ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 63

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

50e jaargang
1 maart 2007


Inhoud

 

I   Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EG) nr. 184/2007 van de Commissie van 20 februari 2007 tot verlening van een vergunning voor kaliumdiformiaat (Formi LHS) als toevoegingsmiddel voor diervoeding  ( 1 )

1

 

*

Verordening (EG) nr. 185/2007 van de Commissie van 20 februari 2007 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen voor composteer- en biogasinstallaties krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad  ( 1 )

4

 

*

Verordening (EG) nr. 186/2007 van de Commissie van 21 februari 2007 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van Saccharomyces cerevisiae (Biosaf SC 47) als toevoegingsmiddel voor diervoeding  ( 1 )

6

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2007/8/EG van de Commissie van 20 februari 2007 tot wijziging van de bijlagen bij de Richtlijnen 76/895/EEG, 86/362/EEG en 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van fosfamidon en mevinfos  ( 1 )

9

 

*

Richtlijn 2007/9/EG van de Commissie van 20 februari 2007 tot wijziging van de bijlage bij Richtlijn 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van aldicarb  ( 1 )

17

 

*

Richtlijn 2007/10/EG van de Commissie van 21 februari 2007 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 92/119/EEG van de Raad wat betreft de in een beschermingsgebied te nemen maatregelen na een uitbraak van de vesiculaire varkensziekte  ( 1 )

24

 

*

Richtlijn 2007/11/EG van de Commissie van 21 februari 2007 tot wijziging van bepaalde bijlagen bij de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van acetamiprid, thiacloprid, imazosulfuron, methoxyfenozide, S-metholachloor, milbemectin en tribenuron  ( 1 )

26

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten op grond van het EG- en het Euratom-Verdrag waarvan publicatie verplicht is

VERORDENINGEN

1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/1


VERORDENING (EG) Nr. 184/2007 VAN DE COMMISSIE

van 20 februari 2007

tot verlening van een vergunning voor kaliumdiformiaat (Formi LHS) als toevoegingsmiddel voor diervoeding

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name op artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De toelating van toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de toelatingsgronden en -procedure, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor het in de bijlage opgenomen preparaat ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van die verordening vereiste gegevens en bescheiden zijn bij de aanvraag verstrekt.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor het preparaat kaliumdiformiaat (Formi LHS) als toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” voor biggen (gespeend) en mestvarkens.

(4)

De in de aanvraag voor de vergunning overeenkomstig artikel 7, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde analysemethode betreft de bepaling van de werkzame stof van het toevoegingsmiddel in diervoeding. De in de bijlage bij deze verordening bedoelde analysemethode kan daarom niet worden beschouwd als een communautaire analysemethode in de zin van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (2).

(5)

In haar advies van 14 februari 2006 (3) concludeert de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) dat de veiligheid van dit toevoegingsmiddel voor de consument, de gebruiker en het milieu reeds is vastgesteld en door de voorgestelde nieuwe toepassing niet zal veranderen. Zij concludeert verder dat het gebruik van het preparaat geen ongunstige gevolgen heeft voor deze diercategorie en dat het gebruik van dat preparaat de zoötechnische parameters (gemiddelde dagelijkse gewichtstoename, voederconversie) in biggen (gespeend) en mestvarkens kan verbeteren. Zij vindt dat de aanvrager een geschikt plan heeft verstrekt voor monitoring na het in de handel brengen. De EFSA beveelt aan om passende maatregelen te nemen met het oog op de veiligheid van de gebruiker. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat blijkt dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals omschreven in de bijlage moet daarom worden toegestaan.

(7)

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1810/2005 van de Commissie van 4 november 2005 ter verlening van een nieuwe vergunning voor tien jaar voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding, een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor nieuwe toepassingen van bepaalde al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (4) waarbij een vergunning voor dat gebruik werd verleend krachtens de overgangsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1831/2003 moet daarom worden geschrapt.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „andere zoötechnische toevoegingmiddelen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1810/2005 wordt geschrapt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie (PB L 59 van 5.3.2005, blz. 8).

(2)   PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1, gerectificeerd in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(3)  Opinion of the Scientific Panel on Additives and products or Substances used in Animal Feed on the safety and efficacy of the product „Formi LHS” as a feed additive for weaned piglets and pigs for fattening in accordance with Regulation (EC) No 1831/2003. Goedgekeurd op 14 februari 2006. The EFSA Journal (2006) 325, blz. 1-16.

(4)   PB L 291 van 5.11.2005, blz. 8.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel (handelsnaam)

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimum

Maximum

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: andere zoötechnische toevoegingsmiddelen (verbetering van prestatieparameters: gewichtstoename of voederconversie)

4d800

BASF Aktiengesellschaft

Kaliumdiformiaat

(Formi LHS)

Samenstelling toevoegingsmiddel:

kaliumdiformiaat: min. 98 %

silicaat: max. 1,5  %

water: max. 0,5  %

Werkzame stof:

kaliumdiformiaat, vast CAS-nr. 20642-05-1

Analysemethode  (1)

ionenchromatografie met geleidbaarheidsdetectie

Biggen (gespeend)

 

6 000

18 000

Te gebruiken tot ca. 35 kg.

Het mengsel van verschillende bronnen van kaliumdiformiaat mag het toegestane maximumgehalte in het volledige diervoeder van 18 000 mg/kg volledig diervoeder niet overschrijden.

Het toevoegingsmiddel moet worden opgenomen in mengvoeder in de vorm van een voormengsel.

Dit product kan ernstige oogletsels veroorzaken. Er moeten maatregelen worden getroffen om de werknemers te beschermen.

21.3.2017

 

 

 

 

Mestvarkens

 

6 000

12 000

Het mengsel van verschillende bronnen van kaliumdiformiaat mag het toegestane maximumgehalte in het volledige diervoeder van 12 000 mg/kg volledig diervoeder niet overschrijden.

Het toevoegingsmiddel moet worden opgenomen in mengvoeder in de vorm van een voormengsel.

Dit product kan ernstige oogletsels veroorzaken. Er moeten maatregelen worden getroffen om de werknemers te beschermen.

21.3.2017


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethode zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/html/crlfaa/


1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/4


VERORDENING (EG) Nr. 185/2007 VAN DE COMMISSIE

van 20 februari 2007

tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de overgangsmaatregelen voor composteer- en biogasinstallaties krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (1), en met name op artikel 32, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 zijn gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten vastgesteld. Gezien de stringente aard van die voorschriften is in overgangsmaatregelen voorzien.

(2)

Verordening (EG) nr. 809/2003 van de Commissie van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in composteerinstallaties (2) voorziet in bepaalde overgangsmaatregelen om het bedrijfsleven tot 31 december 2006 de tijd te geven om zich aan te passen en alternatieve verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in composteerinstallaties, te ontwikkelen.

(3)

Verordening (EG) nr. 810/2003 van de Commissie van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in biogasinstallaties (3) voorziet in bepaalde overgangsmaatregelen om het bedrijfsleven tot 31 december 2006 de tijd te geven om zich aan te passen en alternatieve verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in biogasinstallaties, te ontwikkelen.

(4)

Op 7 september 2005 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een advies inzake de veiligheid ten aanzien van biologische risico’s van de normen voor de verwerking van dierlijke bijproducten in biogas- en composteerinstallaties uitgebracht.

(5)

Op basis van het bovenvermelde EFSA-advies is op 7 februari 2006 Verordening (EG) nr. 208/2006 van de Commissie tot wijziging van de bijlagen VI en VIII bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de verwerkingsnormen voor biogas- en composteerinstallaties en de eisen voor mest (4) goedgekeurd, waarin voorschriften voor de validatie van alternatieve verwerkingsnormen worden vastgesteld.

