|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/3567 |
13.7.2026 |
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE
Richtsnoeren voor Natura 2000 en klimaatverandering
(C/2026/3567)
|
DISCLAIMER Deze richtsnoeren zijn bedoeld om een beter inzicht te krijgen in de wijze waarop het Natura 2000-netwerk en het beheer ervan kunnen worden aangepast aan de klimaatverandering om de doelstellingen van het netwerk te verwezenlijken. Dit document bevat richtsnoeren voor het ontwerpen en beheren van Natura 2000-gebieden met betrekking tot de potentiële gevolgen van klimaatverandering, het verduidelijken van de bestaande flexibiliteit, het identificeren van strategische planningsbehoeften en het voorstellen van praktische maatregelen ter ondersteuning van de aanpassing voor Natura 2000, zowel op netwerk- en gebiedsniveau als in het bredere landschap. Deze richtsnoeren zijn bedoeld ter ondersteuning van een gestructureerde, evenredige en flexibele aanpak die instanties en belanghebbenden helpt om klimaatgerelateerde risico’s op pragmatische wijze te benaderen. Dit document met richtsnoeren geeft de zienswijzen van de Europese Commissie weer en is niet wettelijk bindend. Deze richtsnoeren vormen geen vervanging van, aanvulling op of wijziging van de bepalingen van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. Het document bevat veeleer verduidelijkingen om de lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling van de nationale uitvoeringsmaatregelen die het meest geschikt zijn voor hun specifieke context, en het moet niet op zichzelf worden beschouwd, maar in samenhang met deze wetgeving worden gebruikt. De richtsnoeren lopen niet vooruit op een eventueel toekomstig standpunt van de Europese Commissie over deze aangelegenheid. Alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om het recht van de Europese Unie bindend uit te leggen. Dit laat ook verdere jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de resultaten van de lopende stresstest van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn (1), en het door de Europese Commissie ingediende pakket voorstellen voor de vereenvoudiging van de administratieve lasten (2) onverlet. Als zodanig loopt het document niet vooruit op lopende besprekingen over uitdagingen bij de uitvoering, de administratieve lasten of het bepalen van de volgorde van beleidsmaatregelen in gerelateerde EU-kaders voor milieu en landgebruik. De casestudy’s in de bijlagen doen geen afbreuk aan de volledige en tijdige naleving van de relevante verplichtingen uit hoofde van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. |
Europese Commissie, 2026.
Overname met bronvermelding toegestaan.
Dit document is opgesteld door de Europese Commissie met de hulp van Graham Tucker van het Instituut voor Europees milieubeleid en Kerstin Sundseth van N2K GROUP EEIG, met bijdragen van Lisa Kopsieker, Giulia Costa Domingo en Evelyn Underwood van het Instituut voor Europees milieubeleid, en Concha Olmeda van N2K GROUP EEIG, in het kader van het contract met nummer 09.0201/2022/880820/SER/ENV.D.3, “Technische en wetenschappelijke ondersteuning in verband met de uitvoering van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn en van de biodiversiteitsstrategie voor 2030”.
Inhoudsopgave
| ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN | 5 |
| VERKLARENDE WOORDENLIJST | 6 |
| SAMENVATTING | 9 |
|
1. |
DOEL VAN DEZE RICHTSNOEREN | 10 |
|
1.1. |
De onderling samenhangende uitdagingen van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies | 10 |
|
1.2. |
Doelstellingen, toepassingsgebied en structuur van deze richtsnoeren | 12 |
|
2. |
UITVOERING VAN DE NATUURWETGEVING VAN DE EU IN HET LICHT VAN DE KLIMAATVERANDERING | 14 |
|
2.1. |
De natuurwetgeving van de EU | 14 |
|
2.2. |
De stand van de natuur in de EU | 14 |
|
2.3. |
Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden in het kader van de klimaatverandering | 15 |
|
2.3.1. |
Gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen (GSID’s) vaststellen in het kader van de klimaatverandering | 17 |
|
2.3.2. |
. Gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen (GSIM’s) vaststellen in het kader van de klimaatverandering | 18 |
|
2.3.3. |
Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden | 19 |
|
2.3.4. |
Verslechtering voorkomen in het kader van klimaatverandering | 19 |
|
2.3.5. |
Voorzorgsmaatregelen om het risico op natuurrampen in verband met de klimaatverandering, zoals catastrofale natuurbranden en overstromingen, te verminderen | 23 |
|
2.3.6. |
Zorgen voor een samenhangend ecologisch netwerk en een gunstige staat van instandhouding (FCS) | 25 |
|
2.3.7. |
Wijziging van de juridische status of het toepassingsgebied van de bescherming van een Natura 2000-gebied | 27 |
|
3. |
HOE HET NATURA 2000-NETWERK KAN BIJDRAGEN AAN DE EU-DOELSTELLINGEN VOOR AANPASSING AAN EN MITIGATIE VAN DE KLIMAATVERANDERING | 28 |
|
3.1. |
Win-winoplossingen om de doelstellingen voor aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering te helpen verwezenlijken | 28 |
|
3.2. |
Hoe het Natura 2000-netwerk kan bijdragen tot mitigatie van de klimaatverandering door middel van koolstofvastlegging en -opslag | 32 |
|
3.3. |
Hoe Natura 2000 kan helpen bij de vermindering en mitigatie van de gevolgen van extreme gebeurtenissen — enkele voorbeelden | 37 |
|
3.3.1. |
Natuurbranden | 37 |
|
3.3.2. |
Overstromingen van rivieren en kustgebieden | 39 |
|
4. |
EEN KADER VOOR AANPASSING AAN DE KLIMAATVERANDERING VOOR NATURA 2000 | 41 |
|
4.1. |
Belangrijke stappen voor de realisatie van een aanpassingskader voor het Natura 2000-netwerk | 41 |
| Stap 1: De weg vrijmaken voor aanpassing | 44 |
| Stap 2: Risico’s van klimaatverandering voor het Natura 2000-netwerk en de Natura 2000-gebieden beoordelen | 44 |
| Stap 3: De aanpassingsmaatregelen identificeren en prioriteren | 45 |
| Stap 4: De geselecteerde aanpassingsmaatregelen uitvoeren | 45 |
| Stap 5: De doeltreffendheid van de aanpassingsmaatregelen monitoren en evalueren | 45 |
|
BIJLAGE 1 — |
OPGEMERKTE EN VERWACHTE KLIMAATVERANDERINGEN | 46 |
|
1. |
Klimaatverandering wereldwijd en toekomstscenario’s | 46 |
|
2. |
Klimaatverandering in Europa | 47 |
|
2.1. |
Temperatuur | 47 |
|
2.2. |
Veranderingen in de neerslag (regenval en sneeuwval) | 47 |
|
2.3. |
Veranderingen in de windpatronen | 48 |
|
2.4. |
Brandgevoelige weersomstandigheden | 48 |
|
2.5. |
Zeespiegelstijging | 48 |
|
BIJLAGE 2 — |
POTENTIËLE GEVOLGEN VAN DE KLIMAATVERANDERING OP DE BIODIVERSITEIT | 50 |
|
1. |
. Hoe klimaatverandering invloed heeft op soorten en ecosystemen | 50 |
|
2. |
Gevolgen van de klimaatverandering voor soortenpopulaties en habitats | 52 |
|
3. |
Factoren die van invloed zijn op de risico’s van de klimaatverandering voor habitats en soorten | 54 |
|
BIJLAGE 3 — |
EEN KADER VOOR AANPASSING AAN DE KLIMAATVERANDERING VOOR NATURA 2000 | 57 |
|
1. |
Belangrijke stappen voor de realisatie van een aanpassingskader voor het Natura 2000-netwerk | 57 |
|
1.1. |
Stap 1: De weg vrijmaken voor aanpassing | 59 |
| Stap 1a: Verwachte klimaatveranderingen herzien en drukfactoren en bedreigingen identificeren | 59 |
| Stap 1b: Institutionele kaders en partnerschappen met belanghebbenden opzetten | 59 |
|
1.2. |
Stap 2: Risico’s van klimaatverandering voor het Natura 2000-netwerk en de Natura 2000-gebieden beoordelen | 61 |
| Stap 2a: De kwetsbaarheid van Natura 2000-habitats en -soorten voor klimaatverandering en andere bedreigingen beoordelen | 61 |
| Stap 2b: Prioriteit geven aan de vastgestelde risico’s | 62 |
| Stap 2c: Strategische doelstellingen identificeren voor het Natura 2000-netwerk, degebieden, de habitats en de soorten die het meest door de klimaatverandering worden bedreigd | 63 |
|
1.3. |
Stap 3: Aanpassingsmaatregelen identificeren en prioriteren | 63 |
| Stap 3a: Aanpassingsmaatregelen identificeren om de risico’s van klimaatverandering aan te pakken | 63 |
| Stap 3b: Kansen identificeren om bij te dragen aan de bredere doelstellingen inzake aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering | 65 |
| Stap 3c: Potentiële problematische conflicterende belangen identificeren | 66 |
| Stap 3d: Aanpassingsmaatregelen evalueren en prioriteiten stellen | 68 |
|
1.4. |
Stap 4: De geselecteerde aanpassingsmaatregelen uitvoeren | 69 |
|
1.5 |
Stap 5: De doeltreffendheid van de aanpassingsmaatregelen monitoren en evalueren | 69 |
|
BIJLAGE 4 — |
POTENTIËLE AANPASSINGSMAATREGELEN | 72 |
|
1. |
Eisen voor habitats en soorten die door klimaatverandering worden bedreigd | 72 |
|
1.1. |
Netwerkniveau | 72 |
|
1.2. |
Gebiedsniveau | 73 |
|
1.3. |
Niveau van het bredere landschap | 74 |
|
2. |
Maatregelen die kunnen bijdragen tot de aanpassing van Natura 2000 aan de klimaatverandering | 74 |
|
2.1. |
In kaart brengen van habitats, soorten en Natura 2000-gebieden die door klimaatverandering worden bedreigd, evenals refugia | 74 |
|
2.2. |
Beoordeling van de coherentie van het Natura 2000-netwerk in het licht van de verwachte klimaatverandering | 76 |
|
2.3. |
Aanpak van de belangrijkste drukfactoren en bedreigingen, en herstel van ecosystemen | 77 |
|
2.4. |
Omgaan met extreme gebeurtenissen in verband met de klimaatverandering | 79 |
|
2.4.1. |
Brandbestrijding | 80 |
|
2.4.2. |
Beheer van storingen — stormen | 83 |
|
2.4.3. |
Overstromingsbeheer | 83 |
|
2.5. |
Verbetering van de abiotische omstandigheden voor bijzonder kwetsbare habitats en soorten | 84 |
|
2.6. |
Verbetering van de heterogeniteit | 86 |
|
2.7. |
Verbetering van de connectiviteit | 86 |
|
2.8. |
Beoordeling van de noodzaak van translocatie/ondersteunde migratie van soorten | 89 |
|
BIJLAGE 5 — |
BIBLIOGRAFIE | 91 |
ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN
|
VR |
Vogelrichtlijn |
|
VHR |
Vogelrichtlijn en habitatrichtlijn |
|
VBD |
Verdrag inzake biologische diversiteit |
|
EMA |
Europees Milieuagentschap |
|
EU |
Europese Unie |
|
HvJ-EU |
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
BKG |
Broeikasgassen |
|
HR |
Habitatrichtlijn |
|
IPCC |
Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering |
|
IUCN |
Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen |
|
BMG |
Beschermd marien gebied |
|
BG |
Beschermd gebied |
|
Habitat-SBZ |
Speciale beschermingszones voor habitats |
|
GCB |
Gebied van communautair belang |
|
GSIM |
Gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen |
|
Soort-SBZ |
Speciale beschermingszone voor soorten |
|
GSID |
Gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen |
|
SSP |
Gedeelde sociaal-economische trajecten (shared socio-economic pathways) |
|
UNFCCC |
Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering |
|
KRW |
Kaderrichtlijn water |
VERKLARENDE WOORDENLIJST
|
Aanpassing |
In menselijke systemen, het proces van aanpassing aan het huidige of verwachte klimaat en de effecten ervan, om schade te beperken of kansen te benutten. In natuurlijke systemen, het proces van aanpassing aan het daadwerkelijke klimaat en de effecten ervan; menselijk ingrijpen kan de aanpassing aan het verwachte klimaat en de effecten ervan vergemakkelijken (IPCC, 2023) (3). |
|
Aanpassingsvermogen |
Het vermogen van systemen, instellingen, mensen en andere organismen om zich aan te passen aan mogelijke schade, kansen te benutten of te reageren op gevolgen (opgesteld aan de hand van de online woordenlijst van het IPCC) (4). |
|
Beschermde habitats en soorten |
Alle habitattypen en soorten waarvoor de verplichtingen uit hoofde van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn gelden, d.w.z. alle natuurlijk in het wild voorkomende vogelsoorten, en typen natuurlijke habitats zoals vermeld in bijlage I bij de habitatrichtlijn en wilde dier- en plantensoorten van communautair belang zoals vermeld in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn. |
|
Klimaateffectfactor |
Fysieke omstandigheden van het klimaatsysteem (bv. middelen, gebeurtenissen, extremen) die van invloed zijn op een element van de samenleving of van ecosystemen. Afhankelijk van de tolerantie van het systeem kunnen klimaateffectfactoren en de veranderingen daarvan schadelijk, gunstig, neutraal of een combinatie van beide zijn voor alle systeemelementen en regio’s die op elkaar inwerken (IPCC, 2023). |
|
Blootstelling |
De aanwezigheid van mensen, bestaansmiddelen, soorten of ecosystemen, milieufuncties, -diensten en -hulpbronnen, infrastructuur, of economische, sociale of culturele activa in plaatsen en omgevingen die negatief kunnen worden beïnvloed (IPCC, 2023). Blootstelling wordt meestal gemeten door factoren die geen onderdeel uitmaken van het doel, zoals de snelheid en omvang van veranderingen in temperatuur, neerslag, zeespiegelstijging, hoogwaterfrequentie en andere fysieke factoren. |
|
Gevaar |
Het potentieel voorkomen van een natuurlijke of door de mens veroorzaakte fysieke gebeurtenis of trend die kan leiden tot verlies van mensenlevens, letsel of andere gevolgen voor de gezondheid, alsook schade aan en verlies van eigendommen, infrastructuur, bestaansmiddelen, dienstverlening, ecosystemen en milieuhulpbronnen (IPCC, 2023). Klimaatgevaren worden vaak aangeduid als klimaatdruk of -bedreigingen met betrekking tot beschermde habitats en soorten. |
|
Gevolgen |
De gevolgen van risico’s die zich hebben voorgedaan voor natuurlijke en menselijke systemen, waarbij risico’s voortvloeien uit de onderlinge werking van klimaatgerelateerde gevaren (waaronder extreme weersomstandigheden/klimaatgebeurtenissen), blootstelling en kwetsbaarheid. Gevolgen hebben over het algemeen betrekking op de gevolgen voor levens, bestaansmiddelen, gezondheid en welzijn, ecosystemen (habitats en soorten), economische, sociale en culturele activa, diensten (waaronder ecosysteemdiensten) en infrastructuur. Gevolgen kunnen worden aangeduid als consequenties of resultaten en kunnen nadelig of gunstig zijn (IPCC, 2023). |
|
Klimaatmitigatie |
Een menselijke interventie om emissies te verminderen of de putten van broeikasgassen te verbeteren (IPCC, 2023). In het kader van beschermde gebieden verwijst klimaatmitigatie naar het ondernemen van directe actie om de broeikasgasemissies van activiteiten te verminderen en/of de ecosystemen beter in staat te stellen deze gassen uit de atmosfeer te verwijderen en in biomassa en bodems op te slaan. |
|
Natura 2000-habitats en -soorten |
Soorten waarvoor Natura 2000-gebieden moeten worden aangewezen: de in bijlage I bij de vogelrichtlijn opgenomen vogels, geregeld voorkomende trekvogels, de in bijlage I bij de habitatrichtlijn opgenomen habitattypen en de in bijlage II bij de habitatrichtlijn opgenomen soorten. |
|
Natuurrichtlijnen |
De vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. |
|
Op de natuur gebaseerde oplossingen |
Maatregelen ten behoeve van de bescherming, het behoud, het herstel en het duurzame gebruik en beheer van natuurlijke of veranderde terrestrische, zoetwater-, kust- en mariene ecosystemen die sociale, economische en ecologische uitdagingen doeltreffend en adaptief het hoofd bieden en tegelijkertijd voordelen opleveren in termen van menselijk welzijn, ecosysteemdiensten, veerkracht en biodiversiteit (UNEP, 2022) (5). |
|
Drukfactoren |
Factoren die schadelijk zijn voor habitats en soorten. Voor de rapportage in het kader van de natuurrichtlijnen wordt verwezen naar de drukfactoren zoals gerapporteerd uit hoofde van artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn. |
|
Refugia |
Gebieden die in geval van klimaatverandering, biologische stress of grote inkrimpingen van de populatie, voor kleine subpopulaties nog steeds de essentiële elementen van de niche van de soort vormen. |
|
Veerkracht |
Het vermogen van onderling verbonden sociale, economische en ecologische systemen om het hoofd te bieden aan een gevaarlijke gebeurtenis, trend of verstoring, daarop te reageren of zich zodanig te reorganiseren dat de essentiële functie, identiteit en structuur ervan behouden blijven. Veerkracht is een positief kenmerk wanneer de capaciteit voor aanpassen, leren en/of transformeren behouden blijft (IPCC, 2023). |
|
Risico |
Het potentieel voor nadelige gevolgen voor menselijke of ecologische systemen, waarbij de diversiteit van waarden en doelstellingen in verband met dergelijke systemen wordt erkend. In het kader van de klimaatverandering kunnen risico’s voortvloeien uit potentiële gevolgen van klimaatverandering en uit menselijke reacties op klimaatverandering. Relevante negatieve gevolgen zijn onder meer die voor levens, bestaansmiddelen, gezondheid en welzijn, economische, sociale en culturele activa en investeringen, infrastructuur, diensten (waaronder ecosysteemdiensten), ecosystemen en soorten. In het kader van de gevolgen van klimaatverandering vloeien risico’s voort uit dynamische wisselwerkingen tussen klimaatgerelateerde gevaren en de blootstelling daaraan en kwetsbaarheid daarvoor van het getroffen menselijke of ecologische systeem. Gevaren, blootstelling en kwetsbaarheid kunnen elk onderhevig zijn aan onzekerheid wat betreft de omvang en de waarschijnlijkheid van de risico’s, en elk kan in de loop van de tijd en in de ruimte veranderen als gevolg van sociaal-economische veranderingen en menselijke besluitvorming. In het kader van de respons op klimaatverandering vloeien risico’s voort uit de mogelijkheid dat dergelijke maatregelen de beoogde doelstelling(en) niet bereiken, of uit mogelijke wisselwerkingen met of negatieve neveneffecten op andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de duurzameontwikkelingsdoelstellingen. Er kunnen bijvoorbeeld risico’s voortkomen uit onzekerheid over de uitvoering, doeltreffendheid of resultaten van klimaatbeleid, klimaatgerelateerde investeringen, de ontwikkeling of toepassing van technologie, en systeemtransities (IPCC, 2023). |
|
Scenario |
Een plausibele beschrijving van hoe de toekomst kan verlopen, op basis van een coherente en intern consistente reeks aannames over centrale bepalende factoren (bv. tempo van technologische veranderingen, prijzen) en relaties. Scenario’s zijn dus geen voorspellingen of prognoses, maar worden gebruikt om de implicaties van ontwikkelingen en maatregelen in beeld te brengen (IPCC, 2023). |
|
Gevoeligheid |
De mate waarin een systeem in positieve of negatieve zin wordt beïnvloed door klimaatvariabiliteit of -verandering. De gevolgen kunnen zich direct laten merken (bv. een verandering in gewasopbrengst als reactie op een verandering in het temperatuurgemiddelde of -bereik of in temperatuurschommelingen) of indirect (bv. schade veroorzaakt door een verhoogde frequentie van kustoverstromingen als gevolg van zeespiegelstijging) (IPCC, online woordenlijst). |
|
Bedreigingen |
Factoren die naar verwachting in de toekomst negatieve gevolgen voor habitats en soorten zullen hebben. |
|
Kwetsbaarheid |
Volgens het IPCC (2023) is kwetsbaarheid de neiging of aanleg om negatief te worden beïnvloed. Kwetsbaarheid omvat een verscheidenheid aan concepten en elementen, waaronder gevoeligheid of vatbaarheid voor schade en een gebrek aan vermogen om om te gaan met en zich aan te passen aan de verandering. Natuurwetenschappers beschouwen kwetsbaarheid over het algemeen nog steeds als een functie van de aard, de omvang en het tempo van de klimaatverandering waaraan het systeem wordt blootgesteld, de gevoeligheid daarvoor en het vermogen om zich eraan aan te passen, zoals gedefinieerd door het IPCC (2007) (6). Zie bijlage 2, punt 3, voor een nadere toelichting. |
|
(3) IPCC (2023), “AR6 Synthesis Report. Climate Change 2023”, Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten (https://www.ipcc.ch/report/ar6/syr/). (4) IPCC online woordenlijst: https://apps.ipcc.ch/glossary/. (5) UNEP (2022), “Emissions Gap Report 2022: The Closing Window — Climate crisis calls for rapid transformation of societies”, Milieuprogramma van de Verenigde Naties, Nairobi, https://wedocs.unep.org/handle/20.500.11822/40874. (6) IPCC (2007), “Climate Change 2007: Impacts, Adaptation, and Vulnerability”. Bijdrage van werkgroep II aan het vijfde rapport van het IPCC, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk (https://www.ipcc.ch/report/ar4/wg2/). |
|
Richtsnoeren voor Natura 2000 en klimaatverandering
SAMENVATTING
Over de hele wereld wordt klimaatverandering erkend als een significant risico voor de samenleving, de economie en het milieu. Op grond van de Europese klimaatwet (7) moeten de instellingen van de Unie en de lidstaten maatregelen treffen om gezamenlijk klimaatneutraliteit te verwezenlijken en te zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor, klimaatverandering, overeenkomstig artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs (8). De urgentie van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering is met name acuut in Europa, waar de opwarming ongeveer tweemaal zo snel heeft plaatsgevonden als het wereldwijde gemiddelde, wat heeft geleid tot stijgende temperaturen, frequentere hittegolven, perioden van droogte, zware regenval en omstandigheden die bevorderlijk zijn voor natuurbranden.
De biodiversiteitscrisis is onlosmakelijk verbonden met de klimaatcrisis, waarbij klimaatverandering een belangrijke drukfactor is voor biodiversiteitsverlies en aantasting van ecosystemen in Europa, terwijl veerkrachtige ecosystemen onmisbare bondgenoten zijn bij mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering. De klimaatverandering leidt al tot verschuivingen in ecosystemen, habitats en de verspreiding van soorten, vaak naar hogere breedtegraden en grotere hoogten, met bijzonder nadelige gevolgen voor endemische, zeldzame en bedreigde habitats en soorten die op grond van de vogelrichtlijn (9) en de habitatrichtlijn (10) worden beschermd. Deze gevolgen zullen naar verwachting de komende decennia verergeren.
Veel ecosystemen spelen een essentiële rol bij het verminderen van de broeikasgasemissies en bieden op de natuur gebaseerde oplossingen voor aanpassing aan de klimaatverandering. Instandhoudingsmaatregelen voor habitats en soorten in Natura 2000-gebieden leveren hier een belangrijke bijdrage aan. Op de natuur gebaseerde oplossingen kunnen het verlies van koolstofrijke ecosystemen voorkomen en deze herstellen, en ze kunnen zorgen voor kosteneffectieve verhelping van klimaatrisico’s zoals fluviale en kustoverstromingen, aardverschuivingen, watertekorten, erosie (ook na natuurbranden) en bodemaantasting. Naast herstel kan een breed scala van beheer-, onderhouds-, risicobeperkings- en aanpassingsmaatregelen de veerkracht van ecosystemen verder versterken, afhankelijk van de nationale omstandigheden en prioriteiten.
De EU erkent de centrale rol van biodiversiteit bij de aanpassing aan de klimaatverandering. In de strategie van 2021 voor aanpassing aan de klimaatverandering (11) en communicatie over het beheer van klimaatrisico’s (12) wordt opgeroepen tot wetenschappelijk onderbouwd herstel en beheer van ecosystemen en wordt de nadruk gelegd op grootschalige, op de natuur gebaseerde langetermijnoplossingen als kosteneffectieve, multifunctionele en no-regretmaatregelen. Meer geïntegreerde langetermijnbenaderingen zijn van essentieel belang voor een doeltreffend beheer van het Natura 2000-netwerk en voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn en van de verordening natuurherstel (13).
Deze richtsnoeren zijn bedoeld als advies over hoe een gestructureerde aanpak van de aanpassing aan de klimaatverandering voor Natura 2000-gebieden kan worden gevolgd, in overeenstemming met de bestaande nationale strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering in het kader van de Europese klimaatwet en de nationale herstelplannen in het kader van de verordening natuurherstel. In de richtsnoeren wordt verduidelijkt hoe de bepalingen van de natuurrichtlijnen kunnen worden toegepast bij de aanwijzing en het beheer van Natura 2000-gebieden in het kader van de gevolgen van de klimaatverandering. Er worden behoeften op het gebied van strategische planning en praktische maatregelen in vastgesteld, ter ondersteuning van de aanpassing op het niveau van het Natura 2000-netwerk, afzonderlijke gebieden en de omliggende landschappen en zeeën. Ze bevorderen ook het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen en de benutting van strategische partnerschappen met relevante sectoren, onder meer voor rampenpreventie, om nevenvoordelen voor de biodiversiteit en doelstellingen op het gebied van aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering te verwezenlijken.
De richtsnoeren bieden informatie en advies aan de lidstaten, Natura 2000-beheerders en milieuautoriteiten om hen te helpen hun verplichtingen na te komen en tegelijkertijd gebruik te maken van de in de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn geboden flexibiliteit bij de aanpassing van instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen aan de klimaatverandering. De richtsnoeren zijn niet juridisch bindend en bevatten een scala aan maatregelen die de lidstaten kunnen uitvoeren.
In het Natura 2000-netwerk, dat 18,6 % van het land in de EU en 10,5 % van de zeeën in de EU bestrijkt, zal, ook naarmate de klimaatverandering toeneemt, een zeer aanzienlijk deel van de Europese biodiversiteit te vinden zijn. Het netwerk blijft de basis van het beleid van de EU inzake natuurbehoud en een hoeksteen voor aanpassing aan de klimaatverandering, met een groot potentieel om de algemene klimaatrespons van Europa te ondersteunen door middel van op de natuur gebaseerde oplossingen. Om deze taken te kunnen vervullen, moeten Natura 2000-gebieden niet alleen doeltreffend worden beheerd, maar moeten ook de instandhoudingsstrategieën ervan worden aangepast om klimaatveranderingsoverwegingen in een vroeg stadium volledig te integreren en op gebieds-, landschaps- en netwerkniveau proactieve en goed aangepaste maatregelen mogelijk te maken. De aanpassing van Natura 2000 aan de klimaatverandering moet gebaseerd zijn op kwetsbaarheids- en risicobeoordelingen om habitats, soorten en gebieden te identificeren die het meeste risico lopen, alsook belangrijke klimaatrefugia, als leidraad voor maatregelen op het niveau van het netwerk, de gebieden en het omringende landschap.
De maatregelen moeten gericht zijn op het versterken van de veerkracht ter plaatse door de bestaande druk te verminderen, de abiotische omstandigheden te verbeteren, aangetaste ecosystemen te herstellen en de connectiviteit te verbeteren, en tegelijkertijd, waar nodig, de verplaatsing van soorten te vergemakkelijken. In voorkomend geval moet de samenhang van het Natura 2000-netwerk worden beoordeeld en versterkt door gebieden toe te voegen of uit te breiden of grenzen aan te passen in reactie op verschuivingen van het verspreidingsgebied. Er kunnen maatregelen voor het bredere landschap nodig zijn om de externe druk te verminderen, de connectiviteit te verbeteren en habitats te herstellen overeenkomstig de natuurrichtlijnen en de verordening natuurherstel. Er moet nadruk worden gelegd op win-winoplossingen ter ondersteuning van de aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering en de natuurbehoudsdoelstellingen.
1. DOEL VAN DEZE RICHTSNOEREN
1.1. De onderling samenhangende uitdagingen van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies
Klimaatverandering wordt wereldwijd erkend als een significant risico voor de samenleving, de economie en het milieu. Om dit probleem aan te pakken, is het nodig om zowel de antropogene broeikasgasemissies te verminderen als de capaciteit van putten om koolstofdioxide te verwijderen, met inbegrip van vastlegging in de bodem en in vegetatie, zowel op het land als op zee, te verbeteren. In 2015 hebben 196 landen tijdens de VN-klimaatconferentie (COP21) de Overeenkomst van Parijs (14) vastgesteld, een juridisch bindend internationaal verdrag over klimaatverandering.
De wisselwerking tussen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies werd onder de aandacht gebracht van mondiale beleidsmakers, met name door middel van verslagen zoals het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over klimaatverandering en land (15), de verslagen van het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) over bodemdegradatie en -herstel (16) en het mondiaal beoordelingsverslag van het IPBES over biodiversiteit en ecosysteemdiensten (17). In het licht van dit wetenschappelijk bewijs werd in 2022 het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal (18) vastgesteld, met duidelijke doelstellingen voor natuurbescherming en -herstel tegen 2030 en specifieke doelstellingen met betrekking tot mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering (19).
De Overeenkomst van Parijs heeft als overkoepelend doel “de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C”. Bij de Europese klimaatwet (20), die in 2021 is vastgesteld, is sindsdien het rechtskader vastgesteld voor de maatregelen die de EU en de lidstaten moeten nemen om de emissies geleidelijk te verminderen om de mondiale doelstellingen te halen en uiteindelijk tegen 2050 klimaatneutraliteit in de EU te verwezenlijken. In de klimaatwet werd gesteld dat het zaak was te zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor, klimaatverandering, overeenkomstig artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs.
Biodiversiteitsverlies en aantasting van ecosystemen worden steeds meer erkend als uitdagingen die praktische en coöperatieve reacties in alle sectoren vereisen, naast doelstellingen op het gebied van milieubescherming. Klimaatverandering is een belangrijke en toenemende oorzaak van schade aan ecosystemen en biodiversiteitsverlies, door geleidelijke veranderingen in temperatuur en regenval, evenals toenemende extreme gebeurtenissen, zoals perioden van droogte, overstromingen en natuurbranden, die op hun beurt schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van zowel mens als dier. Tegelijkertijd kunnen goed beheerde en veerkrachtige ecosystemen een positieve bijdrage leveren aan mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, bijvoorbeeld door koolstofopslag, waterbeheer en risicovermindering. Deze groeiende erkenning heeft geleid tot een sterkere focus op op de natuur gebaseerde en kosteneffectieve oplossingen die nevenvoordelen kunnen opleveren voor de biodiversiteit, klimaatdoelstellingen en lokale gemeenschappen.
Net zoals die crisissen met elkaar verbonden zijn, zijn de oplossingen dat dus ook. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn een belangrijke en kosteneffectieve bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering. Het beschermen en herstellen van ecosystemen, met name de koolstofrijke ecosystemen (bv. wetlands, veengebieden en zeegrasvelden), kan de klimaatverandering aanzienlijk beperken. Gezonde en goed beheerde ecosystemen zoals bossen, graslanden en wetlands kunnen ook de aanpassing aan de klimaatverandering ondersteunen door de frequentie en de gevolgen van overstromingen, perioden van droogte en natuurbranden te verminderen, en leveren tegelijkertijd nevenvoordelen op voor de biodiversiteit, lokale gemeenschappen en economische veerkracht.
In 2021 heeft de Europese Commissie een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering vastgesteld om het aanpassingsvermogen van Europa te vergroten, zijn veerkracht te versterken en zijn kwetsbaarheid voor klimaatverandering te verminderen (21). De Commissie heeft in 2021 een nieuwe EU-bosstrategie voor 2030 en een EU-bodemstrategie voor 2030 (22) vastgesteld, aangezien zowel bossen als bodems cruciale ecosystemen zijn voor zowel het behoud van de biodiversiteit als de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering.
Ter ondersteuning van de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering heeft de Europese Commissie in 2024 een mededeling over het beheer van klimaatrisico’s (23) opgesteld op basis van de Europese klimaatrisicobeoordeling (EUCRA) (24). In de EUCRA zijn voor Europa 36 grote klimaatrisico’s geïdentificeerd binnen 5 brede clusters: ecosystemen, voedsel, gezondheid, infrastructuur, en economie en financiën. Ecosystemen werd daarbij aangewezen als de cluster met het grootste aantal klimaatrisico’s die dringende of meer maatregelen vereisen. Dit is ook relevant voor veel andere beleidsterreinen, omdat klimaatrisico’s vaak kunnen doorwerken in andere maatschappelijke systemen, zoals de voedselproductie en de voedselveiligheid.
Tegelijkertijd dragen een kostenefficiënt beheer van het Natura 2000-netwerk en het herstel van aangetaste ecosystemen bij tot de economische veerkracht, welvaart en financiële stabiliteit van Europa. In februari 2026 heeft het IPBES een nieuwe beoordeling gepubliceerd waarin werd benadrukt hoe aanhoudende aantasting van de natuur systeemrisico’s met zich meebrengt, niet alleen voor ecosystemen, maar ook voor economische activiteiten, bedrijfsmodellen en de levensvatbaarheid van bedrijven op lange termijn, aangezien biodiversiteitsverlies, het bezwijken van ecosystemen en klimaatdruk steeds meer verweven zijn met financiële risico’s, verstoring van de toeleveringsketen en verlies van concurrentievermogen (25).
De deskundigen van de Europese Centrale Bank hebben dit herhaald in hun werk waarin zij: i) hebben vastgesteld dat in de eurozone ongeveer 72 % van de niet-financiële vennootschappen (ongeveer drie miljoen ondernemingen, goed voor bijna 75 % van de zakelijke bankleningen) sterk afhankelijk is van ten minste één ecosysteemdienst, en ii) hebben aangetoond dat aangetaste ecosystemen de productiviteit ondermijnen, de toeleveringsketens verstoren en de kwetsbaarheid voor schokken vergroten, waardoor risico’s voor de economie en de financiële sector ontstaan (26).
In de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering wordt sterk de nadruk gelegd op de grootschalige uitvoering van op de natuur gebaseerde oplossingen om de klimaatbestendigheid te vergroten, waarbij wordt benadrukt dat het vaak kosteneffectieve, multifunctionele no-regretoplossingen zijn.
In het kader van de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering zal het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen in het binnenland (met inbegrip van maatregelen om de sponsfunctie van bodems te herstellen) de voorziening van schoon, zoet water stimuleren en het risico van overstromingen verminderen. In kust- en mariene gebieden zullen op de natuur gebaseerde oplossingen onder meer de kustverdediging versterken. Tegelijkertijd leveren ze voordelen op, zoals koolstofvastlegging, mogelijkheden voor toerisme, en behoud en herstel van biodiversiteit.
In de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering wordt erkend dat de systemen ter ondersteuning van de besluitvorming op het gebied van klimaatveerkracht en het technisch advies moeten worden verbeterd, en dat er behoefte is aan betere beleidsintegratie en samenwerking tussen verschillende sectoren en bestuursniveaus. Dit is ook van groot belang voor het beheer van het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden. Dit netwerk van meer dan 27 000 gebieden, aangewezen om bedreigde habitats en soorten van communautair belang te beschermen in het kader van de vogelrichtlijn (27) en de habitatrichtlijn (28) (natuurrichtlijnen), beslaat momenteel 18,6 % van het grondgebied van de EU en 10,5 % van de EU-wateren (29). Het netwerk beschermt niet alleen de meest bedreigde habitats en soorten in Europa, maar biedt ook een veilige haven voor een enorme diversiteit aan andere in het wild levende dieren en ecosystemen. Deze bieden op hun beurt een schat aan waardevolle ecosysteemdiensten ter ondersteuning van adaptatie aan en mitigatie van de klimaatverandering.
De verordening natuurherstel (30) biedt een extra kans om doeltreffende synergieën tot stand te brengen bij beleidsmaatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau, aangezien daarin op EU-niveau regels worden vastgesteld voor het herstel van ecosystemen om het herstel van de biodiverse en veerkrachtige natuur in de hele EU te waarborgen en aldus bij te dragen tot de doelstellingen van de EU op het gebied van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering.
In de politieke richtsnoeren voor de Europese Commissie voor de periode 2024-2029 (31) werd benadrukt dat het klimaat in Europa sneller opwarmt dan het mondiale gemiddelde en dat er meer moet worden gedaan op het gebied van klimaatbestendigheid en -paraatheid. Met dat doel bereidt de Commissie een nieuw Europees geïntegreerd kader voor klimaatbestendigheid voor, dat naar verwachting in de tweede helft van 2026 zal worden vastgesteld.
