|
ISSN 1725-2598 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
49e jaargang |
|
|
|
II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing |
|
|
|
|
Raad |
|
|
|
* |
||
|
|
|
Commissie |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 1817/2006 VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 12 december 2006.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Jean-Luc DEMARTY
Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling
(1) PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).
BIJLAGE
bij de verordening van de Commissie van 11 december 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
052 |
96,0 |
|
204 |
48,6 |
|
|
999 |
72,3 |
|
|
0707 00 05 |
052 |
147,2 |
|
204 |
67,3 |
|
|
628 |
167,7 |
|
|
999 |
127,4 |
|
|
0709 90 70 |
052 |
153,2 |
|
204 |
58,4 |
|
|
999 |
105,8 |
|
|
0805 10 20 |
052 |
58,8 |
|
388 |
46,7 |
|
|
508 |
15,3 |
|
|
528 |
26,3 |
|
|
999 |
36,8 |
|
|
0805 20 10 |
052 |
63,5 |
|
204 |
58,9 |
|
|
999 |
61,2 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
052 |
66,6 |
|
999 |
66,6 |
|
|
0805 50 10 |
052 |
51,6 |
|
528 |
35,6 |
|
|
999 |
43,6 |
|
|
0808 10 80 |
400 |
88,1 |
|
720 |
80,3 |
|
|
999 |
84,2 |
|
|
0808 20 50 |
052 |
134,0 |
|
400 |
113,0 |
|
|
528 |
106,5 |
|
|
720 |
78,4 |
|
|
999 |
108,0 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „ 999 ” staat voor „andere oorsprong”.
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 1818/2006 VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
betreffende de tenuitvoerlegging van het systeem voor het beheer van de maximumhoeveelheid kaliumchloride in verband met de antidumpingmaatregelen van toepassing op de invoer van kaliumchloride uit Belarus
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), (hierna de „basisverordening” genoemd),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1050/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op kaliumchloride uit Belarus en Rusland (2), en met name op artikel 2, lid 1,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1050/2006 heeft de Raad definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld voor de invoer van kaliumchloride uit onder meer Belarus. Gezien de bijzondere omstandigheden op de kaliumchloridemarkt moesten maatregelen worden vastgesteld in de vorm van een minimuminvoerprijs („MIP”) voor productsoorten ingedeeld onder de GN-codes 3104 20 50 en 3104 20 90 (Taric-codes 3104 20 50 10, 3104 20 50 90 en 3104 20 90 00) (hierna „het betrokken product” genoemd) voor een maximumhoeveelheid waarboven een ad-valoremrecht van 27,5 % moet gelden. |
|
(2) |
De Raad heeft in Verordening (EG) nr. 1050/2006 erkend dat de vaststelling van een maximumhoeveelheid een beheerssysteem vereist dat niet vóór de inwerkingtreding van die verordening kon worden ingevoerd. Daarom heeft de Raad in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1050/2006 de Commissie gemachtigd om zo spoedig als technisch mogelijk de modaliteiten voor de invoering van het systeem voor het beheer van deze maximumhoeveelheid bij verordening vast te stellen. |
|
(3) |
Voor het effectieve beheer van de maximumhoeveelheid moet voor het in het vrije verkeer brengen van het betrokken product in de Gemeenschap een communautaire invoervergunning worden vereist totdat de maximumhoeveelheid is bereikt. Om de markt zo weinig mogelijk te verstoren en alle marktdeelnemers eerlijke toegang tot de maximumhoeveelheid te bieden, moeten de invoervergunningen worden afgegeven in de volgorde waarin de kennisgevingen van de lidstaten worden ontvangen. |
|
(4) |
Om ervoor te zorgen dat de maximumhoeveelheid niet wordt overschreden, moet een procedure worden ingesteld waarbij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten pas invoervergunningen afgeven nadat zij van de Commissie bevestiging hebben gekregen dat binnen de maximumhoeveelheid nog voldoende ruimte beschikbaar is. |
|
(5) |
Om speculatieve of kunstmatige praktijken in verband met de afgifte van invoervergunningen tegen te gaan, moeten de afzonderlijke aanvragen worden beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende contract tussen importeur en exporteur is vermeld, en moet de geldigheidsduur van de invoervergunningen worden beperkt tot drie maanden. In dit verband herinnert de Commissie eraan dat artikel 5, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (3) bepaalt dat de door de importeur aangewezen douanevertegenwoordiger, behalve in uitzonderlijke gevallen, in de Gemeenschap moet zijn gevestigd. Om dezelfde reden (namelijk om speculatieve of kunstmatige praktijken tegen te gaan) moet de exporteur worden gedefinieerd als een marktdeelnemer die zijn maatschappelijke zetel, zijn hoofdkantoor of een vaste vestiging in Belarus heeft. |
|
(6) |
Bij administratieve werkzaamheden van uiteenlopende aard komen geautomatiseerde procedures geleidelijk in de plaats van handmatige vastlegging van gegevens. Daarom moet het ook mogelijk zijn om invoervergunningen via geautomatiseerde en elektronische procedures aan te vragen en af te geven. |
|
(7) |
Uit het oogpunt van goed bestuur acht de Commissie het wenselijk de lidstaten voldoende tijd te geven voor de tenuitvoerlegging van het bij deze verordening ingestelde systeem voor het beheer van de maximumhoeveelheid en de marktdeelnemers voldoende tijd te geven om aan het nieuwe systeem van invoervergunningen te wennen. Daarom moet de verordening op 1 januari 2007 in werking treden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Deze verordening stelt gedetailleerde voorschriften vast voor het systeem voor het beheer van de maximumhoeveelheid kaliumchloride uit Belarus, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1050/2006.
2. Voor alle producten die in het kader van de in lid 1 bedoelde maximumhoeveelheid in het vrije verkeer worden gebracht, moet een overeenkomstig de onderstaande artikelen afgegeven invoervergunning worden overgelegd.
Artikel 2
In deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
„contract”: het contract dat tussen de exporteur en de importeur wordt overeengekomen en ondertekend; |
|
2) |
„exporteur”: een marktdeelnemer die zijn maatschappelijke zetel, zijn hoofdkantoor of een vaste vestiging in Belarus heeft; |
|
3) |
„invoervergunning”: de invoervergunning die de nationale autoriteiten overeenkomstig deze verordening afgeven voor het in het vrije verkeer brengen van het betrokken product in de Gemeenschap; |
|
4) |
„importeur”: een marktdeelnemer die zelf of via een vertegenwoordiger die namens hem optreedt de formaliteiten voor de aangifte voor het vrije verkeer van het betrokken product vervult; |
|
5) |
„nationale autoriteiten”: de nationale autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn om de vergunning overeenkomstig deze verordening af te geven, zoals vermeld in bijlage I; |
|
6) |
„betrokken product”: kaliumchloride uit Belarus, ingedeeld onder de GN-codes 3104 20 50 en 3104 20 90 (Taric-codes 3104 20 50 10, 3104 20 50 90 en 3104 20 90 00). |
Procedures voor het beheer van de maximumhoeveelheid
Artikel 3
1. Alleen importeurs mogen een aanvraag of een aangifte voor een invoervergunning indienen. Aanvragen en aangiften kunnen in elk van de lidstaten bij de nationale autoriteiten, zoals vermeld in bijlage I, worden ingediend. De hoeveelheden die in de afzonderlijke aanvragen worden gevraagd, mogen de in het desbetreffende contract overeengekomen hoeveelheid niet overschrijden.
2. De aangifte of de aanvraag voor een invoervergunning van de importeur bevat ten minste de in bijlage II vermelde gegevens.
3. De importeur legt het origineel van het contract over wanneer de aanvraag of aangifte voor de invoervergunning bij de nationale autoriteiten wordt ingediend.
4. De nationale autoriteiten weigeren aangiften en aanvragen voor invoervergunningen die niet overeenkomstig deze verordening zijn ingediend.
Artikel 4
1. Om ervoor te zorgen dat de hoeveelheden waarvoor invoervergunningen worden afgegeven nooit de totale maximale hoeveelheid voor het betrokken product overschrijden, geven de nationale autoriteiten de invoervergunningen pas af nadat zij van de Commissie bevestiging hebben gekregen dat binnen de maximumhoeveelheid voor het betrokken product nog voldoende ruimte beschikbaar is.
2. De ingevoerde hoeveelheden waarvoor een vergunning is afgegeven, worden afgeboekt van de maximumhoeveelheid voor het jaar waarin de aanvraag voor de invoervergunning bij de nationale autoriteiten is ingediend.
3. Voor de toepassing van lid 1 geven de nationale autoriteiten, voordat zij invoervergunningen afgeven, de Commissie kennis van de hoeveelheden waarvoor zij met een contract gestaafde aanvragen voor invoervergunningen hebben ontvangen. De Commissie laat per omgaande weten of de aangevraagde hoeveelheid of hoeveelheden beschikbaar zijn om in het vrije verkeer te worden gebracht, in de volgorde waarin zij de kennisgevingen van de lidstaten heeft ontvangen („wie het eerst komt, het eerst maalt”).
4. De in de kennisgevingen aan de Commissie vermelde aanvragen zijn geldig indien daarin voor elk geval duidelijk het volgende is vermeld: het land van uitvoer, de Taric-code, de in te voeren hoeveelheden, het contractnummer, de cif- of daf-waarde (zoals van toepassing en zoals gedefinieerd in Incoterms 2000) van het betrokken product aan de grens van de Gemeenschap per Taric-code, en het jaar waarop de maximumhoeveelheid van toepassing is.
5. De in de leden 3 tot en met 4 bedoelde kennisgevingen worden elektronisch verricht via het daartoe opgezette geïntegreerde netwerk, tenzij het om dwingende technische redenen noodzakelijk is tijdelijk andere communicatiemiddelen te gebruiken.
Artikel 5
1. Voor zover de Commissie overeenkomstig artikel 4 heeft bevestigd dat de gevraagde hoeveelheid nog beschikbaar is binnen de maximumhoeveelheid, geven de nationale autoriteiten een invoervergunning af binnen tien werkdagen nadat de importeur het origineel van het desbetreffende contract heeft overgelegd. De nationale autoriteiten van een lidstaat geven de invoervergunning af ongeacht welke lidstaat van bestemming in het contract is vermeld, voor zover de Commissie heeft bevestigd dat de gevraagde hoeveelheid nog beschikbaar is binnen de maximumhoeveelheid.
2. De invoervergunningen worden opgesteld volgens het model in bijlage III.
3. De door de nationale autoriteiten afgegeven invoervergunningen zijn drie maanden geldig. Indien een aangifte of aanvraag voor een invoervergunning na 1 oktober van een bepaald jaar wordt ingediend, is de invoervergunning die op grond van die aangifte of aanvraag wordt afgegeven, uiterlijk tot 31 december van dat jaar geldig.
4. De hoeveelheden waarvoor de invoervergunning wordt afgegeven, mogen de hoeveelheden die zijn vermeld in het contract op grond waarvan de invoervergunning wordt afgegeven, niet overschrijden.
5. De importeurs hoeven de volledige hoeveelheid waarop een invoervergunning betrekking heeft niet in één keer in te voeren.
6. De rechten en verplichtingen die uit de invoervergunningen voortvloeien, zijn niet overdraagbaar.
7. Invoervergunningen mogen elektronisch worden afgegeven mits de betrokken douanekantoren deze via een computernetwerk kunnen raadplegen.
8. De importeurs leveren de verstreken invoervergunningen binnen tien werkdagen nadat zij zijn vestreken weer in bij de nationale autoriteiten van afgifte. Zolang 85 % van de hoeveelheid van de geldige invoervergunning nog niet is ingevoerd, vragen de importeurs geen nieuwe invoervergunning aan.
Artikel 6
De nationale autoriteiten geven overeenkomstig artikel 4 en zonder onderscheid invoervergunningen af aan invoerders in de Gemeenschap, ongeacht waar zij in de Gemeenschap gevestigd zijn.
Artikel 7
1. Zodra nationale autoriteiten ervan in kennis worden gesteld dat een hoeveelheid tijdens de geldigheidsduur van de invoervergunning niet wordt gebruikt, delen zij dit aan de Commissie mee. Deze hoeveelheden worden zo spoedig mogelijk automatisch overgeboekt naar de ongebruikte hoeveelheden binnen de maximumhoeveelheid.
2. Indien reeds afgegeven invoervergunningen of gelijkwaardige documenten worden ingetrokken omdat het desbetreffende contract door de exporteur of de importeur wordt opgezegd, stellen de nationale autoriteiten de Commissie daarvan in kennis. Indien de importeur de Commissie of de nationale autoriteiten echter pas van de opzegging van het contract in kennis stelt nadat een bepaalde hoeveelheid van het betrokken product reeds overeenkomstig het contract in de Gemeenschap is ingevoerd, wordt de hoeveelheid in kwestie afgeboekt van de maximumhoeveelheid voor het jaar waarin de aangifte of aanvraag voor de invoervergunning bij de nationale autoriteiten is ingediend.
