ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 341

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

49e jaargang
7 december 2006


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 1793/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 1794/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 1795/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot opening, voor 2007, van een tariefcontingent voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

17

 

*

Verordening (EG) nr. 1796/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot opening, voor 2007, van een tariefcontingent voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit IJsland, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

20

 

*

Verordening (EG) nr. 1797/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot opening, voor 2007, van een tariefcontingent voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

22

 

*

Verordening (EG) nr. 1798/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot opening, voor 2007, van tariefcontingenten voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

24

 

*

Verordening (EG) nr. 1799/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 26/2004 betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot

26

 

 

Verordening (EG) nr. 1800/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker

29

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

Besluit van de Raad van 13 november 2006 betreffende de sluiting van een Protocol tot wijziging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, wat betreft de vaststelling van tariefcontingenten voor suiker en suikerproducten van oorsprong uit Kroatië of uit de Gemeenschap

31

Protocol tot wijziging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, wat betreft de vaststelling van tariefcontingenten voor suiker en suikerproducten van oorsprong uit Kroatië of uit de Gemeenschap

33

 

 

Commissie

 

*

Beschikking van de Commissie van 5 december 2006 tot wijziging van Beschikking 2006/80/EG wat betreft Slovenië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5797)

37

 

*

Besluit van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van het standpunt van de Gemeenschap ten aanzien van een besluit van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen, tot vaststelling van haar reglement van orde

39

 

*

Beschikking van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor 2006 in de door België en Duitsland gedane uitgaven ter bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5894)

43

 

*

Besluit van de Commissie van 6 december 2006 tot beëindiging van het nieuwe onderzoek in verband met de absorptie van het recht, inzake de invoer van handpallettrucks en essentiële delen daarvan uit de Volksrepubliek China

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/1


VERORDENING (EG) Nr. 1793/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 7 december 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 386/2005 (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 3).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

76,7

204

45,8

999

61,3

0707 00 05

052

124,3

204

74,1

628

171,8

999

123,4

0709 90 70

052

138,7

204

63,7

999

101,2

0805 10 20

388

46,7

508

15,3

528

26,3

999

29,4

0805 20 10

052

63,5

204

55,9

999

59,7

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

052

65,4

388

111,5

999

88,5

0805 50 10

052

48,8

388

44,4

528

28,7

999

40,6

0808 10 80

388

59,7

400

106,4

404

99,8

720

68,2

999

83,5

0808 20 50

052

98,8

400

109,0

528

106,5

720

51,2

999

91,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „ 999 ” staat voor „andere oorsprong”.


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/3


VERORDENING (EG) Nr. 1794/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim („de luchtvaartnavigatiedienstenverordening”) (1), en met name op artikel 15, lid 4,

Gelet op Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”) (2), en met name op artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie dient een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten in de gehele Gemeenschap vast te stellen. Om te waarborgen dat het gemeenschappelijke heffingenstelsel op eenvormige wijze in het gemeenschappelijke Europese luchtruim wordt toegepast, is een rechtstreeks toepasselijke verordening het meest geschikte instrument.

(2)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de kaderverordening is Eurocontrol een mandaat verstrekt om de Commissie bij te staan bij de opstelling van uitvoeringsmaatregelen voor een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten. Het daaruit voortvloeiende mandaatverslag van 29 oktober 2004 vormt de grondslag voor de onderhavige verordening.

(3)

De opstelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten tijdens alle fasen van de vlucht is van het allergrootste belang voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim. Het heffingenstelsel moet bijdragen tot een grotere doorzichtigheid bij de vaststelling, oplegging en afdwinging van heffingen voor luchtruimgebruikers. Dit stelsel moet ook aanmoedigen tot het veilig, doeltreffend en doelmatig verlenen van luchtvaartnavigatiediensten aan de gebruikers van deze diensten, die het systeem financieren, en aanzetten tot een geïntegreerde dienstverlening.

(4)

Overeenkomstig de algemene doelstelling van verbetering van de kostendoeltreffendheid van luchtvaartnavigatiediensten, moet ook het heffingenstelsel tot een verbetering van de kosten- en operationele doeltreffendheid bijdragen.

(5)

Om de passagiers tegen aanvaardbare kosten toegang tot het luchtvervoersnetwerk te bieden en in het bijzonder tot zowel kleine, middelgrote als grote luchthavens, moeten de lidstaten voor alle luchthavens die door dezelfde verlener van luchtverkeersdiensten worden bediend, of voor verschillende groepen van dergelijke luchthavens, al naar gelang van het geval, hetzelfde eenheidstarief voor heffingen voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten kunnen toepassen, zodat de totale kosten van de plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten worden gedekt.

(6)

Het gemeenschappelijke heffingenstelsel moet in overeenstemming zijn met artikel 15 van het in 1944 gesloten ICAO-verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart.

(7)

Daar de meeste lidstaten partij zijn bij de multilaterale Eurocontrol-overeenkomst voor „en route”-heffingen van 12 februari 1981 en daar de Gemeenschap het toetredingsprotocol bij het herziene Eurocontrol-verdrag heeft ondertekend, moeten de regels van deze verordening in overeenstemming zijn met het Eurocontrol-systeem voor „en route”-heffingen.

(8)

Het heffingenstelsel moet een optimaal gebruik van het luchtruim mogelijk maken, rekening houdende met de luchtverkeersstromen, met name binnen de functionele luchtruimblokken die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim („de luchtruimverordening”) (3).

(9)

Overeenkomstig de aan de luchtruimverordening gehechte verklaring (4) zal de Commissie in 2008 een verslag opstellen over de ervaring die is opgedaan met de indeling in functionele luchtruimblokken. Op dat tijdstip zal de Commissie ook de problemen beoordelen die zich zouden kunnen voortdoen als gevolg van het behoud van verschillende eenheidstarieven binnen een functioneel luchtruimblok.

(10)

Het is nodig eisen vast te stellen inzake volledige en doorzichtige gegevens die de bevoegde instanties en de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers op het juiste tijdstip ter beschikking moeten worden gesteld.

(11)

De hoogte van de met name aan lichte luchtvaartuigen opgelegde heffingen dient het gebruik van faciliteiten en diensten die nodig zijn voor de veiligheid of de invoering van nieuwe technieken en procedures, niet te ontmoedigen.

(12)

Uit de heffingenformule voor de plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten moet duidelijk blijken dat het karakter van deze diensten verschilt van dat van „en route”-luchtvaartnavigatiediensten.

(13)

De lidstaten moeten hun eenheidstarieven collectief kunnen vaststellen, met name wanneer de heffingszones het luchtruim van meer dan een lidstaat omvatten of wanneer de lidstaten een gezamenlijk systeem voor „en route”-heffingen hanteren.

(14)

Ter verbetering van de doeltreffendheid van het heffingenstelsel en ter vermindering van de administratieve en boekhoudkundige werklast, moeten de lidstaten de „en route”-heffingen binnen een gezamenlijk systeem voor „en route”-heffingen collectief kunnen innen door middel van één heffing per vlucht.

(15)

Het is belangrijk, dat de wettelijke middelen worden versterkt die nodig zijn ter verzekering van de snelle en volledige betaling van de luchtvaartnavigatieheffingen door de gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten.

(16)

De aan de luchtruimgebruikers op te leggen heffingen moeten, na raadpleging van deze gebruikers, op een eerlijke en doorzichtige wijze worden vastgesteld en opgelegd. Deze heffingen moeten regelmatig opnieuw worden bezien.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn voor de ontwikkeling van een heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten, dat in overeenstemming is met het Eurocontrol-systeem voor „en route”-heffingen.

2.   Deze verordening is van toepassing op luchtvaartnavigatiediensten die worden verleend door overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 550/2004 (de luchtvaartnavigatiedienstenverordening) aangewezen verleners van luchtverkeersdiensten en door overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die verordening aangewezen verleners van meteorologische diensten, voor zover die luchtvaartnavigatiediensten betrekking hebben op het algemene luchtverkeer in die regio's van ICAO EUR en AFI waarin de lidstaten voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten verantwoordelijk zijn.

3.   De lidstaten kunnen deze verordening toepassen op luchtvaartnavigatiediensten die worden verleend in een onder hun verantwoordelijkheid vallend luchtruim binnen andere ICAO-regio's, op voorwaarde dat zij de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis stellen.

4.   De lidstaten kunnen deze verordening toepassen op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die toestemming hebben gekregen om luchtvaartnavigatiediensten te verlenen zonder certificaat, overeenkomstig artikel 7, lid 5, van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening.

5.   De lidstaten kunnen besluiten, deze verordening niet toe te passen op luchtvaartnavigatiediensten die worden verleend op luchthavens met minder dan 50 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar, ongeacht de maximale startmassa en het aantal passagierszitplaatsen, waarbij de bewegingen worden geteld als de som van de starts en de landingen en worden berekend als een gemiddelde van de voorafgaande drie jaar.

De lidstaten stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie zal periodiek een bijgewerkte lijst van vrijgestelde luchthavens publiceren.

6.   Onverminderd de toepassing van de in de artikelen 14 en 15 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening vermelde beginselen, kunnen de lidstaten besluiten, de plaatselijke luchtvaartnavigatieheffingen niet op de voet van artikel 11 van de onderhavige verordening te berekenen en de in artikel 13 van de onderhavige verordening bedoelde eenheidstarieven voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten niet vast te stellen met betrekking tot luchthavens met minder dan 150 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar, ongeacht de maximale startmassa en het aantal passagierszitplaatsen, waarbij de bewegingen worden geteld als de som van de starts en de landingen en worden berekend als een gemiddelde van de voorafgaande drie jaar.

Alvorens dit besluit te nemen, beoordelen de lidstaten in welke mate aan de voorwaarden van bijlage I is voldaan, in overleg met de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers.

Het definitieve oordeel of aan de voorwaarden is voldaan, en het besluit van de lidstaten worden gepubliceerd en de Commissie meegedeeld. Zij bevatten een uitgebreide motivering van de conclusies van de lidstaten, alsmede het resultaat van het overleg met de gebruikers.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van de kaderverordening.

Daarnaast gelden ook de volgende definities:

a)

„gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten”: de exploitant van het luchtvaartuig ten tijde van de uitvoering van de vlucht of, wanneer de identiteit van de exploitant niet bekend is, de eigenaar van het luchtvaartuig, tenzij deze aantoont dat een ander op dat tijdstip de exploitant was;

b)

„vertegenwoordiger van de luchtruimgebruikers”: een rechtspersoon of entiteit die de belangen van één of meer categorieën gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten vertegenwoordigt;

c)

„IFR”: Instrument Flight Rules, zoals gedefinieerd in bijlage 2 bij het in 1944 gesloten ICAO-verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart (tiende editie — juli 2005);

d)

„VFR”: Visual Flight Rules, zoals gedefinieerd in bijlage 2 bij het in 1944 gesloten ICAO-verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart (tiende editie — juli 2005);

e)

„„en-route”-heffingszone”: een luchtruimvolume waarvoor één kostengrondslag en één eenheidstarief zijn vastgesteld.

f)

„heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten”: een luchthaven of een groep luchthavens waarvoor één kostengrondslag en één eenheidstarief zijn vastgesteld;

g)

„commercieel luchtvervoer”: vliegtuigverrichtingen waarbij tegen vergoeding of de betaling van huur passagiers, vracht of post wordt vervoerd.

Artikel 3

Beginselen van het heffingenstelsel

1.   Het heffingenstelsel geeft de directe en indirecte kosten weer van het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten.

2.   De kosten van „en route”-diensten worden gefinancierd door middel van „en route”-heffingen die de gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten worden opgelegd.

3.   De kosten van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten worden gefinancierd door middel van plaatselijke luchtvaartnavigatieheffingen die de gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten worden opgelegd, en/of door middel van andere inkomsten, met inbegrip van kruissubsidiëring overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving.