In de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering en de EU-mededeling over het beheer van klimaatrisico’s werd erkend dat het Natura 2000-netwerk een cruciale rol speelt bij de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering en dat de klimaatverandering steeds grotere risico’s met zich meebrengt voor soorten, habitats en de werking van ecosystemen, en werd opgeroepen tot geactualiseerde richtsnoeren voor het Natura 2000-netwerk.
1.2. Doelstellingen, toepassingsgebied en structuur van deze richtsnoeren
Het doel van deze richtsnoeren is tweeledig:
|
— |
ondersteunen van een beter begrip van de wijze waarop het Natura 2000-netwerk en het beheer ervan kunnen worden aangepast aan de klimaatverandering om de doelstellingen ervan te verwezenlijken. Dit gebeurt door het verduidelijken van de bepalingen van de natuurrichtlijnen voor het ontwerpen en beheren van Natura 2000-gebieden met betrekking tot de potentiële gevolgen van klimaatverandering, het verduidelijken van de bestaande flexibiliteit, het identificeren van strategische planningsbehoeften en het voorstellen van praktische maatregelen ter ondersteuning van de aanpassing aan Natura 2000, zowel op netwerk- en gebiedsniveau als in het bredere landschap, en |
|
— |
door middel van een doeltreffend beheer van het Natura 2000-netwerk bijdragen tot de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, door het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen te bevorderen, onder meer voor rampenpreventie. |
De lidstaten hebben de flexibiliteit om die aanpassingsmaatregelen te kiezen die het meest geschikt zijn voor hun specifieke context. Deze richtsnoeren scheppen geen nieuwe wettelijke verplichtingen; ze bevatten veeleer een scala aan maatregelen die de lidstaten kunnen uitvoeren overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en hun nationale prioriteiten en behoeften. Deze richtsnoeren zijn derhalve bedoeld om aanpassingsplanning en leren op lange termijn te ondersteunen.
Deze richtsnoeren zijn in de eerste plaats bedoeld voor beheerders van Natura 2000-gebieden en milieuautoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau, als hulpmiddel om hun instandhoudingsbenaderingen en strategische planning te verfijnen in reactie op de toenemende bedreigingen van de klimaatverandering, bovenop de uitdagingen van andere drukfactoren en bedreigingen. Ze hebben ook tot doel belanghebbenden (bv. andere autoriteiten, milieuorganisaties, land- en zeegebruikers, bedrijven) te informeren over de noodzaak van aanpassing aan de klimaatverandering in het Natura 2000-netwerk, strategische partnerschappen te helpen smeden en maatregelen met wederzijdse voordelen te identificeren en uit te voeren.
De nadruk ligt op de habitats en soorten die worden beschermd op grond van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn (“VHR-habitats en -soorten”) (32), met name de habitats en soorten waarvoor Natura 2000-gebieden moeten worden aangewezen (33) (“Natura 2000-habitats en -soorten”). De voorgestelde aanpassingsmaatregelen voor deze habitats en soorten zullen naar verwachting echter veel bredere biodiversiteitsvoordelen opleveren, waardoor het aanpassingsvermogen van ecosystemen en de biodiversiteit in het algemeen, en daarmee ook de ecosysteemfuncties ervan, zullen toenemen.
De richtsnoeren bouwen voort op en vormen een actualisering van de eerdere EU-richtsnoeren inzake klimaatverandering en Natura 2000 (34), en weerspiegelen de wetenschappelijke kennis en recente beleidsontwikkelingen in het kader van de Europese Green Deal (35) inzake klimaat en biodiversiteit, met name de verordening natuurherstel. Er wordt ook rekening gehouden met bestaande en nieuwe mogelijkheden voor sectoroverschrijdende samenwerking. Deze richtsnoeren zijn gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke studies en met name op de toenemende praktische ervaringen en lessen die zijn getrokken uit maatregelen die zijn genomen om de biodiversiteit te helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering, waarvan sommige in de casestudy’s worden beschreven. De richtsnoeren bevatten een samenvatting van het bewijs van de bredere voordelen van aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering die voortvloeien uit goed ecosysteembeheer en -herstel en andere op de natuur gebaseerde oplossingen.
Deze richtsnoeren zijn als volgt gestructureerd:
|
— |
hoofdstuk 2 bevat een samenvatting van de belangrijkste verplichtingen van de natuurrichtlijnen en de daarmee verband houdende bepalingen van de verordening natuurherstel die het meest relevant zijn voor de klimaatverandering, en de gevolgen daarvan; |
|
— |
in hoofdstuk 3 wordt uiteengezet hoe aanpassing aan de klimaatverandering in het Natura 2000-netwerk de bredere klimaatdoelstellingen kan ondersteunen door middel van op de natuur gebaseerde oplossingen; |
|
— |
in hoofdstuk 4 wordt een kader voor aanpassing aan de klimaatverandering voorgesteld om beheerders van Natura 2000-gebieden en bevoegde autoriteiten te helpen bij het identificeren en selecteren van maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering; |
|
— |
bijlage 1 geeft een overzicht van de waargenomen en verwachte klimaatveranderingen in Europa; |
|
— |
bijlage 2 geeft een overzicht van de gevolgen voor habitats en soorten; |
|
— |
in bijlage 3 wordt het in hoofdstuk 4 voorgestelde kader voor aanpassing aan de klimaatverandering uitgewerkt; |
|
— |
bijlage 4 bevat praktische richtsnoeren en aanbevelingen voor belangrijke maatregelen op het niveau van het Natura 2000-netwerk, op gebiedsniveau en op het niveau van het bredere landschap en mariene milieu; |
|
— |
bijlage 5 bevat verdere bibliografische verwijzingen. |
De Europese Commissie heeft ook andere belangrijke richtsnoeren (36) opgesteld met betrekking tot:
|
— |
de potentieel negatieve effecten van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden (37); |
|
— |
de effecten in verband met hernieuwbare energie, met name waterkrachtcentrales (38) en windenergie (39); |
|
— |
energietransmissiesystemen (40). |
Daarom hebben deze richtsnoeren over Natura 2000 en klimaatverandering geen betrekking op deze onderwerpen.
2. UITVOERING VAN DE NATUURWETGEVING VAN DE EU IN HET LICHT VAN DE KLIMAATVERANDERING
2.1. De natuurwetgeving van de EU
De vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn (natuurrichtlijnen) vormen de hoekstenen van het biodiversiteitsbeleid van de EU. Samen met de verordening natuurherstel zijn ze de belangrijkste instrumenten van de EU om de voortdurende achteruitgang van de Europese biodiversiteit aan te pakken en de overeengekomen Europese en mondiale doelstellingen voor 2030 en daarna te verwezenlijken. De vogelrichtlijn beschermt alle 463 in het wild levende vogelsoorten die in de EU in de natuur voorkomen. De habitatrichtlijn beschermt nog eens 1 400 zeldzame, bedreigde of kwetsbare soorten (“HR-soorten”) en hun habitats en 233 habitattypen van communautair belang (“HR-habitats”).
De algemene doelstelling van de twee natuurrichtlijnen is ervoor te zorgen dat deze soorten en habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied, zowel binnen als buiten beschermde gebieden, in een gunstige staat van instandhouding worden behouden of daartoe worden teruggebracht. De lidstaten moeten niet alleen nagaan hoe ze hun achteruitgang of verdwijning kunnen stoppen, maar ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat ze zich voldoende herstellen om een gunstige staat van instandhouding te bereiken.
In het mariene milieu heeft de kaderrichtlijn mariene strategie (41) ook betrekking op de bescherming van de biodiversiteit met het oog op het bereiken van een goede milieutoestand. Voor binnenwateren, overgangs- en kustoppervlaktewateren en voor grondwateren gaat de kaderrichtlijn water in op waterbescherming en, waar nodig, herstel met het oog op het bereiken van een goede toestand (42).
De verordening natuurherstel bevat kwantitatieve en tijdgebonden wettelijke vereisten voor het herstel van alle belangrijke ecosystemen om het herstel van de biodiverse en veerkrachtige natuur in de hele EU te waarborgen, ook voor de habitattypen en soorten waarop de natuurrichtlijnen van de EU betrekking hebben. Een van de doelstellingen ervan is bij te dragen tot de verwezenlijking van de EU-doelstelling inzake mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering. Om ervoor te zorgen dat herstelmaatregelen strategisch worden gepland, moet elke lidstaat een nationaal herstelplan opstellen waarin alle mogelijke synergieën met andere verwante beleidsmaatregelen en wetgeving van de EU, zoals het beleid inzake klimaatverandering en hernieuwbare energie, duidelijk worden aangegeven. Tot 2030 kunnen de lidstaten voor EU-brede beschermde terrestrische en zoetwaterecosystemen prioriteit geven aan herstelmaatregelen in gebieden die zich in Natura 2000-gebieden bevinden.
2.2. De stand van de natuur in de EU
Dankzij de natuurrichtlijnen is er in de loop van de jaren veel bereikt om de achteruitgang van de Europese biodiversiteit aan te pakken, niet in de laatste plaats door de oprichting van een EU-breed Natura 2000-netwerk (43). Ondanks de beste inspanningen en opmerkelijke succesverhalen hebben veel beschermde habitattypen en soorten echter nog geen gunstige staat van instandhouding bereikt.
In het meest recente verslag van het EMA over de stand van de natuur in de EU voor 2013-2018 (44) (gepubliceerd in 2020) werd geconcludeerd dat de staat van de populatie gunstig is bij bijna de helft van de in het wild levende vogelsoorten in de EU, maar dat de staat van instandhouding voor het grootste deel (63 %) van de krachtens de habitatrichtlijn beschermde soorten nog steeds ontoereikend of slecht is. Voor slechts 15 % van de 230 beschermde habitattypen werd een gunstige staat van instandhouding geregistreerd (45).
In het verslag over de stand van de natuur voor de periode 2013-2018 wordt opgemerkt dat het tijd kost voordat soorten en habitats tekenen van herstel laten zien, zelfs nadat alle nodige instandhoudingsmaatregelen zijn genomen. En toch wordt geconcludeerd dat de bestaande drukfactoren en de verwachte toekomstige bedreigingen waarmee deze habitats en soorten te maken krijgen, nog steeds te groot zijn om hen in staat te stellen zich te herstellen en zich te ontwikkelen richting een gunstige staat van instandhouding.
De klimaatverandering zal waarschijnlijk een steeds groter effect hebben op de staat van instandhouding van veel van de meest kwetsbare en waardevolle habitats en soorten in Europa, die zich al in een slechte staat van instandhouding bevinden en onder aanzienlijke druk staan. Voor veel habitats en soorten kunnen zelfs relatief kleine extra klimaatgerelateerde effecten (zoals samengevat in bijlage 2) leiden tot verdere achteruitgang en er uiteindelijk toe leiden dat de soorten of habitats voorbij een punt komen waar hun overleving of herstel niet langer mogelijk is. Daarom is het belangrijk dat in de instandhoudingsstrategieën en -maatregelen voor deze soorten en habitats op evenredige wijze en in overeenstemming met de nationale omstandigheden rekening wordt gehouden met de toenemende gevolgen van de klimaatverandering.
2.3. Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden in het kader van de klimaatverandering
|
Kader 2-1: Geselecteerde voorbeelden van flexibel beheer van Natura 2000-gebieden in het kader van de klimaatverandering, waaronder noodsituaties (bv. natuurrampen) en onvermijdelijke verslechtering als gevolg van de klimaatverandering De lidstaten kunnen flexibel optreden in noodsituaties zoals bij natuurbranden of overstromingen, ondanks het ontbreken van expliciete noodbepalingen in de habitatrichtlijn. Snelle reacties zijn van vitaal belang om levens en eigendommen te redden en de biodiversiteit in deze gebieden te beschermen. Tijdens dergelijke noodsituaties kunnen de lidstaten bepaalde administratieve procedures omzeilen om onmiddellijke bedreigingen voor het gebied en de openbare veiligheid aan te pakken. Maatregelen moeten, waar mogelijk, de milieueffecten tot een minimum beperken doordat alternatieven worden gekozen die de door Natura 2000 beschermde habitats en soorten het minst schaden. Om duidelijkheid en rechtszekerheid te waarborgen, is het nuttig om de voorwaarden voor noodmaatregelen binnen een rechtskader te schetsen, onder meer door de gevolgen van deze maatregelen te evalueren en zo nodig herstelmaatregelen uit te voeren. Zie punt 2.3.5 voor meer informatie. De lidstaten beschikken ook over flexibiliteit met betrekking tot de verplichting om verslechtering van habitats en aanzienlijke verstoring van in Natura 2000-gebieden beschermde soorten te voorkomen wanneer ze worden geconfronteerd met onvermijdelijke klimaatgerelateerde veranderingen, ondersteund door gedegen wetenschappelijk bewijs. Dit omvat onvoorspelbare natuurrampen en door de klimaatverandering veroorzaakte gebeurtenissen, zoals habitattransformaties. In deze gevallen is de verplichting tot voorkoming van verslechtering niet van toepassing, zodat de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen kunnen worden aangepast. Natuurlijke overgangsprocessen, zoals de alpiene heide die geleidelijk plaatsmaakt voor bos of sparrenbos dat op grotere hoogten overgaat in beukenbossen of gemengde loofbossen, mogen bijvoorbeeld niet als achteruitgang worden beschouwd. Zie punt 2.3.4 voor meer informatie. Deze flexibiliteit zorgt voor een gestroomlijnde uitvoering, vermindert de administratieve lasten en kosten voor de beheersautoriteiten en verbetert tegelijkertijd de prioritering van instandhoudingsmaatregelen en de rechtszekerheid. |
Om te begrijpen hoe Natura 2000-gebieden zich het best aan de klimaatverandering kunnen aanpassen, is het in de eerste plaats belangrijk om het rechtskader voor de selectie, indeling of aanwijzing van gebieden, bescherming en beheer in herinnering te brengen, alsook de flexibiliteit die kan worden gebruikt in het kader van de klimaatverandering. Dit wordt hieronder kort samengevat. Nadere bijzonderheden zijn te vinden in een reeks gepubliceerde mededelingen en richtsnoeren van de Commissie (kader 2-2).
|
Kader 2-2: Richtsnoeren van de Europese Commissie voor het beheer van Natura 2000-gebieden
|
In artikel 4 van de habitatrichtlijn wordt de procedure geregeld voor de vaststelling van gebieden van communautair belang (GCB’s), die vervolgens door de lidstaten als speciale beschermingszones voor habitats (habitat-SBZ’s) moeten worden aangewezen. In artikel 4 van de vogelrichtlijn wordt de aanwijzing van speciale beschermingszones voor soorten (soort-SBZ’s) vastgelegd. In het kader van de habitatrichtlijn worden gebieden aangewezen ter bescherming van kerngebieden voor HR-habitats (d.w.z. habitattypen die zijn opgenomen in bijlage I) en HR-soorten (d.w.z. dieren en planten die zijn opgenomen in bijlage II). In het kader van de vogelrichtlijn worden gebieden ingedeeld ter bescherming van de in bijlage I vermelde vogelsoorten en geregeld voorkomende trekvogels, met bijzondere aandacht voor de bescherming van wetlands van internationaal belang. De selectie van gebieden gebeurt op zuiver wetenschappelijke gronden om ervoor te zorgen dat de beste gebieden worden geselecteerd voor het Natura 2000-netwerk.
Zodra een Natura 2000-gebied is aangewezen, vallen de bescherming en het beheer ervan onder artikel 6 van de habitatrichtlijn en artikel 4 van de vogelrichtlijn.
Artikel 6 omvat drie hoofdcategorieën van maatregelen voor de bescherming van gebieden:
|
— |
in artikel 6, lid 1, worden de benodigde instandhoudingsmaatregelen vastgesteld, zo nodig met inbegrip van beheerplannen en wettelijke, administratieve of contractuele maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de HR-habitattypen en de HR-soorten die in het gebied voorkomen; |
|
— |
in artikel 6, lid 2, worden de preventieve maatregelen benadrukt, waarbij is bepaald dat de lidstaten passende maatregelen moeten treffen om de verslechtering van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, alsook aanzienlijke verstoring van de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, te voorkomen; |
|
— |
artikel 6, leden 3 en 4, bevat een reeks procedurele en materiële waarborgen (waaronder compenserende maatregelen) bij de goedkeuring van plannen en projecten die waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. |
Waar artikel 6, lid 1, alleen van toepassing is op habitat-SBZ’s die in het kader van de habitatrichtlijn (52) zijn aangewezen, geldt voor de soort-SBZ’s die in het kader van de vogelrichtlijn (artikel 4, leden 1 en 2) (53) zijn aangewezen, een gelijkwaardige regeling met “speciale instandhoudingsmaatregelen”. Bovendien worden bij artikel 7 van de habitatrichtlijn de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van toepassing verklaard op soort-SBZ’s.
2.3.1. Gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen (GSID’s) vaststellen in het kader van de klimaatverandering
2.3.1.1.
Krachtens de natuurrichtlijnen is een instandhoudingsregeling vereist voor elk Natura 2000-gebied en voor alle HR-habitattypen en HR-bijlage II-soorten en alle VR-bijlage I-vogelsoorten, alsook voor geregeld voorkomende trekvogels (d.w.z. Natura 2000-habitats en -soorten) met een beduidende aanwezigheid in het gebied (zoals vermeld in het standaardgegevensformulier (54)). Daarom moeten instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau worden vastgesteld voor zowel GCB’s/habitat-SBZ’s als soort-SBZ’s.
Volgens de richtsnoeren van de Commissie (55) moeten de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen (GSID’s) duidelijk zijn en overeenstemmen met de ecologische vereisten van de Natura 2000-soorten en -habitats in dat specifieke gebied. Dit moet per geval worden vastgesteld, aangezien de ecologische vereisten van een bepaalde soort of habitat van gebied tot gebied kunnen verschillen, afhankelijk van de lokale omstandigheden.
In de GSID’s moet het niveau van de staat van instandhouding dat voor deze soorten en habitats in het gebied moet worden bereikt, op duidelijke en nauwkeurige wijze worden gespecificeerd aan de hand van specifieke kenmerken (56) en streefdoelen. In het algemeen moet in de instandhoudingsdoelstellingen duidelijk worden aangegeven of het doel is de toestand ervan te handhaven of te verbeteren (57). Op deze manier kan elk gebied in het netwerk op de best mogelijke manier bijdragen aan het overkoepelende doel om een gunstige staat van instandhouding te verwezenlijken voor de opgenomen habitattypen en soorten op nationaal, biogeografisch en Europees niveau.
Bij het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen kunnen de lidstaten prioriteiten stellen met het oog op het belang van de gebieden voor het behouden of herstellen van soorten of habitats in een gunstige staat van instandhouding op nationaal biogeografisch niveau en voor de samenhang van het Natura 2000-netwerk. Ze kunnen bijvoorbeeld prioriteit geven aan de instandhouding van een bepaalde soort in een gebied als in dat gebied een groot deel van de nationale, EU- of regionale populatie van die soort voorkomt, boven een soort waarvan in het gebied slechts enkele individuen aan de rand van het verspreidingsgebied voorkomen.
2.3.1.2.
In sommige gevallen kunnen negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor soorten en habitats in een bepaald gebied onvermijdelijk zijn, ondanks het feit dat alle noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen van kracht zijn (zie kader 2-3). Dergelijke situaties moeten idealiter worden aangepakt door de instandhoudingsdoelstellingen te herzien, zowel op het niveau van het gebied als op het niveau van het netwerk. Als bijvoorbeeld kwelders in een bepaald gebied onvermijdelijk krimpen als gevolg van de stijging van de zeespiegel zonder dat er redelijke instandhoudingsmaatregelen beschikbaar zijn om de uitbreiding ervan landinwaarts mogelijk te maken (bv. als gevolg van bestaande infrastructuur), kan hun verwachte inperking wat oppervlaktedekking betreft, worden aangepakt door de gebiedspecifieke oppervlaktedoelstelling voor die habitat te herzien. Waar mogelijk moeten echter inspanningen worden geleverd om dit verlies te compenseren door elders kwelders uit te breiden of te creëren, zodat een samenhangend ecologisch netwerk van kwelders in stand wordt gehouden (zie casestudy 5). Zo zou het in een andere voorbeeldsituatie waarbij een wijziging van de klimatologische omstandigheden een gebied onaantrekkelijk zou maken voor bepaalde trekvogels, een gepaste reactie zijn om de prioriteit van de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen voor deze soorten in dit gebied te verlagen. Dit zou het mogelijk maken middelen toe te wijzen aan andere soorten waarvoor het gebied belangrijk blijft of is geworden, of aan andere gebieden die mogelijk belangrijker zijn geworden voor deze trekvogels.
Gezien de inherente onzekerheden van toekomstige klimaatscenario’s moeten GSID’s worden verlaagd wanneer er gedegen wetenschappelijk bewijs is waaruit blijkt dat beschermde kenmerken al worden aangetast of dat ze onvermijdelijk verder zullen verslechteren of uit het gebied zullen verdwijnen als gevolg van de klimaatverandering (zie ook kader 2-4). Voorbeelden hiervan zijn de vervanging van de alpiene heide door bossen die zich naar grotere hoogten verplaatsen. Evenzo zou het ongepast zijn om de GSID’s voor een trekvogel al te verlagen op grond van de veronderstelling dat het gebied in de toekomst onaantrekkelijk voor hen kan worden. Het moet duidelijk zijn dat het gebied niet langer voldoet aan de ecologische vereisten van de soort, ook al zijn bij het beheer van het gebied instandhoudingsmaatregelen genomen, waaronder maatregelen ter ondersteuning van de aanpassing aan de klimaatverandering.
Omgekeerd kunnen nieuwe soorten in een gebied in toenemende mate voorkomen en zich er uiteindelijk vestigen (of ten minste het gebied gebruiken als onderdeel van hun trekroutes) zodra de klimatologische en habitatomstandigheden daar geschikt voor zijn. Dit kan rechtvaardigen dat nieuwe soorten worden opgenomen in de beschermingsregeling van het gebied en dat passende GSID’s en gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen (GSIM’s) worden vastgesteld om rekening te houden met de veranderingen in de verspreiding van de soorten als gevolg van de klimaatverandering.
2.3.2. Gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen (GSIM’s) vaststellen in het kader van de klimaatverandering
2.3.2.1.
Instandhoudingsmaatregelen (zie kader 2-3) zijn de feitelijke mechanismen en maatregelen die in een Natura 2000-gebied moeten worden uitgevoerd om de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen ervan te verwezenlijken. Dergelijke maatregelen moeten mogelijk binnen en/of buiten de grenzen van het gebied of zelfs in meerdere gebieden worden uitgevoerd (bv. de aanpak van diffuse verontreiniging).
De instandhoudingsdoelstellingen moeten in de loop van de tijd redelijk stabiel blijven, maar het is mogelijk dat de gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen (GSIM’s) met regelmatige tussenpozen moeten worden aangepast om rekening te houden met veranderingen in bedreigingen en drukfactoren, waaronder als gevolg van de klimaatverandering, en met veranderingen in de staat van instandhouding van de soorten en habitats in het gebied. De omstandigheden in het gebied kunnen worden beïnvloed door veranderingen in bestaande bedreigingen of de komst van nieuwe drukfactoren. Dergelijke veranderingen zijn niet altijd gemakkelijk te voorspellen en te anticiperen. Klimaatverandering kan ook op vele andere manieren gevolgen hebben voor Natura 2000-soorten of -habitats (bv. veranderingen in de fenologie, interactie tussen roofdier en prooi, structuur en functie van een habitat).
|
Kader 2-3: Eisen voor gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen Gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen moeten volgens de mededeling over instandhoudingsmaatregelen voor Natura 2000:
|
Regelmatige monitoring van de instandhoudingsmaatregelen en de gevolgen ervan voor de betrokken habitats en soorten is daarom van essentieel belang, aangezien daaruit blijkt of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste effect hebben, dan wel of ze moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat de voor dat gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Deze regelmatige evaluatie moet integraal deel uitmaken van de beheerstrategie van elk beschermd gebied en is met name relevant bij het aanpakken van opkomende drukfactoren, zoals klimaatverandering.
2.3.2.2.
Om passende GSIM’s vast te stellen die de aanpassing aan de klimaatverandering ondersteunen, moet een beoordeling van het risico van en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering plaatsvinden voor het Natura 2000-netwerk, de gebieden ervan en de beschermde habitats en soorten die door de klimaatverandering worden bedreigd. Een kader voor aanpassing aan de klimaatverandering met specifieke stappen ter ondersteuning van dit proces wordt voorgesteld in hoofdstuk 4 en uitgewerkt in bijlage 3. Nadere bijzonderheden over de aanbevolen maatregelen die op netwerkniveau, gebiedsniveau en het niveau van het bredere landschap kunnen worden genomen, zijn te vinden in bijlage 4. De GSIM’s kunnen flexibel worden aangepast naarmate de gevolgen van de klimaatverandering zich ontwikkelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied en de beschermde habitats en soorten die er voorkomen, te verwezenlijken. De lidstaten kunnen de meest evenredige en kosteneffectieve maatregelen kiezen en tegelijkertijd synergieën met andere maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering bevorderen, zoals overstromingsbeheer en vermindering van het risico op natuurbranden.
2.3.2.3.
De GSIM’s voor beschermde habitats en soorten kunnen worden gewijzigd of beëindigd naar aanleiding van de aanpassing of beëindiging van de GSID’s in geval van onvermijdelijke verslechtering als gevolg van de klimaatverandering, mits er wetenschappelijk bewijs is dat deze maatregelen niet langer kunnen bijdragen tot de instandhouding of het herstel van de beschermde habitats en soorten (zie punt 2.3.1 en kader 2-3).
2.3.3. Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden
Hoewel Natura 2000-beheerplannen niet strikt wettelijk verplicht zijn, worden ze vaak op nationaal niveau gebruikt als instrument om op een open en transparante wijze GSID’s en GSIM’s vast te stellen. Ze zijn nuttig om een aantal redenen. Ze kunnen het bewustzijn van de bedreigingen en de instandhoudingsbehoeften van het gebied vergroten en zo bijdragen tot consensus onder belanghebbenden en belangengroepen over de beheersoplossingen op de lange termijn. Dit kan op zijn beurt een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheid voor het eindresultaat creëren. Ze kunnen ook dienen als een belangrijk instrument om de financieringsbehoeften van het gebied in te schatten en potentiële financieringsbronnen in kaart te brengen. Evenzo kunnen beheerplannen bijdragen tot een betere integratie van de Natura 2000-vereisten in andere beleidsmaatregelen en plannen voor landgebruik.
Beheerplannen bevatten ook een gestructureerd mechanisme voor het monitoren en aanpassen van GSIM’s in het licht van veranderende drukfactoren en bedreigingen of de veranderende staat van instandhouding van de soorten en habitats in het gebied. Dit maakt ze ook bijzonder nuttige instrumenten voor aanpassing aan de klimaatverandering en om zo nodig nieuwe maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering te integreren (zie bijlage 4).
2.3.4. Verslechtering voorkomen in het kader van klimaatverandering
2.3.4.1.
In het kader van de klimaatverandering hebben de verantwoordelijkheden van de lidstaten uit hoofde van de natuurrichtlijnen betrekking op de toepassing van passende en evenredige maatregelen, niet op het voorkomen van onvermijdelijke klimaatgedreven ecologische transformatie.
In artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn is bepaald dat de lidstaten passende maatregelen moeten treffen om verslechtering van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten, alsook aanzienlijke verstoring van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, te voorkomen (58). Deze eis heeft betrekking op zowel door de mens veroorzaakte verslechtering als voorspelbare natuurlijke verslechtering die kan worden vermeden of, indien dit niet mogelijk is, beperkt (d.w.z. het risico van het optreden en de omvang van natuurlijke gebeurtenissen verminderen). Het staat de lidstaten derhalve vrij om in een specifieke context de meest geschikte en evenredige maatregelen vast te stellen, zolang de maatregelen doeltreffend zijn om verslechtering te voorkomen. Dit punt is verduidelijkt in de mededeling van de Commissie over de bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (59).
2.3.4.2.
Zoals in de bovenstaande vraag wordt uitgelegd, moeten de lidstaten maatregelen nemen om de voorspelbare en vermijdbare gevolgen van klimaatverandering voor de instandhouding van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden aan te pakken. De maatregelen moeten toereikend zijn om de gevolgen van de klimaatverandering te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, te beperken. Ze zullen echter niet aansprakelijk worden gesteld voor enige verslechtering als gevolg van onvoorspelbare (bv. natuurrampen) en/of onvermijdelijke gebeurtenissen (zie kader 2-4).
In dergelijke gevallen, waarin verslechtering of transformatie onvermijdelijk is en zich ondanks redelijke instandhoudings- en aanpassingsinspanningen voordoet, mag dit niet worden geïnterpreteerd als een niet-naleving van de natuurrichtlijnen. Dit vereist echter dat de risico’s van klimaatverandering en de potentiële gevolgen voor het Natura 2000-netwerk worden beoordeeld en naar behoren in aanmerking worden genomen bij het beheer van het netwerk en de gebieden ervan.
|
Kader 2-4: Mogelijke gevallen van onvermijdelijke verslechtering als gevolg van klimaatverandering Zoals beschreven in bijlage 2, kan er weliswaar veel worden gedaan om het aanpassingsvermogen van habitats en soorten te vergroten, maar het is onvermijdelijk dat voor sommige Natura 2000-gebieden, habitats en soorten praktische maatregelen om de gevolgen van klimaatverandering te voorkomen, beperkt kunnen zijn, met name op lange termijn. Er wordt bijvoorbeeld verwacht dat soorten die sterk afhankelijk zijn van sneeuwbedekking, bepaalde hydrologische omstandigheden of bepaalde zeewatertemperaturen, achteruit zullen gaan of zullen verdwijnen uit gebieden waar de omstandigheden die ze nodig hebben, niet langer aanwezig zijn. Wetenschappers hebben er in hoge mate vertrouwen in dat het klimaat de komende decennia zal blijven veranderen, en onzekerheid is geen geldig excuus om niets te doen. Aangezien de toekomstige verliezen van dergelijke habitats en soorten niet op betrouwbare wijze kunnen worden voorspeld (bv. vanwege onzekerheden over toekomstige broeikasgasemissies, klimatologische omstandigheden en de aanpassing van soorten), moeten passende inspanningen en aanpassingsmaatregelen worden geleverd om de veerkracht van in Natura 2000-gebieden beschermde habitats en soorten te vergroten. Maatregelen om de veerkracht van habitats en soorten te vergroten, moeten worden voortgezet zolang er een redelijk vooruitzicht is dat ze in stand kunnen worden gehouden, op basis van gedegen monitoringgegevens en wetenschappelijk bewijs. In geval van onzekerheid moet het voorzorgsbeginsel gelden en moeten instandhoudings- en herstelmaatregelen worden voortgezet met het oog op het behoud van een levensvatbare habitat of een levensvatbare populatie van een soort binnen een gebied. Als op basis van wetenschappelijk bewijs duidelijk wordt dat soorten en habitats in een bepaald gebied als gevolg van de klimaatverandering niet in stand kunnen worden gehouden, kan de prioriteit van hun instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen in het gebied worden verlaagd, zodat middelen elders kunnen worden ingezet. Om een samenhangend ecologisch netwerk te waarborgen, moeten de inspanningen dan mogelijk worden gericht op nieuwe gebieden die in de tussentijd geschikt of belangrijk zijn geworden voor deze habitats of soorten. Waar mogelijk moeten de lidstaten deze kwestie strategisch benaderen op het niveau van het Natura 2000-netwerk. |
2.3.4.3.
Zoals uiteengezet in de punten 2.3.1 en 2.3.2, kunnen GSID’s en GSIM’s in gevallen van onvermijdelijke verslechtering als gevolg van de klimaatverandering volgens gedegen wetenschappelijk bewijs worden aangepast of zelfs geschrapt.
2.3.4.4.
|
Kader 2-5: Beheer van habitattypen van HR-bijlage I-bossen in het kader van de onvermijdelijke gevolgen van de klimaatverandering In verschillende Europese regio’s ondermijnen oplopende temperaturen, gewijzigde neerslagniveaus en verhoogde verstoringsfrequenties (bv. ergere of frequentere perioden van droogte, stormen, schorskeverplagen) de veerkracht van bossen en veranderen ze de milieuomstandigheden, wat leidt tot verschuivingen in de natuurlijke verspreiding van boomsoorten. Zo kunnen Europese sparrenbossen (Picea abies) — een habitat van bijlage I bij de habitatrichtlijn in hooggelegen gebieden en boreale gebieden — afnemen en geleidelijk worden vervangen door beukenbossen (Fagus sylvatica) of gemengde loofbossen. Beukenbossen kunnen op hun beurt overgaan in xerische eikenbossen (bv. Quercus pubescens, Q. cerris), met name in Zuidoost- en Midden-Europa. Deze overgangsprocessen kunnen gepaard gaan met veranderingen in de dichtheid van het bladerdak, het microklimaat, de hydrologie en de bodemgesteldheid. Als algemeen beginsel moet de vervanging van een type boshabitat van bijlage I door een ander type, wanneer dit het gevolg is van natuurlijke processen als gevolg van de klimaatverandering, worden aanvaard op voorwaarde dat de overgang aantoonbaar door het klimaat wordt veroorzaakt en niet het gevolg is van vermijdbare menselijke druk. In deze situaties moeten beheersinterventies (bv. duurzaam bosbeheer (60) of ondersteunde migratie) de veerkracht van ecosystemen ondersteunen in plaats van te proberen het oorspronkelijke habitattype te behouden. Klimaatgerelateerde verstoringen kunnen vaak leiden tot tijdelijke opeenvolgende of overgangsfasen die worden gedomineerd door inheemse pionierssoorten. Deze fasen mogen niet worden geïnterpreteerd als verslechtering van de habitat wanneer ze het gevolg zijn van onvermijdelijke klimaateffecten en bijdragen tot bodembescherming, microklimatologische buffering en het herstel van bosstructuren die verenigbaar zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Deze aanpak is om verschillende redenen gerechtvaardigd:
Besluitvormingsbenaderingen op het gebied van bosbeheer Onzekerheid erkennen en beheren Modellen die toekomstige klimatologische omstandigheden voorspellen, blijven onzekerheden bevatten, met name wat betreft temperatuurextremen, neerslagvariabiliteit, verstoringsregimes en ecologische uitkomsten. Daarom:
In aanvulling op de veelheid aan nationale en internationale studies en richtsnoeren die over dit onderwerp bestaan, worden in de vrijwillige richtsnoeren van de Commissie voor bosbeheer dat dichter bij de natuur staat (62) (gericht op bossen die commercieel worden gebruikt voor hout en andere bosproducten), verschillende beginselen en maatregelen besproken die kunnen worden vertaald in voordelen voor de veerkracht van bossen in een veranderend klimaat, ook in beschermde bossen. Daarnaast worden in het door Forest Europe gedefinieerde begrip “duurzaam bosbeheer” voortdurend de verschillende claims met betrekking tot bossen en bosbestanden gematigd, waarbij de drie pijlers van duurzaamheid — ecologisch, sociaal en economisch — met elkaar in evenwicht worden gebracht. Als bossen duurzaam worden beheerd, spelen ze een onmisbare rol bij de bescherming van het klimaat en de biodiversiteit. Ze beschermen bodems en watervoorraden, zorgen voor bestaansmiddelen en dragen bij aan het welzijn van plattelands- en stedelijke gemeenschappen (63). Diversiteit en complexiteit bevorderen Bij het aanplanten of ondersteunen van het herstel van habitats in Natura 2000-gebieden moeten beheerders:
Bij de keuze van soorten en de bosstructuur moet ook rekening worden gehouden met het bodemtype en hydrologische effecten, zoals waterinfiltratie, retentie van bodemvocht en regulering van de evapotranspiratie, die steeds belangrijker worden onder veranderende klimatologische omstandigheden. Voorkomen van verlies van boombedekking Grote openingen in de kroonbedekking (bv. door kaalslag van habitats van bijlage I) zijn niet toegestaan in gebieden als dit in strijd zou zijn met gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen of de integriteit van het habitat. Dit komt omdat ze:
Waar nodig kunnen kleinschalige openingen in de kroonbedekking worden gemaakt, bijvoorbeeld om natuurlijke regeneratie te vergemakkelijken of de soortendiversiteit te vergroten. Natuurlijke regeneratie versterken Natuurlijke regeneratie:
Pionierssoorten zoals de berk (Betula spp.), de lijsterbes (Sorbus aucuparia) of de esp (Populus tremula) moeten worden verwelkomd als veerkrachtindicatoren die de bescherming van het microklimaat en de bodemontwikkeling bevorderen, ook al zijn ze niet de uiteindelijke doelsoorten. Specifieke aanbevelingen voor de uitvoering van Natura 2000
Conclusie De toenemende druk van de klimaatverandering op bossen kan dynamische instandhoudingsbenaderingen in Natura 2000-gebieden vereisen. Het aanvaarden van natuurlijke overgangsprocessen, het versterken van de microklimatologische buffering, het beschermen van bodems en hydrologische functies, het diversifiëren van soorten en structuren, en het beheren van onzekerheid door middel van adaptief beheer zullen ertoe bijdragen dat het netwerk van Natura 2000-gebieden, ondanks veranderende omstandigheden, het mogelijk blijft maken de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te behouden of in voorkomend geval te herstellen. Bij de doeltreffende toepassing van het beginsel van voorkoming van verslechtering moet rekening worden gehouden met waar de lidstaten controle over hebben en moeten ecologische processen worden ondersteund die de gezondheid van bossen op lange termijn in stand houden. |
2.3.5. Voorzorgsmaatregelen om het risico op natuurrampen in verband met de klimaatverandering, zoals catastrofale natuurbranden en overstromingen, te verminderen
2.3.5.1.
