ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 143

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

48e jaargang
7 juni 2005


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

 

Verordening (EG) nr. 855/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

1

 

*

Verordening (EG) nr. 856/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 466/2001 wat betreft Fusarium-toxinen ( 1 )

3

 

*

Verordening (EG) nr. 857/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 622/2003 tot vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart ( 1 )

9

 

*

Verordening (EG) nr. 858/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende kaliumchloride uit Wit-Rusland of Rusland en tot registratie van de invoer van kaliumchloride uit Wit-Rusland en Rusland

11

 

 

Verordening (EG) nr. 859/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 tot vaststelling van de communautaire producentenprijzen en de communautaire invoerprijzen voor anjers en rozen in het kader van de toepassing van de regeling voor de invoer van bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Jordanië

16

 

*

Richtlijn 2005/38/EG van de Commissie van 6 juni 2005 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan Fusarium-toxinen in levensmiddelen ( 1 )

18

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Commissie

 

*

Besluit van de Commissie van 27 november 2002 betreffende de sluiting van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de regering van de Republiek Kazachstan inzake beheerste kernfusie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 4572)

27

Overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Regering van de Republiek Kazachstan op het gebied van beheerste kernfusie

28

 

*

Beschikking van de Commissie van 2 juni 2005 tot wijziging van aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de melk-, vis- en vleessector in Letland betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1609)  ( 1 )

34

 

*

Beschikking van de Commissie van 3 juni 2005 tot wijziging van aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de vlees-, melk- en visserijsector in Litouwen betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1633)  ( 1 )

38

 

*

Beschikking van de Commissie van 3 juni 2005 tot machtiging van Frankrijk om in plaats van de enquête naar de rundveestapel in mei gebruik te maken van de bij titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde regeling (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1626)  ( 1 )

45

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/1


VERORDENING (EG) Nr. 855/2005 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 7 juni 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 6 juni 2005 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

111,0

204

82,9

999

97,0

0707 00 05

052

92,9

999

92,9

0709 90 70

052

92,6

624

107,4

999

100,0

0805 50 10

388

61,2

508

50,9

528

56,8

624

65,6

999

58,6

0808 10 80

204

70,2

388

85,0

400

147,8

404

126,8

508

65,8

512

64,0

524

66,5

528

67,2

624

173,6

720

91,6

804

93,8

999

95,7

0809 10 00

052

232,4

999

232,4

0809 20 95

052

335,3

400

451,9

999

393,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 750/2005 van de Commissie (PB L 126 van 19.5.2005, blz. 12). De code „ 999 ” staat voor „andere oorsprong”.


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/3


VERORDENING (EG) Nr. 856/2005 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 466/2001 wat betreft Fusarium-toxinen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name op artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 466/2001 van de Commissie (2) stelt maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen vast.

(2)

Sommige lidstaten hebben maximumgehalten voor Fusarium-toxinen, zoals deoxynivalenol (DON), zearalenon (ZEA) en fumonisinen, in bepaalde levensmiddelen vastgesteld of zijn dat van plan. Gezien de verschillen tussen de in de lidstaten toegestane gehalten en de concurrentievervalsing die daarvan het gevolg kan zijn, moeten op communautair niveau maatregelen worden genomen om, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, de eenheid van de markt te waarborgen.

(3)

Allerlei Fusarium-schimmels, algemeen voorkomende bodemschimmels, produceren verscheidene mycotoxinen van de klasse trichothecenen, zoals deoxynivalenol (DON), nivalenol (NIV), T-2- en HT-2-toxine en een aantal andere toxinen (zearalenon en fumonisinen). Fusarium-schimmels worden algemeen aangetroffen op graangewassen in de gematigde klimaatzones in Amerika, Europa en Azië. Verscheidene van de toxineproducerende Fusarium-schimmels kunnen, in verschillende mate, twee of meer van deze toxinen produceren.

(4)

Het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding heeft de Fusarium-toxinen in een reeks adviezen geëvalueerd, namelijk deoxynivalenol (DON) in december 1999, zearalenon in juni 2000, fumonisinen in oktober 2000 (bijgewerkt in april 2003), nivalenol in oktober 2000, T-2- en HT-2-toxine in mei 2001 en een groepsevaluatie van de trichothecenen in februari 2002.

(5)

Het Wetenschappelijk Comité zag in de beschikbare gegevens geen reden om een groeps-TDI (toelaatbare dagelijkse inname) voor de geëvalueerde trichothecenen vast te stellen en heeft de volgende TDI’s vastgesteld:

—

een TDI van 1 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor deoxynivalenol (DON);

—

een voorlopige TDI (t-TDI) van 0,7 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor nivalenol;

—

een gecombineerde TDI van 0,06 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor T-2- en HT-2-toxine.

Voor de overige Fusarium-toxinen heeft het Wetenschappelijk Comité de volgende TDI’s vastgesteld:

—

een voorlopige TDI (t-TDI) van 0,2 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor zearalenon;

—

een TDI van 2 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor het totaal aan fumonisine B1, B2 en B3, alleen of in combinatie.

(6)

In het kader van Richtlijn 93/5/EEG van de Raad van 25 februari 1993 betreffende de bijstand aan de Commissie en de samenwerking van de lidstaten bij het wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen (3) is SCOOP-taak (wetenschappelijke samenwerking) 3.2.10 „Collection of occurrence data on Fusarium toxins in food and assessment of dietary intake by the population of EU member States” (4), uitgevoerd. Deze taak is in september 2003 afgerond.

Uit de resultaten van deze taak bleek dat Fusarium-mycotoxinen in de Gemeenschap op grote schaal verspreid zijn in de voedselketen. De voornaamste bronnen van inname van Fusarium-toxinen via de voeding zijn producten op basis van granen, in het bijzonder tarwe en maïs. De inname van Fusarium-toxinen via de voeding ligt bij de hele bevolking en bij volwassenen vaak onder de TDI’s voor de desbetreffende toxinen, maar ligt bij risicogroepen zoals zuigelingen en peuters dicht bij of in sommige gevallen zelfs boven de TDI’s.

(7)

Met name voor deoxynivalenol ligt de inname via de voeding bij peuters en adolescenten dicht bij de TDI. Voor T-2- en HT-2-toxinen overschreedt de geschatte dagelijkse inname in de meeste gevallen de t-TDI. Wel zij opgemerkt dat de meeste gegevens over het vóórkomen van T-2- en HT-2-toxinen zijn verkregen met analysemethoden met een hoge aantoonbaarheidsgrens en dat het aantal monsters boven de aantoonbaarheidsgrens minder dan 20 % bedroeg. De schatting van de inname via de voeding werd dus sterk beïnvloed door de aantoonbaarheidsgrens van de gebruikte analysemethoden. Voor nivalenol lag de inname steeds ver onder de t-TDI. Voor alle overige trichothecenen die in het kader van bovengenoemde SCOOP-taak werden onderzocht, zoals 3-acetyldeoxynivalenol, 15-acetyldeoxynivalenol, fusarenon-X, T2-triol, diacetoxyscirpenol, neosolaniol, monoacetoxyscirpenol en verrucol, was de inname via de voeding, voorzover er gegevens beschikbaar zijn, steeds laag.

(8)

Voor zearalenon ligt de gemiddelde dagelijkse inname aanzienlijk lager dan de TDI. Wel moet aandacht worden besteed aan bevolkingsgroepen die in het kader van de taak niet in kaart gebracht zijn en regelmatig veel producten consumeren die vaak met zearalenon besmet zijn, en aan voedsel bestemd voor kinderen, aangezien peuters weinig gevarieerd eten.

(9)

Voor fumonisinen ligt de geschatte inname via de voeding bij de meeste bevolkingsgroepen ver onder de TDI. De inname van fumonisinen via de voeding neemt sterk toe als alleen consumenten worden beschouwd. Toch ligt de inname via de voeding ook bij deze groep consumenten onder de TDI. Uit de resultaten van de controle op de oogst van 2003 blijkt wel dat maïs en maïsproducten zeer zwaar met fumonisinen besmet kunnen zijn. Er moeten dus maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dergelijke sterk besmette maïs en maïsproducten in de voedselketen terechtkomen.

(10)

Fusarium-soorten besmetten graangewassen vóór de oogst. Met betrekking tot Fusarium-besmetting en mycotoxinevorming zijn verscheidene risicofactoren in kaart gebracht. De weersomstandigheden tijdens de groei, en met name tijdens de bloei, hebben een grote invloed op het mycotoxinegehalte. Goede landbouwpraktijken, waarbij de risicofactoren tot een minimum worden teruggebracht, kunnen echter tot op zekere hoogte besmetting door Fusarium-schimmels voorkomen.

(11)

Voor de bescherming van de volksgezondheid is het belangrijk dat maximumgehalten voor onbewerkte granen worden vastgesteld, om te voorkomen dat sterk besmette granen in de voedselketen terechtkomen en om te bevorderen en erop toe te zien dat tijdens de veld-, oogst- en opslagfase van de productieketen alle nodige maatregelen worden genomen (door de toepassing van goede landbouw-, oogst- en opslagpraktijken). Het maximumgehalte voor onbewerkte granen moet worden toegepast op granen die voor een eerste bewerking in de handel worden gebracht, aangezien het geplande gebruik (voor voeding, diervoeder of industrieel gebruik) van de granen in deze fase bekend is. Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een eerste bewerking beschouwd voorzover er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend; pellen wordt daarentegen wel als een eerste bewerking beschouwd.

(12)

Bij de vaststelling van de maximumgehalten moet rekening worden gehouden met de huidige blootstelling van de mens in verhouding tot de toelaatbare inname van de desbetreffende toxine. De maximumgehalten moeten redelijkerwijs kunnen worden nageleefd door goede praktijken in alle productie- en distributiefasen. Een dergelijke aanpak zorgt ervoor dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven alle nodige maatregelen nemen om besmetting zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken met het oog op de volksgezondheid.

(13)

Voor maïs zijn nog niet alle factoren die bij de vorming van Fusarium-toxinen, en met name zearalenon en fumonisine B1 en B2, betrokken zijn, precies bekend. Daarom wordt exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de graanketen enige tijd gegund om te onderzoeken hoe deze mycotoxinen ontstaan en welke maatregelen moeten worden genomen om de aanwezigheid ervan zoveel mogelijk te voorkomen. Voorgesteld wordt om vanaf 2007 maximumgehalten op basis van de momenteel beschikbare gegevens over het vóórkomen toe te passen indien er vóór die datum geen specifieke maximumgehalten op basis van nieuwe gegevens over het vóórkomen en de vorming zijn vastgesteld.

(14)

Door reiniging en bewerking kan het Fusarium-gehalte in onbewerkte granen in uiteenlopende mate worden verminderd in bewerkte graanproducten. Aangezien de mate van vermindering varieert, moet een maximumgehalte voor graanproducten voor eindgebruikers worden vastgesteld om de consument te beschermen, en is uitvoerbare wetgeving nodig. Bij het vaststellen van maximumgehalten voor graanproducten voor eindgebruikers moet pragmatisch te werk worden gegaan. Voorts moet een maximumgehalte voor belangrijke, van granen afgeleide voedselingrediënten worden vastgesteld met het oog op een efficiënte handhaving en de bescherming van de volksgezondheid.

(15)

Aangezien in rijst slechts geringe besmetting met Fusarium-toxinen wordt aangetroffen, worden voor rijst en rijstproducten geen maximumgehalten voorgesteld.

(16)

Voor 3-acetyldeoxynivalenol, 15-acetyldeoxynivalenol en fumonisine B3 hoeven geen specifieke maatregelen te worden overwogen. Eventuele maatregelen tegen met name deoxynivalenol en fumonisine B1 en B2 zouden de bevolking namelijk ook beschermen tegen ontoelaatbare blootstelling aan 3-acetyldeoxynivalenol, 15-acetyldeoxynivalenol en fumonisine B3, aangezien deze stoffen samen voorkomen. Hetzelfde geldt voor nivalenol, dat in zekere mate samen met deoxynivalenol voorkomt. De blootstelling van de mens aan nivalenol wordt overigens aanzienlijk lager dan de t-TDI geschat.

(17)

Momenteel zijn weinig gegevens beschikbaar over de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine. Ook moet dringend een gevoelige analysemethode ontwikkeld en gevalideerd worden. Toch blijkt uit schattingen van de inname duidelijk dat de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine een probleem voor de volksgezondheid kan zijn. De ontwikkeling van een gevoelige methode, de verzameling van meer gegevens over het vóórkomen en meer onderzoek naar de factoren die van invloed zijn op de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine in graan en graanproducten, en met name in haver en haverproducten, zijn dan ook noodzakelijk en een hoge prioriteit.

