|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
50e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
|
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
RICHTLIJNEN |
|
|
|
* |
Richtlijn 2007/34/EG van de Commissie van 14 juni 2007 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische vooruitgang, van Richtlijn 70/157/EEG van de Raad betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen ( 1 ) |
|
|
|
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is |
|
|
|
|
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
|
2007/409/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
Commissie |
|
|
|
|
2007/410/EG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2007/411/EG |
|
|
|
* |
|
|
|
III Besluiten op grond van het EU-Verdrag |
|
|
|
|
BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2007/413/JBZ |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is
VERORDENINGEN
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 655/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 14 juni 2007 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
46,7 |
|
TR |
88,0 |
|
|
ZZ |
67,4 |
|
|
0707 00 05 |
JO |
151,2 |
|
TR |
95,2 |
|
|
ZZ |
123,2 |
|
|
0709 90 70 |
TR |
87,6 |
|
ZZ |
87,6 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
55,1 |
|
ZA |
64,2 |
|
|
ZZ |
59,7 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
94,6 |
|
BR |
81,4 |
|
|
CL |
92,0 |
|
|
CN |
96,9 |
|
|
NZ |
108,3 |
|
|
US |
121,7 |
|
|
ZA |
97,1 |
|
|
ZZ |
98,9 |
|
|
0809 10 00 |
IL |
156,1 |
|
TR |
202,2 |
|
|
ZZ |
179,2 |
|
|
0809 20 95 |
TR |
289,9 |
|
US |
330,4 |
|
|
ZZ |
310,2 |
|
|
0809 30 10 , 0809 30 90 |
CL |
101,6 |
|
ZZ |
101,6 |
|
|
0809 40 05 |
CL |
134,4 |
|
IL |
204,2 |
|
|
ZZ |
169,3 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 656/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 586/2001 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad inzake kortetermijnstatistieken, wat de definitie van belangrijke industriegroepen (BIG's) betreft
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad van 19 mei 1998 inzake kortetermijnstatistieken (1), en met name op artikel 3 en artikel 17, onder c),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De definitie van belangrijke industriegroepen (BIG's) in Verordening (EG) nr. 586/2001 van de Commissie (2) is gebaseerd op de statistische classificatie van economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (NACE) (3). |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad werd een nieuwe versie van NACE (NACE Rev. 2) ingevoerd en werd tevens bepaald dat onder Verordening (EG) nr. 1165/98 vallende kortetermijnstatistieken vanaf 1 januari 2009 volgens NACE Rev. 2 moeten worden geproduceerd. |
|
(3) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité statistisch programma, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EG) nr. 586/2001 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In de artikelen 1 en 2 worden alle verwijzingen naar „NACE Rev. 1” vervangen door „NACE Rev. 2”. |
|
2) |
In artikel 3 worden de woorden „uiterlijk drie maanden na inwerkingtreding van deze verordening” vervangen door „vanaf 1 januari 2009”. |
|
3) |
De bijlage wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2009.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Lid van de Commissie
(1) PB L 162 van 5.6.1998, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
BIJLAGE
„BIJLAGE
INDELING VAN NACE REV. 2-RUBRIEKEN BIJ DE GEAGGREGEERDE CLASSIFICATIECATEGORIEËN
|
NACE Rev. 2 |
NACE Rev. 2-omschrijving |
Geaggregeerde classificatie |
|
07 |
Winning van metaalertsen |
Intermediaire goederen |
|
08 |
Overige winning van delfstoffen |
Intermediaire goederen |
|
09 |
Ondersteunende activiteiten in verband met de mijnbouw |
Intermediaire goederen |
|
10.6 |
Vervaardiging van maalderijproducten, zetmeel en zetmeelproducten |
Intermediaire goederen |
|
10.9 |
Vervaardiging van diervoeders |
Intermediaire goederen |
|
13.1 |
Bewerken en spinnen van textielvezels |
Intermediaire goederen |
|
13.2 |
Weven van textiel |
Intermediaire goederen |
|
13.3 |
Textielveredeling |
Intermediaire goederen |
|
16 |
Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk |
Intermediaire goederen |
|
17 |
Vervaardiging van papier en papierwaren |
Intermediaire goederen |
|
20.1 |
Vervaardiging van chemische basisproducten, kunstmeststoffen en stikstofverbindingen en van kunststoffen en synthetische rubber in primaire vormen |
Intermediaire goederen |
|
20.2 |
Vervaardiging van verdelgingsmiddelen en van andere chemische producten voor de landbouw |
Intermediaire goederen |
|
20.3 |
Vervaardiging van verf, vernis e.d., drukinkt en mastiek |
Intermediaire goederen |
|
20.5 |
Vervaardiging van andere chemische producten |
Intermediaire goederen |
|
20.6 |
Vervaardiging van synthetische en kunstmatige vezels |
Intermediaire goederen |
|
22 |
Vervaardiging van producten van rubber of kunststof |
Intermediaire goederen |
|
23 |
Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten |
Intermediaire goederen |
|
24 |
Vervaardiging van metalen in primaire vorm |
Intermediaire goederen |
|
25.5 |
Smeden, persen, stampen en profielwalsen van metaal; poedermetallurgie |
Intermediaire goederen |
|
25.6 |
Oppervlaktebehandeling van metaal; verspanend bewerken van metalen |
Intermediaire goederen |
|
25.7 |
Vervaardiging van scharen, messen, bestekken, gereedschap en ijzerwaren |
Intermediaire goederen |
|
25.9 |
Vervaardiging van andere producten van metaal |
Intermediaire goederen |
|
26.1 |
Vervaardiging van elektronische onderdelen en printplaten |
Intermediaire goederen |
|
26.8 |
Vervaardiging van magnetische en optische media |
Intermediaire goederen |
|
27.1 |
Vervaardiging van elektromotoren, van elektrische generatoren en transformatoren en van schakel- en verdeelinrichtingen |
Intermediaire goederen |
|
27.2 |
Vervaardiging van batterijen en accumulatoren |
Intermediaire goederen |
|
27.3 |
Vervaardiging van kabels en van schakelaars, stekkers, stopcontacten e.d. |
Intermediaire goederen |
|
27.4 |
Vervaardiging van elektrische verlichtingsbenodigdheden |
Intermediaire goederen |
|
27.9 |
Vervaardiging van andere elektrische apparatuur |
Intermediaire goederen |
|
05 |
Winning van steenkool en bruinkool |
Energie |
|
06 |
Winning van aardolie en aardgas |
Energie |
|
19 |
Vervaardiging van cokes en van geraffineerde aardolieproducten |
Energie |
|
35 |
Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht |
Energie |
|
36 |
Winning, behandeling en distributie van water |
Energie |
|
25.1 |
Vervaardiging van metalen constructiewerken |
Kapitaalgoederen |
|
25.2 |
Vervaardiging van tanks, reservoirs en bergingsmiddelen, van metaal |
Kapitaalgoederen |
|
25.3 |
Vervaardiging van stoomketels, exclusief warmwaterketels voor centrale verwarming |
Kapitaalgoederen |
|
25.4 |
Vervaardiging van wapens en munitie |
Kapitaalgoederen |
|
26.2 |
Vervaardiging van computers en randapparatuur |
Kapitaalgoederen |
|
26.3 |
Vervaardiging van communicatieapparatuur |
Kapitaalgoederen |
|
26.5 |
Vervaardiging van meet-, controle- en navigatie-instrumenten en -apparatuur; vervaardiging van uurwerken |
Kapitaalgoederen |
|
26.6 |
Vervaardiging van bestralingsapparatuur en van elektromedische en elektrotherapeutische apparatuur |
Kapitaalgoederen |
|
28 |
Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g. |
Kapitaalgoederen |
|
29 |
Vervaardiging van auto's, aanhangwagens en opleggers |
Kapitaalgoederen |
|
30.1 |
Scheepsbouw |
Kapitaalgoederen |
|
30.2 |
Vervaardiging van rollend materieel voor spoorwegen |
Kapitaalgoederen |
|
30.3 |
Vervaardiging van lucht- en ruimtevaartuigen en van toestellen in verband daarmee |
Kapitaalgoederen |
|
30.4 |
Vervaardiging van militaire gevechtsvoertuigen |
Kapitaalgoederen |
|
32.5 |
Vervaardiging van medische en tandheelkundige instrumenten en benodigdheden |
Kapitaalgoederen |
|
33 |
Reparatie en installatie van machines en apparaten |
Kapitaalgoederen |
|
26.4 |
Vervaardiging van consumentenelektronica |
Duurzame consumptiegoederen |
|
26.7 |
Vervaardiging van optische instrumenten en van foto- en filmapparatuur |
Duurzame consumptiegoederen |
|
27.5 |
Vervaardiging van huishoudapparaten |
Duurzame consumptiegoederen |
|
30.9 |
Vervaardiging van transportmiddelen, n.e.g. |
Duurzame consumptiegoederen |
|
31 |
Vervaardiging van meubelen |
Duurzame consumptiegoederen |
|
32.1 |
Bewerken van edelstenen en vervaardiging van sieraden en dergelijke artikelen |
Duurzame consumptiegoederen |
|
32.2 |
Vervaardiging van muziekinstrumenten |
Duurzame consumptiegoederen |
|
10.1 |
Verwerking en conservering van vlees en vleesproducten |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
10.2 |
Verwerking en conservering van vis en van schaal- en weekdieren |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
10.3 |
Verwerking en conservering van groenten en fruit |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
10.4 |
Vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
10.5 |
Vervaardiging van zuivelproducten |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
10.7 |
Vervaardiging van bakkerijproducten en deegwaren |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
10.8 |
Vervaardiging van andere voedingsmiddelen |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
11 |
Vervaardiging van dranken |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
12 |
Vervaardiging van tabaksproducten |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
13.9 |
Vervaardiging van andere textielproducten |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
14 |
Vervaardiging van kleding |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
15 |
Vervaardiging van leer en van producten van leer |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
18 |
Drukkerijen, reproductie van opgenomen media |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
20.4 |
Vervaardiging van zeep, wasmiddelen, poets- en reinigingsmiddelen, parfums en toiletartikelen |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
21 |
Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
32.3 |
Vervaardiging van sportartikelen |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
32.4 |
Vervaardiging van spellen en speelgoed |
Niet-duurzame consumptiegoederen |
|
32.9 |
Industrie, n.e.g. |
Niet-duurzame consumptiegoederen” |
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/7 |
VERORDENING (EG) Nr. 657/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad inzake kortetermijnstatistieken, wat het opzetten van Europese steekproefprogramma's betreft
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad van 19 mei 1998 inzake kortetermijnstatistieken (1), en met name op artikel 17, onder j),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1165/98 is een gemeenschappelijk kader voor de productie van communautaire kortetermijnstatistieken over de conjunctuurcyclus vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 1158/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad inzake kortetermijnstatistieken (2) werden de lidstaten verplicht een nieuwe indicator (invoerprijzen in de industrie) en gegevens over buitenlandse indicatoren volgens het onderscheid tussen eurozone en niet-eurozone te verstrekken. Dit had de nationale statistische systemen voor aanzienlijke kosten kunnen plaatsen. |
|
(3) |
Bij Verordening (EG) nr. 1158/2005 werd de mogelijkheid gecreëerd om Europese steekproefprogramma's op te zetten teneinde de kosten voor de nationale statistische stelsels te reduceren, ervoor te zorgen dat aan de Europese gegevensvereisten wordt voldaan, en de Commissie (Eurostat) in staat te stellen geloofwaardige Europese ramingen voor de indicatoren in kwestie te produceren. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité statistisch programma, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bij de opstelling van statistieken die onderscheid maken tussen de eurozone en de niet-eurozone, mogen Europese steekproefprogramma's worden gebruikt voor de volgende drie variabelen van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1165/98:
|
Variabele |
Naam |
|
132 |
Nieuwe orders uit het buitenland |
|
312 |
Afzetprijzen buitenlandse markt |
|
340 |
Invoerprijzen. |
Artikel 2
De lidstaten die aan de in artikel 1 bedoelde Europese steekproefprogramma's deelnemen, verstrekken de Commissie (Eurostat) gegevens voor ten minste de in de bijlage aangegeven NACE Rev. 1.1-activiteiten, voor de variabelen nrs. 132 en 312, en CPA-producten, voor variabele nr. 340.
Artikel 3
De lidstaten die aan het Europese steekproefprogramma voor variabele nr. 340 deelnemen, mogen de reikwijdte van de voor die variabele verstrekte gegevens beperken tot de invoer van producten uit niet-eurolanden.
Artikel 4
De in de bijlage vastgestelde voorwaarden voor de Europese steekproefprogramma's kunnen worden aangepast aan veranderingen van het basisjaar of van het classificatiesysteem, of aan belangrijke structurele veranderingen in de eurozone.
Artikel 5
Ieder nieuw lid van de eurozone kan bij toetreding tot de eurozone aan de in artikel 1 bedoelde Europese steekproefprogramma's deelnemen. Na overleg met de betrokken lidstaat stelt de Commissie de NACE-activiteiten en CPA-producten vast waarvoor gegevens moeten worden verstrekt, zodat die lidstaat in het kader van de Europese steekproefprogramma's aan Verordening (EG) nr. 1165/98 voldoet.
Artikel 6
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Lid van de Commissie
(1) PB L 162 van 5.6.1998, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
BIJLAGE
132 NIEUWE ORDERS UIT HET BUITENLAND
|
Lidstaat |
Reikwijdte van het Europese steekproefprogramma (NACE Rev. 1.1) |
|
België |
17, 18, 21, 24, 27, 28, 31, 32, 34 |
|
Ierland |
18, 24, 30, 31, 32, 33 |
|
Nederland |
21, 24, 28, 29, 30, 32, 33 |
|
Finland |
21, 24, 27, 29, 30, 31, 32 |
312 AFZETPRIJZEN BUITENLANDSE MARKT
|
Lidstaat |
Reikwijdte van het Europese steekproefprogramma (NACE Rev. 1.1) |
|
België |
14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 34, 36, 40 |
|
Ierland |
10, 13, 14, 15, 22, 24, 30, 32, 33 |
|
Nederland |
11, 14, 15, 16, 21, 22, 23, 24, 28, 30, 32, 33 |
|
Finland |
10, 13, 14, 20, 21, 23, 27, 29, 32 |
|
Slovenië |
18, 20, 25, 28, 36 |
340 INVOERPRIJZEN
|
Lidstaat |
Reikwijdte van het Europese steekproefprogramma (CPA) |
|
België |
14.22, 14.30, 14.50, 15.32, 15.51, 16.00, 17.10, 19.20, 21.25, 24.13, 24.14, 24.16, 24.41, 24.42, 24.66, 25.13, 26.12, 26.14, 26.15, 26.70, 28.62, 29.52, 34.10, 34.30, 36.11, 36.22 |
|
Frankrijk |
10.10, 11.10, 13.10, 15.11, 15.12, 15.20, 15.33, 15.41, 15.51, 15.84, 15.86, 15.89, 15.91, 16.00, 17.20, 17.40, 17.54, 17.72, 18.22, 18.23, 18.24, 19.20, 19.30, 20.10, 20.20, 20.30, 20.51, 21.21, 21.22, 21.25, 23.20, 24.13, 24.14, 24.41, 24.42, 24.52, 24.66, 25.11, 25.13, 25.21, 25.24, 26.12, 26.13, 26.14, 26.15, 26.21, 26.26, 26.51, 26.81, 26.82, 27.10, 27.42, 27.44, 28.62, 28.63, 28.74, 28.75, 29.11, 29.12, 29.13, 29.14, 29.22, 29.23, 29.24, 29.42, 29.52, 29.56, 29.71, 30.01, 30.02, 31.10, 31.20, 31.30, 31.61, 31.62, 32.10, 32.20, 32.30, 33.10, 33.20, 33.40, 33.50, 34.10, 34.30, 36.11, 36.14, 36.22, 36.30, 36.40, 36.50, 36.61, 36.63 |
|
Ierland |
15.13, 15.84, 21.21, 21.22, 21.25, 24.52, 28.11, 30.02, 32.10, 32.20, 33.10 |
|
Luxemburg |
27.10 |
|
Oostenrijk |
15.12, 20.30, 26.13, 28.11, 28.74, 31.61, 32.20, 36.40, 36.61, 40.11 |
|
Portugal |
11.10, 15.83 |
|
Finland |
13.20, 14.22, 20.20, 25.21, 26.26, 29.22, 32.30, 36.14, 36.40, 40.11 |
|
Slovenië |
27.10 |
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/10 |
VERORDENING (EG) Nr. 658/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
betreffende financiële sancties op de niet-nakoming van bepaalde verplichtingen in verband met vergunningen voor het in de handel brengen, verleend op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (1), en met name op artikel 84, lid 3, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Teneinde de uitvoering van bepaalde verplichtingen in verband met overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen te garanderen, is de Commissie ingevolge artikel 84 van die verordening bevoegd op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau, hierna „het bureau” genoemd, vergunninghouders financiële sancties op te leggen. |
|
(2) |
De niet-nakoming van verplichtingen in verband met overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen waarvoor een financiële sanctie kan worden opgelegd, moet betrekking hebben op de inhoud van een vergunning voor het in de handel brengen en de aan de vergunning verbonden voorwaarden voor de periode na het in de handel brengen, inclusief de Gemeenschapsrechtelijke voorschriften betreffende geneesmiddelenbewaking en markttoezicht. |
|
(3) |
Voorts moet, gelet op artikel 84, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004, op grond waarvan de lidstaten de sancties moeten vaststellen die van toepassing zijn op schendingen van de bepalingen van die verordening of van de op grond van die verordening vastgestelde verordeningen, en alle maatregelen moeten treffen die nodig zijn om de toepassing van die sancties te garanderen, slechts tot maatregelen op Gemeenschapsniveau worden overgegaan in de gevallen waarin de belangen van de Gemeenschap in het geding zijn. Aldus zou de effectieve naleving van Verordening (EG) nr. 726/2004 worden verzekerd door doeltreffend gebruik te maken van de beschikbare middelen op communautair en nationaal niveau. |
|
(4) |
Door het systeem van parallelle bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten bij het toezicht en de handhaving met betrekking tot overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen, is effectieve naleving van de bepalingen van deze verordening slechts mogelijk in het kader van nauwe samenwerking overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag tussen de lidstaten, het bureau en de Commissie. Daartoe moeten raadplegings- en samenwerkingsmechanismen in het leven worden geroepen. |
|
(5) |
Het bureau en de Commissie dienen bij het inleiden en voeren van de niet-nakomingsprocedure en bij de toemeting van financiële sancties rekening te houden met een eventuele procedure die een lidstaat op basis van dezelfde rechtsgronden en feiten tegen dezelfde vergunninghouder voert. |
|
(6) |
Voor een doeltreffend onderzoek van een gestelde niet-nakoming moeten het bureau en de Commissie een beroep kunnen doen op de bevoegde instanties van de lidstaten die zijn aangewezen als de toezichthoudende instanties voor de volgens de gecentraliseerde procedure van Verordening (EG) nr. 726/2004 toegelaten geneesmiddelen, om de noodzakelijke onderzoeksmaatregelen uit te voeren en om informatie over een niet-nakoming binnen het toepassingsgebied van deze verordening te verkrijgen. Daarom is het gewenst dat de toezichthoudende instanties de inspectie- en toezichtsactiviteiten verrichten waartoe zij bevoegd zijn op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004, Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (2) en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (3) en de uitvoeringsbepalingen daarvan. |
|
(7) |