4.   De leden 2 en 3 doen geen afbreuk aan de financiering van de vrijstellingen van bepaalde gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten uit andere financieringsbronnen, overeenkomstig artikel 9.

5.   Het heffingenstelsel moet doorzichtig zijn en er vindt raadpleging over de kostengrondslag en de toedeling van de kosten aan de verschillende diensten plaats.

Artikel 4

Vaststelling van heffingszones

1.   De lidstaten stellen heffingszones vast in het onder hun verantwoordelijkheid vallende luchtruim waarin luchtvaartnavigatiediensten aan luchtruimgebruikers worden verleend.

2.   De heffingszones worden vastgesteld in samenhang met luchtverkeersleidingsactiviteiten en -diensten, na raadpleging van de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers.

3.   Een „en route”-heffingszone strekt zich uit van de grond tot en met het hogere luchtruim; de lidstaten kunnen evenwel een specifieke zone vaststellen voor ingewikkelde plaatselijke luchtvaartnavigatiegebieden, na overleg met de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers.

4.   Wanneer de heffingszones zich over het luchtruim van meer dan één lidstaat uitstrekken, treffen de betrokken lidstaten passende regelingen om samenhang en eenvormigheid te garanderen bij de toepassing van deze verordening op het desbetreffende luchtruim. De lidstaten stellen de Commissie en Eurocontrol daarvan in kennis.

HOOFDSTUK II

DE KOSTEN VAN HET VERLENEN VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN

Artikel 5

In aanmerking komende diensten, faciliteiten en activiteiten

1.   De verleners van de in artikel 1, leden 2 en 4, bedoelde luchtvaartnavigatiediensten stellen de kosten vast van het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten die verband houden met de diensten en faciliteiten die overeenkomstig het ICAO Regional Air Navigation Plan, Europese regio, in de onder hun verantwoordelijkheid vallende heffingszones zijn geleverd en ten uitvoer gelegd.

De kosten omvatten de administratieve kosten en de kosten van opleiding, studies, tests, proefnemingen alsmede onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot deze diensten.

2.   De lidstaten kunnen de volgende kosten vaststellen in verband met het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten:

a)

de kosten van de relevante nationale instanties;

b)

de kosten van de in artikel 3 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening bedoelde erkende organisaties;

c)

de kosten die voortvloeien uit internationale overeenkomsten.

3.   Onverminderd andere financieringsbronnen en met het oog op een hoog niveau van veiligheid, kostendoeltreffendheid en dienstverlening, kunnen de heffingen worden gebruikt ter financiering van projecten tot verlening van bijstand aan specifieke categorieën luchtruimgebruikers en/of verleners van luchtvaartnavigatiediensten, teneinde de collectieve luchtvaartnavigatie-infrastructuur, het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten en het gebruik van het luchtruim te verbeteren, overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving.

Artikel 6

Kostenberekening

1.   De kosten van de in aanmerking komende diensten, faciliteiten en activiteiten in de zin van artikel 5 worden zodanig vastgesteld, dat er samenhang bestaat met de in artikel 12 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening bedoelde rekeningen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december. De eenmalige gevolgen van de invoering van de internationale boekhoudnormen kunnen echter over een periode van ten hoogste 15 jaar worden gespreid.

2.   De in lid 1 bedoelde kosten worden uitgesplitst in personeelskosten, andere exploitatiekosten, afschrijvingskosten, kapitaalkosten en buitengewone kosten, met inbegrip van niet verhaalbare belastingen en douaneheffingen, en alle overige daarmee verband houdende kosten.

De personeelskosten omvatten de brutosalarissen, vergoedingen voor overuren, werkgeversbijdragen aan socialezekerheidsstelsels, pensioenkosten en andere voordelen.

De andere exploitatiekosten omvatten kosten ten gevolge van de aankoop van goederen en diensten voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten, met name kosten van uitbestede diensten, zoals communicatie, kosten van extern personeel, zoals adviseurs, kosten van materiaal, energie, nutsvoorzieningen, huur van gebouwen, kosten van uitrusting en faciliteiten, onderhoud, verzekeringen en reiskosten. Ingeval een aanbieder van luchtverkeersdiensten andere luchtvaartnavigatiediensten inkoopt, neemt hij de werkelijke kosten van die diensten op in zijn andere exploitatiekosten.

De afschrijvingskosten hebben betrekking op alle vaste activa die worden gebruikt voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten. Vaste activa worden afgeschreven overeenkomstig hun verwachte levensduur, onder gebruikmaking van de lineaire methode die wordt toegepast op de historische kosten van activa. Ingeval de activa eigendom zijn van een verlener van luchtvaartnavigatiediensten die aan een in artikel 12, lid 2, bedoelde stimuleringsregeling is onderworpen, kunnen ter berekening van de afschrijvingen de werkelijke in plaats van de historische kosten worden gebruikt. De afschrijvingsmethode moet tijdens de gehele duur van de afschrijving dezelfde blijven.

De kapitaalkosten zijn gelijk aan het product van:

a)

de som van de gemiddelde nettoboekwaarde van de in gebruik of in aanbouw zijnde vaste activa die de verlener van de luchtvaartnavigatiediensten gebruikt, en de gemiddelde nettowaarde van de vlottende activa die nodig zijn voor het verlenen van de luchtvaartnavigatiediensten, en

b)

het gewogen gemiddelde van de rentevoet op schulden en het rendement op het eigen vermogen.

Buitengewone kosten zijn eenmalige kosten die in de loop van het desbetreffende jaar zijn ontstaan in verband met het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten.

3.   Voor de toepassing van lid 2, vijfde alinea, hangt de wegingsfactor af van het gedeelte van de financiering van de activa uit schulden of eigen vermogen. De rentevoet op schulden is gelijk aan de gemiddelde rentevoet op de schulden van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten. Bij de bepaling van het rendement op het eigen vermogen wordt rekening gehouden met het financiële risico van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten, waarbij de nationale obligatiekoers als richtlijn wordt gehanteerd. Wanneer de verlener van luchtvaartnavigatiediensten onderworpen is aan een in artikel 12, lid 2, bedoelde stimuleringsregeling, mag een extra toeslag worden opgeteld om te garanderen dat voldoende rekening wordt gehouden met het specifieke financiële risico dat deze verlener van luchtvaartnavigatiediensten op zich neemt.

Wanneer de verlener van luchtvaartnavigatiediensten geen eigenaar van de activa is, maar deze toch in de berekening van de kapitaalkosten worden opgenomen, zorgen de lidstaten ervoor, dat de kosten van deze activa geen twee keer worden verhaald.

Artikel 7

Toedeling van kosten

1.   De kosten van de in aanmerking komende diensten, faciliteiten en activiteiten in de zin van artikel 5 worden op een doorzichtige wijze toegedeeld aan de heffingszones waarvoor deze daadwerkelijk zijn gemaakt.

Kosten die voor meer heffingszones zijn gemaakt, worden evenredig toegedeeld op de grondslag van een doorzichtige methode, zoals vereist in artikel 8.

2.   De kosten van de plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten hebben betrekking op de volgende diensten:

a)

de plaatselijke verkeersleiding op de luchthaven, luchthavenvluchtinlichtingendiensten, waaronder begrepen vluchtadviseringsdiensten, en alarmeringsdiensten;

b)

luchtverkeersdiensten die betrekking hebben op naderende en vertrekkende vliegtuigen binnen een bepaalde afstand van een luchthaven, op basis van operationele behoeften;

c)

een passende toedeling van alle andere componenten van luchtvaartnavigatiediensten, met een evenredige verdeling tussen „en route”-diensten en plaatselijke diensten.

3.   De kosten van „en route”-diensten zijn de in lid 1 bedoelde kosten, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde kosten.

4.   Wanneer overeenkomstig artikel 9 vrijstelling voor VFR-vluchten wordt verleend, stelt de verlener van luchtvaartnavigatiediensten de kosten van de luchtvaartnavigatiediensten voor VFR-vluchten en IFR-vluchten afzonderlijk vast. Deze kosten kunnen worden vastgesteld aan de hand van een methode voor het bepalen van de marginale kosten, waarbij rekening wordt gehouden met de voordelen die aan VFR-vluchten verleende diensten opleveren voor IFR-vluchten.

Artikel 8

Doorzichtigheid van de kostengrondslag

1.   Onverminderd artikel 18 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening, organiseren de lidstaten en/of de verleners van luchtvaartnavigatiediensten een gegevensuitwisseling over de kostengrondslagen, de geplande investeringen en het verwachte verkeer, met de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers, wanneer laatstgenoemden daarom verzoeken. Vervolgens stellen zij hun overeenkomstig artikel 5 vastgestelde kosten ten minste één keer per jaar op een doorzichtige wijze aan de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers, de Commissie en, indien van toepassing, Eurocontrol ter beschikking.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens zijn gebaseerd op de rapportagetabellen en nadere regels die zijn vervat in bijlage II of, indien een lidstaat het in artikel 1, lid 6, bedoelde besluit heeft genomen of de Commissie heeft meegedeeld voornemens te zijn dit besluit te nemen, in bijlage III, deel 1.

HOOFDSTUK III

DE FINANCIERING VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN UIT LUCHTVAARTNAVIGATIEHEFFINGEN

Artikel 9

Vrijstelling van luchtvaartnavigatieheffingen

1.   De lidstaten verlenen vrijstelling van „en route”-heffingen voor:

a)

vluchten die worden uitgevoerd met vliegtuigen waarvan het maximaal toegestane startgewicht minder dan 2 t bedraagt;

b)

gemengde VFR/IFR-vluchten in de heffingszones voor zover deze uitsluitend onder VFR worden uitgevoerd en geen heffing is opgelegd aan VFR-vluchten;

c)

vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd voor officiële missies van regerende vorsten en hun directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van de regering; deze moeten altijd worden gestaafd door de passende statusvermelding in het vliegplan;

d)

opsporings- en reddingsvluchten waarvoor de bevoegde instantie toestemming heeft gegeven.

2.   De lidstaten kunnen vrijstelling van „en route”-heffingen verlenen voor:

a)

militaire vluchten die door militaire luchtvaartuigen van een land worden uitgevoerd;

b)

trainingsvluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van een vergunning of bevoegdheidverklaring voor cockpitpersoneel, voor zover dit wordt gestaafd door een passende vermelding op het vliegplan. Deze vluchten mogen alleen in het luchtruim van de betrokken lidstaat worden uitgevoerd; de vluchten mogen niet worden gebruikt om passagiers en/of vracht te vervoeren, noch voor positiebepaling of het transport van het luchtvaartuig;

c)

vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met het oog op het controleren of testen van apparatuur die gebruikt wordt of bestemd is om te worden gebruikt als grondapparatuur voor luchtvaartnavigatie, met uitzonderling van vluchten voor positiebepaling van het desbetreffende luchtvaartuig;

d)

vluchten die landen op de luchthaven van vertrek, zonder een tussenlanding te hebben gemaakt;

e)

VFR-vluchten;

f)

humanitaire vluchten waarvoor de bevoegde instantie toestemming heeft gegeven;

g)

douane- en politievluchten.

3.   De lidstaten kunnen vrijstelling van plaatselijke luchtvaartnavigatieheffingen verlenen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde vluchten.

4.   De kosten van vrijgestelde vluchten worden bij de berekening van de eenheidstarieven niet in aanmerking genomen.

Deze kosten bestaan uit:

a)

de kosten ten behoeve van vrijgestelde VFR-vluchten, zoals vastgesteld in artikel 7, lid 4, en

b)

de kosten van vrijgestelde IFR-vluchten, die worden berekend als het product van de kosten van IFR-vluchten en het gedeelte van het aantal vrijgestelde diensteenheden en het totale aantal diensteenheden; de kosten van IFR-vluchten zijn gelijk aan de totale kosten, minus de kosten van VFR-vluchten.

De lidstaten zorgen ervoor, dat de verleners van luchtvaartnavigatiediensten worden terugbetaald voor de diensten die zij voor vrijgestelde vluchten verlenen.