Traditionele infrastructuur ter bescherming tegen natuurbranden, zoals lineaire brandgangen, wegennetwerken in bossen en de mechanische verwijdering van vegetatie of de bovenste grondlaag, is in sommige situaties onmisbaar, maar kan aanzienlijke gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden doordat habitats worden gefragmenteerd en de verplaatsing van wilde dieren wordt verstoord (64). Langdurige brandbestrijding kan ook leiden tot dichte ondergroei, waardoor het risico van natuurbranden toeneemt.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft bepaald dat de aanleg en het onderhoud van infrastructuur ter bescherming tegen natuurbranden wordt beschouwd als een “project” in de zin van artikel 6, lid 3, eerste zin, van de habitatrichtlijn, wat betekent dat het kan worden onderworpen aan een passende beoordeling. Deze maatregelen hoeven echter niet aan een dergelijke beoordeling te worden onderworpen indien ze deel uitmaken van de overeenkomstig artikel 6, lid 1, vastgestelde instandhoudingsmaatregelen van het gebied (zaak C-434/22, punt 50) (65). De lidstaten kunnen proactief gebruikmaken van deze flexibiliteit wanneer de instandhouding van de beschermde elementen in het gebied baat kan hebben bij de preventie van natuurbranden, bijvoorbeeld door relevante preventieve elementen zoals brandgangen te integreren als onderdeel van instandhoudingsmaatregelen voor habitats of soorten die door natuurbranden worden bedreigd. Brandbeveiligingsmaatregelen die niet aan deze voorwaarde voldoen en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied kunnen ondermijnen, moeten worden onderworpen aan een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied (zaak C-434/22, punt 51) (66).
Voorts is in de richtsnoeren van de Commissie (67) verduidelijkt dat sectorplannen, waaronder plannen voor bosbeheer en bescherming tegen natuurbranden, onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 3, vallen indien ze aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Dergelijke plannen moeten ook worden onderworpen aan een passende beoordeling om de gevolgen ervan voor het gebied te evalueren.
2.3.5.2.
De habitatrichtlijn bevat geen expliciete bepalingen met betrekking tot noodmaatregelen. Het is echter logisch dat noodsituaties zoals schadelijke natuurbranden of overstromingen vereisen dat er onmiddellijk besluiten ter plaatse worden genomen om dringende risico’s aan te pakken die de verwezenlijking van de doelstellingen van de habitatrichtlijn in gevaar zouden brengen of een onmiddellijke bedreiging voor de openbare veiligheid zouden vormen. In dergelijke dringende situaties is het uitvoeren van een passende beoordeling mogelijk niet haalbaar.
Het HvJ-EU heeft twee relevante omstandigheden vastgesteld waarin het wellicht niet nodig is een passende beoordeling uit te voeren:
|
— |
bij de beoordeling van de noodzaak om een passende beoordeling uit te voeren voor activiteiten om de installaties ter bescherming tegen natuurbranden in stand te houden, is geen passende beoordeling vereist indien die activiteit reeds is opgenomen in de instandhoudingsmaatregelen voor het gebied (zaak C-434/22, punt 68) (68). Maatregelen (waaronder noodmaatregelen) hoeven derhalve niet aan artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn te worden getoetst indien ze zijn opgenomen in de instandhoudingsmaatregelen van een gebied; |
|
— |
noodmaatregelen ter bescherming van een gebied kunnen in of nabij Natura 2000-gebieden plaatsvinden zonder voorafgaande passende beoordeling indien er een actueel of imminent gevaar voor de instandhouding van dat gebied bestaat dat de onmiddellijke uitvoering ervan vereist (zaak C-434/22, punten 69 en 71) (69) (66). Dit maakt het mogelijk snel te reageren, zoals het creëren van brandgangen, om potentiële rampen af te wenden. |
De uitzondering voor noodmaatregelen mag echter alleen worden toegepast op reacties op actueel of imminent gevaar. De duur en het toepassingsgebied van de maatregelen die moeten worden genomen, moeten worden beperkt tot de minimale respons die nodig is om het risico te neutraliseren. Voor zover mogelijk moeten de gekozen maatregelen de milieueffecten tot een minimum beperken en de minst schadelijke alternatieven voor de door het Natura 2000-gebied beschermde habitats en soorten bevorderen.
Het wordt ten zeerste aangeraden de voorwaarden voor het uitvoeren van noodmaatregelen in Natura 2000-gebieden vooraf uitdrukkelijk in een wetstekst vast te leggen om duidelijkheid en objectiviteit te waarborgen en misbruik te voorkomen. Dit rechtskader moet aspecten omvatten zoals het toepassingsgebied van wat als “noodsituatie” wordt beschouwd, de governance voor besluitvorming, tijdsbeperkingen, de voorwaarden voor het beëindigen van de noodtoestand en verplichtingen in verband met latere beoordelingen (zie casestudy 1).
Na de afwikkeling van een noodsituatie is een uitgebreide evaluatie achteraf van de gevolgen van de noodwerkzaamheden voor het gebied van cruciaal belang. Idealiter zou deze evaluatie binnen een wettelijk vastgestelde termijn moeten plaatsvinden. Deze beoordeling helpt bij het kwantificeren van eventuele schade en dient als input bij het bepalen of en welke herstelmaatregelen nodig zijn. Na deze evaluatie achteraf worden de verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn bijzonder relevant.
Hoewel de uitspraak in zaak C-434/22 beperkt is tot noodmaatregelen om schade door natuurbranden aan de gebieden te voorkomen, kan een soortgelijke aanpak worden gevolgd om bedreigingen voor de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid te voorkomen, mits daarna alle nodige maatregelen worden genomen om eventuele aanzienlijke schade aan het gebied als gevolg van deze noodmaatregelen te herstellen.
In wezen kunnen in en nabij Natura 2000-gebieden weliswaar noodmaatregelen worden getroffen om verdere schade te voorkomen, maar moeten deze gerechtvaardigd en in de tijd beperkt zijn en middels grondige evaluaties worden gevolgd.
|
Casestudy 1: wetswijzigingen in Slovenië om voorwaarden te stellen voor wanneer er sprake is van uitzonderingen voor noodsituaties in verband met de menselijke veiligheid in Natura 2000-gebieden Achtergrond De Europese Commissie heeft via een inbreukprocedure vastgesteld dat Slovenië niet voldeed aan de habitatrichtlijn vanwege de brede uitzonderingen in zijn nationale wetgeving. Die uitzonderingen maakten noodmaatregelen mogelijk zonder behoorlijke milieu-evaluaties, onder meer voor noodmaatregelen in Natura 2000-gebieden, waardoor de nodige passende beoordeling kon worden omzeild. De Sloveense regering heeft in reactie hierop haar wetgeving gewijzigd om deze punten van zorg weg te nemen. Wetswijzigingen Slovenië heeft artikel 10 van zijn wet op het natuurbehoud gewijzigd om uitdrukkelijk strikte voorwaarden vast te stellen waaronder uitzonderingen op de algemene regeling voor natuurbehoud van toepassing kunnen zijn. Deze wijzigingen omvatten onder meer het volgende:
Resultaten en naleving Deze wijzigingen kwamen tegemoet aan de punten van zorg van de Europese Commissie en bieden een duidelijk rechtskader voor wanneer en hoe in Natura 2000-gebieden noodmaatregelen kunnen worden uitgevoerd zonder voorafgaande passende beoordeling. |
2.3.6. Zorgen voor een samenhangend ecologisch netwerk en een gunstige staat van instandhouding (FCS)
2.3.6.1.
Naast maatregelen op gebiedsniveau die worden genomen in reactie op de gevolgen voor beschermde kenmerken, kan het nodig zijn te overwegen het netwerk als geheel (en in elke biogeografische regio) wat betreft dergelijke kenmerken aan te passen om ervoor te zorgen dat het netwerk zijn doelstellingen blijft verwezenlijken, ondanks de nieuwe en toenemende bedreigingen van de klimaatverandering.
In artikel 3, lid 1, van de habitatrichtlijn is bepaald dat Natura 2000 (met inbegrip van habitat-SBZ’s en soort-SBZ’s) een “coherent Europees ecologisch netwerk […] van speciale beschermingszones” vormt dat “de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding [moet] behouden of in voorkomend geval herstellen”. Dit betekent dat het Natura 2000-netwerk zich richt op twee doelstellingen: i) gerichte bescherming van Natura 2000-soorten en -habitats in termen van kwantiteit en kwaliteit, en ii) zorgen voor voldoende geografische spreiding in verhouding tot hun verspreidingsgebied. De betekenis van het begrip “coherent” (ook wel “samenhangend”) is niet gedefinieerd in de richtlijn, maar in een studie van de Europese Commissie werd aanbevolen dat dit de toereikendheid, representativiteit, veerkracht en connectiviteit van het netwerk zou omvatten (zie kader 2-6).
In artikel 3, lid 3, wordt ook bepaald dat “[w]aar zij zulks nodig achten, […] de lidstaten [streven] naar bevordering van de ecologische coherentie van Natura 2000 door het handhaven en in voorkomend geval ontwikkelen van de in artikel 10 genoemde landschapselementen die van primair belang zijn voor de wilde flora en fauna”. Volgens artikel 10 gaat het daarbij om “elementen die door hun lineaire en continue structuur (zoals waterlopen met hun oevers of traditionele systemen van terreinbegrenzing) of hun verbindingsfunctie (zoals vijvers of bosjes) essentieel zijn voor de migratie, de geografische verdeling en de genetische uitwisseling van wilde soorten”.
Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat voor elk habitattype of elke door de natuurrichtlijnen beschermde soort die om onvermijdbare redenen, zoals klimaatverandering, lokaal uitsterft in een of meer gebieden, elders in het netwerk passende maatregelen worden genomen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te behouden teneinde de doelstellingen ervan te verwezenlijken. In bijlage 4 worden de opties beschreven voor de beoordeling en verwezenlijking van de coherentie van het netwerk.
|
Kader 2-6: Eigenschappen van een coherent Natura 2000-netwerk In 2010 werd in een studie voor de Europese Commissie (70) aanbevolen dat het Natura 2000-netwerk, om coherent te zijn, moet voldoen aan de criteria voor de volgende vier belangrijke eigenschappen:
|
2.3.6.2.
Het Natura 2000-netwerk draagt bij aan de gunstige staat van instandhouding, maar misschien niet voldoende om deze staat zelf te bereiken (bv. omdat een groot deel van het gebied van een habitattype zich buiten het netwerk bevindt). Daarom zou deze vraag relevant zijn voor het netwerk in een bepaalde biogeografische regio van een lidstaat, maar ook voor situaties waarin habitattypen en soorten buiten het netwerk voorkomen.
Zoals hierboven uiteengezet, kan het in gevallen van onvermijdelijke verslechtering als gevolg van de klimaatverandering op basis van gedegen wetenschappelijk bewijs waarin de gunstige staat van instandhouding niet langer op netwerkniveau kan worden bereikt, ondanks dat alle redelijke instandhoudings- en herstelmaatregelen zijn genomen, nodig zijn om zowel de GSID’s als GSIM’s in de betrokken gebieden te herzien. In een dergelijk geval zou een beoordeling nodig zijn van de maatregelen die kunnen worden genomen voor het (de) getroffen kenmerk(en) in de relevante biogeografische regio in een veranderde klimatologische situatie. Deze beoordeling kan onder meer bestaan uit een evaluatie van de toereikendheid van het netwerk voor het getroffen kenmerk om te bepalen of nieuwe of andere gebieden een rol kunnen spelen bij het herstel van de staat van instandhouding in de toekomst, alsook een evaluatie van GSID’s en aanverwante GSIM’s.
Als er degelijk wetenschappelijk bewijs is dat een bepaald kenmerk in een bepaalde regio niet langer de eerder vastgestelde gunstige referentiewaarden kan bereiken, moet deze situatie worden erkend. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden (een verschuiving van het verspreidingsgebied, een verandering van het verspreidingspatroon, een totale verdwijning enz.) moeten mogelijk maatregelen worden geanalyseerd die verder gaan dan het niveau van de nationale biogeografische regio(’s). Als het verspreidingsgebied van een habitattype bijvoorbeeld naar het noorden verschuift en daardoor het verspreidingsgebied in lidstaat A wordt vergroot, maar tegelijkertijd het verspreidingsgebied in lidstaat B geheel of gedeeltelijk verdwijnt, moet de manier waarop de lidstaten A en B de gunstige staat van instandhouding van dit habitattype definiëren en eraan bijdragen, opnieuw worden geëvalueerd. Dit zou kunnen betekenen dat de gunstige referentiewaarden voor het oppervlak en het verspreidingsgebied in lidstaat B moeten worden verlaagd of zelfs nul moeten worden, terwijl in lidstaat A de gunstige referentiewaarden moeten worden verhoogd. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de best mogelijke informatie beschikbaar is en dat er open discussie onder deskundigen plaatsvindt om de best mogelijke oplossingen te vinden.
2.3.7. Wijziging van de juridische status of het toepassingsgebied van de bescherming van een Natura 2000-gebied
2.3.7.1.
In bepaalde gevallen kan het zijn dat, ondanks alle maatregelen die zijn genomen om de klimaatverandering te voorkomen, de gevolgen van de klimaatverandering voor een Natura 2000-gebied van dien aard zijn dat een of meer soorten of habitattypen in het gebied verdwijnen zonder redelijke vooruitzichten dat ze terugkomen en zonder mogelijkheden tot herstel. Bovendien is het mogelijk dat een gebied of delen van een gebied, ondanks de genomen maatregelen, niet langer kan bijdragen aan de algemene doelstellingen van de EU-natuurrichtlijnen. Dergelijke gevallen, ondersteund door degelijk wetenschappelijk bewijs, kunnen een wijziging van de grenzen van een gebied rechtvaardigen, evenals het schrappen van habitats en soorten uit de beschermingsregeling van het gebied, of zelfs het volledig ontnemen van de beschermingsstatus van een gebied, zoals uitgelegd in de mededelingen van de Commissie over de aanwijzing van gebieden of delen van gebieden en over de verwijdering van de beschermingsstatus van habitats en soorten.
Indien zich onomkeerbare ontwikkelingen in verband met de klimaatverandering voordoen die kunnen rechtvaardigen dat habitats en soorten uit de beschermingsregeling van een gebied worden geschrapt, dat de grenzen worden gewijzigd of dat een volledig gebied wordt geschrapt, moet worden beoordeeld in hoeverre het effect van dergelijke verliezen kan worden geneutraliseerd of gecompenseerd door nieuwe gebieden voor te stellen of bestaande gebieden uit te breiden om nieuwe gebieden voor de “verloren” habitats en soorten te beschermen (zie ook bijlage 4).
Omgekeerd kunnen door de EU beschermde soorten of habitats zich vestigen in gebieden waar ze voorheen niet voorkwamen. Dit zou het uitbreiden van bestaande gebieden, het veranderen van de gebiedsgrenzen (bv. naar het noorden of landinwaarts), zoals hierboven uiteengezet, het aanwijzen van nieuwe Natura 2000-gebieden, of het opnemen van nieuwe soorten en habitats in de beschermingsregeling van bestaande gebieden rechtvaardigen, teneinde een samenhangend ecologisch netwerk te waarborgen (zie punt 2.3.6 en bijlage 4 voor aanpassingsmaatregelen op netwerk- en gebiedsniveau). De lidstaten kunnen de prioriteiten met betrekking tot hun instandhoudingsmaatregelen en -middelen baseren op hun specifieke behoeften en instandhoudingsdoelstellingen.
2.3.7.2.
Het verdwijnen van een soort of habitat uit een gebied kan het gevolg zijn van een langzame geleidelijke verschuiving in de verspreiding en het verspreidingsgebied van een soort of habitat als gevolg van de klimaatverandering. Dit kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van onomkeerbaar habitatverlies als gevolg van de stijging van de zeespiegel of als gevolg van een onvoorspelbare natuurramp die het gebied onomkeerbaar kan aantasten.
Zoals verduidelijkt door het HvJ-EU:
|
— |
Artikel 9 van de habitatrichtlijn staat het ontnemen van de beschermingsstatus van gebieden (en aantoonbaar delen van gebieden) toe “wanneer de natuurlijke ontwikkeling, zoals die blijkt uit het in artikel 11 bedoelde toezicht, dat rechtvaardigt”. Het HvJ-EU heeft dit bevestigd in punt 25 van zijn arrest in zaak C-301/12 (71). In punt 30 verduidelijkte de rechter echter “dat het enkele feit […] dat de milieutoestand van dit gebied is verslechterd, op zich niet volstaat om tot een dergelijke aanpassing van de lijst van GCB’s over te gaan”. |
|
— |
“Dat een lidstaat deze beschermingsverplichting niet is nagekomen met betrekking tot een bepaald gebied kan als zodanig geen grond zijn om dit gebied zijn beschermde status te ontnemen […]. De betrokken lidstaat moet dan juist de nodige maatregelen treffen om het gebied te saneren.” (punt 32). “[D]e bevoegde nationale instanties [zijn] gehouden […] de intrekking van de beschermde status van een op de lijst van GCB’s geplaatst gebied aan de Commissie voor te stellen […] voor zover dit verzoek is gebaseerd op de omstandigheid dat dit gebied, in weerwil van de naleving van de bepalingen van artikel 6, leden 2 tot en met 4, van deze richtlijn, definitief geen bijdrage meer kan leveren aan de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna of aan de vorming van het netwerk Natura 2000.” (punt 36). |
|
— |
In zaak C-281/16, punt 36 (72), merkte het HvJ-EU op dat “het voorstel van een lidstaat om de oppervlakte van een gebied op de lijst te verkleinen immers [vereist] dat wordt bewezen dat de desbetreffende zones op nationaal niveau niet van aanzienlijk ecologisch belang zijn [voor het doel van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten]. Bovendien kan de Commissie het voorstel enkel aanvaarden en ten uitvoer leggen wanneer zij tot de conclusie komt dat deze gebieden vanuit het oogpunt van de Unie als geheel, niet meer noodzakelijk zijn”. |
Daarom kan de aanwijzing van een gebied of een deel van het gebied worden geschrapt of kan de beschermingsstatus ervan worden ontnomen, of kan een soort of habitat worden verwijderd uit de instandhoudingsregeling van het gebied als gevolg van natuurlijke ontwikkelingen als gevolg van de klimaatverandering, op voorwaarde dat:
|
— |
de beslissing per geval naar behoren wordt gemotiveerd en onderbouwd met overtuigend wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat alles in het werk is gesteld om te anticiperen op het onomkeerbare verdwijnen van de soorten of habitats als gevolg van veranderende klimatologische omstandigheden of andere factoren, of om dit te voorkomen; |
|
— |
wordt aangetoond dat de verslechtering heeft plaatsgevonden ondanks de volledige naleving van de vereisten van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de habitatrichtlijn (voor de naleving van artikel 6, lid 2, zie punt 2.3.4); |
|
— |
wordt geoordeeld dat het gebied, of delen ervan, geen andere waarden of functies heeft ter ondersteuning van de doelstellingen van de natuurrichtlijnen, waaronder het potentieel dat andere Natura 2000-habitats en -soorten zich er vestigen als gevolg van de nieuwe kenmerken ervan. Alleen het feit dat een gebied of een deel van een gebied niet langer het doel dient waarvoor het oorspronkelijk was aangewezen (d.w.z. een beduidende aanwezigheid), volstaat niet om de schrapping van de aanwijzing te rechtvaardigen. Aangezien Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor de bescherming van verschillende soorten en habitats, wordt in het algemeen verwacht dat niet alle gebieden op dezelfde manier onderhevig zijn aan de gevolgen van de klimaatverandering. Verslechtering als gevolg van door de mens veroorzaakte activiteiten of het ontbreken van passende beheer- en instandhoudingsmaatregelen, waaronder maatregelen die nodig zijn om nieuwe klimaatrisico’s en de potentiële gevolgen ervan voor Natura 2000 aan te pakken (bv. maatregelen die de weerbaarheid tegen klimaatverandering vergroten), kan daarentegen niet worden gebruikt als rechtvaardiging voor het (zelfs gedeeltelijk) schrappen van de aanwijzing van gebieden of voor het verwijderen van soorten of habitats uit de instandhoudingsregeling van het gebied. |
2.3.7.3.
In de mededelingen van de Commissie over de aanwijzing van gebieden of delen van gebieden en over de verwijdering van de beschermingsstatus van habitats en soorten worden de nodige motiveringen gegeven en de stappen vermeld die de lidstaten moeten zetten, ook in geval van veranderingen als gevolg van de klimaatverandering.
Indien in het gebied nieuwe soorten en/of habitats worden geregistreerd (bv. als gevolg van de verschuiving van verspreiding als gevolg van de klimaatverandering of van herinvoering als instandhoudingsmaatregel), moeten deze worden geregistreerd in een actualisering van het standaardgegevensformulier voor het gebied en in de nationale officiële handeling of het nationale officiële instrument waarbij het gebied wettelijk wordt aangewezen. De GSID’s en GSIM’s van het gebied moeten ook worden aangepast aan hun ecologische vereisten.
3. HOE HET NATURA 2000-NETWERK KAN BIJDRAGEN AAN DE EU-DOELSTELLINGEN VOOR AANPASSING AAN EN MITIGATIE VAN DE KLIMAATVERANDERING
3.1. Win-winoplossingen om de doelstellingen voor aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering te helpen verwezenlijken
Het Natura 2000-netwerk biedt en beschermt een breed scala van ecosysteemdiensten, waaronder voedsel, brandstof, hout, gezonde grond, schone lucht en schoon water, koolstofvastlegging en -opslag, en bescherming tegen natuurrampen, zoals overstromingen, aardverschuivingen, droogte en catastrofale natuurbranden. Dergelijke diensten hebben een aanzienlijke sociaal-economische waarde, die in totaal geraamd wordt op ongeveer 200 à 300 miljard EUR per jaar (73).
Als gevolg van de waargenomen en verwachte klimaatveranderingen in Europa (bijlage 1, deel 2) spelen veel van de ecosysteemdiensten die door het Natura 2000-netwerk worden geleverd, een steeds essentiëlere rol bij de vermindering van broeikasgasemissies en de aanpassing aan de klimaatverandering, door middel van op de natuur gebaseerde oplossingen (waaronder op ecosystemen gebaseerde oplossingen). Zoals uit latere voorbeelden blijkt, betaalt de investering in aanpassing zich bovendien echt uit: ecosysteemherstel en andere op de natuur gebaseerde oplossingen kunnen de financiële en economische risico’s in verband met klimaatverandering aanzienlijk verminderen.
Veel van de praktische activiteiten die nodig zijn ter vergroting van het vermogen van habitats en soorten om zich aan te passen aan de klimaatverandering, zoals het verminderen van andere drukfactoren en het verbeteren en herstellen van hun ecosystemen, kunnen ook bijdragen tot bredere doelstellingen inzake aanpassing aan en/of mitigatie van de klimaatverandering. Dit levert wederzijdse voordelen op, d.w.z. win-winkansen. In sommige gevallen kunnen dergelijke maatregelen zelfs synergetisch zijn en resulteren in voordelen die groter zijn dan wanneer de maatregelen afzonderlijk werden genomen.
Het is echter ook belangrijk te erkennen dat sommige maatregelen ter mitigatie van of aanpassing aan de klimaatverandering in strijd kunnen zijn met de doelstellingen en beheersbehoeften van Natura 2000. Dergelijke tegenstrijdigheden kunnen het gevolg zijn van onjuist gebruikte op de natuur gebaseerde oplossingen, zoals het planten van bomen in niet-beboste habitats met een hoge biodiversiteitswaarde (74). Potentiële tegenstrijdigheden moeten zo vroeg mogelijk worden geïdentificeerd en vermeden door overleg met de relevante autoriteiten en andere belanghebbenden. Dit kan worden vergemakkelijkt door een kader voor aanpassing aan de klimaatverandering te ontwikkelen, zoals beschreven in hoofdstuk 4 en bijlage 3. Indien potentiële tegenstrijdigheden tussen mitigatie- en aanpassingsmaatregelen betrekking hebben op projecten en plannen, zoals gedefinieerd in de habitatrichtlijn, moeten ze worden behandeld overeenkomstig de wettelijke vereisten van artikel 6, leden 3 en 4, van de richtlijn.
Het behoud en herstel van ecosystemen in het Natura 2000-netwerk kan op vele manieren bijdragen tot mitigatie van de klimaatverandering en brede aanpassingsvoordelen. De belangrijkste manieren zijn samengevat in tabel 1 en beschreven in de punten 3.2 en 3.3.
Tabel 1:
Mogelijke voordelen van het herstel van ecosystemen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering
|
Algemene habitat |
Maatregel |
Klimaatmitigatiepotentieel |
Aanpassingspotentieel |
Opmerkingen |
||
|
Zee- en kustgebieden (1) |
Herstel en regeneratie van koolstofrijke HR-habitats (bv. zeegras en kwelders) |
Hoog |
Verbeterde bescherming tegen overstromingen aan de kust |
Potentiële tegenstrijdigheden (2) |
||
|
Herstel zandduinen |
Laag |
Verbeterde bescherming tegen overstromingen aan de kust |
|
|||
|
Vermindering van drukfactoren: verontreiniging, invasieve exoten, verstoring van habitats enz. |
Laag-hoog |
Verminderde toxische algenbloei, gevolgen invasieve exoten |
Het klimaatmitigatiepotentieel hangt af van de habitat, bv. hoog voor zeegras |
|||
|
Meren en rivieren |
Herstel en regeneratie van HR-meerhabitats |
Variabel / hoog |
Toename van zoetwateropslag |
|
||
|
Herstel van rivierwaterlopen en verbindingen met uiterwaarden, overstromingsgebieden en andere wetlands |
Variabel / hoog (3) |
Minder gevolgen van overstromingen, meer grondwateraanvulling en weerbaarheid tegen droogte |
Afhankelijk van situatie (4) |
|||
|
Vermindering van drukfactoren: wateronttrekking, verontreiniging, invasieve exoten |
Laag |
Handhaving van stromen, verminderde eutrofiëring |
|
|||
|
Veengebieden en moerassen |
Habitatherstel: vernatting, verwijdering van bomen en herstel van vegetatie waar nodig |
Zeer hoog |
Verbeterde waterkwaliteit, verbeterde waterretentie vermindert risico van overstromingen, droogte en brand |
|
||
|
Vermindering van andere drukfactoren: begrazing en voorgeschreven afbranding |
Hoog |
|||||
|
Heide en struikgewas |
Habitatherstel: verwijdering van bomen en herstel van vegetatie waar nodig |
Variabel/negatief |
Verminderde potentiële gevolgen van brand als gevolg van lagere brandstofconcentratie |
|
||
|
Brandbeheer (bv. voorgeschreven afbranding, begrazing, brandgangen) |
Variabel |
Minder risico op/gevolgen door brand (5) |
|
|||
|
Vermindering van andere drukfactoren: luchtverontreiniging, ontoereikende begrazing, invasieve exoten |
Variabel |
Begrazing kan de brandstofconcentratie van vegetatie en gevolgen door brand verminderen |
|
|||
|
Bossen |
Regeneratie van HR-habitats |
Hoog |
Stabilisatie van hellingen, verminderde afvloeiing, vermindering van vervuiling en overstromingen |
|
||
|
Herstel van bossen, bv. van monospecifieke boomopstand van één leeftijdsklasse met kaalkap tot gemengde opstanden met selectieve kap, continue kroonbedekking en natuurlijke regeneratie |
Variabel / hoog |
Grotere veerkracht van bossen (bv. tegen droogte, hitte, storm, ziekten) en minder risico op/gevolgen door brand (5) |
|
|||
|
Bebossing om te bufferen/verbinden |
Hoog |
Grotere veerkracht van gefragmenteerde bossen, bv. beter bestand tegen hitte, storm |
|
|||
|
Herbeplanting met toevoeging van Europese soorten (of genotypen) die beter bestand zijn tegen klimaatverandering, met bijzondere aandacht voor inheemse soorten of soorten uit aangrenzende biogeografische gebieden |
Hoog |
Grotere veerkracht, zoals hierboven |
|
|||
|
Vermindering van andere drukfactoren: luchtverontreiniging, invasieve exoten |
|
Grotere veerkracht, zoals hierboven |
|
|||
|
Grasland en akkerland |
Regeneratie/herstel van HR-graslanden: vermindering van de intensiteit van het beheer |
Zeer hoog |
Minder watervervuiling, afvloeiing en erosie |
|
||
|
Onderhoud/herstel van HR-graslanden: begrazing en hooien enz. (vermijden/omkeren van verwaarlozing) |
Hoog |
Instandhouding van landbouwproductie en cultuurlandschappen, vermindering van erosierisico en gevolgen door brand |
|
|||
|
Bescherming van grasland tegen ploegen en opnieuw inzaaien van grasland |
Gemiddeld |
Minder watervervuiling, afvloeiing en erosie |
|
|||
|
Herstelbeheer van bouwland (bv. conserverende grondbewerking, gebruik van wisselbouw en braakland) |
Gemiddeld |
|
||||
|
Brandbeheer (bv. begrazing, voorgeschreven afbranding) |
Laag / variabel |
|
||||
|
||||||
|
(1) Mariene en kustgebieden omvatten moerassen en duinen. (2) Kan leiden tot het verlies van sommige gewenste habitats (bv. als unieke zoetwatermoerassen worden vervangen door kwelders). (3) Hoewel zoetwaterecosystemen relatief lage vastleggingspercentages en -bestanden hebben, kunnen de bijbehorende veengronden, die veel voorkomen in oevergebieden en overstromingsgebieden, aanzienlijk bijdragen tot mitigatie van de klimaatverandering. (4) Kan leiden tot te frequente of anderszins schadelijke overstromingen als dijken in sommige situaties worden verwijderd of verlaagd. (5) Brand is een natuurlijk fenomeen in ecosystemen met van vuur afhankelijke soorten. Het verminderen van het risico op/de gevolgen door brand heeft hier betrekking op de risico’s en gevolgen van destructieve natuurbranden. (75) Hendriks, K., Gubbay, S., Arets, E. et al. (2020), “Carbon storage in European ecosystems: A quick scan for terrestrial and marine EUNIS habitat types”, intern verslag voor het EMA van Wageningen Environmental Research en Susan Gubbay, Wageningen. (76) Keesstra, S., Nunes, J., Novara, A. et al. (2018), The superior effect of nature based solutions in land management for enhancing ecosystem services, Science of The Total Environment, 610-611, blz. 997-100. (77) Harrison, I.J., Green, P.A., Farrell, T.A. et al. (2016), Protected areas and freshwater provisioning: a global assessment of freshwater provision, threats and management strategies to support human water security, Aquatic Conservation: Marine and Freshwater Ecosystems, No 26 (S1), blz. 103-120. (78) Cooper, R. (2020), Nature-based solutions and water security, GSDRC, Universiteit van Birmingham. (79) Land-based wildfire prevention — Principles and experiences on managing landscapes, forests and woodlands for safety and resilience in Europe, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021 (https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/4e6cc1f1-8b8a-11eb-b85c-01aa75ed71a1/language-en). (80) Seddon, N., Chausson, A., Berry, P., et al. (2020), Understanding the value and limits of nature-based solutions to climate change and other global challenges, Philosophical Transactions of the Royal Society B, 375, 20190120. (81) EMA (2021), “Nature-based solutions in Europe: Policy, knowledge and practice for climate change adaptation and disaster risk reduction”, EMA-verslag nr. 1/2021, Europees Milieuagentschap, Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie. (82) Penning E., Peñailillo Burgos R., Mens M., et al. (2023), Nature-based solutions for floods and droughts and biodiversity: Do we have sufficient proof of their functioning? Cambridge Prisms: Water, 1, e11, blz. 1-17. (83) Valor, T., Coll, L., Pique, M., et al. (2023), FIRE-RES Ecological factors driving resistant and resilient landscapes to high intensity and extreme wildfire events, Deliverable D1.11 FIRE-RES project. DOI: 10.5281/zenodo.7785271. |
||||||
3.2. Hoe het Natura 2000-netwerk kan bijdragen tot mitigatie van de klimaatverandering door middel van koolstofvastlegging en -opslag
De ecosystemen van het Natura 2000-netwerk spelen een belangrijke rol bij de verwezenlijking van de mitigatiedoelstellingen van de EU door koolstofvastlegging in bodem, sedimenten en vegetatie, die onvermijdelijke broeikasgasemissies van andere sectoren helpt compenseren. Het streefcijfer van de EU voor klimaatneutraliteit en vermindering van de broeikasgasemissies is een “netto” streefcijfer, wat betekent dat toename van de koolstofput in het streefcijfer is opgenomen. In de wijziging van 2023 van de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) (84) is een algemene doelstelling op EU-niveau vastgesteld van 310 Mt CO2e nettoverwijderingen in de LULUCF-sector tegen 2030.
De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de uitbreiding van hun koolstofputten om dit EU-streefcijfer te halen. De gewijzigde verordening handhaaft de “geen debet”-toezegging dat emissies (debet) van LULUCF-sectoren tot 2025 niet hoger mogen zijn dan verwijderingen (credit). Indien de emissies de verwijderingen overschrijden, is de lidstaat verplicht de putcapaciteit te vergroten of gebruik te maken van flexibiliteitsmechanismen (bv. handel in emissiekredieten). In 2026 moeten verwijderingen de emissies beginnen te overschrijden. Elke lidstaat heeft een bindend nationaal streefcijfer voor 2030 en moet een toezegging inzake te verwezenlijken nettobroeikasgasemissies en -verwijderingen behalen voor de hele periode 2026-2029.
De belangrijkste manieren om koolstofputten te beheren en uit te breiden, zijn het beschermen, herstellen en regenereren van HR-habitats (d.w.z. die welke zijn opgenomen in bijlage I bij de habitatrichtlijn), met name koolstofrijke habitats, het verminderen van met landgebruik verband houdende broeikasgasemissies en/of het vergroten van natuurlijke koolstofputten. Er kunnen zich mogelijkheden voordoen waarbij:
|
— |
bestaande koolstofopslag die afneemt of risico loopt, wordt beschermd tegen verlies of afbraak; |
|
— |
de koolstofvastleggingspercentages worden verhoogd door herstel of verbetering van ecosystemen; |
|
— |
eerder verloren koolstofrijke habitats worden geregenereerd. |
Tabel 2 geeft een overzicht van het natuurlijke vermogen van verschillende typen ecosystemen om koolstof vast te leggen en op te slaan. De bandbreedtes variëren sterk binnen habitattypen, grotendeels als gevolg van hun brede indeling. De ramingen zijn ook afkomstig uit verschillende delen van de EU-27 die onderhevig zijn aan verschillende klimatologische omstandigheden en beheersystemen. Ze moeten derhalve worden beschouwd als indicatief voor de doelstellingen van deze richtsnoeren. Bulkeley (2020) (85) biedt een analyse van door de EU gefinancierde projecten inzake op de natuur gebaseerde oplossingen voor mitigatie van de klimaatverandering.