De verplichtingen in verband met overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen die onder deze verordening vallen, moeten afdwingbaar zijn door middel van twee soorten financiële sancties: boetes en dwangsommen. Voor beide categorieën moeten maximumbedragen worden vastgesteld. |
|
(8) |
De beslissing om een niet-nakomingsprocedure op grond van deze verordening in te leiden, moet worden genomen door het bureau, nadat het eerst de Commissie en de lidstaten op de hoogte heeft gebracht. Tijdens een onderzoek moet het bureau de bevoegdheid hebben om de noodzakelijke inlichtingen in te winnen om gevallen van niet-nakoming op te sporen. Het bureau moet ook kunnen vertrouwen op medewerking van de nationale bevoegde instanties. Het bureau mag bij het onderzoek van een niet-nakoming gebruikmaken van alle door het Gemeenschapsrecht aan hem toegekende controlebevoegdheden met betrekking tot overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen. |
|
(9) |
Een beschikking van de Commissie tot het opleggen van sancties moet zijn gebaseerd op het onderzoek van het bureau, de opmerkingen van de vergunninghouder in het kader van de niet-nakomingsprocedure en eventuele andere bij het bureau ingediende gegevens. In de besluitvormingsfase van een niet-nakomingsprocedure mag de Commissie gebruikmaken van alle door het Gemeenschapsrecht aan haar toegekende controlebevoegdheden met betrekking tot overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen. |
|
(10) |
Beschikkingen tot het opleggen van een sanctie dienen uitsluitend te zijn gebaseerd op bezwaren waarover de betrokken vergunninghouder zijn opmerkingen heeft kunnen maken. |
|
(11) |
De opgelegde sancties moeten doelmatig, evenredig en afschrikkend zijn, met inachtneming van de omstandigheden van het geval. |
|
(12) |
Het lijkt gepast een specifieke procedure in te voeren voor gevallen waarin de Commissie voornemens is een vergunninghouder tegen wie een niet-nakomingsprocedure loopt een boete op te leggen omdat hij weigert te voldoen aan een verzoek om inlichtingen van het bureau of de Commissie. |
|
(13) |
Bij het voeren van een niet-nakomingsprocedure moeten het bureau en de Commissie de inachtneming verzekeren van het recht van verweer en van het vertrouwelijkheidsbeginsel overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. De vergunninghouder tegen wie de niet-nakomingsprocedure loopt, moet met name het recht hebben om in de onderzoeksfase door het bureau en na de kennisgeving van de punten van bezwaar door de Comissie te worden gehoord, en hij moet toegang hebben tot het door het bureau en de Commissie samengestelde dossier. Hoewel de Commissie vergunninghouders moet kunnen verplichten om de noodzakelijke informatie en documenten inzake een gestelde niet-nakoming te verschaffen, moet het door het Hof van Justitie ontwikkelde zwijgrecht worden geëerbiedigd in situaties waarin de vergunninghouder gedwongen zou zijn antwoorden te geven die een erkenning van het bestaan van een niet-nakoming kunnen inhouden. |
|
(14) |
Met het oog op de rechtszekerheid bij het voeren van de niet-nakomingsprocedure moeten nadere voorschriften worden geformuleerd voor de berekening van termijnen en verjaringstermijnen voor de oplegging en tenuitvoerlegging van sancties. |
|
(15) |
Beschikkingen tot oplegging van een sanctie moeten worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 256 van het Verdrag en zijn aan het toezicht van het Hof van Justitie onderworpen. |
|
(16) |
Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
(17) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik en het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voorwerp en toepassingsgebied
Deze verordening stelt regels vast voor het opleggen van financiële sancties aan de houders van een vergunning voor het in de handel brengen, verleend op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004, met betrekking tot de niet-nakoming van de volgende verplichtingen, in gevallen waarin de betrokken niet-nakoming aanzienlijke gevolgen voor de volksgezondheid in de Gemeenschap kan hebben, wanneer deze een communautaire dimensie heeft doordat deze plaatsvindt of gevolgen heeft in meer dan een lidstaat of wanneer de belangen van de Gemeenschap in het geding zijn:
|
1) |
de volledigheid en de nauwkeurigheid van de gegevens en bescheiden in een aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 of van andere documenten en gegevens die zijn ingediend bij het bij die verordening opgerichte Europees Geneesmiddelenbureau, hierna „het bureau” genoemd, naar aanleiding van in die verordening vastgestelde verplichtingen; |
|
2) |
in de vergunning voor het in de handel brengen opgenomen voorwaarden of beperkingen die betrekking hebben op de verstrekking of het gebruik van het geneesmiddel, zoals bedoeld in artikel 9, lid 4, onder b), artikel 10, lid 1, tweede alinea, artikel 34, lid 4, onder c), en artikel 35, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
3) |
in de vergunning voor het in de handel brengen opgenomen voorwaarden of beperkingen die betrekking hebben op een veilig en doeltreffend gebruik van het geneesmiddel, zoals bedoeld in artikel 9, lid 4, onder c), artikel 10, lid 1, artikel 34, lid 4, onder d), en artikel 35, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
4) |
het aanbrengen van de noodzakelijke wijzigingen in de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen in verband met de technische en wetenschappelijke vooruitgang en om vervaardiging en controle van het geneesmiddel met behulp van algemeen aanvaarde wetenschappelijke methoden mogelijk te maken, zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, en artikel 41, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
5) |
de verstrekking van nieuwe gegevens die kunnen leiden tot wijziging van de voorwaarden van de vergunning voor het in de handel brengen, de mededeling van elk verbod of elke beperking opgelegd door de bevoegde instanties van elk land waarin het geneesmiddel voor menselijk gebruik in de handel wordt gebracht of de verschaffing van informatie die de afweging van voordelen en risico's van het betrokken geneesmiddel voor menselijk gebruik zouden kunnen beïnvloeden, zoals bedoeld in artikel 16, lid 2, en artikel 41, lid 4, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
6) |
de verstrekking op verzoek van het bureau van gegevens waaruit blijkt dat de afweging van de risico's en de voordelen gunstig blijft uitvallen, zoals bedoeld in artikel 16, lid 2, en artikel 41, lid 4, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
7) |
de detectie van residuen in het geval van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, zoals bedoeld in artikel 41, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
8) |
het in de handel brengen overeenkomstig de inhoud van de samenvatting van de productkenmerken en van de etikettering en de bijsluiter zoals opgenomen in de vergunning voor het in de handel brengen; |
|
9) |
de specifieke verplichtingen zoals bedoeld in artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 726/2004 of in andere bepalingen die op grond daarvan zijn vastgesteld; |
|
10) |
de specifieke procedures zoals bedoeld in artikel 14, lid 8, en artikel 39, lid 7, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
11) |
mededeling aan het bureau van de data waarop het middel daadwerkelijk in de handel wordt gebracht en van de data vanaf welke het in de handel brengen ervan wordt stopgezet, en verstrekking aan het bureau van gegevens over het afzetvolume van het middel en over het aantal keren dat het middel is voorgeschreven, zoals bedoeld in artikel 13, lid 4, en artikel 38, lid 4, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
12) |
de ter zake gekwalificeerde, voor de geneesmiddelenbewaking verantwoordelijke persoon, zoals bedoeld in artikel 23 en artikel 48 van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
13) |
registratie en melding van vermoede gevallen van een ernstige bijwerking en, in het geval van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, bijwerkingen bij de mens, zoals bedoeld in artikel 24, lid 1, en artikel 49, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
14) |
melding van vermoede gevallen van een onverwachte ernstige bijwerking of van overdracht van infectiedragers en, in het geval van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, bijwerkingen bij de mens, zoals bedoeld in artikel 24, lid 2, en artikel 49, lid 2, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
15) |
bijhouden van gedetailleerde verslagen van alle vermoede gevallen van bijwerkingen en de indiening van deze verslagen in de vorm van bijgewerkte periodieke verslagen betreffende de veiligheid, zoals bedoeld in artikel 24, lid 3, en artikel 49, lid 3, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
16) |
verstrekking van informatie aan het publiek over kwesties die verband houden met de geneesmiddelenbewaking, zoals bedoeld in artikel 24, lid 5, en artikel 49, lid 5, van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
17) |
compilatie en beoordeling van specifieke gegevens betreffende de geneesmiddelenbewaking, zoals bedoeld in artikel 26, vierde alinea, en artikel 51, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 726/2004. |
Artikel 2
Complementariteit van procedures
Bij het inleiden en het voeren van de niet-nakomingsprocedure van hoofdstuk II houden het bureau en de Commissie rekening met een eventuele niet-nakomingsprocedure die door een lidstaat op basis van dezelfde rechtsgronden en feiten tegen dezelfde vergunninghouder is ingeleid.
Artikel 3
Medewerking van de bevoegde instanties van de lidstaten
1. De bevoegde instanties van de lidstaten verlenen het bureau en de Commissie medewerking bij de uitvoering van de op grond van deze verordening op hen rustende taken.
2. Het bureau en de Commissie gebruiken de informatie die naar aanleiding van een verzoek van het bureau of de Commissie op grond van deze verordening door de nationale bevoegde instanties is verstrekt slechts voor de volgende doeleinden:
|
a) |
als bewijsmateriaal met het oog op de toepassing van deze verordening; |
|
b) |
ter uitvoering van de aan hen toevertrouwde taken met betrekking tot de vergunningverlening voor en het toezicht op geneesmiddelen op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004. |
Artikel 4
Bewijslast
In een niet-nakomingsprocedure op grond van deze verordening rust de bewijslast voor een niet-nakoming op de Commissie.
HOOFDSTUK II
NIET-NAKOMINGSPROCEDURE
AFDELING 1
Onderzoek
Onderafdeling 1
Inleiding van de procedure
Artikel 5
Inleiding van de niet-nakomingsprocedure
1. Het bureau kan de niet-nakomingsprocedure op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie of een lidstaat inleiden.
Het bureau stelt de Commissie in kennis van zijn voornemen om een niet-nakomingsprocedure in te leiden.
2. Het bureau leidt de niet-nakomingsprocedure pas in nadat het de lidstaten op de hoogte heeft gebracht.
Artikel 6
Verzoek om informatie
Alvorens een niet-nakomingsprocedure in te leiden, kan het bureau de betrokken vergunninghouder om alle informatie over de gestelde niet-nakoming verzoeken.
Het bureau vermeldt het doel van het verzoek en het feit dat dit op deze verordening is gebaseerd, en stelt een termijn van ten minste vier weken vast waarbinnen de vergunninghouder zijn antwoord moet indienen.
Indien dit verzoek wordt gedaan naar aanleiding van een verzoek van een lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 1, wordt deze lidstaat door het bureau op de hoogte gebracht.
Artikel 7
Kennisgeving
Het bureau zendt de betrokken vergunninghouder, de lidstaten en de Commissie een schriftelijke kennisgeving van de inleiding van een niet-nakomingsprocedure.
De kennisgeving omvat de tegen de vergunninghouder ingebrachte feiten, onder vermelding van de bepaling waarop de vermeende niet-nakoming betrekking heeft, en het bewijs waarop het gestelde is gebaseerd.
In deze kennisgeving wordt de vergunninghouder erop gewezen dat er boetes of dwangsommen kunnen worden opgelegd.
Onderafdeling 2
Onderzoeksmaatregelen
Artikel 8
Verzoeken van het bureau
1. Het bureau kan de vergunninghouder verzoeken een schriftelijke of mondelinge toelichting of gegevens of bescheiden te verstrekken.
Verzoeken worden schriftelijk tot de vergunninghouder gericht. Het bureau vermeldt de rechtsgrondslag en het doel van het verzoek, stelt een termijn van ten minste vier weken vast waarbinnen de informatie moet worden verstrekt en wijst de vergunninghouder op de in artikel 19, lid 1, onder a) en b), bedoelde boetes wegens het niet voldoen aan het verzoek of het geven van onjuiste of misleidende informatie.
2. Het bureau kan de nationale bevoegde instanties verzoeken om medewerking aan het onderzoek op de volgende wijzen:
|
a) |
door het uitvoeren van de in artikel 19, lid 1, en artikel 44, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004 aan de toezichthoudende instanties toevertrouwde taken; |
|
b) |
door het uitvoeren van inspecties of andere toezichtsmaatregelen overeenkomstig de artikelen 111 tot en met 115 van Richtlijn 2001/83/EG en de artikelen 80, 81 en 82 van Richtlijn 2001/82/EG. |
Verzoeken worden schriftelijk gedaan en vermelden de rechtsgrondslag en het doel ervan. De termijn voor de indiening van het antwoord of voor het nemen van de onderzoeksmaatregel wordt vastgesteld in overleg tussen het bureau en de nationale bevoegde instantie waaraan het verzoek is gericht, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval.
3. Het bureau kan iedere natuurlijke of rechtspersoon om inlichtingen over de gestelde niet-nakoming verzoeken.
Een verzoek wordt schriftelijk gedaan en omvat de rechtsgrondslag en het doel van het verzoek; in het verzoek wordt een termijn van ten minste vier weken vastgesteld waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt.
Artikel 9
Recht om te worden gehoord
Alvorens het in artikel 10 bedoelde verslag vast te stellen, verzoekt het bureau de vergunninghouder om schriftelijke opmerkingen.
Dit verzoek geschiedt schriftelijk, onder vermelding van een termijn van ten minste vier weken voor de indiening van deze opmerkingen.
Onderafdeling 3
Verslag
Artikel 10
Inhoud en termijnen
1. Het bureau verstrekt de Commissie, de lidstaten en de vergunninghouder een verslag met een samenvatting van zijn conclusies uit het overeenkomstig deze afdeling verrichte onderzoek.
2. Indien het bureau van oordeel is dat de vergunninghouder zich schuldig heeft gemaakt aan een niet-nakoming in de zin van artikel 1, omvat het verslag ook een beoordeling van de omstandigheden van het geval volgens de criteria van artikel 18, lid 2, en een verzoek aan de Commissie tot oplegging van financiële sancties.
3. Het bureau stelt zijn verslag vast binnen 18 maanden na de kennisgeving van de inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 7 of één jaar na de kennisgeving van de Commissie dat het dossier overeenkomstig artikel 15 wordt terugverwezen.
AFDELING 2
Besluitvormingsfase
Onderafdeling 1
Procedure
Artikel 11
Mededeling van punten van bezwaar
1. Indien de Commissie op verzoek van het bureau overeenkomstig artikel 10, lid 2, besluit de niet-nakomingsprocedure voort te zetten, deelt zij de vergunninghouder schriftelijk haar punten van bezwaar mee, die het volgende omvatten:
|
a) |
de tegen de vergunninghouder ingebrachte feiten, onder vermelding van de bepaling waarop de vermeende niet-nakoming betrekking heeft, en het bewijs waarop het gestelde is gebaseerd; |
|
b) |
een mededeling dat er boetes of dwangsommen kunnen worden opgelegd. |
2. Indien de Commissie binnen 18 maanden na ontvangst van het verzoek van het bureau geen punten van bezwaar heeft meegedeeld, doet zij de vergunninghouder een opgave van redenen toekomen.
Artikel 12
Recht van verweer
1. Wanneer de Commissie haar punten van bezwaar meedeelt, stelt zij een termijn vast waarbinnen de vergunninghouder zijn schriftelijke opmerkingen over de punten van bezwaar bij de Commissie kan indienen.
Deze termijn bedraagt ten minste vier weken.
De Commissie is niet verplicht na afloop van deze termijn ingekomen schriftelijke opmerkingen in aanmerking te nemen.
2. De vergunninghouder kan aan zijn schriftelijke opmerkingen verklaringen van andere personen toevoegen die aspecten van deze schriftelijke opmerkingen ondersteunen.
Artikel 13
Hoorzitting
1. Indien de vergunninghouder in zijn schriftelijke opmerkingen hierom verzoekt, stelt de Commissie hem in de gelegenheid zijn argumenten tijdens een hoorzitting uiteen te zetten.
De datum van de hoorzitting wordt vastgesteld door de Commissie.
2. Indien noodzakelijk kan de Commissie de nationale bevoegde instanties of andere personen uitnodigen om aan de hoorzitting deel te nemen.
3. De hoorzitting is niet openbaar. Eenieder kan afzonderlijk of in aanwezigheid van andere uitgenodigde personen worden gehoord, met inachtneming van het legitieme belang van vergunninghouders en andere personen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen en andere vertrouwelijke informatie.
Artikel 14
Verzoeken om inlichtingen
1. Na ontvangst van een verzoek van het bureau overeenkomstig artikel 10, lid 2, en alvorens de in artikel 16 bedoelde beschikking vast te stellen, kan de Commissie de vergunninghouder op elk moment verzoeken een schriftelijke of mondelinge toelichting of gegevens of bescheiden met betrekking tot de gestelde niet-nakoming te verstrekken.
Verzoeken worden schriftelijk tot de vergunninghouder gericht. De Commissie vermeldt de rechtsgrondslag en het doel van het verzoek, stelt een termijn van ten minste vier weken vast waarbinnen de inlichtingen moet worden verstrekt en wijst de vergunninghouder op de in artikel 19, lid 1, onder c) en d), bedoelde boetes wegens het niet voldoen aan het verzoek of het geven van onjuiste of misleidende informatie.
2. De Commissie kan het bureau, de nationale bevoegde instanties of enige andere natuurlijke of rechtspersoon verzoeken om inlichtingen over de gestelde niet-nakoming.
Verzoeken worden schriftelijk gedaan en vermelden de rechtsgrondslag en het doel ervan. Indien het verzoek tot het bureau of een nationale bevoegde instantie is gericht, wordt de termijn waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt, vastgesteld door de Commissie na overleg met het bureau of de nationale bevoegde instantie waaraan het verzoek is gericht, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval. Indien het verzoek tot andere natuurlijke of rechtspersonen is gericht, wordt daarin een termijn van ten minste vier weken vastgesteld waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt.
Artikel 15
Nieuwe onderzoeksperiode
1. Wanneer de Commissie, gezien het rapport van het bureau, de opmerkingen van de vergunninghouder en eventuele andere bij haar ingediende informatie, van oordeel is dat aanvullende informatie nodig is om de procedure voort te zetten, kan zij het dossier terugverwijzen naar het bureau voor een nieuwe onderzoeksperiode.
De Commissie geeft duidelijk aan welke punten door het bureau nader moeten worden onderzocht en stelt hiertoe, voor zover van toepassing, mogelijke onderzoeksmaatregelen voor.