Artikel 10

Berekening van „en route”-heffingen

1.   De „en route”-heffing voor een bepaalde vlucht in een bepaalde „en route”-heffingszone is gelijk aan het product van het voor deze „en route”-heffingszone vastgestelde eenheidstarief en de „en route”-diensteenheden voor deze vlucht.

2.   Onverminderd de toepassing door een lidstaat van een stimuleringsregeling voor de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, overeenkomstig artikel 12, lid 2, wordt het eenheidstarief in de „en route”-heffingszone berekend door de geraamde kosten van de luchtvaartnavigatiediensten te delen door het geraamde aantal belastbare „en route”-diensteenheden voor het desbetreffende jaar. Het saldo van de te veel of te weinig verhaalde kosten van de voorgaande jaren is in deze geraamde kosten begrepen.

3.   De „en route”-diensteenheden worden overeenkomstig bijlage IV berekend.

Artikel 11

Berekening van plaatselijke luchtvaartnavigatieheffingen

1.   Onverminderd de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 3 plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten uit andere bronnen te financieren, is de plaatselijke luchtvaartnavigatieheffing voor een bepaalde vlucht in een bepaalde heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten gelijk aan het product van het voor deze heffingszone vastgestelde eenheidstarief en de plaatselijke luchtvaartnavigatiediensteenheden voor deze vlucht.

2.   Onverminderd de toepassing door een lidstaat van een stimuleringsregeling voor de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, overeenkomstig artikel 12, lid 2, wordt het eenheidstarief in de heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten berekend door de geraamde kosten van de luchtvaartnavigatiediensten te delen door het geraamde aantal belastbare plaatselijke luchtvaartnavigatiediensteenheden voor het desbetreffende jaar. Het saldo van de te veel of te weinig verhaalde kosten van de voorgaande jaren is in deze geraamde kosten begrepen.

3.   De plaatselijke luchtvaartnavigatiediensteenheden worden overeenkomstig bijlage V berekend.

Artikel 12

Stimuleringsregelingen

1.   De lidstaten mogen stimuleringsregelingen opstellen of goedkeuren, die bestaan uit financiële voordelen of nadelen die op een niet-discriminerende en doorzichtige wijze worden toegepast ter ondersteuning van verbeteringen in het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten; deze stimuleringsregelingen hebben een andere berekening van de heffingen tot gevolg, zoals in de leden 2 en 3 is bepaald, en kunnen zowel op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten als op de luchtruimgebruikers van toepassing zijn.

2.   Wanneer een lidstaat besluit een stimuleringsregeling toe te passen op verleners van luchtvaartnavigatiediensten, stelt hij, na de in artikel 15 bedoelde raadpleging, vooraf de voorwaarden vast ter bepaling van het maximale niveau van het eenheidstarief of de inkomsten voor elk jaar gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar. Bij de vaststelling van deze voorwaarden wordt verwezen naar het geraamde kostenniveau (met inbegrip van de kapitaalkosten) in de desbetreffende periode en kan worden voorzien in financiële aanpassingen (boven of onder de verwachte kosten), teneinde rekening te houden met bijzondere aspecten van de prestaties van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, zoals de doeltreffendheid, de kwaliteit van de dienstverlening, de uitvoering van bepaalde projecten, uitstekende prestaties, of bekwaamheden, of het niveau van samenwerking met andere verleners van luchtvaartnavigatiediensten om rekening te houden met netwerkeffecten.

3.   Wanneer een lidstaat besluit, een stimuleringsregeling, met inbegrip van flexibele nachttarieven, ten aanzien van gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten toe te passen, past hij, na de in artikel 15 bedoelde raadpleging, de heffingen van deze gebruikers aan aan hun inspanningen om het gebruik van luchtvaartnavigatiediensten te optimaliseren, de algemene kosten te verminderen en de doelmatigheid ervan te verhogen; de lidstaat kan dit met name doen door het opleggen van lagere heffingen aan vliegtuigen met apparatuur aan boord die de capaciteit vergroot, of door het geven van compensaties voor het ongemak als gevolg van het kiezen van minder drukke routes.

Deze stimuleringsregelingen zijn beperkt in duur, omvang en bedragen. De geraamde besparingen ten gevolge van verbeteringen in de operationele efficiëntie compenseren binnen een redelijke termijn ten minste de kosten van de stimuleringsmaatregelen. De stimuleringsregeling wordt regelmatig opnieuw bezien, waarbij de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers worden betrokken.

4.   De lidstaten die stimuleringsregelingen hebben vastgesteld of goedgekeurd, zien toe op de goede uitvoering ervan door de verleners van luchtvaartnavigatiediensten.

Artikel 13

De vaststelling van eenheidstarieven voor heffingszones

1.   De lidstaten zorgen ervoor, dat voor elke heffingszone jaarlijks eenheidstarieven worden vastgesteld. Zij kunnen er eveneens voor zorgen, dat deze tarieven vooraf worden vastgesteld voor elk jaar gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar.

2.   Wanneer zich onverwachts grote wijzigingen in het verkeer of de kosten voordoen, kunnen de eenheidstarieven in de loop van het jaar worden aangepast.

3.   De lidstaten stellen de Commissie en Eurocontrol, indien van toepassing, in kennis van de eenheidstarieven voor elke heffingszone.

Artikel 14

De inning van heffingen

1.   De lidstaten kunnen de heffingen innen via één heffing per vlucht.

2.   De gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten betalen alle luchtvaartheffingen onmiddellijk en volledig.

3.   De lidstaten zorgen ervoor, dat doeltreffende dwangmaatregelen worden toegepast. Hiertoe kunnen behoren de weigering van dienstverlening, het aan de ketting leggen van luchtvaartuigen of andere dwangmaatregelen in overeenstemming met het toepasselijke recht.

Artikel 15

Doorzichtigheid van het heffingsmechanisme

1.   De lidstaten zorgen ervoor, dat de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers regelmatig worden geraadpleegd over het heffingenbeleid. Hiertoe verstrekken zij hun de nodige gegevens over hun heffingsmechanismen, zoals bepaald in bijlage VI, of, wanneer de lidstaat het in artikel 1, lid 6, bedoelde besluit heeft genomen, de in bijlage III, deel 2, genoemde gegevens en organiseren zij een doorzichtige raadplegingszitting om deze gegevens en de in artikel 8 bedoelde gegevens te presenteren, in aanwezigheid van de betrokken verleners van luchtvaartnavigatiediensten.

2.   Onverminderd artikel 18 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening, wordt de relevante documentatie drie weken vóór de raadplegingszitting aan de vertegenwoordigers van de luchtruimgebruikers, de Commissie, Eurocontrol en de toezichthoudende nationale instanties ter beschikking gesteld.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Beroep

De lidstaten zorgen ervoor, dat uit hoofde van deze verordening genomen besluiten naar behoren met redenen zijn omkleed en onderworpen zijn aan een passende herzienings- en/of beroepsprocedure.

Artikel 17

Vergemakkelijking van het toezicht op de naleving

De verleners van luchtvaartnavigatiediensten vergemakkelijken de inspecties en onderzoeken door de nationale toezichthoudende instanties of erkende organisaties die in hun naam optreden, met inbegrip van bezoeken ter plaatse. De door deze instanties gemachtigde personen zijn bevoegd:

a)

de relevante boekhoudkundige bescheiden, activaboeken, inventarissen en al het andere materiaal dat van belang is voor de vaststelling van luchtvaartnavigatieheffingen, te onderzoeken;

b)

afschriften van of uittreksels uit deze documenten te nemen;

c)

ter plaatse om een mondelinge toelichting te verzoeken;

d)

zich toegang te verschaffen tot de betrokken gebouwen, terreinen of vervoersmiddelen.

Deze inspecties en onderzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig de in de lidstaat waarin zij worden uitgevoerd, geldende procedures.

Artikel 18

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

De lidstaten mogen echter de toepassing van de artikelen 9, 10, 12, 13 en 14 met betrekking tot de „en route”-heffingen uitstellen tot 1 januari 2008.

De lidstaten mogen de toepassing van de artikelen 9 en 11 tot en met 15 met betrekking tot de plaatselijke luchtvaartnavigatieheffingen uitstellen tot 1 januari 2010.

Indien de lidstaten besluiten, de toepassing overeenkomstig de tweede en de derde alinea uit te stellen, stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vicevoorzitter


(1)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.

(2)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(3)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20.

(4)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 25.


BIJLAGE I

BEOORDELING VAN DE VOORWAARDEN VOOR HET VERLENEN VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN OP LUCHTHAVENS DIE ONDER ARTIKEL 1, LID 6, VALLEN

De krachtens artikel 1, lid 6, te beoordelen voorwaarden zijn de volgende:

1.

De mate waarin verleners van luchtvaartnavigatiediensten vrij luchtvaartnavigatiediensten kunnen aanbieden of niet langer aanbieden op luchthavens:

het al dan niet bestaan van belangrijke economische belemmeringen die een verlener van luchtvaartnavigatiediensten verhinderen luchtvaartnavigatiediensten aan te bieden of niet langer aan te bieden;

het al dan niet bestaan van belangrijke juridische belemmeringen die een verlener van luchtvaartnavigatiediensten verhinderen luchtvaartnavigatiediensten aan te bieden of niet langer aan te bieden;

de duur van het contract;

het bestaan van een procedure die het mogelijk maakt activa en personeel van een verlener van luchtvaartnavigatiediensten over te dragen aan een andere.

2.

De mate waarin luchthavens vrij kunnen beslissen wie luchtvaartnavigatiediensten mag verlenen, met inbegrip van de mogelijkheid om deze zelf te verlenen:

het vermogen of onvermogen van luchthavens om zelf luchtvaartnavigatiediensten te gaan verlenen;

het al dan niet bestaan van juridische, contractuele of praktische belemmeringen voor het vermogen van een luchthaven om van aanbieder van luchtvaartnavigatiediensten te veranderen;

de rol van vertegenwoordigers van luchtruimgebruikers in de selectieprocedure van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten.

3.

De mate waarin luchthavens kunnen kiezen uit meerverleners van luchtvaartnavigatiediensten:

het al dan niet bestaan van rigide structuren die luchthavens beperken in hun keuze van een verlener van luchtvaartnavigatiediensten;

aanwijzingen dat er alternatieve verleners van luchtvaartnavigatiediensten bestaan waaruit luchthavens kunnen kiezen, met inbegrip van de mogelijkheid om deze diensten zelf aan te bieden.

4.

De mate waarin luchthavens onderhevig zijn aan commerciële druk of stimuleringsregelgeving:

of luchthavens al dan niet actief de concurrentie aangaan voor het binnenhalen van activiteiten van luchtvaartmaatschappijen;

de mate waarin luchthavens de heffing op luchtvaartnavigatiediensten dragen;

of luchthavens opereren in een concurrerende omgeving of in een situatie waarin economische stimulansen worden gegeven om de prijzen te beperken of op een andere wijze kostenbesparingen te bevorderen.


BIJLAGE II

DOORZICHTIGHEID VAN DE KOSTENGRONDSLAG

1.   RAPPORTAGETABEL

De lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten moeten de onderstaande rapportagetabel invullen voor elke heffingszone die onder hun verantwoordelijkheid valt.

Voor jaar (n – 3) tot jaar (n – 1) moeten de werkelijke cijfers worden ingevuld, vanaf jaar (n) de geraamde cijfers. De werkelijke kosten moeten op gecertificeerde rekeningen zijn gebaseerd. De geraamde kosten worden gebaseerd op het bedrijfsplan dat in het in artikel 7 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening bedoelde certificaat wordt geëist.

De kosten moeten in de nationale munteenheid worden ingevuld.

