ISSN 1725-2598

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 311

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

47e jaargang
8 oktober 2004


Inhoud

 

I   Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

Bladzijde

 

*

Verordening (EG) nr. 1736/2004 van de Raad van 4 oktober 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van touw van synthetische vezels uit India

1

 

 

Verordening (EG) nr. 1737/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

10

 

 

Verordening (EG) nr. 1738/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot vaststelling, voor de sector suiker, van de vanaf 8 oktober 2004 geldende representatieve prijzen en de bedragen van de aanvullende invoerrechten voor melasse

12

 

 

Verordening (EG) nr. 1739/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

14

 

 

Verordening (EG) nr. 1740/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot vaststelling van het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer naar bepaalde derde landen van witte suiker voor de 8e deelinschrijving in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1327/2004

16

 

*

Verordening (EG) nr. 1741/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1291/2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer, uitvoer en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten

17

 

*

Verordening (EG) nr. 1742/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2235/92 houdende bepalingen ter uitvoering van de regeling inzake consumptiesteun voor op de Canarische Eilanden geproduceerde verse zuivelproducten

18

 

*

Verordening (EG) nr. 1743/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor knoflook met ingang van 1 september 2004

19

 

*

Verordening (EG) nr. 1744/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1490/2002 wat de vervanging van een als rapporteur optredende lidstaat betreft ( 1 )

23

 

*

Verordening (EG) nr. 1745/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 inzake de stopzetting van de visserij op schol door vaartuigen die de vlag van België voeren

24

 

*

Verordening (EG) nr. 1746/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1502/2004 inzake de stopzetting van de visserij op schol door vaartuigen die de vlag van België voeren

25

 

 

Verordening (EG) nr. 1747/2004 van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de offertes voor de uitvoer van haver, die zijn meegedeeld in het kader van de openbare inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1565/2004

26

 

 

II   Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

 

 

Raad

 

*

2004/680/EG:
Besluit van de Raad van 24 september 2004 tot afsluiting van het overleg met Guinee-Bissau op grond van artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst

27

 

*

2004/681/EG:
Besluit van de Raad van 24 september 2004 tot wijziging van Besluit 2001/131/EG houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de partnerschapsovereenkomst ACS-EG

30

 

 

Commissie

 

*

2004/682/EG:
Beschikking van de Commissie van 9 september 2004 tot toekenning van een extra aantal buitengaats door te brengen dagen aan Denemarken en het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig bijlage V van Verordening (EG) nr. 2287/2003 van de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3407)

32

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing

8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/1


VERORDENING (EG) Nr. 1736/2004 VAN DE RAAD

van 4 oktober 2004

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van touw van synthetische vezels uit India

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 11, lid 2,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   VORIG ONDERZOEK

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1312/98 (2) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op touw van synthetische vezels uit India.

B.   HUIDIG ONDERZOEK

(2)

Na de publicatie van het bericht dat de huidige antidumpingmaatregelen binnenkort zouden vervallen (3) heeft de Commissie een verzoek ontvangen om een herzieningsonderzoek in te leiden bij het vervallen van maatregelen dat werd ingediend door „het Liaison Committee of E.U. Twine, Cordage and Netting industries (Eurocord)” namens tien producenten die samen goed zijn voor een groot deel (53 %) van de totale productie in de EG van touw van synthetische vezels. Volgens het verzoek zal touw van synthetische vezels uit India waarschijnlijk opnieuw met schade veroorzakende dumping worden ingevoerd, indien de maatregelen vervallen.

(3)

Na overleg in het Raadgevend Comité was de Commissie van oordeel dat er voldoende bewijsmateriaal was om een herzieningsprocedure in te leiden (4) en is zij met een onderzoek begonnen ingevolge artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

(4)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van een voortzetting dan wel herhaling van dumping bestreek de periode van 1 juli 2002 tot 30 juni 2003 („het onderzoektijdvak”), het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van een voortzetting dan wel herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2000 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

(5)

De Commissie heeft de volgende partijen officieel van de inleiding van de herzieningsprocedure in kennis gesteld: de EG-producenten die het verzoek hadden ingediend, de overige producenten in de Gemeenschap, de exporteurs en de producenten/exporteurs in India, de haar bekende importeurs/handelaren, verwerkende bedrijven en toeleveranciers.

(6)

De Commissie verzocht de bovengenoemde partijen en alle andere partijen die zichzelf binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn bekend hadden gemaakt informatie in te dienen. Tevens werden de rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk bekend te maken en een verzoek in te dienen om een onderhoud.

(7)

De Commissie heeft alle haar bekende belanghebbende partijen, d.w.z. vier producenten/exporteurs in India, zes niet-verbonden importeurs/handelaren in de EU, elf toeleveranciers van grondstoffen in de EU en 23 verwerkende bedrijven in de EU, vragenlijsten toegezonden. Zij ontving van geen van hen antwoord.

(8)

Verder zond de Commissie vragenlijsten aan vijf ondernemingen van de EG-bedrijfstak die waren geselecteerd als een representatieve steekproef van de producenten in de Gemeenschap die achter het verzoek staan voor een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van maatregelen en vroeg zij elf niet-klagende producenten in de Gemeenschap om informatie. De vijf ondernemingen in de steekproef beantwoordden de vragenlijst terwijl de niet-klagende producenten hieraan geen gehoor gaven.

(9)

De Commissie heeft alle gegevens verzameld en geverifieerd die zij nodig had voor het vaststellen van de waarschijnlijkheid van een voortzetting dan wel herhaling van dumping en schade en om het belang van de Gemeenschap te kunnen bepalen. Bij de volgende producenten in de Gemeenschap werd een controle ter plaatse verricht:

Bexco NV (België),

Companhia Industrial de Cerdas Artificiais, SA — Cerfil (Portugal),

Companhia Industrial Têxtil, SA — Cordex (Portugal),

Companhia de Têxteis Sintéticos, SA — Cotesi (Portugal),

Cordoaria Oliveira, SA (Portugal).

C.   PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Product

(10)

Dit onderzoek heeft betrekking op hetzelfde product als het oorspronkelijke onderzoek, namelijk bindgaren, touw, kabel, al dan niet gevlochten, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of ommanteld met rubber of met kunststof, van polyethyleen of polypropyleen, ander dan bindtouw, van meer dan 50 000 decitex (5 g/m), alsmede andere synthetische vezels van nylon of andere polyamiden of van polyester, van meer dan 50 000 decitex (5 g/m). De bovenbeschreven producten worden ingedeeld onder de GN-codes 5607 49 11 , 5607 49 19 , 5607 50 11 en 5607 50 19 . Het product in kwestie kent een groot aantal verschillende toepassingen in de industrie en op zee, vooral in de scheepvaart (in het bijzonder voor de vervaardiging van meertouw), en in de visserij.

2.   Soortgelijk product

(11)

Zoals uit het vorige onderzoek bleek en in het huidig onderzoek werd bevestigd, zijn de verschillende soorten touw van synthetische vezels die in India verkocht worden, vergeleken met de soorten die naar de Gemeenschap voor de verwerkende industrie worden uitgevoerd, in alle opzichten gelijk en hebben derhalve dezelfde fysieke basis- en chemische kenmerken. Zij worden derhalve in de zin van artikel 1, lid 4 van de basisverordening beschouwd als soortgelijke producten.

(12)

Een belanghebbende partij betoogde dat het touw van synthetische vezels dat door de Indiase producenten/exporteurs werd vervaardigd en verkocht niet in alle opzichten gelijk was aan het door de producenten in de Gemeenschap geproduceerde touw omdat er een aantal kwaliteitsverschillen bestaan tussen beide soorten producten.

(13)

Kwaliteitsverschillen tussen beide producten betekenen echter niet dat de producten niet kunnen worden beschouwd als soortgelijke producten daar zij dezelfde fysische, technische en chemische basiskenmerken hebben of een nauwe gelijkenis met elkaar vertonen.

(14)

In het huidige onderzoek en in het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van de huidige maatregelen, werd vastgesteld dat touw van synthetische vezels dat door de producenten in de Gemeenschap wordt vervaardigd concurreert met touw van synthetische vezels dat uit India wordt uitgevoerd. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

D.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING OF HERVATTING VAN DUMPING

(15)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening werd onderzocht of het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot een hervatting van dumping. Omdat geen van de Indiase producenten/exporteurs zijn medewerking verleende, moest de Commissie bij dit onderzoek uitgaan van de informatie waarover zij beschikte van andere bronnen.

1.   Ter inleiding

(16)

Van de vier in het verzoek om een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van maatregelen genoemde Indiase producenten/exporteurs, verklaarde één bij de aanvang van het onderzoek het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap te hebben uitgevoerd. De diensten van de Commissie adviseerden de onderneming de gevraagde informatie desalniettemin te verstrekken doch deze gaf hieraan geen gehoor. Een andere onderneming verklaarde eveneens het product tijdens het onderzoektijdvak niet te hebben uitgevoerd naar de Gemeenschap maar deed dit nadat de termijn voor het indienen van de vragenlijst was verstreken. Een derde onderneming verklaarde tijdens het onderzoektijdvak niets naar de Gemeenschap te hebben uitgevoerd en bovendien haar activiteiten te hebben gestaakt zodat zij de vragenlijst niet kon beantwoorden. Alle ondernemingen in kwestie werden er op gewezen dat indien geen medewerking werd verleend dit tot gevolg kan hebben dat overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebruik wordt gemaakt van de beschikbare gegevens.

(17)

Omdat geen van de Indiase producenten/exporteurs de vragenlijst van de diensten van de Commissie had beantwoord werd overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens met inbegrip van de gegevens die door de producenten van de Gemeenschap waren verstrekt bij hun verzoek om een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van maatregelen.

(18)

De invoer van het betrokken product uit India daalde aanzienlijk nadat in 1998 antidumpingrechten werden ingesteld. Tijdens het onderzoektijdvak bedroeg deze invoer minder dan 20 t per jaar, d.w.z. minder dan 0,1 % van het verbruik in de Gemeenschap.

(19)

Omdat de uitvoer naar de EU-markt niet erg hoog was, werd onderzocht hoe de invoer van touw van synthetische vezels uit India zich zou ontwikkelen indien de maatregelen zouden komen te vervallen. Hierbij werd zowel naar de uitvoerprijs als de uitgevoerde hoeveelheden gekeken.

2.   Dumping van invoer tijdens het onderzoektijdvak

(20)

In het oorspronkelijke onderzoek werden dumpingmarges vastgesteld van 53,0 % voor de medewerkende onderneming en 82,0 % voor de overige producenten/exporteurs. Om dergelijke hoge dumpingmarges te kunnen compenseren zouden de uitvoerprijzen dan ook aanzienlijk moeten worden verhoogd of de normale waarde in de periode sedert de instelling van de oorspronkelijke maatregelen in belangrijke mate moeten zijn gedaald.