(18)

Verordening (EG) nr. 466/2001 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(19)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 466/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 3, komt als volgt te luiden:

„3.   Onverminderd artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 3, is het verboden:

a)

producten die niet voldoen aan de in bijlage I vastgestelde maximumgehalten te gebruiken als ingrediënt bij de vervaardiging van samengestelde of andere levensmiddelen;

b)

producten die voldoen aan de maximumgehalten te mengen met producten die de in bijlage I vastgestelde maximumgehalten overschrijden;

c)

in geval van verontreinigingen vermeld in deel 2 (mycotoxinen) van bijlage I, opzettelijk verontreinigingen uit de producten te verwijderen door middel van chemische behandelingen.”.

2)

Aan artikel 5 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

„5.   De Commissie herziet uiterlijk op 1 juli 2008 de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 van deel 2 van bijlage I wat betreft de maximumgehalten voor deoxynivalenol, zearalenon en fumonisine B1 en B2 en teneinde een maximumgehalte voor T-2- en HT-2-toxine in granen en graanproducten vast te stellen.

Daartoe stellen de lidstaten en de belanghebbende partijen de Commissie elk jaar in kennis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, waaronder de gegevens over het vóórkomen, en de voortgang van de toepassing van preventieve maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door deoxynivalenol, zearalenon, T-2- en HT-2-toxine en fumonisine B1 en B2.”.

3)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2006. Deze verordening is niet van toepassing op producten die vóór 1 juli 2006 overeenkomstig de toepasselijke bepalingen in de handel zijn gebracht. De bewijslast betreffende het tijdstip waarop de producten in de handel zijn gebracht, ligt bij de exploitant van het desbetreffende levensmiddelenbedrijf.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)   PB L 77 van 16.3.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 208/2005 (PB L 34 van 8.2.2005, blz. 3).

(3)   PB L 52 van 4.3.1993, blz. 18. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(4)  Rapport beschikbaar op de website van de Commissie, DG Gezondheid en consumentenbescherming (http://europa.eu.int/comm/food/fs/scoop/task3210.pdf).


BIJLAGE

In deel 2 (mycotoxinen) van bijlage I worden de volgende punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 ingevoegd:

„Product (1)

Maximumgehalte

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.4.   

DEOXYNIVALENOL (DON)

2.4.1.

Onbewerkte granen (2), met uitzondering van harde tarwe, haver en maïs

1 250

Richtlijn 2005/38/EG (*1)

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.2.

Onbewerkte harde tarwe en haver

1 750

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.3.

Onbewerkte maïs

— (3)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.4.

Meel van granen, met inbegrip van maïsbloem, maïsgrutten en maïsmeel (4)

750

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.5.

Brood, gebak, koekjes, granensnacks en ontbijtgranen

500

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.6.

Deegwaren (droge)

750

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.7.

Bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van granen (5)

200

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG


Product (6)

Maximumgehalte

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.5.   

ZEARALENON

2.5.1.

Onbewerkte granen (7), met uitzondering van maïs

100

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.2.

Onbewerkte maïs

— (8)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.3.

Meel van granen, met uitzondering van maïsbloem

75

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.4.

Maïsbloem, maïsmeel, maïsgrutten en geraffineerde maïsolie (9)

— (8)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.5.

— Brood, gebak, koekjes

50

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

— Maïssnacks en ontbijtgranen op basis van maïs

— (8)

— Overige granensnacks en ontbijtgranen

50

2.5.6. —

Bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters op basis van maïs

— (8)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

—

Overige bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van granen (10)

20


Product

Maximumgehalte FB1 + FB2

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.6.   

FUMONISINEN (11)

2.6.1.

Onbewerkte maïs (12)

— (13)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.6.2.

Maïsgrutten, maïsmeel en maïsbloem (14)

— (13)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.6.3.

Voedingsmiddelen op basis van maïs voor rechtstreekse consumptie, met uitzondering van 2.6.2 en 2.6.4

— (13)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.6.4.

Bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van maïs (15)

— (13)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG


Product (17)

Maximumgehalte

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.7.   

EN HT-2-TOXINE (16)

2.7.1.

Onbewerkte granen (18) en graanproducten

— (19)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG


(*1)  Zie bladzijde 18 van dit Publicatieblad.

(1)  Uitsluitend voor de toepassing van de maximumgehalten aan deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 omvatten „granen” geen rijst en omvatten „graanproducten” geen rijstproducten.

(2)  De maximumgehalten voor „onbewerkte granen” zijn van toepassing op granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht. De maximumgehalten zijn echter wel van toepassing op granen die vanaf het verkoopseizoen 2005-2006 worden geoogst en overgenomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie van 19 april 2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus, en tot vaststelling van de analysemethoden voor de bepaling van de kwaliteit (PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan.

Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(3)  Indien vóór 1 juli 2007 geen specifiek gehalte is vastgesteld, is vanaf die datum het gehalte van 1 750 μg/kg van toepassing op in dit punt vermelde maïs.

(4)  Deze categorie omvat ook soortgelijke producten met een andere naam, bijvoorbeeld griesmeel.

(5)  Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 96/5/EG van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

Het maximumgehalte voor bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding heeft betrekking op de droge stof.

(6)  Uitsluitend voor de toepassing van de maximumgehalten aan deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 omvatten „granen” geen rijst en omvatten „graanproducten” geen rijstproducten.

(7)  De maximumgehalten voor „onbewerkte granen” zijn van toepassing op granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht. De maximumgehalten zijn echter wel van toepassing op granen die vanaf het verkoopseizoen 2005-2006 worden geoogst en overgenomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie van 19 april 2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus, en tot vaststelling van de analysemethoden voor de bepaling van de kwaliteit (PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan.

Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(8)  Indien vóór 1 juli 2007 geen specifiek gehalte is vastgesteld is het gehalte van

—

200 μg/kg vanaf die datum van toepassing op onbewerkte maïs;

—

200 μg/kg vanaf die datum van toepassing op maïsbloem, maïsmeel, maïsgrutten en geraffineerde maïsolie;

—

50 μg/kg vanaf die datum van toepassing op maïssnacks en ontbijtgranen op basis van maïs;

—

20 μg/kg vanaf die datum van toepassing op bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters op basis van maïs.

(9)  Deze categorie omvat ook soortgelijke producten met een andere naam, bijvoorbeeld griesmeel.

(10)  Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 96/5/EG van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

Het maximumgehalte voor bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding heeft betrekking op de droge stof.

(11)  Het maximumgehalte is van toepassing op de som van fumonisine B1 (FB1) en fumonisine B2 (FB2).

(12)  Het maximumgehalte voor „onbewerkte maïs” is van toepassing op maïs die voor eerste bewerking in de handel wordt gebracht. De maximumgehalten zijn echter wel van toepassing op maïs die vanaf het verkoopseizoen 2006-2007 wordt geoogst en overgenomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie van 19 april 2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus, en tot vaststelling van de analysemethoden voor de bepaling van de kwaliteit (PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan.

Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(13)  Indien vóór 1 oktober 2007 geen specifiek gehalte is vastgesteld is het gehalte van

—

2 000 μg/kg vanaf die datum van toepassing op onbewerkte maïs;

—

1 000 μg/kg vanaf die datum van toepassing op maïsbloem, maïsmeel, maïsgrutten en maïsgriesmeel;

—

400 μg/kg vanaf die datum van toepassing op voedingsmiddelen op basis van maïs voor rechtstreekse consumptie;

—

200 μg/kg vanaf die datum van toepassing op bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van maïs.

(14)  Deze categorie omvat ook soortgelijke producten met een andere naam, bijvoorbeeld griesmeel.

(15)  Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 96/5/EG van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

Het maximumgehalte voor bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding heeft betrekking op de droge stof.

(16)  Het maximumgehalte betreft de som van T-2- en HT-2-toxine.

(17)  Uitsluitend voor de toepassing van de maximumgehalten aan deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 omvatten „granen” geen rijst en omvatten „graanproducten” geen rijstproducten.

(18)  De maximumgehalten voor „onbewerkte granen” zijn van toepassing op granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht.

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan. Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(19)  Zo nodig zal vóór 1 juli 2007 een maximumgehalte worden vastgesteld.

Momenteel zijn weinig gegevens beschikbaar over de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine. Toch blijkt uit schattingen van de inname duidelijk dat de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine een probleem voor de volksgezondheid kan zijn. De ontwikkeling van een gevoelige methode, de verzameling van meer gegevens over het vóórkomen en meer onderzoek naar de factoren die van invloed zijn op de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine in graan en graanproducten, en met name in haver en haverproducten, zijn dan ook noodzakelijk en een hoge prioriteit.”


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/9


VERORDENING (EG) Nr. 857/2005 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 622/2003 tot vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (1), en met name op artikel 4, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 2320/2002 dient de Commissie maatregelen vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart in de gehele Europese Unie. Verordening (EG) nr. 622/2003 van de Commissie van 4 april 2003 tot vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart (2) was het eerste besluit dat dergelijke maatregelen bevatte.

(2)

Er is behoefte aan maatregelen om de gemeenschappelijke basisnormen nader te preciseren.

(3)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2320/2002 en teneinde illegale acties te voorkomen, dienen de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 622/2003 vermelde maatregelen geheim te zijn en mogen zij niet worden gepubliceerd. Dezelfde regel is uiteraard ook van toepassing voor besluiten tot wijziging daarvan.

(4)

Verordening (EG) nr. 622/2003 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 622/2003 wordt gewijzigd zoals uiteengezet in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3 van die verordening is van toepassing met betrekking tot de vertrouwelijke aard van de bijlage.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vice-voorzitter


(1)   PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 849/2004 (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 1).

(2)   PB L 89 van 5.4.2003, blz. 9. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 68/2004 (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 14).


BIJLAGE

Overeenkomstig artikel 1 is de bijlage geheim en wordt deze niet gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/11


VERORDENING (EG) Nr. 858/2005 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende kaliumchloride uit Wit-Rusland of Rusland en tot registratie van de invoer van kaliumchloride uit Wit-Rusland en Rusland

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende bescherming tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name op artikel 8, artikel 21 en artikel 22 onder c),

Gelet op Verordening (EG) nr. 992/2004 van de Raad van 17 mei 2004 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3068/92 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland (2),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1002/2004 van de Commissie van 18 mei 2004 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende kaliumchloride uit Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland en tot registratie van de invoer van kaliumchloride uit Oekraïne, Rusland en Wit-Rusland (3),

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

Bij Verordening (EEG) nr. 3068/92 van de Raad (4) werd een definitief antidumpingrecht ingesteld (de maatregelen) op de invoer van kaliumchloride van oorsprong uit Wit-Rusland en de Russische Federatie (Rusland) en Oekraïne. Bij Verordening (EG) nr. 969/2000 (5) wijzigde de Raad Verordening (EEG) nr. 3068/92.

(2)

In maart opende de Commissie op eigen initiatief, door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (6), een eventuele tussentijdse herziening van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van kaliumchloride uit Wit-Rusland en Rusland om na te gaan of deze gewijzigd zouden moeten worden om rekening te houden met de uitbreiding op 1 mei 2004 van de Europese Unie tot 25 lidstaten (uitbreiding).

(3)

Tijdens deze herzieningsprocedure bleek dat het in het belang van de Europese Unie was om de maatregelen tijdelijk aan te passen om te voorkomen dat importeurs en verwerkende bedrijven in de tien nieuwe lidstaten (EU10) direct na de uitbreiding van de EU plotseling buitengewoon nadelige gevolgen zouden ondervinden.

(4)

Bij Verordening (EG) nr. 992/2004 heeft de Raad de Commissie gemachtigd aangeboden verbintenissen te aanvaarden die voldoen aan de voorwaarden in de overwegingen 27 tot en met 32. Op grond hiervan, en overeenkomstig artikel 8, artikel 11, lid 3, artikel 21 en artikel 22 onder c), van de basisverordening, heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 1002/2004 de verbintenissen aanvaard (bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding) van i) een producent/exporteur in Wit-Rusland gezamenlijk met ondernemingen in Oostenrijk, Litouwen en Rusland, ii) van een producent/exporteur in Rusland gezamenlijk met ondernemingen in Rusland en Oostenrijk en iii) van een producent/exporteur in Rusland gezamenlijk met een onderneming die op het moment waarop de verbintenis werd aanvaard in Cyprus was gevestigd.

(5)

Om vrijstelling van de bij Verordening (EEG) nr. 3068/92 ingestelde antidumpingrechten op de invoer in de EU10 in het kader van de bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding mogelijk te maken door aanvaarding van een verbintenis, werd Verordening (EEG) nr. 3068/92 gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 992/2004.