2. De onderafdelingen 2 en 3 van afdeling 1 zijn van toepassing op de nieuwe onderzoeksperiode.
Onderafdeling 2
Beschikking en financiële sancties
Artikel 16
Vormen van financiële sancties en maximumbedragen
1. Indien de Commissie tijdens de in onderafdeling 1 geregelde procedure tot het oordeel komt dat de vergunninghouder zich opzettelijk of uit onachtzaamheid schuldig heeft gemaakt aan een niet-nakoming in de zin van artikel 1, kan zij bij beschikking een boete van ten hoogste 5 % van de door de vergunninghouder in het voorafgaande boekjaar binnen de Gemeenschap behaalde omzet opleggen.
2. Indien de vergunninghouder de niet-nakoming niet heeft beëindigd, kan de Commissie in de in lid 1 bedoelde beschikking per dag een dwangsom van ten hoogste 2,5 % van de in het voorafgaande boekjaar door de vergunninghouder binnen de Gemeenschap behaalde omzet opleggen.
Dwangsommen kunnen worden opgelegd voor een periode die duurt vanaf de datum van kennisgeving van die beschikking tot aan de beëindiging van de niet-nakoming.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder het voorafgaande boekjaar verstaan het boekjaar dat voorafgaat aan de datum van de in lid 1 bedoelde beschikking.
Artikel 17
Beschikking
1. De in artikel 16 bedoelde beschikking wordt uitsluitend gebaseerd op de gronden waarover de vergunninghouder opmerkingen heeft kunnen maken.
2. De Commissie informeert de vergunninghouder over de openstaande rechtsmiddelen.
3. De Commissie deelt de vaststelling van de beschikking mee aan het bureau en aan de lidstaten.
4. Bij de openbaarmaking van gegevens uit haar beschikking overeenkomstig artikel 84, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 726/2004, houdt de Commissie rekening met het legitieme belang van vergunninghouders en andere personen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.
Artikel 18
Beginselen voor de toepassing en de toemeting van financiële sancties
1. Bij de beslissing of er een financiële sanctie moet worden opgelegd en bij de keuze van de passende financiële sanctie laat de Commissie zich leiden door de beginselen van doelmatigheid, evenredigheid en afschrikking.
2. In elk geval neemt de Commissie de volgende omstandigheden, voor zover van toepassing, in aanmerking:
|
a) |
de ernst en de gevolgen van de niet-nakoming, en met name:
|
|
b) |
enerzijds de goede trouw van de vergunninghouder bij de uitlegging en nakoming van de verplichtingen in verband met overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 verleende vergunningen voor het in de handel brengen of, anderzijds, enig bewijs van moedwillige misleiding door de vergunninghouder; |
|
c) |
enerzijds de bereidwilligheid en de coöperatieve houding van de vergunninghouder bij de opsporing van de niet-nakoming en de toepassing van een corrigerende maatregel of tijdens de niet-nakomingsprocedure of, anderzijds, iedere vorm van belemmering door de vergunninghouder bij de opsporing van een niet-nakoming en tijdens een niet-nakomingsprocedure, of het niet-voldoen door de vergunninghouder aan verzoeken van het bureau, de Commissie of een nationale bevoegde instantie in het kader van de toepassing van deze verordening; |
|
d) |
de omzet van het betrokken geneesmiddel; |
|
e) |
de vraag of, als gevolg van de niet-nakoming, de Commissie een voorlopige maatregelen moest vaststellen of een lidstaat tot onmiddellijk optreden moest overgaan overeenkomstig artikel 20 of 45 van Verordening (EG) nr. 726/2004; |
|
f) |
de herhaling, de frequentie of de duur van de niet-nakoming door die vergunninghouder; |
|
g) |
eerdere sancties, waaronder financiële sancties, die aan dezelfde vergunninghouder zijn opgelegd. |
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de financiële sanctie houdt de Commissie rekening met eventuele sancties die reeds op nationaal niveau op basis van dezelfde rechtsgronden en dezelfde feiten aan de vergunninghouder zijn opgelegd.
AFDELING 3
Niet-medewerking
Artikel 19
Financiële sancties
1. De Commissie kan bij beschikking vergunninghouders boetes van ten hoogste 0,5 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
|
a) |
niet voldoen aan een overeenkomstig artikel 8, lid 1, genomen onderzoeksmaatregel; |
|
b) |
onjuiste of misleidende informatie verstrekken naar aanleiding van een overeenkomstig artikel 8, lid 1, genomen onderzoeksmaatregel; |
|
c) |
niet voldoen aan een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 14; |
|
d) |
onjuiste of misleidende informatie verstrekken naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 14. |
2. Indien de vergunninghouder medewerking blijft weigeren, kan de Commissie bij de in lid 1 bedoelde beschikking per dag een dwangsom van ten hoogste 0,5 % van de in het voorafgaande boekjaar door de vergunninghouder binnen de Gemeenschap behaalde omzet opleggen.
Dwangsommen kunnen worden opgelegd voor een periode die duurt vanaf de datum van kennisgeving van die beschikking tot op het moment waarop de niet-medewerking is beëindigd.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder het voorafgaande boekjaar verstaan het boekjaar dat voorafgaat aan de datum van de in lid 1 bedoelde beschikking.
Artikel 20
Procedure
Wanneer de Commissie voornemens is een beschikking in de zin van artikel 19, lid 1, vast te stellen, stelt zij de vergunninghouder daarvan schriftelijk in kennis en stelt zij een termijn vast waarbinnen de vergunninghouder zijn schriftelijke opmerkingen bij de Commissie kan indienen. Deze termijn bedraagt ten minste vier weken.
De Commissie is niet verplicht na afloop van deze termijn ingekomen schriftelijke opmerkingen in aanmerking te nemen.
HOOFDSTUK III
TOEGANG TOT HET DOSSIER, VERTEGENWOORDIGING, VERTROUWELIJKHEID EN TERMIJNBEPALINGEN
Artikel 21
Toegang tot het dossier
Na ontvangst van een kennisgeving op grond van artikel 7 wordt de vergunninghouder op zijn verzoek toegang verleend tot de door het bureau en de Commissie verzamelde documenten en ander materiaal welke als bewijs van een gestelde niet-nakoming dienen.
Documenten die door toegang tot het dossier zijn verkregen, mogen uitsluitend worden gebruikt voor gerechtelijke of administratieve procedures ter toepassing van deze verordening.
Artikel 22
Vertegenwoordiging in rechte
De vergunninghouder kan zich tijdens de niet-nakomingsprocedure door een raadsman laten vertegenwoordigen.
Artikel 23
Vertrouwelijkheid en beroepsgeheim
1. Onverminderd de uitwisseling en het gebruik van informatie in de zin van artikel 3 wordt een niet-nakomingsprocedure uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van vertrouwelijkheid en van het beroepsgeheim. Het bureau en de Commissie, hun ambtenaren, personeelsleden en andere onder hun gezag werkende personen maken geen informatie openbaar die zij uit hoofde van deze verordening hebben verkregen of uitgewisseld en die naar haar aard onder de geheimhoudingsplicht vallen.
2. Onverminderd het recht op toegang tot het dossier heeft de vergunninghouder geen toegang tot bedrijfsgeheimen, vertrouwelijke informatie of interne documenten die in het bezit zijn van het bureau, de Commissie of een lidstaat.
3. Eenieder die op grond van de artikelen 8, 9, 12, of 14 informatie of opmerkingen indient, vermeldt duidelijk welk materiaal als vertrouwelijk moet worden beschouwd, met opgave van de redenen, en verschaft binnen een door het bureau of de Commissie vastgestelde termijn een niet-vertrouwelijke versie.
4. Onverminderd lid 3 kunnen het bureau en de Commissie personen die op grond van deze verordening informatie of opmerkingen indienen, verzoeken de documenten of delen van documenten aan te geven die naar hun oordeel bedrijfsgeheimen of andere aan hen toebehorende vertrouwelijke informatie bevatten.
Het bureau en de Commissie kunnen de vergunninghouder en andere personen ook verzoeken aan te geven welke delen van een verslag van het bureau, van een mededeling van punten van bezwaar of van een beschikking van de Commissie naar hun oordeel bedrijfsgeheimen bevatten.
Het bureau en de Commissie stellen een termijn vast waarbinnen de vergunninghouder en andere personen:
|
a) |
hun aanspraak op vertrouwelijkheid met betrekking tot elk individueel document of deel van een document moeten staven; |
|
b) |
de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van de documenten moeten verschaffen, waarin de vertrouwelijke passages zijn weggelaten; |
|
c) |
een korte beschrijving moeten geven van elke weggelaten passage. |
De in de derde alinea genoemde termijn bedraagt ten minste twee weken.
5. Indien de vergunninghouder of een andere persoon niet aan de leden 3 en 4 voldoet, mag de Commissie ervan uitgaan dat de betrokken informatie of opmerkingen geen vertrouwelijke informatie bevatten.
Artikel 24
Toepassing van de termijnen
1. De in deze verordening vastgestelde termijnen gaan in op de dag na de ontvangst of persoonlijke overhandiging van een mededeling.
Indien het een mededeling van de vergunninghouder betreft, is het voor de toepassing van de toepasselijke termijnen voldoende dat de mededeling per aangetekende post is verzonden voordat de toepasselijke termijn is verstreken.
2. Indien de termijn op een zaterdag, zondag of officiële feestdag verstrijkt, wordt deze verlengd tot en met de volgende werkdag.
3. Bij het vaststellen van de in artikel 6, artikel 8, lid 1, artikel 12, lid 1 en artikel 14, lid 1, bedoelde termijnen nemen het bureau en de Commissie enerzijds de benodigde tijd voor de voorbereiding van de indiening en anderzijds de urgentie van de zaak in aanmerking.
4. Op met redenen omkleed verzoek dat vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn wordt ingediend, kunnen de termijnen in voorkomend geval worden verlengd.
Artikel 25
Verjaring ter zake van de oplegging van financiële sancties
1. Het recht van de Commissie om op grond van artikel 16 bij beschikking een financiële sanctie op te leggen, verjaart na vijf jaar.
Het recht van de Commissie om bij beschikking een financiële sanctie op grond van artikel 19 op te leggen, verjaart na drie jaar.
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de niet-nakoming is geschied. Bij een voortgezette of herhaalde niet-nakoming gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de niet-nakoming is beëindigd.
2. De in lid 1 bedoelde verjaring wordt gestuit door elke maatregel van het bureau of de Commissie met het oog op het onderzoek of de niet-nakomingsprocedure. De verjaring wordt gestuit met ingang van de datum waarop de maatregel aan de vergunninghouder is meegedeeld.
3. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een financiële sanctie heeft opgelegd. De termijn wordt verlengd met de termijn gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 4 wordt geschorst.
4. De verjaring wordt geschorst zolang ten aanzien van de beschikking van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 26
Verjaring ter zake van de invordering van financiële sancties
1. Het recht om een invorderingsprocedure in te leiden, verjaart een jaar nadat de in artikel 16 of artikel 19 bedoelde beschikking onherroepelijk is geworden.
2. De verjaring van de invordering van financiële sancties wordt gestuit door elke handeling van de Commissie of van een lidstaat op verzoek van de Commissie bedoeld om de sanctie uit te voeren.
3. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
4. De verjaring ter zake van de invordering van financiële sancties wordt geschorst:
|
a) |
zolang betalingsfaciliteiten worden toegestaan; |
|
b) |
zolang de invordering van de betaling is geschorst op grond van een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. |
HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN
Artikel 27
Overgangsbepaling
Indien een niet-nakoming is begonnen voordat deze verordening in werking is getreden, is de verordening van toepassing op het deel van de niet-nakoming dat na die datum plaatsheeft.
Artikel 28
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vicevoorzitter
(1) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1901/2006 (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1).
(2) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).
(3) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1901/2006.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/20 |
VERORDENING (EG) Nr. 659/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
betreffende de opening en de wijze van beheer van invoertariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 32, lid 1, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Gemeenschap heeft zich er in het kader van de Wereldhandelsorganisatie toe verbonden jaarlijks een invoertariefcontingent voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen te openen. |
|
(2) |
De uitvoeringsbepalingen voor de opening en de wijze van beheer van deze invoercontingenten moeten jaarlijks worden vastgesteld voor de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 moet voor alle invoer in de Gemeenschap een invoercertificaat worden overgelegd. Het is evenwel dienstig deze invoertariefcontingenten te beheren door in eerste instantie rechten tot invoer toe te kennen en in tweede instantie invoercertificaten af te geven, zoals is vastgesteld in artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2). Op die manier kunnen marktdeelnemers met rechten tot invoer in de loop van de invoertariefcontingentperiode beslissen wanneer zij invoercertificaten willen aanvragen, rekening houdend met het handelsverkeer. Bij Verordening (EG) nr. 1301/2006 is bepaald dat de certificaten tot en met de laatste dag van de invoertariefcontingentperiode geldig zijn. |
|
(4) |
Er dienen voorschriften betreffende de indiening van de aanvragen en de in de aanvragen en certificaten op te nemen gegevens te worden vastgesteld, zo nodig als aanvulling op of in afwijking van sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1445/95 van de Commissie van 26 juni 1995 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer- en uitvoercertificatenregeling in de sector rundvlees en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/80 (3) en Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (4). |
|
(5) |
In Verordening (EG) nr. 1301/2006 zijn met name uitvoeringsbepalingen inzake het aanvragen van rechten tot invoer, de status van de aanvragers en de afgifte van invoercertificaten vastgesteld. De bepalingen van die verordening moeten met ingang van 1 juli 2007 worden toegepast op invoercertificaten die op grond van de onderhavige verordening worden afgegeven, onverminderd aanvullende bepalingen die in de onderhavige verordening zijn vastgesteld. |
|
(6) |
Om speculatie te voorkomen is het dienstig de in het kader van de tariefcontingenten beschikbare hoeveelheden ter beschikking te stellen van marktdeelnemers die kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk aanzienlijke hoeveelheden invoeren uit derde landen. Daarom en met het oog op een doelmatig beheer dient, in aanmerking genomen dat een partij van 25 dieren als een commercieel rendabele partij mag worden beschouwd, van de betrokken handelaren te worden verlangd dat zij in elke van de twee in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 bedoelde referentieperioden ten minste 25 dieren hebben ingevoerd. Om administratieve redenen moet de lidstaten bovendien worden toegestaan gewaarmerkte kopieën van documenten waarin de handel met derde landen wordt aangetoond, te aanvaarden. |
|
(7) |
Bovendien moet een zekerheid worden gesteld met betrekking tot de rechten tot invoer. Invoercertificaten mogen niet overdraagbaar zijn en certificaten moeten uitsluitend aan handelaren worden afgegeven voor de hoeveelheden waarvoor hun rechten tot invoer zijn toegekend. |
|
(8) |
Om de marktdeelnemers te verplichten invoercertificaten aan te vragen voor alle toegewezen rechten tot invoer, moet het indienen van een certificaataanvraag voor de toegewezen hoeveelheden, met betrekking tot de zekerheid voor de rechten tot invoer, een primaire eis zijn in de zin van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (5). |
|
(9) |
In artikel 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (6) is bepaald dat goederen die uit hoofde van hun bijzondere bestemming onder toepassing van een verlaagd recht in het vrije verkeer worden gebracht, onder douanetoezicht blijven. De dieren die in het kader van de in deze verordening vastgestelde tariefcontingenten worden ingevoerd, moeten gedurende een bepaalde periode worden gecontroleerd, om ervoor te zorgen dat ze gedurende die periode niet worden geslacht. |
|
(10) |
Hiertoe moet een zekerheid worden gesteld, waarvan het bedrag op de datum waarop de betrokken dieren in het vrije verkeer worden gebracht, het verschil moet dekken tussen het recht van het gemeenschappelijk douanetarief en het toe te passen verlaagde recht. |
|
(11) |
Duidelijkheidshalve moet Verordening (EG) nr. 1081/1999 van de Commissie van 26 mei 1999 betreffende de opening en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen (7) derhalve met ingang van 1 juli 2007 worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuwe verordening. |
|
(12) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in bijlage I genoemde invoertariefcontingenten voor stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van bepaalde bergrassen worden jaarlijks geopend voor de periode van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar, hierna „invoertariefcontingentsperioden” genoemd.
De tariefcontingenten krijgen de volgnummers 09.4196 en 09.4197.
Artikel 2
1. Voor de toepassing van deze verordening zijn de in artikel 1 bedoelde dieren niet bestemd voor de slacht, wanneer zij niet worden geslacht binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer.
In naar behoren gestaafde gevallen van overmacht kunnen afwijkingen worden toegestaan.
2. Om in aanmerking te komen voor het invoertariefcontingent met volgnummer 09.4197, moeten de volgende documenten worden overgelegd:
|
a) |
voor stieren: een afstammingsbewijs, |
|
b) |
voor koeien en vaarzen: een afstammingsbewijs of een bewijs van inschrijving in het rundveestamboek, waaruit blijkt dat de dieren raszuiver zijn. |
Artikel 3
1. De in bijlage I vermelde invoertariefcontingenten worden beheerd door in eerste instantie rechten tot invoer toe te kennen en in tweede instantie invoercertificaten af te geven.
2. De Verordeningen (EG) nr. 1445/95, (EG) nr. 1291/2000 en (EG) nr. 1301/2006 zijn van toepassing, tenzij in de onderhavige verordening iets anders is bepaald.
Artikel 4
1. Voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1301/2006 moeten aanvragers aantonen dat zij ten minste 25 dieren van GN-code 0102 90 hebben ingevoerd in elk van de beide in dat artikel genoemde referentieperioden.
De lidstaten mogen als bewijs van de handel met derde landen de naar behoren door de bevoegde autoriteiten gewaarmerkte kopieën van de in artikel 5, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 vermelde documenten aanvaarden.
2. Ondernemingen die zijn gevormd door fusie van ondernemingen met elk een referentie-invoer die in overeenstemming is met de in lid 1 vermelde minimumhoeveelheid, mogen deze referentie-invoer als bewijs van handel gebruiken.
Artikel 5
1. Aanvragen voor rechten tot invoer moeten uiterlijk op 20 juni vóór de betrokken jaarlijkse invoertariefcontingentperiode, uiterlijk om 13.00 uur, plaatselijke tijd Brussel, worden ingediend.
2. Bij het indienen van de aanvraag voor rechten tot invoer wordt bij de bevoegde autoriteit een zekerheid van 3 EUR per dier met betrekking tot de rechten tot invoer gesteld.
3. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de in lid 1 bedoelde termijn voor het indienen van de aanvragen om 16.00 uur, plaatselijke tijd Brussel, delen de lidstaten voor elk volgnummer de totale aangevraagde hoeveelheden aan de Commissie mee.
Artikel 6
1. De rechten tot invoer worden toegekend van de zevende tot en met de zestiende werkdag na afloop van de in artikel 5, lid 3, bedoelde meldingstermijn.
2. Indien de toepassing van de in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 bedoelde toewijzingscoëfficiënt ertoe leidt dat minder rechten tot invoer kunnen worden toegewezen dan werden aangevraagd, wordt de krachtens artikel 5, lid 2, van de onderhavige verordening gestelde zekerheid onverwijld naar evenredigheid vrijgegeven.
Artikel 7
1. De hoeveelheden die in het kader van de in bijlage I vermelde contingenten worden gegund, mogen pas na het overleggen van een invoercertificaat in het vrije verkeer worden gebracht.