(21)

De normale waarden in het oorspronkelijke onderzoek waren grotendeels gebaseerd op de binnenlandse prijzen op de markt in India zoals deze waren opgegeven door de medewerkende onderneming. Volgens informatie in het verzoek om een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van maatregelen zijn deze prijzen in de vijf jaar voorafgaand aan het oorspronkelijke onderzoek met 10 à 20 % gedaald. Bij gebrek aan medewerking van de Indiase exporteurs van het betrokken product werd derhalve vastgesteld dat de normale waarde in de vijf jaar voorafgaand aan het oorspronkelijke onderzoek eveneens is gedaald met een soortgelijk percentage.

(22)

Volgens de Indiase uitvoerstatistieken daalden de gemiddelde prijzen van de Indiase uitvoer naar alle landen, van de twee productgroepen, d.w.z. producten die worden ingedeeld onder de GN-subposten 5607 49 en 5607 50 , met achtereenvolgens 46 % en 51 % tussen 1997/98 en 2002/2003. Soortgelijke prijsdalingen in deze periode werden vastgesteld voor elk van de voornaamste markten van de Indiase uitvoer, zoals Noorwegen en de VS, afzonderlijk genomen. Deze dalingen zijn sterker dan die van de normale waarde, zoals vermeld in overweging 21 zodat het niet waarschijnlijk is dat eventuele dumpingpraktijken in het oorspronkelijke onderzoek zouden zijn stopgezet. De normale waarde van een aantal soorten van het betrokken product uit India was tijdens het onderzoektijdvak bovendien hoger dan de prijzen op de EU-markt in die periode. Wanneer de Indiase exporteurs hun uitvoer naar de EU zouden hervatten, dan zouden de prijzen hiervan waarschijnlijk lager zijn dan de normale waarde, d.w.z. dumpingprijzen, tenminste voor een aantal soorten van het betrokken product.

(23)

In de meer gedetailleerde berekeningen per tariefcode die voor de Indiase uitvoer naar de VS en Noorwegen tijdens het onderzoektijdvak werden ingediend door de producenten in de Gemeenschap wordt rekening gehouden met verschillen in prijzen en de normale waarde tussen de verschillende soorten touw van synthetische vezels. Uit deze berekeningen blijkt dat de Indiase uitvoer naar derde landen nog steeds wordt gedumpt en dat de marges uiteenlopen van 53,4 % tot 222,2 %.

(24)

Omdat de Indiase exporteurs van het betrokken product geen medewerking verleenden en het betrokken product tijdens het onderzoek niet uitvoerden, kon de hoogte van de dumping tijdens het onderzoektijdvak niet worden vastgesteld. Uitgaande van de belangrijke daling van de Indiase uitvoerprijzen naar andere derde landen in de vijf jaar na het oorspronkelijke onderzoek in combinatie met een geringere daling van de binnenlandse prijzen in dezelfde periode, is de Commissie echter van oordeel dat de dumping van het betrokken product naar de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak waarschijnlijk hoger zou zijn dan die welke werd vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek.

3.   Ontwikkelingen van de invoer indien de maatregelen zouden worden ingetrokken

a)   Uitvoer naar andere landen (hoeveelheden en prijzen) en prijzen op de Indiase markt

(25)

De Indiase uitvoer naar andere landen steeg over het algemeen in de periode van vijf jaar na het oorspronkelijke onderzoek. Volgens de Indiase uitvoerstatistieken stegen de uitgevoerde hoeveelheden van de producten die worden ingedeeld onder de GN-subposten 5607 49 en 5607 50 , die voor het grootste deel bestaat uit het betrokken product, tussen 1997/98 en 2002/2003 met 104 %.

(26)

De uitvoerprijzen uit India naar de exportmarkten van derde landen lagen 17 % à 61 % lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Dit doet vermoeden dat de Indiase exporteurs hun uitvoer erg graag naar de EG-markt zouden willen verschuiven indien de maatregelen zouden komen te vervallen.

b)   Reservecapaciteit en investeringen

(27)

De enige producent/exporteur die zijn medewerking verleende in het oorspronkelijke onderzoek lijkt zijn capaciteit de afgelopen vijf jaar slechts licht te hebben verhoogd. Uit voor iedereen toegankelijke informatie blijkt echter dat een aantal andere belangrijke producenten in India hun capaciteit in belangrijke mate hebben uitgebreid of voornemens zijn dit in de nabije toekomst te doen. In het verzoek om een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen is de bedrijfstak van de EG van oordeel dat de totale capaciteit van de Indiase producent meer dan 110 000 t bedraagt, ruim boven het huidige productieniveau van ongeveer 40 000 t, hetgeen neerkomt op ongeveer 275 % van het verbruik in de Gemeenschap. Omdat de Indiase producenten geen medewerking verleenden en er derhalve geen betrouwbare informatie beschikbaar is, zou dit erop duiden dat een grote reservecapaciteit beschikbaar is, zodat het waarschijnlijk is dat de uitvoer naar de Gemeenschap zou worden hervat indien de maatregelen komen te vervallen.

(28)

De Commissie beschikte niet over informatie met betrekking tot recente of geplande investeringen van de Indiase exporteurs die van invloed zouden zijn op de productiecapaciteit.

c)   Ontwijking/absorptiepraktijken in het verleden

(29)

De bedrijfstak van de EG betoogde dat toen de uitvoer van de producten die aan maatregelen zijn onderworpen en zijn ingedeeld onder GN-post 5607 („bindgaren, touw of kabel …”) werd gestaakt, de uitvoer van producten van GN-post 5609 („artikelen van bindgaren, touw of kabel …”) sterk omhoog ging, van 200 t tot 800 t tussen 1997 en 2002, terwijl de gemiddelde prijs van deze uitvoer daalde van 2,51 EUR tot 1,58 EUR per ton. De uit hoofde van GN-post 5609 uitgevoerde producten worden vervaardigd door dezelfde producenten en vertonen grote overeenkomsten met de producten die onderworpen zijn aan de maatregelen, zelfs in die mate dat zich problemen voordoen bij de douane-indeling en -inspectie. Dit punt werd door de producenten in de Gemeenschap onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie, de nationale douaneautoriteiten van Italië en die van het Verenigd Koninkrijk. Onderzoek bevestigde vervolgens dat er in een aantal gevallen inderdaad sprake was van een onjuiste indeling en de EU-douaneautoriteiten ondernamen stappen om mogelijke ontwijking van de bestaande antidumpingmaatregelen te voorkomen.

(30)

Dit gedrag kan, los van de eventuele ontwijking, worden beschouwd als een teken dat de Indiase producenten/exporteurs zeer geïnteresseerd zijn in verkoop op de EG-markt.

4.   Conclusie over de waarschijnlijkheid van een herhaling van dumping

(31)

De feiten waarover de Commissie bij gebrek aan medewerking van de Indiase producenten/exporteurs beschikt, wijzen erop dat de uitvoer naar derde landen nog steeds geschiedt tegen dumpingprijzen, met dumpingmarges die hoger zijn dan die in het oorspronkelijke onderzoek. Het feit dat de gemiddelde uitvoerprijzen sneller zijn gedaald dan de normale waarde wijst erop dat de Indiase exporteurs na 1997 niet zijn gestopt met hun dumping doch deze meer hebben gericht op de markten van derde landen.

(32)

Het strategisch belang dat de Indiase producenten hechten aan de Europese markt, gekoppeld aan hun enorme reservecapaciteit, wijst erop dat zij hun uitvoer naar de Gemeenschap waarschijnlijk zouden hervatten, met belangrijke hoeveelheden, indien de maatregelen zouden komen te vervallen. Rekening houdend met de beschikbare feiten over het prijsgedrag van de Indiase exporteurs op de markt van derde landen, de daling van de normale waarde en het feit dat de normale waarde van bepaalde soorten van het betrokken product hoger is dan de prijzen op de EU-markt, is het zeer waarschijnlijk dat een hervatting van de uitvoer gepaard zou gaan met dumpingprijzen. Het vervallen van de maatregelen leidt dan ook waarschijnlijk tot een herhaling van de uitvoer met dumping.

E.   DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE EG EN STEEKPROEVEN

(33)

Tien EG-producenten, namens wie het verzoek voor een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen was ingediend door Eurocord, verleenden hun medewerking aan het onderzoek. Tijdens het onderzoek werd duidelijk dat de gegevens van één EG-producent niet betrouwbaar waren zodat dit bedrijf overeenkomstig artikel 18, lid 1 van de basisverordening werd beschouwd als een onderneming die geen medewerking verleende. Deze EG-producent werd derhalve uitgesloten van de definitie van de EG-bedrijfstak. De negen overige ondernemingen vertegenwoordigen 53 % van de EG-productie van touw van synthetische vezels in het onderzoektijdvak en vormen derhalve de EG-bedrijfstak in de zin van artikel 4, lid 1 en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

(34)

Gezien het grote aantal EG-producenten dat zich achter het verzoek om een herzieningsonderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen had geschaard, en overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening, besloot de Commissie haar onderzoek uit te voeren op basis van een steekproef van EG-producenten. De steekproef werd uitgekozen op basis van de grootste representatieve productie en de verkochte hoeveelheden die redelijkerwijze binnen de beschikbare tijd konden worden onderzocht.

(35)

Zoals vermeld in overweging 8 werden aanvankelijk vijf ondernemingen geselecteerd voor de steekproef, waarbij werd uitgegaan van hun productie en de verkochte hoeveelheden die zij hadden opgegeven na de inleiding van het onderzoek. Op grond van de in overweging 33 vermelde redenen moest één EG-producent die niet kon worden beschouwd als EG-producent uit de steekproef worden genomen. De vier overige ondernemingen zijn goed voor 66 % van de productie en 62 % van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap die bestaat uit de negen klagende ondernemingen zoals vermeld in overweging 33. De definitieve steekproef bestond uit de volgende ondernemingen die allemaal in Portugal zijn gevestigd:

Companhia Industrial de Cerdas Artificiais, SA („Cerfil”)

Companhia Industrial Têxtil, SA („Cordex”)

Companhia de Têxteis Sintéticos, SA („Cotesi”)

Cordoaria Oliveira, SA.

(36)

In het vorige onderzoek werd de steekproef eveneens samengesteld op basis van de productie en de verkochte hoeveelheden en werden uiteindelijk acht bedrijven geselecteerd. Met uitzondering van Cerfil, maakten alle hierboven vermelde ondernemingen ook deel uit van de steekproef in het eerdere onderzoek.

F.   SITUATIE VAN DE EG-BEDRIJFSTAK

1.   Verbruik op de EG-markt

(37)

Het zichtbaar EG-verbruik van touw van synthetische vezels werd vastgesteld op basis van de verkochte hoeveelheden van de EG-bedrijfstak en andere EG-producenten op de EG-markt vermeerderd met de invoer uit India en andere derde landen in de Gemeenschap, uitgaande van Eurostat-gegevens.

