31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 88/175


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 22 april 2008

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006

(2009/217/EG)

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006 (1),

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau (2),

gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 — C6-0084/2008),

gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (3), en met name artikel 185,

gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (4), en met name artikel 68,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (5), en met name artikel 94,

gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0125/2008),

1.

verleent de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2006;

2.

formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.

verzoekt zijn voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

De voorzitter

Hans-Gert PÖTTERING

De secretaris-generaal

Harald RØMER


(1)  PB C 261 van 31.10.2007, blz. 10.

(2)  PB C 309 van 19.12.2007, blz. 34.

(3)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(4)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.


RESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 22 april 2008

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006 (1),

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van het Europees Geneesmiddelenbureau voor het begrotingsjaar 2006, tezamen met de antwoorden van het Bureau (2),

gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2008 (5843/2008 — C6-0084/2008),

gelet op het EG-Verdrag, en met name artikel 276,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (3), en met name artikel 185,

gelet op Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (4), en met name artikel 68,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (5), en met name artikel 94,

gelet op artikel 71 en bijlage V van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0125/2008),

A.

overwegende dat de Rekenkamer verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening voor het begrotingsjaar 2006 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn,

B.

overwegende dat het Parlement de directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau op 24 april 2007 kwijting heeft verleend voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2005 (6) en dat het in zijn resolutie behorende bij het kwijtingsbesluit onder andere

er kennis van heeft genomen dat meer dan 40 % van de gedane vastleggingen naar het volgende begrotingsjaar was overgedragen;

heeft opgemerkt dat de begroting van het Bureau als gevolg van de uitbreiding aanzienlijk was gestegen;

het Bureau heeft verzocht in zijn rekeningen de fondsen op te nemen die het bij andere agentschappen en organen had geïnd ter financiering van een gemeenschappelijke ondersteuningsdienst voor de ontwikkeling van hun informatiesystemen inzake financieel beheer;

het Bureau heeft verzocht vóór 1 januari 2010 en vervolgens om de vijf jaar opdracht te geven tot een onafhankelijke externe evaluatie van zijn resultaten op basis van de oprichtingsverordening en de door de raad van bestuur vastgestelde werkprogramma’s,

Algemene punten die betrekking hebben op horizontale kwesties in verband met de EU-agentschappen en daardoor ook van belang zijn voor de kwijtingsprocedure voor elk agentschap afzonderlijk

1.

merkt op dat de begrotingen van de 24 agentschappen en andere satellietorganen die door de Rekenkamer zijn gecontroleerd, in 2006 in totaal 1 080,5 miljoen EUR bedroegen (de grootste begroting is die van het Europees Agentschap voor Wederopbouw met 271 miljoen EUR en de kleinste die van het Europese Politiecollege (CEPOL) met 5 miljoen EUR);

2.

wijst erop dat de reeks externe EU-organen die worden onderworpen aan audit en kwijting thans niet alleen meer de traditionele regelgevende agentschappen omvat, maar ook uitvoerende agentschappen die zijn opgericht om specifieke programma’s ten uitvoer te leggen, en dat deze reeks in de nabije toekomst nog zal worden uitgebreid tot gezamenlijke ondernemingen die zijn opgezet als publiek-private partnerschappen (gezamenlijke technologie-initiatieven);

3.

merkt op dat het aantal agentschappen waarvoor kwijting moet worden verleend, zich wat het Parlement betreft als volgt heeft ontwikkeld: begrotingsjaar 2000: 8; 2001: 10; 2002: 11; 2003: 14; 2004: 14; 2005: 16; 2006: 20 regelgevende agentschappen en 2 uitvoerende agentschappen (2 agentschappen die onderworpen worden aan een audit door de Rekenkamer, maar waarvoor een interne kwijtingsprocedure geldt niet meegerekend);

4.