Tabel 2
Ramingen van koolstofvoorraden en vastleggingen voor de typen ecosystemen en geselecteerde mariene habitats
a. Terrestrische ecosystemen
|
|
Koolstofopslag (t C ha-1) |
Koolstofvastlegging (t C ha-1 jaar-1) |
||||||
|
Ecosysteem |
gemiddelde |
mediaan |
min. |
max. |
gemiddelde |
mediaan |
min. (87) |
max. |
|
Wetlands (86) |
261,8 |
247,2 |
0,9 |
827,1 |
1,0 |
0,3 |
–0,5 |
6,5 |
|
Bos |
133,0 |
115,5 |
5,0 |
500,0 |
3,2 |
3,0 |
0,02 |
9,3 |
|
Heidegrond |
110,3 |
88,0 |
2,0 |
548,6 |
0,02 |
0,02 |
0,02 |
0,02 |
|
Landbouw |
107,7 |
99,0 |
7,0 |
266,7 |
1,2 |
0,9 |
–0,8 |
4,3 |
|
Toendra |
101,2 |
23,2 |
1,5 |
711,0 |
0,6 |
0,3 |
0,10 |
1,4 |
|
Schaarse begroeiing |
69,7 |
24,0 |
20,6 |
164,5 |
0,02 |
0,02 |
0,00 |
0,04 |
|
Grasland |
61,3 |
5,0 |
0,5 |
438,0 |
0,2 |
0,2 |
0,2 |
0,2 |
|
Kustwateren |
48,0 |
48,0 |
48,0 |
48,0 |
0,7 |
0,7 |
0,6 |
0,7 |
|
Heesters |
33,5 |
12,0 |
6,9 |
190,1 |
0,1 |
–0,02 |
–0,7 |
1,3 |
|
Alle terrestrische ecosystemen |
145,7 |
96,0 |
0,5 |
827,1 |
1,8 |
1,0 |
–0,8 |
9,3 |
|
(86) Wetlands omvatten veengebieden, zoetwater-rietmoerassen, getijdenmoerassen, kwelders, oeverecosystemen. Voor de mariene habitats worden geen schattingen voor het gemiddelde, de mediaan, en de min en max gegeven, omdat deze niet in de genoemde bron zijn opgenomen. (87) Negatieve percentages kunnen optreden als gevolg van een hoge mate van afbraak van organisch materiaal in de bodem, bijvoorbeeld in ontwaterde of uitgedroogde veengrond. |
||||||||
b. Specifieke mariene habitats
|
Opmerking: |
de typen ecosystemen zijn gebaseerd op de EUNIS-classificatie van 2019 voor mariene habitats en de EUNIS-habitatclassificatie van 2017 voor terrestrische ecosystemen (88). |
|
Bron: |
naar Hendriks et al. (2020) (89). Eenheden aangepast op basis van Mg C ha-1 voor terrestrische en g m-2 voor mariene ecosystemen. Corg = organische koolstof. Cinorg = anorganische koolstof. |
|
Habitattype |
Koolstofopslag (t C ha-1) |
Koolstofvastlegging (t C ha-1 jaar-1) |
|
Kalkwiervelden |
620 Cinorg |
1,0 |
|
Lophelia-riffen |
100 Cinorg |
0,3 |
|
Zeegrasvelden |
20-50 Corg |
0,8 |
|
Intertidale afzettingen |
5-20 (bovenste 10 cm) |
0,1 -0,4 |
|
Kelp |
5-9 Corg |
Bijdrage voor het grootste deel in afzettingsgebieden |
|
Intertidale macroalgen |
5 Corg |
Bijdrage voor het grootste deel in afzettingsgebieden |
|
Sublitorale afzettingen |
< 1 (bovenste 10 cm) |
0,003 -0,009 |
|
(88) https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/eunis-habitat-classification-1/folder_contents. (89) Hendriks, K., Gubbay, S., Arets, E. et al. (2020), “Carbon storage in European ecosystems: A quick scan for terrestrial and marine EUNIS habitat types”, intern verslag voor het EMA van Wageningen Environmental Research en Susan Gubbay, Wageningen. |
||
Van alle terrestrische ecosystemen hebben wetlands de hoogste gemiddelde koolstofvoorraden, met name veengebieden (met dikke veenlagen) en kwelders. Andere habitattypen kunnen ook een hoge koolstofopslag hebben wanneer ze zich op veengronden bevinden. Bossen hebben over het algemeen ook hoge koolstofvoorraden, boven en onder de grond, hoewel dit sterk varieert afhankelijk van de locatie, de soort, de leeftijd van de opstand en het beheer. Voor bossen wordt geschat dat ze de hoogste percentages voor vastlegging bereiken, hoewel de bandbreedte vrij breed is.
Er zijn momenteel onvoldoende gegevens over mariene koolstofopslag en vastleggingspercentages om bandbreedtes en gemiddelden te geven. Uit de ramingen in tabel 2 blijkt echter dat de mariene habitats in Europa sterk variëren, waarbij kalkwiervelden een veel hogere opslag en vastlegging hebben dan alle andere mariene habitats en de meeste terrestrische habitats. De vastleggingspercentages zijn ook relatief hoog in zeegrasbedden. Hoewel de koolstofopslag- en vastleggingspercentages veel lager zijn in zeewier-, getijden- en sublitorale habitats, vangen ze in het algemeen een aanzienlijke hoeveelheid koolstof op vanwege hun grote omvang.
In veel situaties kan de bescherming, het beheer en het herstel (“klimaatbestendigheid”) van habitats in Natura 2000 en het bredere milieu (landschapsniveau) feitelijke of potentiële koolstofverliezen verminderen en ongedaan maken en de vastleggingspercentages verhogen. Een veel voorkomend en belangrijk voorbeeld zijn de ontwaterde veengebieden (d.w.z. hoogveen, laagveen en moerassen), die eerder een bron van koolstofdioxide dan een put kunnen worden. Het vernatten van deze gebieden kan de koolstofverliezen echter aanzienlijk verminderen of elimineren door de oxidatie van het veen te voorkomen (90) (91). Verdere herstelmaatregelen, zoals het herstellen van de dominantie van veenvormende plantensoorten (d.w.z. voornamelijk Sphagnum-soorten), kunnen dan nodig zijn om veenvorming en koolstofvastlegging te bereiken of te vergroten.
Er zijn veel voorbeelden van succesvol herstel van veengebieden, met aanzienlijke voordelen op het gebied van mitigatie (en aanpassing; zie hieronder), hoewel deze moeilijk te kwantificeren zijn. Twee casestudy’s over het herstel van veengebieden, in Estland (92) en Ierland (93), zijn samengevat in casestudy 2 en casestudy 3. Andere voorbeelden van koolstofrijke habitats van bijlage I bij de habitatrichtlijn die zijn hersteld met gedocumenteerde voordelen op het gebied van koolstofvastlegging en -opslag, zijn zeegrasbedden (beschreven in casestudy 4 in Italië (94)) en kwelders in het Verenigd Koninkrijk (casestudy 5). Het Horizon 2020-project WaterLANDS (95) loopt van 2021 tot 2026 en heeft tot doel bestaande kennis over het succesvolle herstel van wetlands samen te brengen en een opschaling van het herstel van gebieden in heel Europa mogelijk te maken.
|
Casestudy 2: voordelen op het gebied van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering van maatregelen voor het herstel van veengebieden, LIFE Mires (Estland) Het doel van het project LIFE Mires Estonia (2015-2020), gecoördineerd door de niet-gouvernementele organisatie het Estse Natuurfonds, was in geselecteerde gebieden de goede toestand van de veenhabitats te herstellen. Er werden herstelmaatregelen genomen in zes Natura 2000-gebieden, waaronder het herstel van het hydrologische regime door het afwateringssysteem te verwijderen, verlaten turfwinningsgebieden te beplanten en bomen uit beboste veengebieden te ruimen. Het project had als resultaat dat 7 900 ha aan veen werd hersteld en er werd een aanzienlijke toename van de populaties van de beoogde soorten (bv. heikikker, libellensoorten) verwacht. Naast deze biodiversiteitsvoordelen zal het project naar verwachting ook mitigatievoordelen opleveren, aangezien de beoogde veenhabitats aanzienlijke koolstofvastleggings- en opslagcapaciteiten hebben. In Estland stoten aangetaste veengebieden echter ongeveer 8 Mt CO2/jaar uit. Het herstel van deze habitats kan derhalve bijdragen tot de doelstellingen voor mitigatie van de klimaatverandering door deze koolstofemissies te verminderen. Bovendien kunnen maatregelen om veengebieden te herstellen, ook bijdragen tot de aanpassing aan de klimaatverandering. In Estland leidt extreem weer vaak tot overstromingen en ook het aantal brandincidenten neemt toe. Uitgebreide wetlands kunnen een buffer vormen bij zowel overstromingen als brand, en tegelijkertijd andere verbeterde ecosysteemdiensten bieden, waaronder het stimuleren van lokaal toerisme. Het project pakte dilemma’s op het gebied van instandhouding aan die inherent zijn aan de gestelde prioriteiten en de afwegingen tussen habitats en soorten, evenals monitoring van habitats en soorten en adaptieve beheerpraktijken. Het project resulteerde in meer maatschappelijke acceptatie en er werden belangrijke successen behaald wat betreft bewustwording over herstel en wetlands. De beste praktijken en technieken die in het project zijn gevolgd, zijn gedocumenteerd in een handboek (96).
|
|
Casestudy 3: herstel van actief hoogveen in het Ierse netwerk van speciale beschermingszones Hoogveengebieden zijn habitats van onschatbare waarde in watergebieden en het areaal daarvan is als gevolg van menselijke activiteiten aanzienlijk afgenomen. Ongeveer 9 100 ha aan hoogveenhabitat is opgenomen in het Ierse beschermde netwerk van SBZ’s en natuurgebieden. Het herstel van het beschermde hoogveennetwerk is belangrijk om de biodiversiteitswaarde van de Ierse veengebieden te vergroten en bij te dragen tot de mitigatie van de klimaatverandering. Het LIFE-project Irish Raised Bogs (2016-2022) is het grootste project voor herstel van veengebied dat tot nu toe in Ierland is uitgevoerd. Het is gericht op het herstellen en regenereren van de hydrologische en ecologische omstandigheden van actief hoogveen in het Ierse SBZ-netwerk. Het doel was om 752 ha van de 2 649 ha aan hoogveen te herstellen door middel van verschillende vernattingsmaatregelen en om monitoring uit te voeren teneinde de positieve effecten van herstel aan te tonen. Modellering op basis van de eerste resultaten voorspelt dat het project meer dan 95 % van de doelstellingen zal bereiken. Hoewel het project hieruit geen effecten van de herstelmaatregelen op de broeikasgasemissies afleidt, is het mogelijk om op basis van eerdere studies een schatting te maken van het verwachte effect van vernattingsmaatregelen. Uit gegevens blijkt het potentieel van vernattingsmaatregelen om ontwaterde veengebieden op kosteneffectieve wijze om te vormen van een koolstofbron tot een koolstofput (bv. van 1,37 ton C/ha/jaar voor ontwaterde veengrond naar –0,49 ton C/ha/jaar na vernatting). Het project heeft grote sociaal-economische voordelen opgeleverd en geresulteerd in de publieke acceptatie van herstelactiviteiten op de projectlocaties en daarbuiten. Uit een sociaal-economische studie is al gebleken dat de economische resultaten van het project in de Midlands-regio naar schatting meer dan 3 miljoen EUR bedroeg (bv. uit ecotoerisme). Een belangrijke succesfactor was de voorbereidingsfase, die bestond uit een grondige inventarisatie van belanghebbenden en een goed inzicht in de geschiedenis van het gebruik van veen en turf. Daarnaast werden bij het project beste praktijken gedeeld en werd er ook samengewerkt met herstelprojecten in het Verenigd Koninkrijk. Om toekomstige herstelmaatregelen te ondersteunen, is als onderdeel van het project een evaluatie van de maatregelen inzake beste praktijken uitgevoerd (98).
|
|
Casestudy 4: herstel van zeegras in de lagune van Venetië Kustlagunes zijn ecosystemen van groot ecologisch belang die essentiële habitats bieden voor een grote verscheidenheid aan planten- en diersoorten en de levering van belangrijke ecosysteemdiensten van sociaal-economisch belang ondersteunen, waaronder klimaatregulering, de productiviteit van de visserij en kustbescherming. Een belangrijke indicator van hoe gezond een lagune-ecosysteem is, is de omvang en de toestand van de aquatische zeegrasvelden. Deze “ecologische ingenieurs” ondersteunen meerdere biologische gemeenschappen en mitigatie van de klimaatverandering door het afvangen en opslaan van aanzienlijke hoeveelheden koolstofdioxide. Aangezien het areaal aan zeegrasvelden aanzienlijk is afgenomen, is de bescherming en het herstel van zeegras een op de natuur gebaseerde oplossing waarmee tegelijkertijd koolstofmitigatie en behoud van de biodiversiteit kan worden bereikt. De belangrijkste doelstelling van het LIFE-project SeResto (2014-2018) was het herstellen en consolideren van ongeveer 36 km2 aan kustlagunehabitat door het overplanten (transplanteren) van verzonken zeegrasvelden, voornamelijk Zostera marina en Zostera noltei, naar gebieden in de noordelijke lagune van Venetië. Om dit doel te bereiken, werd een aantal maatregelen uitgevoerd in samenwerking met lokale belanghebbenden. Deze maatregelen omvatten voorbereidende werkzaamheden om de transplantatielocaties te identificeren, rechtstreekse zeegrastransplantatie en ondersteuning van de ontwikkeling van zeegrasvelden, monitoring om het succes en de voordelen van het project te beoordelen, en verspreidingswerkzaamheden om lessen en beste praktijken van het project te delen. Als gevolg van de herstelmaatregelen (zeegrasvelden in een gebied van meer dan 10 km2) ondersteunen de gebieden een hogere mate van biodiversiteit en fungeren ze als rust-, foerageer- en kraamgebied voor verschillende bentische soorten en vissoorten, evenals voor vogels. Daarnaast heeft het herstel bijgedragen aan de verbetering van de waterkwaliteit en, in de laatste twee jaar van het project, aan de vastlegging van ongeveer 1 500 ton CO2. Belangrijke lessen kunnen worden getrokken uit verschillende factoren die hebben bijgedragen aan het succes van dit project. Hierbij gaat het om de technische aspecten van de gebruikte methode, zoals de beslissing om te werken in verschillende kleine deelgebieden in een groot gebied en kleine zoden en enkele wortelstokken te verzamelen, zodat dit geen aanzienlijke gevolgen had voor de donorgebieden, en om handmatig te werk te gaan, waardoor geen machines nodig waren. Een andere cruciale factor was de nauwe betrokkenheid van lokale exploitanten (vissers, jagers, roeiers, natuuronderzoekers) die een grondige kennis van de lagune hebben.
|
Het is duidelijk dat er potentieel is om bij te dragen aan mitigatie van de klimaatverandering door het herstellen, regenereren of beheren van vele andere habitats van bijlage I bij de habitatrichtlijn, of andere habitats die van belang zijn voor Natura 2000-soorten. Mogelijke oplossingen zijn:
|
— |
het regenereren en herstellen van geschikte klimaatbestendige boshabitats en andere koolstofrijke habitats, die niet alleen de habitat uitbreiden, maar ook de connectiviteit kunnen verbeteren, door corridors te realiseren en versnipperde stukken habitats met elkaar te verbinden; |
|
— |
het planten van inheemse soorten op geschikte locaties als buffer voor habitats, of het regenereren van seminatuurlijke graslanden en struikgewas op voormalig bouwland; |
|
— |
het herstellen van intensief gebruikt bouwland naar zuiver grasland (102), ook als het niet van seminatuurlijke kwaliteit is, wat tal van soorten ten goede komt (bv. bepaalde akkervogels), terwijl de koolstofvoorraden worden vergroot, de koolstofverliezen in verband met het beheer van bouwland worden teruggedrongen (bv. grond braak laten liggen, bodemverstoring en ploegen) en tal van bredere aanpassingsvoordelen worden versterkt; |
|
— |
het duurzame beheer van landbouw-, bos- en stedelijke grond om bodemaantasting te voorkomen en de waterretentiecapaciteit te vergroten. |
Evenzo kunnen de bescherming van de biodiversiteit en de grotere veerkracht in verband met maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering in Natura 2000-gebieden bijdragen tot de mitigatie van de klimaatverandering door ervoor te zorgen dat belangrijke bestaande koolstofvoorraden niet verloren gaan als gevolg van de gevolgen van de klimaatverandering. De beheersmaatregelen in Natura 2000-gebieden kunnen ook de opslag en vastlegging van koolstof in habitats verbeteren. In kwelders bijvoorbeeld kunnen passende begrazingsregelingen de koolstofvoorraden met wel 10 tC/ha verhogen, met name voor oude kwelders met fijnkorrelige grond (103). Alleen al door te voorkomen dat grasland wordt omgeploegd en opnieuw ingezaaid, worden aanzienlijke koolstofverliezen als gevolg van bodemverstoring voorkomen, waardoor de koolstofvoorraden volgens een studie in Duitsland met ongeveer 8 kg C/ha/jaar toenemen (104). Wanneer blijvend grasland is omgezet in bouwland hebben, van alle landbouwbeheerspraktijken, maatregelen om het grasland te herstellen het grootste potentieel om de koolstofopslag te vergroten (105).
Een andere belangrijke bijdrage aan het in stand houden of vergroten van koolstofvoorraden in Natura 2000-gebieden en het bredere milieu kan worden geleverd door het creëren of herstellen van landschapselementen, zoals heggen, bosschages en verspreid staande bomen. Zo zouden dergelijke kleine bosachtige landschapselementen in cultuurlandschappen in Duitsland naar schatting ongeveer 111 Mt koolstof van meer dan 900 000 ha (123 tC/ha) kunnen opslaan (106).
3.3. Hoe Natura 2000 kan helpen bij de vermindering en mitigatie van de gevolgen van extreme gebeurtenissen — enkele voorbeelden
3.3.1. Natuurbranden
De hevigheid van natuurbranden, hier gedefinieerd als een ongecontroleerde vegetatiebrand waarvoor een besluit of actie tot bestrijding moet worden genomen (107), is in sommige landen groter geworden, hoewel niet in de hele EU in termen van aantallen of het totale verbrande areaal (Europees bosbrandinformatiesysteem — EFFIS) (108). De redenen daarvoor zijn complex. Daartoe behoren een waargenomen toename van de warme en droge omstandigheden die bevorderlijk zijn voor het doen ontstaan en in stand houden van branden, het zogenaamde “brandgunstig weer”, als gevolg van de klimaatverandering (bijlage 1, punt 2.4). Andere bijdragende factoren zijn veranderingen in landbeheer, sociale patronen zoals plattelandsvlucht en stedelijke expansie, verwaarlozing van landbouwgrond en bossen, veranderende culturele tradities en vrijetijdsbesteding, en suboptimaal brandbeheerbeleid zoals een te grote afhankelijkheid van brandbestrijding en ontoereikende preventiemaatregelen.
Uit EFFIS-verslagen (109) blijkt dat de temporele en ruimtelijke patronen van natuurbranden in Europa veranderen. Het natuurbrandseizoen duurt nu langer dan vroeger. Extreme brandgevaarlijke omstandigheden in Midden-Europa en het Middellandse Zeegebied maken dat grote branden gemakkelijker oplaaien en zich ook gemakkleijkerverspreiden, waarbij verschillende kritieke branden een gebied van meer dan 10 000 ha bestreken. Het grootste deel van het verbrande areaal ligt in de brandgevoelige regio’s van Zuid-Europa (in Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië en Griekenland). Er hebben zich echter ook natuurbranden voorgedaan in gebieden die tot nu toe als laagrisicogebieden werden beschouwd, zoals in delen van Noordwest- en Midden-Europa. De “current situation viewer” (110) van EFFIS bevat een kaartlaag met beschermde zones (“protected areas layer”), waarmee gebruikers het brandgevaar kunnen beoordelen en de omvang van natuurbranden in beschermde gebieden kunnen monitoren.
Hoewel brand een belangrijk natuurverschijnsel is in veel ecosystemen, zoals sommige boreale bossen, Atlantische heidegebieden en gebieden met bossen en struikgewas in het Middellandse Zeegebied, zijn natuurbranden ook schadelijk voor Natura 2000-habitats en -soorten, met name wanneer ze ernstig, frequent of grootschalig zijn. Grootschalige ernstige branden zijn bijzonder schadelijk, omdat de extreme temperaturen alle bovengrondse houtachtige vegetatie (inclusief boomkronen) vernietigen en schade veroorzaken aan de bodem, knollen van planten en zaadvoorraden. Dit maakt de blootgestelde bodem gevoelig voor erosie, wat wordt verergerd door de aan klimaatverandering gerelateerde toename van extreme regenval.
Dergelijke veranderingen in de bodemgesteldheid kunnen het herstel van de oorspronkelijke plantengemeenschappen en verwante diersoorten verhinderen. Dit kan op zijn beurt leiden tot het verlies van HR-habitattypen en vervanging door vegetatie met een lage biodiversiteitswaarde. Grootschalige branden verminderen ook de structurele diversiteit van het landschap, omdat op die manier grote stukken habitat van dezelfde leeftijd zullen zijn en er sprake is van dominantie van vergelijkbare vegetatie in hetzelfde stadium van successie. Hoewel sommige planten en habitats af en toe matige branden kunnen weerstaan en er zelfs van afhankelijk kunnen zijn, kunnen ze uitsterven als er te vaak branden zijn, zelfs wanneer de intensiteit laag is. Er zijn aanwijzingen dat homogene landschappen bedekt met brandgevoelig struikgewas zich in Europa uitbreiden als gevolg van het toenemende aantal extreme natuurbranden en het frequentere aantal branden (111).
Een bijkomend punt van zorg is dat sommige gebieden en ecosystemen die normaal niet verbranden omdat hun bodems en vegetatie vochtig zijn, als gevolg van langdurige droogte kwetsbaar worden voor brand. Branden in dergelijke habitats kunnen zeer schadelijk zijn, vooral omdat het niet voorkomen van brand betekende dat er grote hoeveelheden brandstof worden opgebouwd die er vervolgens toe kunnen leiden dat als er wel branden uitbreken, deze bijzonder ernstig zijn.
Het beschermings- en instandhoudingsbeheer van bossen, struikgewas en andere habitats met een hoog risico in het kader van Natura 2000 biedt ook voordelen voor de brandpreventie, aangezien veel van de vereisten gelijk of vergelijkbaar zijn. Als onderdeel van het bosbeheer kunnen maatregelen die vaak in Natura 2000-gebieden worden genomen om instandhoudingsdoelstellingen te verwezenlijken, de weerbaarheid tegen klimaatverandering vergroten en direct en indirect bijdragen tot het verminderen van de omvang, intensiteit en gevolgen van branden. Dergelijke maatregelen omvatten:
|
— |
de bescherming van oude bossen en oerbossen waar het microklimaat en het hoge vochtgehalte van grote stukken rottend hout het risico op natuurbranden verminderen; |
|
— |
de instandhouding van habitatmozaïeken, bijvoorbeeld door agrobosbouw, blijvende teelten en wijngaarden als buffers te gebruiken; |
|
— |
de begrazing door verschillende veesoorten, om de specifieke toepassing van graslandbeheer en/of nomadische veeteelt met resistente rassen die beter zijn aangepast aan de omgeving, in stand te houden; |
|
— |
het gebruik van voorgeschreven afbranding, wat beschermde graslanden kan herstellen en tegelijkertijd de bio-economie in afgelegen gebieden ten goede kan komen (bv. begrazingsmogelijkheden); |
|
— |
het gebruik van een combinatie van bosbouwkundige systemen om gevarieerde bos- en agrobosbouwstructuren tot stand te brengen; |
|
— |
de instandhouding van soorten- en leeftijdsdiversiteit; |
|
— |
de invoering van praktijken om de vochtige koele omstandigheden in bossen in stand te houden (bv. instandhouding van de kroonbedekking, vermijding van grote kaalslag); |
|
— |
het behoud of de aanplant van minder ontvlambare inheemse soorten (brandwerendheid); |
|
— |
de bestrijding van de verspreiding van licht ontvlambare invasieve exoten; |
|
— |
het passend beheer van dood hout in hoogrisicogebieden (zoals na ernstige schorskeversplagen (112) of wanneer bomen zijn omgewaaid) om verticale en horizontale brandstofcontinuïteit te voorkomen. |
Er is bezorgdheid geuit over het vereiste om het niveau van dood hout in bossen hoog te houden voor de biodiversiteit (en dood hout te gebruiken als indicator voor biodiversiteit), aangezien dit de brandstofconcentratie kan verhogen. Dit is daarom in detail onderzocht in een studie van de Europese Commissie waarin werd geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat dood hout in de meeste omstandigheden niet significant bijdraagt aan het brandrisico (113). In mediterrane bossen, zo werd in deze studie geoordeeld, kan dood hout (waarmee wordt bedoeld houtachtig materiaal dat geen deel uitmaakt van levende planten en een diameter heeft van meer dan 10 cm) niet worden beschouwd als een significant brandrisico in vergelijking met andere kenmerken, te weten een hoge horizontale en verticale continuïteit van brandbaar materiaal (“ladderbrandstof”) in bossen als gevolg van de afschaling van het bosbeheer en de ontvolking van het platteland. Er kunnen zich echter uitzonderingen voordoen direct na andere verstoringen (bv. perioden van droogte, plagen, stormen) door de aanwezigheid van fijn brandhout dat aan dit dode hout vastzit.
Hoewel het een groot deel van de brandstofconcentratie kan vertegenwoordigen, heeft grof dood hout met een diameter van meer dan 10 cm, dat vaak wordt geassocieerd met biodiversiteitsvoordelen, de neiging om veel vocht te bevatten en heeft het een lagere oppervlakte-volumeverhouding en brandt het daarom langzaam en draagt het weinig bij aan de intensiteit van de brand. Daarentegen, zoals uitgelegd in de bovengenoemde studie, kan een ophoping van fijne houtachtige resten met een diameter van 1 tot 10 cm op de bosbodem het brandrisico enorm verhogen als deze resten door de klimatologische omstandigheden minder snel rotten. Het beheer van dood hout is daarom afhankelijk van de situatie en er moet rekening worden gehouden met de lokale klimaatomstandigheden en de dikte van het dode hout.
Meer informatie over aanbevolen beheersmaatregelen is te vinden in bijlage 4, punt 2.4.1.
3.3.2. Overstromingen van rivieren en kustgebieden
Een ander belangrijk en wijdverbreid voordeel van natuurlijke en seminatuurlijke habitats en aanverwante ecosysteemprocessen is hun vermogen om water in het landschap vast te houden. Dit helpt niet alleen de gevolgen van langdurige droogte te mitigeren, maar vermindert ook het aantal overstromingen en de gevolgen ervan (zie de bibliografie in bijlage 5 voor bronnen). De EU erkent dat deze op de natuur gebaseerde oplossingen voor overstromingen, en de rol van Natura 2000 bij het behoud en herstel ervan, reeds bijdragen tot water- en overstromingsbeheer in de EU, onder meer met betrekking tot de doelstellingen van de overstromingsrichtlijn (114) en de kaderrichtlijn water (KRW) (115) (116). Pluviale overstromingen (d.w.z. door directe regenval), fluviale overstromingen en overstromingen van kustgebieden nemen in grote delen van Europa allemaal toe als gevolg van de klimaatverandering (meer regenval, intensievere regenval en/of stijging van de zeespiegel), en deze trends zullen zich naar verwachting in alle waarschijnlijke scenario’s voortzetten. Op de natuur gebaseerde oplossingen zullen daarom waarschijnlijk een steeds grotere rol spelen bij de aanpassing aan de klimaatverandering en overstromingsbeheer.
Ecosystemen, waaronder veel HR-habitats, kunnen overstromingen en de gevolgen ervan op verschillende manieren en onder verschillende omstandigheden verminderen, zoals samengevat in tabel 3. Verdere verwijzingen en voorbeelden zijn te vinden in de bibliografie. Over het algemeen kunnen overstromingen op drie manieren worden tegengegaan: in stroomgebieden, overstromingsgebieden en langs de kust; zoals hieronder uiteengezet. Er moet echter altijd per geval worden bepaald in hoeverre het overstromingsrisico kan worden verminderd, met name bij extreme gebeurtenissen.
Tabel 3
Brede habitattypen en het potentieel ervan om bij te dragen aan overstromingsbeheer
|
Habitattypen |
Bijdrage aan overstromingspreventie en -beheer |
Casestudy’s |
||
|
Veen-/moerasgebieden |
Kunnen functioneren als een spons, wat de afvloeiing vertraagt en de piekstroom stroomafwaarts kan verminderen. Zoals elke spons zullen deze habitats, als ze verzadigd zijn, hun buffercapaciteit verliezen. |
Verenigd Koninkrijk (117) |
||
|
Vegetatie langs de oever en in de rivierbedding |
Kan de stroom vertragen, wat het overstromingsrisico stroomafwaarts kan verminderen (hoge stromen verminderen) of het risico stroomopwaarts kan verhogen (door hydraulische ruwheid/blokkering). |
Rivier Arga, Spanje (118) |
||
|
Graslanden in overstromingsgebieden en wetlands |
Opslag van overstromingswater in overloopgebieden om het overstromingsrisico stroomafwaarts te verminderen. Het niveau van de overstromingsrisicovermindering varieert afhankelijk van het areaal van de natuurlijke overstromingsgebieden (het opslagvolume), de verbinding met de rivier en de verspreiding binnen een stroomgebied. |
Rivier Elbe, Duitsland (119) |
||
|
Uiterwaarden, rivierbossen |
Opslag van overstromingswater en vertraging van de stroom, wat het overstromingsrisico stroomafwaarts kan verminderen (hoge stromen verminderen). Vergeleken met graslanden in uiterwaarden en wetlands kunnen rivierbossen het risico stroomopwaarts verhogen (door hydraulische ruwheid/blokkering). |
|
||
|
Grasland op kustduinen |
Helpt duinen stabiliseren en aangrenzende kustgebieden beschermen, met enig potentieel om het over de top slaan van golven tegen te gaan. |
De Zandmotor, Nederland (120) |
||
|
Bossen op kustduinen |
Dragen bij tot het stabiliseren van het duingebied, zoals hierboven vermeld. |
|
||
|
Kustkwelders en kustweiden |
Verminderen de golfhoogte en -energie en daarmee het risico van kusterosie en overstromingen. |
Casestudy 5 |
||
|
Kiezelstranden en keienstranden |
Verminderen de golfhoogte en -energie en daarmee het risico van kusterosie en overstromingen. |
|
||
|
Sublitorale habitats |
Riffen, zeewiervelden en zeegrasvelden houden sediment vast en verminderen de golfhoogte en -energie, en daarmee het risico van kusterosie en overstromingen. |
|
||
|
(117) Gao, J., Holden, J. en Kirkby, M. (2016), The impact of land-cover change on flood peaks in peatland basins, Water Resources Research, 52 (5), blz. 3477-3492. (118) https://www.nwrm.eu/case-study/fluvial-and-ecosystem-restoration-arga-aragon-rivers-spain. (119) https://www.ddni.ro/manager/editor/UserFiles/File/Scientific%20annals/volume/19/11.pdf. (120) https://dezandmotor.nl/. (120) Europese Commissie (2020), “The interaction between the Floods Directive and the Nature Directives”, verkennend document, CIS-werkgroep overstromingen, in het kader van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water. (121) EMA (2015), “Water-retention potential of Europe’s forests. A European overview to support natural water-retention measures”, EMA-verslag nr. 13/2015, Europees Milieuagentschap, Luxemburg.
|
||||
Het beschermen en herstellen van HR-habitats, met inbegrip van bodems en vegetatie, helpt de waterretentie vergroten en zo rivierstromen en overstromingspieken verminderen. Bedekkingsveen is bijzonder effectief in het vasthouden van water als veenmosturf, dat de dominante beplanting vormt in gezonde veengebieden en een enorm vermogen heeft om water te absorberen. Het herstel van aangetaste veengebieden door de waterafvoer in bovenstroomse stroomgebieden te blokkeren, kan daarom de afvloeiingssnelheid en het overstromingsrisico stroomafwaarts verminderen, terwijl ook de waterkwaliteit wordt verbeterd en het bijdraagt tot het behoud van waterstromen tijdens droge perioden.
Andere maatregelen, zoals het aanplanten van bomen en struiken, het behoud van bosbedekking in bovenstroomse gebieden en het herstellen van bouwland naar graslanden (123), kunnen ook de waterinfiltratie vergroten, de afvloeiingssnelheid en het overstromingsrisico stroomafwaarts verminderen en de koolstofopslag in de bodem en de vegetatie vergroten. Ook het herstel van natuurlijke waterstromen, waaronder verbindingen met de aangrenzende wetlands in rivierdalen, zal helpen de stroom van rivieren tijdens hevige regenval te verminderen.
Uiterwaarden en andere overstromingsgebieden kunnen een belangrijke rol spelen bij het opslaan van water, vooral langs de middenlopen en benedenlopen van rivieren, en daardoor de gevolgen van zware regenval bufferen. Het creëren van uiterwaarden waar bij een hoog waterpeil in de rivier water kan worden opgeslagen, is dan ook al eeuwenlang een praktijk. Aangezien reguliere overstromingen het telen van gewassen uitsluiten, worden uiterwaarden van oudsher beheerd als vochtige graslanden en weiden. Ze zijn vanuit instandhoudingsoogpunt enorm waardevol, onder meer vanwege hun HR-habitats en vaak broedende en overwinterende watervogelpopulaties. Als gevolg daarvan bevindt een groot deel van de laaglandgraslanden in overstromingsgebieden die nog steeds zijn verbonden met hun rivier en die volgens de seizoenen overstromen, zich in Natura 2000-gebieden.
Ondanks hun belangrijke functie voor het beperken van overstromingen is tot 90 % van de overstromingsgebieden in Europa verloren gegaan (124). Bijgevolg draagt de bescherming en het herstel van dit soort ecosystemen en HR-habitats in Natura 2000-gebieden bij tot op de natuur gebaseerde oplossingen die overstromingen verlichten, alsook tot andere voordelen op het gebied van biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ecosysteemherstel in overstromingsgebieden kan vaak overstromingen helpen beperken, als de capaciteit voor opslag van overstromingswater wordt verhoogt. Dit kan door het verwijderen of verlagen van dijken, of door het plaatsen van sluizen die op een beheerste manier water de overstromingsgebieden in kunnen laten stromen.
Er zijn veel voorbeelden in heel Europa van hoe het herstel van overstromingsgebieden is gebruikt om overstromingsbeheer op kosteneffectieve wijze te ondersteunen. Een daarvan zijn de uiterwaarden van de Dijle (België), waar een op de natuur gebaseerde oplossing de vereiste beperking van overstromingen bood tegen lagere kosten en met meer voordelen van de ecosysteemdiensten, waaronder het bereiken van de Natura 2000-doelstellingen, dan een alternatieve gebouwde, technische oplossing (125). Ook in het kader van het Sigmaplan II voor de monding van de Schelde (België) bleken op de natuur gebaseerde overstromingspreventiemaatregelen ter bescherming van Antwerpen minder te kosten dan de aanleg van een stormvloedkering (126). Bovendien lag de waarde van de overstromingsbescherming met de voordelen voor de recreatie en ecosysteemdiensten voor de periode 2010-2100 hoger dan de kosten van het plan.
Overstromingen van kustgebieden, onder meer als gevolg van stormvloeden, soms in combinatie met pluviale en fluviale overstromingen, vormen een bedreiging voor veel laaggelegen delen van Europa. Door de klimaatverandering neemt het risico van overstromingen aan de kust toe, aangezien de stijgende zeespiegel en de toenemende frequentie en intensiteit van stormen ervoor zorgen dat er meer kusterosie plaatsvindt, zout water naar het achterland stroomt en kustgebieden overstromen (bijlage 1, punt 2.2). Natuurlijke habitats van laaggelegen kustgebieden, zoals kiezelstranden, zandduinen en kwelders, vormen vaak een kosteneffectieve en veerkrachtige barrière tegen de zee, omdat ze de energie van de golven kunnen absorberen en daarna kunnen herstellen. Maatregelen om dergelijke kusthabitats te herstellen, kunnen derhalve hun capaciteit voor kustbescherming herstellen. In veel gevallen kan kustherstel tegelijkertijd bijdragen tot natuurbehoud, aanpassing aan de klimaatverandering met betrekking tot overstromingen en andere nevenvoordelen van mitigatie van de klimaatverandering, zoals beschreven in de casestudy uit het Verenigd Koninkrijk (zie casestudy 5).
|
Casestudy 5: beheerde herinrichting van kustgebieden en habitatcreatie in het Verenigd Koninkrijk Veel getijdenkusthabitats en Natura 2000-gebieden in Europa hebben steeds meer te kampen met erosie, die wordt verergerd door de stijging van de zeespiegel en de toenemende zware stormen als gevolg van de klimaatverandering en het gebruik van harde waterkeringen, die de natuurlijke processen en verschuiving landinwaarts van habitats beperken. In het Verenigd Koninkrijk hebben strategisch natuurbehoud langs de kust, strategische planning van waterkeringen (onder meer via LIFE-projecten (127)) en de aanpassing van de waterkeringen langs de kust bijgedragen tot het verminderen van habitatverlies door het creëren van een nieuwe getijdenhabitat mogelijk te maken. De nieuwe habitat fungeert ook als een natuurlijke waterbarrière, die over het algemeen tegen lagere kosten dan gebouwde waterkeringen kan worden gerealiseerd. Met het creëren van habitats is ook de koolstofopslag toegenomen (zij het in een langzaam tempo) en zijn andere ecosysteemdiensten ontstaan, die verder hebben bijgedragen tot de economische voordelen van beheerde herinrichting. De kusterosie en sommige beheerde herinrichtingsmaatregelen hebben geleid of zullen naar verwachting leiden tot het verlies van sommige gebieden met zoetwaterhabitats. Sommige daarvan zijn rietvelden, belangrijke broedgebieden voor de roerdorp (Botaurus stellaris), waarvan de populatie in het Verenigd Koninkrijk sterk uitgedund en gefragmenteerd is. Om dit aan te pakken, werd een door LIFE gefinancierd strategisch programma voor onderzoek en planning uitgevoerd om de behoeften aan habitatherstel en -creatie en de gebieden die nodig zijn om de verwachte habitatverliezen in kustgebieden te compenseren, in kaart te brengen en het verspreidingsgebied en de connectiviteit van de soortenpopulatie in het Verenigd Koninkrijk te vergroten. Er is enkele honderden hectaren aan rietveldhabitat gecreëerd, ook in nieuwe gebieden, voornamelijk via LIFE-projecten, en door bepaalde vergunningsvereisten voor de herinrichting na delfstoffenwinning. Dit heeft bijgedragen tot een aanzienlijke toename van de roerdomppopulatie (van 11 vruchtbare mannetjes in 1997 tot 191 in 2017). De belangrijkste succesfactoren waren een empirisch onderbouwde strategische en geïntegreerde planning van de vereisten inzake natuurbehoud en waterkeringen met alle belanghebbenden, de vaststelling van het planningsbeleid en het inzetten van de begroting voor waterkeringen. Hierdoor kon habitatcompensatie plaatsvinden voordat de verwachte verliezen in Natura 2000-gebieden zich voordeden, overeenkomstig de vereisten van de habitatrichtlijn.
|
4. EEN KADER VOOR AANPASSING AAN DE KLIMAATVERANDERING VOOR NATURA 2000
4.1. Belangrijke stappen voor de realisatie van een aanpassingskader voor het Natura 2000-netwerk
Een aanpassingskader voor het Natura 2000-netwerk zou kunnen worden geïntegreerd in de nationale cycli voor aanpassingsplanning, waardoor synergieën met gerelateerde beleidsmaatregelen, flexibele timing, gegevensgebruik en prioritering mogelijk worden. Dit zou met name relevant zijn voor de nationale herstelplannen in het kader van de verordening natuurherstel en de nationale energie- en klimaatplannen.