(6)

De bij de Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 vastgestelde overgangsmaatregelen houden voor de betrokken exploitanten geen beperkingen in op het gebruik van de bij Verordening (EG) nr. 208/2006 ingevoerde validatieprocedure.

(7)

Alternatieve verwerkingsnormen kunnen nu door de bevoegde autoriteit van de lidstaten worden goedgekeurd indien de validatie met succes is uitgevoerd. De lidstaten hebben echter meer tijd nodig om de validatieprocedures af te ronden.

(8)

Bovendien wordt in bepaalde regio’s van de EU algemeen gebruikgemaakt van mesofiele gistingsprocessen. Aan deze processen is in het bovenvermelde EFSA-advies niet specifiek aandacht besteed. Het is echter mogelijk dat zij niet voldoen aan alle voorschriften die voor de validatie van alternatieve verwerkingsnormen zijn vastgesteld. Daarom heeft de Commissie de EFSA om advies verzocht over de veiligheid van het mesofiele gistingsproces. De EFSA is momenteel bezig met de evaluatie van de mogelijke risico’s van dit proces.

(9)

In afwachting van het advies van de EFSA en om de lidstaten extra tijd te geven voor de validatie van alternatieve processen, moeten de overgangsmaatregelen waarin de Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 voorzien, voor een verdere periode worden verlengd om de lidstaten in staat te stellen de exploitanten toe te staan de nationale voorschriften voor de verwerkingsnormen voor categorie 3-materiaal en mest, gebruikt in composteer- en biogasinstallaties, te blijven toepassen.

(10)

De Verordeningen (EG) nr. 809/2003 en (EG) nr. 810/2003 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 2, en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 809/2003 wordt de datum „31 december 2006” vervangen door „30 juni 2008”.

Artikel 2

In artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 2, en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 810/2003 wordt de datum „31 december 2006” vervangen door „30 juni 2008”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2007/2006 (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 98).

(2)   PB L 117 van 13.5.2003, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 209/2006 (PB L 36 van 8.2.2006, blz. 32).

(3)   PB L 117 van 13.5.2003, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 209/2006.

(4)   PB L 36 van 8.2.2006, blz. 25.


1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/6


VERORDENING (EG) Nr. 186/2007 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2007

tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van Saccharomyces cerevisiae (Biosaf SC 47) als toevoegingsmiddel voor diervoeding

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name op artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De toelating van toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de toelatingsgronden en -procedure, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor het in de bijlage opgenomen preparaat ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van die verordening vereiste gegevens en bescheiden zijn bij de aanvraag verstrekt.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van het preparaat Saccharomyces cerevisiae (NCYC Sc 47) (Biosaf SC 47) als toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” voor paarden.

(4)

De in de aanvraag voor de vergunning overeenkomstig artikel 7, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde analysemethode betreft de bepaling van de werkzame stof van het toevoegingsmiddel in diervoeding. De in de bijlage bij deze verordening bedoelde analysemethode kan daarom niet worden beschouwd als een communautaire analysemethode in de zin van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (2).

(5)

Voor het gebruik van het preparaat Saccharomyces cerevisiae (NCYC Sc 47) is een vergunning verleend voor mestrunderen bij Verordening (EG) nr. 316/2003 van de Commissie van 19 februari 2003 betreffende de permanente vergunning voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding en de voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (3), voor biggen (gespeend) bij Verordening (EG) nr. 2148/2004 van de Commissie van 16 december 2004 tot verlening van permanente en voorlopige vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen en een vergunning voor nieuwe toepassingen van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (4), voor zeugen bij Verordening (EG) nr. 1288/2004 van de Commissie van 14 juli 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (5), voor mestkonijnen bij Verordening (EG) nr. 600/2005 van de Commissie van 18 april 2005 tot verlening van een nieuwe vergunning voor tien jaar voor een coccidiostaticum als toevoegingsmiddel in diervoeding, een voorlopige vergunning voor een toevoegingsmiddel en een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (6), voor melkkoeien bij Verordening (EG) nr. 1811/2005 van de Commissie van 4 november 2005 tot verlening van voorlopige en permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (7) en voor mestlammeren bij Verordening (EG) nr. 1447/2006 van de Commissie van 29 september 2006 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van Saccharomyces cerevisiae (Biosaf SC 47) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (8).

(6)

Er zijn nieuwe gegevens ingediend ter staving van een aanvraag van een vergunning voor paarden. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 12 september 2006 geconcludeerd dat het preparaat Saccharomyces cerevisiae (NCYC Sc 47) geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu (9). Ook kwam zij tot de conclusie dat aan het preparaat Saccharomyces cerevisiae (NCYC Sc 47) voor deze nieuwe diercategorie geen andere risico's verbonden zijn die op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 de verlening van een vergunning in de weg zouden staan. Overeenkomstig dat advies is het gebruik van dat preparaat doeltreffend voor de verbetering van de vezelvertering bij paarden. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde communautaire referentielaboratorium was ingediend. Uit de beoordeling van het preparaat blijkt dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals omschreven in de bijlage moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verteringsbevorderaars”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie (PB L 59 van 5.3.2005, blz. 8).

(2)   PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1, gerectificeerd in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(3)   PB L 46 van 20.2.2003, blz. 15.

(4)   PB L 370 van 17.12.2004, blz. 24. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1980/2005 (PB L 318 van 6.12.2005, blz. 3).

(5)   PB L 243 van 15.7.2004, blz. 10. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1812/2005 (PB L 291 van 5.11.2005, blz. 18).

(6)   PB L 99 van 19.4.2005, blz. 5. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2028/2006 (PB L 414 van 30.12.2006, blz. 26).

(7)   PB L 291 van 5.11.2005, blz. 12.

(8)   PB L 271 van 30.9.2006, blz. 28.

(9)  Opinion of the Scientific Panel on Additives and Products or Substances used in Animal Feed on the safety and efficacy of the product „Biosaf Sc 47”, a preparation of Saccharomyces cerevisiae as a feed additive for horses. Goedgekeurd op 12 september 2006 The EFSA Journal (2006) 384, blz. 1-9.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel (handelsnaam)

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimum

Maximum

Andere bepalingen

Einde van de vergun-ningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars

4b1702

Société Industrielle Lesaffre

Saccharomyces cerevisiae NCYC Sc 47

(Biosaf Sc 47)

Samenstelling toevoegingsmiddel

Bereiding van Saccharomyces cerevisiae NCYC Sc 47 met ten minste 5x109 CFU/g

Karakterisering van de werkzame stof

Saccharomyces cerevisiae NCYC Sc 47

Analysemethoden  (1)

Gietplaatmethode onder gebruikmaking van chlooramfenicol-gistextractagar, gebaseerd op de ISO 7954-methode

Polymerasekettingreactie (PCR)

Paarden

 

8 × 108

7 × 109

De opslagtemperatuur, de maximale opslagduur en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden in de gebruiksaanwijzing van het toevoegingsmiddel en het voormengsel.

Aanbevolen doses:

1,25  × 1010 _ 6 × 1010 CFU per dier per dag.

21.3.2017


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het communautaire referentielaboratorium: www.irmm.jrc.be/html/crlfaa/


RICHTLIJNEN

1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/9


RICHTLIJN 2007/8/EG VAN DE COMMISSIE

van 20 februari 2007

tot wijziging van de bijlagen bij de Richtlijnen 76/895/EEG, 86/362/EEG en 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van fosfamidon en mevinfos

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 76/895/EEG van de Raad van 23 november 1976 betreffende de vaststelling van de maximale hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit (1), en met name op artikel 5,

Gelet op Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen (2), en met name op artikel 10,

Gelet op Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (3), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor granen en producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit, worden de residugehalten vastgesteld op basis van een zodanige toepassing van de minimumhoeveelheden bestrijdingsmiddelen die voor een effectieve gewasbescherming nodig zijn, dat de hoeveelheid residu zo klein mogelijk en tegelijk toxicologisch aanvaardbaar is, met name uit een oogpunt van milieubescherming en gelet op de geschatte inname via de voeding. Voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden de residugehalten vastgesteld op basis van het verbruik door dieren van met bestrijdingsmiddelen behandelde granen en producten van plantaardige oorsprong en, in voorkomend geval, de rechtstreekse gevolgen van het gebruik van diergeneesmiddelen. De communautaire maximumresidugehalten (MRL's) komen overeen met de bovengrens van de hoeveelheden residu die naar verwachting in producten kunnen worden gevonden wanneer goede landbouwpraktijken in acht zijn genomen.