komt daarom tot de conclusie dat de audit- en kwijtingsprocedure log is geworden en niet meer in verhouding staat tot de relatieve omvang van de begrotingen van de agentschappen en satellietorganen; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie om een breed opgezet onderzoek te doen naar de kwijtingsprocedure voor de agentschappen en satellietorganen, met als doel een eenvoudiger en rationeler aanpak uit te werken, rekening houdend met het feit dat het aantal organen waarvoor in de toekomst een afzonderlijk kwijtingsverslag zal moeten worden opgesteld, almaar toeneemt;

Principiële overwegingen

5.

verzoekt de Commissie vóór de oprichting van een nieuw agentschap of de hervorming van een bestaand agentschap duidelijke uitleg te verstrekken met betrekking tot de volgende punten: type agentschap, doelstellingen van het agentschap, interne bestuurstructuur, producten, diensten, belangrijkste procedures, doelgroep, cliënten en stakeholders van het agentschap, officiële betrekkingen met externe actoren, budgettaire verantwoordelijkheid, financiële planning, personeelsbeleid en personeelsomvang;

6.

verlangt dat voor elk agentschap een jaarlijkse prestatieovereenkomst wordt gesloten, die door dat agentschap en het bevoegde DG wordt opgesteld en waarin de belangrijkste doelstellingen voor het komende jaar, een financieel kader en duidelijke indicatoren om de prestaties te meten zijn opgenomen;

7.

verlangt dat de Rekenkamer of een andere onafhankelijke auditinstantie regelmatig (en ad hoc) onderzoeken instelt naar de prestaties van de agentschappen; is van oordeel dat deze onderzoeken zich niet mogen beperken tot de traditionele elementen van financieel beheer en juiste besteding van openbare middelen, maar ook de administratieve efficiëntie en doelmatigheid moeten omvatten, evenals een beoordeling van het financiële beheer van elk agentschap;

8.

is van oordeel dat bij agentschappen die hun begrotingsbehoeften permanent overschatten, een technische korting moet worden toegepast op basis van de vacante posten; denkt dat dit op den duur tot lagere bestemmingsontvangsten en daarmee tot lagere administratieve kosten voor de agentschappen zal leiden;

9.

beschouwt het als een ernstig probleem dat een aantal agentschappen bekritiseerd is, omdat ze zich niet aan de aanbestedingsregels, het Financieel Reglement, het Statuut van de ambtenaren enz. houden; stelt dat de voornaamste oorzaak hiervan gelegen is in het feit dat de meeste regelingen en het Financieel Reglement opgesteld zijn voor de grotere instellingen en dat de meeste kleine agentschappen niet groot genoeg zijn om aan deze voorschriften te kunnen voldoen; verzoekt de Commissie daarom met spoed een oplossing hiervoor te zoeken om de efficiency te vergroten door bundeling van de administratieve taken van verscheidene agentschappen, zodat deze minimaal vereiste omvang wel bereikt wordt (met inachtneming van de noodzakelijke wijzigingen in de basisverordeningen voor de agentschappen en hun budgettaire onafhankelijkheid), dan wel met spoed specifieke regels voor de agentschappen op te stellen (met name uitvoeringsvoorschriften voor de agentschappen) zodat ze aan alle voorschriften kunnen voldoen;

10.

dringt erop aan dat de Commissie bij de opstelling van het voorontwerp van begroting rekening houdt met de bestedingsresultaten van de verschillende agentschappen in de jaren daarvoor, met name het jaar n-1, en de door elk agentschap verlangde begroting dienovereenkomstig aanpast; verzoekt zijn ter zake bevoegde commissie deze aanpassing intact te laten en, mocht de Commissie de begroting niet hebben aangepast, zelf de desbetreffende begroting bij te stellen tot een realistisch niveau dat op de absorptie- en bestedingscapaciteit van het desbetreffende agentschap afgestemd is;

11.