2. Invoercertificaataanvragen moeten betrekking hebben op de totale toegewezen hoeveelheid. Deze verplichting geldt als een primaire eis in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2220/85.
Artikel 8
1. Invoercertificaataanvragen worden uitsluitend ingediend in de lidstaat waar de aanvrager rechten tot invoer in het kader van het in bijlage I vermelde contingent heeft aangevraagd en gekregen.
Telkens wanneer een invoercertificaat wordt afgegeven, worden de rechten tot invoer naar evenredigheid verlaagd en wordt de krachtens artikel 5, lid 2, gestelde zekerheid onverwijld naar evenredigheid vrijgegeven.
2. Een invoercertificaat wordt afgegeven op naam van de marktdeelnemer die de rechten tot invoer heeft gekregen.
3. De invoercertificaataanvragen en de invoercertificaten bevatten de volgende vermeldingen:
|
a) |
in vak 8, het land van oorsprong; |
|
b) |
in vak 16, één of meer van de in bijlage I opgenomen GN-codes; |
|
c) |
in vak 20, het volgnummer van het contingent en een van de in bijlage II opgenomen vermeldingen. |
Artikel 9
In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 zijn de rechten die voortvloeien uit de op grond van de onderhavige verordening afgegeven invoercertificaten, niet overdraagbaar.
Artikel 10
1. De ingevoerde dieren worden gecontroleerd overeenkomstig artikel 82 van Verordening (EEG) nr. 2913/92, om erop toe te zien dat zij in de vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht, niet worden geslacht.
2. Om te garanderen dat de in lid 1 bedoelde verplichting tot het aanhouden van de dieren wordt nageleefd en de niet-geïnde rechten bij niet-naleving van die verplichting toch kunnen worden geïnd, moet bij de bevoegde douaneautoriteiten een zekerheid worden gesteld. Deze zekerheid is gelijk aan het verschil tussen de in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde douanerechten en de in bijlage I bedoelde rechten die gelden op de datum waarop de betrokken dieren in het vrije verkeer worden gebracht.
3. De in lid 2 bedoelde zekerheid wordt onmiddellijk vrijgegeven wanneer aan de betrokken douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd dat de dieren:
|
a) |
niet zijn geslacht binnen vier maanden na de datum waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht, of |
|
b) |
binnen die periode wegens overmacht of om gezondheidsredenen zijn geslacht dan wel als gevolg van een ziekte of een ongeval zijn gestorven. |
Artikel 11
Verordening (EG) nr. 1081/1999 wordt ingetrokken.
Artikel 12
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 11 is evenwel van toepassing met ingang van 1 juli 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Mariann FISCHER BOEL
Lid van de Commissie
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).
(2) PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 289/2007 (PB L 78 van 17.3.2007, blz. 17).
(3) PB L 143 van 27.6.1995, blz. 35. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 586/2007 (PB L 139 van 31.5.2007, blz. 5).
(4) PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 52).
(5) PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006.
(6) PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).
(7) PB L 131 van 27.5.1999, blz. 15. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1965/2006 (PB L 408 van 30.12.2006, blz. 26, gerectificeerd in PB L 47 van 16.2.2007, blz. 21).
BIJLAGE I
In artikel 1 bedoelde invoertariefcontingenten
|
Volgnummer |
GN-code |
Taric-code |
Omschrijving |
Contingent (aantal dieren) |
Recht |
|
09.4196 |
ex 0102 90 05 |
01029005*20 *40 |
Koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van de volgende bergrassen: het grijze, het bruine, het gele en het bonte Simmentalerras en het Pinzgauerras |
710 |
6 % |
|
ex 0102 90 29 |
01029029*20 *40 |
||||
|
ex 0102 90 49 |
01029049*20 *40 |
||||
|
ex 0102 90 59 |
01029059*11 *19 *31 *39 |
||||
|
ex 0102 90 69 |
01029069*10 *30 |
||||
|
09.4197 |
ex 0102 90 05 |
01029005*30 *40 *50 |
Stieren, koeien en vaarzen, niet bestemd voor de slacht, van het bonte Simmentalerras, het Schwyzerras en het Freiburgerras |
711 |
4 % |
|
ex 0102 90 29 |
01029029*30 *40 *50 |
||||
|
ex 0102 90 49 |
01029049*30 *40 *50 |
||||
|
ex 0102 90 59 |
01029059*21 *29 *31 *39 |
||||
|
ex 0102 90 69 |
01029069*20 *30 |
||||
|
ex 0102 90 79 |
01029079*21 *29 |
BIJLAGE II
In artikel 8, lid 3, onder c), bedoelde vermeldingen
|
— |
Bulgaars |
: |
Алпийски и планински породи (Регламент (ЕО) № 659/2007) Година на внос: … |
|
— |
Spaans |
: |
Razas alpinas y de montaña [Reglamento (CE) no 659/2007], año de importación: … |
|
— |
Tsjechisch |
: |
alpská a horská plemena (nařízení (ES) č. 659/2007), rok dovozu: … |
|
— |
Deens |
: |
Alpine racer og bjergracer (forordning (EF) nr. 659/2007), importår: … |
|
— |
Duits |
: |
Höhenrassen (Verordnung (EG) Nr. 659/2007), Einfuhrjahr: … |
|
— |
Ests |
: |
Alpi tõugu ja mägitõugu (määrus (EÜ) nr 659/2007), impordi aasta: … |
|
— |
Grieks |
: |
Αλπικές και ορεσίβιες φυλές [κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 659/2007], έτος εισαγωγής: … |
|
— |
Engels |
: |
Alpine and mountain breeds (Regulation (EC) No 659/2007), Year of import: … |
|
— |
Frans |
: |
Races alpines et de montagne [règlement (CE) no 659/2007], année d'importation: … |
|
— |
Italiaans |
: |
Razze alpine e di montagna [regolamento (CE) n. 659/2007], anno d'importazione: … |
|
— |
Lets |
: |
Alpīno un kalnu šķirņu dzīvnieki (Regula (EK) Nr. 659/2007), importa gads: … |
|
— |
Litouws |
: |
Aukštikalnių ir kalnų veislės (Reglamentas (EB) Nr. 659/2007), importo metai: … |
|
— |
Hongaars |
: |
alpesi és hegyi fajtájú (659/2007/EK rendelet), behozatal éve: … |
|
— |
Maltees |
: |
Razez Alpini u tal-muntanja (Ir-Regolament (KE) Nru 659/2007), is-Sena ta' l-importazzjoni: … |
|
— |
Nederlands |
: |
Bergrassen (Verordening (EG) nr. 659/2007), invoerjaar: … |
|
— |
Pools |
: |
Rasy alpejskie i górskie (rozporządzenie (WE) nr 659/2007), rok przywozu: … |
|
— |
Portugees |
: |
Raças alpinas e de montanha [Regulamento (CE) n.o 659/2007], ano de importação: … |
|
— |
Roemeens |
: |
Rase alpine și montane [Regulamentul (CE) nr. 659/2007], anul de import: … |
|
— |
Slowaaks |
: |
Alpské a horské plemená [nariadenie (ES) č. 659/2007], Rok vývozu: … |
|
— |
Sloveens |
: |
Alpske in gorske pasme (Uredba (ES) št. 659/2007), leto uvoza: … |
|
— |
Fins |
: |
Alppi- ja vuoristorotuja (Asetus (EY) N:o 659/2007), tuontivuosi: … |
|
— |
Zweeds |
: |
Alp- och bergraser (förordning (EG) nr 659/2007), importår: … |
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/26 |
VERORDENING (EG) Nr. 660/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector melk en zuivelproducten
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 31, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1 van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer. |
|
(2) |
Gelet op de huidige situatie op de markt voor melk en zuivelproducten dienen er geen uitvoerrestituties te worden vastgesteld. |
|
(3) |
Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 bedoelde uitvoerrestituties voor de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde producten worden niet toegekend.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).
BIJLAGE
Vanaf 15 juni 2007 geldende uitvoerrestituties voor melk en zuivelproducten
|
Productcode |
Bestemming |
Meeteenheid |
Bedrag van de restitutie |
|||||||||
|
0401 30 31 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 31 9400 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 31 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 39 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 39 9400 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 39 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 91 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 99 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0401 30 99 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 10 11 9000 |
L20 (1) |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 10 19 9000 |
L20 (1) |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 10 99 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 11 9200 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 11 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 11 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 11 9900 |
L20 (1) |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 17 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 19 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 19 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 19 9900 |
L20 (1) |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 91 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 91 9200 |
L20 (1) |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 91 9350 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9200 |
L20 (1) |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9400 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9600 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 21 99 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 15 9200 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 15 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 15 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 19 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 19 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 19 9900 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 99 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 29 99 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 91 11 9370 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 91 19 9370 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 91 31 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 91 39 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 91 99 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 99 11 9350 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 99 19 9350 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0402 99 31 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 11 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 13 9200 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 13 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 13 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 13 9900 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 33 9400 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 59 9310 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 59 9340 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0403 90 59 9370 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 21 9120 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 21 9160 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 23 9120 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 23 9130 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 23 9140 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 23 9150 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 81 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 83 9110 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 83 9130 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 83 9150 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0404 90 83 9170 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 11 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 11 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 19 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 19 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 30 9100 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 30 9300 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 30 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 50 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 50 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 10 90 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 20 90 9500 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 20 90 9700 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 90 10 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0405 90 90 9000 |
L20 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
0406 10 20 9640 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 10 20 9650 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 10 20 9830 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 10 20 9850 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 20 90 9913 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 20 90 9915 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 20 90 9917 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 20 90 9919 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 31 9730 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 31 9930 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 31 9950 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 39 9500 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 39 9700 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 39 9930 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 30 39 9950 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 40 50 9000 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 40 90 9000 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 13 9000 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 15 9100 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 17 9100 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 21 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 23 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 25 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 27 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 32 9119 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 35 9190 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 35 9990 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 37 9000 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 61 9000 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 63 9100 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 63 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 69 9910 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 73 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 75 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 76 9300 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 76 9400 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 76 9500 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 78 9100 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 78 9300 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 79 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 81 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 85 9930 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 85 9970 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 86 9200 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 86 9400 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 86 9900 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9300 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9400 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9951 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9971 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9973 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9974 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9975 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 87 9979 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 88 9300 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
0406 90 88 9500 |
L04 |
EUR/100 kg |
— |
|||||||||
|
L40 |
EUR/100 kg |
— |
||||||||||
|
De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:
|
||||||||||||
(1) Voor producten die zijn bestemd voor uitvoer naar de Dominicaanse Republiek in het kader van het contingent 2007/2008, zoals bedoeld in Besluit 98/486/EG, en die voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk III, afdeling 3, van Verordening (EG) nr. 1282/2006, gelden de volgende restituties:
|
0,00 EUR/100 kg; |
||
|
0,00 EUR/100 kg. |
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/30 |
VERORDENING (EG) Nr. 661/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
houdende het besluit om geen uitvoerrestitutie toe te kennen voor boter in het kader van de permanente inschrijving van Verordening (EG) nr. 581/2004
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 31, lid 3, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 581/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 tot opening van een permanente inschrijving voor de bepaling van de uitvoerrestituties voor bepaalde soorten boter (2) voorziet in een permanente inschrijving. |
|
(2) |
In het kader van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 580/2004 van de Commissie van 26 maart 2004 houdende een inschrijvingsprocedure tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelproducten (3) en na bestudering van de offertes die in het kader van de inschrijving zijn ingediend, dient te worden besloten geen restitutie toe te kennen voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 12 juni 2007. |
|
(3) |
Het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In het kader van de bij Verordening (EG) nr. 581/2004 geopende permanente inschrijving wordt voor de inschrijvingsperiode die eindigt op 12 juni 2007, geen uitvoerrestitutie toegekend voor de producten en de bestemmingen zoals vermeld in artikel 1, lid 1, van die verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 van de Commissie (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).
(2) PB L 90 van 27.3.2004, blz. 64. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 276/2007 (PB L 76 van 16.3.2007, blz. 16).
(3) PB L 90 van 27.3.2004, blz. 58. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 128/2007 (PB L 41 van 13.2.2007, blz. 6).
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/31 |
VERORDENING (EG) Nr. 662/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat het verschil tussen de prijzen voor de in artikel 1, lid 1, onder b), van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en op de interne markt mag worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer. |
|
(2) |
Gezien de huidige situatie op de suikermarkt moeten derhalve uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften en bepaalde criteria van de artikelen 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 318/2006. |
|
(3) |
In artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat de restitutie naar gelang van de bestemming kan variëren indien dat gezien de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is. |
|
(4) |
Alleen voor producten die tot het vrije verkeer in de Gemeenschap zijn toegelaten en voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 318/2006, mogen restituties worden verleend. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde restituties worden verleend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).
BIJLAGE
Met ingang van 15 juni 2007 geldende restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm (1)
|
GN-code |
Bestemming |
Meeteenheid |
Restitutiebedrag |
|||
|
1701 11 90 9100 |
S00 |
EUR/100 kg |
31,07 (1) |
|||
|
1701 11 90 9910 |
S00 |
EUR/100 kg |
31,07 (1) |
|||
|
1701 12 90 9100 |
S00 |
EUR/100 kg |
31,07 (1) |
|||
|
1701 12 90 9910 |
S00 |
EUR/100 kg |
31,07 (1) |
|||
|
1701 91 00 9000 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 |
|||
|
1701 99 10 9100 |
S00 |
EUR/100 kg |
33,78 |
|||
|
1701 99 10 9910 |
S00 |
EUR/100 kg |
33,78 |
|||
|
1701 99 10 9950 |
S00 |
EUR/100 kg |
33,78 |
|||
|
1701 99 90 9100 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 |
|||
|
NB: De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:
|
||||||
(1) De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).
(1) Dit bedrag geldt voor ruwe suiker met een rendement van 92 %. Indien het rendement van de geëxporteerde ruwe suiker afwijkt van 92 %, wordt het bedrag van de toe te passen restitutie voor elke betrokken uitvoertransactie vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor die wordt verkregen door het overeenkomstig bijlage I, punt III, punt 3, van Verordening (EG) nr. 318/2006 berekende rendement van de geëxporteerde ruwe suiker te delen door 92.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/33 |
VERORDENING (EG) Nr. 663/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 958/2006 bedoelde permanente inschrijving
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea en derde alinea, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 958/2006 van de Commissie van 28 juni 2006 betreffende een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker voor het verkoopseizoen 2006/2007 (2) moeten deelinschrijvingen worden gehouden. |
|
(2) |
Op grond van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 958/2006 en op grond van het onderzoek van de biedingen voor de op 14 juni 2007 verstrijkende deelinschrijving, dient de maximumrestitutie bij uitvoer in het kader van die deelinschrijving te worden vastgesteld. |
|
(3) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De maximumrestitutie bij uitvoer van het in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 958/2006 bedoelde product wordt voor de op 14 juni 2007 verstrijkende deelinschrijving vastgesteld op 38,778 EUR/100 kg.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).
(2) PB L 175 van 29.6.2006, blz. 49. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 203/2007 (PB L 61 van 28.2.2007, blz. 3).
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/34 |
VERORDENING (EG) Nr. 664/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van de maximumrestitutie bij uitvoer van witte suiker in het kader van de in Verordening (EG) nr. 38/2007 bedoelde permanente inschrijving
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea en derde alinea, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 38/2007 van de Commissie van 17 januari 2007 met betrekking tot de opening van een permanente openbare inschrijving voor de verkoop voor uitvoer van suiker uit de voorraden van de interventiebureaus van België, Tsjechië, Spanje, Ierland, Italië, Hongarije, Polen, Slowakije en Zweden (2) moeten deelinschrijvingen worden gehouden. |
|
(2) |
Op grond van artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 38/2007 en op grond van het onderzoek van de biedingen voor de op 13 juni 2007 verstrijkende deelinschrijving, dient de maximumrestitutie bij uitvoer in het kader van die deelinschrijving te worden vastgesteld. |
|
(3) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De maximumrestitutie bij uitvoer van het in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 38/2007 bedoelde product wordt voor de op 13 juni 2007 verstrijkende deelinschrijving vastgesteld op 435,00 EUR/t.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).
(2) PB L 11 van 18.1.2007, blz. 4. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 203/2007 (PB L 61 van 28.2.2006, blz. 3).
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/35 |
VERORDENING (EG) Nr. 665/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
houdende wijziging van de restituties welke van toepassing zijn op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), inzonderheid op artikel 31, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De restitutiebedragen welke met ingang van af 25 mei 2007 worden toegepast op de in de bijlage bedoelde producten, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 570/2007 van de Commissie (2). |
|
(2) |
Toepassing van de regels en criteria welke zijn aangehaald in Verordening (EG) nr. 570/2007 op de gegevens waarover de Commissie op het huidige tijdstip beschikt, geeft aanleiding tot wijziging van de op dit tijdstip geldende restituties in de zin als vermeld in de bijlage bij deze verordening, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De restitutiebedragen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 570/2007 worden gewijzigd zoals in de bijlage van deze verordening aangegeven.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Heinz ZOUREK
Directeur-generaal Ondernemingen en industrie
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).
BIJLAGE
Restituties welke van toepassing zijn vanaf 15 juni 2007 op bepaalde zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (1)
|
(EUR/100 kg) |
||||
|
GN-code |
Omschrijving |
Restituties |
||
|
Bij vaststelling vooraf van de restituties |
Overige gevallen |
|||
|
ex 0402 10 19 |
Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van minder dan 1,5 gewichtspercenten (PG 2): |
|
|
|
|
— |
— |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
|
ex 0402 21 19 |
Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten (PG 3): |
|
|
|
|
0,00 |
0,00 |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
|
ex 0405 10 |
Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (PG 6): |
|
|
|
|
0,00 |
0,00 |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
|
0,00 |
0,00 |
||
(1) De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Andorra, Gibraltar, Ceuta en Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione d′Italia, Heligoland, Groenland, de Faeröer, de Verenigde Staten van Amerika en de delen van de Republiek Cyprus waarin de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die naar de Zwitserse Bondsstaat worden uitgevoerd.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/37 |
VERORDENING (EG) Nr. 666/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
houdende wijziging van de restituties die worden toegepast voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, onder a), en lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De restitutiebedragen welke met ingang van 25 mei 2007 worden toegepast op de in de bijlage bedoelde producten, uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I van het Verdrag vermelde goederen, zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 571/2007 van de Commissie (2). |
|
(2) |
Toepassing van de regels en criteria welke zijn aangehaald in Verordening (EG) nr. 571/2007 op de gegevens waarover de Commissie op het huidige tijdstip beschikt, geeft aanleiding tot wijziging van de op dit tijdstip geldende restituties in de zin als vermeld in de bijlage bij deze verordening, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De restitutiebedragen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 571/2007 worden gewijzigd zoals in de bijlage van deze verordening aangegeven.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Heinz ZOUREK
Directeur-generaal Ondernemingen en industrie
(1) PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).