(38)

Tussen 2000 en het onderzoektijdvak daalde het zichtbaar communautair verbruik met 9,4 % van 39 825 t in 2000 tot 36 093 t in het onderzoektijdvak. Een van de voornaamste redenen voor deze daling in het verbruik is een daling van de vraag naar touw van synthetische vezels van de visnetindustrie als gevolg van een verlaging van de vangstquota in de Gemeenschap. Deze vangstquota werden in de betrokken periode geleidelijk teruggebracht van ongeveer 4,99 miljoen t in 2000 tot 4,12 miljoen t in 2003, d.w.z. met ongeveer 17,4 %.

2.   Invoer uit India

(39)

Nadat in 1998 maatregelen waren ingesteld daalde de invoer uit India aanzienlijk en bleef in de gehele periode in kwestie te verwaarlozen met een marktaandeel van minder dan 0,1 %.

3.   Invoer uit andere derde landen

(40)

De invoer uit andere derde landen steeg tijdens de betrokken periode met 44 % (d.w.z. van 8 280 t in 2000 tot 11 893 t in het onderzoektijdvak). Dit komt neer op een stijging van het marktaandeel van 20,8 % in 2000 tot 33,0 % in het onderzoektijdvak. De belangrijkste exportlanden in het onderzoektijdvak waren de toetredende landen Tsjechië, Polen, Hongarije, gevolgd door de Republiek China en Tunesië. De gemiddelde prijzen van deze landen daalden van 3,3 EUR/kg tot 2,8 EUR/kg in de betrokken periode.

4.   Economische situatie van de EG-bedrijfstak

Ter inleiding

(41)

Sedert het oorspronkelijke tijdvak hebben verschillende klagende ondernemingen hun activiteiten volledig stopgezet en hun bedrijven gesloten, bijvoorbeeld Ostend Stores (België), Brindon Marine (VK), Irish Ropes (Ierland), Lima (Portugal) en Carlmark (Zweden).

(42)

Alle in artikel 3, lid 5, van de basisverordening vermelde schade-indicatoren werden onderzocht voor de ondernemingen in de steekproef. Een aantal van deze schade-indicatoren (d.w.z. productie, verkoop, marktaandeel, werkgelegenheid en productiviteit) werden niet alleen ten aanzien van de vier bedrijven in de steekproef onderzocht maar ook voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

Gegevens voor de bedrijfstak als geheel

(43)

In overeenstemming met de daling van het verbruik in de EG, daalden de verkochte hoeveelheden van de EG-bedrijfstak op de EG-markt tijdens de betrokken periode, zij het in mindere mate. Terwijl het EG-verbruik met 9,4 % omlaag ging, daalden de verkochte hoeveelheden van de EG-bedrijfstak van 16 587 t in 2000 tot 15 457 t in het onderzoektijdvak, d.w.z. met 6,8 %.

(44)

De productie van het soortgelijke product van de EG-bedrijfstak daalde tijdens de betrokken periode met 3,9 % van 18 782 t in 2000 tot 18 053 t in het onderzoektijdvak.

(45)

Omdat de daling van het verbruik in de Gemeenschap sterker was dan de daling van de verkoop van de EG-bedrijfstak in de periode tussen 2000 en het onderzoektijdvak, daalde het marktaandeel van de EG-bedrijfstak licht, van 41,6 % in 2000 tot 42,8 % in het onderzoektijdvak.

(46)

De werkgelegenheidssituatie van de EG-bedrijfstak liet een achteruitgang zien in de betrokken periode: van 1 076 personen in 2000 tot 992 personen in het onderzoektijdvak. De productiviteit, gemeten als productie per jaar per werknemer steeg in die zelfde periode van 17 454 kg tot 18 194 kg.

Gegevens met betrekking tot de EG-producenten in de steekproef

a)   Productie, productiecapaciteit en capaciteitsbenutting

(47)

De productiecapaciteit bleef tijdens de betrokken periode op hetzelfde peil terwijl het productievolume van de ondernemingen in de steekproef licht daalde met 1,7 % van 12 136 t in 2000 tot 11 928 t in het onderzoektijdvak, hetgeen resulteerde in een lichte daling van de capaciteitsbenutting van 87 % in 2000 tot 85 % in het onderzoektijdvak.

b)   Voorraden

(48)

De producenten van touw van synthetische vezels houden hun voorraden over het algemeen onder de 10 % van hun productievolume omdat zij grotendeels op bestelling produceren. De gemiddelde voorraden lieten tijdens de betrokken periode echter een negatieve trend zien en stegen met 18 % van 853 t in 2000 tot 1 007 t in het onderzoektijdvak.

c)   Verkochte hoeveelheden en marktaandeel

(49)

De verkochte hoeveelheden daalde met 7,5 % van 10 484 t in 2000 tot 9 699 t in het onderzoektijdvak. Net als bij de EG-bedrijfstak daalde het marktaandeel van de ondernemingen in de steekproef licht van 26,3 % in 2000 tot 26,9 % in het onderzoektijdvak.

d)   Verkoopprijzen, factoren die van invloed zijn op de prijzen en winstgevendheid van de Gemeenschap

(50)

De gemiddelde prijzen van het soortgelijke product dat in de Gemeenschap wordt verkocht bleven ongewijzigd op 2,2 EUR/kg in de betrokken periode. Ondanks dit stabiele prijsniveau daalde de winst vóór belasting aanzienlijk van 9,8 % van de omzet in 2000 tot 0,7 % in het onderzoektijdvak, hoofdzakelijk als gevolg van een stijging van de gemiddelde kosten.

(51)

De voornaamste oorzaken van deze stagnerende prijzen waren enerzijds de verslechtering aan de vraagzijde en anderzijds, als gevolg van de scherpe concurrentie op de markt, de onmogelijkheid om het prijsniveau op te trekken tot het niveau van vóór de maatregelen in 1998, toen de schadelijke dumping uit India zich voordeed.

e)   Investeringen en het vermogen om kapitaal bijeen te brengen

(52)

Ondanks de negatieve ontwikkelingen van bovengenoemde schade-indicatoren, stegen de investeringen van 809 432 EUR in 2000 tot 1 768 029 EUR in het onderzoektijdvak, d.w.z. met 118,4 %. De ondernemingen in de steekproef ondervonden geen problemen bij het verkrijgen van toegang tot nieuw kapitaal.

f)   Rendement van de investeringen

(53)

Aansluitend op de dalende trend van de winstgevendheid, liet het rendement van de investeringen een achteruitgang zien van 12 % in 2000 tot 3 % in het onderzoektijdvak.

g)   Kasstroom

(54)

Het betreft hier een kapitaalintensieve bedrijfstak met hoge afschrijvingen die rechtstreekse gevolgen hebben voor de kasstroom. De kasstroom bleef tijdens de betrokken periode positief maar liep wel achteruit van 4,66 miljoen EUR in 2000 tot 2,23 miljoen EUR in het onderzoektijdvak.

h)   Werkgelegenheid, productiviteit en arbeidskosten

(55)

Zoals blijkt uit de beoordeling van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel, ging ook de werkgelegenheidssituatie bij vier ondernemingen in de steekproef achteruit. De werkgelegenheid daalde met 7,1 % van 747 werknemers in 2000 tot 694 in het onderzoektijdvak. De productiviteit per werknemer ging tijdens de betrokken periode met 5,8 % omhoog. De productiviteitsverbetering moet worden gezien als een resultaat van de investeringen in hoog-technologische machines voor de vervaardiging van touw in de betrokken periode.

(56)

Hoewel het aantal werknemers in de ondernemingen in de steekproef tussen 2000 en het onderzoektijdvak daalde lieten de totale arbeidskosten een stijgende lijn zien van 4,49 miljoen EUR tot 4,84 miljoen EUR, d.w.z. met 7,8 %.

Omvang van de dumpingmarge

(57)

Omdat de invoer van het betrokken product uit India tijdens het onderzoektijdvak verwaarloosbaar was kon geen dumpingmarge worden vastgesteld.

Herstel van dumping in het verleden

(58)

Onderzocht werd of de bedrijfstak van de Gemeenschap zich nog aan het herstellen is van de gevolgen van dumping in het verleden. Gezien de talloze negatieve economische indicatoren die betrekking hebben op de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel en de EG-producenten in de steekproef, is het echter waarschijnlijk dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die voor een deel weliswaar vooruitgaat, nog steeds niet volledig is hersteld van de schadelijke gevolgen van dumping in het verleden.

Conclusie over de situatie van de EG-markt

(59)

Ondanks het feit dat er momenteel doeltreffende antidumpingrechten zijn ten aanzien van de invoer uit India, bevindt de EG-bedrijfstak zich nog steeds in een kwetsbare positie, waarbij de aantekening moet worden gemaakt dat een aantal indicatoren een verbetering laat zien ten opzichte van de definitieve bevindingen in het oorspronkelijke onderzoek (bijvoorbeeld de winstgevendheid) en andere indicatoren een beduidend positieve ontwikkeling (bijvoorbeeld marktaandeel, investering en productiviteit).

(60)

Met uitzondering van het marktaandeel en investeringen, die omhoog gingen, en de productiecapaciteit, de gemiddelde prijzen en het vermogen om kapitaal bijeen te brengen die stabiel bleven, lieten alle overige schade-indicatoren een negatieve ontwikkeling zien. Deze factoren werden onderzocht voor de EG-bedrijfstak als geheel en voor de ondernemingen in de steekproef en vertonen een soortgelijke ontwikkeling.

(61)

De hierboven beschreven negatieve ontwikkeling van de bedrijfstak kan, gezien de doeltreffende rechten die zijn ingesteld niet worden toegeschreven aan de invoer uit India. De oorzaak van de zwakke financiële situatie van de EG-bedrijfstak kan worden toegeschreven aan i) de afnemende vraag die hoofdzakelijk voortvloeit uit de inkrimping van de Europese visserijvloot en de verlaging van de vangstquota’s, ii) de opmerkelijke toename van de invoer uit en het marktaandeel van andere landen dan India (hoofdzakelijk de toetredende landen) met de dien overeenkomstig verlies van verkoopvolume van de EG-bedrijfstak, iii) prijzen die nooit het niveau hebben bereikt van vóór de dumping als gevolg van de scherpe concurrentie op de markt die het resultaat is van de toenemende invoer uit andere landen dan India en iv) de neerwaartse trend van de economie als geheel vanaf 2001.

(62)

Anderzijds bleek dat de winstgevendheid van de EG-bedrijfstak tijdens de betrokken periode in het oorspronkelijke onderzoek (d.w.z. van januari 1993 tot mei 1997) minder gunstig was dan tijdens de betrokken periode in dit herzieningsonderzoek. Dit duidt op een relatieve verbetering van de situatie van de EG-bedrijfstak nadat de rechten zijn ingesteld.