Tabel 1

Totale kosten

 

Organisatie:

 

Heffingszone:

 

Jaar n:

 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Onderverdeling volgens de aard van de kosten

Personeel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere exploitatiekosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afschrijvingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kapitaalkosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Buitengewone kosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totale kosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderverdeling volgens de aard van de diensten

Luchtverkeersbeveiliging

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Communicatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Navigatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plaatsbepaling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Opsporing en redding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Luchtvaart inlichtingen diensten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meteorologische diensten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toezicht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere overheidskosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totale kosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Aanvullende informatie over de wisselkoers tussen de nationale munteenheid en de euro

Wisselkoers (1 EUR =)

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Aanvullende informatie over de kapitaalkosten

Gemiddeld exploitatiekapitaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarvan gemiddelde langetermijnactiva

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kapitaalkosten vóór belastingen (%)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rendement op eigen vermogen (%)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gemiddelde rente op schulden (%)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.   AANVULLENDE GEGEVENS

Daarnaast moeten de lidstaten en de aanbieders van luchtvaartnavigatiediensten ten minste de volgende gegevens verstrekken:

beschrijving van de methode die gebruikt is voor het toedelen van de kosten van faciliteiten of diensten aan verschillende luchtvaartnavigatiediensten, gebaseerd op de lijst van faciliteiten en diensten uit het ICAO Regional Air Navigation Plan, Europese regio (doc. 7754), en een beschrijving van de methode die gebruikt is voor het toedelen van die kosten aan verschillende heffingszones;

beschrijving van en toelichting bij de verschillen tussen geraamde en werkelijke cijfers voor het jaar (n – 1);

beschrijving van en toelichting bij de op het bedrijfsplan gebaseerde geraamde kosten over een periode van vijf jaar;

beschrijving van de kosten waarmee de lidstaten worden geconfronteerd („andere overheidskosten”);

beschrijving van en toelichting bij de methode voor het berekenen van de afschrijvingskosten: historische kosten of actuele kosten. Wanneer de afschrijvingskosten op basis van actuele kosten worden berekend, moeten gegevens over vergelijkbare historische kosten ter beschikking worden gesteld;

verantwoording van de kapitaalkosten, inclusief de componenten van activabasis;

beschrijving van de kosten van elke luchthaven in elke heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten; voor luchthavens met minder dan 20 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar worden deze kosten berekend als het gemiddelde over de afgelopen drie jaar; de kosten mogen op geaggregeerde wijze per luchthaven worden gepresenteerd;

opsplitsing van de meteorologische kosten in directe kosten en „MET-kernkosten”, d.w.z. kosten voor ondersteunende meteorologische faciliteiten en diensten die ook worden gebruikt om tegemoet te komen aan algemene meteorologische behoeften. Dit omvat de kosten van algemene analyses en voorspellingen, meteorologische waarnemingen via radar of satelliet, netwerken voor meteorologische waarnemingen aan de grond en in de hogere luchtlagen, meteorologische communicatiesystemen, centra voor gegevensverwerking, ondersteuning van fundamenteel onderzoek, training en administratie;

beschrijving van de gebruikte methode voor het toedelen van de totale MET-kosten en de MET-kernkosten aan de burgerluchtvaart en tussen heffingszones.


BIJLAGE III

SPECIFIEKE DOORZICHTIGHEIDSVEREISTEN VOOR DE VERLENING VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN OP LUCHTHAVENS DIE ONDER ARTIKEL 1, LID 6, VALLEN

1.   DE KOSTEN VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN

1.1.   Rapportagetabel

De aanbieders van luchtvaartnavigatiediensten moeten de onderstaande rapportagetabel invullen voor elke onder hun verantwoordelijkheid vallende heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten.

Voor jaar (n – 3) tot jaar (n – 1) moeten de werkelijke cijfers worden ingevuld, vanaf jaar (n) de geraamde cijfers. De werkelijke kosten moeten op gecertificeerde rekeningen zijn gebaseerd. De geraamde kosten worden gebaseerd op het in het certificaat vereiste bedrijfsplan.

De kosten moeten in de nationale munteenheid worden ingevuld.

Tabel 1

Totale kosten

 

Organisatie:

 

Heffingszone:

 

Jaar n:


 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Onderverdeling volgens de aard van de kosten

Personeel

 

 

 

 

 

Andere exploitatiekosten

 

 

 

 

Afschrijvingen

 

 

 

 

Kapitaalkosten

 

 

 

 

Buitengewone kosten

 

 

 

 

Totale kosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.2.   Aanvullende gegevens

Daarnaast moeten de verleners van luchtvaartnavigatiediensten ten minste de volgende gegevens verstrekken:

beschrijving van de methode die is gebruikt voor het toedelen van de kosten van faciliteiten of diensten aan de verschillende luchtvaartnavigatiediensten, gebaseerd op de lijst van faciliteiten en diensten uit het ICAO Regional Air Navigation Plan, Europese regio (doc. 7754);

beschrijving van en toelichting bij de verschillen tussen geraamde en de werkelijke niet-vertrouwelijke cijfers voor het jaar (n – 1);

beschrijving van en toelichting bij de niet-vertrouwelijke geraamde kosten en investeringen over een periode van vijf jaar, in verhouding tot het verwachte verkeer;

beschrijving van en toelichting bij de methode voor de berekening van de afschrijvingskosten: historische kosten of actuele kosten;

toelichting bij de kapitaalkosten.

2.   DE FINANCIERING VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN

Verleners van luchtvaartnavigatiediensten moeten de volgende gegevens verstrekken voor elke heffingszone voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten:

beschrijving van de manier of manieren waarop de kosten van luchtvaartnavigatiediensten worden gefinancierd.


BIJLAGE IV

BEREKENING VAN DE „EN ROUTE”-DIENSTEENHEDEN

1.

De „en route”-diensteenheden worden berekend door de factor „afstand” te vermenigvuldigen met de factor „gewicht” voor het desbetreffende luchtvaartuig.

2.

De factor „afstand” wordt verkregen door het aantal kilometers dat gevlogen wordt langs de grootcirkels tussen het punt waarop het luchtvaartuig de heffingszone binnenvliegt en het punt waarop het deze zone weer verlaat, zoals aangegeven in het meest recente goedgekeurde vliegplan dat voor het luchtvaartuig is ingediend met het oog op het beheer van de luchtverkeersstromen, te delen door 100.

3.

Ingeval het punt waarop een luchtvaartuig de heffingszone binnenvliegt, en het punt waarop het deze zone weer verlaat, identiek zijn, is de factor „afstand” gelijk aan de afstand in de grootcirkel tussen dit punt en het verst verwijderde punt van het vliegplan.

4.

De afstand die in aanmerking moet worden genomen, wordt met 20 km verminderd voor elke start en elke landing op het grondgebied van een lidstaat.

5.

De factor „gewicht”, uitgedrukt als een getal met twee decimalen, is de vierkantswortel van het quotiënt dat wordt verkregen door het gecertificeerde maximale startgewicht van het luchtvaartuig in ton, zoals vermeld op het luchtwaardigheidscertificaat of een gelijkwaardig door de exploitant van het luchtvaartuig verstrekt officieel document, te delen door 50. Als dit gewicht onbekend is, moet het gewicht van het zwaarste bekende luchtvaartuig van hetzelfde type worden gebruikt. Wanneer een luchtvaartuig meer gecertificeerde maximale startgewichten heeft, dient het hoogste te worden gebruikt. Wanneer een exploitant van een luchtvaartuig twee of meer verschillende versies van hetzelfde type luchtvaartuig exploiteert, dient het gemiddelde maximale startgewicht van al zijn luchtvaartuigen van dat type te worden gebruikt voor elk luchtvaartuig van dat type. De factor „gewicht” wordt ten minste één keer per jaar berekend voor elk type luchtvaartuig en voor elke exploitant.

BIJLAGE V

BEREKENING VAN DE PLAATSELIJKE LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEENHEDEN

1.

De plaatselijke luchtvaartnavigatiediensteenheid is gelijk aan de factor „gewicht” van het desbetreffende luchtvaartuig.

2.

De factor „gewicht”, uitgedrukt als een getal van twee decimalen, is het quotiënt dat wordt verkregen door het gecertificeerde maximale startgewicht van het luchtvaartuig in ton, zoals vermeld in bijlage IV, punt 5, te delen door 50 en te verheffen tot de macht 0,7. Tijdens een overgangsperiode van vijf jaar na de berekening van het eerste plaatselijke luchtvaartnavigatiediensttarief in het kader van deze verordening bedraagt deze exponent echter tussen 0,5 en 0,9.

BIJLAGE VI

HEFFINGSMECHANISME

1.   RAPPORTAGETABEL

De lidstaten moeten, voor elke heffingszone die onder hun verantwoordelijkheid valt, de onderstaande rapportagetabel invullen en een geconsolideerde tabel 1 indienen. Als een heffingszone zich over het luchtruim van meer dan één lidstaat uitstrekt, moeten deze lidstaten de tabel gezamenlijk invullen overeenkomstig de voorschriften van artikel 4, lid 4.

Voor jaar (n – 3) tot jaar (n – 1) moeten de werkelijke cijfers worden ingevuld, vanaf jaar (n) de geraamde cijfers. De „totale kosten” zijn de som van alle in tabel 1 vermelde totale kosten die aan de desbetreffende heffingszone zijn toebedeeld.

Tabel 2

Berekening van eenheidstarieven

 

Organisatie(s):

 

Heffingszone:

 

Jaar n:

 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Eenheidstarief (in EUR)

Totale kosten (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kosten van vrijgestelde vluchten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar jaar (n) getransporteerde bedragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inkomsten uit andere bronnen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Belastbare kosten

Totaal aantal diensteenheden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Belastbare diensteenheden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenheidstarief  (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Eenheidstarief (in de nationale munteenheid)

Wisselkoers (1 EUR =)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenheidstarief

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

(n – 3)

A

(n – 2)

A

(n – 1)

A

(n)

F

(n + 1)

F

(n + 2)

P

(n + 3)

P

(n + 4)

P

(n + 5)

P

Te transporteren saldo (in de nationale munteenheid)

Aan de gebruikers in rekening gebrachte kosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werkelijke totale kosten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inkomsten uit andere bronnen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werkelijke kosten van vrijgestelde vluchten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar jaar (n) getransporteerde bedragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Saldo van jaar (n)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.   AANVULLENDE GEGEVENS

Daarnaast moeten de betrokken lidstaten ten minste de volgende gegevens verzamelen en verstrekken:

beschrijving en onderbouwing van de vaststelling van de verschillende heffingszones, met name wat de heffingszones voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten en mogelijke kruissubsidies tussen luchthavens betreft;

beschrijving van en toelichting bij de berekening van de geraamde belastbare diensteenheden;

beschrijving van en toelichting bij de gebruikte methode voor het verhalen van het saldo van de te veel of te weinig verhaalde kosten van de voorgaande jaren;

beschrijving van het beleid inzake vrijstellingen en van de financiële middelen om de daarmee gepaard gaande kosten te dekken;

beschrijving van de inkomsten uit andere bronnen, voor zover deze bestaan;

beschrijving van en toelichting bij de stimulansen voor aanbieders van luchtvaartnavigatiediensten, en met name de regelingen die moeten worden toegepast bij het vaststellen van regelgevende voorwaarden betreffende het niveau van de eenheidstarieven. Beschrijving van en toelichting bij de prestatiedoelstellingen en bij de wijze waarop bij de vaststelling van de maximale eenheidstarieven rekening wordt gehouden met deze prestatiedoelstellingen;

beschrijving van de plannen van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten om tegemoet te komen aan de voorspelde doelstellingen inzake vraag en prestaties;

beschrijving van en toelichting bij de stimulansen voor gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten.


(1)  De som van alle in tabel 1 vermelde totale kosten die aan de desbetreffende heffingszone zijn toebedeeld (als bepaalde luchtvaartnavigatiediensten zijn uitbesteed, worden de jaarlijkse uitgaven in aanmerking genomen).

(2)  

Eenheidstarief

=

Belastbare kosten/Belastbare diensteenheden.