Artikel 8
Indien de Commissie constateert dat de totale hoeveelheid van het betrokken product waarop de contracten in een bepaald jaar betrekking hebben, de maximumhoeveelheid bereikt, worden de nationale autoriteiten onmiddellijk verzocht de afgifte van invoervergunningen op te schorten.
Communautaire invoervergunning — Gemeenschappelijk formulier
Artikel 9
1. De formulieren die de nationale autoriteiten voor de afgifte van de in de artikelen 4 tot en met 7 bedoelde invoervergunningen gebruiken, moeten in overeenstemming zijn met het model in bijlage III.
2. De invoervergunningen en de uittreksels worden opgesteld in twee exemplaren: het ene exemplaar, met nummer 1 en de vermelding „exemplaar voor de vergunninghouder”, wordt aan de aanvrager afgegeven; het andere, met nummer 2 en de vermelding „exemplaar voor de autoriteit van afgifte”, wordt bewaard door de autoriteit die de vergunning afgeeft. De nationale autoriteiten kunnen voor administratieve doeleinden aan formulier nr. 2 extra exemplaren toevoegen.
3. De formulieren worden gedrukt op wit, houtvrij papier, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, met een gewicht van 55 tot 65 g/m2. De afmetingen zijn 210 × 297 mm; de regelafstand bedraagt 4,24 mm; de indeling van de formulieren moet strikt in acht worden genomen. Beide zijden van exemplaar nr. 1, dat de eigenlijke invoervergunning vormt, zijn bovendien voorzien van een rode geguillocheerde onderdruk die eventuele vervalsing met mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.
4. De lidstaten dragen zorg voor het drukken van de formulieren. De formulieren mogen ook worden gedrukt door drukkerijen die daartoe zijn erkend door de lidstaat waarin zij zijn gevestigd. In dat geval moet op elk formulier een verwijzing naar deze erkenning voorkomen. Voorts staan op elk formulier de naam en het adres van de drukker of een teken aan de hand waarvan deze kan worden geïdentificeerd.
5. Bij afgifte worden de invoervergunningen of de uittreksels van een door de nationale autoriteiten toegekend afgiftenummer voorzien. Het nummer van de invoervergunning wordt de Commissie elektronisch meegedeeld via het overeenkomstig artikel 4 opgezette geïntegreerde netwerk.
6. De invoervergunningen en de uittreksels worden gesteld in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat van afgifte.
7. De tekens van de nationale autoriteiten van afgifte en van de douanekantoren of de bevoegde administratieve autoriteiten worden met een stempel aangebracht. In plaats van een inktstempel mogen de nationale autoriteiten van afgifte ook een droogstempel gebruiken, in combinatie met door perforatie aangebrachte letters of cijfers, of mag het stempel op de invoervergunning worden voorgedrukt. De toegewezen hoeveelheid wordt door de nationale autoriteiten van afgifte op zodanige wijze vermeld dat geen vervalsing mogelijk is en geen cijfers of tekens kunnen worden toegevoegd.
8. De keerzijde van de exemplaren nr. 1 en nr. 2 is voorzien van een vak waarin de hoeveelheden kunnen worden vermeld, hetzij door de douaneautoriteiten bij het vervullen van de invoerformaliteiten, hetzij door de bevoegde administratieve autoriteiten bij de afgifte van een uittreksel. Indien er op een invoervergunning of een uittreksel onvoldoende ruimte is om afgeschreven hoeveelheden te vermelden, mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten daaraan één of meer verlengstroken bevestigen met dezelfde vakken als op de keerzijde van de exemplaren nr. 1 en nr. 2 van de invoervergunning of het uittreksel. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten brengen hun stempel op zodanige wijze aan dat dit zich voor de helft op de invoervergunning of het uittreksel en voor de helft op de verlengstrook bevindt. Indien meer dan één verlengstrook wordt gebruikt, wordt elke verlengstrook en de daaraan voorafgaande verlengstrook op dezelfde wijze gestempeld.
9. Zo nodig mogen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten een vertaling van de vermeldingen op de invoervergunningen of uittreksels in hun officiële taal of in een van hun officiële talen verlangen.
10. De door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven invoervergunningen en uittreksels en de daarop door deze autoriteiten aangebrachte afschrijvingen en visa hebben in de andere lidstaten dezelfde rechtsgevolgen als de door de autoriteiten van die lidstaten afgegeven invoervergunningen en uittreksels en de door hen daarop aangebrachte afschrijvingen en visa. Invoervergunningen en uittreksels die overeenkomstig deze verordening zijn afgegeven, zijn in het gehele douanegebied van de Europese Gemeenschap geldig.
Artikel 10
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Peter MANDELSON
Lid van de Commissie
(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).
(2) PB L 191 van 12.7.2006, blz. 1.
(3) PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13).
BIJLAGE I
LIJST VAN DE NATIONALE AUTORITEITEN VAN DE LIDSTATEN
|
|
BELGIQUE/BELGIË
|
|
|
ČESKÁ REPUBLIKA
|
|
|
EESTI
|
|
|
ΕΛΛΑΣ
|
|
|
ESPAÑA
|
|
|
DANMARK
|
|
|
DEUTSCHLAND
|
|
|
ITALIA
|
|
|
FRANCE
|
|
|
IRELAND
|
|
|
ÖSTERREICH
|
|
|
KYΠΡΟΣ
|
|
|
LATVIJA
|
|
|
LIETUVA
|
|
|
POLSKA
|
|
|
PORTUGAL
|
|
|
SLOVENIJA
|
|
|
LUXEMBOURG
|
|
|
MAGYARORSZÁG
|
|
|
MALTA
|
|
|
SLOVENSKÁ REPUBLIKA
|
|
|
SUOMI
|
|
|
SVERIGE
|
|
|
NEDERLAND
|
|
|
ROMANIA
|
|
|
UNITED KINGDOM
|
|
|
БЪЛГАРИЯ
|
BIJLAGE II
De door de importeur ingediende aangifte of aanvraag voor een invoervergunning moet de volgende gegevens bevatten:
|
1) |
exporteur (naam en volledig adres, telefoon- en faxnummer en e-mailadres); |
|
2) |
importeur (naam en volledig adres, telefoon- en faxnummer, e-mailadres en btw-nummer); |
|
3) |
een nauwkeurige omschrijving van de goederen en de Taric-code(s); |
|
4) |
land van oorsprong van de goederen; |
|
5) |
land van verzending; |
|
6) |
aangevraagde hoeveelheden in ton; |
|
7) |
cif- en daf-waarde (zoals van toepassing en zoals gedefinieerd in Incoterms 2000) van de betrokken producten aan de grens van de Gemeenschap per Taric-post; |
|
8) |
datum en nummer van het contract; |
|
9) |
plaats, datum en handtekening van de aanvrager; |
|
10) |
de volgende ondertekende verklaring: „Ondergetekende verklaart dat alle in dit verzoek verstrekte informatie waar en correct is en voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1818/2006.”. |
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/15 |
RICHTLIJN 2006/130/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot uitvoering van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de vaststelling van criteria voor de vrijstelling van het vereiste van een voorschrift van een dierenarts voor het verstrekken van bepaalde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve van voor de productie van levensmiddelen bestemde dieren
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (1), en met name op artikel 67, eerste alinea, onder aa),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uit hoofde van artikel 67 van Richtlijn 2001/82/EG mogen geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in de in de eerste en derde alinea van dat artikel bedoelde gevallen, uitsluitend op voorschrift aan het publiek worden verstrekt. Omdat bepaalde stoffen in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve van dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn echter geen risico voor de gezondheid van mensen of dieren of voor het milieu vormen, mogen krachtens artikel 67, eerste alinea, onder aa), vrijstellingen van die algemene eis worden verleend. Dergelijke vrijstellingen laten de toepassing van de overige bepalingen van de eerste en derde alinea van dat artikel onverlet. |
|
(2) |
Bijgevolg moeten criteria worden vastgesteld, aan de hand waarvan de lidstaten vrijstellingen kunnen verlenen van de algemene eis in artikel 67, eerste alinea, onder aa), van Richtlijn 2001/82/EG, dat geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve van dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn, uitsluitend op voorschrift aan het publiek worden verstrekt. |
|
(3) |
Wanneer de betrokken geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik eenvoudig toe te dienen zijn en ook bij onjuiste toediening geen risico vormen voor het behandelde dier of voor degene die het geneesmiddel toedient, kan worden toegestaan dat zij zonder voorschrift van een dierenarts worden verstrekt. Anderzijds dient het niet mogelijk te zijn, dat een vrijstelling wordt verleend voor geneesmiddelen die een ongunstig geneesmiddelenbewakingsprofiel hebben of schadelijk voor het milieu zijn. |
|
(4) |
Wanneer geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik onder ongeschikte omstandigheden worden bewaard, kunnen de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid ernstig worden aangetast. Daarom dient geen vrijstellingen te worden verleend voor geneesmiddelen waarvan de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid alleen kan worden gewaarborgd indien zij onder bijzondere omstandigheden worden bewaard. |
|
(5) |
De vrijgestelde geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik mogen bovendien uitsluitend werkzame stoffen bevatten die geen risico voor de veiligheid van de consument vormen, wanneer residuen ervan achterblijven in levensmiddelen die van behandelde dieren afkomstig zijn en mogen geen risico voor de gezondheid van mensen of dieren vormen doordat resistentie tegen antimicrobiële stoffen of anthelmintica kan optreden indien de geneesmiddelen onjuist worden gebruikt. |
|
(6) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Deze richtlijn stelt de criteria vast aan de hand waarvan de lidstaten, overeenkomstig artikel 67, eerste alinea, onder aa), van Richtlijn 2001/82/EG vrijstellingen kunnen verlenen van de eis dat geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve van dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn, uitsluitend op voorschrift aan het publiek worden verstrekt.
Artikel 2
Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik ten behoeve van dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn, mogen worden vrijgesteld van de eis dat zij uitsluitend op voorschrift van een dierenarts worden verstrekt indien aan elk van de volgende criteria wordt voldaan:
|
a) |
de toediening van de geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik is beperkt tot formuleringen waarvoor geen specifieke kennis of vaardigheid bij het gebruik van het geneesmiddelen vereist is; |
|
b) |
het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik vormt, ook bij onjuiste toediening, geen direct of indirect risico voor de behandelde dieren, voor degene die het toedient of voor het milieu; |
|
c) |
de samenvatting van de productkenmerken van het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik bevat geen waarschuwingen over mogelijke ernstige bijwerkingen bij juist gebruik; |
|
d) |
over het geneesmiddel voor geneeskundig gebruik, noch over een ander geneesmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat, zijn in het verleden veelvuldig ernstige bijwerkingen gemeld; |
|
e) |
de samenvatting van de productkenmerken vermeldt geen contra-indicaties voor andere geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die gewoonlijk zonder voorschrift worden gebruikt; |
|
f) |
het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik dient niet onder bijzondere omstandigheden te worden bewaard; |
|
g) |
de eventuele residuen in levensmiddelen die afkomstig zijn van behandelde dieren, vormen geen risico voor de veiligheid van de consument, ook niet bij onjuist gebruik van het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik; |
|
h) |
het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik vormt geen risico voor de gezondheid van mensen of dieren met betrekking tot de ontwikkeling van resistentie tegen de antimicrobiële stoffen of anthelmintica in het geneesmiddel, zelfs niet wanneer het geneesmiddel dat dergelijke stoffen bevat onjuist wordt gebruikt. |
Artikel 3
1. De lidstaten die besluiten vrijstellingen uit hoofde van deze richtlijn toe te staan, stellen de Commissie daarvan in kennis.
2. Wanneer op uiterlijk op 31 maart 2007 geen kennisgeving overeenkomstig lid 1 is gedaan, komen de in artikel 67, eerste alinea, onder aa), van Richtlijn 2001/82/EG bedoelde nationale vrijstellingen te vervallen.