Indien de bestaande kaders voor aanpassing aan de klimaatverandering worden toegepast op Natura 2000, zouden ze doorgaans de volgende stappen omvatten:
|
1. |
beoordeling van de risico’s van klimaatverandering voor ecosystemen, habitats en soorten; |
|
2. |
ontwikkeling van strategieën en praktische maatregelen om ecosystemen, habitats en de daarmee samenhangende soortenpopulaties beter bestand te maken tegen klimaatverandering, en zo hun aanpassingsvermogen ter plaatse te verbeteren; |
|
3. |
ontwikkeling van strategieën en praktische maatregelen die rekening houden met veranderingen door de verplaatsing van soorten en habitats naar nieuwe gebieden met geschikte klimatologische omstandigheden te vergemakkelijken. |
Het in deze richtsnoeren geschetste aanpassingskader (figuur 1) bouwt voort op deze belangrijke stappen, rekening houdend met belangrijke ontwikkelingen op het gebied van aanpassingsplanning, waaronder de IUCN-richtsnoeren inzake aanpassing aan de klimaatverandering voor beheerders van beschermde gebieden en planners (131). Het besluitvormingskader sluit nauw aan bij de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten (132) en het instrument voor aanpassingsondersteuning (133), met enkele aanpassingen om rekening te houden met de specifieke behoeften en terminologie voor het Natura 2000-netwerk.
Figuur 1
Voorgesteld kader voor aanpassing aan de klimaatverandering voor Natura 2000
Het kader kan worden toegepast op:
|
1. |
het Natura 2000-netwerk op nationaal of biogeografisch niveau en de mariene regio’s, en |
|
2. |
de Natura 2000-gebieden die risico lopen. |
Het kader kan worden toegepast op het Natura 2000-netwerk en gebieden waarvoor klimaatdruk en -bedreigingen voor Natura 2000-habitats en -soorten zijn vastgesteld, indien nodig rekening houdend met het landschap eromheen. De eerste beoordeling van klimaatveranderingen en potentiële drukfactoren en bedreigingen kan worden uitgevoerd op netwerk- of regionaal niveau, waarbij informatie wordt gedeeld met de betrokken gebieden. Met het oog op de efficiëntie kan het nuttig zijn het kader toe te passen op groepen gebieden (bv. wetlands) door informatie en middelen te delen. Hierbij kan het gaan om natuurautoriteiten op nationaal, regionaal, lokaal of gebiedsniveau en onderlinge samenwerking.
Aanpassingsmaatregelen voor Natura 2000-gebieden kunnen externe maatregelen in omliggende landschappen en/of zeegebieden inhouden. Hiervoor zal waarschijnlijk worden samengewerkt met diverse autoriteiten en belanghebbenden, op verschillende niveaus, om dergelijke externe aanpassingsmaatregelen te plannen en uit te voeren.
Potentiële aanpassingsmaatregelen die op het niveau van het netwerk, de gebieden en het bredere landschap kunnen worden genomen, worden nader behandeld in bijlage 4.
De stappen van het voorgestelde aanpassingskader worden hieronder samengevat en nader uitgewerkt in bijlage 3.
Stap 1: De weg vrijmaken voor aanpassing
|
Stap 1 van het kader is bedoeld om te helpen:
|
Stap 2: Risico’s van klimaatverandering voor het Natura 2000-netwerk en de Natura 2000-gebieden beoordelen
|
Stap 2 van het kader zal helpen om:
|
Stap 3: De aanpassingsmaatregelen identificeren en prioriteren
|
Stap 3 van het kader is bedoeld om:
|
Stap 4: De geselecteerde aanpassingsmaatregelen uitvoeren
|
Stap 4 van het kader is bedoeld om:
|
Stap 5: De doeltreffendheid van de aanpassingsmaatregelen monitoren en evalueren
|
Stap 5 van het kader is bedoeld om:
|
(1) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Vereenvoudiging voor duurzaam concurrentievermogen (COM(2025) 980 final).
(2) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het versnellen van milieubeoordelingen (COM(2025) 984 final). Ten tijde van de publicatie van deze richtsnoeren moet dit voorstel voor een verordening nog worden vastgesteld. Met volledige inachtneming van de medewetgevers, die als enige bevoegd zijn EU-wetgeving vast te stellen, valt het buiten het toepassingsgebied van deze richtsnoeren om dit voorstel te bespreken.
(7) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(8) Overeenkomst van Parijs, Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (UNFCCC, 2016).
(9) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(10) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(11) Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2021) 82 final).
(12) Klimaatrisico’s beheren — De bevolking en de welvaart beschermen (COM(2024) 91 final).
(13) Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869 (PB L, 2024/1991, 29.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1991/oj).
(14) Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (https://unfccc.int/sites/default/files/resource/parisagreement_publication.pdf).
(15) IPCC (2019): Climate Change and Land: an IPCC special report on climate change, desertification, land degradation, sustainable land management, food security, and greenhouse gas fluxes in terrestrial ecosystems (https://www.ipcc.ch/srccl/).
(16) Scholes, R., et al., “The assessment report on Land degradation and restoration”, IPBES, Bonn, Duitsland (2018) (https://www.ipbes.net/policy-support/assessments/assessment-report-land-degradation-restoration).
(17) IPBES (2019), Global assessment report of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, Brondízio, E. S., Settele, J., Díaz, S., Ngo, H. T. (eds), IPBES-secretariaat, Bonn, Duitsland, ISBN: 978-3-947851-20-1 (https://www.ipbes.net/system/files/2021-06/2020%20IPBES%20GLOBAL%20REPORT(FIRST%20PART)_V3_SINGLE.pdf).
(18) Kunming-Montreal Global biodiversity framework, 18 december 2022, CBD/COP/15/L.25 (https://www.cbd.int/article/cop15-final-text-kunming-montreal-gbf-221222).
(19) Bijvoorbeeld:
|
— |
DOELSTELLING 8: De impact van de klimaatverandering en de verzuring van de oceanen op de biodiversiteit tot een minimum beperken en de veerkracht vergroten aan de hand van mitigatie-, aanpassings- en rampenrisicoverminderingsmaatregelen, onder meer met behulp van op de natuur gebaseerde oplossingen en/of ecosysteemgerichte benaderingen, en daarbij de negatieve impact van klimaatactie op de biodiversiteit tot een minimum beperken en de positieve impact bevorderen. |
|
— |
DOELSTELLING 11: De bijdragen van de natuur tot nut van de mens, waaronder ecosysteemfuncties en -diensten zoals de regulering van lucht, water en het klimaat, bodemgezondheid, bestuiving en ziekterisicobeperking, alsook bescherming tegen natuurgevaren en -rampen, herstellen, in stand houden en versterken door middel van op de natuur gebaseerde oplossingen en ecosysteemgerichte benaderingen ten behoeve van alle mensen en de natuur. |
(20) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
(21) Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2021) 82 final).
(22) EU-bodemstrategie voor 2030 — profiteren van de voordelen van een gezonde bodem voor mens, voedsel, natuur en klimaat (COM(2021) 699 final).
(23) Klimaatrisico’s beheren — De bevolking en de welvaart beschermen (COM(2024) 91 final).
(24) Europese klimaatrisicobeoordeling, EMA-verslag nr. 1/2024 (EMA, 2024).
(25) Intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES), “Business and Biodiversity Assessment” (Beoordeling van bedrijven en biodiversiteit) (9 februari 2026) (https://www.ipbes.net/node/97532).
(26) ECB Occasional Paper Series No. 380, “Nature at risk: Implications for the euro area economy and financial stability” (Europese Centrale Bank, 2025) (https://www.ecb.europa.eu/pub/pdf/scpops/ecb.op380.en.pdf).
(27) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(28) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(29) https://www.eea.europa.eu/en/analysis/indicators/natura-2000-sites-designated-under.
(30) Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869 (PB L, 2024/1991, 29.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1991/oj).
(31) https://commission.europa.eu/about-european-commission/president-elect-ursula-von-der-leyen_en.
(32) Alle in de bijlagen I, II, IV en V bij de habitatrichtlijn opgenomen natuurlijk in het wild voorkomende vogelsoorten, alsook natuurlijke habitats en in het wild voorkomende dier- en plantensoorten van communautair belang.
(33) De in bijlage I bij de habitatrichtlijn opgenomen habitattypen, de in bijlage II bij de habitatrichtlijn opgenomen soorten, de in bijlage I bij de vogelrichtlijn opgenomen vogels en geregeld voorkomende trekvogels.
(34) “Guidelines on climate change and Natura 2000 dealing with the impact of climate change, on the management of the Natura 2000 network of areas of high biodiversity value” (Richtsnoeren inzake klimaatverandering en Natura 2000 inzake de gevolgen van klimaatverandering, betreffende het beheer van het Natura 2000-netwerk van gebieden met een hoge biodiversiteitswaarde), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2013.
(35) De Europese Green Deal (COM(2019) 640 final).
(36) Beheer en bescherming van Natura 2000-gebieden (https://ec.europa.eu/environment/nature/natura2000/management/guidance_en.htm).
(37) Kennisgeving van de Commissie: “Beoordeling van plannen en projecten met betrekking tot Natura 2000-gebieden — Methodologische richtsnoeren inzake de bepalingen van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)” (2021/C 437/01).
(38) Kennisgeving van de Commissie: “Richtsnoeren betreffende de vereisten voor waterkrachtcentrales in verband met de natuurwetgeving van de EU” (2018/C 213/01).
(39) Mededeling van de Commissie: “Richtsnoeren betreffende windenergieprojecten en EU-natuurwetgeving” (C(2020) 7730 final).
(40) Kennisgeving van de Commissie: “Energietransmissie-infrastructuur en EU-natuurwetgeving” (2018/C 213/02).
(41) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(42) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(43) De gebieden worden weergegeven in de online Natura 2000-viewer: http://natura2000.eea.europa.eu.
(44) EMA (2020), “State of Nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2013-2018” (De stand van de natuur in de EU: Resultaten van de verslaglegging in het kader van de natuurrichtlijnen 2013-2018), EMA-verslag nr. 10/2020, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen (https://www.eea.europa.eu/en/analysis/publications/state-of-nature-in-the-eu-2020).
(45) De staat van instandhouding en trends van beschermde habitats en soorten kunnen worden geraadpleegd op https://nature-art17.eionet.europa.eu/article17/. Voor vogels zijn ze te raadplegen op https://nature-art12.eionet.europa.eu/article12/. In 2026 zal de Commissie een nieuw verslag over de stand van de natuur in de EU publiceren over de periode 2019-2024.
(46) Mededeling van de Commissie: “Beheer van Natura 2000-gebieden — De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)” (PB C 33 van 25.1.2019, blz. 1).
(47) Mededeling van de Commissie: “Beoordeling van plannen en projecten met betrekking tot Natura 2000-gebieden — Methodologische richtsnoeren inzake de bepalingen van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn (92/43/EEG) 2021/C 437/01” (PB C 437 van 28.10.2021, blz. 1).
(48) https://circabc.europa.eu/ui/group/3f466d71-92a7-49eb-9c63-6cb0fadf29dc/library/4f06f774-df20-4269-9e49-1a79a95fa040/details.
(49) https://circabc.europa.eu/ui/group/3f466d71-92a7-49eb-9c63-6cb0fadf29dc/library/da138066-6136-4dec-9f98-07ed00e64231/details.
(50) https://circabc.europa.eu/ui/group/fcb355ee-7434-4448-a53d-5dc5d1dac678/library/8555aa28-9fb6-411f-8228-f8c99b296564/details.
(51) https://circabc.europa.eu/ui/group/fcb355ee-7434-4448-a53d-5dc5d1dac678/library/fc6b5435-6d07-41b6-bf28-c43edcbf72fd/details.
(52) De lidstaten hebben vanaf het moment dat een gebied als GCB wordt geselecteerd, ten hoogste zes jaar de tijd om het als speciale beschermingszone (SBZ) aan te wijzen en de nodige instandhoudingsmaatregelen uit hoofde van artikel 6, lid 1, vast te stellen.
(53) Zie zaak C-66/23 (Elliniki Ornithologiki Etaireia e.a.), punten 40 en 59.
(54) Deze standaardgegevensformulieren zijn voor elk Natura 2000-gebied beschikbaar op http://natura2000.eea.europa.eu.
(55) Zie Mededeling van de Commissie over de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden (https://circabc.europa.eu/ui/group/3f466d71-92a7-49eb-9c63-6cb0fadf29dc/library/4f06f774-df20-4269-9e49-1a79a95fa040/details).
(56) Attributen zijn specifieke eigenschappen die de staat van instandhouding van de habitat of de soort definiëren op basis van hun ecologische vereisten.
(57) Zie de instandhoudingsdoelstellingen in Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2806 van de Commissie van 15 december 2023 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden (PB L, 2023/2806, 18.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2023/2806/oj).
(58) Zie zaak C-66/23, Elliniki Ornithologiki Etaireia, punten 36-43. In deze zaak heeft het Hof bevestigd dat instandhoudingsdoelstellingen moeten worden vastgesteld voor alle soorten die in het gebied voorkomen, en dat het in artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn bedoelde beschermingsniveau moet worden bepaald aan de hand van die instandhoudingsdoelstellingen.
(59) Mededeling van de Commissie: “Beheer van Natura 2000-gebieden — De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)” (PB C 33 van 25.1.2019, blz. 1).
(60) Zie de definitie van duurzaam bosbeheer: “Duurzaam bosbeheer is het beheer en het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, alsook het vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht.” (https://foresteurope.org/sustainable-forest-management/).
(61) “Guidelines on biodiversity-friendly afforestation, reforestation and tree planting” (Richtsnoeren voor biodiversiteitsvriendelijke bebossing, herbebossing en boomaanplant), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2023 (https://data.europa.eu/doi/10.2779/731).
(62) “Richtsnoeren voor bosbeheer dat dichter bij de natuur staat”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2023 (https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/2d1a6e8f-8cda-11ee-8aa6-01aa75ed71a1).
(63) https://foresteurope.org/sustainable-forest-management/.
(64) Fernández, P., Rodríguez, A., Gutiérrez, D. et al. (2019), Firebreaks as a barrier to movement: the case of a butterfly in a Mediterranean landscape, Journal of Insect Conservation, 23, blz. 843-856.
(65) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-434/22 (Latvijas valsts meži).
(66) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-434/22 (Latvijas valsts meži).
(67) Mededeling van de Commissie: “Beheer van Natura 2000-gebieden — De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (92/43/EEG)” (PB C 33 van 25.1.2019, blz. 1).
(68) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-434/22 (Latvijas valsts meži).
(69) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-434/22,(Latvijas valsts meži).
(70) Arcadis en IEEP (2010), “Dealing with conflicts in the Implementation and Management of the Natura 2000 Network — Strategic Planning (lot 2), guidance document”, Verslag aan de Europese Commissie, Arcadis, Antwerpen, België.
(71) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-301/12 (Cascina Tre Pini).
(72) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-281/16 (Leenheerenpolder).
(73) Ten Brink, P., Bassi, S., Badura, T. et al. (2013), The Economic Benefits of the Natura 2000 Network-Synthesis Report, Europese Commissie, Luxemburg.
(74) Seddon, N., Smith, A., Smith, P., et al. (2021), Getting the message right on nature-based solutions to climate change, Global change biology, 27(8), blz. 1518-1546.
(75) Hendriks, K., Gubbay, S., Arets, E. et al. (2020), “Carbon storage in European ecosystems: A quick scan for terrestrial and marine EUNIS habitat types”, intern verslag voor het EMA van Wageningen Environmental Research en Susan Gubbay, Wageningen.
(76) Keesstra, S., Nunes, J., Novara, A. et al. (2018), The superior effect of nature based solutions in land management for enhancing ecosystem services, Science of The Total Environment, 610-611, blz. 997-100.
(77) Harrison, I.J., Green, P.A., Farrell, T.A. et al. (2016), Protected areas and freshwater provisioning: a global assessment of freshwater provision, threats and management strategies to support human water security, Aquatic Conservation: Marine and Freshwater Ecosystems, No 26 (S1), blz. 103-120.
(78) Cooper, R. (2020), Nature-based solutions and water security, GSDRC, Universiteit van Birmingham.
(79) Land-based wildfire prevention — Principles and experiences on managing landscapes, forests and woodlands for safety and resilience in Europe, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021 (https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/4e6cc1f1-8b8a-11eb-b85c-01aa75ed71a1/language-en).
(80) Seddon, N., Chausson, A., Berry, P., et al. (2020), Understanding the value and limits of nature-based solutions to climate change and other global challenges, Philosophical Transactions of the Royal Society B, 375, 20190120.
(81) EMA (2021), “Nature-based solutions in Europe: Policy, knowledge and practice for climate change adaptation and disaster risk reduction”, EMA-verslag nr. 1/2021, Europees Milieuagentschap, Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie.
(82) Penning E., Peñailillo Burgos R., Mens M., et al. (2023), Nature-based solutions for floods and droughts and biodiversity: Do we have sufficient proof of their functioning? Cambridge Prisms: Water, 1, e11, blz. 1-17.
(83) Valor, T., Coll, L., Pique, M., et al. (2023), FIRE-RES Ecological factors driving resistant and resilient landscapes to high intensity and extreme wildfire events, Deliverable D1.11 FIRE-RES project. DOI: 10.5281/zenodo.7785271.
(84) Verordening (EU) 2023/839 van het Europees Parlement en de Raad van 19 april 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2018/841 wat betreft het toepassingsgebied, vereenvoudiging van de rapportage- en nalevingsvoorschriften, en vaststelling van de streefcijfers voor de lidstaten voor 2030, en van Verordening (EU) 2018/1999 wat betreft verbetering van monitoring, rapportage, het volgen van de vooruitgang en beoordeling (PB L 107 van 21.4.2023, blz. 1).
(85) Bulkeley, H. (2020), Nature based solutions for climate mitigation — Analysis of EU-funded projects, Europese Commissie, Brussel.
(88) https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/eunis-habitat-classification-1/folder_contents.
(89) Hendriks, K., Gubbay, S., Arets, E. et al. (2020), “Carbon storage in European ecosystems: A quick scan for terrestrial and marine EUNIS habitat types”, intern verslag voor het EMA van Wageningen Environmental Research en Susan Gubbay, Wageningen.
(90) Günther, A., Barthelmes, A., Huth, V., et al. (2020), Prompt rewetting of drained peatlands reduces climate warming despite methane emissions, Nature Communications, 11 (1), 1644.
(91) Renou-Wilson, F., Moser, G., Fallon, D., et al. (2019), Rewetting degraded peatlands for climate and biodiversity benefits: Results from two raised bogs, Ecological Engineering, No 127, blz. 547-560.
(92) https://soo.elfond.ee/en/projektist/miks/.
(93) https://www.raisedbogs.ie/.
(94) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE12-NAT-IT-000331/habitat-1150-coastal-lagoon-recovery-by-seagrass-restoration-a-new-strategic-approach-to-meet-hd-wfd-objectives.
(96) Salm, J.-O., Remm,.L., Haljasorg, M. et al. (2021), Restoration of Mire Habitats: Experiences from the Project “Conservation and Restoration of Mire Habitats”. Estonian mires, Tartu (https://soo.elfond.ee/en/projektist/aruanded/).
(97) (https://soo.elfond.ee/en/projektist/ en https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE14-NAT-EE-000126/conservation-and-restoration-of-mire-habitats).
(98) Cushnan, H. (2022), LIFE Technical Manual — Review of best practice measures, RPS Group Ltd., https://www.raisedbogs.ie/wp-content/uploads/2022/09/Appendix-23-E10-LIFE-Projects-Technique-Manual-D01.docx.pdf.
(99) https://www.raisedbogs.ie/.
(100) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE14-NAT-IE-000032/restoring-active-raised-bog-in-irelands-sac-network-2016-2020.
(101) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE12-NAT-IT-000331/habitat-1150-coastal-lagoon-recovery-by-seagrass-restoration-a-new-strategic-approach-to-meet-hd-wfd-objectives en https://www.isprambiente.gov.it/en/projects/inland-waters-and-marine-waters/seresto-project.
(102) Het herstellen van bouwland naar grasland kan in sommige gevallen aanzienlijke wijzigingen van het landbouwsysteem vergen en economische risico’s voor landbouwers met zich meebrengen; deze aspecten moeten in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van dergelijke beheersmaatregelen.
(103) IUCN (2021), “Manual for the creation of Blue Carbon projects in Europe and the Mediterranean”, Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (https://iucn.org/resources/file/manual-creation-blue-carbon-projects-europe-and-mediterranean).
(104) Reinsch, T., Loges, R., Kluß, C. et al. (2018), Effect of grassland ploughing and reseeding on CO2 emissions and soil carbon stocks, Agriculture, Ecosystems & Environment, 265, blz. 374-383.
(105) Lugato, E., Bampa, F., Panagos, P., et al. (2014), Potential carbon sequestration of European arable soils estimated by modelling a comprehensive set of management practices, Global Change Biology, 20 (11), blz. 3557-3567.
(106) Golicz, K., Ghazaryan, G., Niether, W., C., et al. (2021), The role of small woody landscape features and agroforestry systems for national carbon budgeting in Germany, Land, 10 (10), 1028.
(107) European glossary for wildfires and forest fires (2012) (https://www.ctif.org/sites/default/files/2018-01/European%20glossary%20for%20wildfires%20and%20forest%20fires.pdf).
(108) https://forest-fire.emergency.copernicus.eu/.
(109) https://forest-fire.emergency.copernicus.eu/reports-and-publications/annual-fire-reports.
(110) https://forest-fire.emergency.copernicus.eu/apps/effis_current_situation/.
(111) Moreira, F., Viedma, O., Arianoutsou, M., et al. (2011), Landscape-wildfire interactions in southern Europe: implications for landscape management, Journal of environmental management, 92(10), blz. 2389-2402.
(112) Zie de casestudy in het Horizon-project FIREURISK, waarin werd geconcludeerd dat dood staand hout zeer brandbaar blijft na een schorskeversplaag (https://fireurisk.eu/wp-content/uploads/2025/04/D4.6Report-on-cascading-effectsGMVv1.0.pdf).
(113) Larjavaara, M., Brotons, L., Corticeiro, S., et al. (2023), “Deadwood and Fire Risk in Europe”, JRC134562, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
(114) Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27).
(115) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(116) “The interaction between the Floods Directive and the Nature Directives”, verkennend document, CIS-werkgroep overstromingen, in het kader van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water. Europese Commissie, 2020 (https://circabc.europa.eu/d/a/workspace/SpacesStore/448abaa4-66c0-43ce-851d-ca395bdb03f9/Report_Floods_Nature_Directives_final_clean.pdf).
(121) Europese Commissie (2020), “The interaction between the Floods Directive and the Nature Directives”, verkennend document, CIS-werkgroep overstromingen, in het kader van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water.
(122) EMA (2015), “Water-retention potential of Europe’s forests. A European overview to support natural water-retention measures”, EMA-verslag nr. 13/2015, Europees Milieuagentschap, Luxemburg.
(123) Het herstellen van bouwland naar grasland kan aanzienlijke wijzigingen van het landbouwsysteem vergen en economische risico’s voor landbouwers met zich meebrengen; deze aspecten moeten in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van dergelijke beheersmaatregelen.
(124) Tockner, K., Uehlinger, U. en Robinson, C.T. (red.), (2009), Rivers of Europe, 1. ed, Academic Press, Amsterdam.
(125) Turkelboom, F., Demeyer, R., Vranken, L., et al. (2021), How does a nature-based solution for flood control compare to a technical solution? Case study evidence from Belgium, Ambio, 50 (8), 1431-1445.
(126) https://www.sigmaplan.be.
(127) Oorspronkelijk “Living with the Sea” (https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE99-NAT-UK-006081/living-with-the-sea-managing-natura-2000-sites-on-dynamic-coastlines).
(128) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE96-NAT-UK-003055/to-develop-and-promote-the-necessary-conservation-measures-for-uk-marine-sacs.
(129) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE99-NAT-UK-006081/living-with-the-sea-managing-natura-2000-sites-on-dynamic-coastlines.
(130) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE02-NAT-UK-008527/developing-a-strategic-network-of-spa-reedbeds-for-botaurus-stellaris.
(131) Gross, J. E., Woodley, S., Welling, L. A., et al. (2016), Adapting to Climate Change: Guidance for protected area managers and planners, Best Practice Protected Area Guidelines Series, No. 24, IUCN, Gland, Zwitserland.
(132) Richtsnoeren van de Commissie voor de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten, 2023/C 264/01 (PB C 264 van 27.7.2023, blz. 1).
(133) https://climate-adapt.eea.europa.eu/nl/knowledge/tools/adaptation-support-tool?set_language=nl.
BIJLAGE 1
OPGEMERKTE EN VERWACHTE KLIMAATVERANDERINGEN
1. Klimaatverandering wereldwijd en toekomstscenario’s
Zoals duidelijk vermeld in de AR6-beoordeling van de wereldwijde klimaatverandering van het IPCC, is het ondubbelzinnig dat de invloed van de mens heeft geleid tot wijdverbreide en snelle opwarming van de atmosfeer, het land, de oceaan en de cryosfeer (1). Deze opwarming is voornamelijk te wijten aan de snelle toename van broeikasgassen in de mondiale atmosfeer sinds de pre-industriële periode (d.w.z. 1850-1900), waaronder kooldioxide, methaan en distikstofoxide. Als gevolg daarvan zijn de wereldwijde gemiddelde temperaturen nabij het aardoppervlak en de hittegolven gestaag toegenomen, zowel op het land als op zee (2). Wereldwijd zijn de afgelopen elf jaar de elf warmste ooit geweest en was de periode 2023-2025 de eerste periode van drie jaar waarin de in de Overeenkomst van Parijs vastgestelde limiet van 1,5 °C is overschreden. De wereldwijde temperatuur in 2025 lag slechts marginaal (0,01 °C) lager dan in 2023 en 0,13 °C lager dan in 2024, het warmste jaar ooit (3).
Aangezien de klimaatverandering voornamelijk het gevolg is van broeikasgasemissies op mondiale schaal, moet eerst kort worden gekeken naar de mondiale vooruitzichten voor toekomstige emissies voordat mogelijke verdere veranderingen in de EU worden onderzocht. Er zijn prognoses voor toekomstige mondiale broeikasgasemissies opgesteld op basis van potentiële toekomstige klimaatscenario’s (4). Het huidige IPCC-kader bestaat uit mogelijke gedeelde sociaal-economische trajecten (“shared socio-economic pathways”, SSP’s) tot het jaar 2100, op basis van belangrijke sociaal-economische aanjagers van verandering. In overeenstemming met de EUCRA wordt in de klimaatprognoses in deze richtsnoeren gebruikgemaakt van een scenario met lage emissies op basis van SSP1-2.6 en een scenario met hoge emissies op basis van SSP3-7.0. Aangezien de SSP’s van relatief recente datum zijn, hebben de meeste wetenschappelijke modelleringsstudies van de verwachte gevolgen voor de biodiversiteit, zoals besproken in bijlage 2, oudere IPCC-scenario’s gebruikt (5) (6).
Het scenario met lage emissies is in overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs van het UNFCCC van 2015 om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau en de inspanningen voort te zetten om de stijging te beperken tot 1,5 °C. Ondanks initiatieven op latere conferenties van de partijen bij het UNFCCC om de doelstelling van 1,5 °C vast te houden, heeft het UNEP geconcludeerd dat er “geen geloofwaardig traject” is om de doelstelling van 1,5 °C te halen (7).
Gezien de huidige toestand van het klimaat, is het in de eerste plaats van essentieel belang dat landen hun inspanningen opvoeren om bij te dragen aan het beperken van de opwarming van de aarde tot zo ver als nu haalbaar onder de doelstelling van 2,0 °C. Ten tweede is het vanwege de verdere onvermijdelijke klimaatveranderingen en de snellere opwarming in Europa verstandig om aanpassingsmaatregelen te plannen voor hogere niveaus van opwarming. De Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering beveelt aan om voorbereidingen te treffen op klimaatrisico’s als gevolg van een opwarming van de aarde met 2,8-3,3 °C tegen 2100 en om bij stresstests negatievere trajecten te gebruiken teneinde de deugdelijkheid van aanpassingsopties in toekomstscenario’s met een hoger risico te beoordelen (8).
2. Klimaatverandering in Europa
Tenzij anders aangegeven, zijn de trends en statistieken op het gebied van klimaatverandering in dit deel ontleend aan het EMA (2017) (9), de EUCRA (10) en de AR6-beoordeling van het IPCC (11). Aanvullende informatiebronnen over waargenomen en verwachte klimaatveranderingen zijn te vinden in de bibliografie.
2.1. Temperatuur
In Europa zijn de temperaturen ongeveer twee keer zo snel gestegen als wereldwijd. In de periode 2018-2022 lag de gemiddelde temperatuur in Europa ongeveer 2,2 °C hoger dan het pre-industriële niveau (1850-1990), terwijl de gemiddelde mondiale temperatuur 1,2 °C boven het pre-industriële niveau lag. In sommige Europese regio’s is een snellere opwarming te zien, onder meer in de Alpen, de Pyreneeën en andere berggebieden in Spanje, en vooral in de Scandinavische bergen en IJsland.
De belangrijkste trends in temperatuurgerelateerde factoren die van invloed zijn op de klimaatverandering op het land in Europa, zijn:
|
— |
zachtere winters, vooral in het noorden, met minder koude nachten, koude perioden en vorstdagen; |
|
— |
warmere zomers; |
|
— |
verschuivingen in de timing van de seizoenen, waarbij in de jaren 2000 de zomers in West-Europa ongeveer tien dagen eerder beginnen dan in de jaren 1960 (12); |
|
— |
hittegolven, ook op zee, zijn frequenter en extremer geworden. |
De temperatuur van het zeeoppervlak is sinds in 1850 gestart is met het meten ervan, ook gestegen. In de periode 2018-2022 bedroeg de stijging van de temperatuur van het zeeoppervlak sinds 1980 wereldwijd ongeveer 0,5 °C en in Europa ongeveer 1,1 °C. Net als op het land hebben extreme temperaturen de afgelopen jaren geleid tot hittegolven in het mariene milieu in Europa. De toename van kooldioxideconcentraties in de atmosfeer leidt ook tot een verdere verzuring van de oceaan. De stijging van de zeetemperatuur en veranderingen in de zoetwaterinstroom en het zee-ijs hebben ook andere domino-effecten op de mariene chemie en de biodiversiteit.
Volgens de EUCRA zullen, in een scenario met lage emissies (SSP1-2.6), de temperaturen nabij het oppervlak in Europa tegen 2050 naar verwachting met bijna 2,5 °C stijgen en op ongeveer hetzelfde niveau blijven tot 2100. Zoals in het bovenstaande punt is opgemerkt, lijkt dit scenario echter niet langer haalbaar. Volgens de prognoses van de EUCRA in het scenario SSP2-4.5 zullen de temperaturen tegen 2050 met bijna 3 °C en tegen 2100 met ongeveer 4 °C stijgen. In het EUCRA-scenario met hoge emissies (SSP3-7.0) zou de verwachte stijging tegen 2050 ongeveer 3 °C bedragen en vervolgens tegen 2100 ongeveer 5,5 °C.
Over het algemeen wordt verwacht dat de temperaturen op land het meest zullen stijgen in de regio Zuid-Europa, voornamelijk in de zomer, zowel in het lage als hoge emissiescenario. De frequentie en intensiteit van extreem hete weersomstandigheden zullen naar verwachting ook in alle regio’s blijven toenemen. Verwacht wordt dat de temperatuur van het zeeoppervlak het meest zal blijven stijgen in de Oostzee en de Zwarte Zee, minder in de Middellandse Zee en het minst in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.
2.2. Veranderingen in de neerslag (regenval en sneeuwval)
Er zijn in Europa ook aanzienlijke veranderingen in neerslagvolumes en -patronen waargenomen, die overeenkomen met de mondiale en regionale klimaatmodellen. Hoewel de totale neerslag is toegenomen, zijn er echter duidelijke regionale verschillen. Noord-Europa wordt over het algemeen natter, maar droger in de zomer. Zuid-Europa wordt steeds droger, vooral in de winter. In de scenario’s met lage en hoge emissies zal de totale neerslag naar verwachting blijven toenemen in Noord-Europa, afnemen in Zuid-Europa en elders weinig veranderen. De verwachting is echter dat de neerslag in de winter in het grootste deel van Europa zal blijven toenemen.
De frequentie van extreme regenval is toegenomen in Noord-, West- en centraal Oost-Europa. Dit heeft, samen met enkele veranderingen in het landgebruik, geleid tot een waargenomen toename van fluviale en pluviale overstromingen (d.w.z. directe regenval) in het West-, Midden- en Noord-Europa. Berggebieden zijn bijzonder gevoelig voor dergelijke gebeurtenissen, met cascade-effecten die leiden tot overstromingen, aardverschuivingen en doorbraken van meren. In laaglandgebieden langs de kust hebben zich al samengestelde overstromingen voorgedaan als gevolg van een hoog waterpeil in de rivier dat samenviel met stormvloed op zee.
Extreme gebeurtenissen zullen naar verwachting vaker voorkomen in de scenario’s met lage en hoge emissies voor de meeste gebieden, met uitzondering van het Middellandse Zeegebied. Over het algemeen zal de zware dagelijkse neerslag in de winter tegen het einde van de eeuw waarschijnlijk met 35 % toenemen. Er wordt ook verwacht dat de zware regenval in de zomer in het grootste deel van Europa zal toenemen, hoewel voor sommige regio’s in het zuiden minder regenval wordt voorspeld (13). In Noord- en Oost-Europa wordt een toename van de pluviale overstromingen verwacht in de scenario’s met een opwarming van de aarde van meer dan 2 °C, terwijl de fluviale overstromingen zullen afnemen. In West- en Midden-Europa zullen zowel pluviale als fluviale overstromingen naar verwachting toenemen bij een opwarming van de aarde van meer dan 2 °C.
Ondanks de algemene toename van de neerslag, als gevolg van de toegenomen verdamping, is er een algemene trend van verdroging geweest, vooral in Zuid- en centraal Oost-Europa. Het uitblijven van neerslag tijdens langdurige perioden van droogte heeft geleid tot lage rivierstanden en uitputting van watervoerende grondlagen. Tegen 2050 zullen perioden van droogte naar verwachting in alle klimaatscenario’s vaker voorkomen in Oost-, Midden- en Zuid-Europa, met name in het Middellandse Zeegebied.
De hoeveelheid sneeuw en het aantal dagen met sneeuwval blijft afnemen. Samen met de opwarming heeft dit geleid tot kortere periodes met sneeuwbedekking, een sterkere terugtrekking en afname van de dikte van gletsjers, en minder smeltwater. Deze trends zullen zich naar verwachting in alle emissiescenario’s voortzetten.
2.3. Veranderingen in de windpatronen
In de afgelopen decennia hebben de windsnelheden aanzienlijke anomalieën laten zien in vergelijking met de gemiddelde omstandigheden, waaronder perioden van frequente en zeer zware stormen, in tegenstelling tot sommige bijna historisch lage windsnelheden. Hoewel er tot nu toe geen duidelijke trend zichtbaar is, spreekt het IPCC in het AR6-verslag de verwachting uit dat er waarschijnlijk een toename van zware stormen in Noord-Europa en mogelijk Midden-Europa te zien zal zijn, en waarschijnlijk een afname in Zuid-Europa.
2.4. Brandgevoelige weersomstandigheden
Hoge temperaturen en droogte hebben geleid tot een toename van de weersomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het ontstaan en in stand houden van natuurbranden, de zogenaamde brandgevoelige (of brandgevaarlijke) omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn in Europa op grotere schaal waargenomen, zowel vroeger als later in het jaar. De klimaatprojecties geven aan dat dit patroon naar verwachting zal aanhouden.