verwijst naar zijn kwijtingsbesluit voor het jaar 2005, waarin het de Commissie heeft verzocht eens in de vijf jaar een onderzoek naar de toegevoegde waarde van elk bestaand agentschap te publiceren; verzoekt alle betrokken instellingen om in geval van een negatief oordeel over de toegevoegde waarde van een agentschap de noodzakelijke stappen te zetten om het mandaat van dat agentschap te herzien of het agentschap te sluiten; stelt vast dat de Commissie in 2007 niet één evaluatie heeft uitgevoerd; dringt er bij de Commissie op aan dat zij vóór het kwijtingsbesluit over 2007 ten minste vijf evaluaties voorlegt, te beginnen met de oudste agentschappen;

12.

is van mening dat de aanbevelingen van de Rekenkamer onmiddellijk moeten worden uitgevoerd en dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen; is verder van mening dat de wijzigingen op het algemene Financieel Reglement verwerkt moeten worden in de financiële kaderregeling van de agentschappen en in hun diverse specifieke financiële voorschriften;

13.

vreest dat het grote aantal tijdelijke personeelsleden de kwaliteit van het werk in ongunstige zin kan beïnvloeden; verzoekt de Commissie daarom beter toe te zien op de toepassing van het Statuut van de ambtenaren door de agentschappen;

Presentatie van de rapporteringsdata

14.

merkt op dat er geen standaardaanpak onder de agentschappen bestaat voor de presentatie van hun activiteiten tijdens het desbetreffende begrotingsjaar en van hun rekeningen en verslagen over hun budgettaire en financieel beheer, en evenmin voor de vraag of er een betrouwbaarheidsverklaring moet worden opgesteld door de directeur van het agentschap; merkt op dat niet alle agentschappen een duidelijk onderscheid maken tussen a) de presentatie van hun werk aan het publiek en b) de technische rapportering over hun budgettair en financieel beheer;

15.

merkt op dat de permanente instructies van de Commissie voor de voorbereiding van activiteitenverslagen weliswaar niet expliciet verlangen dat een agentschap een betrouwbaarheidsverklaring opstelt, maar dat veel directeuren dat voor 2006 niettemin hebben gedaan, waarbij er in één geval een belangrijk voorbehoud werd opgenomen;

16.

herinnert aan paragraaf 28 van zijn resolutie van 12 april 2005 (7), waarin de directeuren van de agentschappen verzocht worden om hun jaarlijkse activiteitenverslag, dat samen met financiële en beheersgegevens wordt gepresenteerd, in het vervolg vergezeld te doen gaan van een betrouwbaarheidsverklaring ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen, analoog met de verklaringen die de directeuren-generaal van de Commissie ondertekenen;

17.

verzoekt de Commissie haar permanente instructies aan de agentschappen dienovereenkomstig te amenderen;

18.

stelt bovendien voor dat de Commissie tezamen met de agentschappen werkt aan een geharmoniseerd model dat van toepassing is op alle agentschappen en satellietorganen, en waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen:

een jaarverslag bestemd voor een algemeen publiek over de transacties, werkzaamheden en resultaten van het orgaan,

de financiële staten en een verslag over de uitvoering van de begroting,

een activiteitenverslag naar het voorbeeld van de activiteitenverslagen van de directeuren-generaal van de Commissie,

een betrouwbaarheidsverklaring, ondertekend door de directeur van het orgaan, tezamen met eventuele voorbehouden en opmerkingen die hij onder de aandacht van de kwijtingsautoriteit wenst te brengen;

Algemene conclusies van de Rekenkamer

19.

wijst op de conclusie van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 10.29 (8)) dat de door de Commissie uit de communautaire begroting betaalde subsidies niet gebaseerd zijn op toereikend gemotiveerde ramingen van de behoeften aan kasmiddelen van de agentschappen en dat dit, in combinatie met de omvang van de van het vorige jaar overgedragen bedragen, ertoe leidt dat hun kassaldi zeer hoog opgelopen zijn; wijst voorts op de aanbeveling van de Rekenkamer dat het niveau van de aan de agentschappen betaalde subsidies moet worden afgestemd op hun werkelijke behoeften aan kasmiddelen;