(2)

De MRL's voor bestrijdingsmiddelen worden voortdurend opnieuw bekeken en gewijzigd om rekening te houden met nieuwe gegevens en informatie. De MRL's worden vastgesteld op de ondergrens van de analytische bepaling wanneer de toegelaten toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen geen detecteerbare gehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op het levensmiddel opleveren, wanneer voor geen enkele toepassing een toelating bestaat, wanneer de door de lidstaten toegelaten toepassingen niet met de nodige gegevens zijn onderbouwd, of wanneer toepassingen in derde landen die residuen opleveren in of op levensmiddelen die in de gemeenschappelijke markt in het vrije verkeer kunnen worden gebracht, niet met de nodige gegevens zijn onderbouwd.

(3)

De Commissie is ervan in kennis gesteld dat het mogelijk is dat de huidige MRL’s voor fosfamidon en mevinfos moeten worden herzien in het licht van de beschikbaarheid van nieuwe informatie over toxicologie en inname door de consument. De Commissie heeft de betrokken rapporterende lidstaten verzocht voorstellen voor de herziening van de communautaire MRL’s te doen. Dergelijke voorstellen zijn bij de Commissie ingediend.

(4)

De totale blootstelling van consumenten tijdens hun leven en de kortdurende blootstelling aan elk van de in deze richtlijn genoemde bestrijdingsmiddelen via levensmiddelen is opnieuw beoordeeld en geëvalueerd volgens de communautaire procedures en methoden, met inachtneming van de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gepubliceerde richtsnoeren (4). Op grond daarvan moeten nieuwe MRL's worden vastgesteld, zodat geen onaanvaardbare blootstelling van de consument optreedt.

(5)

Voor zover relevant is de acute blootstelling van consumenten aan die bestrijdingsmiddelen via elk van de levensmiddelen die residuen daarvan kunnen bevatten, geraamd en geëvalueerd volgens de communautaire procedures en methoden, met inachtneming van de door de Wereldgezondheidsorganisatie gepubliceerde richtsnoeren. Op grond hiervan is geconcludeerd dat de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresiduen met inachtneming van de in deze richtlijn voorgestelde MRL's geen acute toxische effecten veroorzaakt.

(6)

De handelspartners van de Gemeenschap zijn via de Wereldhandelsorganisatie over de in deze richtlijn vastgestelde MRL's geraadpleegd en met hun opmerkingen is rekening gehouden.

(7)

De bijlagen bij de Richtlijnen 76/895/EEG, 86/362/EEG en 90/642/EEG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage II bij Richtlijn 76/895/EEG worden de gegevens met betrekking tot fosfamidon en mevinfos geschrapt.

Artikel 2

Richtlijn 86/362/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 3

Richtlijn 90/642/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 4

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 1 september 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 2 september 2007.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 340 van 9.12.1976, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/92/EG van de Commissie (PB L 311 van 10.11.2006, blz. 31).

(2)   PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/92/EG van de Commissie.

(3)   PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/92/EG van de Commissie.

(4)  Richtsnoeren voor het voorspellen van de opname via de voeding van residuen van bestrijdingsmiddelen (herziene versie), opgesteld door GEMS/voedselprogramma in samenwerking met het Codex-comité voor residuen van bestrijdingsmiddelen, gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie, 1997 (WHO/FSF/FOS/97.7).


BIJLAGE I

In deel A van bijlage II bij Richtlijn 86/362/EEG worden de volgende regels voor fosfamidon en mevinfos toegevoegd:

Residuen van bestrijdingsmiddelen

Maximumgehalte in mg/kg

„Fosfamidon

0,01  (*1)

Granen

Mevinfos, som van E- en Z-isomeer

0,01  (*1)

Granen


(*1)  Geeft de ondergrens van de analytische bepaling aan.”.


BIJLAGE II

In deel A van bijlage II bij Richtlijn 90/642/EEG worden de volgende kolommen voor fosfamidon en mevinfos toegevoegd:

Residuen van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan residuen (mg/kg)

Groepen en voorbeelden van afzonderlijke producten waarop de maximumgehalten van residuen van bestrijdingsmiddelen van toepassing zijn

Fosfamidon

Mevinfos, som van E- en Z-isomeer

„1.

Fruit, vers, gedroogd of ongekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker; noten

0,01  (*1)

0,01  (*1)

i)

CITRUSVRUCHTEN

 

 

Grapefruits

 

 

Citroenen

 

 

Limoenen

 

 

Mandarijnen (inclusief clementines en andere kruisingen)

 

 

Sinaasappelen

 

 

Pomelo’s

 

 

Andere

 

 

ii)

NOTEN (al dan niet in de dop, schil of schaal)

 

 

Amandelen

 

 

Paranoten

 

 

Cashewnoten

 

 

Kastanjes

 

 

Kokosnoten

 

 

Hazelnoten

 

 

Macadamianoten

 

 

Pecannoten

 

 

Pijnboompitten

 

 

Pistaches (pimpernoten)

 

 

Walnoten

 

 

Andere

 

 

iii)

PITVRUCHTEN

 

 

Appelen

 

 

Peren

 

 

Kweeperen

 

 

Andere

 

 

iv)

STEENVRUCHTEN

 

 

Abrikozen

 

 

Kersen

 

 

Perziken (inclusief nectarines en soortgelijke kruisingen)

 

 

Pruimen

 

 

Andere

 

 

v)

BESVRUCHTEN EN KLEIN FRUIT

 

 

a)

Tafel- en wijndruiven

 

 

Tafeldruiven

 

 

Wijndruiven

 

 

b)

Aardbeien (andere dan bosaardbeien)

 

 

c)

Rubussoorten (andere dan wilde vruchten)

 

 

Bramen

 

 

Dauwbramen

 

 

Loganbessen

 

 

Frambozen

 

 

Andere

 

 

d)

Ander klein fruit en besvruchten (voor zover niet wild)

 

 

Blauwe bosbessen

 

 

Veenbessen

 

 

Aalbessen (rood, zwart en wit)

 

 

Kruisbessen

 

 

Andere

 

 

e)

Wilde besvruchten en wilde vruchten

 

 

vi)

DIVERSE VRUCHTEN

 

 

Avocado’s

 

 

Bananen

 

 

Dadels

 

 

Vijgen

 

 

Kiwi’s

 

 

Kumquats

 

 

Lychees

 

 

Mango’s

 

 

Olijven (tafelolijven)

 

 

Olijven (olieproductie)

 

 

Papaja’s

 

 

Passievruchten

 

 

Ananassen

 

 

Granaatappels

 

 

Andere

 

 

2.