Bij 2 °C opwarming van de aarde zal het aantal extra dagen per jaar met een hoog tot extreem brandgevaar, in vergelijking met de periode 1981-2010, naar verwachting met meer dan 10 toenemen in delen van Italië, een groot deel van Frankrijk en het Balkanschiereiland, en met meer dan 20 in het grootste deel van Portugal en Spanje (14).
2.5. Zeespiegelstijging
Sinds 1900 is de zeespiegel in de meeste kustgebieden in Europa, met uitzondering van de noordelijke Oostzeekust, gestegen als gevolg van de aanhoudende postglaciale opheffing van de ijstijd. Dit zal naar verwachting doorgaan in een tempo dat vergelijkbaar is met of sneller is dan het wereldwijde gemiddelde. In Europa zal de relatieve zeespiegelstijging voor de periode 2081-2100 naar verwachting variëren van 0,4-0,5 m in het SSP1-2.6-scenario tot 0,7-0,8 m in het SSP5-8.5-scenario (15).
De combinatie van de verwachte toename van hevige stormen in Noord-Europa en de stijging van de zeespiegel verhoogt het risico op kusterosie, overstromingen, stroming van zout water richting het achterland en gevolgen voor de biodiversiteit aan de kust en in de zee. Dit kan op zijn beurt leiden tot ernstige verstoring van de getroffen kustecosystemen en schade aan de bijzonder belangrijke en kwetsbare Natura 2000-gebieden daarvan.
(1) IPCC (2021), Summary for Policymakers in: “Climate Change 2021: The Physical Science Basis. Bijdrage van werkgroep I aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
(2) Zie bijvoorbeeld het Copernicus Marine Service Ocean State Report 9 (2025): Karina von Schuckmann (Mercator Ocean International, Frankrijk), Lorena Moreira (Nologin, Spanje), Álvaro de Pascual Collar (Nologin, Spanje), Marilaure Grégoire (Universiteit van Luik, België), Pierre Brasseur (CNRS, Frankrijk), Gilles Garric (Mercator Ocean International, Frankrijk), Johannes Karstensen (GEOMAR Helmholtz Centre for Ocean Research Kiel, Duitsland), Piero Lionello (Universiteit van Salento, Italië), Marta Marcos (Universiteit van de Balearen, Spanje), Pierre-Marie Poulain (Istituto Nazionale di Oceanografia e di Geofisica Sperimentale (OGS), Italië) en Joanna Staneva (Helmholtz-Zentrum Hereon, Duitsland) (red.): 9e editie van het Copernicus Ocean State Report (OSR9), Copernicus Publications, State Planet, 6-osr9 (https://doi.org/10.5194/sp-6-osr9).
(3) Copernicus, 2025, Global climate highlights (https://climate.copernicus.eu/global-climate-highlights-2025).
(4) “Een plausibele beschrijving van hoe de toekomst kan verlopen, op basis van een coherente en intern consistente reeks aannames over centrale bepalende factoren […] en relaties” (IPCC, 2022a).
(5) IPCC (2014), “Climate Change 2014: Impacts, Adaptation, and Vulnerability. Part A: Global and Sectoral Aspects”. Bijdrage van werkgroep II aan het vijfde rapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering [Field, C.B., V.R. Barros, D.J. Dokken, et al (red.)], Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
(6) Colin, A., Vailles, C. en Hubert, R. (2019), Understanding transition scenarios, Eight steps for reading and understanding these scenarios, Institute for Climate Economics.
(7) UNEP (2022), Emissions Gap Report 2022: “The Closing Window — Climate crisis calls for rapid transformation of societies”, Milieuprogramma van de Verenigde Naties, Nairobi.
(8) Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering (2026), “Strengthening resilience to climate change — Recommendations for an effective EU adaptation policy framework” (https://climate-advisory-board.europa.eu/reports-and-publications/strengthening-resilience-to-climate-change-recommendations-for-an-effective-eu-adaptation-policy-framework).
(9) EMA (2017), “Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016: An indicator-based report”, EMA-verslag nr. 1/2017, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
(10) Europese klimaatrisicobeoordeling, EMA-verslag nr. 1/2024, (EMA 2024) (https://www.eea.europa.eu/en/analysis/publications/european-climate-risk-assessment).
(11) IPCC (2023), “AR6 Synthesis Report. Climate Change 2023”, Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
(12) Cassou, C., en Cattiaux, J. (2016), Disruption of the European climate seasonal clock in a warming world, Nature Climate Change, 6 (6), blz. 589-594.
(13) Gedetailleerde kaarten met de verwachte veranderingen in de zomer- en wintertemperaturen en de totale neerslag in heel Europa bij de opwarmingsscenario’s van 1,5 °C, 2 °C en 4 °C (ten opzichte van de periode 1995-2014) zijn beschikbaar via de interactieve atlas van WG1 van het IPCC: IPCC Regional Assessment Report: Europe, Working Group 1 (2021) (https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg1/downloads/factsheets/IPCC_AR6_WGI_Regional_Fact_Sheet_Europe.pdf).
(14) EMA (2020), “State of Nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2013-2018”, EMA-verslag nr. 10/2020, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
(15) Climate Change 2021 — The Physical Science Basis.
Bijdrage van werkgroep I aan het zesde evaluatieverslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, blz. 1767-1926.
BIJLAGE 2
POTENTIËLE GEVOLGEN VAN DE KLIMAATVERANDERING OP DE BIODIVERSITEIT
1. Hoe klimaatverandering invloed heeft op soorten en ecosystemen
Volgens de woordenlijst van het IPCC staan veranderingen in de fysieke omstandigheden van het klimaatsysteem (bv. middelen, gebeurtenissen en extremen) die van invloed zijn op ecosystemen of de samenleving, bekend als klimaateffectfactoren (“climatic impact-drivers”). Klimaateffectfactoren kunnen een breed scala van op elkaar inwerkende gevolgen hebben voor soorten en ecosystemen via verschillende mechanismen, die ook een wisselwerking hebben met andere invloedrijke factoren. De resultaten van deze gevolgen kunnen veranderingen in de verspreiding, omvang en toestand van beschermde habitats en soortenpopulaties omvatten. Het volledige scala van biodiversiteitseffecten wordt beschreven in Scheffers et al. (2016) (1), en de belangrijkste effecten in Europa worden hieronder samengevat, met enkele specifieke voorbeelden op basis van IPBES (2), Foden et al. (2019) (3), het AR6-verslag van het IPCC over oceaan- en kustecosystemen (4), terrestrische en zoetwaterecosystemen (5), de EUCRA (6) en andere belangrijke Europese studies die in de bibliografie zijn opgenomen.
Hoewel de gevolgen van de klimaatverandering op verschillende manieren kunnen worden beschreven, is het nuttig ze te beschrijven in termen van de onderliggende mechanismen ervan, aangezien dit kan helpen bij het identificeren van de beste vormen van aanpassingsmaatregelen. Samengevat kunnen de volgende belangrijkste soorten interactiemechanismen resulteren in gevolgen voor soorten (van het individuele organisme tot populatieniveau), voor ecosystemen en voor HR-habitattypen.
Klimaatveranderingseffecten op soorten kunnen in de eerste plaats ontstaan als gevolg van de directe effecten van abiotische veranderingen in klimaateffectfactoren, zoals veranderingen in de temperatuur en de neerslag. Enkele van de meest voorkomende en algemeen gedocumenteerde effecten van klimaatverandering zijn die van de timing van gebeurtenissen (fenologie). Veel studies hebben aangetoond dat gebeurtenissen in het voorjaar eerder plaatsvinden en dat de groeiseizoenen in gematigde regio’s langer worden. In het mariene milieu migreren vissen naar koelere of diepere wateren, en invasieve soorten verspreiden zich als ze beter zijn aangepast aan de nieuwe omstandigheden.
De directe fysiologische effecten van klimaatveranderingen kunnen significanter zijn voor gevoelige soorten, en kunnen dan leiden tot lagere voortplantingscijfers en hogere sterftecijfers. Fysiologische stress kan ook de gevoeligheid voor ziekten en plagen verhogen. Uit pan-Europese bosmonitoring is bijvoorbeeld gebleken dat warme zomers en grote seizoensgebonden variabiliteit in neerslag de kans op boomsterfte hebben vergroot, met hotspots voor boomsterfte in Zuid- en Noord-Europa (7).
Soorten worden ook op grote schaal en aanzienlijk beïnvloed door veranderingen in de abiotische toestand van hun habitats als gevolg van de klimaatverandering, zoals veranderingen in de hoeveelheden sneeuw en ijs, de bodemvochtigheid, de waterstanden en de chemische eigenschappen van water. Bijzonder invloedrijke habitatgerelateerde drukfactoren als gevolg van de combinatie van hogere temperaturen en minder regenval in de zomer hebben geleid tot lagere grond- en rivierwaterstanden en hebben het aantal gebieden waar regelmatig brand ontstaat, doen toenemen. De stijging van de zeespiegel in combinatie met meer extreme stormen leidt ook tot meer overstromingen en erosie aan de kust.
De belangrijkste waargenomen drukfactor van de klimaatverandering is over het algemeen het gevolg van de complexe biotische wisselwerking tussen soorten. De drukfactor kan zich voordoen wanneer de timing van belangrijke gebeurtenissen voor soorten niet langer overeenstemt, bijvoorbeeld de piekvraag naar voedsel van roofdieren gedurende de voorplanting en de beschikbaarheid van prooien, of het bloeien van planten en het verschijnen van de bestuivers ervan. Andere, vaak grotere drukfactoren zijn het gevolg van veranderingen bij soorten waarvan een andere soort afhankelijk is (zoals prooien, bestuivers en verspreiders) of die schadelijk zijn (bv. concurrenten, roofdieren, parasieten, ziekteverwekkers). Veranderingen in de ene soort kunnen dan cascade-effecten hebben op andere soort, wat mogelijk leidt tot complexe ingrijpende veranderingen in het ecosysteem, zoals veranderingen in het HR-habitattype.
Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de gevolgen voor soorten en ecosystemen voortkomen uit geleidelijke veranderingen in het klimaat, zoals de gemiddelde temperatuur en de totale neerslag, zijn de gevolgen van de toegenomen variabiliteit minder zeker. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat grootschalige gelijktijdige verstoringen (zoals overstromingen of extreme droogte) de populatieschommelingen en het risico op lokale uitsterving vergroten, met name van kleine populaties en kortlevende soorten. Voor de kleine torenvalk (Falco nuamanni) in Zuid-Europa is droogte bijvoorbeeld een grotere bedreiging dan geleidelijke klimaatverandering (8). Aangezien sommige Natura 2000-habitats en -soorten sterk gelokaliseerd zijn, kunnen de gevolgen van een extreme gebeurtenis die hen treft, aanzienlijk zijn.
Het AR6-verslag van het IPCC benadrukt daarnaast dat wereldwijd bewijs met grote zekerheid aangeeft dat de combinatie van interne variabiliteit en klimaattrends op langere termijn ecosystemen naar een omslagpunt duwt, waarna abrupte en mogelijk onomkeerbare veranderingen plaatsvinden. Dergelijke gevolgen zijn al waargenomen in het Europese mariene milieu, waar zeer hoge watertemperaturen hebben geleid tot verschuivingen in de verspreiding van soorten (bv. zeewieren en vissen), regimeverschuivingen en het lokaal uitsterven van soorten. In een scenario met hoge emissies kunnen Zuid-Euraziatische boreale bossen ook een abrupt kantelpunt bereiken in de komende twee tot drie decennia (9).
Klimaatgebeurtenissen en -trends die waarschijnlijk schadelijk zijn, worden volgens de IPCC-woordenlijst “gevaren” genoemd (zie de verklarende woordenlijst). Onder natuurwetenschappers en personeel van de autoriteiten, waaronder bij rapportage in het kader van de natuurrichtlijnen, worden zulke gevaren echter gewoonlijk aangeduid als drukfactor of bedreiging (wanneer deze in de toekomst worden verwacht). Aangezien deze richtsnoeren in de eerste plaats voor instandhoudingsbeheerders en autoriteiten zijn opgesteld, worden hier voornamelijk de termen “drukfactor” en “bedreiging” gebruikt, behalve in rechtstreekse citaten.
De vraag of een klimaateffectfactor een drukfactor of bedreiging is, hangt af van de habitat en soorten in kwestie en de context ervan (bv. de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied). Zo kan een temperatuurstijging schadelijk zijn voor sommige habitats en soorten en gunstig zijn voor andere in sommige gebieden, en andersom in andere gebieden. Het verband tussen klimaateffectfactoren, habitats en soorten kan ook niet-lineair zijn: een effect kan tot op zekere hoogte gunstig zijn totdat er iets schadelijk en/of complex wordt als gevolg van wisselwerkingen met andere klimaatcomponenten of veranderingen in het milieu.
De gevolgen van klimaatverandering staan in wisselwerking met andere bestaande druk op habitats en soorten, zoals veranderingen in het landgebruik, onder meer als gevolg van intensieve landbouwpraktijken, habitatbeheer, invasieve exoten, vervuiling en de ontwikkeling van infrastructuur. Voor veel Natura 2000-habitats en -soorten is de druk in verband met klimaatverandering tot dusver relatief laag geweest in vergelijking met andere gebieden (10). Niettemin kan zelfs relatief weinig extra druk leiden tot populatiedalingen die de soort over een drempel duwen waar de overlevings- of voortplantingscijfers onder het niveau dalen dat nodig is om de populatie in stand te houden. Aangezien veel Natura 2000-habitats en -soorten al een ongunstige staat van instandhouding (11) hebben, kunnen ze beperkte capaciteit hebben om deze extra druk op te vangen.
Het is met name zorgwekkend dat sommige niet-klimaatveranderingsgerelateerde drukfactoren toenemen als gevolg van de klimaatverandering. De gevolgen van de opwarming van de aarde op de structuur en stabiliteit van de voedselketen zijn bijvoorbeeld in het voordeel van invasieve soorten (12). Het aantal uitbraken van ziektes en plagen zal naar verwachting ook toenemen en zich verspreiden, zoals blijkt uit de uitbreiding van de letterzetter (Ips amitinus) naar Noord-Europa (13).
2. Gevolgen van de klimaatverandering voor soortenpopulaties en habitats
Voor sommige soorten ontstaan door de gecombineerde gevolgen van klimaateffectfactoren veranderingen in de populatiegrootte (als gevolg van veranderingen in sterfte en voortplanting) en verspreiding. De veranderingen kunnen positief, negatief of variabel zijn, afhankelijk van de soort, het habitattype en de lokale omstandigheden. De gevolgen van het klimaat zullen naar verwachting variëren binnen het verspreidingsgebied van elke habitat of soort, afhankelijk van de vraag of de klimaatverandering de situatie meer of minder gunstig maakt.
Dit betekent dat uitbreidingen van het verspreidingsgebied worden verwacht langs de “voorste” rand van het verspreidingsgebied van een soort of een habitat in relatie tot het klimaat, waarbij de richting en de stijging van de opwarming geschiktere omstandigheden creëren (14). Er wordt lokaal uitsterving van soorten verwacht langs de “achterste” rand van het verspreidingsgebied, waar de omstandigheden ongeschikt worden, bijvoorbeeld te warm. In Europa zijn de resulterende uitbreidingen van het verspreidingsgebied als gevolg van klimaatverandering meestal naar het noorden, hogere hoogten en dieper water. Omgekeerd wordt een krimp van het verspreidingsgebied over het algemeen verwacht in het zuiden, op lagere hoogten en in ondieper water.
Er is nu duidelijk en breed gedocumenteerd bewijs van de verwachte gevolgen van klimaatveranderingen in Europa aan de voorste rand van het verspreidingsgebied van soorten, dat overwegend naar het noorden verschuift. Dit is gedocumenteerd voor een breed scala van planten- en dierengroepen in Europa, waaronder vlinders, libellen en vogels, en zeedierenplankton, bentische ongewervelde dieren en vissen (15). Terrestrische soorten bewegen zich ook naar hogere hoogten in terrestrische ecosystemen. Meer dan een eeuw lang was bij bergplanten in de Alpen bijvoorbeeld een consistente opwaartse verschuiving van ten minste 100 hoogtemeters te zien, waarbij 49 van de 125 onderzochte soorten zich nu op grotere hoogten in de regio bevinden dan eerder werd geregistreerd (16). In mariene ecosystemen bewegen sommige soorten zich niet alleen naar het noorden, maar ook naar dieper water. Dit is waargenomen in de grondig bestudeerde Noordzee, voor bentische ongewervelde dieren (17) en bodemvissen (18). Er zijn minder aanwijzingen voor de inkrimping van het verspreidingsgebied van soorten langs de achterste rand, wat deels te wijten kan zijn aan vertragingen en moeilijkheden bij het maken van onderscheid tussen achteruitgang door klimaatverandering en door andere factoren. Onder de Arctisch-Alpiene planten ondervindt de gletsjerboterbloem (Ranunculus glacialis) echter habitatverlies als gevolg van stijgende temperaturen (19).
Volgens Huntley (2007) (20) leken de waargenomen verplaatsingen van soorten over het algemeen ongeveer gelijk te zijn aan de bewegingssnelheid die nodig is om klimaatveranderingen te volgen. Uit recentere analyses is gebleken dat verplaatsingen en verschuivingen in het verspreidingsgebied bij sommige soorten achterblijven bij de veranderingen die worden verwacht op basis van hun onderliggende fysiologie of algemene klimaatgrenzen die leiden tot “klimaatschuld”. Terwijl bijvoorbeeld bij veel bentische ongewervelde dieren in de Noordzee een verschuiving richting het noordwesten te zien is (langs de voorste en achterste randen), zijn deze veranderingen langzamer verlopen dan de verschuivingen in de zeetemperatuur, waardoor veel soorten in steeds hogere temperaturen leven (21).
Net als in het geval van kruidachtige bosplanten in het laagland van Frankrijk (22) kan de klimaatschuld ten minste gedeeltelijk te wijten zijn aan het feit dat soorten suboptimale klimaatomstandigheden kunnen verdragen. Er zijn echter ook aanwijzingen dat sommige soorten worden belemmerd bij de aanpassing aan de klimaatverandering door verplaatsingen en uitbreiding van het verspreidingsgebied als gevolg van:
|
— |
intrinsieke biologische beperkingen ten aanzien van verspreiding en vestiging (zie bijlage 2, punt 3); |
|
— |
beperkte verspreidingsgebieden en kleine populaties; |
|
— |
populaties/habitats die al in een slechte staat verkeren en verder afnemen; |
|
— |
begrensde verspreiding (bv. op eilanden, bergtoppen, hoge breedtegraden); |
|
— |
geblokkeerde verspreidingsroutes (bv. bergen, versnipperde habitats); |
|
— |
afhankelijkheid van specifieke habitats of prooien die kwetsbaarder zijn voor klimaatverandering dan de soorten zelf. |
Habitattypen verschuiven ook in respons op de druk van de klimaatverandering, zoals is waargenomen bij de vervanging van alpiene heidegebieden door boshabitats. Verschuivingen in de verspreiding van habitats zijn echter meestal traag, deels als gevolg van de lange generatietijd van hun belangrijkste soorten, zoals bomen. Tegelijkertijd is het onwaarschijnlijk dat de samenstelling van veel habitats dezelfde blijft of wordt gerepliceerd naarmate ze zich in nieuwe gebieden ontwikkelen, omdat de klimaatverandering de samenstellende soorten in verschillende mate zal beïnvloeden. Er is zelfs al een algemeen patroon van toenemende relatieve overvloed aan warmteminnende of hittetolerante soorten in soortengemeenschappen te zien. Deze veranderen op hun beurt de ecosysteemstructuur en andere kenmerken en functies van het ecosysteem. Naarmate de klimaatverandering vordert, ontstaan er nieuwe habitattypen en kunnen sommige huidige habitats (waaronder HR-habitats) voldoende veranderen om niet langer herkenbaar te zijn. Dergelijke veranderingen kunnen gepaard gaan met het lokaal verdwijnen van sommige gespecialiseerde soorten (bv. HR-soorten) die sterk afhankelijk zijn van de habitat.
De vraag of het potentiële verspreidingsgebied van habitats en soorten zich uitbreidt of krimpt, hangt grotendeels af van de vraag of het gebied met een geschikt klimaat (de klimaatruimte of “climate envelope”) voor hen toeneemt of afneemt (23) . De uiteindelijke feitelijke verspreiding van habitats en soorten zal ook afhangen van de wisselwerking met andere soorten en factoren, zoals landgebruik, die ook kunnen veranderen als gevolg van klimaatverandering.
Het aandeel van de ruimte met een geschikt klimaat (“climate space ratio”) is het gebied waarin op een bepaald moment geschikte klimaatomstandigheden worden verwacht en dat een deel uitmaakt van het huidige of recente verspreidingsgebied van de habitats of soorten. Het is een belangrijke maatstaf die de potentiële algemene klimaateffecten aangeeft. Een aandeel van 25 % tegen 2030 zou er bijvoorbeeld op wijzen dat het verspreidingsgebied van de soort tegen die tijd een kwart van zijn huidige oppervlakte zal bereiken. Een aandeel van meer dan 100 % geeft aan dat de verspreiding van de soort zich kan uitbreiden, afhankelijk van andere omstandigheden, met name de aanwezigheid van een geschikte habitat.
Groei van het potentiële verspreidingsgebied en de oppervlakte van een habitat hangt af van de geschikte klimaatruimte die samenvalt met omgevingen die op alle andere kritieke manieren geschikt zijn voor deze gebieden (bv. bodemtype, hydrologie, hoogte, ligging). De herverdeling van habitats kan ook worden beperkt door natuurlijke barrières, zoals hooggelegen gebieden die vlakten van elkaar scheiden, en omgekeerd. Kunstmatige barrières, zoals stedelijke gebieden en intensief beheerde landbouwgrond en bossen, kunnen de herverdeling van habitats ook in de weg staan. Menselijk ingrijpen kan daarom nodig zijn om habitats te helpen creëren in nieuwe gebieden met een geschikte klimaatruimte.
Evenzo kan de verspreiding van soorten alleen toenemen als er binnen de nieuwe klimaatruimte een geschikte habitat voor ze is of als er potentieel is voor de ontwikkeling van een geschikte habitat. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat de huidige “climate envelope” van een soort in de eerste plaats zijn habitat, locatie en omstandigheden zoals die nu zijn, kan weerspiegelen. Onder toekomstige omstandigheden zal de verspreiding van soorten in de eerste plaats afhangen van de verspreiding van habitats, die mogelijk niet nauw verband houdt met klimatologische factoren. Het kan ook lang duren voordat habitats zich ontwikkelen (misschien tientallen jaren) in nieuwe gebieden met een geschikt klimaat, wat een vertragingseffect veroorzaakt.
De toename van de verspreiding van een soort zal ook afhangen van het vermogen van die soort om zich te verspreiden en nieuwe gebieden met een geschikt klimaat en geschikte habitats te bereiken. Zoals hierboven vermeld, zijn er weliswaar aanwijzingen dat soorten zich kunnen verplaatsen in respons op klimaatverandering, maar kunnen veel soorten worden gehinderd door verspreidings- en vestigingsbeperkingen (bv. beperkte verspreidingscapaciteiten, fysieke barrières voor verplaatsing, lage voortplantingsproductiviteit of het ontbreken van een geschikte habitat).
Gezien deze beperkingen van het vermogen van habitats en soorten om zich te verplaatsen naar nieuwe gebieden met geschikte klimaten en zich daar te vestigen en te blijven bestaan, is een andere belangrijke maatstaf de verwachte mate van overlapping tussen de huidige en verwachte klimaatruimte van een soort of habitat. Weinig overlap tussen de huidige en toekomstige, gemodelleerde klimaatruimte suggereert dat de soort zich zal moeten verplaatsen naar nieuwe gebieden met een geschikt klimaat om de totale oppervlakte van hun verspreidingsgebied te behouden. De beperkte overlap kan daarom leiden tot aanzienlijke gevolgen voor het verspreidingsgebied en de populatie van sommige soorten.
De waargenomen effecten op soorten en ecosystemen leveren duidelijk en sterk bewijs dat een omvangrijk, goed beheerd en goed verbonden Natura 2000-netwerk, samen met andere beschermde gebieden, van fundamenteel belang zal zijn voor de toekomst van Natura 2000-habitats en -soorten. Bij soorten en habitats waarbij er wel veel overlap is tussen de bestaande en verwachte klimaatruimte kan worden verwacht dat een groot deel van de biogeografische populatie of het habitatgebied ervan in de Natura 2000-gebieden blijft liggen.
Zelfs wanneer verwacht wordt dat de hoeveelheid geschikte klimaatruimte en ermee samenvallende geschikte habitat binnen het netwerk aanzienlijk zal afnemen, is het waarschijnlijk dat Natura 2000-gebieden veerkrachtiger zullen zijn en meer geschikte omstandigheden zullen bieden dan gebieden buiten het netwerk (24). Het netwerk moet de belangrijkste middelen bieden om een gunstige staat van instandhouding te behouden of te bereiken.
Voor soorten en habitats waarvoor weinig overlap tussen de bestaande en verwachte klimaatruimte wordt verwacht, bijvoorbeeld vissen en weekdieren in Europese stroomgebieden (25), zullen beschermde gebieden een habitat van hoge kwaliteit bieden (“ruimte voor de natuur”), die de vestiging en uitbreiding van het verspreidingsgebied van soorten naarmate ze reageren op klimaatverandering kan vergemakkelijken. Het is echter van groot belang ervoor te zorgen dat er bij beschermde gebieden wordt gereageerd op de gevolgen van de klimaatverandering. Dit betekent dat de bestaande en toekomstige lacunes in de dekking moeten worden geïdentificeerd en aangepakt, bijvoorbeeld door nieuwe gebieden aan te wijzen en/of gebieden uit te breiden en/of grenzen te wijzigen (zie hoofdstuk 2, punt 2.3.6, en bijlage 4, punt 2.2).
3. Factoren die van invloed zijn op de risico’s van de klimaatverandering voor habitats en soorten
De IUCN en de meeste natuurwetenschappers zijn van mening dat de potentiële gevolgen van de klimaatverandering afhankelijk zijn van twee belangrijke factoren: blootstelling en gevoeligheid. Blootstelling is de mate waarin een ecosysteem, habitat of soort wordt blootgesteld aan significante klimaateffectfactoren (bv. gemiddelde temperatuurstijgingen of extreme gebeurtenissen). Gevoeligheid is de mate waarin een ecosysteem, habitat of soort ongunstig of gunstig wordt beïnvloed door die klimaateffectfactoren.
Het maakt niet uit hoe gevoelig een habitat of soort is voor een bepaalde klimaateffectfactor als deze niet aan de factoren wordt blootgesteld, en omgekeerd. Om potentieel te worden beïnvloed, moet een habitat of soort zowel gevoelig zijn voor als worden blootgesteld aan dezelfde klimaateffectfactoren.
Bijlage 2
Figuur 1: Risicofactoren voor klimaatverandering voor habitats en soorten
|
Bronnen: |
Gross et al., (IUCN) (2016) (26), en interpretatie van de definities van de IPCC (2023) (27) van kwetsbaarheid en risico. |
Volgens Foden et al. (2019) (28) omvatten de factoren die bijdragen aan de gevoeligheid van een soort voor klimaateffectfactoren, doorgaans:
|
— |
afhankelijkheid van een habitat en/of microhabitat met specifieke omstandigheden; |
|
— |
ecologische tolerantie- of drempelwaarden die waarschijnlijk zullen worden overschreden als gevolg van de klimaatverandering; |
|
— |
afhankelijkheid van milieufactoren die waarschijnlijk worden verstoord door de klimaatverandering; |
|
— |
afhankelijkheid van interspecifieke wisselwerkingen die waarschijnlijk worden verstoord door de klimaatverandering; |
|
— |
zeldzaamheid; |
|
— |
gevoelige levensgeschiedenis (bv. lange generatieduur en langzame groei); |
|
— |
hoge blootstelling aan andere drukfactoren (zoals invasieve soorten of het opgeven van grond). |
In wezen kunnen de potentiële gevolgen van de blootstelling van een soort aan klimaateffectfactoren tot op zekere hoogte worden gemiddeld door het vermogen van een soort om zich aan de klimaatverandering aan te passen.
In het algemeen volgt de potentiële aanpassingsrespons van een soort op klimaatverandering een of meer van de volgende reactiepatronen, die deze richtsnoeren wil versterken:
|
— |
blijven en zich aanpassen (in het gebied) door:
|
|
— |
verplaatsing naar nieuwe gebieden met geschikte klimatologische omstandigheden door:
|
Bijgevolg is volgens de IUCN de algehele kwetsbaarheid voor klimaatverandering (d.w.z. het risico op feitelijke effecten) een functie van de aard, de omvang en het tempo van de klimaatverandering waaraan het systeem wordt blootgesteld en de gevoeligheid en het aanpassingsvermogen ervan, op basis van bevindingen van het IPCC (2007). Hoewel er sinds het AR5-verslag van het IPCC alternatieve definities zijn gepresenteerd, zijn deze binnen de gemeenschap voor bescherming en instandhouding niet op grote schaal overgenomen (29) (30).
Volgens het huidige AR6-verslag van het IPCC (31) kan de kwetsbaarheid worden gedefinieerd als de neiging of aanleg om negatief te worden beïnvloed, die een verscheidenheid aan begrippen en elementen omvat, waaronder gevoeligheid of vatbaarheid voor schade en gebrek aan vermogen om het hoofd te bieden en zich aan te passen aan veranderingen. Bijlage 2 — figuur 1 bevat een schematische weergave van de IPCC-definitie om te illustreren hoe deze verschilt van de door de IUCN aanbevolen definitie, zoals die nog steeds wordt gebruikt in de meeste beoordelingen van de kwetsbaarheid van habitats en soorten voor klimaatverandering.
Als gevolg van de aanzienlijke verschillen tussen de definities en in de beoordeling ervan wordt in deze richtsnoeren het gebruik van de term “kwetsbaarheid” vermeden wanneer dit passend is. In plaats daarvan wordt de meer algemene term “risico”, zoals gedefinieerd in het AR6-verslag van het IPCC, gebruikt als het potentieel voor nadelige gevolgen voor menselijke of ecologische systemen, waarbij de diversiteit van waarden en doelstellingen in verband met dergelijke systemen wordt erkend (zie de verklarende woordenlijst voor verdere uitleg). EUCRA (32) hanteert hetzelfde concept en dezelfde definitie van risico van het AR6-verslag van het IPCC. Zoals aangegeven in bijlage 2 — figuur 1, worden in de praktijk soortgelijke componenten in aanmerking genomen bij de beoordeling van de kwetsbaarheid, zoals aanbevolen door de IUCN, en het risico in het kader van het IPCC-systeem. Wanneer later in deze richtsnoeren naar de resultaten van kwetsbaarheidsbeoordelingen wordt verwezen, worden, tenzij anders aangegeven, de IUCN-terminologie en -benadering uit bijlage 2 — figuur 1 gebruikt.
Factoren die van invloed zijn op het vermogen van een soort om zich aan de klimaatverandering aan te passen, zijn onder meer intrinsieke kenmerken, zoals het vermogen om de morfologie, de fysiologie of het gedrag als reactie op ecologische veranderingen aan te passen. Deze eigenschappen zijn van invloed op het vermogen van een soort om te blijven en klimaatverandering te weerstaan. Ze zijn afhankelijk van de fenotypische plasticiteit (d.w.z. variatie binnen een genotype) en het evolutievermogen (d.w.z. genetische verandering) van de soort. Een andere adaptieve respons kan zijn een verplaatsing naar en vestiging in nieuwe geschikte gebieden, afhankelijk van het vermogen van de soort om zich te verspreiden. Extrinsieke factoren kunnen het aanpassingsvermogen van een soort beperken, zoals de versnippering van habitats, waardoor het verspreidingsvermogen van een soort afneemt.
Daarom zijn aanpassingsmaatregelen, zoals verder besproken in bijlage 3, punt 1, over aanpassingsbeginselen, meestal primair bedoeld om de autonome aanpassing aan de klimaatverandering te ondersteunen door de veerkracht te vergroten en vervolgens, waar nodig, de extrinsieke beperkingen op verplaatsingen terug te dringen.
(1) Scheffers, B R, De Meester, L, Bridge, T C et al. (2016), The broad footprint of climate change from genes to biomes to people. Science, 354(6313), aaf7671.
(2) IPBES (2018), The IPBES regional assessment report on biodiversity and ecosystem services for Europe and Central Asia, Zenodo.
(3) Foden, W. B., Young, B. E., Akçakaya, H. R., et al. (2019), Climate change vulnerability assessment of species, WIREs Climate Change, No 10 (1), e551.
(4) Cooley, S., Schoeman, D., Bopp, L., et al. (2022), Oceans and Coastal Ecosystems and Their Services, in: “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation, and Vulnerability”, Bijdrage van werkgroep II aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.[H.-O. Pörtner, D.C. Roberts, M. Tignor, et al. (red.)], Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York.
(5) Parmesan, C., Morecroft, M.D., Trisurat, Y., et al. (2022), “Terrestrial and Freshwater Ecosystems and Their Services” in: “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation, and Vulnerability”. Bijdrage van werkgroep II aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.[H.-O. Pörtner, D.C. Roberts, M. Tignor, et al. (red.)]. Gezamenlijk door IPBES en IPCC gesponsord workshopverslag over biodiversiteit en klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
(6) Europese klimaatrisicobeoordeling, EMA-verslag nr. 1/2024 (EMA, 2024).
(7) Neumann, M., Mues, V., Moreno, A., et al. (2017), Climate variability drives recent tree mortality in Europe, Global change biology, 23(11), blz. 4788-4797.
(8) Marcelino, J., Silva, J., Gameiro, J., et al. (2020), Extreme events are more likely to affect the breeding success of lesser kestrels than average climate change, Scientific Reports, 10 (1), blz. 1-11.
(9) Rao, M.P., Davi, N.K., Magney, T.S., et al. (2023), Approaching a thermal tipping point in the Eurasian boreal forest at its southern margin, Communications Earth & Environment, 4(1), 247.
(10) https://tableau-public.discomap.eea.europa.eu/views/sonpressuresandthreats/Pressuresandthreats?%3Adisplay_count=n&%3Aembed=y&%3AisGuestRedirectFromVizportal=y&%3Aorigin=viz_share_link&%3AshowAppBanner=false&%3AshowVizHome=n.
(11) EMA (2020), “State of Nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2013-2018”, EMA-verslag nr. 10/2020, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
(12) Sentis, A., Montoya, J.M. en Lurgi, M. (2021), Warming indirectly increases invasion success in food webs, Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, 288(1947), 20202622.
(13) Økland, B., Flø, D., Schroeder, M., et al. (2019), Range expansion of the small spruce bark beetle Ips amitinus: a newcomer in northern Europe, Agricultural and Forest Entomology, 21(3), blz. 286-298.
(14) Huntley, B. (2007). “Climatic change and the conservation of European biodiversity: Towards the development of adaptation strategies, Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats”, 27e vergadering van de vaste commissie, Straatsburg, 26-29 november 2007, Raad van Europa, Straatsburg.
(15) Poloczanska, E.S., Burrows, M.T., Brown, C.J. et al. (2016), Responses of marine organisms to climate change across oceans. Frontiers in Marine Science, 3, blz. 62.
(16) Frei, E., Bodin, J. en Walther, G-R. (2010), Plant species’ range shifts in mountainous areas–all uphill from here? Botanica Helvetica, 120 (2), blz. 117-128.
(17) Hiddink, J.G., Burrows, M.T. en García Molinos, J. (2015), Temperature tracking by North Sea benthic invertebrates in response to climate change. Global Change Biology, 21, blz. 117-129.
(18) Perry, A.L., Low, P.J., Ellis, J.R. et al. (2005), Climate change and distribution shifts in marine fishes. Science, 308, blz. 1912-1915.
(19) Guisan, A., Broennimann, O., Buri, A., et al (2019), Climate change impacts on mountain biodiversity. Biodiversity and climate change, blz. 221-233.
(20) Huntley, B. (2007). “Climatic change and the conservation of European biodiversity: Towards the development of adaptation strategies, Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats”, 27e vergadering van de vaste commissie, Straatsburg, 26-29 november 2007, Raad van Europa, Straatsburg.
(21) Hiddink, J.G., Burrows, M.T. en García Molinos, J. (2015), Temperature tracking by North Sea benthic invertebrates in response to climate change. Global Change Biology, 21, blz. 117-129.
(22) Bertrand, R., Lenoir, J., Piedallu, C., et al. (2011), Changes in plant community composition lag behind climate warming in lowland forests, Nature, 479(7374), blz. 517-520.
(23) Watling, J.I., Brandt, L.A., Mazzotti, F.J., en Romañach, S.S. (2013), “Use and interpretation of climate envelope models: a practical guide”, Universiteit van Florida.
(24) Regos, A., D’Amen, M., Titeux, N., et al. (2016), Predicting the future effectiveness of protected areas for bird conservation in Mediterranean ecosystems under climate change and novel fire regime scenarios, Diversity and Distributions, 22(1), blz. 83-96.
(25) Markovic, D., Carrizo, S., Freyhof, J. et al. (2014), Europe’s freshwater biodiversity under climate change: Distribution shifts and conservation needs, Diversity and Distributions, 20(9), blz. 1097-1107.