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/17


VERORDENING (EG) Nr. 1795/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot opening, voor 2007, van een tariefcontingent voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Besluit 2004/859/EG van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over Protocol nr. 2 bij de bilaterale Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (2), en met name op artikel 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Protocol nr. 2 bij de bilaterale Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (3), en Protocol nr. 3 bij de EER-Overeenkomst (4), bevatten de handelsregelingen tussen de overeenkomstsluitende partijen voor bepaalde landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten.

(2)

Protocol nr. 3 bij de EER-Overeenkomst, zoals gewijzigd bij Besluit 138/2004 van het Gemengd Comité van de EER (5), voorziet in een nultarief voor bepaald water met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, ingedeeld onder GN-code 2202 10 00 , en bepaalde andere alcoholvrije suikerhoudende dranken, ingedeeld onder GN-code ex 2202 90 10 .

(3)

Het nultarief voor dat water en die andere dranken is voor Noorwegen tijdelijk geschorst bij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over Protocol nr. 2 bij de bilaterale Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (6), hierna „de overeenkomst” genoemd, die is goedgekeurd bij Besluit 2004/859/EG van de Raad. Ingevolge punt IV van het goedgekeurde proces-verbaal van de overeenkomst is de rechtenvrije invoer van de bij de GN-codes 2202 10 00 en ex 2202 90 10 bedoelde goederen van oorsprong uit Noorwegen alleen toegestaan binnen de grenzen van een rechtenvrij contingent, terwijl voor invoer buiten dat contingent een invoerrecht moet worden betaald.

(4)

Voor de frisdranken in kwestie moet nu het tariefcontingent voor het jaar 2007 worden geopend. Volgens de door de Commissie verstrekte statistieken was het bij Verordening (EG) nr. 2028/2005 van de Commissie (7) geopende contingent voor de producten in kwestie voor het jaar 2005 op 31 oktober 2006 uitgeput. Volgens punt IV van het goedgekeurde proces-verbaal van de overeenkomst moet het tariefcontingent voor 2007 daarom met 10 % worden verhoogd.

(5)

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (8), bevat voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten. Het bij deze verordening geopende tariefcontingent moet overeenkomstig deze voorschriften worden beheerd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in niet onder bijlage I van het Verdrag vallende verwerkte landbouwproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Van 1 januari tot en met 31 december 2007 is het in de bijlage bedoelde tariefcontingent onder de aldaar vermelde voorwaarden geopend voor de in die bijlage opgenomen goederen van oorsprong uit Noorwegen.

2.   Voor de in de bijlage genoemde goederen gelden de wederzijds toepasselijke oorsprongsregels, die zijn opgenomen in Protocol nr. 3 bij de bilaterale Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen.

3.   Voor ingevoerde hoeveelheden die het contingent te boven gaan, geldt een preferentieel recht van 0,047 EUR/liter.

Artikel 2

Het in artikel 1, lid 1, bedoelde communautaire tariefcontingent wordt door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)   PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)   PB L 370 van 17.12.2004, blz. 70.

(3)   PB L 171 van 27.6.1973, blz. 1.

(4)   PB L 22 van 24.1.2002, blz. 37.

(5)   PB L 342 van 18.11.2004, blz. 30.

(6)   PB L 370 van 17.12.2004, blz. 72.

(7)   PB L 327 van 14.12.2005, blz. 7.

(8)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 402/2006 (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 35).


BIJLAGE

Tariefcontingent voor de invoer in de Gemeenschap van goederen van oorsprong uit Noorwegen

Volgnr.

GN-code

Omschrijving van de producten

Omvang van het jaarlijkse contingent voor 2007

Recht dat van toepassing is binnen het contingent

Recht dat van toepassing is buiten het contingent

 

2202 10 00

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd

17,303 miljoen liter

vrij

0,047 EUR/liter

ex 2202 90 10

Andere alcoholvrije suikerhoudende dranken (sacharose of invertsuiker)


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/20


VERORDENING (EG) Nr. 1796/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot opening, voor 2007, van een tariefcontingent voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit IJsland, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Besluit 1999/492/EG van de Raad van 21 juni 1999 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Republiek IJsland, anderzijds, inzake Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland (2), en met name op artikel 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Republiek IJsland, anderzijds, inzake Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland, die is goedgekeurd bij Besluit 1999/492/EG, voorziet in een jaarlijks tariefcontingent voor de invoer van suikerwerk en van chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten, van oorsprong uit IJsland. Dit contingent moet worden geopend voor 2007.

(2)

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3), bevat voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten. Het bij deze verordening geopende tariefcontingent moet overeenkomstig deze voorschriften worden beheerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in niet onder bijlage I vallende verwerkte landbouwproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Van 1 januari tot en met 31 december 2007 worden op de in de bijlage genoemde goederen van oorsprong uit IJsland die in de Gemeenschap worden ingevoerd, de in die bijlage vermelde rechten toegepast binnen de grenzen van het daarin aangegeven jaarlijkse contingent.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde communautaire tariefcontingenten worden door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)   PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)   PB L 192 van 24.7.1999, blz. 47.

(3)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 402/2006 (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 35).


BIJLAGE

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Contingent

Toepasselijk recht

09.0799

1704 90 10

1704 90 30

1704 90 51

1704 90 55

1704 90 61

1704 90 65

1704 90 71

1704 90 75

1704 90 81

1704 90 99

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen) van GN-code 1704 90

500 ton

50 % van het recht voor derde landen (*1) met een maximum van 35,15 EUR/100 kg

1806 32 10

1806 32 90

1806 90 11

1806 90 19

1806 90 31

1806 90 39

1806 90 50

1806 90 60

1806 90 70

1806 90 90

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten van de GN-codes 1806 32 , 1806 90 , 1905 31 en 1905 32

1905 31 11

1905 31 19

1905 31 30

1905 31 91

1905 31 99

1905 32 11

1905 32 19

1905 32 91

1905 32 99

Koekjes en biscuits, gezoet; wafels en wafeltjes


(*1)  Recht voor derde landen: het totaal van het recht ad valorem plus, eventueel, het agrarische element, beperkt tot het maximale recht wanneer het Gemeenschappelijk douanetarief hierin voorziet.


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/22


VERORDENING (EG) Nr. 1797/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot opening, voor 2007, van een tariefcontingent voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Besluit 96/753/EG van de Raad van 6 december 1996 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, betreffende Protocol nr. 2 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (2), en met name op artikel 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, anderzijds, betreffende Protocol nr. 2 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen, die is goedgekeurd bij Besluit 96/753/EG, voorziet in een jaarlijks tariefcontingent voor de invoer van chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten, van oorsprong uit Noorwegen. Dit contingent moet worden geopend voor 2007.

(2)

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3), bevat voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten. Het bij deze verordening geopende tariefcontingent moet overeenkomstig deze voorschriften worden beheerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in niet onder bijlage I van het Verdrag vallende verwerkte landbouwproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Van 1 januari tot en met 31 december 2007 worden op de in de bijlage genoemde goederen van oorsprong uit Noorwegen die in de Gemeenschap worden ingevoerd, de in die bijlage vermelde rechten toegepast binnen de grenzen van het daarin aangegeven jaarlijkse contingent.

Artikel 2

Het in artikel 1 bedoelde tariefcontingent wordt door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)   PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)   PB L 345 van 31.12.1996, blz. 78.

(3)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 402/2006 (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 35).


BIJLAGE

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Contingent

Toepasselijk recht

09.0764

ex 1806

1806 20

1806 31

1806 32

1806 90

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten, met uitzondering van cacaopoeder waaraan suiker of andere zoetstoffen zijn toegevoegd van GN-code 1806 10

5 500 ton

35,15 EUR/100 kg


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/24


VERORDENING (EG) Nr. 1798/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot opening, voor 2007, van tariefcontingenten voor de invoer in de Europese Gemeenschap van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad bedoelde landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (1), en met name op artikel 7, lid 2,

Gelet op Besluit 2004/859/EG van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over protocol nr. 2 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (2), en met name op artikel 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over protocol nr. 2 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen voorziet onder punt III in jaarlijkse tariefcontingenten voor de invoer van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen. Deze contingenten moeten worden geopend voor 2007.

(2)

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3) bevat voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten. De bij deze verordening geopende tariefcontingenten moeten overeenkomstig deze voorschriften worden beheerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage genoemde communautaire tariefcontingenten voor goederen van oorsprong uit Noorwegen worden geopend voor het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 2007.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde communautaire tariefcontingenten worden door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Günter VERHEUGEN

Vicevoorzitter


(1)   PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000 (PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5).

(2)   PB L 370 van 17.12.2004, blz. 70.

(3)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 402/2006 (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 35).


BIJLAGE

Jaarlijkse tariefcontingenten die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van goederen van oorsprong uit Noorwegen

Volgnummer

GN-code

Omschrijving van het product

Omvang van het jaarlijkse contingent vanaf 1.1.2007

Recht dat van toepassing is binnen het contingent

09.0765

1517 10 90

Margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van niet meer dan 10 gewichtsprocenten

2 470 ton

Vrij

09.0771

ex 2207 10 00

(Taric-code 90 )

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van 80 % vol. of meer, andere dan die welke is verkregen uit in bijlage I bij het EG- Verdrag genoemde landbouwproducten

164 000 hectoliter

Vrij

09.0772

ex 2207 20 00

(Taric-code 90 )

Ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte, andere dan die welke zijn verkregen uit in bijlage I bij het EG-Verdrag genoemde landbouwproducten

14 340 hectoliter

Vrij

09.0774

2403 10

Rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding

370 ton

Vrij


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/26


VERORDENING (EG) Nr. 1799/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 26/2004 betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 15, leden 3 en 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot (2), zijn onder meer de datums van de inventarisering van de vloot, de codes voor het vistuig en de codes voor de overheidssteun vastgesteld.

(2)

Het is noodzakelijk de datums van de inventarisering vast te stellen voor de nieuwe lidstaten die tot de Europese Unie zullen toetreden, opdat zij kunnen voldoen aan Verordening (EG) nr. 26/2004.

(3)

Om de vaartuigen die ambachtelijke of kleinschalige visserij bedrijven, beter te kunnen identificeren moet er een nauwkeuriger onderscheid tussen het vistuig worden gemaakt.

(4)

Om toezicht te kunnen houden op de toepassing van artikel 25, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (3), moeten nieuwe codes worden ingevoerd voor de mededeling van de vervanging van motoren met overheidssteun.

(5)

Verordening (EG) nr. 26/2004 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Joe BORG

Lid van de Commissie


(1)   PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)   PB L 5 van 9.1.2004, blz. 25.

(3)   PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Tabel 2 wordt vervangen door:

„Tabel 2

Datum van inventarisering per land

BEL, DNK, FRA, GBR, PRT

1.1.1989

NLD

1.9.1989

DEU, ESP

1.1.1990

IRL

1.10.1990

ITA

1.1.1991

GRC

1.7.1991

SWE, FIN

1.1.1995

CYP, EST, LTU, LVA, MLT, POL, SVN

1.5.2004

Lidstaten die na 1 mei 2004 toetreden

Datum van toetreding”.