(63)

Een belangrijke factor voor de levensvatbaarheid van de EG-bedrijfstak in het algemeen zijn de investeringen. De investeringen lieten tijdens de betrokken periode meer dan een verdubbeling zien waaruit blijkt dat de bedrijfstak zichzelf als levensvatbaar beschouwt. Uit de verbetering van de productiviteit en de toename van het marktaandeel van de EG-bedrijfstak blijkt dat deze bedrijfstak, ondanks de intense concurrentie van andere derde landen, er niet alleen in slaagde zijn positie op de EG-markt te behouden maar zelfs licht kon versterken.

G.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN EEN HERHALING VAN SCHADE

(64)

Bij de beoordeling van de waarschijnlijke gevolgen van het vervallen van de thans geldende maatregelen voor de situatie van de EG-bedrijfstak werd rekening gehouden met een aantal factoren zoals uiteengezet in de overwegingen 31 en 32.

(65)

Zoals reeds vermeld zou dumping bij de invoer van het betrokken product uit India worden hervat indien de antidumpingmaatregelen zouden komen te vervallen. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat in dat geval de omvang van de invoer met dumping in de Gemeenschap aanzienlijk zou toenemen als gevolg van de enorme reservecapaciteit van de Indiase producenten. Zoals uiteengezet in overweging 27 beschikken de Indiase producenten/exporteurs over een reservecapaciteit van ongeveer 70 000 t, d.w.z. bijna tweemaal de omvang van de EG-markt in het onderzoektijdvak (36 093 t).

(66)

Onderzoek van de uitvoer van de Indiase exporteurs aan derde landen (de VS en Noorwegen), die volgens zeggen zou plaatsvinden tegen dumpingprijzen, wijst er duidelijk op dat de prijs van Indiase uitvoer, indien deze zou worden hervat naar de Gemeenschap, de prijzen van de EG-bedrijfstak zou onderbieden. Uitgaande van de officiele handelsstatistieken in de VS en Noorwegen, bedroeg de gewogen gemiddelde exportprijs van het betrokken product 1,73 EUR/kg bij uitvoer naar de VS en 1,70 EUR/kg bij uitvoer naar Noorwegen. Deze gemiddelde prijzen zouden de gemiddelde prijs van de EG-bedrijfstak voor het soortgelijke product onderbieden met achtereenvolgens 21 % en 22 %.

(67)

De EG-bedrijfstak bevindt zich nog steeds in een moeilijke situatie, met name wat betreft de winstgevendheid; deze liet een opmerkelijke verbetering zien net nadat de maatregelen in kwestie waren ingesteld, doch verslechterde vervolgens weer aanzienlijk als gevolg van de in overweging 51 uiteengezette oorzaken.

(68)

Op grond van het bovenstaande wordt vastgesteld dat de hernieuwde invoer van het betrokken product uit India opnieuw tot schade zou leiden.

H.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Inleiding

(69)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening werd onderzocht of een verlenging van de bestaande antidumpingmaatregelen tegen het belang van de Gemeenschap als geheel zou indruisen. Hierbij werden alle verschillende belangen onderzocht, d.w.z. die van de EG-bedrijfstak, andere EG-producenten, de importeurs/handelaren alsmede de verwerkende bedrijven en toeleveranciers van grondstoffen van het betrokken product.

(70)

In het eerdere onderzoek werd vastgesteld dat goedkeuring van de maatregelen niet zou indruisen tegen het belang van de Gemeenschap. In het huidige herzieningsonderzoek kan derhalve worden nagegaan of de invoering van maatregelen negatieve gevolgen had voor het belang van de Gemeenschap.

(71)

Hiertoe werd onderzocht of er ondanks de waarschijnlijke hervatting van schadelijke dumping indien de maatregelen zouden komen te vervallen, dwingende redenen zijn om vast te stellen dat het niet in het belang is van de Gemeenschap de bestaande maatregelen in dit specifieke geval te handhaven.

2.   Belangen van de EG-bedrijfstak

(72)

De EG-bedrijfstak is ondanks de negatieve ontwikkeling van zijn financiële situatie tijdens de betrokken periode, structureel gezien levensvatbaar omdat deze bedrijfstak zijn niet onaanzienlijke marktaandeel kon behouden. Voorts beschouwt deze bedrijfstak zichzelf als levensvatbaar hetgeen werd aangetoond door de scherpe stijging van zijn investeringen in de betrokken periode. Gezien de conclusies met betrekking tot de situatie van de EG-bedrijfstak zoals uiteengezet in de overwegingen 59 tot en met 61, met name wat betreft de extreem lage winstgevendheid en gelet op de in deel G opgenomen argumenten is de Commissie van oordeel dat de financiële situatie van de EG-bedrijfstak, indien geen maatregelen worden genomen, waarschijnlijk zal verslechteren. Uitgaande van de verwachte omvang en de prijzen van de invoer van het betrokken product uit India nadat de maatregelen zouden komen te vervallen zou de EG-bedrijfstak nog meer risico lopen, waardoor het marktaandeel achteruit zou gaan, een neerwaartse druk zou worden uitgeoefend op de prijzen en de winstgevendheid dezelfde negatieve weg zou afleggen als die in de betrokken periode in het oorspronkelijke onderzoek. Handhaving van de bestaande maatregelen druist derhalve niet in tegen het belang van de EG-bedrijfstak.

3.   Belang van andere producenten

(73)

De Commissie vroeg 11 niet-klagende producenten in de Gemeenschap informatie te verstrekken. Geen van hen vulde de vragenlijst in.

(74)

De niet-klagende producenten van het soortgelijke product zouden, gezien de waarschijnlijke hoeveelheden van het betrokken product die, indien de maatregelen zouden komen te vervallen, uit India naar de Gemeenschap zouden worden uitgevoerd, en de prijzen hiervan, hun marktaandeel en hun economische situatie ook achteruit zien gaan.

(75)

Omdat er geen aanwijzingen zijn die op het tegenovergestelde duidden wordt derhalve vastgesteld dat voortzetting van de maatregelen geen negatieve gevolgen zou hebben voor de niet-klagende EG-producenten.

4.   Belang van de niet-verbonden importeurs/handelaren en toeleveranciers van grondstoffen

(76)

De Commissie zond zes niet-verbonden importeurs/handelaren en elf toeleveranciers van grondstoffen vragenlijsten.

(77)

Slechts een van de zes niet-verbonden importeurs/handelaren die 0,07 % van het EG-verbruik van het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak voor zijn rekening namen, diende argumenten in tegen voortzetting van de rechten. Deze onderneming verstrekte echter geen informatie of bewijsmateriaal met betrekking tot de gevolgen van de thans geldende maatregelen voor zijn onderneming en kon evenmin naar behoren uiteenzetten in welke mate handhaving van het recht zijn positie als importeur negatief zou beïnvloeden. De overige vijf niet-verbonden importeurs dienden geen opmerkingen of informatie in.

(78)

Een toeleverancier van grondstoffen toonde zich echter uitdrukkelijk voorstander van handhaving van de maatregelen.

(79)

Onder deze omstandigheden wordt vastgesteld dat handhaving van de maatregelen geen negatieve gevolgen zou hebben voor de niet-verbonden importeurs/handelaren en de toeleveranciers van grondstoffen.

5.   Belang van de verwerkende bedrijven

(80)

De Commissie zond 23 verwerkende bedrijven van het betrokken product, hoofdzakelijk visserij- en scheepvaartbedrijven, vragenlijsten. Geen van hen vulde de vragenlijst volledig in. Een verwerkend bedrijf maakte bezwaar tegen voortzetting van de maatregelen doch kon dit niet met redenen omkleden.

(81)

Omdat vrijwel geen van de verwerkende bedrijven medewerking verleende en de gevolgen van rechten verwaarloosbaar zijn vergeleken met de voornaamste kosten van de verwerkende bedrijven (d.w.z. afschrijving van de vaartuigen, brandstof, verzekering, arbeid en onderhoud), wordt vastgesteld dat voortzetting van de maatregelen geen negatieve gevolgen zal hebben voor dergelijke verwerkende bedrijven.

6.   Conclusie

(82)

Verwacht wordt dat de gevolgen van de voortzetting van maatregelen de EG-bedrijfstak zou helpen zijn winstgevendheid te verbeteren hetgeen positieve gevolgen zou hebben voor de concurrentie op de EG-markt en ertoe zal leiden dat de dreiging van verdere sluitingen en verlies van werkgelegenheid afneemt. Verwacht wordt dat de EG-producenten als gevolg van de positieve gevolgen de vruchten kunnen plukken van de investeringen in de afgelopen jaren zodat zij nieuwe hoog-technologische producten blijven ontwikkelen voor nieuwe en gespecialiseerde toepassingen.

(83)

Gezien bovenstaande conclusies over de gevolgen van voortzetting van de maatregelen voor de verschillende partijen op de EG-markt, wordt vastgesteld dat voortzetting van de maatregelen niet indruist tegen het belang van de Gemeenschap.

I.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(84)

Alle betrokken partijen werden op de hoogte gebracht van de fundamentele feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens is handhaving van de bestaande maatregelen in hun huidige vorm aan te bevelen. Tevens werd een periode vastgesteld waarbinnen zij naar aanleiding van deze bekendmaking opmerkingen konden maken; geen van hen dienden echter opmerkingen in die wijziging van de bovenstaande bevindingen zou rechtvaardigen.

(85)

Uit het bovenstaande volgt dat, zoals bepaald in artikel 11, lid 2, van de basisverordening, de antidumpingrechten die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1312/98 moeten worden gehandhaafd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Hierbij wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of ommanteld met rubber of kunststof van polyethyleen of polypropyleen, ander dan bindtouw, van meer dan 50 000 decitex (5 g/m), alsmede andere synthetische vezels van nylon of andere polyamiden of van polyester, van meer dan 50 000 decitex (5 g/m), ingedeeld onder de GN-codes 5607 49 11 , 5607 49 19 , 5607 50 11 en 5607 50 19 van oorsprong uit India.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens-Gemeenschap, vóór inklaring bedraagt:

voor producten vervaardigd door:

Garware Wall Ropes Ltd: 53,0 % (aanvullende Taric-code 8755),

Overige producenten: 82,0 % (aanvullende Taric-code 8900).

Artikel 2

Tenzij anders vermeld zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 3

Deze verordening treedt de dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 4 oktober 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

A. J. DE GEUS


(1)   PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)   PB L 183 van 26.6.1998 blz. 1.

(3)   PB C 240 van 5.10.2002, blz. 2.