20.

merkt op dat eind 2006 14 agentschappen het ABAC-boekhoudingsysteem nog ten uitvoer moesten leggen (jaarverslag, voetnoot bij paragraaf 10.31);

21.

neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer (jaarverslag, paragraaf 1.25) over de opgelopen financiële lasten voor niet-opgenomen verlof die bij sommige agentschappen werden geregistreerd; wijst erop dat de Rekenkamer opmerkingen plaatst bij zijn betrouwbaarheidsverklaring voor drie agentschappen (Europees Centrum voor de Ontwikkeling van de Beroepsopleiding (Cedefop), CEPOL en het Europees Spoorwegagentschap) voor het begrotingsjaar 2006 (2005: het Cedefop, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Bureau voor wederopbouw);

Interne audit

22.

herinnert eraan dat de intern controleur van de Commissie krachtens artikel 185, lid 3, van het Financieel Reglement ook als intern controleur fungeert voor de regelgevende agentschappen die subsidies uit de EU-begroting ontvangen; wijst erop dat de intern controleur aan de raad van bestuur en de directeur van elk agentschap verslag uitbrengt;

23.

vestigt de aandacht op het volgende voorbehoud dat is opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van de intern controleur voor 2006:

„De interne financiële controleur van de Commissie is niet in staat te voldoen aan de verplichting die hem krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement is opgelegd om als intern financieel controleur van de communautaire organen te fungeren, omdat het hem hiervoor aan de nodige personele middelen ontbreekt”;

24.

neemt evenwel nota van de opmerking van de intern controleur in zijn activiteitenverslag voor 2006 dat, nu de Commissie de Dienst interne audit (IAS) extra personeel ter beschikking heeft gesteld, alle werkzame regelgevende agentschappen vanaf 2007 op jaarbasis zullen worden gecontroleerd;

25.

stelt vast dat het aantal regelgevende en uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die krachtens artikel 185 van het Financieel Reglement door de IAS moeten worden gecontroleerd, almaar toeneemt; verzoekt de Commissie de ter zake bevoegde commissie van het Parlement te laten weten of de IAS over voldoende personeel beschikt om de financiën van al deze organen de komende jaren op jaarbasis te kunnen controleren;

26.

merkt op dat artikel 72, lid 5, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 bepaalt dat alle agentschappen de kwijtingsautoriteit en de Commissie ieder jaar een verslag moeten voorleggen dat is opgesteld door hun directeur en waarin een samenvatting wordt gegeven van het aantal en de soort interne audits die door de intern financieel controleur zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die daarin werden gedaan en het gevolg dat aan deze aanbevelingen is gegeven; verzoekt de agentschappen aan te geven of dit gebeurd is en, zo ja, op welke wijze;

27.

vestigt wat de interne controlecapaciteit betreft, vooral met betrekking tot de kleinere agentschappen, de aandacht op een voorstel dat de intern financieel controleur op 14 september 2006 aan de bevoegde commissie van het Parlement heeft gedaan en waarin hij te kennen geeft dat kleinere agentschappen toestemming zouden moeten krijgen om interne auditdiensten tegen betaling door de privésector te laten verrichten;

Beoordeling van de agentschappen

28.

herinnert aan de gemeenschappelijke verklaring (9) waar het Parlement, de Raad en de Commissie het over eens zijn geworden bij het overleg vóór de Ecofin-begrotingsraad van 13 juli 2007 en waarin wordt opgeroepen een lijst op te stellen van i) de agentschappen die de Commissie wil beoordelen, en ii) de agentschappen die reeds zijn beoordeeld met een samenvatting van de voornaamste bevindingen;

Tuchtprocedures

29.