BIJLAGE
Restituties die worden toegepast vanaf 15 juni 2007 voor bepaalde producten van de sector suiker die worden uitgevoerd in de vorm van niet in bijlage I bij het Verdrag vermelde goederen (1)
|
GN-code |
Omschrijving |
Restituties in EUR/100 kg |
|
|
Bij vaststelling vooraf van de restituties |
Overige gevallen |
||
|
1701 99 10 |
Witte suiker |
33,78 |
33,78 |
(1) De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de uitvoer naar Albanië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Kosovo, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Andorra, Gibraltar, Ceuta en Melilla, de Heilige Stoel (Vaticaanstad), Liechtenstein, de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, Heligoland, Groenland, de Faeröer en de delen van de Republiek Cyprus waarin de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent, noch op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die naar de Zwitserse Bondsstaat worden uitgevoerd.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/39 |
VERORDENING (EG) Nr. 667/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op bepaalde graan- en rijstproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 13, lid 3,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), en met name op artikel 14, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen van de in artikel 1 van deze beide verordeningen bedoelde producten op de wereldmarkt enerzijds en de prijzen in de Gemeenschap anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd. |
|
(2) |
In Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie van 30 juni 2005 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad wat betreft de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (3), is aangegeven voor welke producten een restitutie moet worden vastgesteld wanneer ze worden uitgevoerd in de vorm van goederen bedoeld naar gelang van het geval in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1785/2003. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet de restitutievoet per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten maandelijks worden vastgesteld. |
|
(4) |
De naleving van de verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de restituties die kunnen worden toegekend bij de uitvoer van landbouwproducten die zijn verwerkt in niet onder bijlage I bij het Verdrag vallende goederen, kan in het gedrang komen door de vaststelling vooraf van hoge restituties. In deze situatie moeten derhalve vrijwaringsmaatregelen worden genomen zonder dat daardoor de sluiting van langetermijncontracten wordt verhinderd. De vaststelling van een specifieke restitutie voor de voorfixatie van restituties is een maatregel die aan deze verschillende doelstellingen beantwoordt. |
|
(5) |
Rekening houdend met de regeling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot de uitvoer van deegwaren uit de Gemeenschap naar de Verenigde Staten, goedgekeurd bij Besluit 87/482/EEG van de Raad (4), moet de restitutie voor goederen van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19 naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd. |
|
(6) |
Ingevolge artikel 15, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 moet een verlaagde restitutievoet worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met het bedrag van de restitutie bij de productie tijdens de veronderstelde periode van de vervaardiging van de goederen, die krachtens Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie (5) op het verwerkte basisproduct van toepassing is. |
|
(7) |
Alcoholhoudende dranken worden geacht minder gevoelig te zijn voor de prijs van de granen die voor de vervaardiging ervan worden gebruikt. In protocol nr. 19 van het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken wordt evenwel bepaald dat de maatregelen moeten worden vastgesteld die noodzakelijk zijn om het gebruik van granen uit de Gemeenschap voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken uit granen te vergemakkelijken. Daarom moet de restitutie die wordt toegepast op granen die in de vorm van alcoholhoudende dranken worden uitgevoerd, worden aangepast. |
|
(8) |
Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De restituties die van toepassing zijn op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 en in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 of in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 opgenomen basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen vermeld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003, respectievelijk in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1785/2003, worden vastgesteld zoals in de bijlage is aangegeven.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Heinz ZOUREK
Directeur-generaal Ondernemingen en industrie
(1) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).
(2) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 797/2006 van de Commissie (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 1).
(3) PB L 172 van 5.7.2005, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 447/2007 (PB L 106 van 24.4.2007, blz. 31).
(4) PB L 275 van 29.9.1987, blz. 36.
(5) PB L 159 van 1.7.1993, blz. 112. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1584/2004 (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 11).
BIJLAGE
Restituties die met ingang van 15 juni 2007 van toepassing zijn op bepaalde producten van de sector granen en de sector rijst, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen (*1)
|
(EUR/100 kg) |
|||
|
GN-code |
Omschrijving (1) |
Restitutievoet per 100 kg basisproduct |
|
|
Bij vaststelling vooraf van de restituties |
Andere |
||
|
1001 10 00 |
Harde tarwe: |
|
|
|
– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika |
— |
— |
|
|
– in andere gevallen |
— |
— |
|
|
1001 90 99 |
Zachte tarwe en mengkoren: |
|
|
|
– in geval van uitvoer van goederen van de GN-codes 1902 11 en 1902 19 naar de Verenigde Staten van Amerika |
— |
— |
|
|
– in andere gevallen: |
|
|
|
|
– – in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (2) |
— |
— |
|
|
– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (3) |
— |
— |
|
|
– – in andere gevallen |
— |
— |
|
|
1002 00 00 |
Rogge |
— |
— |
|
1003 00 90 |
Gerst: |
|
|
|
– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (3) |
— |
— |
|
|
– in andere gevallen |
— |
— |
|
|
1004 00 00 |
Haver |
— |
— |
|
1005 90 00 |
Maïs, gebruikt in de vorm van: |
|
|
|
– zetmeel: |
|
|
|
|
– – in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (2) |
— |
— |
|
|
– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (3) |
— |
— |
|
|
– – in andere gevallen |
— |
— |
|
|
– glucose, glucosestroop, maltodextrine, maltodextrinestroop van de GN-codes 1702 30 51 , 1702 30 59 , 1702 30 91 , 1702 30 99 , 1702 40 90 , 1702 90 50 , 1702 90 75 , 1702 90 79 , 2106 90 55 (4): |
|
|
|
|
– – in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (2) |
— |
— |
|
|
– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (3) |
— |
— |
|
|
– – in andere gevallen |
— |
— |
|
|
– – in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (3) |
— |
— |
|
|
– andere (ook als zodanig) |
— |
— |
|
|
Aardappelzetmeel van GN-code 1108 13 00 gelijkgesteld aan een verwerkingsproduct van maïs: |
|
|
|
|
– in geval van toepassing van artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1043/2005 (2) |
— |
— |
|
|
– in geval van uitvoer van goederen van post 2208 (3) |
— |
— |
|
|
– in andere gevallen |
— |
— |
|
|
ex 1006 30 |
Volwitte rijst: |
|
|
|
– rondkorrelig |
— |
— |
|
|
– halflangkorrelig |
— |
— |
|
|
– langkorrelig |
— |
— |
|
|
1006 40 00 |
Breukrijst |
— |
— |
|
1007 00 90 |
Graansorgho (m.u.v. hybriden, bestemd voor zaaidoeleinden) |
— |
— |
(*1) De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing op de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972 en die naar de Zwitserse Bondsstaat of naar het Vorstendom Liechtenstein worden uitgevoerd.
(1) Voor landbouwproducten verkregen door verwerking van een basisproduct en/of een daarmee gelijkgesteld product gelden de coëfficiënten vermeld in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1043/2005 van de Commissie.
(2) De betrokken goederen vallen onder GN-code 3505 10 50 .
(3) Goederen opgenomen in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1784/2003 of bedoeld in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2825/93 (PB L 258 van 16.10.1993, blz. 6).
(4) Voor stropen van de GN-codes 1702 30 99 , 1702 40 90 en 1702 60 90 , verkregen door het mengen van glucose- en fructosestropen, betreft de uitvoerrestitutie alleen glucosestroop.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/43 |
VERORDENING (EG) Nr. 668/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van stropen en bepaalde andere producten van de suikersector in ongewijzigde staat
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 33, lid 2, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat het verschil tussen de prijzen voor de in artikel 1, lid 1, onder c), d) en g), van die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en op de interne markt mag worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer. |
|
(2) |
Gezien de huidige situatie op de suikermarkt moeten derhalve uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de regels en bepaalde criteria van de artikelen 32 en 33 van Verordening (EG) nr. 318/2006. |
|
(3) |
In artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 318/2006 is bepaald dat de restitutie naar gelang van de bestemming kan variëren indien dat gezien de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is. |
|
(4) |
Er mogen alleen restituties worden verleend voor producten die tot het vrije verkeer in de Gemeenschap zijn toegelaten en voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 wat de handel met derde landen in de suikersector betreft (2). |
|
(5) |
Om het verschil in concurrentievermogen tussen de communautaire uitvoer en die uit derde landen te overbruggen, kunnen uitvoerrestituties worden vastgesteld. De communautaire uitvoer naar bepaalde nabije bestemmingen en derde landen die voor communautaire producten een preferentiële behandeling toekennen, bevindt zich momenteel in een bijzonder gunstige concurrentiepositie. Restituties voor uitvoer naar deze bestemmingen moeten derhalve worden afgeschaft. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening, op voorwaarde dat aan het bepaalde in lid 2 van het onderhavige artikel wordt voldaan.
2. Alleen producten die voldoen aan de desbetreffende vereisten van de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 951/2006 komen in aanmerking voor de in lid 1 van de onderhavige verordening bedoelde restituties.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 247/2007 van de Commissie (PB L 69 van 9.3.2007, blz. 3).
(2) PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2031/2006 (PB L 414 van 30.12.2006, blz. 43).
BIJLAGE
Met ingang van 15 juni 2007 geldende restituties bij uitvoer van stropen en bepaalde andere producten van de suikersector in onveranderde vorm (1)
|
GN-code |
Bestemming |
Meeteenheid |
Restitutiebedrag |
|||
|
1702 40 10 9100 |
S00 |
EUR/100 kg droge stof |
33,78 |
|||
|
1702 60 10 9000 |
S00 |
EUR/100 kg droge stof |
33,78 |
|||
|
1702 60 95 9000 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 |
|||
|
1702 90 30 9000 |
S00 |
EUR/100 kg droge stof |
33,78 |
|||
|
1702 90 60 9000 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 |
|||
|
1702 90 71 9000 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 |
|||
|
1702 90 99 9900 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 (1) |
|||
|
2106 90 30 9000 |
S00 |
EUR/100 kg droge stof |
33,78 |
|||
|
2106 90 59 9000 |
S00 |
EUR/1 % sacharose × 100 kg nettoproduct |
0,3378 |
|||
|
NB: De bestemmingen zijn als volgt vastgesteld:
|
||||||
(1) De in deze bijlage vastgestelde restituties zijn niet van toepassing met ingang van 1 februari 2005 overeenkomstig Besluit 2005/45/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende het sluiten en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972, wat de bepalingen betreffende verwerkte landbouwproducten betreft (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 17).
(1) Het basisbedrag is niet van toepassing op het in de bijlage, punt 2, van Verordening (EEG) nr. 3513/92 van de Commissie (PB L 355 van 5.12.1992, blz. 12) bedoelde product.
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/45 |
VERORDENING (EG) Nr. 669/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 195/2007 tot opening van de boteraankopen in sommige lidstaten voor de periode van 1 maart tot en met 31 augustus 2007
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 2771/1999 van de Commissie van 16 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad ten aanzien van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room (2), en met name op artikel 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 195/2007 van de Commissie (3) is de lijst vastgesteld van de lidstaten waar de aankoop van boter is geopend overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999. |
|
(2) |
Op basis van de meest recente mededelingen van Portugal heeft de Commissie geconstateerd dat de marktprijzen voor boter gedurende twee opeenvolgende weken gelijk aan of hoger dan 92 % van de interventieprijs zijn geweest. Derhalve moet in Portugal de aankoop van boter door de interventiebureaus worden opgeschort. Deze lidstaat moet derhalve worden geschrapt van de bij Verordening (EG) nr. 195/2007 vastgestelde lijst. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 195/2007 moet derhalve dienovereenkomstig worden aangepast, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 195/2007 wordt vervangen door de volgende tekst:
„Artikel 1
De aankoop van boter op grond van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 wordt opgeschort voor de onderstaande lidstaten:
|
— |
Portugal.”. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).
(2) PB L 333 van 24.12.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2107/2005 (PB L 337 van 22.12.2005, blz. 20).
(3) PB L 59 van 27.2.2007, blz. 62. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 354/2007 (PB L 90 van 30.3.2007, blz. 47).
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/46 |
VERORDENING (EG) Nr. 670/2007 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), inzonderheid op artikel 13, lid 3,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1785/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), inzonderheid op artikel 14, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Volgens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1784/2003 en artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1 van deze verordeningen genoemde producten en de prijzen van deze producten in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer. |
|
(2) |
Krachtens artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1785/2003 moeten de restituties worden vastgesteld met inachtneming van de bestaande situatie en de vooruitzichten voor de ontwikkeling, enerzijds van de beschikbare hoeveelheden granen, rijst en breukrijst, evenals van hun prijzen op de markt van de Gemeenschap, en anderzijds van de prijzen van granen, rijst en breukrijst en de producten in de sector granen op de wereldmarkt. Krachtens deze artikelen moeten ook waarborgen worden geschapen dat op de graan- en rijstmarkten een evenwichtige toestand heerst en een natuurlijke ontwikkeling op het gebied van de prijzen en de handel plaatsvindt en moet bovendien rekening worden gehouden met het economische aspect van de bedoelde uitvoer en de noodzaak verstoringen op de markt van de Gemeenschap te vermijden. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1518/95 van de Commissie (3) betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten heeft in artikel 2 de specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor deze producten. |
|
(4) |
Het is wenselijk de aan bepaalde verwerkte producten toe te kennen restitutie, al naar gelang van het product, hoger of lager vast te stellen volgens het asgehalte, het gehalte aan ruwe celstof, het gehalte aan doppen, het eiwitgehalte, het vetgehalte of het zetmeelgehalte, daar deze gehaltes van bijzondere betekenis zijn voor de hoeveelheid basisproduct die werkelijk voor de vervaardiging van het verwerkte product is gebruikt. |
|
(5) |
Ten aanzien van maniokwortel en andere tropische wortels en knollen en het daarvan vervaardigde meel behoeft het economische aspect van de uitvoeren die zouden kunnen worden overwogen, in het bijzonder gezien de aard en de herkomst van deze producten, op het ogenblik geen vaststelling van een restitutie bij uitvoer. Voor bepaalde verwerkte producten is het, gezien het geringe aandeel van de Gemeenschap aan de wereldhandel, op het ogenblik niet noodzakelijk een restitutie bij uitvoer vast te stellen. |
|
(6) |
De situatie op de wereldmarkt of de specifieke eisen van bepaalde markten voor zekere producten kunnen een differentiatie van de restitutie, naar gelang van de bestemming, nodig maken. |
|
(7) |
De restitutie moet eenmaal per maand worden vastgesteld. Zij kan in de tussentijd worden gewijzigd. |
|
(8) |
Bepaalde verwerkte producten op basis van maïs kunnen een warmtebehandeling ondergaan, waardoor een restitutie zou kunnen worden uitgekeerd die niet overeenstemt met de kwaliteit van het product. Duidelijk moet worden aangegeven dat deze producten, die voorgegelatineerd zetmeel bevatten, niet in aanmerking komen voor uitvoerrestituties. |
|
(9) |
Het Comité van beheer voor granen heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De restituties bij uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten van Verordening (EG) nr. 1518/95 van toepassing is, worden vastgesteld in overeenstemming met de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 15 juni 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1154/2005 van de Commissie (PB L 187 van 19.7.2005, blz. 11).
(2) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1549/2004 van de Commissie (PB L 280 van 31.8.2004, blz. 13).
(3) PB L 147 van 30.6.1995, blz. 55. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2993/95 (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 25).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 14 juni 2007 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte producten
|
Productcode |
Bestemming |
Meeteenheid |
Bedrag van de restitutie |
||||||
|
1102 20 10 9200 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1102 20 10 9400 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1102 20 90 9200 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1102 90 10 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1102 90 10 9900 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1102 90 30 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 19 40 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 13 10 9100 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 13 10 9300 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 13 10 9500 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 13 90 9100 (1) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 19 10 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 19 30 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 20 60 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1103 20 20 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 19 69 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 12 90 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 12 90 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 19 10 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 19 50 9110 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 19 50 9130 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 01 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 03 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 05 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 05 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 22 20 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 22 30 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 23 10 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 23 10 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 11 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 51 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 29 55 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 30 10 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1104 30 90 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1107 10 11 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1107 10 91 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 11 00 9200 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 11 00 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 12 00 9200 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 12 00 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 13 00 9200 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 13 00 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 19 10 9200 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1108 19 10 9300 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1109 00 00 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 30 51 9000 (2) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 30 59 9000 (2) |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 30 91 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 30 99 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 40 90 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 90 50 9100 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 90 50 9900 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 90 75 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
1702 90 79 9000 |
C10 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
2106 90 55 9000 |
C14 |
EUR/t |
0,00 |
||||||
|
NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A ” zijn vastgesteld in de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1). De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De andere bestemmingen zijn als volgt gedefinieerd:
|
|||||||||
(1) Er worden geen restituties toegekend voor producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan waardoor het zetmeel is voorgegelatineerd.
(2) De restituties worden toegekend overeenkomstig de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 2730/75 van de Raad (PB L 281 van 1.11.1975, blz. 20).
RICHTLIJNEN
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/49 |
RICHTLIJN 2007/34/EG VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische vooruitgang, van Richtlijn 70/157/EEG van de Raad betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), en met name op artikel 13, lid 2, tweede streepje,
Gelet op Richtlijn 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (2), en met name op artikel 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 70/157/EEG is een van de bijzondere richtlijnen in het kader van de bij Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde EG-typegoedkeuringsprocedure. De bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG betreffende systemen, onderdelen en technische eenheden van voertuigen zijn daarom van toepassing op Richtlijn 70/157/EEG. |
|
(2) |
Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 70/157/EEG zijn de geluidsgrenswaarden voor motorvoertuigen meermaals verlaagd. De recentste verlaging, in 1995, heeft niet het verwachte effect gehad en latere studies hebben aangetoond dat de meetmethode niet langer het werkelijke rijgedrag weergeeft. Daarom moet een nieuwe testcyclus worden ingevoerd en moeten de rijomstandigheden voor de geluidstest beter op de werkelijke rijomstandigheden worden afgestemd. De nieuwe testcyclus is beschreven in VN/ECE-Reglement nr. 51, wijzigingenreeks 02 (3). |
|
(3) |
Gedurende een overgangsperiode moet voor typegoedkeuring zowel de bestaande als de nieuwe test worden uitgevoerd en moeten de resultaten van beide tests aan de Commissie worden gerapporteerd. Zo verkrijgt de Commissie de nodige gegevens om geschikte grenswaarden vast te stellen voor de nieuwe meetmethode die het bestaande testprotocol vervangt. De huidige methode moet verplicht blijven om typegoedkeuring te verkrijgen; de nieuwe moet voor monitoringdoeleinden worden gebruikt. Na de overgangsperiode moet het aan de nieuwe test aangepaste testprotocol de enige meting worden die verplicht is om typegoedkeuring te verkrijgen. |
|
(4) |
Om rekening te houden met de recentste wijzigingen van de VN/ECE-Reglementen nr. 51 en nr. 59, die de Gemeenschap reeds heeft aanvaard, moet Richtlijn 70/157/EEG aan de technische vooruitgang worden aangepast door haar in overeenstemming te brengen met de technische voorschriften van die reglementen. Dat is met name belangrijk om met het oog op de EG-typegoedkeuring de in VN/ECE-Reglement nr. 51 vastgestelde verplichte monitoringprocedure van de geluidsemissies van motorvoertuigen over te nemen. Anders zou de richtlijn minder goed aan de technische vooruitgang zijn aangepast dan het reglement. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 70/157/EEG houden de in deze richtlijn vervatte maatregelen geen wijziging in van de voorschriften in de punten 5.2.2.1 en 5.2.2.5 van bijlage I bij Richtlijn 70/157/EEG. Gezien de nieuwe structuur van de bijlagen moeten de nummering en de verwijzingen in die punten worden aangepast. Om het verband met andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht te leggen, moet een concordantietabel met de huidige en de nieuwe nummering worden opgesteld. |
|
(6) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Richtlijn 70/157/EEG wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
bijlage I wordt vervangen door bijlage I bij deze richtlijn; |
|
b) |
bijlage II wordt vervangen door bijlage II bij deze richtlijn; |
|
c) |
bijlage III wordt vervangen door bijlage III bij deze richtlijn; |
|
d) |
bijlage IV wordt geschrapt. |
2. De verwijzingen naar de punten 5.2.2.1 en 5.2.2.5 van bijlage I bij Richtlijn 70/157/EEG worden beschouwd als verwijzingen naar de punten 2.1 en 2.2 van bijlage I bij deze richtlijn.