(26) Gross, J. E., Woodley, S., Welling, L. A., et al. (2016), Adapting to Climate Change: Guidance for protected area managers and planners, Best Practice Protected Area Guidelines Series No. 24, IUCN, Gland, Zwitserland.
(27) IPCC (2023), “AR6 Synthesis Report. Climate Change 2023”, Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten (https://www.ipcc.ch/report/ar6/syr/).
(28) Foden, W. B., Young, B. E., Akçakaya, H. R., et al. (2019), Climate change vulnerability assessment of species, WIREs Climate Change, No 10 (1), e551.
(29) Foden, W. B., Young, B. E., Akçakaya, H. R., et al. (2019), Climate change vulnerability assessment of species, WIREs Climate Change, No 10 (1), e551.
(30) Duffield, S. J., Morecroft, M. D., Pearce-Higgins, J. W., et al. (2024), Species- or habitat-based assessments of vulnerability to climate change? Informing climate change adaptation in Special Protection Areas for birds in England, Biological Conservation, 291, 110460.
(31) IPCC (2023), “AR6 Synthesis Report. Climate Change 2023”, Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
(32) Europese klimaatrisicobeoordeling, EMA-verslag nr. 1/2024 (EMA, 2024).
BIJLAGE 3
EEN KADER VOOR AANPASSING AAN DE KLIMAATVERANDERING VOOR NATURA 2000
1. Belangrijke stappen voor de realisatie van een aanpassingskader voor het Natura 2000-netwerk
Een aanpassingskader voor het Natura 2000-netwerk zou kunnen worden geïntegreerd in de nationale cycli voor aanpassingsplanning, waardoor synergieën met gerelateerde beleidsmaatregelen, flexibele timing, gegevensgebruik en prioritering mogelijk worden. Dit zou met name relevant zijn voor de nationale herstelplannen in het kader van de verordening natuurherstel en de nationale energie- en klimaatplannen.
Bij toepassing van de bestaande kaders voor aanpassing aan de klimaatverandering op Natura 2000, zouden ze doorgaans de volgende stappen omvatten:
|
— |
beoordeling van de risico’s van klimaatverandering voor ecosystemen, habitats en soorten; |
|
— |
ontwikkeling van strategieën en praktische maatregelen om ecosystemen, habitats en de daarmee samenhangende soortenpopulaties beter bestand te maken tegen klimaatverandering, en zo hun aanpassingsvermogen ter plaatse te verbeteren; |
|
— |
ontwikkeling van strategieën en praktische maatregelen die rekening houden met veranderingen door de verplaatsing van soorten en habitats naar nieuwe gebieden met geschikte klimatologische omstandigheden te vergemakkelijken. |
Het in deze richtsnoeren geschetste aanpassingskader (bijlage 3 — figuur 1) bouwt voort op deze belangrijke stappen, rekening houdend met belangrijke ontwikkelingen op het gebied van aanpassingsplanning, waaronder de IUCN-richtsnoeren inzake aanpassing aan de klimaatverandering voor beheerders van beschermde gebieden en planologen (1). Het besluitvormingskader sluit nauw aan bij de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de aanpassingsstrategieën en -plannen (2) van de lidstaten en het instrument voor aanpassingsondersteuning (3), met enkele aanpassingen om rekening te houden met de specifieke behoeften en terminologie voor het Natura 2000-netwerk.
Figuur 1:
Voorgesteld kader voor aanpassing aan de klimaatverandering voor Natura 2000
Het kader kan worden toegepast op:
|
— |
het Natura 2000-netwerk op nationaal of biogeografisch niveau en de mariene regio’s, en |
|
— |
de Natura 2000-gebieden die risico lopen. |
Het kader kan worden toegepast op het Natura 2000-netwerk en gebieden waarvoor klimaatdruk en -bedreigingen voor Natura 2000-habitats en -soorten zijn vastgesteld, indien nodig rekening houdend met het omliggende landschap. De eerste beoordeling van klimaatveranderingen en potentiële drukfactoren en bedreigingen kan worden uitgevoerd op netwerk- of regionaal niveau, waarbij informatie wordt gedeeld met de betrokken gebieden. Met het oog op de efficiëntie kan het nuttig zijn het kader toe te passen op groepen gebieden (bv. wetlands) door informatie en middelen onderling te delen. Hierbij kan het gaan om natuurautoriteiten op nationaal, regionaal, lokaal of gebiedsniveau en onderlinge samenwerking.
Aanpassingsmaatregelen voor Natura 2000-gebieden kunnen externe maatregelen in omliggende landschappen en/of zeegebieden inhouden. Hiervoor zal waarschijnlijk worden samengewerkt met diverse autoriteiten en belanghebbenden, op verschillende niveaus, om dergelijke externe aanpassingsmaatregelen te plannen en uit te voeren.
Potentiële aanpassingsmaatregelen die op het niveau van het netwerk, de gebieden en het bredere landschap kunnen worden genomen, worden nader behandeld in bijlage 4.
1.1. Stap 1: De weg vrijmaken voor aanpassing
|
Stap 1 van het kader is bedoeld om te helpen:
|
Stap 1a: Verwachte klimaatveranderingen herzien en drukfactoren en bedreigingen identificeren
De eerste stap is om een eerste algemeen inzicht te krijgen in de waargenomen en verwachte veranderingen in het klimaat in het land/de regio’s en het Natura 2000-netwerk, en in de daaruit voortvloeiende waarschijnlijke klimaateffectfactoren. Deze informatie kan vervolgens worden gebruikt om gebieden te identificeren die al tot op zekere hoogte worden getroffen (klimaatverandering is een drukfactor) of naar verwachting het zwaarst zullen worden getroffen, en waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor Natura 2000-habitats en -soorten zullen ondervinden (klimaatverandering is een bedreiging). De verzamelde klimaatinformatie kan vervolgens worden gebruikt voor soortgelijke initiële beoordelingen op het niveau van de Natura 2000-gebieden en voor het in kaart brengen van gebiedsspecifieke klimaatdrukfactoren en bedreigingen voor Natura 2000-habitats en -soorten. Op basis van de vastgestelde drukfactoren en bedreigingen kan een eerste prioritering van relevante gebieden, habitats en soorten voor aanpassingsplanning en gedetailleerde klimaatrisicobeoordelingen worden gemaakt.
De werkzaamheden om potentiële bedreigingen van de klimaatverandering in kaart te brengen, moeten gebaseerd zijn op de meest actuele en betrouwbare klimaatgegevens en de waarschijnlijke klimaatveranderingsscenario’s zoals besproken in bijlage 1.
Stap 1b: Institutionele kaders en partnerschappen met belanghebbenden opzetten
Een andere belangrijke vereiste voor aanpassing is de betrokkenheid van een breed scala van belanghebbenden bij de ondersteuning van geïntegreerde en transdisciplinaire benaderingen van de aanpassing aan de klimaatverandering in beschermde gebieden (4). Om succesvol te zijn, moeten in de aanpak namelijk veel verschillende kwesties worden meegenomen, zoals instandhoudingsdoelstellingen, potentiële klimaateffecten, andere op elkaar inwerkende bedreigingen, institutionele omgevingen, beleid, wetgeving en het maatschappelijk middenveld. Dit is met name het geval voor Natura 2000-gebieden, aangezien de overgrote meerderheid van de gebieden in plattelandsgebieden voor belangrijke economische en sociale doeleinden wordt gebruikt, zoals landbouw, bosbouw, visserij, recreatie en toerisme. Een gedegen interdisciplinaire planning (met name bij initiatieven op grote schaal) en uitvoering van de aanpassingsmaatregelen in nauwe samenwerking met de verschillende belanghebbenden zijn ook van belangom het risico van aanpassing met ongewenste effecten tot een minimum te beperken.
Daarom is het essentieel om ervoor te zorgen dat alle relevante sectoren en belanghebbenden in een vroeg stadium actief worden betrokken bij het opstellen en uitvoeren van beheers- en instandhoudingsbeleid. Dit is van cruciaal belang om aanpassing aan de klimaatverandering wat betreft te biodiversiteit en kansen voor op de natuur gebaseerde aanpassing en mitigatie (zoals beschreven in hoofdstuk 3) optimaal op elkaar te laten aansluiten en synergievoordelen te behalen. Hiervoor is een belangrijke voorbereidende stap het veiligstellen van de nodige institutionele capaciteit (zie de richtsnoeren voor de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten (5)). Aangezien de bedreigingen van de klimaatverandering grote gebieden raken en veel grensoverschrijdende Natura 2000-gebieden treffen, is het ook van belang dat de autoriteiten van de naburige lidstaten met elkaar in dialoog gaan en plannen maken, met name bij gebieden die deel uitmaken van grote internationale ecosystemen (bv. rivieren en kusten).
Om de interdisciplinaire en sectoroverschrijdende aanpak van de planning en maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering te vergemakkelijken, wordt aanbevolen strategische langetermijnpartnerschappen tussen alle belangrijke belanghebbenden op nationaal (en indien nodig transnationaal), regionaal en gebiedsniveau tot stand te brengen. Hierbij moeten vertegenwoordigers van alle relevante instellingen, landeigenaren en sectoren die van invloed zijn op Natura 2000, worden betrokken, waaronder water, landbouw, bosbouw, visserij, energie, burgerbescherming, overstromingsbeheersing en toerisme/recreatie. De partnerschappen moeten hun kennis delen om vast te stellen welke gebieden en soorten door de klimaatverandering kan worden getroffen en hoe, en om aanpassings- en mitigatieopties (waaronder op de natuur gebaseerde oplossingen), potentiële conflicten en win-winsituaties, en mogelijkheden voor samenwerking en financieringsbronnen in kaart te brengen. Een belangrijk doel is het realiseren van een brede betrokkenheid van belanghebbenden bij en inzet voor de vastgestelde aanpassingsplannen en -maatregelen.
Een voorbeeld van de wijze waarop partnerschappen de klimaatverandering kunnen ondersteunen, is het LIFE Natur’Adapt-project van de Reserves Naturelles de France (zie casestudy 6).
|
Casestudy 6: LIFE NATUR’ADAPT Het doel van het LIFE Natur’Adapt-project was om risico’s in verband met klimaatverandering te integreren in het beheer van beschermde natuurgebieden. Meer specifiek werd een methode voor gebiedsmanagers ontwikkeld, aan de hand waarvan zij aanpassing aan de klimaatverandering in goede banen konden leiden. Ook resulteerde het in de creatie van een gemeenschap van deskundigen en beroepsbeoefenaars om kennis en ervaringen te delen met betrekking tot de uitvoering van maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering in beschermde gebieden. De komende tien jaar is het de bedoeling om de klimaatverandering te integreren in de beheerplanning en -praktijken van 80 % van de Franse natuurreservaten. Het LIFE-project werd gecoördineerd door Réserves Naturelles de France, in nauwe samenwerking met beheerders van beschermde gebieden, het nationaal natuurhistorisch museum en twee ngo’s: Tela Botanica en de EUROPARC-federatie. De financiële steun voor het project van 4,5 miljoen EUR werd verstrekt door de Europese Commissie via het klimaatactieprogramma LIFE, het Franse ministerie van Ecologie en het Franse agentschap voor biodiversiteit. Gedurende een periode van vijf jaar (2018-2023) werd binnen het project gewerkt aan de volgende drie kwesties:
De verschillende instrumenten en methoden werden eerst getest op zes reservaten van projectpartners. Deze geselecteerde testgebieden moesten representatief zijn voor de bredere ecologie van het land eromheen en verschillende ecosystemen bestrijken (kustgebieden, wetlands, bossen, habitats met landbouw en veeteelt en rotsachtige habitats) in de vier biogeografische regio’s van het Franse vasteland. Ze omvatten ook een breed scala aan vormen van landgebruik, activiteiten en bestuurlijke structuren. De methode werd vervolgens op nog eens 15 locaties geëvalueerd en getest voordat ze werd vastgelegd en op grote schaal op nationaal niveau en in de hele EU verspreid. De definitieve methodologische handleiding bevat praktische adviezen voor de uitvoering van een kwetsbaarheids- en kansenbeoordeling. Op basis van deze handleiding kunnen gebruikers een plan voor aanpassing aan de klimaatverandering voor het beschermde gebied opstellen (6). De handleiding is beschikbaar in het Frans en het Engels en zal, hoewel ontwikkeld en getest op Franse gebieden, interessant zijn voor gebiedsmanagers in heel Europa en daarbuiten. De handleiding wordt verder ondersteund door een reeks praktische instrumenten en opleidingsmodules voor managers. Het online samenwerkingsplatform blijft actief na afloop van het project en er worden nog steeds actief kennis en beste praktijken uitgewisseld (door meer dan 700 leden). Het forum staat open voor iedereen die wil deelnemen en ervaringen wil delen.
|
1.2. Stap 2: Risico’s van klimaatverandering voor het Natura 2000-netwerk en de Natura 2000-gebieden beoordelen
|
Stap 2 van het kader zal helpen om:
|
Stap 2a: De kwetsbaarheid van Natura 2000-habitats en -soorten voor klimaatverandering en andere bedreigingen beoordelen
Een klimaatrisicobeoordeling is de basis voor het identificeren van de belangrijkste aandachtspunten en aanpassingsdoelstellingen om het klimaatrisico en dus de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te verminderen. Hiermee worden de aard, omvang en waarschijnlijkheid van klimaatveranderingsgebeurtenissen en -trends bepaald en de ecologische en potentiële gevolgen daarvan voor ecosystemen, habitats en soorten (en getroffen gemeenschappen), van nationaal of biogeografisch niveau tot gebiedsniveau. Klimaatrisicobeoordelingen moeten betrekking hebben op specifieke perioden, zoals de korte termijn (bv. de jaren 2030), de middellange termijn (bv. de jaren 2050) en de lange termijn (bv. 2100 en decennia daarna). Bij deze beoordelingen moet gebruik worden gemaakt van de beste beschikbare gegevens, waaronder de resultaten van de rapportage op grond van artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn, om de risico’s en factoren die van invloed zijn, zo veel mogelijk te kwantificeren en tegelijkertijd duidelijk aan te geven op welke gebieden er sprake is van onzekerheid en kennislacunes. De risicobeoordelingen moeten waar nodig worden geactualiseerd, ook wanneer de prognoses inzake klimaatverandering of andere wetenschappelijke gegevens veranderen of aanzienlijk verbeteren.
Een belangrijk onderdeel van de algemene risico’s van klimaatverandering voor ecosystemen, habitats en soorten is de kwetsbaarheid ervan, zoals uiteengezet in bijlage 2, punt 3.
Kwetsbaarheidsbeoordelingen hebben betrekking op klimaatveranderingen binnen gedefinieerde gebieden en kunnen daarom van nationaal tot op gebiedsniveau worden gebruikt.
Kwetsbaarheidsbeoordelingen en andere vormen van klimaatrisicobeoordelingen omvatten analyses van waargenomen (historische) en geprojecteerde (toekomstige) gegevens over klimaat, landgebruik, demografie en andere belangrijke klimaat- en niet-klimaatgerelateerde factoren. Er kunnen verschillende benaderingen worden gevolgd voor het verzamelen en analyseren van gegevens, afhankelijk van het waargenomen belang, de beschikbaarheid van gegevens en de beschikbare middelen. Op het eenvoudigste initiële niveau kunnen hierbij deskundige kennis, workshops en algemene risicocriteria worden gebruikt om beoordelingen van de relatieve kwetsbaarheid op te stellen. Deze kunnen gebaseerd zijn op algemene waargenomen of verwachte klimaatveranderingstrends voor de regio en op kennis van hoe habitats en soorten kunnen worden beïnvloed. Voor een voorbeeld van een eenvoudige beoordeling, zie Sârbu et al. (2014 (8), figuur 17.2) over de potentiële gevolgen van mogelijke klimaatveranderingen op gebiedsniveau voor alpiene vegetatiegemeenschappen.
Een andere gebruikelijke aanpak voor kwetsbaarheidsbeoordelingen bestaat erin te putten uit de verwachte of waargenomen verbanden tussen biologische eigenschappen en de gevolgen van de klimaatverandering, alsook biologische informatie en de levensgeschiedenis te gebruiken om de gevoeligheid en het aanpassingsvermogen van soorten van een score te voorzien of te rangschikken (bv. zoals in Sajwaj et al., 2011 (9)). Dergelijke informatie kan vervolgens worden gecombineerd met blootstellingsbeoordelingen om semikwantitatieve kwetsbaarheidsbeoordelingen te produceren. Bij complexere kwetsbaarheidsbeoordelingen wordt gebruikgemaakt van correlatieve benaderingen of complexe mechanistische modellen, of een combinatie daarvan, om kwantitatieve en ruimtelijke schattingen te maken. Specifieke richtsnoeren voor kwetsbaarheidsbeoordelingen vallen buiten het toepassingsgebied van dit document en worden daarom niet in detail besproken (zie de bronnen in de bibliografie voor verdere richtsnoeren).
Praktische benaderingen voor de toepassing van kwetsbaarheidsbeoordelingen om Natura 2000-habitats, -soorten en -gebieden die het meest risico lopen te identificeren, waaronder de identificatie van klimaatrefugia en ruimtelijke analyses van geschikte klimaatruimte, worden nader uitgewerkt in bijlage 4.
Stap 2b: Prioriteit geven aan de vastgestelde risico’s
De verwachte klimaatrisico’s kunnen worden geprioriteerd door rekening te houden met:
|
— |
de ernst/omvang van het effect, zoals geschat op basis van de overlapping of het aandeel van de ruimte met een geschikt klimaat voor een habitat of soort; |
|
— |
de waarschijnlijkheid; |
|
— |
het tijdpad (d.w.z. wanneer aanzienlijke effecten worden verwacht); |
|
— |
het belang van de Natura 2000-habitats en -soorten die worden bedreigd, waarbij meer gewicht wordt toegekend aan soorten die endemisch of bijna endemisch zijn voor de EU of een gebied in de EU, die wereldwijd worden bedreigd, of in de EU worden bedreigd (d.w.z. op een rode lijst staan en/of die een ongunstige staat van instandhouding hebben), waarbij een groot deel van de habitat- of soortenpopulatie zich in het netwerk (of het gebied) bevindt; en soorten die van groot belang zijn voor het functioneren en de veerkracht van ecosystemen; |
|
— |
de onomkeerbaarheid, bijvoorbeeld met betrekking tot habitats waarbij het niet haalbaar is om ze te herstellen, of soortenpopulaties die met uitsterven worden bedreigd (wereldwijd of regionaal) en zich niet opnieuw zouden kunnen vestigen (of worden verplaatst vanuit in het wild levende populaties). |
Bij het prioriteren van klimaatrisico’s voor het Natura 2000-netwerk en de bijbehorende habitats en soorten is het van essentieel belang om de risico’s te beoordelen in relatie tot alle andere aanzienlijke drukfactoren en bedreigingen. Voor de meeste habitats en soorten hebben de meest voorkomende, onmiddellijke en ernstige gemelde bedreigingen te maken met habitatverandering, habitatfragmentatie en verontreiniging (10). Het is ook belangrijk om rekening te houden met mogelijke wisselwerking tussen bestaande bedreigingen en klimaatveranderingen. Droogte kan bijvoorbeeld leiden tot meer wateronttrekking, waardoor de waterstanden en rivierstanden zakken, met schadelijke gevolgen voor wetlands.
Stap 2c: Strategische doelstellingen identificeren voor het Natura 2000-netwerk, de gebieden, de habitats en de soorten die het meest door de klimaatverandering worden bedreigd
Op basis van de kwetsbaarheids- en risicobeoordelingen met betrekking tot de klimaatverandering en rekening houdend met andere drukfactoren en bedreigingen, moeten voor de korte, middellange en lange termijn strategische doelstellingen voor het Natura 2000-netwerk worden opgesteld om de aanpassing aan de klimaatverandering te optimaliseren. De doelstellingen moeten eerst worden vastgesteld op het niveau van het nationale Natura 2000-netwerk (en de biogeografische regio’s daarbinnen) om de coherentie en efficiëntie te bevorderen. De doelstellingen kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het vergroten van de dekking van bepaalde habitats en soorten in het netwerk, het verbeteren van de ecologische connectiviteit tussen gebieden, of het aanwijzen of als beschermd indelen van nieuwe gebieden.
De aanpassingsdoelstellingen op netwerkniveau moeten als input dienen voor en, in voorkomend geval, worden opgenomen in de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen die reeds vereist zijn voor alle soorten en habitats in Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2, punt 2.3.1). Het kan bijvoorbeeld gaan om het regenereren van verloren habitats of het vergroten van de populatie van bepaalde soorten die al aanwezig zijn. Andere doelstellingen kunnen zijn om het gebied te beheren om vestiging door bepaalde doelsoorten die een hoger risico lopen op klimaatbedreigingen in andere delen van het netwerk, te stimuleren.
1.3. Stap 3: Aanpassingsmaatregelen identificeren en prioriteren
Het aanpassingskader heeft tot doel de identificatie, prioritering en volgordebepaling van maatregelen te ondersteunen, waarbij wordt erkend dat niet alle maatregelen overal kunnen of moeten worden uitgevoerd en dat keuzes de ecologische doeltreffendheid, haalbaarheid en sociaal-economische context moeten weerspiegelen.
|
Stap 3 van het kader is bedoeld om:
|
Stap 3a: Aanpassingsmaatregelen identificeren om de risico’s van klimaatverandering aan te pakken
Op basis van de strategische doelstellingen inzake klimaatverandering voor het Natura 2000-netwerk en de gebieden, habitats en soorten die het meeste risico lopen, zoals vastgesteld in de vorige stap, moeten specifieke aanpassingsmaatregelen worden vastgesteld en uitgevoerd op het niveau van het netwerk, de gebieden en, indien nodig, het bredere landschap, rekening houdend met concurrerend landgebruik, andere doelstellingen van algemeen belang en sociaal-economische beperkingen. Dergelijke maatregelen hebben in de eerste plaats tot doel het aanpassingsvermogen van ecosystemen, habitats en soorten te vergroten door:
|
— |
ten eerste de weerbaarheid ervan ter plaatse tegen klimaatbedreigingen te vergroten, zodat ze kunnen blijven en overleven, en |
|
— |
ten tweede, waar nodig, soorten helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering door verplaatsing naar geschiktere gebieden (binnen het gebied of over langere afstanden). |
Het vergroten van de veerkracht is met name belangrijk omdat ecosystemen en habitats die zich in een goede ecologische toestand bevinden en soorten met een bloeiende populatie waarschijnlijk beter bestand zijn tegen klimaatbedreigingen (bv. Natura 2000-habitats en -soorten met een gunstige staat van instandhouding). Als gevolg hiervan kunnen sommige in staat zijn om te blijven bestaan en zich aan te passen aan nieuwe klimatologische omstandigheden op hun huidige plek, ook al lijken ze minder geschikt of zelfs ongeschikt in de modellering van de “climate envelope”.
Zoals besproken in bijlage 2, punt 2, leveren “klimaatvertragingen” waarbij sommige soorten langzamer lijken te verschuiven dan verwacht, het bewijs dat dit tot op zekere hoogte al gebeurt. De veerkracht zal naar verwachting groter zijn in gezonde ecosystemen met sleutelsoorten, intacte functies en structuren, en in diverse inheemse soortengemeenschappen met een hoge genetische diversiteit, omdat deze stabieler zijn en beter bestand zijn tegen drukfactoren of daarvan kunnen herstellen.
Daarom is voor veel Natura 2000-habitats en -soorten de belangrijkste manier om de veerkracht te vergroten, het verminderen van de bestaande druk op en bedreigingen van deze habitats en soorten, die in veel gevallen niet-klimaatgerelateerd zijn. De maatregelen moeten gericht zijn op het verminderen van de belangrijkste drukfactoren en bedreigingen die van invloed zijn op de Natura 2000-habitats en -soorten, zoals verslechtering van habitats (bv. grootschalige kaalslag van bossen, eutrofiëring als gevolg van intensieve landbouw, schade aan kwetsbare mariene habitats en soorten door bodemvisserij, versnippering van habitats, verontreiniging), overexploitatie, verstoring en invasieve exoten. Deze maatregelen worden vaak no-regretmaatregelen genoemd, aangezien ze onder de huidige klimaatomstandigheden normaliter toch moeten worden genomen met het oog op algemeen natuurbehoud en herstel.
Als de maatregelen ter vermindering van de bestaande druk ontoereikend zijn, kunnen aanvullende, meer gerichte maatregelen nodig zijn om de toestand van de habitat te verbeteren en de populaties van soorten te versterken, met name voor soorten die zich momenteel niet in een gunstige staat van instandhouding bevinden.Herstelmaatregelen in dit verband kunnen hydrologische interventies omvatten om wetlands te herstellen, gevarieerde rivierbeddingen te herstellen en een meer natuurlijke dynamiek mogelijk te maken, evenals de actieve verbetering van beheersregelingen door de herinvoering van extensieve begrazings- of maairegelingen die waren stopgezet, met als doel de optimale omstandigheden te herstellen voor de structuur en functie van de habitat, met inbegrip van kenmerkende soorten. Dergelijke maatregelen kunnen de toestand van individuen, de productiviteit en de populatiegrootte doen toenemen, waardoor de bronpopulaties worden versterkt en de kans groter wordt dat individuen zich met succes verspreiden en zich in andere geschikte gebieden kunnen vestigen als de omstandigheden op lokaal niveau verslechteren.
Herstel of regeneratie van habitats kan ook helpen om versnippering tegen te gaan en de ecologische connectiviteit te verbeteren, waardoor populaties worden versterkt en de verspreiding tussen gebieden wordt vergemakkelijkt. Verdere maatregelen kunnen onder meer bestaan uit het herstel of de regeneratie van aanvullende habitats, zoals broed- of foerageergebieden, het wegnemen van belemmeringen voor verspreiding (bv. verouderde dammen of andere infrastructuur die de ecologische connectiviteit onderbreekt), of de herintroductie of ondersteunde migratie van individuen om de genetische diversiteit te vergroten. Uit gegevens blijkt dat dergelijke interventies nuttig kunnen zijn, waarbij gerichte interventies de persistentie van de meest kwetsbare populaties maximaliseren, terwijl uitbreiding van het habitatbeheer en de bescherming van gebieden het grootste aantal soorten en ecosystemen ten goede kunnen komen (11).
In bijlage 3, tabel 1, wordt een overzicht gegeven van geschikte maatregelen voor soorten volgens de belangrijkste soorten aanpassingsbeperkingen. Het belangrijkste is dat het vinden van tijd om nieuwe habitatgebieden te ontwikkelen waar soorten die zich verplaatsen, zich kunnen vestigen, waarschijnlijk een gemeenschappelijke behoefte zal zijn, aangezien veel soorten in staat zullen zijn zich sneller te verspreiden en verplaatsen dan hun habitats zich kunnen vormen. Dit kan zelfs de enige optie zijn voor sommige soorten die afhankelijk zijn van specifieke habitattypen die veel tijd nodig hebben om zich te ontwikkelen, zelfs met proactieve interventies voor het creëren van habitats.
Bijlage 3
Tabel 1: Passende aanpassingsmaatregelen voor verschillende soorten aanpassingsbeperkingen
|
Aanpassingsbeperking |
Respons |
||
|
Tijdelijke lacunes in de geschikte klimaatruimte |
De veerkracht van bestaande populaties vergroten om tijd te winnen |
||
|
Onvermogen om zich te verplaatsen naar nieuwe gebieden met een geschikt klimaat en geschikte habitat |
De verspreidingscapaciteit vergroten (of verplaatsen/migratie ondersteunen) |
||
|
Afwezigheid van een geschikte habitat in nieuwe gebieden met een geschikt klimaat |
De veerkracht van bestaande populaties vergroten (om tijd te winnen), en het herstel of de regeneratie van habitats ondersteunen |
||
|
Permanent verlies van gebieden met een geschikte klimaatruimte die samenvalt met een potentiële habitat |
De veerkracht van bestaande populaties vergroten om te zien of de populaties kunnen blijven bestaan, of middelen elders investeren |
||
|
(12) Tucker, G.M., en de Soye, Y. (2009), Impacts of climate change on EU biodiversity policy, and recommendations for policies and measures to maintain and restore biodiversity in the EU in the face of climate change. Tasks 2b & 3b, report to the European Commission under Contract.ENV.B.2/SER/2007/0076 Natura 2000 Preparatory Actions — Lot 5: Climate Change and Biodiversity in relation to the Natura 2000 network, AEA, Axiom, IUCN, IEEP, UNEP & WCMC, Brussel.
|
|||
Er bestaat wetenschappelijke consensus dat aanpassingsmaatregelen weliswaar bepaalde schadelijke gevolgen voor het klimaat kunnen voorkomen of ten minste vertragen, maar dat er op de lange termijn steeds meer behoefte zal zijn aan een evenwicht tussen gecoördineerde actieve interventies voor specifieke habitattypen van bijlage I bij de habitatrichtlijn (zoals nu erkend) en soorten in hun huidige gebieden, en strategieën die bredere doelstellingen voor een langere termijn nastreven. Ervan uitgaande dat verandering onvermijdelijk is, moet in de aanpassingsdoelstellingen voor de lange termijn worden gespecificeerd welke verandering aanvaardbaar is, en moeten zij flexibel en aanpasbaar zijn met het oog op voortschrijdend inzicht. Een reden hiervoor is dat, aangezien soorten uiteenlopend op klimaatverandering zullen reageren, de samenstelling van sommige van de huidige HR-habitattypen waarschijnlijk ook zal uiteenlopen. Evenzo kunnen sommige populaties van mobiele soorten duidelijk in verspreiding verschillen, zoals reeds te zien is bij de kortere migraties van sommige watervogels. Dit hoeft echter niet per se nadelig te zijn in termen van de grootte van populaties die langs deze route trekken.
In de IUCN-richtsnoeren voor aanpassing aan de klimaatverandering voor beschermde gebieden (13) wordt erkend dat enkele substantiële veranderingen in het ecosysteem op lange termijn onvermijdelijk zijn. Daarom moet bij aanpassingsstrategieën rekening worden gehouden met passende interventieniveaus. Evenzo is tijdens de Internationale Conferentie over het beheer van beschermde gebieden in het kader van klimaatverandering (Impact) (14) in 2012 aanbevolen dat het Natura 2000-netwerk meer een functioneel en dynamisch systeem moet worden, aangevuld met andere gebieden om de samenhang ervan te verbeteren (4).
Bij het identificeren van maatregelen om het aanpassingsvermogen van Natura 2000-habitats en -soorten te vergroten, moet worden gezorgd voor gerichte en habitat- en soortspecifieke maatregelen wanneer dat nodig is om een gunstige staat van instandhouding te bereiken. Hiertoe behoren maatregelen ter uitvoering van de nationale herstelplannen die in het kader van de verordening natuurherstel zijn opgesteld.
In bijlage 4 worden maatregelen uitgewerkt om het aanpassingsvermogen van Natura 2000 op het niveau van het netwerk, de gebieden en het bredere landschap te vergroten.
Stap 3b: Kansen identificeren om bij te dragen aan de bredere doelstellingen inzake aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering
Na het identificeren van aanpassingsmaatregelen is het belangrijk om te kijken naar de gevolgen van de klimaatverandering voor de bredere doelstellingen inzake aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering, land-/zeegebruikers en andere belanghebbenden. Zoals het geval is met andere elementen in het kader, moet dit gebeuren op strategisch niveau (bv. middels besprekingen tussen natuur- en andere sectorale autoriteiten en vertegenwoordigers van belanghebbenden) en vervolgens ook op gebiedsniveau.
Bij deze werkzaamheden kunnen brede gebieden met mogelijk overlappende nevenvoordelen worden aangewezen, zoals gebieden waar het herstel van habitats kan bijdragen tot de beperking van overstromingen, vermindering van erosie, veiligstelling van de watervoorziening, vermindering van verontreiniging en verhoging van de koolstofopslag en -putten. Dergelijke wederzijdse voordelen kunnen dan worden ondersteund door gezamenlijke maatregelen en partnerschappen (bv. de uitbreiding van inheems bos door natuur- en bosbeheerautoriteiten gezamenlijk). Hierdoor kan financiering van buiten de natuursector worden gezocht, bijvoorbeeld met betrekking tot bosbouw, waterkeringen en vermindering van het brandrisico. Dit is een cruciale stap bij de integratie van de vereisten inzake aanpassing aan de klimaatverandering voor Natura 2000 en de bredere doelstellingen inzake mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering. Vandaar het belang dat wordt gehecht aan de oprichting van een partnerschap (zie bijlage 3, punt 1.1) waarbij Natura 2000-autoriteiten, landeigenaren, land-/zeegebruikers, belangrijke bedrijven, lokale gemeenschappen, burgerbescherming en andere belanghebbenden betrokken zijn.
Stap 3c: Potentiële problematische conflicterende belangen identificeren
Hoewel initiatieven ter mitigatie van de klimaatverandering en aanpassingsmaatregelen uit andere sectoren potentiële wederzijdse voordelen voor Natura 2000 kunnen opleveren, kunnen er ook potentiële conflicterende belangen zijn. Een waterkeringsproject kan bijvoorbeeld negatieve gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Indien mogelijk moeten deze conflicterende belangen in een vroeg stadium worden vastgesteld door middel van strategische planning en besprekingen met belanghebbenden om de meest geschikte maatregelen te selecteren. Dit kan het overwegen van alternatieve oplossingen omvatten, zoals op de natuur gebaseerde benaderingen die werken met natuurlijke processen en de ecologische connectiviteit in stand houden. Indien formele voorstellen worden gedaan voor projecten of plannen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, moeten deze worden onderworpen aan een passende beoordeling overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.
Stap 3d: Aanpassingsmaatregelen evalueren en prioriteiten stellen
Aangezien de beoordeling van de risico’s van klimaatverandering en aanpassingsmaatregelen waarschijnlijk een lange lijst van mogelijke opties zal opleveren, is het van essentieel belang dat er objectieve, empirisch onderbouwde prioriteiten worden gesteld, die betrekking hebben op het netwerk, de gebieden en het bredere landschap.
Bepaalde overwegingen kunnen worden gebruikt om prioriteit te geven aan aanpassingsmaatregelen, zoals:
|
— |
het vermogen om de hoogste prioritaire risico’s op het gebied van klimaatverandering voor Natura 2000-habitats en -soorten aan te pakken, zoals vastgesteld in stap 2b (bijlage 3, punt 2); |
|
— |
eerst de gebieden aanpakken waar de risico’s van klimaatverandering voor Natura 2000-habitats en -soorten naar verwachting het grootst zullen zijn; |
|
— |
doeltreffendheid en betrouwbaarheid bij het verminderen (mitigeren) van de verwachte schadelijke gevolgen van klimaatverandering voor Natura 2000-habitats en -soorten; |
|
— |
flexibiliteit, waarbij prioriteit wordt gegeven aan maatregelen die gemakkelijk tegen lage kosten kunnen worden aangepast aan de resultaten ervan, veranderingen in de verwachte klimaatrisico’s en andere nieuwe informatie; |
|
— |
de bijdrage aan de doelstellingen van de verordening natuurherstel; |
|
— |
het potentieel om bij te dragen aan de mitigatiedoelstellingen, zoals meer koolstofopslag en -vastlegging door koolstofrijke habitats te herstellen (hoofdstuk 3, punt 3.2); |
|
— |
het potentieel om andere verwachte schadelijke gevolgen van de klimaatverandering te verminderen (bv. op de natuur gebaseerde oplossingen die het risico op overstromingen en andere rampen verminderen of zorgen voor betrouwbaardere watervoorraden), waarbij prioriteit wordt gegeven aan win-winopties en opties met meerdere voordelen (hoofdstuk 3, punt 3.1); |
|
— |
kosteneffectiviteit. |
De maatregelen kunnen volgens bovengenoemde overwegingen prioriteit krijgen. Met name moet prioriteit worden gegeven aan maatregelen die het meest waarschijnlijk bijdragen tot het bereiken en behouden van een gunstige staat van instandhouding voor Natura 2000-habitats en -soorten die van groot belang zijn voor de instandhouding en zeer kwetsbaar zijn voor klimaatverandering.
Bij de selectie van aanpassingsmaatregelen moet worden uitgegaan van ecologische beginselen en rekening worden gehouden met de mate van betrouwbaarheid daarvan, volgens de beste beschikbare gegevens. Niet-geteste maatregelen met een onzekere mate van betrouwbaarheid, risico’s van aanpassing met ongewenste effecten en hoge kosten (bv. grootschalige corridors) vereisen gedegen en alomvattende beoordelingen van de waarschijnlijke effecten (waaronder niet-milieugerelateerde effecten) en kosteneffectiviteit.
Hoewel de situatie voor de specifieke Natura 2000-habitats en -soorten en Natura 2000-gebieden zal variëren, moet hoge prioriteit worden gegeven aan maatregelen die de veerkracht ter plaatse van ecosystemen voor zowel habitats als soorten vergroten door significante bedreigingen terug te dringenen de eerdere gevolgen ervan om te keren. In de praktijk betekent dit vaak dat de bestaande instandhoudingsmaatregelen moeten worden gehandhaafd en versneld, zoals de bescherming van de belangrijkste gebieden, de vermindering van de verontreiniging, de beheersing van invasieve exoten, de regulering van de exploitatie, het beheer en het herstel van seminatuurlijke habitats en soortenpopulaties.