(4)   PB C 149 van 26.6.2003, blz. 12.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/10


VERORDENING (EG) Nr. 1737/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3223/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor groenten en fruit (1), en met name op artikel 4, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 3223/94 zijn op grond van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de periodes die in de bijlage bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

Op grond van de bovenvermelde criteria moeten de forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld op de in de bijlage bij deze verordening vermelde niveaus,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3223/94 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld zoals aangegeven in de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)   PB L 337 van 24.12.1994, blz. 66. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1947/2002 (PB L 299 van 1.11.2002, blz. 17).


BIJLAGE

bij de verordening van de Commissie van 7 oktober 2004 tot vaststelling van forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijzen van bepaalde soorten groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

052

60,7

999

60,7

0707 00 05

052

79,2

999

79,2

0709 90 70

052

84,9

999

84,9

0805 50 10

052

63,5

388

65,4

524

40,6

528

43,5

999

53,3

0806 10 10

052

85,0

624

85,8

999

85,4

0808 10 20 , 0808 10 50 , 0808 10 90

052

85,9

388

92,7

400

91,8

508

97,6

512

110,5

800

155,5

804

89,4

999

103,3

0808 20 50

052

98,2

388

83,7

999

91,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11). De code „ 999 ” staat voor „andere oorsprong”.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/12


VERORDENING (EG) Nr. 1738/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot vaststelling, voor de sector suiker, van de vanaf 8 oktober 2004 geldende representatieve prijzen en de bedragen van de aanvullende invoerrechten voor melasse

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 24, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1422/95 van de Commissie van 23 juni 1995 tot vaststelling, voor de sector suiker, van de uitvoeringsbepalingen voor de invoer van melasse en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 785/68 (2) is bepaald dat de cif-invoerprijs voor melasse, vastgesteld overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 785/68 van de Commissie (3), als „representatieve prijs” wordt aangemerkt. Deze prijs geldt voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 785/68.

(2)

Voor de vaststelling van de representatieve prijs moet rekening worden gehouden met alle in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 785/68 genoemde inlichtingen, behalve in de in artikel 4 van die verordening genoemde gevallen. In voorkomend geval, mag deze vaststelling plaatsvinden overeenkomstig de in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 785/68 aangegeven werkwijze.

(3)

Voor andere kwaliteiten dan de standaardkwaliteit moeten de prijzen naar gelang van de kwaliteit van de aangeboden melasse overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 785/68 worden verhoogd of verlaagd.

(4)

Op grond van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 785/68 kan een representatieve prijs bij uitzondering voor een beperkte tijd ongewijzigd gehandhaafd worden wanneer de Commissie geen kennis meer heeft kunnen nemen van de aanbiedingsprijs waarvan is uitgegaan voor de vorige vaststelling van de representatieve prijs, en wanneer de beschikbare aanbiedingsprijzen die niet voldoende representatief lijken te zijn voor de werkelijke markttendens, plotseling aanzienlijke wijzigingen van de representatieve prijs teweeg zouden brengen.

(5)

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de betrokken producten moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, lid 2, en artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1422/95.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1422/95 bedoelde producten worden vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

J. M. SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw


(1)   PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)   PB L 141 van 24.6.1995, blz. 12. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 79/2003 (PB L 13 van 18.1.2003, blz. 4).

(3)   PB L 145 van 27.6.1968, blz. 12. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1422/1995 (PB L 141 van 24.6.1995, blz. 12).


BIJLAGE

Vaststelling, voor de sector suiker, van de representatieve prijzen en de aanvullende invoerrechten voor melasse van toepassing vanaf 8 oktober 2004

(EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

Toe te passen recht bij invoer als gevolg van schorsing van de invoerrechten, als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1422/95, per 100 kg netto van het betrokken product (1)

1703 10 00  (2)

8,65

0

1703 90 00  (2)

10,10

0


(1)  Dit bedrag vervangt, overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1422/95, het voor deze producten vastgestelde bedrag van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in artikel 1 van de gewijzigde Verordening (EEG) nr. 785/68.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/14


VERORDENING (EG) Nr. 1739/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot vaststelling van de restituties bij uitvoer van witte en ruwe suiker in onveranderde vorm

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), inzonderheid op artikel 27, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan het verschil tussen de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt voor de in artikel 1, lid 1, onder a), van die verordening genoemde producten en de prijzen voor deze producten in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1260/2001 moeten de restituties voor witte suiker en ruwe suiker, welke niet gedenatureerd en in onveranderde vorm uitgevoerd zijn, vastgesteld worden rekening houdend met de toestand op de markt van de Gemeenschap en op de wereldmarkt voor suiker, en vooral met de in artikel 28 van genoemde verordening bedoelde prijs- en kostenelementen. Volgens dit artikel moet eveneens met het economische aspect van de voorgenomen uitvoertransactie rekening worden gehouden.

(3)

Voor ruwe suiker moet de restitutie vastgesteld worden voor de standaardkwaliteit die bepaald is in bijlage I, punt II, van Verordening (EG) nr. 1260/2001. Deze restitutie werd bovendien vastgesteld overeenkomstig artikel 28, lid 4, van deze verordening. Kandijsuiker werd omschreven in Verordening (EG) nr. 2135/95 van de Commissie van 7 september 1995 inzake uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van uitvoerrestituties in de sector suiker (2). Het aldus berekende restitutiebedrag voor gearomatiseerde suiker en suiker waaraan kleurstoffen zijn toegevoegd, moet gelden voor de hoeveelheid sacharose in de betreffende suiker en bijgevolg worden vastgesteld per percent sacharosegehalte.

(4)

In bijzondere gevallen kan het bedrag van de restitutie worden vastgesteld bij besluiten van verschillende aard.

(5)

De restitutie moet elke twee weken worden vastgesteld. De restitutie kan tussentijds gewijzigd worden.

(6)

Krachtens artikel 27, lid 5, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 kan de restitutie voor de in artikel 1 van deze verordening genoemde producten naar bestemming variëren indien dat vanwege de situatie op de wereldmarkt of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is.

(7)

De aanzienlijke en snelle toename van de preferentiële invoer van suiker uit de westelijke Balkanlanden sedert begin 2001 en de uitvoer van suiker uit de Gemeenschap naar die landen lijken grotendeels kunstmatig te zijn.

(8)

Ter voorkoming van misbruiken waarbij producten van de suikersector waarvoor een uitvoerrestitutie is toegekend, weer in de Gemeenschap worden ingevoerd, mag voor geen van de westelijke Balkanlanden een restitutie worden vastgesteld voor de in deze verordening bedoelde producten.

(9)

Op grond van bovenstaande overwegingen en van de huidige situatie van de suikermarkt, en met name van de noteringen of prijzen van suiker in de Gemeenschap en op de wereldmarkt, dienen de restituties op een passend niveau te worden vastgesteld.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties bij de uitvoer in onveranderde vorm van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 1260/2001 genoemde producten, welke niet gedenatureerd zijn, worden vastgesteld overeenkomstig de bedragen aangegeven in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)   PB L 214 van 8.9.1995, blz. 16.


BIJLAGE

RESTITUTIES BIJ UITVOER VAN WITTE SUIKER EN RUWE SUIKER IN ONVERANDERDE VORM VAN TOEPASSING VAN AF 8 OKTOBER 2004

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

1701 11 90 9100

S00

EUR/100 kg

38,89  (1)

1701 11 90 9910

S00

EUR/100 kg

38,85  (1)

1701 12 90 9100

S00

EUR/100 kg

38,89  (1)

1701 12 90 9910

S00

EUR/100 kg

38,85  (1)

1701 91 00 9000

S00

EUR/1 % saccharose × 100 kg nettogewicht product

0,4228

1701 99 10 9100

S00

EUR/100 kg

42,28

1701 99 10 9910

S00

EUR/100 kg

42,24

1701 99 10 9950

S00

EUR/100 kg

42,24

1701 99 90 9100

S00

EUR/1 % saccharose × 100 kg nettogewicht product

0,4228

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A ” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De numerieke codes voor de bestemmingen zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2081/2003 van de Commissie (PB L 313 van 28.11.2003, blz. 11).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

S00

:

alle bestemmingen (derde landen, andere gebieden, bevoorrading en met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde bestemmingen) met uitzondering van Albanië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Servië en Montenegro (met inbegrip van Kosovo, zoals gedefinieerd in Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999) en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië; de uitzondering geldt niet voor suiker die verwerkt is in producten als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad (PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29).


(1)  Dit bedrag geldt voor ruwe suiker met een rendement van 92 %. Indien het rendement van de geëxporteerde ruwe suiker afwijkt van 92 %, wordt het bedrag van de toe te passen restitutie berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1260/2001.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/16


VERORDENING (EG) Nr. 1740/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot vaststelling van het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer naar bepaalde derde landen van witte suiker voor de 8e deelinschrijving in het kader van de inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1327/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (1), en met name op artikel 27, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1327/2004 van de Commissie van 19 juli 2004 inzake een permanente inschrijving voor het verkoopseizoen 2004/2005 voor de vaststelling van heffingen en/of restituties bij uitvoer van witte suiker (2) worden deelinschrijvingen gehouden voor de uitvoer naar bepaalde derde landen van deze suiker.

(2)

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1327/2004, naar gelang van het geval, wordt een maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer vastgesteld voor de betrokken deelinschrijving, waarbij met name rekening wordt gehouden met de situatie en de te verwachten ontwikkeling van de suikermarkt in de Gemeenschap en daarbuiten.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor suiker,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de 8e deelinschrijving voor witte suiker, gehouden krachtens Verordening (EG) nr. 1327/2004, wordt het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer vastgesteld op 45,375 EUR/100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 39/2004 van de Commissie (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 16).

(2)   PB L 246 van 20.7.2004, blz. 23.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/17


VERORDENING (EG) Nr. 1741/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1291/2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer, uitvoer en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (1), en met name op artikel 26, lid 3, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wanneer invoercertificaten worden gebruikt om het preferentiële invoerrecht in het kader van tariefcontingenten te bepalen, kan met name in de gevallen waarin het verschil tussen het volledige recht en het verlaagde of het nulrecht groot is, een gevaar voor fraude in de vorm van het gebruik van vervalste certificaten bestaan. Om dit gevaar voor fraude tegen te gaan dient een regeling voor controle op de echtheid van de overgelegde certificaten te worden ingesteld.

(2)

Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie (2) moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van alle betrokken Comités van beheer,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1291/2000 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 50 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

„5.   Het douanekantoor dat de aangifte voor het vrije verkeer aanvaardt, bewaart een kopie van het overgelegde certificaat of uittreksel dat recht op toepassing van een preferentiële regeling geeft. Op basis van een risicoanalyse moet ten minste 1 % van de overgelegde certificaten, met een minimum van twee certificaten per douanekantoor per jaar, in de vorm van een kopie aan de op het certificaat vermelde instantie van afgifte worden toegezonden voor controle op de echtheid. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor elektronische certificaten en evenmin voor certificaten waarvoor de communautaire regelgeving in een andere wijze van controleren voorziet.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 160 van 26.6.1999, blz. 48. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 186/2004 van de Commissie (PB L 29 van 3.2.2004, blz. 6).