(6)

In april 2004 heeft de Commissie met twee berichten in het Publicatieblad van de Europese Unie (7), overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening op verzoek van de twee Russische producenten/exporteurs met bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding, een gedeeltelijke tussentijdse herziening ingeleid van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de twee ondernemingen in kwestie (gedeeltelijke tussentijdse herzieningen voor Rusland).

(7)

In april 2005 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (8), overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening op verzoek van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor kaliumchloride een nieuw onderzoek geopend in verband met het naderend vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op Rusland (nieuw onderzoek in verband met het naderend vervallen van de maatregelen voor Rusland) en op Wit-Rusland (nieuw onderzoek in verband met het naderend vervallen van de maatregelen voor Wit-Rusland).

(8)

Tegelijkertijd heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (9), overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, op verzoek van de producent/exporteur in Wit-Rusland een nieuw onderzoek geopend van de antidumpingmaatregelen die op hem van toepassing zijn (gedeeltelijke tussentijdse herziening voor Wit-Rusland).

(9)

De betrokken ondernemingen hebben nieuwe bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding aangeboden voor een verdere voorlopige periode.

B.   DUUR VAN DE MAATREGELEN

(10)

Het aanvaarden van de verbintenissen in kwestie was een uitzonderlijke maatregel op grond van artikel 22, onder c), van de basisverordening omdat de vastgestelde minimuminvoerprijzen (MIP’s) die de betrokken ondernemingen in acht moesten nemen, niet volledig gelijkstaan aan het antidumpingrecht.

(11)

De MIP’s waren in dit geval hoger vastgesteld dan eerdere invoerprijzen van de betrokken landen, doch lagen onder de prijzen die de schadelijke gevolgen van dumping volledig te niet zouden doen, zoals gewoonlijk het geval zou zijn. Het was de bedoeling dat deze MIP’s, gedurende een overgangsperiode, zouden helpen om de economische gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor importeurs en met name de verwerkende bedrijven in de EU10 tijdens de periode volgend op de uitbreiding te verzachten.

(12)

In overweging 14 van Verordening (EG) nr. 1002/2004 werd vastgesteld dat het aanvaarden van bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding beperkt zou worden tot een aanvankelijke periode van 12 maanden onverminderd de normale duur van de bestaande maatregelen. Dit betekent dat nieuwe verbintenissen, met dezelfde bepalingen, kunnen worden aanvaard indien de omstandigheden dit rechtvaardigen (bv. indien de omstandigheden ten tijde van het aanvaarden van de oorspronkelijke verbintenissen nog bestaan), mits rekening wordt gehouden met de overgangsaard van deze uitzonderlijke maatregelen. Wanneer wordt onderzocht of nieuwe verbintenissen nodig zijn, dient dan ook te worden nagegaan of deze maatregelen doeltreffend zijn.

C.   BEOORDELING

(13)

Bij analyse van de maandelijkse verslagen die de betrokken ondernemingen de Commissie hebben toegezonden en vergelijking met officiële statistische gegevens bleek dat er nog steeds een duidelijk verschil is tussen de prijzen van ondernemingen met bijzondere verbintenissen in verband met het betrokken product in de EU10 en de prijzen die gelden in de EU15, hoewel dit verschil minder groot is geworden.

(14)

Een aantal belanghebbenden verklaarde dat er op de EU10 markt een aanbodtekort was en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap onvoldoende produceerde om nieuwe verwerkende bedrijven in de EU10, die voor de uitbreiding het betrokken product gewoonlijk uit Wit-Rusland of Rusland betrokken, kaliumchloride te kunnen leveren.

(15)

Verwacht wordt echter dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, gezien de complexe logistieke veranderingen en de veranderingen in het verkoopnetwerk in verband met de verkoop aan EU10, een periode van aanpassing nodig zou hebben, om een in feite voor hen nieuwe markt, kaliumchloride te kunnen leveren. De Commissie stelde echter vast dat de uitvoer van kaliumchloride binnen de Gemeenschap van de grootste producent in de EU15 aan afnemers in de EU10 tussen 2003 en 2004 meer dan verdubbeld was, hoewel het uitgangspunt vrij laag was. Dit zou erop duiden dat de leveringsstructuur in de EU25 zich gedeeltelijk begint aan te passen.

(16)

Bij controlebezoeken waar werd nagegaan of de bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding worden nageleefd, bleek dat de betrokken ondernemingen de MIP’s in acht hadden genomen en dat de naar de EU10 uitgevoerde hoeveelheden de in de verbintenissen vastgestelde kwantitatieve maxima niet hadden overschreden. Voorts bleek dat de ondernemingen hun traditionele handelspatronen met individuele afnemers in de EU10 over het algemeen trouw bleven.

(17)

Uit de beschikbare informatie bleek voorts dat de invoer van het betrokken product die was bestemd voor de 10 nieuwe lidstaten en die in het kader van de verbintenissen in aanmerking kwam voor vrijstelling van het antidiumpingrecht niet terecht was gekomen in de 15 oude lidstaten.

D.   CONCLUSIE

1.   Algemeen

(18)

Volgens de beschikbare informatie zouden een aantal ongunstige omstandigheden die vóór de uitbreiding bestonden en die de verbintenissen noodzakelijk maakten nog steeds voortduren.

(19)

Hoewel zich een aantal veranderingen heeft voorgedaan in de aanvoerketen waarbij de bedrijfstak van de Gemeenschap meer kaliumchloride is gaan leveren aan de EU10, bleek uit informatie van de verschillende betrokken partijen dat zich bij het betrokken product moeilijkheden zouden kunnen voordoen bij leveringen op korte termijn in de EU10, ondanks het feit dat de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in die landen een stijgende lijn begint te vertonen.

(20)

De planning bij de levering aan verwerkende bedrijven van kaliumchloride in de EU10 wordt overigens in hoge mate bemoeilijkt door i) het feit dat er onzekerheid was op de markt over de vraag of de huidige antidumpingmaatregelen in mei 2005 zouden komen te vervallen na de periode van 5 jaar waarin deze maatregelen van toepassing waren, en ii) het feit dat de resultaten van de twee gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken voor Rusland die in april 2004 door de Commissie waren geopend nog niet bekend waren.

(21)

Er dient dan ook met name rekening te worden gehouden met het belang van de Gemeenschap en de wensen en bezwaren van de vele importeurs en eindgebruikers van kaliumchloride in de EU10. De bescherming die de huidige antidumpingmaatregelen momenteel bieden, zou kunnen betekenen dat zowel importeurs als eindgebruikers nog steeds enige financiële problemen kunnen ondervinden indien deze antidumpingrechten nu al zouden worden toegepast.

(22)

Het is derhalve gerechtvaardigd de bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding die door de betrokken ondernemingen voor een verdere periode worden aangeboden, te aanvaarden omdat zij niet alleen de economische gevolgen voor de verwerkende bedrijven in de EU10 afzwakken, maar ook een oplossing vormen voor de problemen die zich voordoen bij de levering op korte termijn in de EU10.

(23)

Wat de lengte betreft van een verlenging van de bijzondere verbintenis in verband met de uitbreiding kan worden vermeld dat op 13 april een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen voor Wit-Rusland en Rusland alsmede een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek voor Wit-Rusland werden geopend. Omdat een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen over het algemeen binnen 12 maanden wordt afgesloten, kunnen de nieuwe bijzondere verbintenissen worden aanvaard tot 13 april 2006.

(24)

Omdat ook de hoogte van de antidumpingmaatregelen voor Wit-Rusland en Rusland opnieuw wordt onderzocht wordt het passend geacht de hoogte van de MIP’s niet te wijzigen in afwachting van de resultaten van deze nieuwe onderzoeken.

(25)

De hoogte van de kwantitatieve maxima die moeten worden vastgesteld, moet overeenstemmen met de kwantitatieve maxima voor de aanvankelijke periode van twaalf maanden.

(26)

Elke individuele producent/exporteur is, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 992/2004, verplicht op grond van de verbintenissen MIP’s in acht te nemen in het kader van importvolumes (maxima). Om toezicht mogelijk te maken op deze verbintenissen hebben de producenten/exporteurs in kwestie er bovendien mee ingestemd niet teveel af te wijken van hun traditionele verkooppatronen aan individuele afnemers in de EU10. Zij zijn zich er ook van bewust dat indien hun verkooppatronen ingrijpende wijzigingen ondergaan, of indien het moeilijk of onmogelijk wordt toezicht te houden op deze verbintenissen, de Commissie het recht heeft de verbintenis van een onderneming in te trekken hetgeen betekent dat definitieve antidumpingrechten worden toegepast. De Commissie kan in dat geval ook de hoogte van de maxima aanpassen of andere corrigerende maatregelen nemen.

(27)

De verbintenissen omvatten ook de voorwaarde dat wanneer zij op enigerlei wijze worden geschonden, de Commissie het recht heeft de aanvaarding ervan in te trekken, wat tot gevolg heeft dat definitieve antidumpingrechten worden geheven.

(28)

Voorts verbinden de betrokken ondernemingen zich ertoe de Commissie op gezette tijden bijzonderheden betreffende hun uitvoer naar de Gemeenschap te verstrekken, teneinde de Commissie in staat te stellen op doeltreffende wijze toezicht te houden op de naleving van de aangegane verbintenissen.

(29)

Om de Commissie in staat te stellen doeltreffend toezicht te houden op de naleving van de verbintenissen door de betrokken ondernemingen, wordt bij de indiening van het verzoek tot het in het vrije verkeer brengen bij de bevoegde douane-instanties, de vrijstelling van het compenserend recht afhankelijk gesteld van de overlegging van een factuur die ten minste de gegevens bevat die in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 992/2004 zijn vermeld. Aan de hand van deze gegevens kunnen de douaneautoriteiten controleren of de aangeboden goederen met de handelsdocumenten overeenstemmen. Bij het ontbreken van een dergelijke factuur of indien de daarop vermelde gegevens niet overeenstemmen met de bij de douane aangeboden goederen moet het toepasselijke antidumpingrecht worden betaald.

2.   Bekendmaking aan belanghebbenden

(30)

Alle belanghebbenden die zich eerder gemeld hadden, zijn op de hoogte gesteld van het voornemen om verbintenissen voor een verdere periode te aanvaarden. De Commissie ontving echter geen opmerkingen die voor haar aanleiding waren om haar standpunt te wijzigen.

E.   REGISTRATIE VAN DE INVOER

(31)

Hoewel de ondernemingen in kwestie de voorwaarden van de oorspronkelijke verbintenissen tijdens de aanvankelijke periode waarin deze van toepassing waren in acht hebben genomen, is de Commissie van oordeel dat nog steeds het risico bestaat dat de verbintenissen kunnen worden geschonden, met name tegen het einde van de periode waarin deze bijzondere maatregelen van toepassing zijn.

(32)

Het wordt derhalve passend geacht dat de douaneautoriteiten de invoer registreren in de Gemeenschap van het betrokken product uit Wit-Rusland en Rusland dat wordt uitgevoerd door de ondernemingen waarvan nieuwe bijzondere verbintenissen in verband met de uitbreiding zijn aanvaard en waarvoor vrijstelling wordt gevraagd van de antidumpingrechten die zijn ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 3068/92, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 992/2004, voor een periode van ten hoogste negen maanden in overeenstemming met artikel 14, lid 5, van de basisverordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De door onderstaande producenten/exporteurs aangeboden verbintenissen in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van kaliumchloride uit Wit-Rusland en Rusland worden hierbij aanvaard:

Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Wit-Rusland

Geproduceerd en verkocht door Republican Unitary Enterprise Production Amalgamation Belaruskali, Soligorsk, Wit-Rusland, of geproduceerd door Republican Unitary Enterprise Production Amalgamation Belaruskali, Soligorsk, Belarus en verkocht door Belarus Potash Company, Minsk, Wit-Rusland, of JSC International Potash Company, Moskou, Rusland, of Belurs Handelsgesellschaft m.b.H, Wenen, Oostenrijk, of UAB Baltkalis, Vilnius, Litouwen, aan de als importeur optredende eerste onafhankelijke afnemer in de Europese Unie

A518

Rusland

Geproduceerd door JSC Silvinit, Solikamsk, Rusland en verkocht door JSC International Potash Company, Moskou, Rusland, of Belurs Handelsgesellschaft mbH, Wenen, Oostenrijk aan de als importeur optredende eerste onafhankelijke afnemer in de EU

A519

Rusland

Geproduceerd en verkocht door JSC Uralkali, Berezniki, Rusland of geproduceerd door JSC Uralkali, Berezniki, Rusland en verkocht door Uralkali Trading SA, Genève, Zwitserland aan de als importeur optredende eerste onafhankelijke importeur in de EU

A520

Artikel 2

Op grond van artikel 14, lid 5, van de basisverordening wordt de douaneautoriteiten opdracht gegeven passende maatregelen te nemen om de invoer in de Gemeenschap te registreren, van kaliumchloride dat momenteel onder GN-codes 3104 20 10 (Taric-codes 3104 20 10 10 en 3104 20 10 90), 3104 20 50 (Taric-codes 3104 20 50 10 en 3104 20 50 90), 3104 20 90 , ex 3105 20 10 (Taric-codes 3105 20 10 10 en 3105 20 10 20), ex 3105 20 90 (Taric-codes 3105 20 90 10 en 3105 20 90 20), ex 3105 60 90 (Taric-codes 3105 60 90 10 en 3105 60 90 20), ex 3105 90 91 (Taric-codes 3105 90 91 10 en 3105 90 91 20), ex 3105 90 99 (Taric-codes 3105 90 99 10 en 3105 90 99 20) valt, van oorsprong uit Wit-Rusland of Rusland, dat geproduceerd en verkocht of geproduceerd en uitgevoerd wordt door de in artikel 1 vermelde ondernemingen waarvoor een vrijstelling is gevraagd van de antidumpingrechten die zijn ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 3068/92, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 992/2004.