2)

Tabel 3 wordt vervangen door:

„Tabel 3

Codes voor het vistuig

Categorie vistuig

Vistuig

Code

Statisch (S) of gesleept (T) of mobiel (M) tuig

Pelagisch (P) of demersaal (D)

Ringnetten

Ringzegen

PS

M

P

Zonder sluitlijn (lampara)

LA

M

P

Zegen

Strandzegen

SB

T

D/P

Deense zegen

SDN

T

D/P

Schotse zegen

SSC

T

D/P

Spanzegen

SPR

T

D/P

Sleepnetten

Boomkor

TBB

T

D

Demersale bordentrawl

OTB

T

D

Bodemspannet

PTB

T

D

Pelagische bordentrawl

OTM

T

D/P

Pelagisch spannet

PTM

T

D/P

Dubbele-bordentrawl

OTT

T

D/P

Korren

Door een vaartuig gesleepte kor

DRB

T

D

Vanaf een vaartuig bediende handkor

DRH

T

D

Gemechaniseerde dreg, eventueel met zuiger

HMD

T

D

Kruisnetten

Vanaf een vaartuig bediend kruisnet

LNB

M

P

Vanaf de wal bediend kruisnet

LNS

M

P

Kieuw- en warrelnetten

Geankerd kieuwnet

GNS

S

D

Drijfnet

GND

S

D/P

Omringend kieuwnet

GNC

S

D/P

Schakel

GTR

S

D/P

Gecombineerd kieuwnet en schakel

GTN

S

D/P

Korven

Korf (kubbe)

FPO

S

D

Haken en lijnen

Handlijn of hengellijn (met de hand bediend)

LHP

S

D/P

Handlijn of hengellijn (gemechaniseerd)

LHM

S

D/P

Grondbeug

LLS

S

D

Drijvende beug

LLD

S

P

Sleeplijn

LTL

M

P

Onbekend tuig (1)

 

NK

 

 

Geen tuig (2)

 

NO

 

 

3)

Tabel 7 wordt vervangen door:

„Tabel 7

Codes voor de overheidssteun

Niet door de Gemeenschap gecofinancierde steun

AE

Door de Gemeenschap gecofinancierde steun

AC

Geen overheidssteun

PA

Steun voor de vervanging van de motor mits het vermogen wordt verminderd (individuele optie)

EI

Steun voor de vervanging van de motor mits het vermogen wordt verminderd (groepsoptie)

EG.”


(1)  Niet geldig voor vaartuigen in de vloot of aangegeven vanaf 1.1.2003.

(2)  Uitsluitend voor secundair vistuig.”.


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/29


VERORDENING (EG) Nr. 1800/2006 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot wijziging van de bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten van de sector suiker

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1),

Gelet op Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 36,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2006/2007 zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1767/2006 van de Commissie (4).

(2)

De bovenbedoelde prijzen en invoerrechten moeten op grond van de gegevens waarover de Commissie nu beschikt, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 951/2006 worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Verordening (EG) nr. 1002/2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 7 december 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Jean-Luc DEMARTY

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1585/2006 van de Commissie (PB L 294 van 25.10.2006, blz. 19).

(2)   PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)   PB L 179 van 1.7.2006, blz. 36.

(4)   PB L 335 van 1.12.2006, blz. 19.


BIJLAGE

Met ingang van 7 december 2006 geldende gewijzigde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en de producten van GN-code 1702 90 99

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

Aanvullend invoerrecht per 100 kg nettogewicht van het betrokken product

1701 11 10  (1)

22,45

5,08

1701 11 90  (1)

22,45

10,31

1701 12 10  (1)

22,45

4,89

1701 12 90  (1)

22,45

9,88

1701 91 00  (2)

28,15

11,16

1701 99 10  (2)

28,15

6,64

1701 99 90  (2)

28,15

6,64

1702 90 99  (3)

0,28

0,37


(1)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt III, bij Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad (PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1).

(2)  Vastgesteld voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage I, punt II, bij Verordening (EG) nr. 318/2006.

(3)  Vastgesteld per procentpunt sacharosegehalte.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/31


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 november 2006

betreffende de sluiting van een Protocol tot wijziging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, wat betreft de vaststelling van tariefcontingenten voor suiker en suikerproducten van oorsprong uit Kroatië of uit de Gemeenschap

(2006/882/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133, in samenhang met artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste volzin,

Gelet op het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 28 februari 2005 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te beginnen met de Republiek Kroatië om de preferentiële regelingen ten aanzien van de invoer van suiker van oorsprong uit Kroatië in de Gemeenschap te wijzigen in het kader van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds (1), die is goedgekeurd bij Besluit 2005/40/EG, Euratom van de Raad en de Commissie (2).

(2)

De Commissie heeft de onderhandelingen over een protocol tot wijziging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst afgerond. Het protocol moet derhalve worden goedgekeurd.

(3)

De Commissie moet de bepalingen inzake de uitvoering van het protocol vaststellen overeenkomstig de procedure voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (3),

BESLUIT:

Artikel 1

Het Protocol tot wijziging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, wat betreft de vaststelling van tariefcontingenten voor suiker en suikerproducten van oorsprong uit Kroatië of uit de Gemeenschap (hierna „het protocol” genoemd), wordt namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon/personen aan te wijzen die bevoegd is/zijn het protocol te ondertekenen teneinde de Gemeenschap te binden.

Artikel 3

De Commissie stelt de bepalingen voor de uitvoering van het protocol vast overeenkomstig de in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde procedure.

Gedaan te Brussel, 13 november 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

E. TUOMIOJA


(1)   PB L 26 van 28.1.2005, blz. 3.

(2)   PB L 26 van 28.1.2005, blz. 1.

(3)   PB L 58 van 28.2.2006, blz. 1.


PROTOCOL

tot wijziging van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds, wat betreft de vaststelling van tariefcontingenten voor suiker en suikerproducten van oorsprong uit Kroatië of uit de Gemeenschap

DE EUROPESE GEMEENSCHAP, hierna „de Gemeenschap” genoemd,

enerzijds, en

DE REPUBLIEK KROATIË, hierna „Kroatië” genoemd,

anderzijds,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Kroatië, anderzijds (hierna: de „SAO” genoemd) is op 29 oktober 2001 in Luxemburg ondertekend en op 1 februari 2005 in werking getreden.

(2)

Er zijn onderhandelingen gevoerd over een wijziging van de in de SAO vastgestelde preferentiële regelingen voor suiker en suikerproducten van oorsprong uit Kroatië of de Gemeenschap.

(3)

De SAO moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

De SAO wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„1.   De Gemeenschap schaft alle douanerechten en heffingen van gelijke werking af die van toepassing zijn op de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit Kroatië, andere dan die van de posten 0102 , 0201 , 0202 , 1701 , 1702 en 2204 van de gecombineerde nomenclatuur.”;

b)

het volgende lid 5 wordt toegevoegd:

„5.   Bepaalde handelsregelingen die van toepassing zijn op suiker en suikerproducten van de posten 1701 en 1702 van de gecombineerde nomenclatuur, worden vastgesteld in bijlage IV h.”;

2)

de tekst van de bijlage bij deze beschikking wordt toegevoegd als bijlage IV h.

3)

in de tabel in bijlage I van Protocol nr. 3 worden de volgende referenties geschrapt:

„ 1702 50 00 — chemisch zuivere fructose”,

„ 1702 90 10 — chemisch zuivere maltose”.

Artikel 2

De partijen komen in de tweede helft van 2008 bijeen om de effecten van dit protocol te evalueren.

Artikel 3

Dit protocol vormt een integrerend onderdeel van de SAO.

Artikel 4

Dit protocol treedt in werking op 1 januari 2007.

Artikel 5

Dit protocol is opgesteld in tweevoud in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Kroatische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Hecho en Zagreb, el veintiocho de noviembre de dos mil seis.

V Záhřebu dne dvacátého osmého listopadu dva tisíce šest.

Udfærdiget i Zagreb den otteogtyvende november to tusind og seks.

Geschehen zu Zagreb am achtundzwanzigsten November zweitausendundsechs.

Koostatud kahekümne kaheksandal novembril kahe tuhande kuuendal aastal Zagrebis.

Έγινε στο Ζάγκρεμπ στις είκοσι οκτώ Νοεμβρίου δύο χιλιάδες έξι.

Done at Zagreb on the twenty-eighth day of November in the year two thousand and six.

Fait à Zagreb, le vingt-huit novembre deux mille six.

Fatto a Zagabria, addì ventotto novembre duemilasei.

Zagrebā, divi tūkstoši sestā gada divdesmit astotajā novembrī.

Priimta Zagrebe, du tūkstančiai šeštų metų lapkričio dvidešimt aštuntą dieną.

Kelt Zágrábban, a kétezer-hatodik év november havának huszonnyolcadik napján.

Magħmul f'Żagreb fit-tmienja u għoxrin jum ta' Novembru fis-sena elfejn u sitta.

Gedaan te Zagreb, de achtentwintigste november tweeduizend en zes.

Sporządzono w Zagrzebiu dnia dwudziestego ósmego listopada dwa tysiące szóstego roku.

Feito em Zagrebe, aos vinte e oito dias do mês de Novembro do ano de dois mil e seis.

V Záhrebe dvadsiateho ôsmeho novembra dvetisícšesť.

V Zagrebu, dne osemindvajsetega novembra, leta dva tisoč šest.

Tehty Zagrebissa kahdentenakymmenentenäkahdeksantena päivänä marraskuuta vuonna kaksituhattakuusi

Utfärdat i Zagreb den tjuguåttonde november år tvåtusensex.

Sastavljeno u Zagrebu dana dvadesetosmog studenoga dvije tisuće i šeste godine.

Por la Comunidad Europea

Za Evropské společenství

For Det Europæiske Fællesskab

Für die Europäische Gemeinschaft

Euroopa Ühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα

For the European Community

Pour la Communauté européenne

Per la Comunità europea

Eiropas Kopienas vārdā

Europos bendrijos vardu

Az Európai Közösség részéről

Għall-Komunitá Ewropea

Voor de Europese Gemeenschap

W imieniu Wspólnoty Europejskiej

Pela Comunidade Europeia

Za Európske spoločenstvo

Za Evropsko skupnost

Euroopan yhteisön puolesta

För Europeiska gemenskapen

Za Europsku zajednicu

Image 1

Por la República de Croacia

Za Chorvatskou republiku

For Republikken Kroatien

Für die Republik Kroatien

Horvaatia Vabariigi nimel

Για τη Δημοκρατία της Κροατίας

For the Republic of Croatia

Pour la République de Croatie

Per la Repubblica di Croazia

Horvātijas Republikas vārdā

Kroatijos Respublikos vardu

A Horvát Köztársaság részéről

Għar-Repubblika tal-Kroazja

Voor de Republiek Kroatië

W imieniu Republiki Chorwacji

Pela República da Croácia

Za Chorvátsku republiku

Za Republiko Hrvaško

Kroatian tasavallan puolesta

För Republiken Kroatien

Za Republiku Hrvatsku

Image 2

BIJLAGE

„BIJLAGE IV h

zoals bedoeld in artikel 27, lid 5

1.   

Producten van oorsprong uit Kroatië van de posten 1701 en 1702 van de gecombineerde nomenclatuur worden binnen een jaarlijks tariefcontingent van 180 000 ton (nettogewicht) rechtenvrij in de Gemeenschap ingevoerd.

2.   

Kroatië past op de invoer van producten van oorsprong uit de Gemeenschap van post 1701 van de gecombineerde nomenclatuur binnen een jaarlijks tariefcontingent van 80 000 ton (nettogewicht) een verlaagd tarief toe, maar pas vanaf het moment dat de invoer uit Kroatië in de Gemeenschap van producten van de posten 1701 en 1702 van de gecombineerde nomenclatuur 80 000 ton (nettogewicht) heeft bereikt. Voor deze hoeveelheid verlaagt Kroatië de tarieven als volgt:

op 1 januari 2007 wordt het recht verlaagd tot 75 % van het basisrecht;

op 1 januari 2008 wordt het recht verlaagd tot 70 % van het basisrecht;

op 1 januari 2009 wordt het recht verlaagd tot 50 % van het basisrecht, waarna het op dat niveau blijft.

3.   

De Gemeenschap verbindt zich ertoe uit de communautaire begroting geen uitvoerrestituties te betalen voor suiker, stroop en bepaalde andere suikerproducten van de posten 1701 en 1702 van de gecombineerde nomenclatuur, wanneer deze in ongewijzigde staat naar Kroatië worden uitgevoerd. Kroatië verbindt zich ertoe geen uitvoerrestitutie te betalen voor uitvoer naar de Gemeenschap.”.


Commissie

7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/37


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 5 december 2006

tot wijziging van Beschikking 2006/80/EG wat betreft Slovenië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5797)

(Slechts de tekst in de Sloveense taal is authentiek)

(2006/883/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (1), en met name op artikel 3, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 92/102/EEG worden de minimumvoorschriften voor de identificatie en registratie van dieren vastgesteld, onverminderd nadere voorschriften die kunnen worden vastgesteld met het oog op de uitroeiing van en de controle op ziekten.

