van de restitutie, naar gelang van de bestemming, nodig maken.

(7)

De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan in de tussentijd worden gewijzigd.

(8)

Bepaalde verwerkte producten op basis van maïs kunnen een warmtebehandeling ondergaan, waardoor een restitutie zou kunnen worden uitgekeerd die niet overeenstemt met de kwaliteit van het product. Duidelijk moet worden aangegeven dat deze producten, die voorgegelatineerd zetmeel bevatten, niet in aanmerking komen voor uitvoerrestituties.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten van Verordening (EG) nr. 1518/95 van toepassing is, worden vastgesteld in overeenstemming met de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 9 november 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).

(2)   PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1549/2004 van de Commissie (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 13).

(3)   PB L 147 van 30.6.1995, blz. 55. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2993/95 (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 25).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 8 november 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Bedrag van de restitutie

1102 20 10 9200  (1)

C10

EUR/t

0,00

1102 20 10 9400  (1)

C10

EUR/t

0,00

1102 20 90 9200  (1)

C10

EUR/t

0,00

1102 90 10 9100

C10

EUR/t

0,00

1102 90 10 9900

C10

EUR/t

0,00

1102 90 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 19 40 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 13 10 9100  (1)

C10

EUR/t

0,00

1103 13 10 9300  (1)

C10

EUR/t

0,00

1103 13 10 9500  (1)

C10

EUR/t

0,00

1103 13 90 9100  (1)

C10

EUR/t

0,00

1103 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1103 19 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1103 20 60 9000

C10

EUR/t

0,00

1103 20 20 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 19 69 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 12 90 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 19 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 19 50 9110

C10

EUR/t

0,00

1104 19 50 9130

C10

EUR/t

0,00

1104 29 01 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 03 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 29 05 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 22 20 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 22 30 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 23 10 9100

C10

EUR/t

0,00

1104 23 10 9300

C10

EUR/t

0,00

1104 29 11 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 51 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 29 55 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 10 9000

C10

EUR/t

0,00

1104 30 90 9000

C10

EUR/t

0,00

1107 10 11 9000

C10

EUR/t

0,00

1107 10 91 9000

C10

EUR/t

0,00

1108 11 00 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 11 00 9300

C10

EUR/t

0,00

1108 12 00 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 12 00 9300

C10

EUR/t

0,00

1108 13 00 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 13 00 9300

C10

EUR/t

0,00

1108 19 10 9200

C10

EUR/t

0,00

1108 19 10 9300

C10

EUR/t

0,00

1109 00 00 9100

C10

EUR/t

0,00

1702 30 51 9000  (2)

C10

EUR/t

0,00

1702 30 59 9000  (2)

C10

EUR/t

0,00

1702 30 91 9000

C10

EUR/t

0,00

1702 30 99 9000

C10

EUR/t

0,00

1702 40 90 9000

C10

EUR/t

0,00

1702 90 50 9100

C10

EUR/t

0,00

1702 90 50 9900

C10

EUR/t

0,00

1702 90 75 9000

C10

EUR/t

0,00

1702 90 79 9000

C10

EUR/t

0,00

2106 90 55 9000

C14

EUR/t

0,00

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A ” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:

C10

:

Alle bestemmingen

C14

:

Alle bestemmingen, uitgezonderd Zwitserland en Liechtenstein.


(1)  Er worden geen restituties toegekend voor producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan waardoor het zetmeel is voorgegelatineerd.

(2)  De restituties worden toegekend overeenkomstig de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 2730/75 van de Raad (PB L 281 van 1.11.1975, blz. 20).


9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/28


INFORMATIE BETREFFENDE DE DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN VERORDENING (EG) Nr. 1891/2006 VAN DE RAAD EN VAN DE VERORDENINGEN (EG) Nr. 876/2007 EN (EG) Nr. 877/2007 VAN DE COMMISSIE

De Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid, die is aangenomen te Genève op 2 juli 1999, zal ten aanzien van de Europese Gemeenschap op 1 januari 2008 in werking treden. Bijgevolg zullen de volgende verordeningen ook op 1 januari 2008 in werking treden:

Verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad van 18 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 6/2002 en Verordening (EG) nr. 40/94 in verband met de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid (1),

Verordening (EG) nr. 876/2007 van de Commissie van 24 juli 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2245/2002 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad betreffende Gemeenschapsmodellen naar aanleiding van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid (2),

Verordening (EG) nr. 877/2007 van de Commissie van 24 juli 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2246/2002 inzake de aan het Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen naar aanleiding van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid (3).


(1)   PB L 386 van 29.12.2006, blz. 14.

(2)   PB L 193 van 25.7.2007, blz. 13.

(3)   PB L 193 van 25.7.2007, blz. 16.


III Besluiten op grond van het EU-Verdrag

BESLUITEN OP GROND VAN TITEL V VAN HET EU-VERDRAG

9.11.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 291/29


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2007/720/GBVB VAN DE RAAD

van 8 november 2007

tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB inzake de militaire operatie van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 12 juli 2004 Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB (1) vastgesteld (operatie Althea).

(2)

Het Politiek en Veiligheidscomité heeft op 19 december 2006 aanbevelingen goedgekeurd teneinde tot een optimale coördinatie en samenhang te komen in situaties waarin ten minste twee EU-actoren op het gebied van crisisbeheersing in hetzelfde land actief zijn, met name door nauwer overleg tussen een commandant van de troepen van de Europese Unie en de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU), respectievelijk, tussen een commandant van de troepen van de Europese Unie en een hoofd van een missie van de EU.

(3)

De Raad heeft op 18 juni 2007 zijn goedkeuring gehecht aan bovengenoemde aanbevelingen voor operatie Althea.

(4)

Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJKE OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 7, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Optreden 2004/570/GBVB wordt vervangen door:

„2.   Zonder afbreuk te doen aan de commandostructuur pleegt de commandant van de troepen van de Europese Unie overleg met de SVEU en houdt hij rekening met diens politieke richtsnoeren over aangelegenheden met een lokale politieke dimensie, tenzij er dringend besluiten moeten worden genomen of wanneer de operationele veiligheid van cruciaal belang is.

3.   De commandant van de troepen van de Europese Unie onderhoudt, indien nodig, contact met de EUPM en pleegt voor politiezaken overleg met het hoofd van de politiemissie van de Europese Unie.”.

Artikel 2

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Artikel 3

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 november 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PEREIRA


(1)   PB L 252 van 28.7.2004, blz. 10.