Artikel 4
1. Binnen zes maanden na de in artikel 3 bedoelde kennisgeving doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 5
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 6
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Günter VERHEUGEN
Vicevoorzitter
(1) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/17 |
RICHTLIJN 2006/131/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde methamidofos op te nemen als werkzame stof
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Methamidofos is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
De uitwerking van methamidofos op de gezondheid van de mens en het milieueffect van deze stof zijn overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3600/92 beoordeeld voor een reeks door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bij Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3600/92 (3) is Italië aangewezen als rapporterende lidstaat. Italië heeft op 30 juli 1999 overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3600/92 het betrokken evaluatieverslag met aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie onderzocht in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. |
|
(4) |
Bij het onderzoek van methamidofos rezen een aantal vragen, die door het Wetenschappelijk Panel voor de gezondheid van gewassen, gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan (hierna „het PPR-panel” genoemd) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werden behandeld. Het PPR-panel werd gevraagd om op basis van de resultaten van door de kennisgever ingediende studies een wetenschappelijk gefundeerde waarde voor de mate van adsorptie via de huid vast te stellen, voor gebruik bij de beoordeling van de gevaren voor de mens als gevolg van blootstelling via de huid. Bovendien werd het PPR-panel gevraagd de schattingen betreffende mijdgedrag, in de behandelde gebieden met het zoeken van voedsel doorgebrachte tijd en aandeel van besmet voedsel uit de behandelde gebieden na te trekken en advies te geven over de gevolgen ervan voor de schattingen van acute, kortstondige en langdurige blootstelling van vogels en zoogdieren aan het insecticide methamidofos. In zijn advies over de eerste vraag kwam het PPR-panel op grond van de beschikbare gegevens tot de conclusie (4) dat de beste schatting van adsorptie via de huid van de verdunde bereiding ongeveer 5 % bedraagt. Wat de tweede vraag betreft, concentreerde het PPR-panel zich bij zijn beoordeling op twee soorten die ook door de kennisgever en de rapporterende lidstaat in aanmerking zijn genomen, namelijk de gele kwikstaart en de bosmuis, omdat deze de gewassen waarvoor methamidofos volgens de kennisgever bestemd is, vaak als voedselplant gebruiken. Het PPR-panel was het niet eens (5) met de door de kennisgever en de rapporterende lidstaat voorgestelde waarden voor het aandeel van besmet voer voor de gele kwikstaart en de schattingen die zijn gebruikt voor de samenstelling van het voer voor de gele kwikstaart en de bosmuis. Volgens het PPR-panel wordt bij deze waarden de acute blootstelling van individuele dieren onderschat. Het PPR-panel ontwikkelde een alternatieve aanpak voor de beoordeling van de potentiële rol van mijdgedrag. De hierbij betrokken mechanismen zijn complex, maar het lijkt mogelijk dat zowel de gele kwikstaart als de bosmuis zo snel voedsel tot zich nemen dat onder veldomstandigheden mortaliteit kan optreden. Het PPR-panel gaf diverse mogelijkheden voor laboratorium- of veldonderzoek waarbij deze risico's waarschijnlijk beter kunnen worden ingeschat. |
|
(5) |
In artikel 5, lid 4, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG is vastgelegd dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. In dit geval lijken beperkingen ten aanzien van de opnemingsperiode en de gewassen waarvoor het middel is toegelaten noodzakelijk. In de oorspronkelijke maatregelen, zoals voorgelegd aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, werd de opnemingsperiode tot zeven jaar beperkt, zodat de lidstaten prioriteit zouden geven aan het onderzoek van reeds in de handel zijnde gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos bevatten. Om discrepanties in het gewenste hoge beschermingsniveau te vermijden zou de opneming van methamidofos in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden beperkt tot toepassingen die al door de Gemeenschap waren geëvalueerd en die werden geacht aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. Dit wil zeggen dat andere toepassingen die tijdens deze beoordeling niet of slechts gedeeltelijk waren onderzocht, eerst een volledige beoordeling zouden moeten ondergaan voordat kon worden overwogen of zij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zouden worden opgenomen. Tot slot moest er vanwege de gevaarlijke eigenschappen van methamidofos worden gezorgd voor een minimale harmonisatie op Gemeenschapsniveau van bepaalde risicobeperkende maatregelen die door de lidstaten bij het verlenen van toelatingen zouden moeten worden genomen. |
|
(6) |
Volgens de procedures van Richtlijn 91/414/EEG beslist de Commissie over de goedkeuring van werkzame stoffen en stelt zij ook de eventuele risicobeheersmaatregelen vast. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging, toepassing en controle van de maatregelen om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De bezorgdheid die diverse lidstaten hebben uitgesproken, duidt erop dat aanvullende beperkingen nodig zijn om het risico te beperken tot een niveau dat aanvaardbaar en in overeenstemming met het in de Gemeenschap nagestreefde hoge beschermingsniveau kan worden geacht. Momenteel is het een kwestie van risicobeheer om het juiste niveau van veiligheid en bescherming vast te stellen in verband met de voortzetting van de productie, de verkoop en het gebruik van methamidofos. |
|
(7) |
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Commissie haar standpunt heroverwogen. Om aan te sluiten bij het streven van de Gemeenschap om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en een duurzaam milieu tot stand te brengen, wordt het passend geacht om naast de in overweging 5 uiteengezette beginselen de opnemingsperiode verder te beperken tot 18 maanden in plaats van zeven jaar. Daarmee wordt het risico verder beperkt, aangezien gewaarborgd wordt dat deze stof met voorrang opnieuw wordt beoordeeld. |
|
(8) |
Te verwachten valt dat gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen worden genomen. |
|
(9) |
Onverminderd de conclusie dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos bevatten, aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen, moeten er over bepaalde specifieke punten nadere gegevens worden verkregen. In artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG wordt bepaald dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I voorwaarden kunnen worden verbonden. Er dient dan ook te worden geëist dat methamidofos ter bevestiging van de risicobeoordeling voor vogels en zoogdieren aan verdere testen wordt onderworpen en dat deze studies door de kennisgevers worden voorgelegd. Bovendien moeten de lidstaten van de houders van een toelating verlangen dat zij informatie over het gebruik van methamidofos verstrekken, waaronder ook informatie over de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. |
|
(10) |
Zoals voor alle in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen stoffen kan de status van methamidofos krachtens artikel 5, lid 5, van die richtlijn opnieuw worden bekeken wanneer nieuwe gegevens beschikbaar komen. Ook belet het feit dat de opneming van deze stof in bijlage I op een bepaalde datum verstrijkt, niet dat de opneming wordt verlengd overeenkomstig de in de richtlijn vastgestelde procedures. |
|
(11) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de interpretatie van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(12) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de inachtneming van de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(13) |
Onverminderd de verplichtingen, zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG, ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaand tijdsbestek moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. Gezien de gevaarlijke eigenschappen van methamidofos mag de periode die de lidstaten krijgen om na te gaan of de gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos als enige werkzame stof dan wel in combinatie met andere toegelaten werkzame stoffen bevatten aan de bepalingen van bijlage VI voldoen, niet langer duren dan 18 maanden. |
|
(14) |
Richtlijn 91/414/EEG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(15) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn niet in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Derhalve heeft de Commissie bij de Raad een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend. Bij het verstrijken van de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde termijn had de Raad het voorgestelde uitvoeringsbesluit niet aangenomen en evenmin te kennen gegeven dat hij zich tegen het voorstel voor uitvoeringsmaatregelen verzet, zodat de Commissie deze maatregelen nu moet vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2007.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig, bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2007 wijzigen of intrekken.
Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot methamidofos is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I bij die richtlijn betreffende methamidofos, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn, een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat methamidofos bevat. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van die richtlijn.
Vervolgens zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die methamidofos bevatten indien nodig uiterlijk op 30 juni 2008 wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/85/EG van de Commissie (PB L 293 van 24.10.2006, blz. 3).
(2) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 10).
(3) PB L 107 van 28.4.1994, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2230/95 (PB L 225 van 22.9.1995, blz. 1).
(4) Advies van het Wetenschappelijk Panel voor de gezondheid van gewassen, gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan naar aanleiding van een verzoek van de Commissie betreffende de evaluatie van methamidofos in de toxicologie in het kader van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (The EFSA Journal (2004), 95, 1-15), goedgekeurd op 14 september 2004.
(5) Advies van het Wetenschappelijk Panel voor de gezondheid van gewassen, gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan naar aanleiding van een verzoek van de Commissie betreffende de evaluatie van methamidofos in de ecotoxicologie in het kader van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (The EFSA Journal (2004), 144, 1-50), goedgekeurd op 14 december 2004.
BIJLAGE
Aan de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nr. |
Benaming, Identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||||||||
|
„145 |
Methamidofos CAS-nr. 10265-92-6 CIPAC-nr. 355 |
O,S-dimethylfosforamidothioaat |
≥ 680 g/kg |
1 januari 2007 |
30 juni 2008 |
DEEL A De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide op aardappel. De volgende gebruiksvoorwaarden moeten in acht worden genomen:
De volgende toepassingen mogen niet worden toegelaten:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van:
DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over methamidofos, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de houders van een toelating ieder jaar uiterlijk op 31 december verslag uitbrengen over eventuele meldingen van gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. De lidstaten mogen verlangen dat elementen als verkoopgegevens en een overzicht van de gebruikspatronen worden verstrekt, zodat een realistisch beeld van de gebruiksomstandigheden en de mogelijke toxische effecten van methamidofos kan worden verkregen. De lidstaten verlangen de indiening van aanvullende studies ter bevestiging van de risicobeoordeling voor vogels en zoogdieren. Zij zorgen ervoor dat de kennisgever die om opneming van methamidofos in deze bijlage heeft verzocht, deze studies binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn bij de Commissie indient.”. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/22 |
RICHTLIJN 2006/132/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde procymidon op te nemen als werkzame stof
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Procymidon is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
De uitwerking van procymidon op de gezondheid van de mens en het milieueffect van deze stof zijn overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3600/92 beoordeeld voor een reeks door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bij Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3600/92 (3) is Frankrijk aangewezen als rapporterende lidstaat. Frankrijk heeft op 15 januari 2001 overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3600/92 het betrokken evaluatieverslag met aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie onderzocht in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. |
|
(4) |
Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die procymidon bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Omdat procymidon een gevaarlijke stof is, mag het niet zonder enige beperking worden gebruikt. Er is met name ongerustheid over de intrinsieke toxische effecten van deze stof, waaronder mogelijkerwijs hormoonontregeling. Er bestaat momenteel geen wetenschappelijke overeenstemming over de exacte omvang van het risico. Ingevolge het voorzorgsbeginsel en rekening houdend met de huidige stand van de wetenschappelijke kennis moeten met het oog op de hoge mate van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu waarvoor de Gemeenschap heeft gekozen, risicobeperkende maatregelen worden opgelegd. |
|
(5) |
In artikel 5, lid 4, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG is bepaald dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I beperkingen en voorwaarden kunnen worden verbonden. In dit geval lijken beperkingen ten aanzien van de opnemingsperiode en de gewassen waarvoor het middel is toegelaten noodzakelijk geacht. In de oorspronkelijke maatregelen, zoals voorgelegd aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, werd de opnemingsperiode tot zeven jaar beperkt, zodat de lidstaten prioriteit zouden geven aan het onderzoek van reeds in de handel zijnde gewasbeschermingsmiddelen die procymidon bevatten. Om discrepanties in het gewenste hoge beschermingsniveau te vermijden zou de opneming van procymidon in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden beperkt tot toepassingen die al door de Gemeenschap waren geëvalueerd en die werden geacht aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. Dit wil zeggen dat andere toepassingen die tijdens deze beoordeling niet of slechts gedeeltelijk waren onderzocht, eerst een volledige beoordeling zouden moeten ondergaan voordat kon worden overwogen of zij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zouden worden opgenomen. Tot slot moest er vanwege de gevaarlijke eigenschappen van procymidon worden gezorgd voor een minimale harmonisatie op Gemeenschapsniveau van bepaalde risicobeperkende maatregelen die door de lidstaten bij het verlenen van toelatingen zouden moeten worden genomen. |
|
(6) |
Volgens de procedures van Richtlijn 91/414/EEG beslist de Commissie over de goedkeuring van werkzame stoffen en stelt zij ook de eventuele risicobeheersmaatregelen vast. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging, toepassing en controle van de maatregelen om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De bezorgdheid die diverse lidstaten hebben uitgesproken, duidt erop dat aanvullende beperkingen nodig zijn om het risico te beperken tot een niveau dat aanvaardbaar en in overeenstemming met het in de Gemeenschap nagestreefde hoge beschermingsniveau kan worden geacht. Momenteel is het een kwestie van risicobeheer om het juiste niveau van veiligheid en bescherming vast te stellen in verband met de voortzetting van de productie, de verkoop en het gebruik van procymidon. |
|
(7) |
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Commissie haar standpunt heroverwogen. Om aan te sluiten bij het streven van de Gemeenschap om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en een duurzaam milieu tot stand te brengen, wordt het passend geacht om naast de in overweging 5 uiteengezette beginselen de opnemingsperiode verder te beperken tot 18 maanden in plaats van zeven jaar. Daarmee wordt het risico verder beperkt, aangezien gewaarborgd wordt dat deze stof met voorrang opnieuw wordt beoordeeld. |
|
(8) |
Te verwachten valt dat gewasbeschermingsmiddelen die procymidon bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen worden genomen. |
|
(9) |
Onverminderd de conclusie dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die procymidon bevatten, aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen, moeten er over bepaalde specifieke punten nadere gegevens worden verkregen. De potentiële hormoonontregelende eigenschappen van procymidon zijn beoordeeld in testen die zijn uitgevoerd volgens de beste momenteel beschikbare praktijken. De Commissie is ervan op de hoogte dat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bezig is met de ontwikkeling van testrichtsnoeren om de potentiële hormoonontregelende eigenschappen verder te kunnen beoordelen. Daarom moet worden geëist dat procymidon aan dergelijke testen wordt onderworpen zodra er OESO-testrichtsnoeren zijn overeengekomen en dat deze studies door de kennisgever worden ingediend. Bovendien moeten de lidstaten van de houders van een toelating verlangen dat zij informatie over het gebruik van procymidon verstrekken, waaronder ook informatie over de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. |
|
(10) |
Zoals voor alle in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen stoffen kan de status van procymidon krachtens artikel 5, lid 5, van die richtlijn opnieuw worden bekeken wanneer nieuwe gegevens beschikbaar komen. Ook belet het feit dat de opneming van deze stof in bijlage I op een bepaalde datum verstrijkt, niet dat de opneming wordt verlengd overeenkomstig de in de richtlijn vastgestelde procedures. |
|
(11) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de interpretatie van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren dat de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(12) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(13) |
Onverminderd de verplichtingen, zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG, ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die procymidon bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaand tijdsbestek moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. Gezien de gevaarlijke eigenschappen van procymidon mag de periode die de lidstaten krijgen om na te gaan of de gewasbeschermingsmiddelen die procymidon als enige werkzame stof dan wel in combinatie met andere toegelaten werkzame stoffen bevatten aan de bepalingen van bijlage VI voldoen, niet langer duren dan 18 maanden. |
|
(14) |
Richtlijn 91/414/EEG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(15) |
Daar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies had uitgebracht, heeft de Commissie bij de Raad een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend. Bij het verstrijken van de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde termijn had de Raad het voorgestelde uitvoeringsbesluit niet aangenomen en evenmin te kennen gegeven dat hij zich tegen het voorstel voor uitvoeringsmaatregelen verzet, zodat de Commissie deze maatregelen nu moet vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2007.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die procymidon als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2007 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot procymidon is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I bij die richtlijn betreffende procymidon, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat procymidon bevat. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van die richtlijn.