Artikel 2
Met ingang van 6 juli 2008 en tot 6 juli 2010 wordt het voertuig waarvoor typegoedkeuring wordt aangevraagd, alleen voor monitoringdoeleinden aan de test in bijlage 10 van VN/ECE-Reglement nr. 51 onderworpen. De resultaten van die test worden overeenkomstig bijlage 9 van VN/ECE-Reglement nr. 51 bij de in de aanhangsels 1 en 2 van bijlage I bij Richtlijn 70/157/EEG, gewijzigd bij deze richtlijn, genoemde documenten gevoegd. De betrokken lidstaat stuurt die inlichtingenformulieren naar de Commissie. Deze verplichtingen hebben geen gevolgen voor de uitbreiding van bestaande goedkeuringen overeenkomstig deze richtlijn. In het kader van deze monitoringprocedure wordt een voertuig niet als een nieuw type beschouwd indien het alleen verschilt wat de punten 2.2.1 en 2.2.2 van VN/ECE-Reglement nr. 51 betreft.
Artikel 3
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 5 juli 2008 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 6 juli 2008.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vicevoorzitter
(1) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/96/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 81).
(2) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/96/EG.
BIJLAGE I
„BIJLAGE I
VOORSCHRIFTEN VOOR EG-TYPEGOEDKEURING VAN EEN TYPE MOTORVOERTUIG WAT HET GELUIDSNIVEAU BETREFT
1. AANVRAAG OM EG-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE
1.1. De aanvraag om EG-typegoedkeuring van een voertuigtype wat het geluidsniveau betreft overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG, wordt ingediend door de fabrikant van het voertuig.
1.2. Een model van het inlichtingenformulier is opgenomen in aanhangsel 1.
1.3. Een voertuig dat representatief is voor het goed te keuren type wordt door de fabrikant van het voertuig ter beschikking gesteld van de technische dienst die verantwoordelijk is voor de tests.
1.4. Op verzoek van de technische dienst worden eveneens een exemplaar van het uitlaatsysteem en een motor ter beschikking gesteld die ten minste dezelfde cilinderinhoud en hetzelfde nominale vermogen heeft als die waarmee het goed te keuren voertuigtype is uitgerust.
2. GELUIDSNIVEAU VAN RIJDENDE VOERTUIGEN
2.1. Grenswaarden
Het geluidsniveau gemeten overeenkomstig de bepalingen van bijlage III mag de volgende grenswaarden niet overschrijden:
|
Voertuigcategorie |
Waarden uitgedrukt in dB (A) |
||
|
74 |
||
| 2.1.2. voertuigen voor personenvervoer met meer dan negen zitplaatsen, die van de bestuurder inbegrepen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3,5 ton en: |
|||
|
78 |
||
|
80 |
||
| 2.1.3. voertuigen voor personenvervoer met meer dan negen zitplaatsen, die van de bestuurder inbegrepen; voertuigen voor goederenvervoer: |
|||
|
76 |
||
|
77 |
||
| 2.1.4. voertuigen voor goederenvervoer met een toegestane maximummassa van meer dan 3,5 ton en: |
|||
|
77 |
||
|
78 |
||
|
80 |
De grenswaarden worden evenwel:
|
— |
met 1 dB (A) verhoogd voor voertuigen van de categorieën 2.1.1 en 2.1.3 met een dieselmotor met directe inspuiting; |
|
— |
voor voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 2 ton, die zijn ontworpen voor terreingebruik, verhoogd met 1 dB (A) indien zij zijn uitgerust met een motor met een vermogen van minder dan 150 kW, en verhoogd met 2 dB (A) indien zij zijn uitgerust met een motor van 150 kW of meer; |
|
— |
voor voertuigen van categorie 2.1.1 met een handbediende versnellingsbak met meer dan vier versnellingen vooruit en een motor met een maximumvermogen van meer dan 140 kW/t, waarvan de verhouding maximumvermogen/maximummassa meer dan 75 kW/t bedraagt, worden de grenswaarden verhoogd met 1 dB (A) indien de snelheid waarmee de achterkant van het voertuig de lijn BB' in de derde versnelling passeert, meer dan 61 km/h bedraagt. |
2.2. Interpretatie van de resultaten
2.2.1. Om rekening te houden met onnauwkeurigheden in de meetapparatuur, wordt het resultaat van elke meting bepaald door 1 dB (A) af te trekken van de afgelezen waarde.
2.2.2. De metingen worden als geldig beschouwd indien het verschil tussen twee opeenvolgende metingen aan dezelfde zijde van het voertuig niet meer dan 2 dB (A) bedraagt.
2.2.3. Het hoogste gemeten geluidsniveau geldt als het testresultaat. Indien deze waarde 1 dB (A) meer bedraagt dan het maximaal toegestane geluidsniveau voor de betrokken voertuigcategorie, wordt overgegaan tot een nieuwe reeks van twee metingen op de desbetreffende positie van de microfoon. Drie van de vier aldus voor deze positie verkregen resultaten moeten binnen de voorgeschreven grenzen liggen.
3. MERKTEKENS
3.1. Op de onderdelen van het uit- en inlaatsysteem, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, worden de volgende merktekens aangebracht:
3.1.1. het fabrieks- of handelsmerk van de fabrikant van de systemen en onderdelen daarvan;
3.1.2. de door de fabrikant gegeven handelsbenaming.
3.2. De merktekens moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het systeem op het voertuig is gemonteerd.
4. VERLENING VAN EG-TYPEGOEDKEURING VOOR EEN VOERTUIGTYPE
4.1. Indien aan de desbetreffende voorschriften is voldaan, wordt EG-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 4, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 4, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG verleend.
4.2. In aanhangsel 2 wordt een model van het EG-typegoedkeuringscertificaat gegeven.
4.3. Aan elk goedgekeurd voertuigtype wordt een goedkeuringsnummer overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 70/156/EEG toegekend. Dezelfde lidstaat mag hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toekennen.
5. WIJZIGING VAN HET TYPE EN VAN DE GOEDKEURING
5.1. Bij wijziging van het overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde type zijn de bepalingen van artikel 5 van Richtlijn 70/156/EEG van toepassing.
6. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE
6.1. Overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 70/156/EEG worden maatregelen genomen om de overeenstemming van de productie te garanderen.
6.2. Bijzondere bepalingen:
6.2.1. De in punt 2.3.5 van bijlage X bij Richtlijn 70/156/EEG genoemde tests zijn die welke zijn voorgeschreven in bijlage 7 van VN/ECE-Reglement nr. 51, waarnaar in bijlage III bij deze richtlijn wordt verwezen.
6.2.2. Normaliter vinden de in punt 3 van bijlage X bij Richtlijn 70/156/EEG genoemde inspecties om de twee jaar plaats.
„Aanhangsel 1
Inlichtingenformulier nr. … overeenkomstig bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (*1) betreffende de EG-typegoedkeuring van een voertuig wat het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting betreft (Richtlijn 70/157/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn …/…/EG)
De volgende informatie wordt, indien van toepassing, in drievoud verstrekt en van een inhoudsopgave voorzien. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in A4-formaat of tot dat formaat gevouwen ingediend. Op eventuele foto's moeten voldoende details te zien zijn.
Indien de systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties worden verstrekt.
0. Algemene gegevens
0.1. Merk (firmanaam):
0.2. Type en algemene handelsbenaming(en):
0.3. Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig aangebracht (b):
0.3.1. Plaats van dat identificatiemiddel:
0.4. Voertuigcategorie (c):
0.5. Naam en adres van de fabrikant:
0.8. Adres van de assemblagefabriek(en):
1. Algemene bouwwijze van het voertuig
1.1. Foto's en/of tekeningen van een representatief voertuig:
1.3.3. Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen):
1.6. Plaats en opstelling van de motor:
2. Massa's en afmetingen (e) (in kg en mm) (Eventueel naar tekening verwijzen)
2.4. Bereik van de afmetingen (buitenmaten) van het voertuig
2.4.1. Chassis zonder carrosserie
2.4.1.1. Lengte (j):
2.4.1.2. Breedte (k):
2.4.2. Chassis met carrosserie
2.4.2.1. Lengte (j):
2.4.2.2. Breedte (k):
2.6. Massa van het voertuig met carrosserie in rijklare toestand, of massa van het chassis met cabine indien de fabrikant de carrosserie niet monteert (met standaarduitrusting, inclusief koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, gereedschap, reservewiel en bestuurder) (o) (maximum en minimum):
3. Motor (q)
3.1. Fabrikant:
3.1.1. Motorcode van de fabrikant (zoals vermeld op de motor, of ander identificatiemiddel):
3.2. Verbrandingsmotor
3.2.1.1. Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking, viertakt/tweetakt (1)
3.2.1.2. Aantal en opstelling van de cilinders:
3.2.1.2.3. Ontstekingsvolgorde:
3.2.1.3. Cilinderinhoud (s): cm3
3.2.1.8. Nettomaximumvermogen (t): kW bij min–1 (volgens fabrieksopgave)
3.2.4. Brandstoftoevoer
3.2.4.1. Via carburateur(s): ja/neen (1)
3.2.4.1.2. Type(n):
3.2.4.1.3. Aantal:
3.2.4.2. Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking): ja/neen (1)
3.2.4.2.2. Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (1)
3.2.4.2.4. Regulateur
3.2.4.2.4.1. Type:
3.2.4.2.4.2.1. Uitschakelingspunt onder belasting: min–1
3.2.4.3. Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/neen (1)
3.2.4.3.1. Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (monopoint/multipoint) (1)/directe inspuiting/andere (specificeren) (1)
3.2.8. Inlaatsysteem
3.2.8.4.2. Luchtfilter, tekeningen; of
3.2.8.4.2.1. Merk(en):
3.2.8.4.2.2. Type(n):
3.2.8.4.3. Inlaatgeluiddemper, tekeningen; of
3.2.8.4.3.1. Merk(en):
3.2.8.4.3.2. Type(n):
3.2.9. Uitlaatsysteem
3.2.9.2. Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem:
3.2.9.4. Uitlaatgeluiddemper(s):
Voorste, middelste, achterste geluiddemper: constructie, type, merkteken, indien relevant voor buitengeluid: geluiddempende maatregelen in de motorruimte en op de motor:
3.2.9.5. Plaats van de uitlaatopening:
3.2.9.6. Uitlaatgeluiddemper met vezelmateriaal:
3.2.12.2.1. Katalysator: ja/neen (2)
3.2.12.2.1.1. Aantal katalysatoren en elementen:
3.3. Elektromotor
3.3.1. Type (wikkeling, bekrachtiging):
3.3.1.1. Maximumuurvermogen: kW
3.3.1.2. Bedrijfsspanning: V
3.4. Andere verbrandings- of elektromotoren of combinaties daarvan (gegevens over de onderdelen van dergelijke verbrandings- of elektromotoren):
4. Transmissie (v)
4.2. Transmissiesysteem (mechanisch, hydraulisch, elektrisch enz.):
4.6. Overbrengingsverhoudingen
|
Versnelling |
Verhoudingen in de versnellingsbak (verhoudingen tussen omwentelingen van de motor en omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak) |
Eindoverbrengingsverhouding(en) (verhouding tussen omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak en omwentelingen van de aangedreven wielen) |
Totale verhouding |
|
Maximum voor CVT (*2) 1 2 3 … Minimum voor CVT (*2) Achteruit |
|
|
|
4.7. Maximumsnelheid van het voertuig (en versnelling waarin deze wordt bereikt) (in km/h) (w):
6. Ophanging
6.6. Banden en wielen
6.6.2. Boven- en ondergrens van de rolstralen
6.6.2.1. As 1:
6.6.2.2. As 2:
6.6.2.3. As 3:
6.6.2.4. As 4:
enz.
9. Carrosserie (niet van toepassing op voertuigen van categorie M1)
9.1. Carrosserietype:
9.2. Materialen en bouwwijze:
12. Diversen
12.5. Gegevens over eventuele niet met de motor verbonden geluiddempingsinrichtingen (voor zover niet elders vermeld):
Aanvullende gegevens voor terreinvoertuigen
1.3. Aantal assen en wielen:
2.4.1. Chassis zonder carrosserie
2.4.1.4.1. Oploophoek (na): … graden
2.4.1.5.1. Afloophoek (nb): … graden
2.4.1.6. Vrije hoogte boven de grond (zoals gedefinieerd in punt 4.5 van hoofdstuk A van bijlage II bij Richtlijn 70/156/EEG)
2.4.1.6.1. Tussen de assen:
2.4.1.6.2. Onder de vooras(sen):
2.4.1.6.3. Onder de achteras(sen):
2.4.1.7. Hellingshoek (nc): … graden
2.4.2. Chassis met carrosserie
2.4.2.4.1. Oploophoek (na): … graden
2.4.2.5.1. Afloophoek (nb): … graden
2.4.2.6. Vrije hoogte boven de grond (zoals gedefinieerd in punt 4.5 van hoofdstuk A van bijlage II bij Richtlijn 70/156/EEG)
2.4.2.6.1. Tussen de assen:
2.4.2.6.2. Onder de vooras(sen):
2.4.2.6.3. Onder de achteras(sen):
2.4.2.7. Hellingshoek (nc): … graden
2.15. Wegrijvermogen op een helling (alleen het voertuig): … %
4.9. Differentieelsper: ja/neen/facultatief (3)
Datum, dossier
„Aanhangsel 2
MODEL
EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
Mededeling betreffende de
|
— |
typegoedkeuring (4) |
|
— |
uitbreiding van de typegoedkeuring (4) |
|
— |
weigering van de typegoedkeuring (4) |
|
— |
intrekking van de typegoedkeuring (4) |
van een type voertuig/onderdeel/technische eenheid (4) overeenkomstig Richtlijn …/…/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn …/…/EG.
Typegoedkeuringsnummer:
Reden voor de uitbreiding:
DEEL I
0.1. Merk (firmanaam):
0.2. Type en algemene handelsbenaming(en):
0.3. Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid aangebracht (4) (5)
0.3.1. Plaats van dat identificatiemiddel:
0.4. Voertuigcategorie (6):
0.5. Naam en adres van de fabrikant:
0.7. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:
0.8. Adres van de assemblagefabriek(en)
DEEL II
1. Aanvullende informatie (indien van toepassing): zie addendum
2. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:
3. Datum van het testrapport:
4. Nummer van het testrapport:
5. Eventuele opmerkingen: zie addendum
6. Plaats:
7. Datum:
8. Handtekening:
9. Bijgevoegd is de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is.
„Addendum bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr. …
betreffende de typegoedkeuring van een voertuig overeenkomstig Richtlijn 70/157/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn …/…/EG
1. Aanvullende informatie
1.1. Indien nodig, een lijst van de voertuigen die onder punt 3.1.2.3.2.3 van bijlage III van VN/ECE-Reglement nr. 51 vallen:
1.2. Motor
1.2.1. Fabrikant:
1.2.2. Type:
1.2.3. Model:
1.2.4. Nominaal maximumvermogen: … kW bij … min–1
1.3. Transmissie: niet-automatische versnellingsbak/automatische versnellingsbak (7)
1.3.1. Aantal versnellingen:
1.4. Uitrusting
1.4.1. Uitlaatgeluiddemper
1.4.1.1. Fabrikant:
1.4.1.2. Model:
1.4.1.3. Type: … overeenkomstig tekening nr.:
1.4.2. Inlaatgeluiddemper
1.4.2.1. Fabrikant:
1.4.2.2. Model:
1.4.2.3. Type: … overeenkomstig tekening nr.:
1.5. Bandenmaat:
1.5.1. Beschrijving van het bandentype dat voor de typegoedkeuringstests is gebruikt:
1.6. Metingen
1.6.1. Geluidsniveau van het rijdende voertuig
|
Meetresultaten |
|||
|
|
Linkerkant dB (A) (8) |
Rechterkant dB (A) (8) |
Stand van de versnellingspook |
|
Eerste meting |
|
|
|
|
Tweede meting |
|
|
|
|
Derde meting |
|
|
|
|
Vierde meting |
|
|
|
|
Testresultaat: … dB (A)/E (9) |
|||
1.6.2. Geluidsniveau van het stilstaande voertuig
|
Meetresultaten |
||
|
|
dB (A) |
Motor |
|
Eerste meting |
|
|
|
Tweede meting |
|
|
|
Derde meting |
|
|
|
Testresultaat: … dB (A)/E (10) |
||
1.6.3. Niveau van het persluchtgeluid
|
Meetresultaten |
||
|
|
Linkerkant dB (A) (11) |
Rechterkant dB (A) (11) |
|
Eerste meting |
|
|
|
Tweede meting |
|
|
|
Derde meting |
|
|
|
Vierde meting |
|
|
|
Testresultaat: … dB (A) |
||
5. Opmerkingen:
(*1) De nummers van de punten en voetnoten in dit inlichtingenformulier komen overeen met die van bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG. Punten die voor deze richtlijn niet relevant zijn, zijn weggelaten.
(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(*2) Continuvariabele transmissie.
(3) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(4) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(5) Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de typebeschrijving van het voertuig, het onderdeel of de technische eenheid waarop dit typegoedkeuringscertificaat betrekking heeft, worden deze tekens in de documenten weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).
(6) Zoals gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG.
(7) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(8) Meetwaarden verminderd met 1 dB (A) overeenkomstig punt 2.2.1 van bijlage I.
(9) „E” geeft aan dat de metingen in kwestie overeenkomstig deze richtlijn zijn uitgevoerd.
(10) „E” geeft aan dat de metingen in kwestie overeenkomstig deze richtlijn zijn uitgevoerd.
(11) Meetwaarden verminderd met 1 dB (A) overeenkomstig punt 2.2.1 van bijlage I.
BIJLAGE II
„BIJLAGE II
ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN VOOR EG-TYPEGOEDKEURING VAN UITLAATSYSTEMEN ALS TECHNISCHE EENHEID (VERVANGINGSUITLAATSYSTEMEN)
1. AANVRAAG OM EG-TYPEGOEDKEURING
1.1. De aanvraag om EG-typegoedkeuring van een vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel daarvan als technische eenheid overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG, wordt ingediend door de fabrikant van het voertuig of de desbetreffende technische eenheid.