Groenten, vers of ongekookt, bevroren of gedroogd

0,01  (*1)

0,01  (*1)

i)

WORTEL- EN KNOLGEWASSEN

 

 

Rode bieten

 

 

Wortelen

 

 

Cassave

 

 

Knolselderij

 

 

Mierikswortel (peperwortel)

 

 

Aardperen (topinamboers)

 

 

Pastinaken

 

 

Wortelpeterselie

 

 

Radijzen

 

 

Schorseneren

 

 

Bataten (zoete aardappelen)

 

 

Koolrapen

 

 

Rapen

 

 

Yams

 

 

Andere

 

 

ii)

BOLGEWASSEN

 

 

Knoflook

 

 

Uien

 

 

Sjalotten

 

 

Bosuien

 

 

Andere

 

 

iii)

VRUCHTGROENTEN

 

 

a)

Solanaceae

 

 

Tomaten

 

 

Pepers (paprika’s)

 

 

Aubergines

 

 

Okra’s

 

 

Andere

 

 

b)

Cucurbitaceae met eetbare schil

 

 

Komkommers

 

 

Augurken

 

 

Courgettes

 

 

Andere

 

 

c)

Cucurbitaceae met niet-eetbare schil

 

 

Meloenen

 

 

Pompoenen

 

 

Watermeloenen

 

 

Andere

 

 

d)

Suikermais

 

 

iv)

KOOLSOORTEN

 

 

a)

Bloemkoolachtigen

 

 

Broccoli

 

 

Bloemkool

 

 

Andere

 

 

b)

Sluitkoolachtigen

 

 

Spruitjes

 

 

Sluitkool

 

 

Andere

 

 

c)

Bladkoolachtigen

 

 

Chinese kool

 

 

Boerenkool

 

 

Andere

 

 

d)

Koolrabi

 

 

v)

BLADGROENTEN EN VERSE KRUIDEN

 

 

a)

Sla en dergelijke

 

 

Tuinkers

 

 

Veldsla

 

 

Sla

 

 

Andijvie

 

 

Rucola

 

 

Bladeren en stengels van koolsoorten

 

 

Andere

 

 

b)

Spinazie en dergelijke

 

 

Spinazie

 

 

Snijbiet

 

 

Andere

 

 

c)

Waterkers

 

 

d)

Witlof

 

 

e)

Kruiden

 

 

Kervel

 

 

Bieslook

 

 

Peterselie

 

 

Bladselderij

 

 

Andere

 

 

vi)

PEULGROENTEN (vers)

 

 

Bonen (met peul)

 

 

Bonen (zonder peul)

 

 

Erwten (met peul)

 

 

Erwten (zonder peul)

 

 

Andere

 

 

vii)

STENGELGROENTEN (vers)

 

 

Asperges

 

 

Kardoen

 

 

Bleekselderij

 

 

Knolvenkel

 

 

Artisjokken

 

 

Prei

 

 

Rabarber

 

 

Andere

 

 

viii)

FUNGI

 

 

a)

Gekweekte paddenstoelen

 

 

b)

Wilde paddenstoelen

 

 

3.

Peulvruchten

0,01  (*1)

0,01  (*1)

Bonen

 

 

Linzen

 

 

Erwten

 

 

Lupinen

 

 

Andere

 

 

4.

Oliehoudende zaden

0,01  (*1)

0,01  (*1)

Lijnzaad

 

 

Pinda’s

 

 

Papaverzaad

 

 

Sesamzaad

 

 

Zonnebloempitten

 

 

Kool- en raapzaad

 

 

Sojabonen

 

 

Mosterdzaad

 

 

Katoenzaad

 

 

Hennepzaad

 

 

Andere

 

 

5.

Aardappelen

0,01  (*1)

0,01  (*1)

Vroege aardappelen

 

 

Bewaaraardappelen

 

 

6.

Thee (gedroogde bladeren en stengels, al dan niet gefermenteerd, van Camellia sinensis)

0,02  (*1)

0,02  (*1)

7.

Hop (gedroogd), inclusief hoppellets en niet-geconcentreerd poeder

0,02  (*1)

0,02  (*1)


(*1)  Geeft de ondergrens van de analytische bepaling aan.”.


1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/17


RICHTLIJN 2007/9/EG VAN DE COMMISSIE

van 20 februari 2007

tot wijziging van de bijlage bij Richtlijn 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van aldicarb

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (1), en met name op artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor granen en producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit, worden de residugehalten vastgesteld op basis van een zodanige toepassing van de minimumhoeveelheden bestrijdingsmiddelen die voor een effectieve gewasbescherming nodig zijn, dat de hoeveelheid residu zo klein mogelijk en tegelijk toxicologisch aanvaardbaar is, met name uit een oogpunt van milieubescherming en gelet op de geschatte inname via de voeding. De communautaire maximumresidugehalten (MRL's) komen overeen met de bovengrens van de hoeveelheden residu die naar verwachting in producten kunnen worden gevonden wanneer goede landbouwpraktijken in acht zijn genomen.

(2)

De MRL's voor bestrijdingsmiddelen worden voortdurend opnieuw bekeken en gewijzigd om rekening te houden met nieuwe gegevens en informatie. De MRL's worden vastgesteld op de ondergrens van de analytische bepaling wanneer de toegelaten toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen geen detecteerbare gehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op het levensmiddel opleveren, wanneer voor geen enkele toepassing een toelating bestaat, wanneer de door de lidstaten toegelaten toepassingen niet met de nodige gegevens zijn onderbouwd, of wanneer toepassingen in derde landen die residuen opleveren in of op levensmiddelen die op de communautaire markt in het vrije verkeer kunnen worden gebracht, niet met de nodige gegevens zijn onderbouwd.

(3)

Een lidstaat heeft de Commissie gemeld de nationale MRL's overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 90/642/EEG te willen herzien omdat deze lidstaat zich zorgen maakt over de inname door de consument. Voorstellen voor de herziening van de communautaire MRL's zijn bij de Commissie ingediend.

(4)

De totale blootstelling van consumenten tijdens hun leven en de kortdurende blootstelling aan het in deze richtlijn genoemde bestrijdingsmiddel via levensmiddelen is opnieuw beoordeeld en geëvalueerd volgens de communautaire procedures en methoden, met inachtneming van de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gepubliceerde richtsnoeren (2). Op grond daarvan moeten nieuwe MRL's worden vastgesteld, zodat geen onaanvaardbare blootstelling van de consument optreedt.

(5)

Voor zover relevant is de acute blootstelling van consumenten aan dat bestrijdingsmiddel via elk van de levensmiddelen die residuen daarvan kunnen bevatten, geraamd en geëvalueerd volgens de communautaire procedures en methoden, met inachtneming van de door de Wereldgezondheidsorganisatie gepubliceerde richtsnoeren. Op grond hiervan is geconcludeerd dat de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresiduen met inachtneming van de in deze richtlijn voorgestelde MRL's geen acute toxische effecten veroorzaakt.

(6)

De handelspartners van de Gemeenschap zijn via de Wereldhandelsorganisatie over de in deze richtlijn vastgestelde MRL's geraadpleegd en met hun opmerkingen is rekening gehouden.

(7)

Op verzoek van de Commissie heeft de EFSA (3) een advies uitgebracht over het risico van de MRL's voor aldicarb in deze richtlijn.

(8)

De bijlagen bij Richtlijn 90/642/EEG moeten dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel A van bijlage II bij Richtlijn 90/642/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 1 september 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 2 september 2007.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/92/EG van de Commissie (PB L 311 van 10.11.2006, blz. 31).

(2)  Richtsnoeren voor het voorspellen van de opname via de voeding van residuen van bestrijdingsmiddelen (herziene versie), opgesteld door GEMS/voedselprogramma in samenwerking met het Codex-comité voor residuen van bestrijdingsmiddelen, gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie, 1997 (WHO/FSF/FOS/97.7).

(3)  The EFSA Journal (2006) 409, blz. 1-23.


BIJLAGE

In deel A van bijlage II bij Richtlijn 90/642/EEG worden de regels voor aldicarb vervangen door:

Residuen van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan residuen (mg/kg)

Groepen en voorbeelden van afzonderlijke producten waarop de maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen van toepassing zijn

Aldicarb (som van aldicarb, het sulfoxide en het sulfon daarvan, uitgedrukt als aldicarb)

„1.