Vervolgens zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die procymidon bevatten indien nodig uiterlijk op 30 juni 2008 wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/85/EG van de Commissie (PB L 293 van 24.10.2006, blz. 3).
(2) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 10).
(3) PB L 107 van 28.4.1994, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2230/95 (PB L 225 van 22.9.1995, blz. 1).
BIJLAGE
Aan de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nr. |
Benaming, Identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||||||||||||||||
|
„146 |
Procymidon CAS-nr. 32809-16-8 CIPAC-nr. 383 |
N-(3,5-dichloorfenyl)-1,2-dimethylcyclopropaan-1,2-dicarboximide |
985 g/kg |
1 januari 2007 |
30 juni 2008 |
DEEL A De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als fungicide op de volgende gewassen:
in een dosering van maximaal
De volgende toepassingen mogen niet worden toegelaten:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van:
DEEL B Voor de toe passing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over procymidon, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de houders van een toelating ieder jaar uiterlijk op 31 december verslag uitbrengen over gezondheidsproblemen bij gebruikers. De lidstaten mogen verlangen dat gegevens als verkoopcijfers en een overzicht van de gebruikspatronen worden verstrekt, zodat een realistisch beeld van de gebruiksomstandigheden en de mogelijke toxicologische gevolgen van procymidon kan worden verkregen. De lidstaten verlangen de indiening van nadere ondersteunende gegevens en informatie om aan te tonen dat de werkzame stof ook aanvaardbaar is wanneer deze wordt toegediend in situaties waar de kans bestaat dat in het wild levende zoogdieren er langdurig aan worden blootgesteld, alsmede informatie over de behandeling van afvalwater in geval van toediening in kassen. De lidstaten verzoeken om indiening van aanvullende studies ter beoordeling van de potentiële hormoonontregelende eigenschappen van procymidon binnen twee jaar na de goedkeuring door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van de testrichtsnoeren inzake hormoonontregeling. Zij zorgen ervoor dat de kennisgever die om opneming van procymidon in deze bijlage heeft verzocht, deze studies binnen twee jaar na de goedkeuring van bovengenoemde testrichtsnoeren bij de Commissie indient.”. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/27 |
RICHTLIJN 2006/133/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde flusilazool op te nemen als werkzame stof
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Flusilazool is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
De uitwerking van flusilazool op de menselijke gezondheid en het milieueffect van deze stof zijn overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3600/92 beoordeeld voor een aantal door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bij Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3600/92 (3) is Ierland aangewezen als rapporterende lidstaat. Ierland heeft op 30 april 1996 overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3600/92 het betrokken evaluatieverslag met aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie onderzocht in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. |
|
(4) |
Aan het Wetenschappelijk Comité voor planten (hierna „het wetenschappelijk comité” genoemd) zijn twee vragen over flusilazool voorgelegd. De eerste vraag was of de voorgestelde NOEC (No Observed Effect Concentration) volstaat om voldoende bescherming te bieden tegen nadelige effecten op de voortplanting, en meer in het algemeen, wat het standpunt van het wetenschappelijk comité is omtrent de gevoeligheid van de test over de eerste levensfase ten opzichte van de test over de volledige levenscyclus van vissen. De tweede vraag had betrekking op de eventuele gevolgen voor de ontleding van organisch materiaal. In beide gevallen zijn de aanbevelingen van het wetenschappelijk comité (4) bij de opstelling van deze richtlijn en het desbetreffende evaluatieverslag in aanmerking genomen. |
|
(5) |
Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Aangezien flusilazool een gevaarlijke stof is, mag het niet zonder enige beperking worden gebruikt. Er is met name ongerustheid over de intrinsieke toxische effecten van deze stof, waaronder mogelijkerwijs hormoonontregeling. Er bestaat momenteel geen wetenschappelijke overeenstemming over de exacte omvang van het risico. Ingevolge het voorzorgsbeginsel en rekening houdend met de huidige stand van de wetenschappelijke kennis moeten met het oog op de hoge mate van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu waarvoor de Gemeenschap heeft gekozen, risicobeperkende maatregelen worden opgelegd. |
|
(6) |
In artikel 5, lid 4, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG wordt bepaald dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I beperkingen en voorwaarden kunnen worden verbonden. In dit geval lijken beperkingen ten aanzien van de opnemingsperiode en de gewassen waarvoor het middel is toegelaten noodzakelijk. In de oorspronkelijke maatregelen, zoals voorgelegd aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, werd de opnemingsperiode tot zeven jaar beperkt, zodat de lidstaten prioriteit zouden geven aan het onderzoek van reeds in de handel zijnde gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool bevatten. Om discrepanties in het gewenste hoge beschermingsniveau te vermijden zou de opneming van flusilazool in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden beperkt tot toepassingen die al door de Gemeenschap waren geëvalueerd en die werden geacht aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. Dit wil zeggen dat andere toepassingen die tijdens deze beoordeling niet of slechts gedeeltelijk waren onderzocht, eerst een volledige beoordeling zouden moeten ondergaan voordat kon worden overwogen of zij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zouden worden opgenomen. Tot slot moest er vanwege de gevaarlijke eigenschappen van flusilazool worden gezorgd voor een minimale harmonisatie op Gemeenschapsniveau van bepaalde risicobeperkende maatregelen die door de lidstaten bij het verlenen van toelatingen zouden moeten worden genomen. |
|
(7) |
Volgens de procedures van Richtlijn 91/414/EEG beslist de Commissie over de goedkeuring van werkzame stoffen en stelt zij ook de eventuele risicobeheersmaatregelen vast. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging, toepassing en controle van de maatregelen om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De bezorgdheid die diverse lidstaten hebben uitgesproken, duidt erop dat aanvullende beperkingen nodig zijn om het risico te beperken tot een niveau dat aanvaardbaar en in overeenstemming met het in de Gemeenschap nagestreefde hoge beschermingsniveau kan worden geacht. Momenteel is het een kwestie van risicobeheer om het juiste niveau van veiligheid en bescherming vast te stellen in verband met de voortzetting van de productie, de verkoop en het gebruik van flusilazool. |
|
(8) |
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Commissie haar standpunt heroverwogen. Om aan te sluiten bij het streven van de Gemeenschap om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en een duurzaam milieu tot stand te brengen, wordt het passend geacht om naast de in overweging 6 uiteengezette beginselen, de opnemingsperiode verder te beperken tot 18 maanden in plaats van zeven jaar. Daarmee wordt het risico verder beperkt, aangezien gewaarborgd wordt dat deze stof met voorrang opnieuw wordt beoordeeld. |
|
(9) |
Te verwachten valt dat gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen worden genomen. |
|
(10) |
Onverminderd de conclusie dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool bevatten, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, moeten nadere gegevens over bepaalde specifieke punten worden verkregen. De potentiële hormoonontregelende eigenschappen van flusilazool zijn beoordeeld in testen die zijn uitgevoerd volgens de beste momenteel beschikbare praktijken. De Commissie is ervan op de hoogte dat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bezig is met de ontwikkeling van testrichtsnoeren om de potentiële hormoonontregelende eigenschappen verder te kunnen beoordelen. Er dient dan ook te worden geëist dat flusilazool aan dergelijke testen wordt onderworpen zodra er overeengekomen OESO-testrichtnoeren bestaan en dat deze studies door de kennisgever worden voorgelegd. Bovendien moeten de lidstaten van de houders van een toelating verlangen dat zij informatie over het gebruik van flusilazool verstrekken, waaronder ook informatie over de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. |
|
(11) |
Zoals voor alle in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen stoffen kan de status van flusilazool krachtens artikel 5, lid 5, van die richtlijn opnieuw worden bekeken in het licht van nieuwe gegevens die beschikbaar worden. Ook het feit dat de opneming van deze stof in bijlage I op een bepaalde datum verstrijkt, belet niet dat de opneming wordt verlengd overeenkomstig de in de richtlijn vastgestelde procedures. |
|
(12) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de interpretatie van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren dat de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(13) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de inachtneming van de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(14) |
Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaand tijdsbestek moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. Gezien de gevaarlijke eigenschappen van flusilazool mag de periode die de lidstaten krijgen om na te gaan of de gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool als enige werkzame stof dan wel in combinatie met andere toegelaten werkzame stoffen bevatten aan de bepalingen van bijlage VI voldoen, niet langer duren dan 18 maanden. |
|
(15) |
Richtlijn 91/414/EEG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(16) |
Daar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies had uitgebracht, heeft de Commissie bij de Raad een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend. Bij het verstrijken van de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde termijn had de Raad het voorgestelde uitvoeringsbesluit niet aangenomen en evenmin te kennen gegeven dat hij zich tegen het voorstel voor uitvoeringsmaatregelen verzet, zodat de Commissie deze maatregelen nu moet vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2007.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die flusilazool als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2007 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name dat aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot flusilazool is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en dat de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de voorwaarden van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I bij die richtlijn betreffende flusilazool, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat flusilazool bevat. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van die richtlijn.
Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating voor middelen die flusilazool bevatten, indien nodig en uiterlijk op 30 juni 2008 wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/85/EG van de Commissie (PB L 293 van 24.10.2006, blz. 3).
(2) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 10).
(3) PB L 107 van 28.4.1994, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2230/95 (PB L 225 van 22.9.1995, blz. 1).
(4) Advies van het Wetenschappelijk Comité voor planten over specifieke vragen van de Commissie betreffende de evaluatie van flusilazool in het kader van Richtlijn 91/414/EEG (op 18 juli 2002 door het Wetenschappelijk Comité voor planten goedgekeurd).