Registratie zal eindigen negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en blijft van toepassing tot 13 april 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)   PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)   PB L 182 van 19.5.2004, blz. 23.

(3)   PB L 183 van 20.5.2004, blz. 16. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 588/2005 (PB L 98 van 16.4.2005, blz. 11).

(4)   PB L 308 van 24.10.1992, blz. 41.

(5)   PB L 112 van 11.5.2000, blz. 4. Verordening (EG) nr. 969/2000 gerectificeerd in PB L 2 van 5.1.2001, blz. 42.

(6)   PB C 70 van 20.3.2004, blz. 15.

(7)   PB C 93 van 17.4.2004, blz. 2 en blz. 3.

(8)   PB C 89 van 13.4.2005, blz. 3.

(9)   PB C 89 van 13.4.2005, blz. 7.


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/16


VERORDENING (EG) Nr. 859/2005 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

tot vaststelling van de communautaire producentenprijzen en de communautaire invoerprijzen voor anjers en rozen in het kader van de toepassing van de regeling voor de invoer van bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Jordanië

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 4088/87 van de Raad van 21 december 1987 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toepassing van preferentiële douanerechten bij invoer van bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Cyprus, Israël, Jordanië, Marokko alsmede de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook (1), en met name op artikel 5, lid 2, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 2, lid 2, en artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 4088/87 is bepaald dat voor eenbloemige anjers (standaard), veelbloemige anjers (tros), grootbloemige rozen en kleinbloemige rozen om de twee weken communautaire invoerprijzen en communautaire producentenprijzen worden vastgesteld die telkens voor twee weken gelden. Overeenkomstig artikel 1 ter van Verordening (EEG) nr. 700/88 van de Commissie van 17 maart 1988 houdende een aantal uitvoeringsbepalingen van de regeling inzake de invoer in de Gemeenschap van bepaalde producten van de bloementeelt van oorsprong uit Cyprus, Israël, Jordanië en Marokko alsmede de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook (2) worden deze prijzen vastgesteld voor perioden van twee weken op basis van de door de lidstaten verstrekte gewogen gegevens.

(2)

De bovengenoemde prijzen dienen onverwijld te worden vastgesteld opdat de toe te passen douanerechten kunnen worden bepaald.

(3)

Als gevolg van de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie per 1 mei 2004 hoeft voor dat land niet langer een invoerprijs te worden vastgesteld.

(4)

Voor Israël, Marokko en de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook hoeft evenmin nog een invoerprijs te worden vastgesteld in verband met de overeenkomsten die zijn goedgekeurd bij Besluit 2003/917/EG van de Raad van 22 december 2003 inzake de sluiting van een Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Staat Israël betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de vervanging van de Protocollen nrs. 1 en 2 bij de Associatieovereenkomst EG-Israël (3), Besluit 2003/914/EG van de Raad van 22 december 2003 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de vervanging van de Protocollen nr. 1 en nr. 3 bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en het Koninkrijk Marokko (4) en Besluit 2005/4/EG van de Raad van 22 december 2004 inzake de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de vervanging van de Protocollen nrs. 1 en 2 bij de interim associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Palestijnse Autoriteit (5).

(5)

In de perioden tussen de vergaderingen van het Comité van beheer voor levende planten en producten van de bloementeelt moet de Commissie deze maatregelen vaststellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De communautaire producentenprijzen en de communautaire invoerprijzen voor de in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 4088/87 bedoelde eenbloemige anjers (standaard), veelbloemige anjers (tros), grootbloemige rozen en kleinbloemige rozen worden in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgesteld voor de periode van 8 tot en met 21 juni 2005.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 382 van 31.12.1987, blz. 22. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1300/97 (PB L 177 van 5.7.1997, blz. 1).

(2)   PB L 72 van 18.3.1988, blz. 16. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2062/97 (PB L 289 van 22.10.1997, blz. 1).

(3)   PB L 346 van 31.12.2003, blz. 65.

(4)   PB L 345 van 31.12.2003, blz. 117.

(5)   PB L 2 van 5.1.2005, blz. 4.


BIJLAGE

(EUR/100 stuks)

Periode: van 8 tot en met 21 juni 2005

Communautaire producentenprijzen

Eenbloemige anjers

(standaard)

Veelbloemige anjers

(tros)

Grootbloemige rozen

Kleinbloemige rozen

 

15,16

11,23

29,32

13,14

Communautaire invoerprijzen

Eenbloemige anjers

(standaard)

Veelbloemige anjers

(tros)

Grootbloemige rozen

Kleinbloemige rozen

Jordanië

—

—

—

—


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/18


RICHTLIJN 2005/38/EG VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan Fusarium-toxinen in levensmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 85/591/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de invoering van communautaire bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de controle van voor menselijke voeding bestemde levensmiddelen (1), en met name op artikel 1, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 466/2001 van de Commissie van 8 maart 2001 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (2) zijn maximumgehalten voor bepaalde Fusarium-toxinen in bepaalde levensmiddelen vastgesteld.

(2)

Bij Richtlijn 89/397/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de officiële controle op levensmiddelen (3) zijn de algemene beginselen voor de uitoefening van de controle op levensmiddelen vastgesteld. Bij Richtlijn 93/99/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende aanvullende maatregelen inzake de officiële controle op levensmiddelen (4) is een regeling ingesteld betreffende kwaliteitsnormen voor laboratoria die in opdracht van de lidstaten officiële controles op levensmiddelen verrichten.

(3)

Bemonstering is zeer belangrijk om het gehalte aan Fusarium-toxinen, die meestal zeer ongelijkmatig over de partij verdeeld zijn, op betrouwbare wijze te kunnen bepalen.

(4)

Er moeten algemene criteria voor de analysemethoden worden vastgesteld om te garanderen dat de controlelaboratoria analysemethoden van een vergelijkbaar niveau gebruiken.

(5)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten zien erop toe dat de bemonstering voor de officiële controle op de gehalten aan Fusarium-toxinen (deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine) in levensmiddelen wordt uitgevoerd overeenkomstig de methoden in bijlage I.

Artikel 2

De lidstaten zien erop toe dat de bereiding van de monsters en de analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan Fusarium-toxinen (deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine) in levensmiddelen voldoen aan de criteria in bijlage II.

Artikel 3

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 372 van 31.12.1985, blz. 50. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)   PB L 77 van 16.3.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 856/2005 (zie bladzijde 3 van dit Publicatieblad)

(3)   PB L 186 van 30.6.1989, blz. 23.

(4)   PB L 290 van 24.11.1993, blz. 14. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.


BIJLAGE I

BEMONSTERINGSWIJZEN VOOR DE OFFICIËLE CONTROLE OP DE GEHALTEN AAN FUSARIUM-TOXINEN IN BEPAALDE LEVENSMIDDELEN

1.   Doel en toepassingsgebied

De monsters voor de officiële controle op de gehalten aan Fusarium-toxinen in levensmiddelen worden genomen overeenkomstig de onderstaande methoden. De op die manier verkregen verzamelmonsters worden geacht representatief te zijn voor de partijen. Op basis van de gehalten die in de laboratoriummonsters worden geconstateerd, wordt bepaald of de partijen voldoen aan de in bijlage I van Verordening (EG) nr. 466/2001 vastgestelde maximumgehalten.

2.   Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

2.1.   Partij: een identificeerbare, in één keer geleverde hoeveelheid van een bepaald levensmiddel waarvan de ambtenaar gemeenschappelijke kenmerken, zoals oorsprong, soort, verpakkingstype, verpakker, verzender of merktekens, heeft geconstateerd.

2.2.   Subpartij: deel van een grote partij dat voor bemonsteringsdoeleinden van die partij is afgescheiden. Elke subpartij moet fysiek van de hoofdpartij gescheiden zijn en moet kunnen worden geïdentificeerd.

2.3.   Basismonster: hoeveelheid materiaal die op één plaats uit de partij of de subpartij is genomen.

2.4.   Verzamelmonster: het totaal van alle uit de partij of de subpartij genomen basismonsters.

3.   Algemene bepalingen

3.1.   Personeel

De monsters worden genomen door een door de lidstaat aangewezen gemachtigde.

3.2.   Te bemonsteren materiaal

Elke partij die moet worden geanalyseerd, wordt afzonderlijk bemonsterd. Overeenkomstig punt 4.3. worden grote partijen verdeeld in subpartijen, die afzonderlijk worden bemonsterd.

3.3.   Voorzorgsmaatregelen

Bij de bemonstering en de bereiding van de monsters wordt voorkomen dat zich veranderingen voordoen waardoor het gehalte aan Fusarium-toxinen kan veranderen of de analyses of de representativiteit van het verzamelmonster kunnen worden beïnvloed.

3.4.   Basismonsters

De basismonsters worden zoveel mogelijk op verschillende plaatsen uit de partij of de subpartij genomen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dit in het verslag vermeld.

3.5.   Bereiding van het verzamelmonster

Het verzamelmonster wordt verkregen door de basismonsters door elkaar te mengen.

3.6.   Bereiding van identieke monsters

Van het gehomogeniseerde verzamelmonster worden identieke monsters voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden genomen, mits deze procedure met de regelgeving van de lidstaat in overeenstemming is.

3.7.   Verpakking en verzending van de monsters

Elk monster wordt in een schone recipiënt van inert materiaal geplaatst die voldoende bescherming biedt tegen verontreiniging en beschadiging tijdens het vervoer. Voorts worden de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om verandering in de samenstelling van het monster tijdens vervoer of opslag te voorkomen.

3.8.   Verzegeling en etikettering van de monsters

Elk officieel monster wordt op de plaats van bemonstering verzegeld en geïdentificeerd volgens de in de lidstaat geldende voorschriften.

Van elke bemonstering wordt een bemonsteringsverslag opgesteld aan de hand waarvan de bemonsterde partij ondubbelzinnig kan worden geïdentificeerd; hierin worden bemonsteringsdatum en -plaats en alle andere voor de analist nuttige gegevens vermeld.

4.   Specifieke bepalingen

4.1.   Verschillende soorten partijen

Levensmiddelen kunnen in de handel worden gebracht in bulk, in containers of in afzonderlijke verpakkingen, bijvoorbeeld balen, zakken, detailverpakkingen enz. Levensmiddelen mogen in ongeacht welke verpakkingsvorm worden bemonsterd.

Onverminderd de specifieke bepalingen in de punten 4.3, 4.4 en 4.5 mag voor de bemonstering van partijen die in afzonderlijke verpakkingen (balen, zakken, detailverpakkingen, enz.) worden verkocht, de onderstaande formule worden gehanteerd:

Formula

—

waarbij het gewicht in kg wordt uitgedrukt;

—

waarbij de bemonsteringsfrequentie (BF) elke n-de afzonderlijke verpakking aangeeft waaruit een basismonster moet worden genomen (cijfers achter de komma worden afgerond tot op het dichtstbijgelegen gehele getal).