Fruit, vers, gedroogd of ongekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker; noten

0,02  (*1)

i)

CITRUSVRUCHTEN

 

Grapefruits

 

Citroenen

 

Limoenen

 

Mandarijnen (inclusief clementines en andere kruisingen)

 

Sinaasappelen

 

Pomelo’s

 

Andere

 

ii)

NOTEN (al dan niet in de dop, schil of schaal)

 

Amandelen

 

Paranoten

 

Cashewnoten

 

Kastanjes

 

Kokosnoten

 

Hazelnoten

 

Macadamianoten

 

Pecannoten

 

Pijnboompitten

 

Pistaches (pimpernoten)

 

Walnoten

 

Andere

 

iii)

PITVRUCHTEN

 

Appelen

 

Peren

 

Kweeperen

 

Andere

 

iv)

STEENVRUCHTEN

 

Abrikozen

 

Kersen

 

Perziken (inclusief nectarines en soortgelijke kruisingen)

 

Pruimen

 

Andere

 

v)

BESVRUCHTEN EN KLEIN FRUIT

 

a)

Tafel- en wijndruiven

 

Tafeldruiven

 

Wijndruiven

 

b)

Aardbeien (andere dan bosaardbeien)

 

c)

Rubussoorten (andere dan wilde vruchten)

 

Bramen

 

Dauwbramen

 

Loganbessen

 

Frambozen

 

Andere

 

d)

Ander klein fruit en besvruchten (voor zover niet wild)

 

Blauwe bosbessen

 

Veenbessen

 

Aalbessen (rood, zwart en wit)

 

Kruisbessen

 

Andere

 

e)

Wilde besvruchten en wilde vruchten

 

vi)

DIVERSE VRUCHTEN

 

Avocado’s

 

Bananen

 

Dadels

 

Vijgen

 

Kiwi’s

 

Kumquats

 

Lychees

 

Mango’s

 

Olijven (tafelolijven)

 

Olijven (olieproductie)

 

Papaja’s

 

Passievruchten

 

Ananassen

 

Granaatappels

 

Andere

 

2.

Groenten, vers of ongekookt, bevroren of gedroogd

 

i)

WORTEL- EN KNOLGEWASSEN

0,02  (*1)

Rode bieten

 

Wortelen

 

Cassave

 

Knolselderij

 

Mierikswortel (peperwortel)

 

Aardperen (topinamboer)

 

Pastinaken

 

Wortelpeterselie

 

Radijzen

 

Schorseneren

 

Bataten (zoete aardappelen)

 

Koolrapen

 

Rapen

 

Yams

 

Andere

 

ii)

BOLGEWASSEN

0,05

Knoflook

 

Uien

 

Sjalotten

 

Bosuien

 

Andere

 

iii)

VRUCHTGROENTEN

0,02  (*1)

a)

Solanaceae

 

Tomaten

 

Pepers (paprika’s)

 

Aubergines

 

Okra’s

 

Andere

 

b)

Cucurbitaceae met eetbare schil

 

Komkommers

 

Augurken

 

Courgettes

 

Andere

 

c)

Cucurbitaceae met niet-eetbare schil

 

Meloenen

 

Pompoenen

 

Watermeloenen

 

Andere

 

d)

Suikermais

 

iv)

KOOLSOORTEN

0,02  (*1)

a)

Bloemkoolachtigen

 

Broccoli

 

Bloemkool

 

Andere

 

b)

Sluitkoolachtigen

 

Spruitjes

 

Sluitkool

 

Andere

 

c)

Bladkoolachtigen

 

Chinese kool

 

Boerenkool

 

Andere

 

d)

Koolrabi

 

v)

BLADGROENTEN EN VERSE KRUIDEN

0,02  (*1)

a)

Sla en dergelijke

 

Tuinkers

 

Veldsla

 

Sla

 

Andijvie

 

Rucola

 

Bladeren en stengels van koolsoorten

 

Andere

 

b)

Spinazie en dergelijke

 

Spinazie

 

Snijbiet

 

Andere

 

c)

Waterkers

 

d)

Witlof

 

e)

Kruiden

 

Kervel

 

Bieslook

 

Peterselie

 

Bladselderij

 

Andere

 

vi)

PEULGROENTEN (vers)

0,02  (*1)

Bonen (met peul)

 

Bonen (zonder peul)

 

Erwten (met peul)

 

Erwten (zonder peul)

 

Andere

 

vii)

STENGELGROENTEN (vers)

0,02  (*1)

Asperges

 

Kardoen

 

Bleekselderij

 

Knolvenkel

 

Artisjokken

 

Prei

 

Rabarber

 

Andere

 

viii)

FUNGI

0,02  (*1)

a)

Gekweekte paddenstoelen

 

b)

Wilde paddenstoelen

 

3.

Peulvruchten

0,02  (*1)

Bonen

 

Linzen

 

Erwten

 

Lupinen

 

Andere

 

4.

Oliehoudende zaden

0,05  (*1)

Lijnzaad

 

Pinda’s

 

Papaverzaad

 

Sesamzaad

 

Zonnebloempitten

 

Kool- en raapzaad

 

Sojabonen

 

Mosterdzaad

 

Katoenzaad

 

Hennepzaad

 

Andere

 

5.

Aardappelen

0,02  (*1)

Vroege aardappelen

 

Bewaaraardappelen

 

6.

Thee (gedroogde bladeren en stengels, al dan niet gefermenteerd, van Camellia sinensis)

0,05  (*1)

7.

Hop (gedroogd), inclusief hoppellets en niet-geconcentreerd poeder

0,05  (*1)


(*1)  Geeft de ondergrens van de analytische bepaling aan.”


1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/24


RICHTLIJN 2007/10/EG VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2007

tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 92/119/EEG van de Raad wat betreft de in een beschermingsgebied te nemen maatregelen na een uitbraak van de vesiculaire varkensziekte

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (1), en met name op artikel 24, lid 2,

Gelet op Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (2), en met name op artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 92/119/EEG zijn maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten vastgesteld. Bijlage II bij die richtlijn bevat specifieke bepalingen betreffende de vesiculaire varkensziekte.

(2)

Daar de Richtlijnen 72/461/EEG (3) en 80/215/EEG (4) van de Raad met ingang van 1 januari 2006 zijn ingetrokken, moeten de verwijzingen naar die richtlijnen in Richtlijn 92/119/EEG worden vervangen door verwijzingen naar de bijlagen II en III bij Richtlijn 2002/99/EG.

(3)

Het is wenselijk te voorzien in een specifieke oplossing met betrekking tot het merken van vlees en het latere gebruik ervan alsmede de bestemming van de behandelde producten, voor zover de gezondheidssituatie in verband met de vesiculaire varkensziekte het toelaat, mits dit op zodanige wijze geschiedt dat het door de intracommunautaire of internationale handel geboden niveau van bescherming tegen de vesiculaire varkensziekte niet wordt verlaagd.

(4)

Sommige lidstaten hebben de Commissie meegedeeld dat het identificatiemerk als bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 2002/99/EG door de exploitanten en de afnemers in het bedrijfsleven slecht wordt geaccepteerd. Het is dan ook wenselijk te voorzien in een alternatief identificatiemerk dat de lidstaten kunnen besluiten toe te passen. Ten behoeve van de controles is het echter belangrijk dat de lidstaten de Commissie vooraf op de hoogte brengen als zij besluiten het alternatieve identificatiemerk toe te passen bij een uitbraak van de vesiculaire varkensziekte.

(5)

Het alternatieve identificatiemerk waarin deze richtlijn voorziet, moet duidelijk te onderscheiden zijn van andere identificatiemerken die op varkensvlees moeten worden aangebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (5) of Verordening (EG) nr. 2076/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van overgangsregelingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 854/2004 (6).