1.2. Een model van het inlichtingenformulier is opgenomen in aanhangsel 1.
1.3. Op verzoek van de technische dienst stelt de aanvrager het volgende materiaal ter beschikking:
1.3.1. twee exemplaren van het systeem waarvoor EG-typegoedkeuring wordt aangevraagd;
1.3.2. een uitlaatsysteem van het type waarmee het voertuig bij de EG-typegoedkeuring oorspronkelijk was uitgerust;
1.3.3. een voertuig dat representatief is voor het met het systeem uit te rusten type, dat voldoet aan de voorschriften van punt 4.1 van bijlage 7 van VN/ECE-Reglement nr. 51, waarnaar in bijlage III bij deze richtlijn wordt verwezen;
1.3.4. een afzonderlijke motor die overeenkomt met die van het hoger beschreven voertuigtype.
2. MERKTEKENS
2.4.1. Op het vervangingsuitlaatsysteem of op de onderdelen daarvan, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, worden de volgende merktekens aangebracht:
2.4.1.1. het fabrieks- of handelsmerk van de fabrikant van het vervangingssysteem en onderdelen daarvan;
2.4.1.2. de door de fabrikant gegeven handelsbenaming.
2.4.2. De merktekens moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het systeem op het voertuig is gemonteerd.
3. VERLENING VAN EG-TYPEGOEDKEURING
3.1. Indien aan de desbetreffende voorschriften is voldaan, wordt EG-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 4, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 4, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG verleend.
3.2. In aanhangsel 2 wordt een model van het EG-typegoedkeuringscertificaat gegeven.
3.3. Aan elk als technische eenheid goedgekeurd type vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel daarvan wordt een goedkeuringsnummer overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 70/156/EEG toegekend; deel 3 van het typegoedkeuringsnummer geeft het nummer aan van de wijzigingsrichtlijn die van kracht was ten tijde van de typegoedkeuring van het voertuig. Dezelfde lidstaat mag hetzelfde nummer niet aan een ander type vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel daarvan toekennen.
4. EG-TYPEGOEDKEURINGSMERK
4.1. Elk vervangingsuitlaatsysteem of onderdeel daarvan, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, dat overeenkomt met een overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurd type, moet voorzien zijn van een EG-typegoedkeuringsmerk.
4.2. Dit merk bestaat uit een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend:
|
„1” voor Duitsland |
|
„2” voor Frankrijk |
|
„3” voor Italië |
|
„4” voor Nederland |
|
„5” voor Zweden |
|
„6” voor België |
|
„7” voor Hongarije |
|
„8” voor Tsjechië |
|
„9” voor Spanje |
|
„11” voor het Verenigd Koninkrijk |
|
„12” voor Oostenrijk |
|
„13” voor Luxemburg |
|
„17” voor Finland |
|
„18” voor Denemarken |
|
„19” voor Roemenië |
|
„20” voor Polen |
|
„21” voor Portugal |
|
„23” voor Griekenland |
|
„24” voor Ierland |
|
„26” voor Slovenië |
|
„27” voor Slowakije |
|
„29” voor Estland |
|
„32” voor Letland |
|
„34” voor Bulgarije |
|
„36” voor Litouwen |
|
„49” voor Cyprus |
|
„50” voor Malta |
In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basisgoedkeuringsnummer” aangebracht, dat deel 4 vormt van het in bijlage VII bij Richtlijn 70/156/EEG bedoelde typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door twee cijfers ter aanduiding van het volgnummer van de recentste belangrijke technische wijziging van Richtlijn 70/157/EEG van de Raad die van kracht was ten tijde van de typegoedkeuring van het voertuig. Het volgnummer voor Richtlijn 70/157/EEG is 00; het volgnummer voor Richtlijn 77/212/EEG is 01; het volgnummer voor Richtlijn 84/424/EEG is 02; het volgnummer voor Richtlijn 92/97/EEG en deze richtlijn is 03. Volgnummer 03 geeft ook de technische voorschriften van wijzigingenreeks 00 van VN/ECE-Reglement nr. 59 aan.
4.3. Het merkteken moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het vervangingsuitlaatsysteem of een onderdeel daarvan op het voertuig is gemonteerd.
4.4. In aanhangsel 3 wordt een voorbeeld van het EG-typegoedkeuringsmerk gegeven.
5. WIJZIGING VAN HET TYPE EN VAN DE GOEDKEURING
5.1. Bij wijziging van het overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde type zijn de bepalingen van artikel 5 van Richtlijn 70/156/EEG van toepassing.
6. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE
6.1. Overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 70/156/EEG worden maatregelen genomen om de overeenstemming van de productie te garanderen.
6.2. Bijzondere bepalingen:
6.2.1. De in punt 2.3.5 van bijlage X bij Richtlijn 70/156/EEG genoemde tests zijn die welke zijn voorgeschreven in bijlage 5 van VN/ECE-Reglement nr. 59, waarnaar in bijlage III bij deze richtlijn wordt verwezen.
6.2.2. Normaliter vinden de in punt 3 van bijlage X bij Richtlijn 70/156/EEG genoemde inspecties om de twee jaar plaats.
„Aanhangsel 1
Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EG-typegoedkeuring als technische eenheid van uitlaatsystemen voor motorvoertuigen (Richtlijn 70/157/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn …/…)
De volgende informatie wordt, indien van toepassing, in drievoud verstrekt en van een inhoudsopgave voorzien. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in A4-formaat of tot dat formaat gevouwen ingediend. Op eventuele foto's moeten voldoende details te zien zijn.
Indien de systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties worden verstrekt.
0. Algemene gegevens
0.1. Merk (firmanaam):
0.2. Type en algemene handelsbenaming(en):
0.5. Naam en adres van de fabrikant:
0.7. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:
0.8. Adres van de assemblagefabriek(en):
1. Beschrijving van het voertuig waarvoor het systeem bedoeld is (indien het systeem bedoeld is om op meer dan een voertuigtype te worden gemonteerd, moet de in dit punt gevraagde informatie voor elk type worden verstrekt).
1.1. Merk (firmanaam):
1.2. Type en algemene handelsbenaming(en):
1.3. Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig aangebracht:
1.4. Voertuigcategorie:
1.5. EG-typegoedkeuringsnummer wat het geluidsniveau betreft:
1.6. Alle in de punten 1.1 tot en met 1.5 van het typegoedkeuringscertificaat vermelde gegevens over het voertuig (bijlage I, aanhangsel 2, bij deze richtlijn):
2. Beschrijving van het systeem
2.1. Een beschrijving van het vervangingsuitlaatsysteem met aanduiding van de positie van de systeemonderdelen ten opzichte van elkaar, alsook montage-instructies:
2.2. Gedetailleerde tekeningen van elk onderdeel, zodat het gemakkelijk kan worden teruggevonden en geïdentificeerd, met vermelding van de gebruikte materialen. Op deze tekeningen moet duidelijk de plaats worden aangegeven waar het verplichte EG-typegoedkeuringsmerk moet worden aangebracht:
Datum, dossier
„Aanhangsel 2
MODEL
EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
Mededeling betreffende de
|
— |
typegoedkeuring (1) |
|
— |
uitbreiding van de typegoedkeuring (1) |
|
— |
weigering van de typegoedkeuring (1) |
|
— |
intrekking van de typegoedkeuring (1) |
van een type voertuig/onderdeel/technische eenheid (1) overeenkomstig Richtlijn …/…/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn …/…/EG.
Typegoedkeuringsnummer:
Reden voor de uitbreiding:
DEEL I
0.1. Merk (firmanaam):
0.2. Type en algemene handelsbenaming(en):
0.3. Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid aangebracht (1) (2)
0.3.1. Plaats van dat identificatiemiddel:
0.4. Voertuigcategorie (3):
0.5. Naam en adres van de fabrikant:
0.7. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:
0.8. Adres van de assemblagefabriek(en):
DEEL II
1. Aanvullende informatie (indien van toepassing): zie addendum
2. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:
3. Datum van het testrapport:
4. Nummer van het testrapport:
5. Eventuele opmerkingen: zie addendum
6. Plaats:
7. Datum:
8. Handtekening:
9. Bijgevoegd is de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij de goedkeuringsinstantie is ingediend en dat op verzoek verkrijgbaar is.
„Addendum bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr. …
betreffende de typegoedkeuring als technische eenheid van uitlaatsystemen voor motorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn 70/157/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn …/…/EG
1. Aanvullende informatie
1.1. Samenstelling van de technische eenheid:
1.2. Fabrieks- of handelsmerk van het type motorvoertuig waarop de geluiddemper moet worden gemonteerd (4):
1.3. Voertuigtype(n) en typegoedkeuringsnummer ervan:
1.4. Motor
1.4.1. Type (elektrische ontsteking, diesel):
1.4.2. Cyclus: tweetakt of viertakt
1.4.3. Totale cilinderinhoud:
1.4.4. Nominaal maximummotorvermogen: … kW bij … min–1
1.5. Aantal overbrengingsverhoudingen:
1.6. Gebruikte overbrengingsverhoudingen:
1.7. Aandrijvingsverhouding(en):
1.8. Geluidsniveauwaarden:
|
rijdend voertuig: … dB (A), snelheid gestabiliseerd vóór acceleratie bij … km/h; |
|
stilstaand voertuig: … dB (A), bij min–1 |
1.9. Waarde van de tegendruk:
1.10. Eventuele gebruiksbeperkingen en montagevoorschriften:
2. Opmerkingen:
„Aanhangsel 3
Model van het EG-typegoedkeuringsmerk
Een uitlaatsysteem of onderdeel daarvan met het hierboven afgebeelde EG-typegoedkeuringsmerk is een systeem of onderdeel dat in Spanje (e 9) overeenkomstig Richtlijn 92/97/EEG (03) is goedgekeurd met als basisgoedkeuringsnummer 0148.
De gebruikte nummers dienen uitsluitend ter illustratie.
(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(2) Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de typebeschrijving van het voertuig, het onderdeel of de technische eenheid waarop dit typegoedkeuringscertificaat betrekking heeft, worden deze tekens in de documenten weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).
(3) Zoals gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG.
(4) Indien meerdere typen zijn aangegeven, moeten de punten 1.3 tot en met 1.10 voor elk type worden ingevuld.
BIJLAGE III
„BIJLAGE III
1.
De technische voorschriften zijn die van:|
a) |
de punten 2, 6.1, 6.2.1 en 6.3 van VN/ECE-Reglement nr. 51 (*1) en de bijlagen 3 tot en met 10 bij dat reglement; |
|
b) |
de punten 2 en 6 van VN/ECE-Reglement nr. 59 (*2) en de bijlagen 3 tot en met 5 bij dat reglement. |
2.
Voor de toepassing van de in punt 1 bedoelde bepalingen geldt het volgende:|
a) |
onder „onbeladen voertuig” wordt verstaan: een voertuig waarvan de massa is beschreven in punt 2.6 van aanhangsel 1 van bijlage I bij deze richtlijn, zonder bestuurder; |
|
b) |
„het inlichtingenblad” betekent het typegoedkeuringscertificaat in aanhangsel 2 van de bijlagen I en II; |
|
c) |
„partijen bij de respectieve reglementen” betekent de lidstaten; |
|
d) |
de verwijzingen naar de Reglementen nr. 51 en nr. 59 worden gelezen als verwijzingen naar Richtlijn 70/157/EEG; |
|
e) |
voetnoot 1 in punt 2.2.6 wordt gelezen als: „Voor een definitie van de voertuigcategorieën, zie bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG.”. |
II Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie niet verplicht is
BESLUITEN/BESCHIKKINGEN
Raad
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/68 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 11 juni 2007
houdende wijziging van Besluit 2004/585/EG tot oprichting van regionale adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid
(2007/409/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name in de artikelen 31 en 32, wordt voorzien in nieuwe vormen van deelname van de belanghebbenden aan het gemeenschappelijk visserijbeleid door middel van de oprichting van regionale adviesraden. |
|
(2) |
In Besluit 2004/585/EG (2) is een gemeenschappelijk kader vastgesteld waaraan door alle regionale adviesraden moet worden voldaan. |
|
(3) |
In artikel 9 van Besluit 2004/585/EG is bepaald dat de Gemeenschap financiële steun verleent aan de regionale adviesraden, om ervoor te zorgen dat zij doeltreffend kunnen functioneren, alsmede ter dekking van hun tolk- en vertaalkosten. |
|
(4) |
De regionale adviesraden geven de Commissie en de lidstaten advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en zorgen voor daadwerkelijke betrokkenheid van belanghebbenden, hetgeen een van de belangrijkste pijlers van het hervormde gemeenschappelijke visserijbeleid en een voorwaarde voor goed bestuur is. |
|
(5) |
Regionale adviesraden moeten derhalve worden beschouwd als organen die een doel van algemeen Europees belang nastreven in de zin van artikel 162, onder b), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (3). |
|
(6) |
Regionale adviesraden moet financiële stabiliteit worden geboden door hun voldoende en permanente financiering te verstrekken om hun adviserende taak in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid doeltreffend te kunnen vervullen. |
|
(7) |
Om het beheer van de communautaire middelen die de regionale adviesraden hebben ontvangen, te vereenvoudigen, zou een enkel financieel instrument moeten worden gebruikt om alle kosten te dekken. |
|
(8) |
Met het oog op de aan de regionale adviesraden verstrekte communautaire financiële steun, is het belangrijk dat de Commissie niet alleen bij de auditcontroles, maar op elk moment kan controleren of de regionale adviesraden overeenkomstig hun taakstelling opereren. |
|
(9) |
Besluit 2004/585/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
BESLUIT:
Artikel 1
Besluit 2004/585/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 9 wordt vervangen door: „Artikel 9 Financiering 1. Een regionale adviesraad die rechtspersoonlijkheid heeft verworven, mag om financiële steun van de Gemeenschap verzoeken als orgaan dat een doel van algemeen Europees belang nastreeft in de zin van artikel 162, onder b), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (*1). 2. De Commissie zal met elke regionale adviesraad een subsidieovereenkomst ondertekenen om hun exploitatiekosten, met inbegrip van de kosten voor vertalen en tolken, te dekken overeenkomstig bijlage II. (*1) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).”." |
|
2) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 9 bis Controles door de Commissie De Commissie mag alle controles uitvoeren die zij noodzakelijk acht om naleving van de bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 en dit besluit aan de regionale adviesraden opgedragen taken te verzekeren.”. |
|
3) |
Bijlage II wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 11 juni 2007.
Voor de Raad
De voorzitter
H. SEEHOFER
(1) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(2) PB L 256 van 3.8.2004, blz. 17.
(3) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 (PB L 111 van 28.4.2007, blz. 13).
BIJLAGE
„BIJLAGE II
Bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van de regionale adviesraden
De Gemeenschap draagt gedeeltelijk bij in de exploitatiekosten van de regionale adviesraden als organen die een doel van algemeen Europees belang nastreven. De door de Gemeenschap aan elke regionale adviesraad voor zijn exploitatiekosten toegewezen subsidie bedraagt niet meer dan 90 % van de exploitatiebegroting van de regionale adviesraad. In de volgende jaren is de financiële bijdrage permanent en afhankelijk van de begroting. Ieder jaar sluit de Commissie met elke regionale adviesraad een „exploitatiesubsidieovereenkomst” waarin de algemene en bijzondere voorwaarden voor de toekenning van dergelijke steun staan vermeld.
Subsidiabele kosten zijn kosten die noodzakelijk zijn voor het normale functioneren en het verwezenlijken van de doelstellingen van de regionale adviesraden. Alleen de werkelijke kosten komen in aanmerking voor de communautaire bijdrage, die zal worden toegekend op voorwaarde dat de andere financieringsbronnen zijn toegewezen.
De volgende directe kosten komen voor subsidie in aanmerking:
|
— |
personeelskosten (kosten van het personeel per aan het project bestede werkdag); |
|
— |
vergaderruimten; |
|
— |
apparatuur (nieuw of gebruikt); |
|
— |
kosten van goederen en leveringen; |
|
— |
kosten voor het verspreiden van informatie onder de leden; |
|
— |
reis- en verblijfkosten van deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen (overeenkomstig door de Commissie goedgekeurde tariefschalen of regels); |
|
— |
audits; |
|
— |
kosten voor tolken en vertalen; |
|
— |
een reserve voor onvoorziene omstandigheden, ten bedrage van maximaal 5 % van de subsidiabele directe kosten.” |
Commissie
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/71 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 12 juni 2007
tot vaststelling van maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van potato spindle tuber viroid (aardappelspoelknolviroïde) te voorkomen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 2451)
(2007/410/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 16, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Wanneer een lidstaat van mening is dat het gevaar bestaat dat op zijn grondgebied schadelijke organismen worden binnengebracht of verspreid die niet in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG zijn opgenomen, mag deze krachtens die richtlijn maatregelen nemen om zichzelf tegen dat gevaar te beschermen. |
|
(2) |
Als gevolg van de aanwezigheid van potato spindle tuber viroid heeft Nederland de lidstaten en de Commissie op 14 februari 2007 meegedeeld dat het op 14 februari 2007 officiële maatregelen heeft genomen om het verder binnenbrengen en verspreiden van dit schadelijke organisme op zijn grondgebied te voorkomen. |
|
(3) |
Potato spindle tuber viroid is opgenomen in bijlage I, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG als een organisme dat niet mag worden binnengebracht en verspreid in de lidstaten. |
|
(4) |
Potato spindle tuber viroid is aangetroffen op planten van Solanum jasminoides Paxton en Brugmansia Pers. spp. Wat dit schadelijke organisme betreft, bestaan er momenteel voor deze planten van oorsprong uit de Gemeenschap geen bijzondere voorschriften. |
|
(5) |
Er moeten maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van het schadelijke organisme worden genomen, aangezien uit de beschikbare wetenschappelijke informatie is gebleken dat de aanwezigheid van dat organisme op die planten kan leiden tot de verdere verspreiding daarvan. |
|
(6) |
De in deze beschikking bedoelde maatregelen moeten gelden voor het binnenbrengen en de verspreiding van het schadelijke organisme en de invoer, de productie en het vervoer van de planten van het geslacht Brugmansia Pers. spp. en de soort Solanum jasminoides Paxton, bestemd voor opplant, met inbegrip van zaad, in de Gemeenschap. Bovendien moet een onderzoek ter controle op de aanwezigheid of blijvende afwezigheid van het schadelijke organisme in de lidstaten worden voorbereid. |
|
(7) |
Het is dienstig dat de resultaten van de maatregelen, met name op grond van de door de lidstaten te verstrekken informatie, worden geëvalueerd als basis voor mogelijke toekomstige maatregelen. |
|
(8) |
De lidstaten moeten hun wetgeving zo nodig aanpassen om aan deze beschikking te voldoen. |
|
(9) |
De resultaten van de genomen maatregelen moeten uiterlijk op 29 februari 2008 opnieuw worden bekeken. |
|
(10) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Invoer van de nader omschreven planten
De planten van het geslacht Brugmansia Pers. spp. en de soort Solanum jasminoides Paxton, bestemd voor opplant, met inbegrip van zaad (hierna „de nader omschreven planten” genoemd), mogen in de Gemeenschap alleen worden binnengebracht indien:
|
a) |
zij voldoen aan de in punt 1 van de bijlage vastgestelde voorschriften, en |
|
b) |
zij bij binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 13 bis, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG door de verantwoordelijke officiële instantie worden geïnspecteerd en gecontroleerd op de aanwezigheid van potato spindle tuber viroid en vrij daarvan worden bevonden. |
Artikel 2
Vervoer van de nader omschreven planten binnen de Gemeenschap
De nader omschreven planten van oorsprong uit de Gemeenschap of in de Gemeenschap ingevoerd overeenkomstig artikel 1 mogen alleen binnen de Gemeenschap worden vervoerd als zij aan de voorwaarden van punt 2 van de bijlage voldoen.