(2)

Krachtens artikel 3, lid 1, van Richtlijn 92/102/EEG moeten de lidstaten erop toezien dat de bevoegde autoriteit beschikt over een bijgewerkte lijst van alle bedrijven op hun grondgebied waar in die richtlijn bedoelde dieren worden gehouden.

(3)

Artikel 3, lid 2, van Richtlijn 92/102/EEG voorziet in de mogelijkheid om de lidstaten te machtigen natuurlijke personen die slechts één varken houden, dat voor eigen gebruik of verbruik bestemd is, niet op de in artikel 3, lid 1, van die richtlijn bedoelde lijst te plaatsen, mits dit dier vóór een eventuele verplaatsing aan de in die richtlijn voorgeschreven controles wordt onderworpen.

(4)

Bij Beschikking 2006/80/EG van de Commissie (2) worden bepaalde lidstaten gemachtigd om de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 92/102/EEG bedoelde afwijking toe te passen wat bedrijven met één varken betreft.

(5)

Slovenië heeft verzocht om de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 92/102/EEG bedoelde machtiging wat bedrijven met één varken betreft en heeft met betrekking tot de in die richtlijn vastgestelde controles de nodige zekerheid verschaft.

(6)

Het is dan ook passend Slovenië te machtigen die afwijking toe te passen.

(7)

Beschikking 2006/80/EG moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De bijlage bij Beschikking 2006/80/EG wordt vervangen door de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Republiek Slovenië.

Gedaan te Brussel, 5 december 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 355 van 5.12.1992, blz. 32. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 21/2004 (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8).

(2)   PB L 36 van 8.2.2006, blz. 50.


BIJLAGE

„BIJLAGE

Lidstaten die worden gemachtigd om de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 92/102/EEG bedoelde afwijking toe te passen wat bedrijven met één varken betreft:

Tsjechië

Frankrijk

Italië

Polen

Portugal

Slovenië

Slowakije”.


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/39


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot vaststelling van het standpunt van de Gemeenschap ten aanzien van een besluit van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen, tot vaststelling van haar reglement van orde

(2006/884/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 2004/425/EG van de Raad van 21 april 2004 betreffende de sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen (1) (hierna „de overeenkomst” genoemd), en met name op artikel 3, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de vaststelling van het standpunt van de Gemeenschap heeft de Commissie overleg gepleegd met het door de Raad aangewezen speciale comité.

(2)

Artikel 7, lid 2, van de overeenkomst bepaalt dat de bij artikel 7 van de overeenkomst ingestelde Gemengde Commissie haar reglement van orde vaststelt,

BESLUIT:

Enig artikel

Het door de Europese Gemeenschap vast te stellen standpunt ten aanzien van een besluit van de Gemengde Commissie die is ingesteld bij artikel 7 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen, tot vaststelling van haar reglement van orde, wordt gebaseerd op het ontwerp-besluit van de Gemengde Commissie in de bijlage bij dit besluit.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)   PB L 150 van 30.4.2004, blz. 42.


BIJLAGE

ONTWERP

BESLUIT NR. …/… VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen, tot vaststelling van haar reglement van orde

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gelet op de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen, en met name op artikel 7,

Overwegende dat de Gemengde Commissie op grond van artikel 7, lid 2, van de overeenkomst haar reglement van orde vaststelt,

BESLUIT:

1)

Het reglement van orde van de Gemengde Commissie, zoals opgenomen in het aanhangsel bij dit besluit, wordt goedgekeurd.

Dit besluit, opgesteld in tweevoud, wordt ondertekend door vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn de overeenkomst namens de partijen te wijzigen. Dit besluit treedt in werking op de datum waarop de laatste van deze handtekeningen is aangebracht.

Ondertekend te Washington, op

Namens de Verenigde Staten van Amerika

Ondertekend te Brussel, op

Namens de Europese Gemeenschap

„BIJLAGE

„REGLEMENT VAN ORDE VAN DE GEMENGDE COMMISSIE DIE IS INGESTELD BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

inzake de wederzijdse erkenning van certificaten van overeenstemming voor uitrusting van zeeschepen

Artikel 1

Voorzitterschap

De Gemengde Commissie wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap en een vertegenwoordiger van de Verenigde Staten.

Artikel 2

Vergaderingen

1.   De Gemengde Commissie komt regelmatig en minstens één keer per jaar bijeen op een voor beide partijen aanvaardbaar tijdstip. Indien een van de partijen extra vergaderingen nodig acht, komt de andere partij zoveel mogelijk tegemoet aan het verzoek om een vergadering bijeen te roepen.

2.   De vergaderingen vinden bij toerbeurt in het land van de partijen plaats, tenzij iets anders wordt overeengekomen. Met instemming van de partijen kan gebruik worden gemaakt van tele- of videoconferenties.

3.   De medevoorzitters roepen de vergaderingen van de Gemengde Commissie bijeen.

4.   De medevoorzitters stellen een datum voor de vergadering vast en wisselen tijdig, zo mogelijk drie weken vóór de vergadering, alle documenten uit die nodig zijn voor een goede voorbereiding.

5.   De partij die gastheer van de vergadering is of die om een video- of teleconferentie verzoekt, is verantwoordelijk voor de logistieke regelingen.

Artikel 3

Delegaties

De partijen stellen elkaar ten minste één week vóór de vergadering op de hoogte van de voorgenomen samenstelling van hun delegaties.

Artikel 4

Agenda van de vergaderingen

1.   De medevoorzitters stellen uiterlijk 14 dagen vóór de vergadering de voorlopige agenda op. Op de voorlopige agenda staan de punten ten aanzien waarvan de medevoorzitters uiterlijk 14 dagen vóór de vergadering een verzoek hebben ontvangen om deze op de agenda te plaatsen.

2.   Elk van beide partijen kan vóór de vergadering punten aan de voorlopige agenda toevoegen als de andere partij daarmee instemt. Zo mogelijk richt de ene partij haar verzoek om punten aan de voorlopige agenda toe te voegen, schriftelijk aan de andere partij. Dergelijke verzoeken worden voor zover mogelijk ingewilligd.

3.   De medevoorzitters stellen bij het begin van elke vergadering de definitieve agenda vast. Punten die niet op de voorlopige agenda staan, kunnen op de agenda worden geplaatst als de partijen daarmee instemmen; desbetreffende verzoeken worden voor zover mogelijk ingewilligd.

Artikel 5

Notulen van de vergaderingen

1.   De medevoorzitter die gastheer van de vergadering is, stelt zo spoedig mogelijk de ontwerp-notulen van elke vergadering op.

2.   In de notulen worden over het algemeen voor ieder agendapunt de volgende gegevens vermeld:

a)

de aan de Gemengde Commissie voorgelegde documenten,

b)

verklaringen die op verzoek van een partij worden opgenomen en

c)

de genomen besluiten en de met betrekking tot een specifiek punt vastgestelde conclusies.

3.   De notulen bevatten eveneens de namen van de afzonderlijke leden van de delegaties, met vermelding van de ministeries of instellingen die zij vertegenwoordigen.

4.   De medevoorzitters keuren de notulen goed.

Artikel 6

Besluiten van de Gemengde Commissie

1.   De Gemengde Commissie neemt haar besluiten met eenparigheid van stemmen.

2.   De Gemengde Commissie kan buiten haar formele vergaderingen besluiten nemen via de schriftelijke procedure.

3.   De besluiten van de Gemengde Commissie worden voorzien van de titel „Besluit”, gevolgd door een volgnummer en een omschrijving van het onderwerp. Voorts wordt aangegeven wanneer het besluit in werking treedt. De besluiten worden ondertekend door vertegenwoordigers van de Gemengde Commissie die gemachtigd zijn namens de partijen te handelen. De besluiten worden opgesteld in tweevoud, waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn.

Artikel 7

Raadpleging van deskundigen

De Gemengde Commissie kan deskundigen raadplegen over bijzondere kwesties als beide partijen daarmee instemmen.

Artikel 8

Kosten

1.   Elke partij is verantwoordelijk voor de kosten die zij door deelneming aan vergaderingen van de Gemengde Commissie maakt, met inbegrip van personeels-, reis- en verblijfkosten en kosten voor post en telecommunicatie.

2.   De partij die gastheer van de vergadering is, betaalt gewoonlijk de verdere uitgaven die de organisatie van de vergaderingen met zich brengt.

Artikel 9

Administratieve procedures

1.   Tenzij de partijen iets anders besluiten, zijn de vergaderingen van de Gemengde Commissie niet openbaar.

2.   Notulen en andere documenten van de Gemengde Commissie worden ten behoeve van de vertrouwelijkheid als in het kader van artikel 17 van de overeenkomst uitgewisselde informatie beschouwd.

3.   Andere deelnemers dan functionarissen van de partijen kunnen met instemming van de medevoorzitters uitgenodigd worden; ook op hen is artikel 17 van de overeenkomst van toepassing.

4.   De partijen kunnen openbare briefings organiseren of belangstellenden op een andere wijze informeren over de resultaten van de vergaderingen van de Gemengde Commissie.


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/43


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot vaststelling van een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor 2006 in de door België en Duitsland gedane uitgaven ter bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5894)

(Slechts de tekst in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal is authentiek)

(2006/885/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 23,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG kan aan de lidstaten een financiële bijdrage van de Gemeenschap worden toegekend voor de uitgaven die rechtstreeks verband houden met getroffen of voorgenomen noodzakelijke maatregelen met het oog op de bestrijding van schadelijke organismen die uit een derde land of uit een ander gebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, om deze organismen uit te roeien of, als dat niet mogelijk is, de verspreiding ervan tegen te gaan.

(2)

België en Duitsland hebben elk een actieprogramma opgesteld om voor planten schadelijke organismen die op hun grondgebied worden binnengebracht, uit te roeien. In deze programma's zijn de te verwezenlijken doelstellingen, de uit te voeren maatregelen, alsmede de duur en de kosten van de maatregelen vastgelegd. België en Duitsland hebben binnen de daarvoor in Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde termijn en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1040/2002 van de Commissie van 14 juni 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van de regeling inzake de toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor fytosanitaire bestrijdingsmaatregelen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2051/97 (2) verzocht om toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap.

(3)

Dankzij de door België en Duitsland verstrekte technische informatie heeft de Commissie de situatie nauwkeurig en volledig kunnen onderzoeken. Zij is tot de conclusie gekomen dat aan de in artikel 23 van Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage is voldaan. Bijgevolg is het dienstig een financiële bijdrage van de Gemeenschap te verlenen in de voor bovengenoemde programma’s gedane uitgaven.

(4)

De financiële bijdrage van de Gemeenschap kan ten hoogste 50 % van de subsidiabele uitgaven dekken. Overeenkomstig artikel 23, lid 5, derde alinea, van de richtlijn moet het percentage van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor het door België ingediende programma worden verlaagd, aangezien het door deze lidstaat gemelde programma reeds het voorwerp was van een financiering door de Gemeenschap krachtens de Beschikkingen 2004/772/EG (3) en 2005/789/EG (4) van de Commissie.

(5)

Overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2000/29/EG gaat de Commissie na of het binnenbrengen van het betrokken schadelijke organisme toe te schrijven is aan gebrekkige onderzoeken of inspecties en neemt zij de op grond van de bevindingen van haar verificatie vereiste maatregelen.

(6)

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (5) moeten fytosanitaire maatregelen worden gefinancierd uit het Europees Landbouwgarantiefonds. Voor de financiële controle van deze maatregelen zijn de artikelen 9, 36 en 37 van voornoemde verordening van toepassing.