(6)

In tegenstelling tot de algemene bepalingen van artikel 13 van Richtlijn 92/119/EEG voorzien de specifieke bepalingen inzake de vesiculaire varkensziekte in bijlage II bij die richtlijn niet in de toestemming om de dieren van een bedrijf in het beschermingsgebied af te voeren indien het afvoerverbod langer dan dertig dagen wordt gehandhaafd in verband met nieuwe ziektegevallen. Het is wenselijk in een dergelijke afwijking te voorzien voor bedrijven waar het problemen zou opleveren om de dieren langer dan dertig dagen onder te brengen.

(7)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Punt 7 van bijlage II bij Richtlijn 92/119/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt g) wordt vervangen door:

„g)

vlees van varkens als bedoeld in punt f), i):

i)

wordt niet in de intracommunautaire of internationale handel gebracht en draagt het in bijlage II bij Richtlijn 2002/99/EG van de Raad (*1) vastgestelde keurmerk voor vers vlees;

ii)

wordt gescheiden van het voor de intracommunautaire en internationale handel bestemde vlees verkregen, versneden, vervoerd en opgeslagen en er wordt op toegezien dat het niet wordt verwerkt in vleesproducten die bestemd zijn voor de intracommunautaire of internationale handel, tenzij het een in bijlage III bij Richtlijn 2002/99/EG beschreven behandeling heeft ondergaan;

(*1)   PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.”;"

b)

het volgende punt h) wordt toegevoegd:

„h)

i)

in afwijking van punt g) kunnen de lidstaten voor vlees van varkens als bedoeld in punt f), i) besluiten een ander identificatiemerk te gebruiken dan het bijzondere identificatiemerk als bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 2002/99/EG, mits het duidelijk te onderscheiden is van andere identificatiemerken die op varkensvlees moeten worden aangebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (*2) of Verordening (EG) nr. 2076/2005 van de Commissie (*3).

De lidstaten die besluiten het alternatieve identificatiemerk te gebruiken, brengen de Commissie daarvan op de hoogte in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid;

ii)

voor de toepassing van punt i) moet het identificatiemerk duidelijk zichtbaar en onuitwisbaar zijn en moeten de letters en cijfers gemakkelijk leesbaar zijn. Het identificatiemerk moet de volgende vorm hebben en de volgende gegevens bevatten:

Image 1

XY

1234

XY staat voor de landcode overeenkomstig bijlage II, sectie I, deel B, punt 6, van Verordening (EG) nr. 853/2004.

1234 staat voor het erkenningsnummer van de inrichting bedoeld in bijlage II, sectie I, deel B, punt 7, van Verordening (EG) nr. 853/2004.

(*2)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55, gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22."

(*3)   PB L 338 van 22.12.2005, blz. 83.”."

2)

Het volgende punt 5 wordt toegevoegd:

„5.

indien de in punt 2, onder f), bedoelde verbodsbepalingen langer dan dertig dagen worden gehandhaafd in verband met nieuwe ziektegevallen, en indien als gevolg daarvan het onderbrengen van de dieren problemen oplevert, kan de bevoegde autoriteit, indien de eigenaar een met redenen omkleed verzoek daartoe heeft ingediend en mits de officiële dierenarts de feiten heeft geconstateerd, toestemming verlenen om de dieren van een bedrijf in het beschermingsgebied af te voeren. Punt 2, onder f) en h), is van overeenkomstige toepassing.”.

Artikel 2

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 62 van 15.3.1993, blz. 69. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(2)   PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(3)   PB L 302 van 31.12.1972, blz. 24. Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 33).

(4)   PB L 47 van 21.2.1980, blz. 4. Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 2004/41/EG.

(5)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55, gerectificeerd in PB L 226 van 25.6.2004, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(6)   PB L 338 van 22.12.2005, blz. 83.


1.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/26


RICHTLIJN 2007/11/EG VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2007

tot wijziging van bepaalde bijlagen bij de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG van de Raad wat betreft maximumgehalten aan residuen van acetamiprid, thiacloprid, imazosulfuron, methoxyfenozide, S-metholachloor, milbemectin en tribenuron

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen (1), en met name op artikel 10,

Gelet op Richtlijn 86/363/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2), en met name op artikel 10,

Gelet op Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (3), en met name op artikel 7,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (4), en met name op artikel 4, lid 1, onder f),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bestaande werkzame stof tribenuron is bij Richtlijn 2005/54/EG van de Commissie (5) opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG.

(2)

De volgende nieuwe werkzame stoffen zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG: acetamiprid en thiacloprid bij Richtlijn 2004/99/EG van de Commissie (6), imazosulfuron, methoxyfenozide en S-metholachloor bij Richtlijn 2005/3/EG van de Commissie (7), en milbemectin bij Richtlijn 2005/58/EG van de Commissie (8).

(3)

De betrokken werkzame stoffen zijn in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen op grond van de evaluatie van de informatie die is verstrekt met betrekking tot het voorgestelde gebruik. Sommige lidstaten hebben informatie betreffende dit gebruik verstrekt overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van die richtlijn. De beschikbare informatie is onderzocht en is toereikend om een aantal maximumresidugehalten (MRL's) vast te stellen.

(4)

Wanneer nog geen communautair MRL of voorlopig MRL bestaat, moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG een nationaal voorlopig MRL vaststellen voordat gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, mogen worden toegelaten.

(5)

In de evaluatieverslagen van de Commissie die werden opgesteld voor de opneming van de desbetreffende werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, is de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) en, zo nodig, de acute referentiedosis (ARfD) voor die stoffen vastgesteld. De blootstelling van consumenten aan met de betrokken werkzame stof behandelde levensmiddelen is geraamd en geëvalueerd volgens de communautaire procedures en methoden. Voorts is rekening gehouden met de door de Wereldgezondheidsorganisatie gepubliceerde richtsnoeren (9) en met het advies van het Wetenschappelijk Comité voor planten (10) over de gebruikte methoden. De conclusie was dat de voorgestelde MRL's niet leiden tot overschrijding van die ADI of ARfD.

(6)

Om ervoor te zorgen dat de consument op adequate wijze wordt beschermd tegen blootstelling aan residuen als gevolg van ongeoorloofd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, moeten voor dergelijke combinaties product/bestrijdingsmiddel voorlopige MRL's worden vastgesteld op de ondergrens van de analytische bepaling.

(7)

De vaststelling op communautair niveau van dergelijke voorlopige MRL's laat onverlet dat de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG en bijlage VI daarbij voorlopige MRL's voor de betrokken stoffen mogen vaststellen. Een periode van vier jaar wordt voldoende geacht om de ontwikkeling van andere toepassingen van de betrokken werkzame stof mogelijk te maken. Daarna moeten de voorlopige MRL's definitief worden.

(8)

De in de bijlagen bij de Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG opgenomen MRL's moeten daarom worden gewijzigd om te zorgen voor een degelijke bewaking van en controle op dit toepassingsverbod en om de consument te beschermen. Als in de bijlagen bij die richtlijnen reeds MRL's zijn vastgesteld, moeten die worden gewijzigd. Als er nog geen MRL's zijn bepaald, moeten die voor het eerst worden vastgesteld.

(9)

De Richtlijnen 86/362/EEG, 86/363/EEG en 90/642/EEG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 86/362/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 2

Richtlijn 86/363/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 3

Richtlijn 90/642/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze richtlijn.

Artikel 4

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 1 september 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 2 september 2007.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/92/EG van de Commissie (PB L 311 van 10.11.2006, blz. 31).

(2)   PB L 221 van 7.8.1986, blz. 43. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/62/EG van de Commissie (PB L 206 van 27.7.2006, blz. 27).

(3)   PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/92/EG van de Commissie.

(4)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/136/EG van de Commissie (PB L 349 van 12.12.2006, blz. 42).