Artikel 3
Onderzoeken en kennisgevingen
1. De lidstaten voeren op hun grondgebied een officieel onderzoek uit naar en verrichten zo nodig een controle op de aanwezigheid van potato spindle tuber viroid op waardplanten of zoeken naar bewijzen van besmetting met dit schadelijke organisme.
Onverminderd artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/29/EG worden de Commissie en de andere lidstaten vóór 10 januari 2008 van de resultaten van die onderzoeken in kennis gesteld.
2. Van elke vermoedelijke of bevestigde aanwezigheid van potato spindle tuber viroid wordt bij de verantwoordelijke officiële instanties onmiddellijk kennisgeving gedaan.
Artikel 4
Naleving
De lidstaten wijzigen zo nodig de maatregelen die zij hebben genomen om zich te beschermen tegen het binnenbrengen en de verspreiding van potato spindle tuber viroid op zodanige wijze dat die maatregelen voldoen aan deze beschikking. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van die maatregelen.
Artikel 5
Herziening
Deze beschikking wordt uiterlijk op 29 februari 2008 opnieuw bekeken.
Artikel 6
Adressaten
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 12 juni 2007.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).
BIJLAGE
In de artikelen 1 en 2 van deze beschikking bedoelde aanvullende maatregelen
1. Specifieke invoervoorschriften
Onverminderd punt 13 van deel A van bijlage III bij Richtlijn 2000/29/EG gaan de nader omschreven planten van oorsprong uit derde landen vergezeld van een certificaat, als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder ii), van die richtlijn, waarin onder de rubriek „Aanvullende verklaring” wordt verklaard dat de nader omschreven planten afkomstig zijn van en permanent zijn geteeld in een plaats van productie, als omschreven in de Internationale Norm nr. 5 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen (1) (hierna „de plaats van productie” genoemd), die door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong wordt geregistreerd en gecontroleerd,
|
a) |
in landen waarvan bekend is dat potato spindle tuber viroid er niet voorkomt; of |
|
b) |
in een ziektevrij gebied zoals door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen. De naam van het ziektevrije gebied moet worden vermeld onder de rubriek „plaats van oorsprong”; of |
|
c) |
waar alle partijen van de nader omschreven planten vóór het vervoer op potato spindle tuber viroid zijn gecontroleerd en vrij van dit organisme zijn bevonden; of |
|
d) |
waar alle bijbehorende moederplanten van de nader omschreven planten vóór het vervoer van de nader omschreven planten op potato spindle tuber viroid zijn gecontroleerd en vrij van dit organisme zijn bevonden. Na de controle zijn de groeiomstandigheden zodanig dat de bijbehorende moederplanten en de nader omschreven planten vrij van potato spindle tuber viroid blijven totdat zij worden vervoerd. |
2. Vervoersvoorwaarden
Alle nader omschreven planten van oorsprong uit de Gemeenschap of in de Gemeenschap ingevoerd overeenkomstig artikel 1 van deze beschikking, met uitzondering van kleine hoeveelheden planten voor gebruik door de eigenaar of de ontvanger voor niet-commerciële doeleinden mits er geen risico van verspreiding van het schadelijke organisme bestaat, mogen alleen in de Gemeenschap worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (2) is opgesteld en afgegeven en zij permanent of sinds het binnenbrengen in de Gemeenschap zijn geteeld op een plaats van productie:
|
a) |
in een lidstaat waarvan bekend is dat potato spindle tuber viroid er niet voorkomt; of |
|
b) |
in een ziektevrij gebied zoals door de verantwoordelijke nationale instantie in een lidstaat is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen; of |
|
c) |
waar alle partijen van de nader omschreven planten vóór het vervoer op potato spindle tuber viroid zijn gecontroleerd en vrij van dit organisme zijn bevonden; of |
|
d) |
waar alle bijbehorende moederplanten van de nader omschreven planten vóór het vervoer van de nader omschreven planten op potato spindle tuber viroid zijn gecontroleerd en vrij van dit organisme zijn bevonden. Na de controle zijn de groeiomstandigheden zodanig dat de bijbehorende moederplanten en de nader omschreven planten vrij van potato spindle tuber viroid blijven totdat zij worden vervoerd. |
(1) Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No. 5, secretariaat van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (International Plant Protection Convention), Rome.
(2) PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/17/EG (PB L 57 van 3.3.2005, blz. 23).
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/74 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2007
tot vaststelling van een verbod op het in de handel brengen, voor welke toepassingen ook, van producten van runderen die vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk zijn geboren of gehouden en tot vrijstelling van dergelijke dieren van bepaalde bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 999/2001 en tot intrekking van Beschikking 2005/598/EG
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 2473)
(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)
(2007/411/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name op artikel 13, leden 1 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Beschikking 2005/598/EG van de Commissie van 2 augustus 2005 tot vaststelling van een verbod op het in de handel brengen, voor welke toepassingen ook, van producten van runderen die vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk zijn geboren of gehouden en tot vrijstelling van dergelijke dieren van bepaalde bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 999/2001 (2) verbiedt het in de handel brengen van producten die bestaan uit materialen van vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk geboren of gehouden runderen of waarin dergelijke materialen zijn verwerkt. Melk en huiden voor de lederproductie kunnen echter bij wijze van uitzondering in de handel worden gebracht. |
|
(2) |
In artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001 worden de maatregelen vastgesteld die moeten worden getroffen wanneer de aanwezigheid van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) officieel is bevestigd. Een van deze maatregelen bestaat in de onmiddellijke en volledige vernietiging van alle delen van het kadaver, waaronder de huid, van de runderen die behoren tot de cohort van het dier waarbij de aanwezigheid van BSE is bevestigd. |
|
(3) |
Vóór augustus 1996 was het identificatiesysteem voor runderen in het Verenigd Koninkrijk ontoereikend voor een betrouwbare tracering van de dieren en een nauwkeurige identificatie van cohorten BSE-positieve gevallen. Bijgevolg worden alle vóór augustus 1996 geboren runderen als cohortgenoten beschouwd. |
|
(4) |
Artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001 bepaalt dat de lidstaten in afwijking van de bepaling dat alle delen van het kadaver van cohortgenoten volledig moeten worden vernietigd, andere maatregelen mogen nemen die een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, mits deze maatregelen volgens de comitéprocedure zijn goedgekeurd. |
|
(5) |
Op 18 mei 2006 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een advies goedgekeurd over het BSE-risico van runderhuiden van cohortgenoten (3). De EFSA erkende dat de productie van leder vervaardigd uit de huiden van cohortgenoten een verwaarloosbaar risico vormt, mits deze dieren in speciale inrichtingen worden geslacht of tijdig van de normale slacht worden gescheiden, hun huiden duidelijk en onmiddellijk worden gekenmerkt voordat zij direct naar verwerkingsinstallaties worden vervoerd en bovendien alle gelooide en ongelooide bijproducten worden vernietigd. |
|
(6) |
Op 12 maart 2007 heeft het Verenigd Koninkrijk een officieel protocol gepresenteerd voor de kanalisering van alle huiden van runderen die vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk zijn geboren of gehouden (4) (het officieel protocol). Dit protocol staat volledig onder officieel toezicht en voldoet aan de voorwaarden die in het op 18 mei 2006 goedgekeurde advies van de EFSA worden aanbevolen. |
|
(7) |
Het Verenigd Koninkrijk moet daarom worden toegestaan voor de lederproductie gebruik te maken van runderhuiden van cohortgenoten die vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk zijn geboren of gehouden. |
|
(8) |
Om juridische redenen moet Beschikking 2005/598/EG worden ingetrokken en vervangen door een nieuwe beschikking waarvan de bepalingen, met uitzondering van die welke betrekking hebben op huiden, identiek zijn. |
|
(9) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
1. Er mogen geen producten die bestaan uit materialen, met uitzondering van melk, van vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk geboren of gehouden runderen of waarin dergelijke materialen zijn verwerkt, in de handel worden gebracht.
2. Bij de dood van vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk geboren of gehouden runderen worden alle delen van de dieren verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad (5).
3. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 en het bepaalde in artikel 13, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 999/2001 mogen de huiden van vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk geboren of gehouden runderen, met inbegrip van huiden van runderen als bedoeld in het derde streepje van punt 1, onder a), van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001, voor de lederproductie worden gebruikt. De verzameling, het vervoer en de verwerking van deze huiden vinden plaats in speciale erkende installaties en onder streng officieel toezicht overeenkomstig het door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde officiële protocol. Alle bijproducten, met uitzondering van leder, afkomstig van deze huiden en geproduceerd in de speciale installaties, worden verwijderd als categorie 1-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.
Artikel 2
1. Wanneer een overdraagbare spongiforme encefalopathie (TSE) wordt vermoed of officieel is bevestigd bij een vóór 1 augustus 1996 in het Verenigd Koninkrijk geboren of gehouden rund, wordt het Verenigd Koninkrijk vrijgesteld van toepassing van de voorschriften:
|
a) |
in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 999/2001 om de resterende dieren uit het betrokken bedrijf, met uitzondering van die welke in de periode van twaalf maanden na 1 augustus 1996 zijn geboren, aan een officiële verplaatsingsbeperking te onderwerpen in afwachting van het resultaat van een klinisch en epidemiologisch onderzoek; |
|
b) |
in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 999/2001 en bijlage VII bij die verordening betreffende bevestigde gevallen om andere dieren dan het bevestigde geval te identificeren en te vernietigen. |
2. De volgende dieren worden echter overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001 geïdentificeerd, gedood en vernietigd:
|
a) |
wanneer de ziekte bij een vrouwelijk dier bevestigd wordt, de nakomelingen die zijn geboren in de laatste twee jaar voordat of in de periode nadat de eerste klinische verschijnselen van de ziekte zich hebben voorgedaan; |
|
b) |
wanneer de ziekte wordt bevestigd bij een dier dat is geboren in de periode van twaalf maanden vóór 1 augustus 1996, de na 31 juli 1996 geboren cohortgenoten. |
Artikel 3
Beschikking 2005/598/EG wordt ingetrokken.
Artikel 4
Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2007.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1923/2006 (PB L 404 van 30.12.2006, blz. 1).
(2) PB L 204 van 5.8.2005, blz. 22.
(3) Te vinden op: http://www.efsa.europa.eu/en/science/biohaz/biohaz_opinions/1575.html
(4) Te vinden op: http://www.rpa.gov.uk/rpa/index.nsf/UIMenu/DF2A12FDD9D660C1802570D2003ED00C?Opendocument
III Besluiten op grond van het EU-Verdrag
BESLUITEN OP GROND VAN TITEL VI VAN HET EU-VERDRAG
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/76 |
BESLUIT 2007/412/JBZ VAN DE RAAD
van 12 juni 2007
tot wijziging van Besluit 2002/348/JBZ inzake veiligheid naar aanleiding van voetbalwedstrijden met een internationale dimensie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 30, lid 1, onder a) en b), en artikel 34, lid 2, onder c),
Gelet op het initiatief van de Republiek Oostenrijk (1),
Gezien het advies van het Europees Parlement (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Unie heeft zich onder meer ten doel gesteld de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht een hoog niveau van bescherming te verschaffen door de ontwikkeling van een gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politiële samenwerking. |
|
(2) |
Op 25 april 2002 heeft de Raad Besluit 2002/348/JBZ (3) aangenomen, waarbij voor elke lidstaat een nationaal informatiepunt betreffende voetbal werd aangewezen als contactpunt voor de uitwisseling van politiële informatie betreffende voetbalwedstrijden met een internationale dimensie. In dat besluit worden de door elk nationaal informatiepunt betreffende voetbal vast te stellen taken en procedures omschreven. |
|
(3) |
In het licht van de ervaringen van de voorbije jaren, zoals het Europees kampioenschap 2004, en de door deskundigen verrichte evaluatie van de internationale politiële samenwerking in het kader van dit kampioenschap en van de uitgebreide politiële samenwerking bij internationale en clubwedstrijden in Europa in het algemeen, dient het besluit te worden herzien en geactualiseerd. Het aantal supporters dat zich naar wedstrijden in het buitenland begeeft, is in de afgelopen jaren gestaag toegenomen. Derhalve dienen de bevoegde instanties hun samenwerking te versterken en hun informatie-uitwisseling te professionaliseren teneinde verstoringen van de openbare orde te voorkomen en elke lidstaat in staat te stellen een doeltreffende risicoanalyse te maken. De voorgestelde wijzigingen zijn het resultaat van de ervaringen die diverse nationale informatiepunten betreffende voetbal in hun dagelijkse werk hebben opgedaan, en moeten deze in staat stellen op een meer gestructureerde en professionele manier te werken en aldus de uitwisseling van hoogwaardige informatie te waarborgen. |
|
(4) |
De wijzigingen laten de bestaande nationale bepalingen, in het bijzonder de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende overheden en diensten in de betrokken lidstaten, en de uitoefening door de Commissie van de bevoegdheden waarover zij krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap beschikt, onverlet, |
BESLUIT:
Artikel 1
Besluit 2002/348/JBZ wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
De Raad evalueert de uitvoering van dit besluit uiterlijk op 12 juni 2010.
Artikel 3
Dit besluit wordt van kracht op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 12 juni 2007.
Voor de Raad
De voorzitter
W. SCHÄUBLE
(1) PB C 164 van 15.7.2006, blz. 30.
(2) Advies uitgebracht op 22 maart 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
|
15.6.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 155/78 |
BESLUIT VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,
van 12 juni 2007
houdende vaststelling van de regels voor de uitvoering van artikel 6 bis van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst)
(2007/413/JBZ)
DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN bij de Europol-overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie,
Gelet op de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst) (1), zoals gewijzigd bij het protocol tot wijziging van die overeenkomst (2), en met name op artikel 6 bis, lid 2,
Gezien het ontwerp opgesteld door de Raad van Bestuur en de raadpleging van het gemeenschappelijk controleorgaan,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De overeenkomstsluitende partijen, in het kader van de Raad bijeen, dienen regels voor de uitvoering van artikel 6 bis van de Europol-overeenkomst vast te stellen. |
|
(2) |
Dankzij de aanneming van dit besluit voldoen de overeenkomstsluitende partijen aan hun verplichting krachtens het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. |
|
(3) |
De overeenkomstsluitende partijen houden ook rekening met Aanbeveling R(87)15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987, dat het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied regelt, |
BESLUITEN:
Artikel 1
Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
a) |
„persoonsgegevens”: informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit; |
|
b) |
„verwerking van persoonsgegevens” („verwerking”): elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procédés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, wissen of vernietigen van gegevens; |
|
c) |
„geautomatiseerd gegevensbestand”: het bestand bedoeld in artikel 6, lid 1, van de Europol-overeenkomst; |
|
d) |
„informatiesysteem”: het systeem bedoeld in artikel 7, lid 1, van de Europol-overeenkomst; |
|
e) |
„werkbestand voor analyse”: een voor analysedoeleinden aangelegd bestand als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Europol-overeenkomst; |
|
f) |
„lidstaat”: een overeenkomstsluitende partij bij de Europol-overeenkomst; |
|
g) |
„derde”: een staat die geen lid is van de Europese Unie of een instelling, als bedoeld in artikel 10, lid 4, van de Europol-overeenkomst; |
|
h) |
„gemachtigd personeelslid van Europol”: een personeelslid van Europol dat door de directie van Europol is aangewezen om uit hoofde van dit besluit opgeslagen persoonsgegevens te verwerken. |
Artikel 2
Toepassingsgebied
Dit besluit is van toepassing op de persoonsgegevens die aan Europol zijn meegedeeld teneinde te bepalen of zij voor de taken van Europol relevant zijn en in het geautomatiseerd gegevensbestand kunnen worden opgenomen, met uitzondering van:
|
a) |
persoonsgegevens die in het gegevensbestand zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de Europol-overeenkomst; |
|
b) |
persoonsgegevens die door een lidstaat of een derde zijn aangeboden voor opname in een specifiek werkbestand voor analysedoeleinden, en persoonsgegevens die in een werkbestand voor analysedoeleinden zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 10 van de Europol-overeenkomst. |
Artikel 3
Toegang en gebruik
1. Alleen daartoe gemachtigde personeelsleden van Europol hebben toegang tot de persoonsgegevens die krachtens dit besluit door Europol worden verwerkt.
2. Onverminderd artikel 13 van de Europol-overeenkomst worden de persoonsgegevens die krachtens dit besluit door Europol worden verwerkt, alleen gebruikt om te bepalen of zij voor de taken van Europol relevant zijn en in het geautomatiseerd gegevensbestand kunnen worden opgenomen.
Artikel 4
Regels inzake de bescherming van persoonsgegevens en de beveiliging van de gegevens
1. Bij de verwerking van persoonsgegevens krachtens dit besluit neemt Europol de in de Europol-overeenkomst, met name in artikel 14, lid 3, en in de artikelen 16 en 25 vastgelegde regels inzake de bescherming van persoonsgegevens en de beveiliging van de gegevens, alsook de ter uitvoering daarvan vastgestelde regels in acht.
2. Indien Europol beslist deze gegevens in het geautomatiseerd gegevenssysteem op te nemen, of ze te wissen of te vernietigen, brengt het de lidstaat of de derde die de gegevens heeft verstrekt, daarvan op de hoogte.
Artikel 5
Bewaartermijn van de gegevens
1. Een besluit inzake het gebruik van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 3, lid 2, wordt zo spoedig mogelijk, en uiterlijk zes maanden nadat Europol deze gegevens heeft ontvangen, genomen.
2. Indien er na de termijn van zes maanden geen besluit is genomen, worden de betreffende persoonsgegevens gewist of vernietigd en wordt de lidstaat of de derde die de gegevens heeft verstrekt, daarvan op de hoogte gebracht.
Artikel 6
Verantwoordelijkheid
1. Europol is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3, 4 en 5 van dit besluit.
2. Europol deelt de raad van bestuur en het gemeenschappelijk controleorgaan mee hoe het voornemens is deze verantwoordelijkheid in praktijk te brengen alvorens het krachtens dit besluit gegevens begint te verwerken.
Artikel 7
Datum waarop het besluit van kracht wordt
Dit besluit wordt van kracht op de dag volgende op die waarop het bekend wordt gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 12 juni 2007.
Voor de Raad
De voorzitter
W. SCHÄUBLE