4.2.   Gewicht van het basismonster

Het basismonster weegt ongeveer 100 g, tenzij anders bepaald in deze bijlage. Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

4.3.   Algemeen overzicht van de bemonsteringsprocedure voor granen en graanproducten

Tabel 1

Verdeling van partijen in subpartijen naar gelang van het product en het gewicht van de partij

Product

Gewicht van de partij

(in t)

Gewicht van de subpartijen of aantal subpartijen

Aantal basismonsters

Gewicht van het verzamelmonster

(in kg)

Granen en graanproducten

≥ 1 500

500 t

100

10

> 300 en < 1 500

3 subpartijen

100

10

≥ 50 en ≤ 300

100 t

100

10

< 50

—

3-100 (*1)

1-10

4.4.   Bemonsteringsprocedure voor granen en graanproducten bij partijen ≥ 50 t

—

Als de subpartijen fysiek van elkaar kunnen worden gescheiden, wordt elke partij in subpartijen verdeeld overeenkomstig tabel 1. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het aangegeven gewicht met ten hoogste 20 % overschrijden.

—

Elke subpartij wordt afzonderlijk bemonsterd.

—

Aantal basismonsters: 100. Gewicht van het verzamelmonster = 10 kg.

—

Als de in dit punt beschreven bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder aanzienlijke economische schade toe te brengen aan de partij (bijvoorbeeld wegens de vorm van de verpakking of de aard van de vervoermiddelen), mag een alternatieve bemonstering worden toegepast mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

4.5.   Bemonsteringsprocedure voor granen en graanproducten bij partijen < 50 t

Van partijen granen en graanproducten van minder dan 50 t worden, afhankelijk van het gewicht van de partij, 10 à 100 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 1 à 10 kg wordt samengesteld. Van zeer kleine partijen (≤ 0,5 t) mag een kleiner aantal basismonsters worden genomen, maar ook in dat geval moeten alle basismonsters samen een verzamelmonster van ten minste 1 kg vormen.

Aan de hand van tabel 2 kan worden bepaald hoeveel basismonsters moeten worden genomen.

Tabel 2

Aantal basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij granen of graanproducten

Gewicht van de partij (in t)

Aantal basismonsters

≤ 0,05

3

> 0,05-≤ 0,5

5

> 0,5-≤ 1

10

> 1-≤ 3

20

> 3-≤ 10

40

> 10-≤ 20

60

> 20-≤ 50

100

4.6.   Bemonsteringsprocedure voor levensmiddelen voor zuigelingen en peuters

—

De bemonsteringsprocedure voor granen en graanproducten zoals vermeld in punt 4.5 is van toepassing op levensmiddelen voor zuigelingen en peuters. Dat betekent dat het minimumaantal basismonsters dat van de partij moet worden genomen, afhangt van het gewicht van de partij, met een minimum van 10 en een maximum van 100, overeenkomstig tabel 2 in punt 4.5. Van zeer kleine partijen (≤ 0,5 t) mag een kleiner aantal basismonsters worden genomen, maar ook in dat geval moeten alle basismonsters samen een verzamelmonster van ten minste 1 kg vormen.

—

Het basismonster weegt ongeveer 100 g. Bij partijen in detailverpakking hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking; bij zeer kleine partijen (≤ 0,5 t) heeft het basismonster een dusdanig gewicht dat alle basismonsters samen een verzamelmonster van ten minste 1 kg vormen.

—

Gewicht van het verzamelmonster = 1 à 10 kg, voldoende gemengd.

4.7.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften in de punten 4.4 en 4.5. Als dit niet mogelijk is, mogen andere effectieve bemonsteringsprocedures in de detailhandel worden toegepast, mits deze een voldoende representativiteit voor de bemonsterde partij garanderen.

5.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

—

Aanvaarding als het monster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de meetonzekerheid en de correctie voor terugvinding.

—

Weigering als het monster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de meetonzekerheid en de correctie voor terugvinding.


(*1)  Afhankelijk van het gewicht van de partij — zie tabel 2.


BIJLAGE II

BEREIDING VAN DE MONSTERS EN ALGEMENE CRITERIA VOOR DE ANALYSEMETHODEN DIE WORDEN GEBRUIKT VOOR DE OFFICIËLE CONTROLE OP DE GEHALTEN AAN FUSARIUM-TOXINEN IN BEPAALDE LEVENSMIDDELEN

1.   Voorzorgsmaatregelen

Aangezien Fusarium-toxinen zeer ongelijkmatig over de partij verdeeld zijn, moeten de monsters met zeer veel zorg worden bereid en vooral zeer goed worden gehomogeniseerd.

Voor de bereiding van het testmateriaal wordt al het materiaal gebruikt dat naar het laboratorium is opgestuurd.

2.   Behandeling van het monster dat het laboratorium ontvangt

Elk laboratoriummonster wordt fijngemalen en zorgvuldig vermengd volgens een procedure waarvan is aangetoond dat ze een volledig homogeen product oplevert.

Indien het maximumgehalte voor de droge stof geldt, wordt het gehalte aan droge stof van het product bepaald op een deel van het gehomogeniseerde monster, volgens een procedure waarvan is aangetoond dat ze het gehalte aan droge stof accuraat vaststelt.

3.   Verdeling van de monsters voor controle- en verhaaldoeleinden

De analysemonsters voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden worden genomen uit de gehomogeniseerde laboratoriummonsters, mits deze procedure met de regelgeving van de lidstaat in overeenstemming is.

4.   Door de laboratoria toe te passen analysemethoden en controlevoorschriften

4.1.   Definities

Hieronder worden enkele van de meest gebruikelijke definities gegeven die de laboratoria moeten hanteren.

De meest gebruikelijke parameters voor de precisie zijn herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid.

r

=

herhaalbaarheid: waarde waarvoor geldt dat het absolute verschil tussen de resultaten van twee afzonderlijke bepalingen die onder herhaalbaarheidsomstandigheden zijn uitgevoerd (hetzelfde monster, dezelfde persoon, dezelfde apparatuur, hetzelfde laboratorium, kort na elkaar), met de gekozen waarschijnlijkheid (in principe 95 %) daarbeneden ligt, zodat r = 2,8 × sr

sr

=

standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder herhaalbaarheidsomstandigheden zijn verkregen

RSDr

=

relatieve standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder herhaalbaarheidsomstandigheden zijn verkregen

Formula

R

=

reproduceerbaarheid: waarde waarvoor geldt dat het absolute verschil tussen de resultaten van afzonderlijke bepalingen die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn uitgevoerd (identiek monstermateriaal, bepalingen met de gestandaardiseerde testmethode uitgevoerd door personen in verschillende laboratoria) met de gekozen waarschijnlijkheid (in principe 95 %); R = 2,8 × sR

sR

=

standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn verkregen

RSDR

=

relatieve standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn verkregen

Formula
.

4.2.   Algemene voorschriften

De analysemethoden voor de controle op levensmiddelen moeten voldoen aan de bepalingen van de punten 1 en 2 van de bijlage bij Richtlijn 85/591/EEG.

4.3.   Specifieke voorschriften

4.3.1.   Prestatiecriteria

Als op communautair niveau geen specifieke methode voor de bepaling van de gehalten aan Fusarium-toxinen in levensmiddelen is voorgeschreven, mogen de laboratoria zelf een methode kiezen, mits die aan de volgende criteria voldoet:

a)

Prestatiekenmerken voor deoxynivalenol

Gehalte μg/kg

Deoxynivalenol

RSDr (%)

RSDR (%)

Terugvindingspercentage (%)

> 100-≤ 500

≤ 20

≤ 40

60 tot 110

> 500

≤ 20

≤ 40

70 tot 120

b)

Prestatiekenmerken voor zearalenon

Gehalte μg/kg

Zearalenon

RSDr (%)

RSDR (%)

Terugvindingspercentage (%)

≤ 50

≤ 40

≤ 50

60 tot 120

> 50

≤ 25

≤ 40

70 tot 120

c)

Prestatiekenmerken voor fumonisine B1 en B2

Gehalte μg/kg

Fumonisine B1 of B2

RSDr (%)

RSDR (%)

Terugvindingspercentage (%)

≤ 500

≤ 30

≤ 60

60 tot 120

> 500

≤ 20

≤ 30

70 tot 110

d)

Prestatiekenmerken voor T-2- en HT-2-toxine

Gehalte μg/kg

T-2-toxine

RSDr (%)

RSDR (%)

Terugvindingspercentage (%)

50-250

≤ 40

≤ 60

60 tot 130

> 250

≤ 30

≤ 50

60 tot 130


Gehalte μg/kg

HT-2-toxine

RSDr (%)

RSDR (%)

Terugvindingspercentage (%)

100-200

≤ 40

≤ 60

60 tot 130

> 200

≤ 30

≤ 50

60 tot 130

De aantoonbaarheidsgrenzen van de gebruikte methoden zijn niet aangegeven, aangezien de precisiewaarden voor de desbetreffende concentraties zijn gegeven.

De precisiewaarden worden berekend met de vergelijking van Horwitz:

 

RSDR = 2(1-0,5logC)

waarbij:

 

RSDR = relatieve standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn verkregen

Formula

 

C = de concentratie (1 = 100 g/100 g; 0,001 = 1 000 mg/kg.

Dit is een algemene vergelijking voor de precisie, waarvan wordt aangenomen dat zij voor de meeste routineanalysemethoden niet wordt beïnvloed door de analyt of de matrix, maar alleen door de concentratie.

4.3.2.   Geschiktheidsbenadering („fitness for purpose”)

Indien het aantal volledig gevalideerde analysemethoden beperkt is, mag als alternatief een geschiktheidsbenadering („fitness for purpose”) worden gebruikt, waarbij één parameter, namelijk een geschiktheidsfunctie, wordt gedefinieerd om de aanvaardbaarheid van de analysemethoden te beoordelen. Een geschiktheidsfunctie is een onzekerheidsfunctie die maximale onzekerheidsniveaus specificeert die als geschikt („fit for purpose”) worden beschouwd.

Gezien het beperkte aantal door een ringonderzoek volledig gevalideerde analysemethoden, in het bijzonder voor de bepaling van T-2- en HT-2-toxine, mag de onzekerheidsfunctiebenadering, waarbij de maximale aanvaardbare onzekerheid wordt gespecificeerd, ook worden gebruikt voor de beoordeling van de geschiktheid („fitness for purpose”) van de analysemethode die het laboratorium gebruikt. Het laboratorium mag een methode gebruiken die resultaten binnen de maximumstandaardonzekerheid oplevert. De maximumstandaardonzekerheid kan worden berekend met de volgende formule:

Formula

waarbij:

—

Uf de maximumstandaardonzekerheid (μg/kg) is;

—

LOD de aantoonbaarheidsgrens van de methode (μg/kg) is;

—

α een numerieke factor is die afhangt van de waarde van C. De te gebruiken waarden staan in de tabel 3;

—

C de desbetreffende concentratie (μg/kg) is.

Indien de analysemethode resultaten oplevert met onzekerheidsmetingen lager dan de maximumstandaardonzekerheid, wordt de methode even geschikt beschouwd als een methode die aan de in punt 4.3.1 vermelde prestatiekenmerken voldoet.

Tabel 3

Voor de constante α in bovenstaande formule te gebruiken getalwaarden, afhankelijk van de desbetreffende concentratie

C (μg/kg)

α

≤ 50

0,2

51-500

0,18

501-1 000

0,15

1 001 -10 000

0,12

> 10 000

0,1

4.4.   Berekening van het terugvindingspercentage en rapportage van de resultaten

Het analyseresultaat wordt al dan niet met een correctie op basis van de terugvinding geregistreerd. De registratiewijze en het terugvindingspercentage moeten worden vermeld. Het voor de terugvinding gecorrigeerde analyseresultaat wordt gebruikt om te bepalen of aan de eisen is voldaan (zie bijlage I, punt 5).

Het analyseresultaat wordt gerapporteerd als x ± U, waarbij x het analyseresultaat en U de uitgebreide meetonzekerheid is.

U is de uitgebreide onzekerheid, met een dekkingsfactor 2, die een betrouwbaarheidsniveau van ongeveer 95 % oplevert.

4.5.   Door de laboratoria te bieden kwaliteitsgaranties

De laboratoria moeten voldoen aan Richtlijn 93/99/EEG.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Commissie

7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/27


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 27 november 2002

betreffende de sluiting van een samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de regering van de Republiek Kazachstan inzake beheerste kernfusie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 4572)

(2005/419/Euratom)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name op artikel 101, tweede alinea,

Gelet op de goedkeuring door de Raad (1),

Overwegende dat de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de regering van de Republiek Kazachstan inzake beheerste kernfusie moet worden gesloten,

BESLUIT:

Artikel 1

De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de regering van de Republiek Kazachstan inzake beheerste kernfusie wordt hierbij gesloten namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

Het lid van de Commissie dat bevoegd is voor onderzoek of zijn aangewezen vertegenwoordiger is gemachtigd de overeenkomst namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en bindend voor de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie te ondertekenen.