BIJLAGE
Aan de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nr. |
Benaming, Identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||||||||||||
|
„147 |
Flusilazool CAS-nr. 85509-19-9 CIPAC-nr. 435 |
Bis(4-fluorfenyl)(methyl)(1H-1,2,4-triazool-1-ylmethyl)silaan |
925 g/kg |
1 januari 2007 |
30 juni 2008 |
DEEL A De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als fungicide op de volgende gewassen:
in een dosering van maximaal 200 g werkzame stof per hectare per toediening. De volgende toepassingen mogen niet worden toegelaten:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van:
DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over flusilazool, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de houders van de toelating ieder jaar uiterlijk op 31 december verslag uitbrengen over gezondheidsproblemen bij gebruikers. De lidstaten mogen verlangen dat gegevens als verkoopcijfers en een overzicht van de gebruikspatronen worden verstrekt, zodat een realistisch beeld van de gebruiksomstandigheden en de mogelijke toxicologische effecten van flusilazool kan worden verkregen. De lidstaten verzoeken om indiening van aanvullende studies ter beoordeling van de potentiële hormoonontregelende eigenschappen van flusilazool binnen twee jaar na de goedkeuring door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van de testrichtsnoeren inzake hormoonontregeling. Zij zorgen ervoor dat de kennisgever die om opneming van flusilazool in deze bijlage heeft verzocht, deze studies binnen twee jaar na de goedkeuring van bovengenoemde testrichtsnoeren bij de Commissie indient.”. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/32 |
RICHTLIJN 2006/134/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde fenarimol op te nemen als werkzame stof
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Fenarimol is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
De uitwerking van fenarimol op de menselijke gezondheid en het milieueffect van deze stof zijn overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3600/92 beoordeeld voor een aantal door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bij Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3600/92 (3) is het Verenigd Koninkrijk aangewezen als rapporterende lidstaat. Het Verenigd Koninkrijk heeft op 30 april 1996 overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3600/92 het betrokken evaluatieverslag met aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie onderzocht in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. |
|
(4) |
Aan het Wetenschappelijk Comité voor planten (hierna „het wetenschappelijk comité” genoemd) zijn twee vragen over fenarimol voorgelegd. Het wetenschappelijk comité is gevraagd om commentaar over de interpretatie van de multigeneratiestudies en de over de effecten van aromatase-inhibitie van fenarimol. Verder werd advies gevraagd over de vaststelling van een betrouwbare aanvaardbare dagelijkse dosis (ADI) en een aanvaardbaar niveau van blootstelling van de toediener (AOEL) (4). Het wetenschappelijk comité concludeerde dat de bij ratten geconstateerde effecten van fenarimol op de mannelijke vruchtbaarheid als relevant moeten worden beschouwd voor de risicobeoordeling bij de mens hoewel mensen minder gevoelig zijn dan ratten voor de effecten van aromatase-inhibitie. Verder concludeerde het dat de effecten van fenarimol op de partus bij ratten als niet-relevant konden worden beschouwd voor de risicobeoordeling bij de mens. Ook werd vastgesteld dat er, behalve de verminderde mannelijke vruchtbaarheid en laatgeboorte, geen overtuigende aanwijzingen waren voor andere negatieve effecten op de voortplanting in verband met aromatase-inhibitie van fenarimol. Tot slot kwam het wetenschappelijk comité overeen dat de voorgelegde toxicologische studies de vaststelling van een betrouwbare ADI en AOEL mogelijk maakten. Een tweede advies (5) betrof de vraag of de gekozen berekeningswijze van de voorspelde concentratie in het milieu (PEC) in de bodem geschikt was. Voor de berekening van de geaccumuleerde milieuconcentratie in de bodem stelde het comité een combinatie voor van gegevens over de dissipatie in het veld en de afbraak in het laboratorium. Dit advies is onderzocht door de rapporterende lidstaat, die evenwel van mening was dat deze procedure wetenschappelijk niet beter is dan metingen van de velddissipatie alleen. Daarom werd besloten de resultaten van de lopende onderzoeken naar de velddissipatie af te wachten. Aangezien de tussentijdse resultaten van deze studies overeenstemmen met de modelberekeningen, kan ervan worden uitgegaan dat de kwestie voldoende is onderzocht. Derhalve kan worden geconcludeerd dat in alle gevallen rekening is gehouden met de aanbevelingen van het wetenschappelijk comité bij de opstelling van deze richtlijn en van het desbetreffende evaluatieverslag. |
|
(5) |
Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Omdat fenarimol een gevaarlijke stof is, mag het niet zonder enige beperking worden gebruikt. Er is met name ongerustheid over de intrinsieke toxische effecten van deze stof, waaronder mogelijkerwijs hormoonontregeling. Er bestaat momenteel geen wetenschappelijke overeenstemming over de exacte omvang van het risico. Ingevolge het voorzorgsbeginsel en rekening houdend met de huidige stand van de wetenschappelijke kennis moeten met het oog op de hoge mate van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu waarvoor de Gemeenschap heeft gekozen, risicobeperkende maatregelen worden opgelegd. |
|
(6) |
In artikel 5, lid 4, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG wordt bepaald dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I beperkingen en voorwaarden kunnen worden verbonden. In dit geval lijken beperkingen ten aanzien van de opnemingsperiode en de gewassen waarvoor het middel is toegelaten noodzakelijk. In de oorspronkelijke maatregelen, zoals voorgelegd aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, werd de opnemingsperiode tot zeven jaar beperkt, zodat de lidstaten prioriteit zouden geven aan het onderzoek van reeds in de handel zijnde gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol bevatten. Om discrepanties in het gewenste hoge beschermingsniveau te vermijden zou de opneming van fenarimol in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden beperkt tot toepassingen die al door de Gemeenschap waren geëvalueerd en die werden geacht aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. Dit wil zeggen dat andere toepassingen die tijdens deze beoordeling niet of slechts gedeeltelijk waren onderzocht, eerst een volledige beoordeling zouden moeten ondergaan voordat kon worden overwogen of zij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zouden worden opgenomen. Tot slot moest er vanwege de gevaarlijke eigenschappen van fenarimol worden gezorgd voor een minimale harmonisatie op Gemeenschapsniveau van bepaalde risicobeperkende maatregelen die door de lidstaten bij het verlenen van toelatingen zouden moeten worden genomen. |
|
(7) |
Volgens de procedures van Richtlijn 91/414/EEG beslist de Commissie over de goedkeuring van werkzame stoffen en stelt zij ook de eventuele risicobeheersmaatregelen vast. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging, toepassing en controle van de maatregelen om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De bezorgdheid die diverse lidstaten hebben uitgesproken, duidt erop dat aanvullende beperkingen nodig zijn om het risico te beperken tot een niveau dat aanvaardbaar en in overeenstemming met het in de Gemeenschap nagestreefde hoge beschermingsniveau kan worden geacht. Momenteel is het een kwestie van risicobeheer om het juiste niveau van veiligheid en bescherming vast te stellen in verband met de voortzetting van de productie, de verkoop en het gebruik van fenarimol. |
|
(8) |
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Commissie haar standpunt heroverwogen. Om aan te sluiten bij het streven van de Gemeenschap om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en een duurzaam milieu tot stand te brengen, wordt het passend geacht om naast de in overweging 6 uiteengezette beginselen de opnemingsperiode verder te beperken tot 18 maanden in plaats van zeven jaar. Daarmee wordt het risico verder beperkt, aangezien gewaarborgd wordt dat deze stof met voorrang opnieuw wordt beoordeeld. |
|
(9) |
Te verwachten valt dat gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen worden genomen. |
|
(10) |
Onverminderd de conclusie dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol bevatten, aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen, moeten er over bepaalde specifieke punten nadere gegevens worden verkregen. De potentiële hormoonontregelende eigenschappen van fenarimol zijn beoordeeld in tests die zijn uitgevoerd volgens de beste momenteel beschikbare praktijken. De Commissie is ervan op de hoogte dat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bezig is met de ontwikkeling van testrichtsnoeren om de potentiële hormoonontregelende eigenschappen verder te kunnen beoordelen. Daarom moet worden geëist dat fenarimol aan dergelijke tests wordt onderworpen zodra er OESO-testrichtsnoeren zijn overeengekomen en dat deze studies door de kennisgever worden ingediend. Bovendien moeten de lidstaten van de houders van een toelating verlangen dat zij informatie over het gebruik van fenarimol verstrekken, waaronder ook informatie over de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. |
|
(11) |
Zoals voor alle in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen stoffen kan de status van fenarimol krachtens artikel 5, lid 5, van die richtlijn opnieuw worden bekeken wanneer nieuwe gegevens beschikbaar komen. Ook belet het feit dat de opneming van deze stof in bijlage I op een bepaalde datum verstrijkt, niet dat de opneming wordt verlengd overeenkomstig de in de richtlijn vastgestelde procedures. |
|
(12) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de interpretatie van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren dat de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(13) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de inachtneming van de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(14) |
Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaand tijdsbestek moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. Gezien de gevaarlijke eigenschappen van fenarimol mag de periode die de lidstaten krijgen om na te gaan of de gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol bevatten als enige werkzame stof dan wel in combinatie met andere toegelaten werkzame stoffen bevatten aan de bepalingen van bijlage VI voldoen, niet langer duren dan 18 maanden. |
|
(15) |
Richtlijn 91/414/EEG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(16) |
Daar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies had uitgebracht, heeft de Commissie bij de Raad een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend. Bij het verstrijken van de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde termijn had de Raad het voorgestelde uitvoeringsbesluit niet aangenomen en evenmin te kennen gegeven dat hij zich tegen het voorstel voor uitvoeringsmaatregelen verzet, zodat de Commissie deze maatregelen nu moet vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2007.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die fenarimol als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2007 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot fenarimol is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende fenarimol in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat fenarimol bevat. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b), c), d) en e), van die richtlijn.
Vervolgens zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating van gewasbeschermingmiddelen die fenarimol bevatten indien nodig uiterlijk op 30 juni 2008 wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/85/EG van de Commissie (PB L 293 van 24.10.2006, blz. 3).
(2) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 10).
(3) PB L 107 van 28.4.1994, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2230/95 (PB L 225 van 22.9.1995, blz. 1).
(4) Advies van het Wetenschappelijk Comité voor planten betreffende de opneming van fenarimol in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (SCP/FENARI/005 — Final) (op 18 mei 1999 door het Wetenschappelijk Comité voor planten goedgekeurd).
(5) Advies van het Wetenschappelijk Comité voor planten over een specifieke vraag van de Commissie betreffende de evaluatie van fenarimol in het kader van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (op 8 november 2001 door het Wetenschappelijk Comité voor planten goedgekeurd).