(5)   PB L 244 van 20.9.2005, blz. 21.

(6)   PB L 309 van 6.10.2004, blz. 6.

(7)   PB L 20 van 22.1.2005, blz. 19.

(8)   PB L 246 van 22.9.2005, blz. 17.

(9)  Richtsnoeren voor het voorspellen van de opname via de voeding van residuen van bestrijdingsmiddelen (herziene versie), opgesteld door GEMS/voedselprogramma in samenwerking met het Codex-comité voor residuen van bestrijdingsmiddelen, gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie, 1997 (WHO/FSF/FOS/97.7).

(10)  Opinion of the Scientific Committee on Plants regarding questions relating to amending the annexes to Council Directives 86/362/EEC, 86/363/EEC and 90/642/EEC (advies van het Wetenschappelijk Comité voor planten van 14 juli 1998) (http://europa.eu.int/comm/food/fs/sc/index_en.html).


BIJLAGE I

In deel A van bijlage II bij Richtlijn 86/362/EEG worden de volgende regels voor acetamiprid, thiacloprid, imazosulfuron, methoxyfenozide, S-metholachloor, milbemectin, thiacloprid en tribenuron toegevoegd:

Residuen van bestrijdingsmiddelen

Maximumgehalte in mg/kg

„Acetamiprid

0,01  (*1)  (1)

Granen

Imazosulfuron

0,01  (*1)  (1)

Granen

Methoxyfenozide

0,05  (*1)  (1)

Granen

Metholachloor, inclusief andere mengsels van samenstellende isomeren, waaronder S-metolachloor (som van de isomeren)

0,05  (*1)  (1)

Granen

Som van MA4 + 8,9 Z-MA4, uitgedrukt als milbemectin

0,05  (*1)  (1)

Granen

Thiacloprid

0,02  (*1)  (1)

Granen

Tribenuron — methyl

0,01  (*1)  (1)

Granen


(*1)  Geeft de ondergrens van de analytische bepaling aan.

(1)  

(p)

Geeft aan dat het maximumresidugehalte voorlopig is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG: behoudens wijzigingen wordt dit gehalte definitief met ingang van 21 maart 2011.”

BIJLAGE II

In deel A van bijlage II bij Richtlijn 86/363/EEG worden de volgende regels voor acetamiprid, methoxyfenozide en thiachloprid toegevoegd:

 

Maximumgehalte in mg/kg

Residuen van bestrijdingsmiddelen

voor vlees met inbegrip van vet, vleesbereidingen, eetbare slachtafvallen en dierlijke vetten, vermeld in bijlage I onder de posten ex 0201 , 0202 , 0203 , 0204 , 0205 00 00 , 0206 , 0207 , ex 0208 , 0209 00 , 0210 , 1601 00 en 1602

voor melk en melkproducten, vermeld in bijlage I onder de posten 0401 , 0402 , 0405 00 en 0406

voor verse eieren uit de schaal, voor vogeleieren en eigeel, vermeld in bijlage I onder de posten 0407 00 en 0408

„Acetamiprid en IM-2-1 metaboliet

vlees 0,05  (*1)  (1); lever 0,1  (1); nieren 0,2  (1); vet 0,05  (*1)  (1); andere 0,05  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

Methoxyfenoxide

0,01  (*1)  (1)

0,01  (*1)  (1)

0,01  (*1)  (1)

Thiacloprid

vlees 0,05  (1); lever 0,3  (1); nieren 0,3  (1); vet 0,05  (1); andere 0,01  (*1)  (1)

0,03  (1)

0,01  (*1)  (1)


(*1)  Geeft de ondergrens van de analytische bepaling aan.

(1)  

(p)

Geeft aan dat het maximumresidugehalte voorlopig is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG: behoudens wijzigingen wordt dit gehalte definitief met ingang van 21 maart 2011.”

BIJLAGE III

In deel A van bijlage II bij Richtlijn 90/642/EEG worden de volgende regels voor acetamiprid, thiacloprid, imazosulfuron, methoxyfenozide, S-metholachloor, milbemectin en tribenuron toegevoegd:

Residuen van bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan residuen (mg/kg)

Groepen en voorbeelden van afzonderlijke producten waarop de maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen van toepassing zijn

Acetamiprid

Imazosulfuron

Methoxyfenozide

Som van MA4 + 8,9 Z-MA4, uitgedrukt als milbemectin

Metholachloor, inclusief andere mengsels van samenstellende isomeren, waaronder S-metolachloor (som van de isomeren)

Thiacloprid

Tribenuron — methyl

„1.

FRUIT, vers, gedroogd of ongekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker; noten

 

0,01  (*1)  (1)

 

 

0,05  (*1)  (1)

 

0,01  (*1)  (1)

i)

CITRUSVRUCHTEN

1 (1)

 

1 (1)

0,05  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

Grapefruits

 

 

 

 

 

 

 

Citroenen

 

 

 

 

 

 

 

Limoenen

 

 

 

 

 

 

 

Mandarijnen (inclusief clementines en andere kruisingen)

 

 

 

 

 

 

 

Sinaasappelen

 

 

 

 

 

 

 

Pomelo’s

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

ii)

NOTEN (al dan niet in de dop, schil of schaal)

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

0,1  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

Amandelen

 

 

 

 

 

 

 

Paranoten

 

 

 

 

 

 

 

Cashewnoten

 

 

 

 

 

 

 

Kastanjes

 

 

 

 

 

 

 

Kokosnoten

 

 

 

 

 

 

 

Hazelnoten

 

 

 

 

 

 

 

Macadamianoten

 

 

 

 

 

 

 

Pecannoten

 

 

 

 

 

 

 

Pijnboompitten

 

 

 

 

 

 

 

Pistaches (pimpernoten)

 

 

 

 

 

 

 

Walnoten

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

iii)

PITVRUCHTEN

0,1  (1)

 

2 (1)

0,05  (*1)  (1)

 

0,3  (1)

 

Appelen

 

 

 

 

 

 

 

Peren

 

 

 

 

 

 

 

Kweeperen

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

iv)

STEENVRUCHTEN

 

 

 

0,05  (*1)  (1)

 

 

 

Abrikozen

0,1  (1)

 

 

 

 

0,3  (1)

 

Kersen

0,2  (1)

 

 

 

 

0,3  (1)

 

Perziken (inclusief nectarines en soortgelijke kruisingen)

0,1  (1)

 

0,3  (1)

 

 

0,3  (1)

 

Pruimen

0,02

 

 

 

 

0,1  (1)

 

Andere

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

v)

BESVRUCHTEN EN KLEIN FRUIT

0,01  (*1)  (1)

 

 

0,05  (*1)  (1)

 

 

 

a)

Tafel- en wijndruiven

 

 

1 (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

Tafeldruiven

 

 

 

 

 

 

 

Wijndruiven

 

 

 

 

 

 

 

b)

Aardbeien (andere dan bosaardbeien)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,5  (1)

 

c)

Rubussoorten (andere dan wilde vruchten)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

1 (1)

 

Bramen

 

 

 

 

 

 

 

Dauwbramen

 

 

 

 

 

 

 

Loganbessen

 

 

 

 

 

 

 

Frambozen

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

d)

Ander klein fruit en besvruchten (voor zover niet wild)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

1 (1)

 

Blauwe bosbessen

 

 

 

 

 

 

 

Veenbessen

 

 

 

 

 

 

 

Aalbessen (rood, zwart en wit)

 

 

 

 

 

 

 

Kruisbessen

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

e)

Wilde besvruchten en wilde vruchten

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

vi)

DIVERSE VRUCHTEN

0,01  (*1)  (1)

 

 

0,05  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

Avocado’s

 

 

 

 

 

 

 

Bananen

 

 

 

 

 

 

 

Dadels

 

 

 

 

 

 

 

Vijgen

 

 

 

 

 

 

 

Kiwi’s

 

 

1 (1)

 

 

 

 

Kumquats

 

 

 

 

 

 

 

Lychees

 

 

 

 

 

 

 

Mango’s

 

 

 

 

 

 

 

Olijven (tafelolijven)

 

 

 

 

 

 

 

Olijven (olieproductie)

 

 

 

 

 

 

 

Papaja’s

 

 

 

 

 

 

 

Passievruchten

 

 

 

 

 

 

 

Ananassen

 

 

 

 

 

 

 

Granaatappels

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

 

 

2.