Gedaan te Brussel, 27 november 2002.

Voor de Commissie

Philippe BUSQUIN

Lid van de Commissie


(1)  12188/01 (press 333), 27.9.2001.


OVEREENKOMST

voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Regering van de Republiek Kazachstan op het gebied van beheerste kernfusie

DE REGERING VAN DE REPUBLIEK KAZACHSTAN, hierna „Kazachstan” te noemen,

enerzijds, en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „de Gemeenschap” te noemen,

anderzijds,

beide hierna ook algemeen „de partij” of „de partijen”, naar gelang van het geval, te noemen,

ERAAN HERINNERENDE dat de overeenkomst voor partnerschap en samenwerking op 23 januari 1995 door de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten en Kazachstan werd ondertekend;

VERLANGENDE de verwezenlijking van fusie-energie te bevorderen als een potentieel milieuvriendelijke, economisch concurrerende en nagenoeg onbeperkte energiebron;

NOTA NEMENDE van het feit dat het fusieprogramma van de Gemeenschap een breed opgezet alomvattend programma is op basis van toroïdale magnetische opsluiting;

NOTA NEMENDE van het feit dat het fusieprogramma van Kazachstan gebaseerd is op de specifieke sterke kanten van de fusiewetenschap en -technologie in Kazachstan;

ERKENNENDE de wederzijdse voordelen die voortvloeien uit het aanknopen van nauwere banden tussen de wetenschappelijke gemeenschappen van de partijen die werkzaam zijn op het gebied van beheerste kernfusie;

VASTBESLOTEN de samenwerking tussen de partijen op het gebied van beheerste kernfusie te versterken door middel van regelmatig overleg,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Het doel van deze overeenkomst is het onderhouden en intensiveren van de samenwerking tussen de partijen op de door hun respectieve fusieprogramma's bestreken terreinen op basis van wederzijds voordeel met het oog op de ontwikkeling van het wetenschappelijk inzicht en de technologische capaciteit waarop een systeem voor fusie-energie gebaseerd is.

Artikel 2

De samenwerking kan plaatsvinden op de volgende terreinen:

a)

experimenteel en theoretisch onderzoek naar plasmaopsluiting, transport, verhitting en stroomsturing (o.a. ontwikkeling verwante RF-systemen) en diagnose, in magnetische apparatuur;

b)

fusietechnologie;

c)

toegepaste plasmafysica;

d)

programmabeleid en planning; en

e)

andere nader overeen te komen terreinen.

Artikel 3

Tot de samenwerking op de in artikel 2 genoemde terreinen kunnen behoren:

a)

informatieverstrekking en -uitwisseling;

b)

levering en uitwisseling van personeel;

c)

diverse soorten bijeenkomsten;

d)

uitwisseling en levering van monsters, instrumenten en apparatuur voor experimenten en evaluaties;

e)

evenwichtige deelneming aan gezamenlijke studies en werkzaamheden;

f)

betrokkenheid bij de bijdrage van de andere partij aan de fusieprogramma's of -projecten waarbij derde partijen zijn betrokken, afhankelijk van de toestemming, indien vereist, van deze derde partijen; en

g)

andere nader overeen te komen activiteiten.

Artikel 4

1.   Voorzover nodig worden uitvoeringsregelingen over specifieke samenwerkingsactiviteiten gesloten tussen:

 

de Gemeenschap, of een organisatie die met haar is geassocieerd in het kader van het fusieprogramma van de Gemeenschap, voor dit doel door de Gemeenschap aangewezen,

 

de regering van de Republiek Kazachstan, voor welke het ministerie van Energie en Delfstoffen van de Republiek Kazachstan of een door de regering van Kazachstan voor dit doel aangewezen organisatie, de uitvoerende instantie is.

2.   Specifieke voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 3 genoemde activiteiten worden door de partijen overeengekomen in de uitvoeringsbepalingen en omvatten:

a)

specifieke details, procedures en financieringsbepalingen voor afzonderlijke samenwerkingsactiviteiten;

b)

toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het operationeel beheer van de betrokken activiteit aan één organisatie of instantie;

c)

gedetailleerde bepalingen over de verspreiding van informatie en de behandeling van intellectuele eigendom.

3.   Om dubbel werk tot een minimum te beperken, coördineert elke partij de activiteiten in het kader van deze overeenkomst zo nodig met andere internationale activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling op het terrein van beheerste kernfusie waaraan de andere partij deelneemt.

Artikel 5

1.   De partijen stellen een coördinatiecomité in dat belast is met toezicht op en coördinatie van de uitvoering van deze overeenkomst. Elk van de partijen benoemt een gelijk aantal leden in het coördinatiecomité, en nomineert één van de benoemde leden als hoofd van de delegatie. Het coördinatiecomité komt jaarlijks bijeen, afwisselend in de Europese Gemeenschap en in Kazachstan, of op een andere overeengekomen tijd en plaats. Het hoofd van de delegatie van de ontvangende partij zit de vergadering voor.

2.   Tot de functies van het coördinatiecomité behoren:

a)

evaluatie van de stand van zaken van de samenwerking uit hoofde van deze overeenkomst;

b)

vaststelling van de specifieke taken die moeten worden uitgevoerd op de in artikel 2 van deze overeenkomst genoemde terreinen, zonder afbreuk te doen aan de autonome beslissingsbevoegdheid van de partijen ten aanzien van hun respectieve programma's.

3.   Alle besluiten van het coördinatiecomité worden met eenparigheid van stemmen genomen.

4.   Voor perioden tussen de bijeenkomsten van het coördinatiecomité benoemt elke partij een uitvoerend secretaris die namens haar handelt in alle zaken die betrekking hebben op de samenwerking in het kader van de overeenkomst. De uitvoerend secretarissen zijn verantwoordelijk voor het dagelijks beheer van deze samenwerking.

Artikel 6

De uit de samenwerking voortvloeiende kosten worden gedragen door de partij die deze kosten heeft gemaakt, tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen door de uitvoerende instanties.

Artikel 7

Het gebruik en de verspreiding van informatie en intellectuele-eigendomsrechten, waaronder industriële eigendomsrechten, octrooien en auteursrechten met betrekking tot de samenwerkingsactiviteiten op grond van deze overeenkomst geschieden overeenkomstig de bijlagen, die een integrerend deel van deze overeenkomst uitmaken.

Artikel 8

Niets in deze overeenkomst wordt zodanig geïnterpreteerd dat afbreuk wordt gedaan aan bestaande of toekomstige regelingen voor samenwerking tussen de partijen.

Artikel 9

1.   De verrichtingen van de partijen in het kader van de overeenkomst zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van passende middelen.

2.   Samenwerking in het kader van deze overeenkomst is in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften.

3.   Elke partij stelt alles in het werk om binnen de geldende wet- en regelgeving bij te dragen tot een vlotte afwikkeling van de formaliteiten voor het verkeer van personen, de overdracht van materialen en uitrusting, en het overmaken van gelden die voor de organisatie van de samenwerking noodzakelijk zijn.

4.   Compensatie voor opgelopen schade tijdens de uitvoering van deze overeenkomst is in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving.

Artikel 10

Met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving streven de partijen ernaar om alle vraagstukken met betrekking tot deze overeenkomst af te wikkelen door onderling overleg.

Artikel 11

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de datum (1) die de partijen, door middel van een uitwisseling van diplomatieke nota's, specificeren voor de inwerkingtreding, en geldt voor een eerste termijn van tien jaar.

2.   De overeenkomst wordt daarna automatisch verlengd, telkens voor termijnen van vijf jaar, tenzij één van de partijen uiterlijk zes maanden vóór de vervaldatum schriftelijk verzoekt om beëindiging van de overeenkomst of om nieuwe onderhandelingen.

3.   Bij beëindiging of bij nieuwe onderhandelingen wordt deze overeenkomst in de op dat ogenblik geldende vorm verder toegepast met betrekking tot samenwerkingsactiviteiten die vóór het verzoek om beëindiging of om nieuwe onderhandelingen daadwerkelijk van start zijn gegaan en met betrekking tot de in artikel 4 bedoelde uitvoeringsregelingen, tot die activiteiten en de regelingen zijn afgesloten.

4.   Beëindiging van deze overeenkomst laat de rechten en verplichtingen uit hoofde van artikel 7 onverlet.

Artikel 12

Deze overeenkomst is wat de Gemeenschap betreft van toepassing op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is en op de gebieden van de landen die deelnemen aan het fusieprogramma van de Gemeenschap als volledig geassocieerde derde landen.

Artikel 13

Deze tekst is opgesteld in twee exemplaren in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse, de Zweedse, de Kazachse en de Russische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Gedaan te Brussel, 29 november 2002.

Voor de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Philippe BUSQUIN

Voor de regering van de Republiek Kazachstan

Akhmetzhan S. YESSIMOV


(1)   13 april 2004.

BIJLAGE I

Richtsnoeren inzake de toekenning van intellectuele-eigendomsrechten (*1) die voortvloeien uit gemeenschappelijk onderzoek uit hoofde van de overeenkomst betreffende samenwerking op het gebied van beheerste kernfusie

I.   HOUDERSCHAP, TOEKENNING EN UITOEFENING VAN RECHTEN

1.

Al het onderzoek dat uit hoofde van deze overeenkomst wordt verricht, is „gemeenschappelijk onderzoek”. De deelnemers ontwikkelen gezamenlijk programma’s voor technologiebeheer (PTB) (*2) met betrekking tot houderschap en gebruik, inclusief verspreiding, van informatie en intellectuele eigendom die het resultaat zijn van gemeenschappelijk onderzoek. Deze programma’s worden door de partijen goedgekeurd voordat de specifieke O & O-samenwerkingsovereenkomsten waarop zij betrekking hebben, gesloten worden. De PTB’s worden opgezet met inachtneming van de doelstellingen van het gemeenschappelijk onderzoek, de respectieve bijdragen van de deelnemers, de voor- en nadelen van het verlenen van licenties per grondgebied of per toepassingsgebied, de voorwaarden van toepasselijke wetten en andere factoren die door de deelnemers van belang worden geacht. De rechten en verplichtingen in verband met de onderzoekswerkzaamheden van gastonderzoekers met betrekking tot intellectuele eigendom worden eveneens in de gemeenschappelijke programma’s voor technologiebeheer opgenomen.

2.

Informatie en intellectuele eigendom die het resultaat zijn van gemeenschappelijk onderzoek, maar die niet in het technologiebeheerprogramma worden genoemd, worden met toestemming van de partijen behandeld overeenkomstig de beginselen van die technologiebeheerprogramma’s. Bij onenigheid is die informatie of intellectuele eigendom gemeenschappelijk eigendom van alle deelnemers aan het gemeenschappelijk onderzoek dat de informatie of intellectuele eigendom heeft voortgebracht. Elke deelnemer op wie deze bepaling van toepassing is, heeft het recht om die informatie of intellectuele eigendom zonder geografische beperking voor eigen commerciële exploitatie te gebruiken.

3.

Elke partij ziet erop toe dat aan de andere partij en haar deelnemers intellectuele-eigendomsrechten kunnen worden verleend overeenkomstig de onderhavige richtsnoeren.

4.

Met inachtneming van de concurrentievoorwaarden op de onder de overeenkomst vallende gebieden, streeft elke partij ernaar dat de uit hoofde van de onderhavige overeenkomst verkregen rechten zodanig worden uitgeoefend dat daardoor met name:

i)

de verspreiding en het gebruik van gegevens die door de overeenkomst ontstaan zijn, bekend zijn gemaakt, of anderszins beschikbaar zijn gesteld, worden aangemoedigd;

ii)

de goedkeuring en uitvoering van internationale normen worden bevorderd.

II.   WERKEN DIE ONDER HET AUTEURSRECHT VALLEN

Auteursrecht van de partijen of hun deelnemers wordt behandeld overeenkomstig de Berner Conventie (Akte van Parijs, 1971).

III.   WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Onverminderd deel IV, en tenzij in het PTB anders overeengekomen, worden onderzoeksresultaten gezamenlijk door de partijen of deelnemers aan het betrokken gemeenschappelijk onderzoek gepubliceerd. Met inachtneming van deze algemene regel gelden de volgende procedures.

1.

Indien door een partij of door de overheidsinstanties van die partij wetenschappelijke en technische tijdschriften, artikelen, rapporten, boeken, video-opnamen of computerprogrammatuur worden gepubliceerd, die het resultaat zijn van gemeenschappelijk onderzoek dat uit hoofde van de onderhavige overeenkomst is verricht, heeft de andere partij recht op een mondiaal geldige niet-uitsluitende, onherroepelijke licentie, vrij van royalties, om die werken te vertalen, te reproduceren, te bewerken, door te geven en in het openbaar te verspreiden.