wijst erop dat afzonderlijke agentschappen vanwege hun geringe omvang moeite hebben om tuchtcommissies bestaande uit personeel met een passende rang samen te stellen en dat het Bureau voor onderzoek en discipline van de Commissie (IDO) niet bevoegd is voor de agentschappen; verzoekt de agentschappen om de oprichting te overwegen van een gemeenschappelijke tuchtraad voor de verschillende agentschappen;

Ontwerp van interinstitutioneel akkoord

30.

herinnert aan het ontwerp van de Commissie voor een interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen (COM(2005) 59), dat de oprichting beoogt van een horizontaal kader voor de oprichting, structuur, werkwijze, evaluatie en controle van de Europese regelgevende agentschappen; merkt op dat dit ontwerp een nuttig initiatief vormt in het streven naar rationalisering van de oprichting en exploitatie van de agentschappen; neemt nota van de opmerking van de Commissie in haar syntheseverslag 2006 (paragraaf 3.1, COM(2007) 274) dat hoewel er na de publicatie van het voorstel aanvankelijk weinig schot zat in de onderhandelingen, de inhoudelijke discussie eind 2006 weer is begonnen in de Raad; betreurt het dat het niet mogelijk is geweest de aanneming ervan dichterbij te brengen;

31.

begroet dan ook de toezegging van de Commissie dat zij in de loop van 2008 een mededeling over de toekomst van de regelgevende agentschappen zal voorleggen;

Agentschappen met eigen financiering

32.

wijst erop dat voor de twee agentschappen met eigen financiering aan de directeur kwijting wordt verleend door de raad van bestuur; stelt vast dat beide aanzienlijke overschotten hebben opgebouwd, die afkomstig zijn uit voorgaande jaren:

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 281 miljoen EUR (10);

Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), kasmiddelen en equivalenten daarvan: 18 miljoen EUR (11);

Specifieke punten

33.

neemt er kennis van dat de Rekenkamer in zijn verslag voor 2006 opmerkt dat bij de administratieve uitgaven het bestedingspercentage voor vastleggingskredieten minder dan 60 % was;

34.

benadrukt de verantwoordelijke positie van het Bureau voor de bescherming en bevordering van de gezondheid van mens en dier, door evaluatie en toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik; verheugt zich over de pogingen van het Bureau om meer wetenschappelijk advies in de vroege ontwikkelingsfasen van nieuwe geneesmiddelen te verstrekken, en zijn maatregelen om de advisering over geneesmiddelen die van centraal belang voor de volksgezondheid zijn, te bespoedigen;

35.

stelt vast dat de begrote middelen voor 2006 in aanzienlijke omvang naar 2007 overgedragen zijn, gezien de aard van de projecten die het Bureau behandelt;

36.

neemt voorts kennis van het antwoord van het Bureau op de opmerking van de Rekenkamer over de vergoedingen en kostenberekening van het Bureau, dat de raad van bestuur van het Bureau in december 2006 heeft besloten het vergoedingenstelsel in overleg met de bevoegde nationale instanties te herzien;

37.

herinnert eraan dat de inkomsten van het Bureau bestaan uit een bijdrage van de Gemeenschap en de vergoedingen die ondernemingen betalen voor het verkrijgen en handhaven van communautaire verkoopvergunningen en voor andere door het Bureau geleverde diensten;

38.

stelt aan de hand van de definitieve rekeningen van het Bureau vast dat het in 2006 119 miljoen EUR aan vergoedingen en andere inkomsten heeft ontvangen en een subsidie van 31 miljoen EUR van de Gemeenschap; stelt vast dat het financiële jaarresultaat van het Bureau 16 miljoen EUR bedroeg, hetgeen samen met het geaccumuleerde overschot van 27 miljoen EUR voor een totaal eigen vermogen van 44 miljoen EUR zorgde;

39.