(2)   PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 636/2004 (PB L 100 van 6.4.2004, blz. 25).


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/18


VERORDENING (EG) Nr. 1742/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2235/92 houdende bepalingen ter uitvoering van de regeling inzake consumptiesteun voor op de Canarische Eilanden geproduceerde verse zuivelproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1454/2001 van de Raad van 28 juni 2001 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Canarische Eilanden en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 1601/92 (Poseican) (1), en met name op artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2235/92 van de Commissie (2) is bepaald dat de consumptiesteun voor op de Canarische Eilanden vervaardigde verse producten van koemelk wordt betaald voor maximaal 44 000 t volle koemelk voor een periode van twaalf maanden.

(2)

Volgens de recentste raming die de Spaanse autoriteiten hebben verstrekt, zal de maximale hoeveelheid van 44 000 t waarschijnlijk spoedig worden overschreden. Bijgevolg moet deze maximale hoeveelheid worden verhoogd tot 50 000 t.

(3)

Verordening (EEG) nr. 2235/92 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2235/92 wordt „44 000 t” vervangen door „50 000 t”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 198 van 21.7.2001, blz. 45. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).

(2)   PB L 218 van 1.8.1992, blz. 105. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1400/98 (PB L 187 van 1.7.1998, blz. 54).


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/19


VERORDENING (EG) Nr. 1743/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor knoflook met ingang van 1 september 2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op het Verdrag betreffende de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije,

Gelet op de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op artikel 41, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 565/2002 van de Commissie (1) is de wijze van beheer van tariefcontingenten vastgesteld en een stelsel van oorsprongscertificaten ingevoerd voor uit derde landen ingevoerde knoflook.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 228/2004 van de Commissie van 3 februari 2004 houdende vaststelling van overgangsmaatregelen voor Verordening (EG) nr. 565/2002 in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (2) zijn maatregelen vastgesteld om de importeurs uit die landen in staat te stellen gebruik te maken van Verordening (EG) nr. 565/2002. Met deze maatregelen werd beoogd een onderscheid te maken tussen traditionele en nieuwe importeurs uit de nieuwe lidstaten, en de definitie van „referentiehoeveelheid” zo aan te passen dat ook die importeurs van het betrokken systeem gebruik kunnen maken.

(3)

Om de continuïteit van de marktvoorziening in de uitgebreide Gemeenschap te waarborgen met inachtneming van de economische voorzieningsvoorwaarden die in de nieuwe lidstaten bestonden vóór hun toetreding, dient een nieuw tijdelijk en autonoom tariefcontingent voor de invoer van verse of gekoelde knoflook van GN-code 0703 20 00 te worden geopend. Dit nieuwe tariefcontingent komt bovenop het contingent dat is geopend bij Verordening (EG) nr. 1077/2004 van de Commissie van 7 juni 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van een autonoom tariefcontingent voor knoflook (3).

(4)

Het nieuwe tariefcontingent moet op een tijdelijke basis worden geopend en met de opening ervan mag niet worden vooruitgelopen op het resultaat van de onderhandelingen die in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aan de gang zijn ten gevolge van de toetreding van nieuwe leden.

(5)

Het Comité van beheer van groenten en fruit heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter bepaalde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met ingang van 1 september 2004 wordt een autonoom tariefcontingent van 4 400 ton (met volgnummer 09.4108), hierna „autonoom contingent” genoemd, geopend voor de communautaire invoer van verse of gekoelde knoflook van GN-code 0703 20 00 .

2.   Het ad-valoremrecht voor de in het kader van het autonome contingent ingevoerde producten bedraagt 9,6 %.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 565/2002 en Verordening (EG) nr. 228/2004 zijn van toepassing voor het beheer van het autonome contingent onder voorbehoud van het bepaalde in de onderhavige verordening.

Artikel 1, artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 565/2002 zijn evenwel niet van toepassing voor het beheer van het autonome contingent.

Artikel 3

De in het kader van het autonome contingent afgegeven invoercertificaten, hierna „certificaten” genoemd, zijn slechts geldig tot en met 31 maart 2005.

In vak 24 van de certificaten wordt een van de in bijlage I opgenomen vermeldingen aangebracht.

Artikel 4

1.   De importeurs kunnen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten certificaataanvragen indienen gedurende vijf werkdagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening.

In vak 20 van de aanvragen moet een van de in bijlage II opgenomen vermeldingen worden aangebracht.

2.   De door een importeur ingediende certificaataanvragen mogen betrekking hebben op ten hoogste 10 % van het autonome contingent.

Artikel 5

Het autonome contingent wordt als volgt verdeeld:

70 % voor de traditionele importeurs;

30 % voor de nieuwe importeurs.

Indien de aan een categorie importeurs toegewezen hoeveelheid door deze categorie niet volledig wordt gebruikt, kan het saldo aan de andere categorie worden toegewezen.

Artikel 6

1.   De lidstaten delen de Commissie op de zevende werkdag na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening mee voor welke hoeveelheden certificaten zijn aangevraagd.

2.   De certificaten worden afgegeven op de twaalfde werkdag na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening voorzover de Commissie geen bijzondere maatregelen als bedoeld in lid 3 heeft genomen.

3.   Wanneer de Commissie op basis van de overeenkomstig lid 1 aan haar meegedeelde gegevens constateert dat de certificaataanvragen de overeenkomstig artikel 5 voor een categorie importeurs beschikbare hoeveelheden overschrijden, stelt zij bij verordening een uniform verlagingspercentage voor de betrokken aanvragen vast.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 86 van 3.4.2002, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 537/2004 (PB L 86 van 24.3.2004, blz. 9).

(2)   PB L 39 van 11.2.2004, blz. 10.

(3)   PB L 203 van 8.6.2004, blz. 7.


BIJLAGE I

IN ARTIKEL 3 BEDOELDE VERMELDINGEN

in het Spaans

:

Certificado expedido en virtud del Reglamento (CE) no 1743/2004 y válido únicamente hasta el 31 de marzo de 2005.

in het Tsjechisch

:

licence vydaná na základě nařízení (ES) č. 1743/2004 a platná pouze do 31. března 2005.

in het Deens

:

licens udstedt i henhold til forordning (EF) nr. 1743/2004 og kun gyldig til den 31. marts 2005.

in het Duits

:

Lizenz gemäß der Verordnung (EG) Nr. 1743/2004 erteilt und nur bis zum 31. März 2005 gültig.

in het Ests

:

litsents on välja antud määruse (EÜ) nr 1743/2004 alusel ja kehtib ainult 31. märtsini 2005.

in het Grieks

:

Το πιστοποιητικό εκδόθηκε βάσει του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 1743/2004 και ισχύει μόνο μέχρι τις 31 Μαρτίου 2005.

in het Engels

:

licence issued under Regulation (EC) No 1743/2004 and valid only until 31 March 2005.

in het Frans

:

certificat émis au titre du règlement (CE) no 1743/2004 et valable seulement jusqu'au 31 mars 2005.

in het Italiaans

:

domanda di titolo presentata ai sensi del regolamento (CE) n. 1743/2004 e valida soltanto fino al 31 marzo 2005.

in het Lets

:

atļauja, kas izdota saskaņā ar Regulu (EK) Nr. 1743/2004 un ir derīga tikai līdz 2005. gada 31. martam.

In het Litouws

:

licencija, išduota pagal Reglamento (EB) Nr. 1743/2004 nuostatas, galiojanti tik iki 2005 m. kovo 31 d.

in het Hongaars

:

a 1743/2004/EK rendelet alkalmazásában kiállított, 2005. március 31-ig érvényes engedély.

in het Nederlands

:

overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1743/2004 afgegeven certificaat dat slechts tot en met 31 maart 2005 geldig is.

in het Pools

:

pozwolenie wydane zgodnie z rozporządzeniem (WE) nr 1743/2004 i ważne wyłącznie do 31 marca 2005 r.

in het Portugees

:

certificado emitido a título do Regulamento (CE) n.o 1743/2004 e eficaz somente até 31 de Março de 2005.

in het Slowaaks

:

licencia vydaná na základe nariadenia (ES) č. 1743/2004 a platná len do 31. marca 2005.

in het Sloveens

:

dovoljenje, izdano v skladu z Uredbo (ES) št. 1743/2004 in veljavno samo do 31. marca 2005.

in het Fins

:

asetuksen (EY) N:o 1743/2004 mukaisesti annettu todistus, joka on voimassa ainoastaan 31 päivään maaliskuuta 2005.

in het Zweeds

:

Licens utfärdad i enlighet med förordning (EG) nr 1743/2004, giltig endast till och med den 31 mars 2005.


BIJLAGE II

IN ARTIKEL 4, LID 1, BEDOELDE VERMELDINGEN

in het Spaans: Solicitud de certificado presentada al amparo del Reglamento (CE) no 1743/2004.

in het Tsjechisch: žádost o licenci podaná na základě nařízení (ES) č. 1743/2004.

in het Deens: licensansøgning i henhold til forordning (EF) nr. 1743/2004.

in het Duits: Lizenzantrag gemäß der Verordnung (EG) Nr. 1743/2004.

in het Ests: määruse (EÜ) nr 1743/2004 kohaselt esitatud litsentsitaotlus.

in het Grieks: Αίτηση χορήγησης πιστοποιητικού υποβληθείσα βάσει του κανονισμού (ΕΚ) αριθ. 1743/2004.

in het Engels: licence application made under Regulation (EC) No 1743/2004.

in het Frans: demande de certificat faite au titre du règlement (CE) no 1743/2004.

in het Italiaans: domanda di titolo presentata ai sensi del regolamento (CE) n. 1743/2004.

in het Lets: prašymas išduoti licenciją pagal Reglamentą (EB) Nr. 1743/2004.

in het Litouws: atļaujas pieteikums saskaņā ar Regulu (EK) Nr. 1743/2004.

in het Hongaars: a 1743/2004/EK rendeletnek megfelelően kiállított engedélykérelem.

in het Nederlands: overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1743/2004 ingediende certificaataanvraag.

in het Pools: wniosek o pozwolenie przedłożony zgodnie z rozporządzeniem (WE) nr 1743/2004

in het Portugees: pedido de certificado apresentado a título do Regulamento (CE) n.o 1743/2004.

in het Slowaaks: žiadosť o licenciu na základe nariadenia (ES) č. 1743/2004.

in het Sloveens: zahtevek za dovoljenje, vložen v skladu z Uredbo (ES) št. 1743/2004

in het Fins: asetuksen (EY) N:o 1743/2004 mukainen todistushakemus.

in het Zweeds: Licensansökan enligt förordning (EG) nr 1743/2004.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/23


VERORDENING (EG) Nr. 1744/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1490/2002 wat de vervanging van een als rapporteur optredende lidstaat betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name op artikel 8, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Richtlijn 91/414/EEG moet de Commissie een werkprogramma uitvoeren om geleidelijk de werkzame stoffen te onderzoeken die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn op de markt zijn.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 451/2000 (2) en Verordening (EG) nr. 1490/2002 (3) van de Commissie is voorzien in de derde fase van het werkprogramma.