2.

De partijen zien erop toe dat wetenschappelijke geschriften die het resultaat zijn van gemeenschappelijk onderzoek uit hoofde van de onderhavige overeenkomst en die worden gepubliceerd door onafhankelijke uitgevers, op een zo ruim mogelijke schaal worden verspreid.

3.

Op alle openbaar te verspreiden exemplaren van een werk waarop auteursrechten rusten en dat volgens deze bepaling tot stand is gekomen, wordt de naam van de auteur(s) van het werk vermeld, tenzij naamvermelding door een of meer auteurs uitdrukkelijk wordt geweigerd. Ook moet op een duidelijk zichtbare plaats een vermelding worden opgenomen met betrekking tot de medewerking en de steun van de partijen.

IV.   GEHEIME INFORMATIE

A.   Schriftelijke geheime informatie

1.

Elke partij — of haar deelnemers, naar gelang van het geval — stelt in een zo vroeg mogelijk stadium en bij voorkeur in het technologiebeheerprogramma vast welke informatie zij geheim wenst te houden met betrekking tot de onderhavige overeenkomst. Daarbij moeten onder meer de volgende criteria worden gehanteerd:

—

de geheime aard van de informatie, in die zin dat de gegevens — als geheel of in de samenhang of de samenstelling waarin zij voorkomen — niet algemeen bekend zijn bij, of niet met wettige middelen gemakkelijk toegankelijk zijn voor deskundigen;

—

de werkelijke of mogelijke handelswaarde van de informatie ingevolge hun geheime aard;

—

de voorafgaande bescherming van de informatie, in die zin dat door de persoon die wettelijk de houder ervan is, maatregelen genomen zijn die onder de omstandigheden redelijkerwijs de geheimhouding van de gegevens konden waarborgen.

In bepaalde gevallen kunnen de partijen en de deelnemers overeenkomen dat — behoudens andersluidende bepalingen — tijdens het gemeenschappelijk onderzoek op basis van de overeenkomst verstrekte, uitgewisselde of totstandgekomen informatie noch in haar geheel noch gedeeltelijk mag worden bekendgemaakt.

2.

Elke partij ziet erop toe dat volgens de onderhavige overeenkomst als geheim en dus als vertrouwelijk beschouwde informatie, op eenvoudige wijze door de andere partij als zodanig kan worden herkend, bijvoorbeeld door een kenteken of een opschrift. Dit geldt ook voor de gehele of gedeeltelijke reproductie van de desbetreffende gegevens.

Een partij die op grond van de overeenkomst geheime informatie ontvangt, dient de vertrouwelijkheid daarvan te respecteren. Deze beperkingen worden automatisch opgeheven wanneer de gegevens door de eigenaar ongelimiteerd worden bekendgemaakt aan deskundigen.

3.

Vertrouwelijke gegevens die ingevolge de onderhavige overeenkomst zijn medegedeeld, mogen door de ontvangende partij worden verspreid onder personen die behoren tot, of in dienst zijn bij de ontvangende partij, en andere betrokken departementen of instellingen van de ontvangende partij welke voor de specifieke doeleinden van het lopende gemeenschappelijk onderzoek gemachtigd zijn, mits de geheime gegevens worden verspreid krachtens een vertrouwelijkheidsovereenkomst en — zoals boven vermeld — als zodanig gemakkelijk kunnen worden herkend.

4.

Met voorafgaande schriftelijke toestemming van de partij die de geheime gegevens in het kader van de onderhavige overeenkomst verstrekt, mag de ontvangende partij die gegevens op een ruimere schaal verspreiden dan anders volgens punt 3 toegestaan is. De partijen werken samen procedures uit voor het aanvragen en verkrijgen van een voorafgaande schriftelijke toestemming voor de verspreiding op ruimere schaal; elke partij verleent deze goedkeuring voorzover dit in het kader van haar binnenlands beleid en haar nationale voorschriften en wetten mogelijk is.

B.   Niet-schriftelijke geheime informatie

Niet op schrift gestelde geheime gegevens of andere vertrouwelijke informatie die worden verstrekt tijdens seminars en andere bijeenkomsten welke in het kader van de onderhavige overeenkomst gehouden worden, of gegevens verkregen door de indienstneming van personeel, het gebruik van voorzieningen, of gemeenschappelijke projecten, worden door de partijen of hun deelnemers behandeld overeenkomstig de beginselen welke in de overeenkomst voor schriftelijke informatie zijn vastgesteld, mits de ontvanger van dergelijke geheime of anderszins vertrouwelijke gegevens geattendeerd is op het vertrouwelijke karakter van de informatie op het moment dat deze wordt verstrekt.

C.   Beheer

Elke partij tracht ervoor te zorgen dat geheime informatie die zij uit hoofde van de onderhavige overeenkomst ontvangt, wordt beheerd zoals in de overeenkomst is bepaald. Indien een van de partijen er zich rekenschap van geeft dat zij niet in staat is, of redelijkerwijze verwacht niet in staat te zullen zijn, om de in de punten A en B vervatte bepalingen inzake niet-verspreiding na te leven, stelt zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis. De partijen plegen vervolgens overleg om een passende gedragslijn vast te stellen.


(*1)  De definities van de in deze richtsnoeren vermelde uitdrukkingen zijn in bijlage II opgenomen.

(*2)  De indicatieve kenmerken van dergelijke PTB's zijn opgenomen in bijlage III.

BIJLAGE II

DEFINITIES

1.   INTELLECTUELE EIGENDOM: in de zin van artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (Stockholm, 14 juli 1967).

2.   DEELNEMER: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van de partijen zelf, die in het kader van de overeenkomst aan een project deelneemt.

3.   GEMEENSCHAPPELIJK ONDERZOEK: onderzoek dat wordt uitgevoerd en/of gefinancierd door gezamenlijke bijdragen van de partijen en waaraan, in voorkomend geval, deelnemers van beide partijen hun medewerking verlenen.

4.   INFORMATIE: wetenschappelijke of technische gegevens, resultaten of methoden van onderzoek en ontwikkeling die voortvloeien uit het GEMEENSCHAPPELIJK ONDERZOEK, alsmede eventuele andere informatie die volgens de partijen en/of de deelnemers aan het GEMEENSCHAPPELIJK ONDERZOEK moet worden verstrekt of uitgewisseld krachtens de onderhavige overeenkomst of het in het kader daarvan verrichte onderzoek.

BIJLAGE III

INDICATIEVE KENMERKEN VAN EEN PROGRAMMA INZAKE TECHNOLOGIEBEHEER (PTB)

Het PTB is een tussen de deelnemers te sluiten bijzondere overeenkomst over de uitvoering van gemeenschappelijk onderzoek en de respectieve rechten en verplichtingen van de deelnemers. Wat de intellectuele eigendom betreft, heeft het PTB normaliter onder meer betrekking op: houderschap, bescherming, gebruikersrechten voor O & O-doeleinden, exploitatie en verspreiding, met inbegrip van regelingen voor gemeenschappelijke publicatie, de rechten en verplichtingen van gastonderzoekers en arbitrageprocedures. Het PTB kan ook betrekking hebben op algemene en specifieke informatie, vergunningen en te verwachten resultaten.


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/34


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 2 juni 2005

tot wijziging van aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de melk-, vis- en vleessector in Letland betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1609)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/420/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Akte betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (1), en met name op bijlage VIII, hoofdstuk 4, afdeling B, onderafdeling I, punt 1, onder d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aan Letland is voor bepaalde in aanhangsel A (2) van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 vermelde inrichtingen een overgangsperiode toegestaan. Dit aanhangsel is gewijzigd bij de Beschikkingen 2004/460/EG (3) en 2004//472/EG (4) van de Commissie.

(2)

Letland heeft schriftelijk verklaard dat bepaalde inrichtingen in de melk-, vis-, en vleessector hun moderniseringsproces hebben voltooid en nu volledig aan de communautaire wetgeving voldoen. Bovendien hebben bepaalde inrichtingen hun activiteiten gestaakt.

(3)

Aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 dient derhalve te worden gewijzigd. Voor de duidelijkheid moet het aanhangsel worden vervangen.

(4)

Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is van de in deze beschikking vastgestelde maatregelen op de hoogte gebracht,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Aanhangsel A van bijlage VIII bij de Toetredingsakte van 2003 wordt vervangen door de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33.

(2)   PB C 227 E van 23.9.2003, blz. 104.

(3)   PB L 156 van 30.4.2004, blz. 78.

(4)   PB L 160 van 30.4.2004, blz. 61.


BIJLAGE

„Aanhangsel A

als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling B, onderafdeling I, punt 1, van bijlage VIII (*1)

Lijst van inrichtingen, met de tekortkomingen en de uiterste data voor het verhelpen van de tekortkomingen

VLEESINRICHTINGEN

Nr.

Vet. nr.

Naam van de inrichting

Tekortkomingen

Datum van volledige toepassing

1.

 

Talsu gaļa, Akciju sabiedrība

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 4, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder e) en f)

 

Bijlage I, hoofdstuk III , punt 15

 

Bijlage I, hoofdstuk IV, punt 16, onder b)

 

Bijlage I, hoofdstuk IV, punt 17, onder b)

 

Bijlage I, hoofdstuk XIV, punt 68

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 6 en 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

 

Bijlage B, hoofdstuk II, punt 3

Richtlijn 94/65/EG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 1, onder a)

31.12.2005

2.

 

Tukuma gaļas pārstrādes sabiedrība, Akciju sabiedrība

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e), f) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 4, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder e) en f)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15

 

Bijlage I, hoofdstuk IV, punt 16, onder b)

 

Bijlage I, hoofdstuk IV, punt 17, onder b)

 

Bijlage I, hoofdstuk XIV, punt 68

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 6 en 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

 

Bijlage B, hoofdstuk II, punt 3

Richtlijn 94/65/EG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 1, onder a)

31.12.2005

3.

 

Triāls filiāle „Valmieras gaļas kombināts“, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e), f) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 4, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder e) en f)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 6 en 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

 

Bijlage B, hoofdstuk II, punt 3

Richtlijn 94/65/EG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 1, onder a)

31.12.2005

4.

 

Gravendāle, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

Richtlijn 94/65/EG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 1, onder a)

31.12.2005

5.

 

Putnu fabrika Ķekava, Akciju sabiedrība

Richtlijn 71/118/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 4, onder c)

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder b ) en c)

 

Bijlage I, hoofdstuk V, punt 18, onder d)

 

Bijlage I, hoofdstuk VII, punt 43

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d) en e)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

Richtlijn 94/65/EG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 1, onder a)

31.12.2005

6.

 

Erso7, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage II, hoofdstuk 1, punt 4, onder a)

 

Bijlage II, hoofdstuk 1, punt 9

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder f)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 6 en 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

31.12.2005

7.

 

Strautmaļi, Zemnieku saimniecība

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c) en e)

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, onder a)

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 9

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e) en f)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 6 en 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

 

Bijlage B, hoofdstuk II, punt 3

31.12.2005

8.

 

Bērzlejas, Zemnieku saimniecība

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c) en e)

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, onder a)

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 9

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), e) en f)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 6 en 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

31.12.2005

9.

 

GPC Smārde, Sabiedrība ar ierobežotu atbildību

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 1, onder a), c) en e)

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, onder a)

 

Bijlage II, hoofdstuk I, punt 9

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder b) en c)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 11

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 1 en 2

31.12.2005”


(*1)  Voor de tekst van bijlage VIII, zie PB L 236 van 23.9.2003, blz. 824.


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/38


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 3 juni 2005

tot wijziging van aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 wat bepaalde inrichtingen in de vlees-, melk- en visserijsector in Litouwen betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1633)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/421/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (1), en met name op bijlage IX, hoofdstuk 5, afdeling B, onderafdeling I, onder d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aan Litouwen is voor bepaalde in aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 vermelde inrichtingen een overgangsperiode toegestaan.

(2)

Aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 is gewijzigd bij de Beschikkingen 2004/472/EG (2) en 2004/473/EG (3) van de Commissie.

(3)

Volgens een officiële verklaring van de bevoegde Litouwse autoriteit hebben bepaalde inrichtingen in de vis-, vlees- en melksector hun moderniseringsproces voltooid en voldoen zij nu volledig aan de communautaire wetgeving. Verder hebben bepaalde inrichtingen hun activiteiten stopgezet.

(4)

Aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Voor de duidelijkheid moet het worden vervangen.