BIJLAGE
Aan de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nr. |
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Bijzondere bepalingen |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
„148 |
Fenarimol CAS-nr. 60168-88-9 (niet-gespecificeerde stereochemie) CIPAC-nr. 380 |
(±)-2,4'-dichloor-α-(pyrimidine-5-yl) benzhydrylalcohol |
980 g/kg |
1 januari 2007 |
30 juni 2008 |
DEEL A De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als fungicide op de volgende gewassen:
in een dosering van maximaal
De volgende toepassingen mogen niet worden toegelaten:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van:
DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over fenarimol, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. De lidstaten zorgen ervoor dat de houders van de toelating ieder jaar uiterlijk op 31 december verslag uitbrengen over gezondheidsproblemen bij gebruikers. De lidstaten mogen verlangen dat gegevens als verkoopcijfers en een overzicht van de gebruikspatronen worden verstrekt, zodat een realistisch beeld van de gebruiksomstandigheden en de mogelijke toxicologische gevolgen van fenarimol kan worden verkregen. De lidstaten verzoeken om indiening van aanvullende studies ter beoordeling van de potentiële hormoonontregelende eigenschappen van fenarimol binnen twee jaar na de goedkeuring door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van de testrichtsnoeren inzake hormoonontregeling. Zij zorgen ervoor dat de kennisgever die om opneming van fenarimol in deze bijlage heeft verzocht, deze studies binnen twee jaar na de goedkeuring van bovengenoemde testrichtsnoeren bij de Commissie indient.”. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/37 |
RICHTLIJN 2006/135/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde carbendazim op te nemen als werkzame stof
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Carbendazim is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
Voor carbendazim zijn de uitwerking op de menselijke gezondheid en het milieueffect overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3600/92 beoordeeld voor een aantal door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bij Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3600/92 (3) is Duitsland aangewezen als rapporterende lidstaat. Duitsland heeft op 10 februari 1998 overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3600/92 het betrokken evaluatieverslag met aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie onderzocht in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. |
|
(4) |
Bij het onderzoek van carbendazim zijn enkele vragen naar voren gekomen waarover het Wetenschappelijk Comité voor planten zich heeft gebogen. Aan het wetenschappelijk comité werd gevraagd of het wenselijk is om een aanvaardbare dagelijkse dosis (ADI) en een aanvaardbaar niveau van blootstelling van de toediener (AOEL) vast te stellen, in het bijzonder met betrekking tot de resultaten van de mutageniteits-, carcinogeniteits- en reproductiestudies voor benomyl, carbendazim en thiofanaat-methyl. Het wetenschappelijk comité heeft vastgesteld dat voor deze drie stoffen carbendazim de gemeenschappelijke biologisch werkzame stof is (4). Vooral benomyl, maar ook thiofanaat-methyl, wordt gemetaboliseerd tot carbendazim en deze drie stoffen veroorzaken numerieke chromosoomafwijkingen (aneuploïdie) in zoogdiercellen die in vivo zijn blootgesteld. Er zijn geen aanwijzingen dat deze stoffen het genetisch materiaal op andere manieren beschadigen. Carcinogeniteit vormt geen probleem. De bekende effecten van deze fungiciden op de voortplanting kunnen worden verklaard door de interactie met de microtubuli van de spoelfiguur. Het mechanisme dat aneuploïdie veroorzaakt is goed bekend en verhindert de polymerisatie van tubuline, het eiwit dat nodig is voor de scheiding van de chromosomen tijdens de celdeling; er is geen interactie met DNA. Aangezien in delende cellen meerdere exemplaren van tubulinemoleculen aanwezig zijn, wordt bij een lage concentratie aan fungiciden een beperkt aantal tubulinemoleculen aangetast en treden er dus geen schadelijke toxicologische effecten op. Daarom is er een duidelijk niveau zonder schadelijke effecten te onderkennen en kan zowel een ADI als een AOEL worden vastgesteld. |
|
(5) |
In artikel 5, lid 4, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG is bepaald dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I beperkingen en voorwaarden kunnen worden verbonden. In dit geval lijken beperkingen ten aanzien van de opnemingsperiode en de gewassen waarvoor het middel is toegelaten noodzakelijk. In de oorspronkelijke maatregelen, zoals voorgelegd aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, werd de opnemingsperiode tot zeven jaar beperkt, zodat de lidstaten prioriteit zouden geven aan het onderzoek van reeds in de handel zijnde gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim bevatten. Om discrepanties in het gewenste hoge beschermingsniveau te vermijden zou de opneming van carbendazim in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden beperkt tot toepassingen die al door de Gemeenschap waren geëvalueerd en die werden geacht aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. Dit wil zeggen dat andere toepassingen die tijdens deze beoordeling niet of slechts gedeeltelijk waren onderzocht, eerst een volledige beoordeling zouden moeten ondergaan voordat kon worden overwogen of zij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zouden worden opgenomen. Tot slot moest er vanwege de gevaarlijke eigenschappen van carbendazim worden gezorgd voor een minimale harmonisatie op Gemeenschapsniveau van bepaalde risicobeperkende maatregelen die door de lidstaten bij het verlenen van toelatingen zouden moeten worden genomen. |
|
(6) |
Volgens de procedures van Richtlijn 91/414/EEG beslist de Commissie over de goedkeuring van werkzame stoffen en stelt zij ook de eventuele risicobeheersmaatregelen vast. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging, toepassing en controle van de maatregelen om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De bezorgdheid die diverse lidstaten hebben uitgesproken, duidt erop dat aanvullende beperkingen nodig zijn om het risico te beperken tot een niveau dat aanvaardbaar en in overeenstemming met het in de Gemeenschap nagestreefde hoge beschermingsniveau kan worden geacht. Momenteel is het een kwestie van risicobeheer om het juiste niveau van veiligheid en bescherming vast te stellen in verband met de voortzetting van de productie, de verkoop en het gebruik van carbendazim. |
|
(7) |
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Commissie haar standpunt heroverwogen. Om aan te sluiten bij het streven van de Gemeenschap om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en een duurzaam milieu tot stand te brengen, wordt het passend geacht om naast de in overweging 5 uiteengezette beginselen de opnemingsperiode verder te beperken tot drie in plaats van zeven jaar. Daarmee wordt het risico verder beperkt, aangezien gewaarborgd wordt dat deze stof met voorrang opnieuw wordt beoordeeld. |
|
(8) |
Te verwachten valt dat gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen worden genomen. |
|
(9) |
Onverminderd de conclusie dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim bevatten, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, moeten nadere gegevens over bepaalde specifieke punten worden verkregen. De lidstaten moeten van de houders van een toelating verlangen dat zij informatie over het gebruik van carbendazim verstrekken, waaronder ook informatie over de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. |
|
(10) |
Zoals voor alle in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen stoffen kan de status van carbendazim krachtens artikel 5, lid 5, van die richtlijn opnieuw worden bekeken wanneer nieuwe gegevens beschikbaar komen. Ook belet het feit dat de opneming van deze stof in bijlage I op een bepaalde datum verstrijkt, niet dat de opneming wordt verlengd overeenkomstig de in de richtlijn vastgestelde procedures. |
|
(11) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de interpretatie van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(12) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(13) |
Onverminderd de verplichtingen zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaand tijdsbestek moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. Gezien de gevaarlijke eigenschappen van carbendazim mag de periode die de lidstaten krijgen om na te gaan of de gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim als enige werkzame stof dan wel in combinatie met andere toegelaten werkzame stoffen bevatten aan de bepalingen van bijlage VI voldoen, niet langer duren dan drie jaar. |
|
(14) |
Richtlijn 91/414/EEG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(15) |
Daar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies had uitgebracht, heeft de Commissie bij de Raad een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend. Bij het verstrijken van de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde termijn had de Raad het voorgestelde uitvoeringsbesluit niet aangenomen en evenmin te kennen gegeven dat hij zich tegen het voorstel voor uitvoeringsmaatregelen verzet, zodat de Commissie deze maatregelen nu moet vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2007.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2007 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot carbendazim is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13 van die richtlijn aan de voorwaarden van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst betreffende carbendazim in bijlage I bij die richtlijn, overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat carbendazim bevat. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b) tot en met e), van die richtlijn.
Vervolgens zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die carbendazim bevatten indien nodig uiterlijk op 31 december 2009 wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/85/EG van de Commissie (PB L 293 van 24.10.2006, blz. 3).
(2) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 10).
(3) PB L 107 van 28.4.1994, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2230/95 (PB L 225 van 22.9.1995, blz. 1).
(4) Advies van het Wetenschappelijk Comité voor planten (SCP/BENOMY/002 final, SCP/CARBEN/002 final, SCP/THIOPHAN/002 final 002) van 23 maart 2001 met betrekking tot de evaluatie van benomyl, carbendazim en thiofanaatmethyl in het kader van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (op 7 maart 2001 door het Wetenschappelijk Comité voor planten goedgekeurd).
BIJLAGE
Aan de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nr. |
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||||||||||||||||||||
|
„149 |
Carbendazim (niet-gespecificeerde stereochemie) CAS-nr. 10605-21-7 CIPAC-nr. 263 |
Methylbenzimidazool-2-ylcarbamaat |
980 g/kg |
1 januari 2007 |
31 december 2009 |
DEEL A De stof mag alleen worden toelaten voor gebruik als fungicide op de volgende gewassen:
in een dosering van maximaal
De volgende toepassingen mogen niet worden toegelaten:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van:
DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over carbendazim, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de houders van de toelating ieder jaar uiterlijk op 31 december verslag uitbrengen over gezondheidsproblemen bij gebruikers. De lidstaten mogen verlangen dat gegevens als verkoopcijfers en een overzicht van de gebruikspatronen worden verstrekt, zodat een realistisch beeld van de gebruiksomstandigheden en de mogelijke toxicologische gevolgen van carbendazim kan worden verkregen.”. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/42 |
RICHTLIJN 2006/136/EG VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde dinocap op te nemen als werkzame stof
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht met het oog op hun opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Dinocap is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
De uitwerking van dinocap op de gezondheid van de mens en het milieueffect van deze stof zijn overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3600/92 beoordeeld voor een reeks door de kennisgever voorgestelde toepassingen. Bij Verordening (EG) nr. 933/94 van de Commissie van 27 april 1994 houdende vaststelling van de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en aanwijzing van de als rapporteur optredende lidstaten voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3600/92 (3), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 491/95 (4), is Oostenrijk aangewezen als rapporterende lidstaat. Oostenrijk heeft op 18 mei 2000 overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3600/92 het betrokken evaluatieverslag met aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Het evaluatieverslag is door de lidstaten en de Commissie onderzocht in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. |
|
(4) |
Ten aanzien van dinocap zijn twee vragen aan het Wetenschappelijk Panel voor de gezondheid van gewassen, gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „het wetenschappelijk panel” genoemd) voorgelegd. De eerste vraag betrof de relevantie voor de mens van de bij honden geconstateerde effecten op de ogen en bij de tweede ging het om de vraag welke waarde voor opname via de huid in het licht van de verschillende door de kennisgever ter beschikking gestelde studies moet worden genomen. Met betrekking tot de eerste vraag was het wetenschappelijk panel van oordeel dat de beschikbare informatie onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de bij honden geconstateerde effecten op de ogen specifiek zijn voor deze diersoort en dat wellicht meer onderzoek naar de betrokken mechanismen nodig is. Derhalve luidde de conclusie dat deze effecten bij honden niet als irrelevant voor de mens konden worden beschouwd. Naar aanleiding van de tweede vraag kwam het wetenschappelijk panel tot de slotsom dat ten behoeve van de evaluatie voor opname via de huid een waarde van 10 % moet worden genomen. In beide gevallen zijn de aanbevelingen van het wetenschappelijk panel (5) bij de opstelling van deze richtlijn en het desbetreffende evaluatieverslag in aanmerking genomen. |
|
(5) |
In artikel 5, lid 4, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG is bepaald dat aan de opneming van een werkzame stof in bijlage I beperkingen en voorwaarden kunnen worden verbonden. In dit geval lijken beperkingen ten aanzien van de opnemingsperiode en de gewassen waarvoor het middel is toegelaten noodzakelijk. In de oorspronkelijke maatregelen, zoals voorgelegd aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, werd de opnemingsperiode tot zeven jaar beperkt, zodat de lidstaten prioriteit zouden geven aan het onderzoek van reeds in de handel zijnde gewasbeschermingsmiddelen die dinocap bevatten. Om discrepanties in het gewenste hoge beschermingsniveau te vermijden, zou de opneming van dinocap in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG worden beperkt tot toepassingen die al door de Gemeenschap waren geëvalueerd en die werden geacht aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. Dit wil zeggen dat andere toepassingen die tijdens deze beoordeling niet of slechts gedeeltelijk waren onderzocht, eerst een volledige beoordeling zouden moeten ondergaan voordat kon worden overwogen of zij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zouden worden opgenomen. Tot slot moest er vanwege de gevaarlijke eigenschappen van dinocap worden gezorgd voor een minimale harmonisatie op Gemeenschapsniveau van bepaalde risicobeperkende maatregelen die door de lidstaten bij het verlenen van toelatingen zouden moeten worden genomen. |
|
(6) |
Volgens de procedures van Richtlijn 91/414/EEG beslist de Commissie over de goedkeuring van werkzame stoffen en stelt zij ook de eventuele risicobeheersmaatregelen vast. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging, toepassing en controle van de maatregelen om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De bezorgdheid die diverse lidstaten hebben uitgesproken, duidt erop dat aanvullende beperkingen nodig zijn om het risico te beperken tot een niveau dat aanvaardbaar en in overeenstemming met het in de Gemeenschap nagestreefde hoge beschermingsniveau kan worden geacht. Momenteel is het een kwestie van risicobeheer om het juiste niveau van veiligheid en bescherming vast te stellen in verband met de voortzetting van de productie, de verkoop en het gebruik van dinocap. |
|
(7) |
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Commissie haar standpunt heroverwogen. Om aan te sluiten bij het streven van de Gemeenschap om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en een duurzaam milieu tot stand te brengen, wordt het passend geacht om naast de in overweging 5 uiteengezette beginselen de opnemingsperiode verder te beperken tot drie in plaats van zeven jaar. Daarmee wordt het risico verder beperkt, aangezien gewaarborgd wordt dat deze stof met voorrang opnieuw moet worden beoordeeld. |
|
(8) |
Te verwachten valt dat gewasbeschermingsmiddelen die dinocap bevatten, voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie, zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, mits de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen worden genomen. |
|
(9) |
Onverminderd de conclusie dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die dinocap bevatten, aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen, moeten er over bepaalde specifieke punten nadere gegevens worden verkregen. De lidstaten moeten van de houders van een toelating verlangen dat zij informatie over het gebruik van dinocap verstrekken, waaronder ook informatie over de gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker. |
|
(10) |
Zoals voor alle in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen stoffen kan de status van dinocap krachtens artikel 5, lid 5, van die richtlijn opnieuw worden bekeken wanneer nieuwe gegevens beschikbaar komen. Ook belet het feit dat de opneming van deze stof in bijlage I op een bepaalde datum verstrijkt, niet dat de opneming wordt verlengd overeenkomstig de in de richtlijn vastgestelde procedures. |
|
(11) |
Bij eerdere opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 zijn onderzocht, is gebleken dat de interpretatie van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(12) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat een werkzame stof in bijlage I wordt opgenomen, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de opneming voortvloeien. |
|
(13) |
Onverminderd de verplichtingen, zoals vastgelegd in Richtlijn 91/414/EEG, ten gevolge van de opneming van een werkzame stof in bijlage I, moeten de lidstaten na de opneming zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dinocap bevatten, opnieuw te onderzoeken en ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van Richtlijn 91/414/EEG, met name in artikel 13 en bijlage I, is voldaan. De lidstaten moeten de bestaande toelatingen al naar het geval wijzigen, vervangen of intrekken overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG. In afwijking van bovenstaand tijdsbestek moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en beoordeling van het volledige dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de in die richtlijn vastgestelde uniforme beginselen. Gezien de gevaarlijke eigenschappen van dinocap mag de periode die de lidstaten krijgen om na te gaan of de gewasbeschermingsmiddelen die dinocap als enige werkzame stof dan wel in combinatie met andere toegelaten werkzame stoffen bevatten aan de bepalingen van bijlage VI voldoen, niet langer duren dan drie jaar. |
|
(14) |
Richtlijn 91/414/EEG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(15) |
Daar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies had uitgebracht, heeft de Commissie bij de Raad een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend. Bij het verstrijken van de in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 91/414/EEG vastgestelde termijn had de Raad het voorgestelde uitvoeringsbesluit niet aangenomen en evenmin te kennen gegeven dat hij zich tegen het voorstel voor uitvoeringsmaatregelen verzet, zodat de Commissie deze maatregelen nu moet vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2007 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2007.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
1. De lidstaten moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG, zo nodig bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dinocap als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 juni 2007 wijzigen of intrekken. Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn met betrekking tot dinocap is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in deel B van de tekst betreffende die werkzame stof, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met deel B van de tekst van bijlage I van die richtlijn ten aanzien van dinocap overeenkomstig de uniforme beginselen in bijlage VI bij die richtlijn een nieuwe evaluatie uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat dinocap bevat. Aan de hand van die evaluatie bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b) tot en met e), van die richtlijn.