(3)

Artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1490/2002 verwijst naar de mogelijkheid om een stof aan een andere lidstaat toe te wijzen, als de als rapporteur optredende lidstaat niet in staat is de vastgestelde termijn voor indiening van het ontwerp-evaluatieverslag bij de EAVV in acht te nemen.

(4)

Frankrijk heeft de Commissie ervan in kennis gesteld dat het niet in staat is het ontwerp-evaluatieverslag voor de stof teflubenzuron binnen de in artikel 10, lid 1, van die verordening vastgestelde termijn in te dienen. Het Verenigd Koninkrijk heeft zich bereid verklaard als rapporteur voor deze werkzame stof op te treden. De nieuwe als rapporteur optredende lidstaat moet voldoende tijd worden gegeven voor de opstelling van het ontwerp-evaluatieverslag en bijgevolg moet deze stof worden verplaatst van deel A naar deel B van bijlage I.

(5)

Verordening (EG) nr. 1490/2002 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel A worden de gegevens voor teflubenzuron geschrapt.

2)

In deel B worden de volgende gegevens in alfabetische volgorde ingevoegd:

„Teflubenzuron – Verenigd Koninkrijk – BAS-BE”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

David BYRNE

Lid van de Commissie


(1)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/71/EG van de Commissie (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 104).

(2)   PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1044/2003 (PB L 151 van 19.6.2003, blz. 32).

(3)   PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1044/2003.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/24


VERORDENING (EG) Nr. 1745/2004 VAN DE COMMISSIE

van 6 oktober 2004

inzake de stopzetting van de visserij op schol door vaartuigen die de vlag van België voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2287/2003 van de Raad van 19 december 2003 tot vaststelling, voor 2004, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (2) zijn voor 2004 quota vastgesteld voor schol.

(2)

Om te garanderen dat de bepalingen inzake de kwantitatieve beperking van de vangsten van een bestand waarvoor een quotum geldt, in acht worden genomen, moet de Commissie de datum vaststellen waarop de vangsten van de vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, geacht worden het toegewezen quotum te hebben bereikt.

(3)

Volgens de aan de Commissie meegedeelde gegevens, hebben de hoeveelheden schol die in de wateren van ICES-gebied VIIa zijn gevangen door vaartuigen die de vlag van België voeren of die in België zijn geregistreerd, het voor 2004 toegewezen quotum bereikt. België heeft de vangst uit dit bestand verboden met ingang van 1 september 2004. Deze datum moet derhalve worden aangehouden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden schol die in de wateren van ICES-gebied VIIa zijn gevangen door vaartuigen die de vlag van België voeren of die in België zijn geregistreerd, worden geacht het voor 2004 aan België toegewezen quotum te hebben bereikt.

De visserij op schol in de wateren van ICES-gebied VIIa door vaartuigen die de vlag van België voeren of die in België zijn geregistreerd, alsmede het aan boord houden, het overladen en het lossen van vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen vanaf de datum waarop deze verordening van toepassing wordt, zijn verboden.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2004.

Voor de Commissie

Jörgen HOLMQUIST

Directeur-generaal Visserij


(1)   PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).

(2)   PB L 344 van 31.12.2003, blz. 1.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/25


VERORDENING (EG) NR. 1746/2004 VAN DE COMMISSIE

van 6 oktober 2004

tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1502/2004 inzake de stopzetting van de visserij op schol door vaartuigen die de vlag van België voeren

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name op artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1502/2004 van de Commissie (2) is voorzien in de stopzetting van de visserij op schol in de wateren van ICES-gebied VII f, g door vaartuigen die de vlag van België voeren of die in België zijn geregistreerd.

(2)

Als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden is het aan België toegewezen quotum niet meer opgebruikt. De visserij op schol in de wateren van ICES-gebied VII f, g door vaartuigen die de vlag van België voeren of die in België zijn geregistreerd, moet derhalve weer worden toegestaan. Verordening (EG) nr. 1502/2004 van de Commissie moet bijgevolg worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1502/2004 van de Commissie wordt ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2004.

Voor de Commissie

Jörgen HOLMQUIST

Directeur-generaal Visserij


(1)   PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).

(2)   PB L 275 van 25.8.2004, blz. 13.


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/26


VERORDENING (EG) Nr. 1747/2004 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2004

betreffende de offertes voor de uitvoer van haver, die zijn meegedeeld in het kader van de openbare inschrijving bedoeld in Verordening (EG) nr. 1565/2004

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad van 29 september 2003 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 7,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (2), en met name op artikel 7,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1565/2004 van de Commissie van 3 september 2004 betreffende een bijzondere interventiemaatregel voor haver in Finland en Zweden voor het verkoopseizoen 2004/2005 (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een openbare inschrijving voor de vaststelling van de restitutie bij uitvoer uit Finland en Zweden van in die landen geproduceerde haver naar alle derde landen met uitzondering van Bulgarije, Noorwegen, Roemenië en Zwitserland is opengesteld bij Verordening (EG) nr. 1565/2004.

(2)

Het is, met name rekening houdend met de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1501/95 genoemde criteria, niet wenselijk een maximumrestitutie vast te stellen.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt geen gevolg gegeven aan de offertes die in de periode van 1 tot en met 7 oktober 2004 zijn meegedeeld in het kader van de in Verordening (EG) nr. 1565/2004 bedoelde inschrijving voor de restitutie bij uitvoer van haver.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 8 oktober 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 270 van 21.10.2003, blz. 78.

(2)   PB L 147 van 30.6.1995, blz. 7. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1431/2003 (PB L 203 van 12.8.2003, blz. 16).

(3)   PB L 285 van 4.9.2004, blz. 3.


II Besluiten waarvan de publicatie niet voorwaarde is voor de toepassing

Raad

8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/27


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 september 2004

tot afsluiting van het overleg met Guinee-Bissau op grond van artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst

(2004/680/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de op 23 juni 2000 in Cotonou ondertekende ACS-EG-partnerschapsovereenkomst (1), en met name op artikel 96,

Gelet op het intern akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, inzake de maatregelen die moeten worden genomen en de procedures die moeten worden gevolgd voor de toepassing van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst (2), en met name op artikel 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De in artikel 9 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst bedoelde essentiële elementen zijn geschonden door de militaire staatsgreep van 14 september 2003, die de Europese Unie in een verklaring van 18 september 2003 heeft veroordeeld.

(2)

Overeenkomstig artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst heeft er op 19 januari 2004 overleg met de ACS-landen en Guinee-Bissau plaatsgevonden, waarbij de Guinee-Bissause autoriteiten specifieke verbintenissen zijn aangegaan om de door de Europese Unie uiteengezette problemen te verhelpen, en die te verwezenlijken binnen een periode van drie maanden waarin intensieve besprekingen zouden plaatshebben.

(3)

Aan het einde van deze periode is gebleken dat de hiervoor genoemde verbintenissen tot een aantal praktische maatregelen met betrekking tot de essentiële elementen van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst hebben geleid; toch zijn bepaalde belangrijke maatregelen, met name betreffende de sanering van de overheidsfinanciën nog steeds niet op adequate wijze uitgevoerd,

BESLUIT:

Artikel 1

Het overeenkomstig artikel 96 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst met de Republiek Guinee-Bissau gevoerde overleg wordt afgesloten.

Artikel 2

De in het bijgaande ontwerp-schrijven uiteengezette maatregelen worden goedgekeurd als passende maatregelen in de zin van artikel 96, lid 2, onder c), van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing tot en met 11 oktober 2005.

Gedaan te Brussel, 24 september 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

L. J. BRINKHORST


(1)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 376.


BIJLAGE

Excellentie,

De Europese Unie hecht veel belang aan de bepalingen van artikel 9 van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst. De eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat, waarop het ACS-EG-partnerschap berust, zijn essentiële elementen van die overeenkomst en dus ook de grondslag van onze betrekkingen.

De Europese Unie heeft daarom in haar verklaring van 18 september 2003 de militaire staatsgreep van 14 september 2003 krachtig veroordeeld.

Gezien het voorgaande, heeft de Raad van de Europese Unie op 19 december 2003 besloten de autoriteiten van Guinee-Bissau te verzoeken om overleg te openen teneinde de situatie uitvoerig te bespreken en er een oplossing voor te vinden.

Dit overleg vond op 19 januari 2004 in Brussel plaats. Bij deze gelegenheid werden verschillende belangrijke kwesties besproken, en de eerste minister van de overgangsregering heeft de gelegenheid gehad het standpunt van de regering van Guinee-Bissau en haar beoordeling van de situatie weer te geven. De Europese Unie heeft nota genomen van de door de overgangsregering aangegane verbintenissen om:

het programma van de regering van Guinee-Bissau voor de overgang en in het bijzonder haar plannen voor algemene verkiezingen te bevestigen;

maatregelen te nemen voor de sanering van de overheidsfinanciën;

de terugkeer naar een onafhankelijke justitie en het herstel van de civiele controle over de strijdkrachten te bevestigen.

Ook werd overeengekomen dat gedurende een periode van drie maanden een intensieve dialoog in Guinee-Bissau zou worden gevoerd over de diverse naar voren gebrachte punten en om aan het einde van deze periode een balans op te maken.

Deze intensieve en regelmatige dialoog heeft in Guinee-Bissau plaatsgevonden. De grondslag ervan was een lijst van, met het oog op de verwezenlijking van de aangegane verbintenissen, te nemen maatregelen.

De Guinee-Bissause autoriteiten hebben een aantal belangrijke initiatieven ontplooid. We wijzen met name op:

het feit dat er op 28 en 30 maart 2004 eerlijke, vrije en transparante parlementsverkiezingen werden gehouden;

het feit dat er vooruitgang is geboekt met de terugkeer naar een onafhankelijke justitie door de benoeming van een procureur-generaal van de republiek en de verkiezing van de president van het Hooggerechtshof;

het feit dat er een economisch noodprogramma werd aangenomen;

het feit dat er een onderzoek werd ingesteld naar het aantal ambtenaren.

Deze initiatieven zijn duidelijke tekenen die wijzen op een sociale en politieke stabilisering van het land. Toch zijn er nog punten die aanleiding tot bezorgdheid geven, met name op het gebied van de sanering van de overheidsfinanciën en in het bijzonder de staatsboekhouding, de invordering van de douane-inkomsten en de betaling van de meeste ambtenaren.