Groenten, vers of ongekookt, bevroren of gedroogd

 

0,01  (*1)  (1)

 

0,05  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

 

0,01  (*1)  (1)

i)

WORTEL- EN KNOLGEWASSEN

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

Rode bieten

 

 

 

 

 

 

 

Wortelen

 

 

 

 

 

 

 

Cassave

 

 

 

 

 

 

 

Knolselderij

 

 

 

 

 

 

 

Mierikswortel (peperwortel)

 

 

 

 

 

 

 

Aardperen (topinamboers)

 

 

 

 

 

 

 

Pastinaken

 

 

 

 

 

 

 

Wortelpeterselie

 

 

 

 

 

 

 

Radijzen

 

 

 

 

 

 

 

Schorseneren

 

 

 

 

 

 

 

Bataten (zoete aardappelen)

 

 

 

 

 

 

 

Koolrapen

 

 

 

 

 

 

 

Rapen

 

 

 

 

 

 

 

Yams

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

ii)

BOLGEWASSEN

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

Knoflook

 

 

 

 

 

 

 

Uien

 

 

 

 

 

 

 

Sjalotten

 

 

 

 

 

 

 

Bosuien

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

iii)

VRUCHTGROENTEN

 

 

 

 

 

 

 

a)

Solanaceae

 

 

 

 

 

 

 

Tomaten

0,1  (1)

 

2 (1)

 

 

0,5  (1)

 

Pepers (paprika’s)

0,3  (1)

 

1 (1)

 

 

1 (1)

 

Aubergines

0,1  (1)

 

0,5  (1)

 

 

0,5  (1)

 

Okra’s

 

 

 

 

 

 

 

Andere

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

b)

Cucurbitaceae met eetbare schil

0,3  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,3  (1)

 

Komkommers

 

 

 

 

 

 

 

Augurken

 

 

 

 

 

 

 

Courgettes

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

c)

Cucurbitaceae met niet-eetbare schil

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

 

 

Meloenen

 

 

 

 

 

0,2  (1)

 

Pompoenen

 

 

 

 

 

 

 

Watermeloenen

 

 

 

 

 

0,2  (1)

 

Andere

 

 

 

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

d)

Suikermais

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

iv)

KOOLSOORTEN

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

a)

Bloemkoolachtigen

 

 

 

 

 

 

 

Broccoli

 

 

 

 

 

 

 

Bloemkool

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

b)

Sluitkoolachtigen

 

 

 

 

 

 

 

Spruitjes

 

 

 

 

 

 

 

Sluitkool

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

c)

Bladkoolachtigen

 

 

 

 

 

 

 

Chinese kool

 

 

 

 

 

 

 

Boerenkool

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

d)

Koolrabi

 

 

 

 

 

 

 

v)

BLADGROENTEN EN VERSE KRUIDEN

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

 

 

a)

Sla en dergelijke

 

 

 

 

 

2 (1)

 

Tuinkers

 

 

 

 

 

 

 

Veldsla

5

 

 

 

 

 

 

Sla

5

 

 

 

 

 

 

Andijvie

 

 

 

 

 

 

 

Rucola

 

 

 

 

 

 

 

Bladeren en stengels van koolsoorten

 

 

 

 

 

 

 

Andere

0,01  (*1)  (1)

 

 

 

 

 

 

b)

Spinazie en dergelijke

0,01  (*1)  (1)

 

 

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

Spinazie

 

 

 

 

 

 

 

Snijbiet

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

c)

Waterkers

0,01  (*1)  (1)

 

 

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

d)

Witlof

0,01  (*1)  (1)

 

 

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

e)

Kruiden

0,01  (*1)  (1)

 

 

 

 

3 (1)

 

Kervel

 

 

 

 

 

 

 

Bieslook

 

 

 

 

 

 

 

Peterselie

 

 

 

 

 

 

 

Bladselderij

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

vi)

PEULGROENTEN (vers)

0,01  (*1)  (1)

 

 

 

 

 

 

Bonen (met peul)

 

 

0,2  (1)

 

 

1 (1)

 

Bonen (zonder peul)

 

 

 

 

 

 

 

Erwten (met peul)

 

 

 

 

 

 

 

Erwten (zonder peul)

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

vii)

STENGELGROENTEN (vers)

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

Asperges

 

 

 

 

 

 

 

Kardoen

 

 

 

 

 

 

 

Bleekselderij

 

 

 

 

 

 

 

Knolvenkel

 

 

 

 

 

 

 

Artisjokken

 

 

 

 

 

 

 

Prei

 

 

 

 

 

 

 

Rabarber

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

viii)

FUNGI

0,01  (*1)  (1)

 

0,02  (*1)  (1)

 

 

0,02  (*1)  (1)

 

a)

Gekweekte paddenstoelen

 

 

 

 

 

 

 

b)

Wilde paddenstoelen

 

 

 

 

 

 

 

3.

Peulvruchten

0,01  (*1)  (1)

0,01  (*1)  (1)

0,02  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,02  (*1)  (1)

0,01  (*1)  (1)

Bonen

 

 

 

 

 

 

 

Linzen

 

 

 

 

 

 

 

Erwten

 

 

 

 

 

 

 

Lupinen

 

 

 

 

 

 

 

Andere

 

 

 

 

 

 

 

4.

Oliehoudende Zaden

 

0,01  (*1)  (1)

 

0,1  (*1)  (1)

0,1  (*1)  (1)

 

0,01  (*1)  (1)

Lijnzaad

 

 

 

 

 

 

 

Pinda’s

 

 

 

 

 

 

 

Papaverzaad

 

 

 

 

 

 

 

Sesamzaad

 

 

 

 

 

 

 

Zonnebloempitten

 

 

 

 

 

 

 

Kool- en raapzaad

 

 

 

 

 

0,3  (1)

 

Sojabonen

 

 

2 (1)

 

 

 

 

Mosterdzaad

 

 

 

 

 

 

 

Katoenzaad

0,02

 

2 (1)

 

 

 

 

Hennepzaad

 

 

 

 

 

 

 

Andere

0,01  (*1)  (1)

 

0,05  (*1)  (1)

 

 

0,05  (*1)  (1)

 

5.

Aardappelen

0,01  (*1)  (1)

0,01  (*1)  (1)

0,02  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,02  (*1)  (1)

0,01  (*1)  (1)

Vroege aardappelen

 

 

 

 

 

 

 

Bewaaraardappelen

 

 

 

 

 

 

 

6.

Thee (gedroogde bladeren en stengels, al dan niet gefermenteerd, van Camellia sinensis)

0,1  (*1)  (1)

0,02  (*1)

0,05  (*1)  (1)

0,1  (*1)  (1)

0,1  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,02  (*1)

7.

Hop (gedroogd), inclusief hoppellets en niet-geconcentreerd poeder

0,1  (*1)  (1)

0,02  (*1)

0,05  (*1)  (1)

0,1  (*1)  (1)

0,1  (*1)  (1)

0,05  (*1)  (1)

0,02  (*1)


(*1)  Geeft de ondergrens van de analytische bepaling aan.

(1)  

(p)

Geeft aan dat het maximumresidugehalte voorlopig is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 91/414/EEG: behoudens wijzigingen wordt dit gehalte definitief met ingang van 21 maart 2011.”