Vervolgens zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die dinocap bevatten indien nodig uiterlijk op 31 december 2009 wordt gewijzigd of ingetrokken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/85/EG van de Commissie (PB L 293 van 24.10.2006, blz. 3).
(2) PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 10).
(3) PB L 107 van 28.4.1994, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2230/95 (PB L 225 van 22.9.1995, blz. 1).
(4) PB L 49 van 4.3.1995, blz. 50.
(5) Advies van het Wetenschappelijk Panel voor de gezondheid van gewassen, gewasbeschermingsmiddelen en de residuen daarvan naar aanleiding van een verzoek van de Commissie betreffende de evaluatie van dinocap in het kader van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (Vraag nr. EFSA-Q-2004-26), goedgekeurd op 30 juni 2004.
BIJLAGE
Aan de tabel in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
Nr. |
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Inwerkingtreding |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||||||||
|
„150 |
Dinocap CAS-nr. 39300-45-3 (voor isomeermengsel) CIPAC-nr. 588 |
2,6-dinitro-4-octylfenylcrotonaten en 2,4-dinitro-6-octylfenylcrotonaten, waarbij „octyl” een mengsel is van 1-methylheptyl-, 1-ethylhexyl- en 1-propylpentylgroepen |
920 g/kg |
1 januari 2007 |
31 december 2009 |
DEEL A De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als fungicide op het volgende gewas:
in een dosering van maximaal 0,21 kg werkzame stof per hectare per toediening. De volgende toepassingen mogen niet worden toegelaten:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende risicobeperkende maatregelen worden genomen. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van:
DEEL B Voor de toepassing van de uniforme beginselen in bijlage VI moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over dinocap, en met name met de aanhangsels I en II daarvan. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de houders van een toelating ieder jaar uiterlijk op 31 december verslag uitbrengen over gezondheidsproblemen bij gebruikers. De lidstaten mogen verlangen dat gegevens als verkoopcijfers en een overzicht van de gebruikspatronen worden verstrekt, zodat een realistisch beeld van de gebruiksomstandigheden en de mogelijke toxicologische gevolgen van dinocap kan worden verkregen.”. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing
Raad
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/47 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 13 november 2006
betreffende het sluiten van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over de herziening van het bedrag van de financiële bijdrage van Noorwegen uit hoofde van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD)
(2006/914/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (2) is bepaald dat het Waarnemingscentrum openstaat voor deelneming door derde landen die het belang van de Gemeenschap en van haar lidstaten bij de doelstellingen en het werk van het Waarnemingscentrum delen. |
|
(2) |
De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) (3) is op 19 oktober 2000 ondertekend en op 1 januari 2001 in werking getreden. In artikel 5 van deze overeenkomst is de financiële bijdrage van Noorwegen aan de werkzaamheden van het EWDD geregeld. |
|
(3) |
Naar aanleiding van de uitbreiding van de Europese Unie heeft Noorwegen verzocht om de herziening van zijn financiële bijdrage aan de werkzaamheden van het EWDD. |
|
(4) |
De Commissie heeft namens de Gemeenschap onderhandeld over een overeenkomst met Noorwegen over de herziening van het bedrag van de financiële bijdrage van Noorwegen uit hoofde van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. |
|
(5) |
De op 11 november 2005 geparafeerde overeenkomst dient te worden goedgekeurd, |
BESLUIT:
Artikel 1
De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over de herziening van het bedrag van de financiële bijdrage van Noorwegen uit hoofde van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) wordt goedgekeurd namens de Gemeenschap.
De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen teneinde tot uitdrukking te brengen dat de Gemeenschap ermee instemt zich hierdoor te binden.
Artikel 3
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd om de persoon aan te wijzen die bevoegd is om de in artikel 3 van de overeenkomst bedoelde diplomatieke nota te toe te zenden.
Artikel 4
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 13 november 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
E. TUOMIOJA
(1) Advies uitgebracht op 24 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB L 36 van 12.2.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1651/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 30).
OVEREENKOMST
tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over de herziening van het bedrag van de financiële bijdrage van Noorwegen uit hoofde van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD)
DE EUROPESE GEMEENSCHAP (hierna „de Gemeenschap” genoemd),
enerzijds,
EN HET KONINKRIJK NOORWEGEN (hierna „Noorwegen” genoemd),
anderzijds,
VERWIJZEND naar de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, die op 19 oktober 2000 werd ondertekend en op 1 januari 2001 in werking is getreden, en met name naar artikel 5, waarin de financiële bijdrage van Noorwegen aan de werkzaamheden van het EWDD is vastgelegd,
OVERWEGENDE dat Noorwegen in verband met de uitbreiding van de Europese Unie heeft verzocht om de herziening van zijn financiële bijdrage aan de werkzaamheden van het EWDD,
HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN:
Artikel 1
Artikel 5 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het EWDD wordt vervangen door de volgende tekst:
„Artikel 5
Noorwegen draagt financieel bij aan de werkzaamheden van het Centrum overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgesteld in de bijlage bij deze overeenkomst, die hiervan een integrerend deel uitmaakt.”.
Artikel 2
De bijlage bij deze overeenkomst wordt de bijlage bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de deelneming van Noorwegen aan de werkzaamheden van het EWDD.
De in de bijlage opgenomen formule wordt vanaf het begin van het jaar waarin deze overeenkomst in werking treedt, gebruikt voor de berekening van de financiële bijdrage van Noorwegen aan de begroting van het EWDD.
Artikel 3
Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van ontvangst van de laatste diplomatieke nota ter bevestiging dat de desbetreffende overeenkomstsluitende partij heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften in verband met de inwerkingtreding van de overeenkomst.
BIJLAGE
Financiële bijdrage van Noorwegen
|
1. |
Om rekening te houden met eventuele toekomstige uitbreidingen van de Europese Unie en verdere herzieningen te vermijden, wordt de volgende formule voor de berekening van de bijdrage van Noorwegen gebruikt:
bedrag van de communautaire subsidie, exclusief de Reitox-financiering/(aantal lidstaten van de Europese Unie + 1) – 10%. |
|
2. |
Ongeacht het aantal lidstaten van de Unie mag de financiële bijdrage van Noorwegen niet lager zijn dan 271 000 EUR (prijzen 2004). Dit bedrag stemt overeen met de kosten van de uitbreiding per land overeenkomstig een EWDD-raming van 2001. Jaarlijks wordt een technische aanpassing van dit bedrag verricht, afhankelijk van de ontwikkeling van de prijzen en het bruto nationaal inkomen (bni) van de Europese Unie. |
Commissie
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/51 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot verlenging van de geldigheidsduur van Beschikking 2002/887/EG voor op natuurlijke of kunstmatige wijze opgekweekte miniatuurplanten van Chamaecyparis Spach, Juniperus L. en Pinus L., van oorsprong uit Japan
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5997)
(2006/915/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 15, lid 1,
Gezien het door het Verenigd Koninkrijk ingediende verzoek,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Beschikking 2002/887/EG van de Commissie van 8 november 2002 houdende machtiging om voor op natuurlijke of kunstmatige wijze opgekweekte miniatuurplanten van Chamaecyparis Spach, Juniperus L. en Pinus L., van oorsprong uit Japan, afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan (2) worden de lidstaten gemachtigd om voor bepaalde perioden en onder specifieke voorwaarden te voorzien in afwijkingen van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG ten aanzien van miniatuurplanten van Chamaecyparis Spach, Juniperus L. en Pinus L., van oorsprong uit Japan. |
|
(2) |
Aangezien de omstandigheden die de machtiging rechtvaardigen, nog steeds van toepassing zijn en er geen nieuwe gegevens beschikbaar zijn die aanleiding geven tot herziening van de specifieke voorwaarden, moet de machtiging worden verlengd. |
|
(3) |
Beschikking 2002/887/EG moet daarom dienovereenkomstig worden verlengd. |
|
(4) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Beschikking 2002/887/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 2, leden 1 en 2, wordt „vóór 1 augustus 2005 en vóór 1 augustus 2006” vervangen door „vóór 1 augustus 2007 en vóór 1 augustus 2008”. |
|
2) |
De tabel in artikel 4 wordt vervangen door de onderstaande tabel:
|
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).
(2) PB L 309 van 12.11.2002, blz. 8. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2004/826/EG (PB L 358 van 3.12.2004, blz. 32).
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/52 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot verlening van een machtiging om voor planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad af te wijken
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 6365)
(2006/916/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 15, lid 1,
Gezien het door Slovenië ingediende verzoek,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Richtlijn 2000/29/EG mogen planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit derde landen, in principe niet in de Gemeenschap worden binnengebracht. |
|
(2) |
Slovenië heeft om een afwijking verzocht om de invoer van planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, tijdelijk toe te staan om gespecialiseerde kwekerijen de kans te geven deze planten in de Gemeenschap te vermeerderen, en deze naderhand weer naar Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië uit te voeren. |
|
(3) |
De Commissie is van oordeel dat er geen risico bestaat van verspreiding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, op voorwaarde dat de uit Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië afkomstige planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, onderworpen worden aan de specifieke voorwaarden van deze beschikking. |
|
(4) |
Daarom moeten de lidstaten voor een beperkte periode worden gemachtigd onder specifieke voorwaarden het binnenbrengen van dergelijke planten op hun grondgebied toe te staan. |
|
(5) |
Deze machtiging moet worden ingetrokken indien blijkt dat de bij deze beschikking vastgestelde specifieke voorwaarden ontoereikend zijn om het binnenbrengen van schadelijke organismen in de Gemeenschap te voorkomen of dat zij niet in acht zijn genomen. |
|
(6) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
In afwijking van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG, wat betreft punt 15 van deel A van bijlage III bij die richtlijn, worden de lidstaten gemachtigd het binnenbrengen van planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, bestemd voor enting in de Gemeenschap en van oorsprong uit Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (hierna „de planten” genoemd), op hun grondgebied toe te staan.
Om in aanmerking te komen voor deze afwijking worden de planten, naast de vereisten van de bijlagen I en II bij Richtlijn 2000/29/EG, onderworpen aan de voorwaarden van de bijlage bij deze beschikking, en worden zij tussen 1 januari 2007 en 31 maart 2007 in de Gemeenschap binnengebracht.
Artikel 2
De lidstaten die van de in artikel 1 bedoelde afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 15 november 2007 in kennis van:
|
a) |
gegevens over de hoeveelheden planten die op grond van deze beschikking zijn ingevoerd; en |
|
b) |
een gedetailleerd technisch verslag over de in punt 6 van de bijlage bedoelde officiële inspecties. |
Alle lidstaten waar de planten, na op het grondgebied ervan te zijn binnengebracht, worden geënt, doen de Commissie en de overige lidstaten uiterlijk op 15 november 2007 een gedetailleerd technisch verslag over de in punt 8, onder b), van de bijlage bedoelde officiële inspecties en tests toekomen.
Artikel 3
De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van alle zendingen die op grond van deze beschikking op hun grondgebied worden binnengebracht en vervolgens niet aan deze beschikking blijken te voldoen.