(7)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor 2006 in de door België en Duitsland gedane uitgaven die rechtstreeks voortvloeien uit noodzakelijke maatregelen, als bedoeld in artikel 23, lid 2, van Richtlijn 2000/29/EG, ter bestrijding van de organismen waarop de in de bijlage bij deze beschikking genoemde uitroeiingsprogramma's zijn gericht, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

1.   De in artikel 1 bedoelde financiële bijdrage bedraagt in totaal 101 423 EUR.

2.   De maximumbedragen van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor elk programma staan vermeld in de bijlage.

Artikel 3

De in de bijlage vermelde financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt onder de volgende voorwaarden betaald:

a)

er zijn bewijsstukken met betrekking tot de genomen maatregelen verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1040/2002;

b)

er is een betalingsverzoek door de betrokken lidstaat bij de Commissie ingediend overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1040/2002.

De betaling van de financiële bijdrage geschiedt onverminderd de verificaties door de Commissie krachtens artikel 24 van Richtlijn 2000/29/EG.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).

(2)   PB L 157 van 15.6.2002, blz. 38. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 738/2005 (PB L 122 van 14.5.2005, blz. 17).

(3)   PB L 341 van 17.11.2004, blz. 27.

(4)   PB L 296 van 12.11.2005, blz. 42.

(5)   PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.


BIJLAGE

UITROEIINGSPROGRAMMA'S

Legenda:

a

=

jaar van uitvoering van het uitroeiingsprogramma.

DEEL I

Programma's waarvoor de financiële bijdrage van de Gemeenschap overeenkomt met 50 % van de subsidiabele uitgaven

Lidstaat

Bestreden schadelijke organismen

Betrokken planten

Jaar

Subsidiabele uitgaven

(EUR)

Maximale bijdrage van de Gemeenschap

(EUR)

Per programma

Duitsland

Anoplophora glabripennis

Verschillende bomen

2004 en 2005

64 554

32 277


DEEL II

Programma's waarvoor de financiële bijdrage van de Gemeenschap varieert naargelang de toegepaste degressiviteit

Lidstaat

Bestreden schadelijke organismen

Betrokken planten

Jaar

a

Subsidiabele uitgaven

(EUR)

Percentage

(%)

Maximale bijdrage van de Gemeenschap

(EUR)

België

Diabrotica virgifera

Mais

2006

4

172 865

40

69 146


Totale bijdrage van de Gemeenschap (EUR)

101 423


7.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/46


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2006

tot beëindiging van het nieuwe onderzoek in verband met de absorptie van het recht, inzake de invoer van handpallettrucks en essentiële delen daarvan uit de Volksrepubliek China

(2006/886/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (hierna „de basisverordening” genoemd) (1), en met name op de artikelen 9 en 12,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Oorspronkelijke maatregelen

(1)

In juli 2005 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1174/2005 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld (hierna „de oorspronkelijke maatregelen” genoemd) op de invoer van handpallettrucks en essentiële delen daarvan uit de Volksrepubliek China (hierna „China” genoemd). Aan de medewerkende exporteurs/producenten in China werd een individueel antidumpingrecht opgelegd van 7,6 % tot 39,9 %. Voor alle andere ondernemingen in China geldt een recht van 46,7 %.

2.   Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met de absorptie van het recht

(2)

Op 15 februari 2006 werd, op grond van artikel 12 van de basisverordening, een verzoek ingediend om een nieuw onderzoek in te stellen met het oog op een eventuele herziening van de oorspronkelijke maatregelen. Dit verzoek werd ingediend door vier grote communautaire producenten van handpallettrucks en essentiële delen daarvan (BT Products AB, Franz Kahl GmbH, Bolzoni Auramo SpA en Pramac Lifter SpA), die goed zijn voor een groot gedeelte, in dit geval meer dan 70 %, van de totale communautaire productie (hierna „de verzoekers” genoemd).

(3)

De verzoekers verstrekten voldoende aanwijzingen dat het antidumpingrecht dat was ingesteld op handpallettrucks en essentiële delen daarvan uit China, niet heeft geleid tot voldoende wijzigingen in de wederverkoopprijzen of in de latere verkoopprijzen in de Gemeenschap, hetgeen wijst op een toename van dumping, zodat de corrigerende werking van de antidumpingmaatregelen teniet werd gedaan.

3.   Het nieuwe onderzoek in verband met de absorptie van het recht

(4)

Op 31 maart 2006 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) de opening aangekondigd van een nieuw onderzoek van de oorspronkelijke maatregelen overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening.

(5)

De Commissie heeft de haar bekende betrokken exporteurs/producenten, de vertegenwoordigers van het exportland, de importeurs en de gebruikers officieel van de opening van dit onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord. De Commissie heeft alle haar bekende betrokken partijen een vragenlijst toegestuurd.

(6)

Er werden twee voldoende geachte antwoorden op de vragenlijst ontvangen van Chinese exporteurs/producenten, namelijk van Ningbo Ruyi Joint Stock Co. Ltd. en van Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd., die beide ook aan het oorspronkelijke onderzoek hadden meegewerkt. Eén andere exporteur/producent, Yale Industrial Products Co. Ltd., verstrekte slechts zeer onvolledige informatie en werd dan ook, na hiervan naar behoren in kennis te zijn gesteld, als niet-medewerkend beschouwd overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Twee andere exporteurs/producenten die aan het oorspronkelijke onderzoek meewerkten, verstrekten geen informatie voor dit nieuwe onderzoek, namelijk Ningbo Liftstar Material Transport Equipment Factory en Ningbo Tailong Machinery Co. Ltd.

(7)

Daarnaast meldden zich negen importeurs van handpallettrucks en essentiële delen daarvan, waarvan er vijf voldoende aan dit nieuwe onderzoek meewerkten.

(8)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor dit nieuwe onderzoek nodig had, verzameld en onderzocht. Er werden controles verricht bij de volgende exporteurs/producenten in China:

Ningbo Ruyi Joint Stock Co. Ltd., Hangzhou en Ninghai, China;

Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd., Changxing, China.

(9)

Het onderzoektijdvak van dit nieuwe onderzoek (hierna het „nieuwe onderzoektijdvak” genoemd) beslaat de periode van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006. Het nieuwe onderzoektijdvak werd gebruikt om het huidige niveau van de uitvoerprijzen en de prijzen bij levering aan de eindgebruiker in de Gemeenschap te bepalen. Om na te gaan of de uitvoerprijzen en de wederverkoopprijzen of latere verkoopprijzen in de Gemeenschap voldoende waren gewijzigd, werden de prijzen in het nieuwe onderzoektijdvak vergeleken met die in het oorspronkelijke onderzoektijdvak, dat de periode van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2004 besloeg.

B.   BETROKKEN PRODUCT

(10)

Het bij dit nieuwe onderzoek betrokken product is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk handpallettrucks zonder eigen beweegkracht, die gebruikt worden voor het hanteren van materialen die gewoonlijk op pallets worden geplaatst, en essentiële onderdelen daarvan, zoals het chassis en de hydraulische onderdelen, uit de Volksrepubliek China (hierna „het betrokken product” genoemd), doorgaans ingedeeld onder de GN-codes ex 8427 90 00 en ex 8431 20 00 .

C.   BEVINDINGEN

(11)

Doel van dit nieuwe onderzoek was vast te stellen of sinds de instelling van de oorspronkelijke maatregelen a) de uitvoerprijzen al dan niet waren gedaald en b) de wederverkoopprijzen of latere verkoopprijzen van het betrokken product in de Gemeenschap niet of nauwelijks waren gewijzigd.

(12)

Overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening werden de importeurs/gebruikers en de exporteurs/producenten in de gelegenheid gesteld bewijsmateriaal te verstrekken waaruit zou blijken waarom, na de instelling van de maatregelen, de uitvoerprijzen waren gedaald en/of waarom de wederverkoopprijzen of latere verkoopprijzen in de Gemeenschap niet waren gewijzigd om andere redenen dan de absorptie van het antidumpingrecht.

1.   Daling van de uitvoerprijzen

(13)

In het nieuwe onderzoektijdvak is het betrokken product verkocht via verbonden partijen in de Gemeenschap en in China en rechtstreeks aan onafhankelijke importeurs en/of distributeurs in de Gemeenschap. Wijzigingen in de uitvoerprijzen werden beoordeeld door, per producttype en bij dezelfde leveringsvoorwaarden, de gewogen gemiddelde prijs in het nieuwe onderzoektijdvak met de prijs in het oorspronkelijke onderzoektijdvak te vergelijken.

(14)

Uit de vergelijking van de prijzen van beide medewerkende exporteurs/producenten in het nieuwe onderzoektijdvak met de prijzen in het oorspronkelijke onderzoektijdvak bleek dat de gemiddelde uitvoerprijs van het betrokken product niet was gedaald.

2.   Wijziging in de wederverkoopprijzen of latere verkoopprijzen in de Gemeenschap

(15)

De ontwikkeling van de wederverkoopprijzen in de Gemeenschap op het niveau van importeurs en/of distributeurs werd beoordeeld door voor soortgelijke producttypes de gemiddelde wederverkoopprijzen bij dezelfde leveringsvoorwaarden, inclusief het conventionele recht en het antidumpingrecht, in het oorspronkelijke onderzoektijdvak en in het nieuwe onderzoektijdvak met elkaar te vergelijken. Hierbij hebben vijf importeurs, die tijdens het nieuwe onderzoektijdvak een aanzienlijke hoeveelheid van het betrokken product in de Gemeenschap invoerden, meegewerkt en gegevens verstrekt.

(16)

Uit de vergelijking van hun wederverkoopprijzen voor deze producttypes bleek dat de prijsstijgingen het antidumpingrecht overtroffen. Het was dan ook niet noodzakelijk meer gedetailleerd onderzoek te verrichten naar een eventuele daling van de — tijdens het nieuwe onderzoektijdvak in ieder geval aanzienlijk gebleven — winstmarges van de medewerkende importeurs tijdens het nieuwe onderzoektijdvak ten opzichte van het oorspronkelijke tijdvak.

(17)

Voor de latere verkoopprijzen waren geen representatieve gegevens beschikbaar. Aangezien echter gebleken is dat de wederverkoopprijzen van de importeurs aan niet-verbonden afnemers sinds de instelling van de antidumpingmaatregelen voldoende zijn gewijzigd, was het niet onredelijk te concluderen dat latere verkoopprijzen van deze afnemers ook voldoende waren gewijzigd.

3.   Niet-medewerkende ondernemingen

(18)

Aangezien de omvang van de export naar de Gemeenschap van beide aan dit nieuwe onderzoek medewerkende exporteurs/producenten tijdens het nieuwe onderzoektijdvak meer dan 85 % van het betrokken product bedroeg, en er dus sprake was van grote medewerking, werden hun bevindingen voor het exportland in zijn geheel representatief geacht. Daarom werd geen gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens in de zin van artikel 18 van de basisverordening betreffende niet-medewerkende producenten.

4.   Conclusie

(19)

Uit dit nieuwe onderzoek werd geconcludeerd dat geen absorptie van het recht in de zin van artikel 12, lid 2, van de basisverordening kon worden vastgesteld voor de medewerkende exporteurs/producenten, omdat noch een daling van de uitvoerprijzen, noch een onvoldoende wijziging in de wederverkoopprijzen of latere verkoopprijzen voor het betrokken product werd geconstateerd.

(20)

Het recht voor de niet-medewerkende exporteurs/producenten dient om de in overweging (18) hierboven uiteengezette redenen ook ongewijzigd te blijven.

(21)

Bijgevolg dient het lopende nieuwe onderzoek in verband met de absorptie van het recht te worden beëindigd.

(22)

Belanghebbenden werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan werd overwogen dit nieuwe onderzoek te beëindigen en konden hierover opmerkingen maken. Er werden geen belangrijke opmerkingen ontvangen,

BESLUIT:

Enig artikel

Het nieuwe onderzoek op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad betreffende de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van handpallettrucks en essentiële delen daarvan uit de Volksrepubliek China, wordt beëindigd.

Gedaan te Brussel, 6 december 2006.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)   PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)   PB L 189 van 21.7.2005, blz. 1.

(3)   PB C 78 van 31.3.2006, blz. 24.