neemt kennis van het antwoord van het Bureau dat het geaccumuleerde overschot geen begrotingsoverschot is, maar het financiële resultaat op basis van toepassing van de beginselen van boekhouding op transactiebasis en gebruikt is voor de financiering van kapitaaluitgaven voor vastgoed, voornamelijk inrichting van gebouwen en IT-ontwikkeling;

40.

maakt uit de voorlopige rekeningen op dat het Bureau in 2006 namens 19 agentschappen de begroting voor gemeenschappelijke ondersteunende diensten heeft beheerd, waarbij het gaat om uitgaven voor honoraria van consultants ten behoeve van het SI2-systeem voor budgettaire boekhouding en financiële rapportage;

41.

maakt verder uit de voorlopige rekeningen op dat de inkomsten uit evaluatievergoedingen tussen 2005 en 2006 met 31,5 % zijn gestegen;

42.

stelt vast dat de directeur van het Bureau wel een jaarlijks activiteitenverslag heeft opgesteld, maar geen betrouwbaarheidsverklaring (aangezien zo’n verklaring volgens de vaste instructies van de Commissie niet vereist is);

43.

wijst er evenwel op dat de directeur in zijn activiteitenverslag verklaart dat hij geen voorbehoud maakt; spreekt zijn erkenning uit voor de verklaring van het Bureau dat de directeur bereid is in de toekomst een betrouwbaarheidsverklaring te ondertekenen;

44.

is verheugd over de door de raad van bestuur uitgevoerde analyse en beoordeling van het jaarlijks activiteitenverslag van de directeur; neemt met name kennis van de door de raad van bestuur uitgesproken zorg dat aan het Bureau nieuwe taken worden toegewezen waar niet voldoende financiële middelen uit de EU-begroting of nieuwe vergoedingen tegenoverstaan; wijst erop dat deze analyse niet geheel in overeenstemming lijkt te zijn met de financiële situatie van het Bureau, zoals die uit de rekeningen voor 2006 naar voren komt;

45.

juicht het toe dat de raad van bestuur van het Bureau in 2006 een herziene procedure voor de behandeling van belangenconflicten heeft goedgekeurd, die ook is gaan gelden voor de leden van de raad van bestuur; is tevens verheugd over het uitbrengen van een leidraad inzake de procedure voor het melden van misstanden;

46.

merkt op dat de IAS in 2005 zijn eerste basisaudit bij het Bureau heeft uitgevoerd en in september 2006 zijn eindverslag heeft uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat het bestaande interne controlesysteem redelijke waarborgen biedt met betrekking tot het verwezenlijken van de zakelijke doelstellingen die voor de onderzochte processen gelden, met uitzondering van een aantal zeer belangrijke vaststellingen op het gebied van het controleklimaat, de informatie en communicatie en de controleactiviteiten;

47.

benadrukt dat de voorbereidende werkzaamheden voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik (12) de werkzaamheden van het Bureau in 2006 sterk beïnvloed hebben, en verheugt zich over het gezamenlijk document van Commissie en Bureau over de prioriteiten bij de uitvoering van deze verordening.


(1)  PB C 261 van 31.10.2007, blz. 10.

(2)  PB C 309 van 19.12.2007, blz. 34.

(3)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(4)  PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(6)  PB L 187 van 15.7.2008, blz. 128.

(7)  Resolutie van het Europees Parlement houdende opmerkingen bij het besluit over het verlenen van kwijting aan de directeur van het Europees Bureau voor de beoordeling van geneesmiddelen voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2003 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 94).

(8)  PB C 273 van 15.11.2007, blz. 1.

(9)  Raadsdocument DS 605/1/07 Rev. 1.

(10)  Bron: Verslag over de jaarrekening van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 141).

(11)  Bron: Verslag over de jaarrekening van het Communautair Bureau voor plantenrassen betreffende het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van het Bureau (PB C 309 van 19.12.2007, blz. 135).

(12)  PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1.