Artikel 4
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).
BIJLAGE
Specifieke voorwaarden waaraan planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten, van oorsprong uit Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de in artikel 1 vastgestelde afwijking
|
1. |
De planten zijn teeltmateriaal in de vorm van slapende knoppen van de volgende rassen: Babić, Borgonja, Dišeča belina, Graševina, Grk, Hrvatica, Kraljevina, Malvazija istarska, Maraština, Malvasija, Muškat momjanski, Muškat ruža porečki, Plavac mali, Plavina-Plavka, Pošip, Škrlet, Teran, Trnjak, Plavac veli, Vugava of Žlahtina; en zij zijn:
|
|
2. |
De planten gaan vergezeld van een in Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG en op basis van het daarin bedoelde onderzoek afgegeven fytosanitair certificaat, waarin met name wordt verklaard dat de planten vrij zijn van de volgende schadelijke organismen:
In het certificaat wordt onder „Aanvullende verklaring” de volgende vermelding opgenomen: „Deze zending voldoet aan de in Beschikking 2006/916/EG vastgestelde voorwaarden”. |
|
3. |
De officiële plantenziektekundige dienst van Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië ziet toe op de identiteit en de integriteit van de planten vanaf het moment waarop zij worden geoogst, als bedoeld in punt 1, onder b), tot het moment waarop zij naar de Gemeenschap worden uitgevoerd. |
|
4. |
De planten worden binnengebracht via de plaatsen van binnenkomst die zijn aangewezen door de lidstaat waarin deze plaatsen liggen.
Deze plaatsen van binnenkomst en de naam en het adres van de voor elke plaats van binnenkomst verantwoordelijke officiële instantie, als bedoeld in Richtlijn 2000/29/EG, worden ruim op tijd door de lidstaat die gebruikmaakt van de afwijking aan de Commissie gemeld en worden desgevraagd aan de andere lidstaten meegedeeld. Als de planten in de Gemeenschap worden binnengebracht in een andere lidstaat dan die welke van de in artikel 1 bedoelde machtiging (hierna „de machtiging” genoemd) gebruikmaakt, stellen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat van binnenkomst de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaten die van de machtiging gebruikmaken hiervan in kennis en werken zij met deze instanties samen om te garanderen dat deze beschikking in acht wordt genomen. |
|
5. |
Vóór het binnenbrengen in de Gemeenschap moet de importeur officieel in kennis worden gesteld van de in de punten 1 tot en met 4 vastgestelde voorwaarden; deze importeur meldt bijzonderheden van elke in te voeren zending lang genoeg van tevoren aan de verantwoordelijke officiële instanties in de lidstaat van binnenkomst en deze lidstaat geeft de gegevens onverwijld door aan de Commissie, met name:
De importeur stelt de officiële instanties in kennis van elke wijziging van de hierboven bedoelde gegevens, zodra de nieuwe gegevens bekend zijn. De betrokken lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de hierboven bedoelde gegevens en van elke wijziging daarvan. Ten minste twee weken voor de datum van binnenkomst stelt de importeur de verantwoordelijke officiële instantie van de in punt 7 bedoelde bedrijven in kennis van de plaats waar de planten zullen worden geënt. |
|
6. |
De inspecties, inclusief eventuele tests, die op grond van artikel 13 van Richtlijn 2000/29/EG en de in deze beschikking vastgestelde vereisten moeten worden verricht, worden uitgevoerd door de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat die van deze machtiging gebruikmaakt, indien nodig in samenwerking met de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten worden opgeslagen.
Bij deze inspecties verricht(en) die lidstaat (lidstaten) ook onderzoek naar, en zo nodig tests op, de in punt 2 vermelde schadelijke organismen. Als dergelijke schadelijke organismen worden gevonden, wordt de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis gesteld. Er worden passende maatregelen genomen om de schadelijke organismen en zo nodig de betrokken planten te vernietigen. |
|
7. |
De planten worden alleen geënt in bedrijven die officieel zijn geregistreerd en erkend in het kader van deze machtiging.
De persoon die de planten wil enten, stelt de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waarin die bedrijven zich bevinden, vooraf in kennis van de naam en het adres van de eigenaar van die bedrijven. Als de planten worden geënt in een andere lidstaat dan die welke van de machtiging gebruikmaakt, stellen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat die van de machtiging gebruikmaakt, de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat waar de planten moeten worden geënt, in kennis van de naam en het adres van de bedrijven waar de planten zullen worden geënt. Zij delen deze informatie mee zodra zij de in punt 5, vierde alinea, bedoelde voorafgaande kennisgeving van de importeur ontvangen. |
|
8. |
In de in punt 7 bedoelde bedrijven:
|
|
9. |
Planten die zijn verkregen door succesvolle enting van de in punt 1 bedoelde knoppen worden als geënte planten alleen voor uitvoer naar Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië vrijgegeven. De verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat die van deze machtiging gebruikmaakt, zien erop toe dat alle planten of delen van planten die niet worden uitgevoerd, officieel worden vernietigd. De gegevens over het aantal met succes geënte planten, officieel vernietigde planten en weer naar Kroatië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië geëxporteerde planten worden bijgehouden. Deze gegevens worden ter beschikking gesteld van de Commissie. |
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/56 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2006
tot vaststelling van de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van de spoedmaatregelen ter bestrijding van bluetongue in Frankrijk in 2004 en 2005
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 6382)
(Alleen de tekst in de Franse taal is authentiek)
(2006/917/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 3, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In 2004 en 2005 hebben zich in Frankrijk uitbraken van bluetongue voorgedaan. Het uitbreken van deze ziekte vormde een ernstig risico voor de veestapel in de Gemeenschap. |
|
(2) |
Om de verspreiding van de ziekte te voorkomen en de ziekte zo snel mogelijk te helpen uitroeien, moet de Gemeenschap overeenkomstig Beschikking 90/424/EEG financieel bijdragen in de subsidiabele kosten die de lidstaat in het kader van de spoedmaatregelen ter bestrijding van de ziekte heeft gemaakt. |
|
(3) |
Bij Beschikking 2005/659/EG van de Commissie van 15 september 2005 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in het kader van de vaccinatie tegen bluetongue in Frankrijk in 2004 en 2005 (2) heeft de Gemeenschap Frankrijk een financiële bijdrage verleend in de kosten van de spoedmaatregelen ter bestrijding van bluetongue in 2004 en 2005. |
|
(4) |
Overeenkomstig die beschikking is een eerste tranche van 150 000 EUR uitbetaald. |
|
(5) |
Overeenkomstig die beschikking moet het saldo van de financiële bijdrage van de Gemeenschap worden betaald op basis van de op 6 december 2005 door Frankrijk ingediende aanvraag en de stukken die de in de aanvraag vermelde cijfers staven. |
|
(6) |
Daarom moet nu het totale bedrag worden vastgesteld van de financiële bijdrage van de Gemeenschap in de subsidiabele kosten voor de uitroeiing van bluetongue in Frankrijk in 2004 en 2005. |
|
(7) |
Op grond van de resultaten van de controles die de Commissie overeenkomstig de veterinairrechtelijke voorschriften van de Gemeenschap en de voorwaarden voor het verlenen van communautaire financiële steun heeft uitgevoerd, kunnen niet alle kosten als subsidiabel worden erkend. |
|
(8) |
De opmerkingen van de Commissie, de wijze van berekening van de subsidiabele kosten en de slotconclusies zijn per brief van 20 september 2006 aan Frankrijk meegedeeld. |
|
(9) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De totale financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten voor de uitroeiing van bluetongue in Frankrijk in 2004 en 2005 overeenkomstig Beschikking 2005/659/EG wordt vastgesteld op 250 175 EUR.
Overeenkomstig Beschikking 2005/659/EG is al een eerste tranche van 150 000 EUR betaald. Bijgevolg wordt het saldo van 100 175 EUR aan Frankrijk uitbetaald.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/53/EG van de Raad (PB L 29 van 2.2.2006, blz. 37).
Besluiten aangenomen krachtens titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/57 |
GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN 2006/918/GBVB VAN DE RAAD
van 11 december 2006
tot wijziging en verlenging van Gemeenschappelijk Optreden 2006/304/GBVB betreffende de instelling van een planningsteam van de EU (EUPT Kosovo) met betrekking tot een mogelijke EU-crisisbeheersingsoperatie op het gebied van de rechtsstaat en eventueel op andere gebieden in Kosovo
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 14,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 10 april 2006 heeft de Raad Gemeenschappelijk Optreden 2006/304/GBVB betreffende de instelling van een planningsteam van de EU (EUPT Kosovo) met betrekking tot een mogelijke EU-crisisbeheersingsoperatie op het gebied van de rechtsstaat en eventueel op andere gebieden in Kosovo (1) aangenomen. Dit gemeenschappelijk optreden verstrijkt op 31 december 2006. |
|
(2) |
Het Politiek en Veiligheidscomité heeft op 11 oktober 2006 aanbevolen het EUPT Kosovo te verlengen, en is overeengekomen dat het mandaat van EUPT Kosovo moet worden aangepast. |
|
(3) |
Gemeenschappelijk Optreden 2006/304/GBVB moet dienovereenkomstig worden verlengd en gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:
Artikel 1
Gemeenschappelijk Optreden 2006/304/GBVB wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 1, lid 2, wordt het eerste streepje vervangen door:
|
|
2) |
In artikel 2 wordt lid 5 vervangen door: „5. Vaststellen waaraan de mogelijke toekomstige EU-crisisbeheersingsoperatie behoefte heeft op het stuk van ondersteuningsmiddelen, met inbegrip van alle apparatuur, diensten en gebouwen, en opstellen van richtsnoeren of technische specificaties dienaangaande. Voorstellen van acties voor de aanschaf van de vereiste apparatuur, diensten en gebouwen en deze acties uitvoeren, ermee rekening houdend dat geschikte apparatuur, gebouwen en materialen kunnen worden overgenomen van bestaande bronnen, waaronder UNMIK, indien dit relevant, haalbaar en kosten–efficiënt is. In voorkomend geval worden aanbestedingsprocedures gestart en opdrachten gegund met een opschortende clausule en/of middels kadercontracten. Aanwerven van personeel dat de kern van de mogelijke toekomstige EVDB-crisisbeheersingsoperatie zal vormen, met het oog op de snelle inzet ervan. Opstellen van een inzetplan voor de mogelijke toekomstige EU-crisisbeheersings–operatie.”. |
|
3) |
In artikel 4 wordt lid 7 geschrapt. |
|
4) |
In artikel 9 wordt lid 1 vervangen door: „1. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met het EUPT Kosovo van 10 april 2006 tot en met 31 december 2006 moet dekken bedraagt 3 005 000 EUR. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met het EUPT Kosovo van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 moet dekken, bedraagt 10 545 000 EUR.”. |
|
5) |
Aan artikel 9 wordt het volgende lid toegevoegd: „6. In naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen, met name met betrekking tot leveranciers die tegen bijzonder gunstige voorwaarden aanbieden, kan de Commissie uitzonderingen toestaan op de voor aanbestedingen geldende oorsprongsregels.”. |
|
6) |
Artikel 14 wordt vervangen door: „Artikel 14 Toetsing De Raad gaat uiterlijk op 15 april 2007 na of de opdracht van het EUPT Kosovo na 31 mei 2007 moet worden verlengd, en houdt er daarbij rekening mee dat de overgang naar een mogelijke EU-crisisbeheersingsoperatie in Kosovo soepel moet verlopen.”. |
|
7) |
In artikel 15 wordt lid 2 vervangen door: „2. Het verstrijkt op 31 mei 2007 of, indien dit vroeger is, op de datum waarop de EU-crisisbeheersingsoperatie een aanvang neemt.”. |
Artikel 2
Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de datum waarop het wordt aangenomen.
Artikel 3
Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 11 december 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
E. TUOMIOJA
Rectificaties
|
12.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 349/59 |
Rectificatie van Gemeenschappelijk Optreden 2006/867/GBVB van de Raad van 30 november 2006 tot verlenging en wijziging van het mandaat van de Waarnemersmissie van de Europese Unie (EUMM)
( Publicatieblad van de Europese Unie L 335 van 1 december 2006 )
Op bladzijde 48, artikel 3
in plaats van:
„Artikel 3
Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven voor de EUMM tussen 1 januari 2007 en 31 december 2007 bedraagt 2 318 000 EUR. Dit bedrag dekt ook de uitgaven in verband met de afsluiting van de EUMM.”,
te lezen:
„Artikel 3
Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven voor de EUMM tussen 1 januari en 31 december 2007 bedraagt 3 863 583 EUR. Dit bedrag dekt ook de uitgaven in verband met de afsluiting van de EUMM.”