In dit verband hecht de Europese Unie er veel belang aan dat de volgende maatregelen met betrekking tot de sanering van de overheidsfinanciën worden getroffen:

voortzetting van de uitvoering van het economische noodprogramma dat door de overgangsregering is goedgekeurd;

voortzetting van de reeds begonnen telling van de overheidsambtenaren;

goedkeuring van corrigerende maatregelen op het gebied van de overheidsfinanciën zoals bijvoorbeeld de audit van het financiële controlesysteem, aanbestedingen en overheidsinkomsten;

terugbetaling van de middelen uit het communautaire programma voor budgettaire ondersteuning in aansluiting op de in 2003 uitgevoerde audit over het gebruik van de middelen;

voorlegging van de conclusies van het auditverslag van de regering van 2003 betreffende de overheidsinkomsten;

voortgang van de administratieve en gerechtelijke stappen tegen de verantwoordelijken van de regering in de periode voorafgaande aan de overgang die zich aan onregelmatigheden of fraude schuldig hebben gemaakt.

In aansluiting op dit overleg is besloten passende maatregelen in de zin van in artikel 96, lid 2, onder c), van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst te nemen, de betrekkingen te normaliseren en de samenwerking voort te zetten. Tegelijkertijd moet worden toegezien op de voortgang in de sector van de overheidsfinanciën, de terugkeer naar onafhankelijkheid van justitie, het herstel van de civiele controle over de strijdkrachten, en het volgen van het electorale tijdschema voor het organiseren van de presidentsverkiezingen. Het is dienstig dat de nodige voorwaarden worden geschapen om te waarborgen dat de presidentsverkiezingen op transparante en waarlijk democratische wijze plaatsvinden. De Europese Unie zal de voortgang op die terreinen regelmatig controleren.

De Europese Unie is bereid tot een verdere politieke dialoog met uw democratisch gekozen regering en wil aldus bijdragen tot de consolidering van de democratie in uw land.

Gelieve, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting te aanvaarden.

Voor de Raad

Voor de Commissie


8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/30


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 september 2004

tot wijziging van Besluit 2001/131/EG houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de partnerschapsovereenkomst ACS-EG

(2004/681/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (1) (de „partnerschapsovereenkomst ACS-EG”), en met name op artikel 96,

Gelet op het Interne Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende maatregelen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst ACS-EG (2), en met name op artikel 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Besluit 2001/131/EG (3) werd de financiële steun aan Haïti gedeeltelijk geschorst als „passende maatregelen” in de zin van artikel 96, lid 2, onder c), van de partnerschapsovereenkomst ACS-EG.

(2)

Volgens Besluit 2003/916/EG, dat op 31 december 2004 vervalt, dienen de maatregelen binnen zes maanden te worden heroverwogen.

(3)

Op 12 mei 2004 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en de interim-eerste minister van Haïti over de politieke agenda van de interimregering voor het herstel van een democratisch en grondwettelijk bestuur, de eerbieding van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en het tijdschema voor de verkiezingen.

(4)

Bij schrijven van 25 mei 2004 heeft de interim-eerste minister van Haïti bevestigd dat de Haïtiaanse interimregering de essentiële elementen van artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou in acht zal nemen, met name de mensenrechten, de democratische beginselen en de beginselen van de rechtsstaat, zodat het land weer geheel volgens grondwettelijke en democratische regels zal worden bestuurd,

BESLUIT:

Artikel 1

Besluit 2001/131/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)

In artikel 3, tweede en derde alinea, wordt „31 december 2004” vervangen door „31 december 2005”.

(2)

De bijlage wordt vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 24 september 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

L. J. BRINKHORST


(1)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst gewijzigd bij Besluit 1/2003 (PB L 141 van 7.6.2003, blz. 25).

(2)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 376.

(3)   PB L 48 van 17.2.2001, blz. 31. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2003/961/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 156).


BIJLAGE

„BIJLAGE

Excellentie,

De Europese Unie hecht veel belang aan artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou. Het partnerschap tussen de ACS en de EG is gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de beginselen van de rechtsstaat; dit zijn essentiële elementen van de overeenkomst en vormen de grondslag van onze betrekkingen.

De Europese Unie heeft de recente ontwikkelingen in Haïti van nabij gevolgd, met name de benoeming van de nieuwe interim-regering van Haïti die op 17 maart 2004 werd beëdigd na uitgebreid overleg op grond van het CARICOM/OAS-programma.

Op 12 mei 2004 hebben in Brussel besprekingen plaatsgevonden tussen U en de Europese Commissie over de politieke agenda van de interim-regering met het oog op het herstel van de democratische en grondwettelijke orde. De Europese Unie heeft nota genomen van de afspraken die daarbij zijn gemaakt, met name inzake de verbetering van de mensenrechtensituatie, de invoering van democratische beginselen, waaronder vrije en eerlijke verkiezingen, de beginselen van de rechtsstaat en een behoorlijk bestuur, zoals vermeld in uw schrijven aan de Commissie van 25 mei 2004. Dit zal te zijner tijd moeten leiden tot een grotere politieke stabiliteit in Haïti. De Europese Unie dringt er bij de interim-regering op aan de afspraken snel door concrete maatregelen te laten volgen om te waarborgen dat het democratiseringsproces een onderdeel gaat vormen van het politieke, economische en sociale leven van Haïti en dat artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou in acht wordt genomen.

Tegen deze achtergrond heeft de Raad van de Europese Unie zijn besluit van 22 december 2003 heroverwogen en besloten de passende maatregelen als bedoeld in artikel 96, lid 2, onder c), van de Overeenkomst als volgt te herzien:

1.

de toewijzing van de resterende middelen van het Achtste Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) ten behoeve van programma’s die de Haïtiaanse bevolking rechtstreeks ten goede komen, ter versterking van de maatschappelijke structuren en de particuliere sector en ter ondersteuning van het democratiseringsproces, de bevordering van de rechtsstaat en de verkiezingen, wordt voortgezet. Ook kunnen maatregelen worden genomen die in het interimsamenwerkingskader dat in nauwe samenwerking tussen de interim-regering, maatschappelijke organisaties en de belangrijkste donoren is opgesteld als prioriteiten op korte en middellange termijn zijn aangeduid; hierbij wordt met name aan institutionele steun gedacht.

2.

de toekenning van middelen uit het Negende EOF zal worden bekendgemaakt bij de publicatie van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.

met de Nationale Ordonnator zullen besprekingen worden gevoerd over de programmering van de middelen van het Negende EOF om te komen tot de opstelling van een Nationaal Strategiedocument (NSD) en een Nationaal Indicatief Programma (NIP). Bij het bepalen van de strategie zal rekening worden gehouden met de resultaten van het interimsamenwerkingskader.

4.

B-toewijzingen zouden gebruikt kunnen worden vóór de ondertekening van het Negende EOF NSD/NIP.

5.

het NIP zal worden ondertekend met de nieuwe democratisch gekozen regering van Haïti na de nationale verkiezingen die aan de voorwaarden van OAS-resolutie 822 voldoen en die door de bevoegde Haïtiaanse instellingen en de internationale gemeenschap als vrij en eerlijk zijn aanvaard. De nationale verkiezingen zullen uiterlijk medio 2005 moeten plaatsvinden.

6.

geen invloed op de bijdragen aan regionale projecten, operaties van humanitaire aard en handelssamenwerking.

Deze maatregelen worden regelmatig herzien en ten minste binnen de zes maanden.

Voor het welslagen van de samenwerking is het van groot belang dat de gebrekkige hulpabsorptiecapaciteit door goed bestuur en maatregelen ter versterking van de hulpbeheercapaciteit wordt verbeterd. De voorwaarden voor de tenuitvoerlegging zullen worden aangepast aan de capaciteit van het land op het gebied van een behoorlijk beheer van de openbare financiën.

De Europese Unie zal de verdere ontwikkelingen van het democratiseringsproces van nabij volgen, met name wat betreft het nakomen van de afspraken van de interim-regering en het houden van plaatselijke, nationale en presidentiële verkiezingen. De Unie wijst nogmaals op haar bereidheid om de versterkte politieke dialoog met de Haïtiaanse interim-regering voort te zetten.

Hoogachtend,

Voor de Commissie

Voor de Raad

De voorzitter


Commissie

8.10.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 311/32


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 9 september 2004

tot toekenning van een extra aantal buitengaats door te brengen dagen aan Denemarken en het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig bijlage V van Verordening (EG) nr. 2287/2003 van de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3407)

(Slechts de teksten in de Deense en de Engelse taal zijn authentiek)

(2004/682/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2287/2003 van de Raad van 19 december 2003 tot vaststelling, voor 2004, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (1), en met name op punt 6, onder c), van bijlage V,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In punt 6, onder a), van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 2287/2003 is het maximale aantal dagen vastgesteld waarop bepaalde communautaire vissersvaartuigen buitengaats en in de in punt 2 van die bijlage vermelde gebieden aanwezig mogen zijn in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2004.

(2)

Op grond van punt 6, onder c), van die bijlage kan de Commissie op basis van de sinds 1 januari 2002 behaalde resultaten van de oplegprogramma’s voor vissersvaartuigen die onder de bepalingen van de bijlage vallen, een extra aantal buitengaats door te brengen dagen toekennen voor vaartuigen die één van de in punt 4 van de bijlage omschreven vistuigen aan boord hebben.

(3)

Denemarken en het Verenigd Koninkrijk hebben gegevens ingediend betreffende het opleggen in 2002 en 2003 van vissersvaartuigen die bodemtrawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van ten minste 100 mm, met uitzondering van boomkorren, aan boord hebben.

(4)

Het Verenigd Koninkrijk heeft gegevens ingediend betreffende het opleggen in 2002 en 2003 van vaartuigen die boomkorren met een maaswijdte van minstens 80 mm aan boord hebben.

(5)

Gelet op de verstrekte gegevens moeten aan Denemarken en het Verenigd Koninkrijk extra dagen worden toegekend voor vissersvaartuigen die vistuig als genoemd in punt 4, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 2287/2003 aan boord hebben,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Naast de in punt 6, onder a), van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 2287/2003 vastgestelde dagen, worden voor vissersvaartuigen die bodemtrawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van ten minste 100 mm, met uitzondering van boomkorren, aan boord hebben, per kalendermaand de volgende aantallen extra dagen toegekend:

a)

Denemarken: drie dagen,

b)

Verenigd Koninkrijk: vijf dagen.

Artikel 2

Naast de in punt 6, onder a), van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 2287/2003 vastgestelde dagen, worden aan het Verenigd Koninkrijk voor vissersvaartuigen die boomkorren met een maaswijdte van minstens 80 mm aan boord hebben, per kalendermaand twee extra dagen toegekend.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 9 september 2004.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 344 van 31.12.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1645/2004 van de Commissie (PB L 296 van 21.9.2004, blz. 3).