(5)

Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is van de in deze beschikking vastgestelde maatregelen op de hoogte gebracht,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Aanhangsel B bij bijlage IX bij de Toetredingsakte van 2003 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze beschikking.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33.

(2)   PB L 160 van 30.4.2004, blz. 62.

(3)   PB L 160 van 30.4.2004, blz. 68.


BIJLAGE

„Aanhangsel B

bedoeld in hoofdstuk 5, afdeling B, onderafdeling I, van bijlage IX (*1)

Lijst van inrichtingen, met de tekortkomingen en de uiterste data voor het verhelpen van de tekortkomingen

VLEESINRICHTINGEN

Oorspronkelijke lijst

Nr.

Vet. nr.

Naam van de inrichting

Tekortkomingen

Datum van volledige toepassing

1.

77-23

UAB „Jatkančių mėsinė“, Jatkančių k., Tauragės r., Tauragės aps.

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 4, onder c)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punten 9, 11 en 12

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder a), b), c), e), f), g), h), k) en l)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15, onder b)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 3, 4, 6, 7, 8, 9, 11, 12 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder a), d), e) en f)

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder d), e), h) en i)

1.11.2006

2.

77-02

UAB „Stragutės mėsa“

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e), f) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punten 11 en 12

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder a), b), c), e), g), h), k) en l)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15, onder b)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 3, 4, 6, 8, 9, 11 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder a), d), e) en f)

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b) en j)

1.11.2006

3.

88-01

AB „Grabupėliai“

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 4, onder c)

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punten 5, 9, 11 en 12

 

Bijlage I, hoofdstuk II, punt 14, onder b), c), d), e), h), k) en l)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15, onder b) en d)

 

Bijlage I, hoofdstuk IV, punt 16, onder a)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 4, 6, 7, 8, 9, 11 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder a) en f)

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder c), d), i) en j)

1.11.2006

 

Vleesproducteninrich-tingen met hoge capaciteit

4.

41-20

UAB „Rukesa ir ko“

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a), b), c), e), f) en g)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15, onder b)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 3, 7, 8, 11, 12, 14 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder c), d), e) en h)

1.5.2006

5.

72-01

BĮ „Litmos“

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 2, onder a)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15, onder b)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 3, 4, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), h), i) en j)

Richtlijn 94/65/EG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder a)

1.11.2006

6.

11

AB „Vilniaus mėsos kombinatas“

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c) en d)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 4, 12 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder d), e) en f)

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder b) en d)

1.12.2004

7.

01-23

UAB „Esla“

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), c), e) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 7, 8, 11, 13 en 14

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder d) en f)

1.12.2004

8.

01-29

UAB „Naujasodžio mėsa“

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 11 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder c)

1.12.2005

 

Vleesproducteninrich-tingen met lage capaciteit

9.

77-32

V. Pietarienės IĮ

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder c) en e)

 

Bijlage I, hoofdstuk III, punt 15, onder b)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder b), c), d), e) en g)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 3, 4, 6, 11, 12, 13 en 14

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder a), d) en e)

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder a) en j)

1.1.2006

10.

27-13

UAB „Guostė“

Richtlijn 64/433/EEG van de Raad:

 

Bijlage I, hoofdstuk I, punt 1, onder c), e) en f)

Richtlijn 77/99/EEG van de Raad:

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, onder d) en e)

 

Bijlage A, hoofdstuk I, punten 3, 4, 8, 9, 11, 13 en 15

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder a), d) en j)

1.11.2006


Aanvullende lijst

Nr.

Veterinair erkennings-nummer

Naam en adres van de inrichting

Sector: Vlees

Datum waarop aan de voor schriften moet zijn voldaan

Activiteit van de inrichtingen

Vers vlees, slachten, uitsnijden

Vleesproducten

Gehakt vlees, vleesbereidingen

Koelhuis

1.

16

UAB „Alytaus mėsinė“, Pramonės g. 16, Alytaus m., Alytaus aps.

X

 

 

 

1.5.2005

2.

84 02

UAB „Samsonas“, Striūpų k., Šakių sen., Šakių r., Marijampolės aps.

X

 

 

 

1.5.2005

3.

57 03

ŽŪB „Antašavos centras“, Astravų k., Kupiškio r., Panevėžio aps.

X

 

 

 

1.5.2005

4.

87 11

ŽŪB „Kontautėliai“, Kantautalių k., Šilalės r., Tauragės aps.

X

 

 

 

1.5.2005

5.

88 19

UAB „Aisytė“, Vilkyčių k., Šilutės r., Klaipėdos aps.

X

X

X

 

1.5.2005

6.

91 01

UAB „Kužių agroįmonė“, Kužių k., Šiaulių r., Šiaulių aps.

X

X

X

1.5.2005

 

7.

54 13

UAB „Molavėna“, Beržėnų k., Kelmės r., Šiaulių aps.

X

X

X

 

1.5.2005

8.

65 23

ŽŪK „Getautų ūkininkas“, Getautų k., Pakruojo r., Šiaulių aps.

X

X

X

1.5.2005

 

9.

32 02

UAB „Norpa“, Šapnagių k., Akmenės r., Šiaulių aps.

X

X

X

1.5.2005

 

10.

71 16

UAB „Ropokalnis“, Žvejų g. 2, Šeduva, Radviliškio r., Šiaulių aps.

X

X

X

 

1.5.2005

11.

68 03

UAB „Burgis“, Babrungėnų k., Babrungo sen., Plungės r., Telšių aps.

X

X

X

 

1.5.2005

12.

41 05

UAB „Cesta“, Žemoji Riešė, Vilniaus r., Vilniaus aps.

X

X

X

1.5.2005

 

13.

85 18

UAB „Olkusjana“, Jašiūnų k., Šalčininkų r., Vilniaus aps.

X

X

X

 

1.5.2005

14.

81 07

UAB „Geras skonis“, Alionių k., Ukmergės r., Vilniaus aps.

X

X

X

1.5.2005

 

15.

49 03

UAB „Gelombickienė ir partneriai“, Slėnio g. 2, Rumšiškės, Kaišiadorių r., Kauno aps.

 

X

 

 

1.5.2005

16.

51 08

I. Medžiuvienės f. „Čečeta“, Čečetų k., K. Rūdos sen., K. Rūdos sav., Marijampolės aps.

 

X

X

 

1.5.2005

17.

39 24

UAB „Damsa“, Basanavičiaus g. 57, Kybartai, Vilkaviškio r., Marijampolės aps.

 

X

X

 

1.5.2005

18.

51 10

UAB „Sasnelė“, Bitikų k. Sasnavos sen., Marijampolės sav., Marijampolės aps.

 

X

X

1.5.2005

 

19.

51 02

UAB „Lavirda“, Patašinės k., Marijampolės sen., Marijampolės sav., Marijampolės aps.

 

X

X

 

1.5.2005

20.

91 08

Šlepkų ŽŪB, Gergždos k., Šiaulių r., Šiaulių aps.

X

X

X

 

1.5.2005

21.

47 26

ŽŪB „Delikatesas“, Kudirkos g. 2, Joniškio r., Šiaulių aps.

X

X

X

1.5.2005

 

22.

34 04

UAB „Agrogrupė“, Katlierių k., Skiemonių sen., Anykščių r., Utenos aps.

X

X

X

 

1.5.2005

23.

67 14

ŽŪK „Mikoliškio paukštynas“, Mykoliškio k., Pasvalio r., Panevėžio aps.

X

 

 

1.5.2005

 

VISINRICHTINGEN

Oorspronkelijke lijst

Nr.

Vet. nr.

Naam van de inrichting

Tekortkomingen

Datum van volledige toepassing

1.

66-25

UAB „Lipresa“

Richtlijn 91/493/EEG van de Raad:

 

Bijlage, hoofdstuk III.I, punt 1

 

Bijlage, hoofdstuk III.I, punt 2, onder a), d), e) en h)

 

Bijlage, hoofdstuk III.I, punten 3, 6, 9, 10 en 11

 

Bijlage, hoofdstuk IV.IV, punt 6, onder a)

1.11.2006

2.

55-27

UAB „Myxum“

Richtlijn 91/493/EEG van de Raad:

 

Bijlage, hoofdstuk III.I, punt 1

 

Bijlage, hoofdstuk III.I, punt 2, onder a), c), d), e) en h)

 

Bijlage, hoofdstuk III.I, punten 5, 9 en 10

 

Bijlage, hoofdstuk IV.V, punt 1

 

Bijlage, hoofdstuk VIII, punt 1

1.11.2006


Aanvullende lijst

Nr.

Veterinair erkennings-nummer

Naam en adres van de inrichting

Sector: Vis

Datum waarop aan de voor-schriften moet zijn voldaan

Activiteit van de inrichtingen

Vis en visproducten

1.

55 31

L. Šemetulskio IĮ, Girkaliai, Kretingalė, Klaipėdos r.

X

1.5.2005

MELKINRICHTINGEN

Oorspronkelijke lijst

Nr.

Vet. nr.

Naam van de inrichting

Tekortkomingen

Datum van volledige toepassing

1.

54-01P

UAB „Kelmės pieninė“

Richtlijn 92/46/EEG van de Raad:

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punt 2, onder a), b), c), d), e), f) en g)

 

Bijlage B, hoofdstuk I, punten 3, 11 en 13

1.11.2006


Aanvullende lijst

Nr.

Veterinair erkennings-nummer

Naam en adres van de inrichting

Sector: Melk

Datum waarop aan de voor-schriften moet zijn voldaan

Activiteit van de inrichtingen

Melk en producten op basis van melk

1.

47 01 P

ŽŪB „Bariūnai“, Bariūnų k., Joniškio r., Šiaulių aps.

X

1.5.2005”


(*1)  Voor de tekst van bijlage IX zie PB L 236 van 23.9.2003, blz. 836.


7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/45


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 3 juni 2005

tot machtiging van Frankrijk om in plaats van de enquête naar de rundveestapel in mei gebruik te maken van de bij titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde regeling

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 1626)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2005/422/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 93/24/EEG van de Raad van 1 juni 1993 betreffende de statistische enquêtes op het gebied van de rundveeproductie (1), en met name op artikel 1, leden 2 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (2) is een identificatie- en registratieregeling voor runderen vastgesteld.

(2)

Bij Beschikking 2001/399/EG van de Commissie (3) wordt erkend dat het Franse gegevensbestand voor runderen volledig operationeel is.

(3)

Ingevolge Richtlijn 93/24/EEG kunnen de lidstaten op hun verzoek worden gemachtigd om in plaats van enquêtes naar de rundveestapel administratieve bronnen te gebruiken, op voorwaarde dat zij aan de uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen voldoen.

(4)

Frankrijk heeft op 5 oktober 2004 een verzoek ingediend om de identificatie- en registratieregeling voor runderen te mogen gebruiken in plaats van de enquête naar de rundveestapel in mei. Ter ondersteuning van dit verzoek heeft Frankrijk technische documentatie verstrekt over de opzet en bijwerking van het in titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gegevensbestand en de methoden voor de berekening van de statistische gegevens.

(5)

Frankrijk heeft in het bijzonder methoden voorgesteld voor de berekening van de statistische gegevens voor de categorieën van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 93/24/EEG, die niet rechtstreeks beschikbaar zijn in het in titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gegevensbestand. Frankrijk moet alle nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de nauwkeurigheid van de statistische gegevens door deze berekeningsmethoden wordt gegarandeerd.

(6)

Na bestudering van de door de Franse autoriteiten verstrekte technische documentatie blijkt dat het verzoek moet worden ingewilligd.

(7)

Deze beschikking is in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de landbouwstatistiek, dat is ingesteld bij Beschikking 72/279/EEG van de Raad (4),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Frankrijk wordt gemachtigd om in plaats van de in Richtlijn 93/24/EEG bedoelde enquête naar de rundveestapel in mei gebruik te maken van de identificatie- en registratieregeling voor runderen zoals bedoeld in titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 voor het verzamelen van alle statistische gegevens die nodig zijn om te voldoen aan de uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 2

Indien de in artikel 1 bedoelde regeling niet langer operationeel is of als hiermee geen betrouwbare statistische informatie over alle of bepaalde categorieën runderen meer kan worden verzameld, gaat Frankrijk voor de schatting van de rundveestapel of de categorieën in kwestie weer over op statistische enquêtes.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot Frankrijk.

Gedaan te Brussel, 3 juni 2005.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Lid van de Commissie


(1)   PB L 149 van 21.6.1993, blz. 5. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)   PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1. Verordening gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(3)   PB L 140 van 24.5.2001, blz. 69.

(4)   PB L 179 van 7.8.1972, blz. 1.