In voorkomend geval zijn de belangrijkste maatregelen het vergroten van de weerbaarheid van gebieden tegen extreme klimaatgebeurtenissen (bv. brand, overstromingen, storm), aangezien deze gebeurtenissen al in frequentie en ernst toenemen (bijlage 4, punt 2.4). Dergelijke gebeurtenissen kunnen leiden tot het volledige verlies of de bijna-vernietiging van habitats en soortenpopulaties in een gebied (of bv. in een rivierdal) waarvan geen gemakkelijk herstel mogelijk is.
Op netwerkniveau wordt een uitbreiding van de dekking van beschermde gebieden vaak aanbevolen als een van de meest doeltreffende middelen om te voldoen aan de hierboven beschreven behoeften op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering (15) (16). Dit op basis van tal van studies die hebben aangetoond dat netwerken van beschermde gebieden een sleutelrol spelen bij het behoud van habitats van goede kwaliteit (“ruimte voor de natuur”) die bestand zijn tegen klimaatverandering en waar soorten zich kunnen vestigen wanneer ze zich door klimaatverandering verplaatsen (17) (18) (19) (20) (21) (22) (23) (24) (25). Het is ook duidelijk dat wanneer de beschermde gebieden groot zijn en verbonden zijn door koppelingen en stapstenen in een doorlaatbare matrix, dit de persistentie van de populatie en de uitbreiding van het verspreidingsgebied verder bevordert (26).
Een beoordeling van het bewijs van de voordelen van maatregelen ter versterking van netwerken van beschermde gebieden heeft geresulteerd in een algemene volgorde van prioriteiten: de hoogste prioriteit wordt gegeven aan het verbeteren van de kwaliteit van de gebieden, gevolgd door het uitbreiden van de gebieden, het toevoegen van meer gebieden, het beter verbinden van gebieden met behulp van stapstenen en een meer doorlaatbare habitatmatrix, en (27) als laatste het creëren van corridors (28). Deze worden nader beschreven in bijlage 3 — tabel 2.
Verdere aanbevelingen over de criteria voor de evaluatie van strategieën en maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering zijn opgenomen in het “Habitat Change Management Handbook (29)”.
Bijlage 3
Tabel 2: Kenmerkende prioriteiten voor het ontwerpen van beschermde gebieden en bredere ecologische (natuur)netwerken
|
Opmerking: |
de cijfers zijn slechts indicatief en moeten worden gebruikt met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden. Gebieden verwijzen niet noodzakelijkerwijs naar een aangewezen gebied (beschermd gebied), maar naar een gebied met een aaneengesloten habitat voor in het wild levende dieren. |
|
Betere kwaliteit gebieden > |
Grotere gebieden > |
Meer gebieden > |
Stapstenen en doorlaatbare matrix > |
Corridors |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(30) Overgangszones tussen twee verschillende habitats of ecosystemen. (31) Crick, H., Crosher, I., Mainstone, C., et al. (2020), Nature networks evidence handbook, Research report NERR081, Natural England, York, Verenigd Koninkrijk. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.4. Stap 4: De geselecteerde aanpassingsmaatregelen uitvoeren
|
Stap 4 van het kader is bedoeld om:
|
Zodra alle maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering zijn vastgesteld, op volgorde van prioriteit zijn gesteld en zijn geselecteerd, moeten de maatregelen worden geïntegreerd in het beheerplan van Natura 2000 op nationaal en op gebiedsniveau. De aanpassingsmaatregelen voor Natura 2000 moeten worden ontwikkeld in synergie met het nationale herstelplan dat vereist is uit hoofde van de verordening natuurherstel, aangezien bepaalde aanpassingsmaatregelen kunnen worden uitgevoerd in het kader van het nationale herstelplan. De aanpassingsmaatregelen moeten ook worden gekoppeld aan de nationale aanpassingsstrategieën en -plannen (vereist bij de Europese klimaatwet).
De belangrijkste doelstellingen van deze stap moeten zijn om de maatregel op te schalen en te coördineren, synergieën met andere sectoren, beleidsmaatregelen en strategieën na te streven en financiering te verkrijgen. Zoals eerder besproken (in stap 1), is het bijzonder belangrijk om een breed scala van partners te betrekken bij het identificeren van en toegang te krijgen tot een breed scala van financieringsbronnen. Als gevolg van de talrijke potentiële nevenvoordelen tussen maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering voor Natura 2000-gebieden en de bredere doelstellingen voor aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering moet worden gezocht naar een breed scala van financieringsmogelijkheden (32), waaronder maatregelen die niet beschikbaar zouden zijn voor de financiering van de natuurbehoudsdoelstellingen alleen.
Een belangrijk onderdeel van de planning moet zijn om het noodzakelijke tijdschema voor de maatregelen te overwegen en dringende maatregelen te identificeren, vooral omdat er al meteen aanpassingsmaatregelen moeten worden genomen om sommige risico’s aan te pakken. Het kan daarom vaak passend zijn om te focussen op de onmiddellijke effecten op de korte termijn, met name wanneer deze reeds zijn waargenomen en dus waarschijnlijk zullen voortduren. Het kan echter nodig zijn maatregelen te plannen voor de klimaatbedreigingen die naar verwachting op langere termijn gevolgen zullen hebben voor het Natura 2000-netwerk en de Natura 2000-gebieden. Dit komt omdat het plannen en uitvoeren van sommige maatregelen lang gaat duren en de meeste habitats langzaam reageren op beheers- en herstelmaatregelen. Vroegtijdige aanpassing kan financiële verliezen helpen beperken en paraatheid kan uitgaven voor dure noodmaatregelen later voorkomen (33).
1.5. Stap 5: De doeltreffendheid van de aanpassingsmaatregelen monitoren en evalueren
|
Stap 5 van het kader is bedoeld om:
|
Om ervoor te zorgen dat de aanpassingsmaatregelen worden uitgevoerd en de verwachte resultaten ervan worden bereikt, is het van essentieel belang de doeltreffendheid ervan regelmatig te monitoren en te evalueren. De maatregelen moeten worden getoetst aan de overkoepelende doelstellingen van de natuurrichtlijnen en de bijdrage van het Natura 2000-netwerk, teneinde de gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten te bereiken en te behouden, en aan de meer specifieke aanpassingsdoelstellingen die in de eerste stappen van het aanpassingskader zijn geformuleerd. De maatregelen moeten worden gemonitord en geëvalueerd om de voortgang te volgen en bij te dragen aan verdere besluitvorming door aan te geven welke maatregelen moeten worden aangepast (zie hieronder).
Bij de monitoringactiviteiten moet onnodig dubbel werk worden voorkomen en ze moeten daarom zo worden opgezet dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande monitoringregelingen en gegevens van de lidstaten, met name de regelingen die zijn opgezet op grond van artikel 12 van de vogelrichtlijn en artikel 17 van de habitatrichtlijn, alsook op grond van de verordening natuurherstel, die de monitoring van de doeltreffendheid van herstelmaatregelen vereist.
Op basis van de monitoring en evaluatie, de aanpassingsdoelstellingen en de veranderende klimatologische omstandigheden en risico’s moeten de maatregelen waar nodig worden herzien en aangepast. Gezien de grote mate van onzekerheid over de vereiste maatregelen en de doeltreffendheid ervan, moeten deze worden uitgevoerd met behulp van adaptief beheer (34). Adaptief beheer is een belangrijke strategie die de besluitvorming ondersteunt in het licht van onzekerheid en veranderende omstandigheden. Het is een gestructureerd, iteratief proces van optimale beheersbeslissingen, gebaseerd op systeemmonitoring.
Naarmate de gevolgen van de klimaatverandering bekender en voorspelbaarder worden, wordt adaptief beheer gezien als een essentieel, praktisch instrument om maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering te integreren in het beheer en de planning van alle beschermde gebieden, waaronder Natura 2000-gebieden. Door monitoring uit te voeren om de doeltreffendheid van beheersmaatregelen en de voortgang bij de verwezenlijking van de vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen te beoordelen, kan worden nagegaan of er op verschillende beheersniveaus, en met name op het niveau van het gebiedsbeheer, andere maatregelen nodig zijn.
Adaptief beheer kan er ook toe bijdragen dat aanpassingsmaatregelen de beoogde resultaten opleveren door de geplande en uitgevoerde maatregelen te herzien en te verbeteren. Dit kan negatieve uitkomsten helpen voorkomen die de risico’s vergroten of verschuiven in plaats van verminderen (aanpassing met ongewenste effecten).
In de casestudy van Natur’Adapt (casestudy 6) zijn benaderingen ontwikkeld voor beheersplanning en adaptief beheer van de aanpassing aan de klimaatverandering in Natura 2000-gebieden. Voor beschermde mariene gebieden zijn benaderingen ontwikkeld in de casestudy over het mediterrane operationele programma van Interreg V-B, MPA-Adapt (35), die in casestudy 7 zijn samengevat.
Om doeltreffend adaptief beheer te ondersteunen, moet de monitoring van de gevolgen van klimaatverandering in Natura 2000-gebieden en van de gevolgen voor beschermde habitats en soorten (bv. voor de structuur en functie, de samenstelling, de populatie, het gebied en het verspreidingsgebied) worden uitgebreid en verbeterd. Ook de monitoring van de bredere omgeving moet worden versterkt, met name voor landschappen met een nauwe wisselwerking met het Natura 2000-netwerk. Om de monitoring van de biodiversiteit met betrekking tot Natura 2000-gebieden en klimaatverandering te vergroten en te verbeteren, worden de volgende maatregelen aanbevolen:
|
— |
voortbouwen op en verfijnen van de monitoring die wordt uitgevoerd met betrekking tot artikel 12 van de vogelrichtlijn en artikel 17 van de habitatrichtlijn, om een gedegen analyse mogelijk te maken van de toestand van habitats en soorten in het Natura 2000-netwerk, de gevolgen van drukfactoren en bedreigingen, waaronder klimaatverandering, en de maatregelen die worden genomen om deze aan te pakken; |
|
— |
zorgen voor adequate monitoring, onder meer van de gevolgen van de klimaatverandering voor de bredere omgeving, met name in gebieden met een nauwe wisselwerking met het Natura 2000-netwerk; |
|
— |
protocollen ontwikkelen voor instandhoudingsbeheerders om veranderingen te monitoren en deel te nemen aan burgerwetenschappelijke benaderingen om de gegevensverzameling te verbeteren en de betrokkenheid van lokale gemeenschappen bij instandhoudingsgebieden te vergroten; |
|
— |
verbeteren van de monitoring en verspreiding van gerelateerde ecosysteemevaluaties (in kaart brengen en beoordelen van de voordelen van ecosysteemdiensten, bv. koolstofopslag, overstromingsbescherming) die worden geboden door maatregelen zoals het herstel/de regeneratie van ecosystemen en andere maatregelen voor aanpassing van de biodiversiteit die bredere voordelen bieden op het gebied van aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering, met name binnen Natura 2000-gebieden; |
|
— |
uitbreiden en verbeteren van de monitoring van maatregelen die gericht zijn op het vergroten van de coherentie van het netwerk, zoals het vergroten van de dekking van beschermde gebieden, stapstenen voor habitats, corridors, ecopassages en bredere milieumaatregelen. |
|
Casestudy 7: MPA-Adapt Het klimaat in de Middellandse Zee zal de komende decennia snel veranderen. Direct bewijs van klimaatverandering wordt al waargenomen aan de Middellandse Zeekust, onder meer in beschermde mariene gebieden (BMG’s) en Natura 2000-gebieden. De noodzaak om veerkracht op te bouwen in zowel sociale als ecologische aspecten van de BMG’s door middel van adaptief beheer, wordt steeds groter om de snelle veranderingen te mitigeren en eraan aan te passen, teneinde gezonde ecosystemen in stand te houden en te beschermen. Klimaatverandering is echter niet expliciet opgenomen in de meeste beheerplannen en de informatie ter ondersteuning van de besluitvorming over BMG’s is zowel beperkt als gefragmenteerd. De doelstellingen van het Interreg-project MPA-Adapt waren het ontwikkelen van gezamenlijke en gebiedspecifieke aanpassingsplannen voor BMG’s die de weerbaarheid tegen de gevolgen van klimaatverandering vergroten. Dit werd bereikt door capaciteit op te bouwen voor doeltreffend beheer, risico’s te beoordelen en mogelijke maatregelen en prioriteiten te onderzoeken om het aanpassingsvermogen te vergroten en de biodiversiteit in de gebieden en in de lokale gemeenschappen veerkrachtiger te maken. Het bood ook richtsnoeren aan beheerders van BMG’s en lokale belanghebbenden om benaderingen op het gebied van klimaatverandering uit te voeren en te testen. Voor de uitvoering van dit initiatief zijn vijf BMG’s geselecteerd. Deze vijf gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebieden, maar hebben ook andere vormen van bescherming. In alle gebieden komen Natura 2000-habitats en -soorten voor. Voor de vijf BMG’s werden een gemeenschappelijk proces en een gemeenschappelijke methode toegepast om actieplannen voor aanpassing aan de klimaatverandering op te stellen. Er werd voorgesteld een reeks maatregelen op te nemen in de beheerplannen van de BMG’s, waaronder monitoring, reglementering en aanpassing van activiteiten ter ondersteuning van de weerbaarheid van mariene soorten en habitats tegen de klimaatverandering, communicatie- en bewustmakingscampagnes en strategieën om aanpassing aan de klimaatverandering te integreren in de beheerplannen van elk BMG. MPA-Adapt bood ondersteuning voor de beheerders van BMG’s middels een focus op gemeenschappelijke kwetsbaarheden en bood tegelijkertijd een aanpasbaar conceptueel kader om de gebiedspecifieke problemen in elk BMG aan te pakken. Dit project is het eerste in zijn soort voor het mariene en mediterrane kustmilieu. Het zal ook netwerken bevorderen door de dialoog en coördinatie tussen beheerders van BMG’s en wetenschappers te verbeteren en zal zo de eerste lijn van mediterrane BMG-poortwachtersgebieden creëren. Het project MPA-Adapt wordt nu voortgezet in de vorm van het project MPA-Engage, dat tot doel heeft de in het vorige project ontwikkelde methoden toe te passen en het proces van voorbereiding van plannen voor aanpassing aan de klimaatverandering uit te breiden tot meer BMG’s in het Middellandse Zeegebied.
|
(1) Gross, J. E., Woodley, S., Welling, L. A., et al. (2016), Adapting to Climate Change: Guidance for protected area managers and planners, Best Practice Protected Area Guidelines Series, No. 24, IUCN, Gland, Zwitserland.
(2) Richtsnoeren van de Commissie voor de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten, 2023/C 264/01 (PB C 264 van 27.7.2023, blz. 1).
(3) https://climate-adapt.eea.europa.eu/nl/knowledge/tools/adaptation-support-tool?set_language=nl.
(4) Rannow, S., Macgregor, N.A., et al. (2014a), Managing protected areas under climate change: Challenges and priorities, Environmental Management, No 54 (4), blz. 732-743.
(5) Richtsnoeren van de Commissie voor de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten, 2023/C 264/01 (PB C 264 van 27.7.2023, blz. 1).
(6) Coudurier C., Petit L., Tissot, A. et al. (2023), Natur’Adapt climate change adaptation process — A methodological guide to developing a vulnerability and opportunities assessment and an adaptation plan for a protected area (adapted version for European distribution), LIFE Natur’Adapt — Réserves Naturelles de France (https://naturadapt.com/groups/communaute/documents/776/get).
(7) (https://naturadapt.com/ en https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE17-CCA-FR-000089/adapting-nature-protection-to-the-challenges-of-climate-change-in-europe-basis-of-dynamic-collective-learning).
(8) Sârbu, A., Anastasiu, P. en Smarandache, D. (2014), Potential Impact of Climate Change on Alpine Habitats from Bucegi Natural Park, Romania, in Rannow, S., Neubert, M. (red.), Managing Protected Areas in Central and Eastern Europe Under Climate Change, blz. 259-266, Advances in Global Research, Springer.
(9) Sajwaj, T., Tucker, G.M., Harley, M., et al. (2011), Impacts of climate change and selected renewable energy infrastructures on EU biodiversity and the Natura 2000 network: An assessment framework for climate change vulnerability — methodology and results. Task 2a report to the European Commission under Contract ENV.B.2/SER/2007/0076 Natura 2000 Preparatory Actions — Lot 5: Climate Change and Biodiversity in relation to the Natura 2000 Network, AEA, Axiom, IUCN, IEEP, UNEP & WCMC, Brussel.
(10) EMA (2020), State of Nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2013-2018”, EMA-verslag nr. 10/2020, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
(11) Bowgen, K M., Kettel, E F., Butchart, S H M., et al. (2022), Conservation interventions can benefit species impacted by climate change, Biological Conservation, 269, 109524.
(12) Tucker, G.M., en de Soye, Y. (2009), Impacts of climate change on EU biodiversity policy, and recommendations for policies and measures to maintain and restore biodiversity in the EU in the face of climate change. Tasks 2b & 3b, report to the European Commission under Contract.ENV.B.2/SER/2007/0076 Natura 2000 Preparatory Actions — Lot 5: Climate Change and Biodiversity in relation to the Natura 2000 network, AEA, Axiom, IUCN, IEEP, UNEP & WCMC, Brussel.
(13) Gross, J. E., Woodley, S., Welling, L. A., et al. (2016), Adapting to Climate Change: Guidance for protected area managers and planners, Best Practice Protected Area Guidelines Series No. 24, IUCN, Gland, Zwitserland.
(14) Als onderdeel van het EU-Interreg-project HABIT-CHANGE (http://habit-change.eu/service/home.htm).
(15) Hannah, L., Midgley, G., Andelman, S., et al. (2007), Protected area needs in a changing climate, Frontiers in Ecology and the Environment, 5 (3), blz. 131-138.
(16) Pörtner, H.O., Scholes, R.J., Agard, J. et al. (2021), Scientific outcome of the IPBES-IPCC co-sponsored workshop on biodiversity and climate change, IPBES-secretariaat, Bonn, Duitsland, DOI:10.5281/zenodo.4659158.
(17) Gaget, E., Pavón-Jordán, D., Johnston, A., et al. (2021), Benefits of protected areas for nonbreeding waterbirds adjusting their distributions under climate warming, Conservation Biology, 35 (3), blz. 834-845.
(18) Gillingham, P. K., Alison, J., Roy, D. B., et al. (2015), High Abundances of Species in Protected Areas in Parts of their Geographic Distributions Colonized during a Recent Period of Climatic Change, Conservation Letters, 8 (2), blz. 97-106.
(19) Gillingham, P. K., Bradbury, R. B., Roy, D. B., et al. (2015), The effectiveness of protected areas in the conservation of species with changing geographical ranges, Biological Journal of the Linnean Society, 115 (3), blz. 707-717.
(20) Gillingham, P. K., Britton, J. R., Jones, G., et al. (2024), Climate change adaptation for biodiversity in protected areas: An overview of actions, Biological Conservation, 289, 110375.
(21) Hiley, J.R., Bradbury, R.B., Holling, M. et al. (2013), Protected areas act as establishment centres for species colonizing the UK, Proceedings of the Royal Society B Biological Sciences, No 280 (1760), blz. 2012-2310.
(22) Johnston, A., Ausden, M., Dodd, A.M., et al. (2013), Observed and predicted effects of climate change on species abundance in protected areas, Nature Climate Change, 3 (12), blz. 1055-1061.
(23) Lawson, C.R., Bennie, J.J., Thomas, C.D., et al. (2014), Active Management of Protected Areas Enhances Metapopulation Expansion Under Climate Change, Conservation Letters, 7 (2), 111-118.
(24) Thomas, C.D., Gillingham, P.K., Bradbury, R.B., et al. (2012), Protected areas facilitate species’ range expansions, Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA, 109 (35), 14063-14068.
(25) Virkkala, R., Pöyry, J., Heikkinen, R.K., et al. (2014), Protected areas alleviate climate change effects on northern bird species of conservation concern, Ecology and Evolution, 4 (15), 2991-3003.
(26) Keeley, A.T., Ackerly, D.D., Cameron, D.R. et al. (2018), New concepts, models, and assessments of climate-wise connectivity, Environmental Research Letters, 13(7), 073002.
(27) D.w.z. het verbeteren van het vermogen van soorten om zich door het tussenliggende landschap tussen habitatgebieden te verplaatsen.
(28) Crick, H., Crosher, I., Mainstone, C., et al. (2020), Nature networks evidence handbook, Research report NERR081, Natural England, York, Verenigd Koninkrijk.
(29) Wilke, C., Rannow, S. en Bilz, M. (2013) HABIT-CHANGE Management Handbook — A guideline to adapt protected areas management to climate change. HABIT-CHANGE Report 5.3.2, Leibniz Institute of Ecological and Regional Development (IOER) en partners, Duitsland.
(31) Crick, H., Crosher, I., Mainstone, C., et al. (2020), Nature networks evidence handbook, Research report NERR081, Natural England, York, Verenigd Koninkrijk.
(32) Overheidsfinanciering kan onderworpen zijn aan de staatssteunregels. Indien een maatregel steun vormt, moet deze worden beoordeeld aan de hand van de desbetreffende staatssteunregels.
(33) Rannow, S., Wilke, C., Gies, M. et al. (2014b), Conclusions and Recommendations for Adapting Conservation Management in the Face of Climate Change, in Rannow, S, Neubert, M (red.), Managing Protected Areas in Central and Eastern Europe Under Climate Change, blz. 291-303, Advances in Global Research, Springer.
(34) Ook bekend als “adaptief middelenbeheer” of andere termen voor soortgelijke beheersbenaderingen.
(35) https://ec.europa.eu/regional_policy/en/projects/Spain/mpa-adapt-preparing-the-mediterranean-region-for-the-impacts-of-climate-change.
(36) https://mpa-adapt.interreg-med.eu/ en https://ec.europa.eu/regional_policy/en/projects/Croatia/mpa-adapt-preparing-the-mediterranean-region-for-the-impacts-of-climate-change.
BIJLAGE 4
POTENTIËLE AANPASSINGSMAATREGELEN
1. Eisen voor habitats en soorten die door klimaatverandering worden bedreigd
De lidstaten hebben de flexibiliteit om die aanpassingsmaatregelen te kiezen die passen bij hun ecologische omstandigheden en financieringskaders. Dit hoofdstuk bevat een reeks praktische maatregelen waaruit de lidstaten kunnen kiezen om ze uit te voeren in overeenstemming met hun nationale prioriteiten en behoeften, zonder nieuwe wettelijke verplichtingen te creëren.
1.1. Netwerkniveau
De netwerkmaatregelen moeten erop gericht zijn de toekomstige veerkracht en doeltreffendheid van het Natura 2000-netwerk als geheel te handhaven of te vergroten, rekening houdend met de waarschijnlijke gevolgen van de klimaatverandering, waaronder lokale uitstervingen en de mogelijke vestiging in nieuwe gebieden. Met name moeten maatregelen waar nodig de coherentie van het netwerk verbeteren om de gunstige staat van instandhouding van de Natura 2000-habitats en -soorten te helpen bereiken. Zoals vermeld in punt 2.3.6, kader 2-6, moet het netwerk, om coherent te zijn, adequaat, representatief, veerkrachtig en verbonden zijn. Gezien de verwachte gevolgen van de klimaatverandering en mogelijke veranderingen in de verspreiding van sommige habitats en soorten, moet de coherentie van het netwerk mogelijk opnieuw worden beoordeeld en zo nodig worden aangepast wat betreft het aantal, de locatie en de omvang van de gebieden.
De toereikendheid van het netwerk is bijzonder belangrijk. Talrijke studies en aanbevelingen voor aanpassing aan de klimaatverandering (bv. de IUCN-richtsnoeren en andere in de bibliografie) hebben de noodzaak benadrukt om de omvang van beschermde habitats van hoge kwaliteit te vergroten. Netwerken van beschermde gebieden spelen een sleutelrol bij het behoud van habitats van goede kwaliteit (“ruimte voor de natuur”) die bestand zijn tegen klimaatverandering en waar soorten zich kunnen vestigen wanneer ze zich verplaatsen in respons op klimaatverandering. Grotere gebieden zijn ook veerkrachtiger, omdat ze doorgaans beter bestand zijn tegen drukfactoren (bv. vervuiling en verstoring), heterogener zijn en grotere soortenpopulaties bevatten, die veerkrachtiger zijn omdat ze minder vatbaar zijn voor uitsterving door toevallige gebeurtenissen.
Wanneer habitats en soorten uit gebieden afnemen of verdwijnen, is het van essentieel belang ervoor te zorgen dat hun algemene aanwezigheid in het netwerk toereikend blijft, rekening houdend met veranderingen in hun verspreiding. Voor soorten kan dit afhangen van de vraag of hun habitat voldoende verspreid is en of de soort in staat is zich te verplaatsen en zich in nieuwe gebieden te vestigen. Voor de habitats en soorten die het grootste risico lopen als gevolg van de klimaatverandering en andere bedreigingen, kan het nodig zijn hun representativiteit in het netwerk te vergroten om het risico op verliezen, zoals die als gevolg van de klimaatverandering, tot een minimum te beperken.
De gebieden binnen het netwerk moeten ook voldoende met elkaar verbonden zijn om soorten in staat te stellen zich van de huidige naar de toekomstige geschikte klimaatzones te verplaatsen. Voor soorten die zich mogelijk moeten verplaatsen in respons op de klimaatverandering, is het van vitaal belang dat hun Natura 2000-gebieden voldoende functioneel verbonden zijn met andere gebieden binnen of buiten Natura 2000-gebieden, met name met gebieden die naar verwachting geschikt zullen blijven of worden in het licht van de klimaatverandering. Voor sommige soorten zal het vergemakkelijken van verschuivingen in het verspreidingsgebied een voldoende mate van connectiviteit over grote afstanden vereisen, omdat kan worden voorspeld dat hun geschikte klimaatzones op de lange termijn enkele honderden kilometers zullen verschuiven. Grensoverschrijdende samenwerking kan nodig zijn om de beste routes te beschermen en het toepassingsgebied van grensoverschrijdende maatregelen te vergroten.
Bepaalde strategieën om de connectiviteit te vergemakkelijken, kunnen echter ook nadelen hebben waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van de strategieën op netwerkniveau (zo kan er bijvoorbeeld onvoldoende ruimte zijn voor soorten om zich te verplaatsen of kan de verspreiding van invasieve exoten worden vergemakkelijkt (1)). Zoals geïllustreerd in hoofdstuk 3, bijlage 3, tabel 2, blijkt uit bewijsmateriaal dat de prioritaire volgorde van maatregelen ter verbetering van ecologische netwerken gewoonlijk is om eerst de kwaliteit van bestaande gebieden te verbeteren, de omvang ervan te vergroten, het aantal gebieden te vergroten en vervolgens de connectiviteit te vergroten door middel van stapstenen, een beter doorlaatbare matrix en corridors. In sommige omstandigheden kan het verbeteren van de kwaliteit en de omvang van gebieden alleen al zorgen voor adequate functionele connectiviteit door het reproductieve succes en de emigratiepercentages te vergroten.
1.2. Gebiedsniveau
Bij de ontwikkeling van maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering op het niveau van Natura 2000-gebieden is het raadzaam ervoor te zorgen dat gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen (GSID’s) zijn vastgesteld, zoals beschreven in punt 2.3.1. Deze moeten alle Natura 2000-habitats en -soorten bestrijken. Hoewel dit geen wettelijke vereiste is, wordt ook aanbevolen dat soorten die in het hele netwerk door klimaatverandering worden bedreigd en die vanwege geschikte habitats en klimaatomstandigheden zich mogelijk elders kunnen vestigen, worden geïdentificeerd en in aanmerking worden genomen.
De instandhoudingsdoelstellingen moeten erop gericht zijn de veerkracht van de habitats en soorten in Natura 2000-gebieden te ondersteunen. Soortenpopulaties en habitats die zich in een goede ecologische toestand bevinden, zijn beter in staat zich aan te passen aan de klimaatverandering. Gezonde populaties zijn beter in staat tot herstel na extreme gebeurtenissen en produceren meer jongen die zich kunnen verspreiden naar nieuwe geschikte gebieden. Maatregelen voor veerkracht ter plaatse moeten ten eerste gericht zijn op het verminderen van de bestaande drukfactoren die schadelijk zijn voor de toestand van habitats en soorten, en ten tweede de toestand ervan verbeteren door herstelmaatregelen te nemen voor de habitats en soorten die momenteel niet in een goede toestand verkeren. Voorzorgsmaatregelen kunnen ook nodig zijn om schadelijke gevolgen van toenemende klimaatgerelateerde bedreigingen te voorkomen, zoals brand, storm, overstromingen en andere extreme gebeurtenissen.
Bij veel habitats en soorten zal het vergroten van hun veerkracht door de bestaande drukfactoren te verminderen, niet voldoende zijn om zich aan de klimaatverandering aan te passen, met name voor habitats en soorten die nu al niet in een goede toestand verkeren. Voor dergelijke habitats en soorten zullen proactievere maatregelen nodig zijn om ze te herstellen en hun weerbaarheid tegen klimaatverandering te vergroten. Daarom is het herstellen van natuurlijke ecosysteemprocessen en -eigenschappen vaak de meest geschikte en kosteneffectieve eerste stap. Voorbeelden hiervan zijn het mogelijk maken van natuurlijke landschapsvormende processen, zoals sedimentatie, moerasontwikkeling en meandering. Dit zal helpen de integriteit van het ecosysteem te behouden, zelfs wanneer de gemeenschappen en structuren van soorten veranderen.
Voor habitats en soorten die bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering, kunnen echter verdere verbeterde ecologische omstandigheden nodig zijn (bv. optimale en consistente seizoensgebonden waterstanden). Daarom kunnen meer proactieve en gerichte maatregelen nodig zijn, zoals het vasthouden van meer water in watergebieden om de gevolgen van droogte te verlichten. Gebieden met heterogene landschappen zijn vaak ook veerkrachtiger omdat ze een groter scala van hulpbronnen en microklimaten omvatten, waarvan bijvoorbeeld is gebleken dat ze vlinderpopulaties beschermen tegen klimatologische variatie en zorgen voor een stabielere populatiedynamiek (2) (3). Het vergroten van de habitatdiversiteit en microhabitats kan ook nieuwe biofysische omstandigheden creëren die soorten in staat kunnen stellen klimaatveranderingen te voorkomen, bijvoorbeeld door verplaatsing naar een schaduwrijker of een vochtiger gebied, of naar dieper water. Er moet echter voor worden gezorgd dat het vergroten van de diversiteit aan habitats en soorten niet leidt tot achteruitgang van andere habitats en soortenpopulaties die hun levensvatbaarheid vermindert.
Waar nodig moet ook rekening worden gehouden met de omvang van het Natura 2000-gebied, aangezien sommige gebieden te klein kunnen zijn om hun Natura 2000-habitats en -soorten ooit een goede toestand te laten bereiken, zelfs zonder toenemende klimaatgerelateerde bedreigingen. Waar mogelijk kan het vergroten van de omvang van een gebied de veerkracht ervan aanzienlijk vergroten omdat grotere gebieden:
|
— |
grotere populaties van soorten kunnen bevatten die veerkrachtiger zijn tegen schokken (bv. extreme gebeurtenissen en ziektes) en een kleinere kans op uitsterven hebben; |
|
— |
veerkrachtiger zijn omdat de kans groter is dat hier een volledig scala van sleutelsoorten en meer diverse soortengemeenschappen voorkomen, vanwege het bekende verband tussen soorten en gebieden; |
|
— |
zorgen voor meer structurele diversiteit aan habitats en dus voor heterogeniteit; |
|
— |
minder worden beïnvloed door externe drukfactoren zoals vervuiling en verstoring, aangezien buitengebieden een buffer kunnen vormen. |
1.3. Niveau van het bredere landschap
Maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering voor Natura 2000 moeten prioriteit geven aan het vergroten van het gebied en de kwaliteit van habitats binnen het netwerk en andere beschermde gebieden. Maar het kan noodzakelijk en kosteneffectief zijn om dergelijke maatregelen aan te vullen met maatregelen in het omliggende landschap. Het landschap wordt gedefinieerd als het aaneengesloten gebied dat grenst aan een Natura 2000-gebied dat aanzienlijke invloed heeft op de habitats en soorten die er voorkomen. Het landschap kan een groot gebied beslaan, mogelijk op schaal van een rivierbekken of op een grotere stroomgebiedsschaal voor bepaalde gebieden. Maatregelen op deze schaal bieden mogelijk het grootste potentieel voor strategische praktische netwerkverbeteringen en aanzienlijke nevenvoordelen.
Maatregelen op landschapsniveau moeten gewoonlijk gericht zijn op het aanpakken van een of meer van de drie potentieel op elkaar inwerkende vereisten voor habitats en soorten die door de klimaatverandering worden bedreigd:
|
— |
verminderen van de externe druk op en bedreigingen van Natura 2000-habitats en -soorten in Natura 2000-gebieden; |
|
— |
verbeteren van de connectiviteit om:
|
Normaliter moet prioriteit worden gegeven aan het verminderen van de bestaande externe druk op Natura 2000-gebieden, in de eerste plaats om de veerkracht van de habitats en soorten in de gebieden te vergroten. Het is echter belangrijk op te merken dat het verminderen van de drukfactoren en het nemen van alle andere maatregelen om de veerkracht van de bevolking in het gebied te vergroten, ook de functionele connectiviteit tussen Natura 2000-gebieden en het bredere landschap kan vergroten. Dit komt doordat grotere en gezondere populaties van soorten een hogere reproductieve productiviteit hebben, wat leidt tot hogere emigratieniveaus. Met andere woorden, de gebieden worden de belangrijkste bronnen van vestiging in het bredere landschap. In sommige situaties zijn kleine populaties van soorten in versnipperde habitatfragmenten putpopulaties (d.w.z. niet in staat om zichzelf in stand te houden) en zijn ze afhankelijk van hervestiging (het reddingseffect) van grotere bronpopulaties, zoals in hoogwaardige, grote beschermde gebieden. Vandaar de vuistregel om maatregelen voor de instandhouding van de natuur te richten op het verbeteren van de kwaliteit en de omvang van beschermde gebieden en het vergroten van het aantal ervan (zie bijlage 3, tabel 2).
Ondanks het cruciale belang en de kwaliteit van beschermde gebieden zijn vaak aanvullende maatregelen nodig om de connectiviteit in het hele landschap te vergroten, met name om de veerkracht van kleine en gefragmenteerde populaties te vergroten (d.w.z. door de metapopulaties te versterken). In de onderstaande punten worden verschillende maatregelen beschreven die rond Natura 2000-gebieden kunnen worden genomen om de externe druk te verminderen en de connectiviteit te verbeteren. De maatregelen omvatten het verminderen van barrières, het in stand houden en verbeteren van corridors en stapstenen in habitatgebieden0, en het verbeteren van de algemene ecologische kwaliteit van het bredere landschap.
Een gemeenschappelijke uitdaging met aanpassingsmaatregelen op landschapsniveau is het integreren van het beheer van beschermde gebieden op manieren die rechtstreeks verband houden met en zinvol zijn voor andere belanghebbenden in hun omgeving. Daarom is het van bijzonder belang een strategisch partnerschap te ontwikkelen (zie bijlage 3, punt 1.1) tussen degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van beschermde gebieden en degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de omliggende gebieden. Dit omvat het ontwikkelen van samenwerking met meerdere belanghebbenden in en rond gebieden en het delen van informatie en ervaring met gebiedsbeheerders in gebieden elders in het Natura 2000-netwerk.
2. Maatregelen die kunnen bijdragen tot de aanpassing van Natura 2000 aan de klimaatverandering
2.1. In kaart brengen van habitats, soorten en Natura 2000-gebieden die door klimaatverandering worden bedreigd, evenals refugia
Een essentiële eerste stap in het proces van ontwikkeling van strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering is om te beoordelen welke habitats en soorten het meeste risico lopen (stap 2 binnen het kader voor aanpassing aan de klimaatverandering). In dit verband is het passend hun kwetsbaarheid te beoordelen, zoals beschreven in bijlage 2, punt 2.3. Volgens de IUCN-definitie is kwetsbaarheid gebaseerd op blootstelling, gevoeligheid en aanpassingsvermogen (bijlage 2 — figuur 1). Aanbevolen wordt kwetsbaarheidsbeoordelingen uit te voeren, ten eerste om de kwetsbaarheid te beoordelen van habitats en soorten in het hele Natura 2000-netwerk (bv. land of biogeografische regio), voordat de toereikendheid van de Natura 2000-dekking en de Natura 2000-gebieden met het grootste risico wordt beoordeeld. Als dergelijke informatie nog niet beschikbaar is, moet een eerste beoordeling worden uitgevoerd met behulp van relatief eenvoudige en efficiënte methoden, zoals een op eigenschappen gebaseerde aanpak. Dit kan vervolgens een lijst opleveren van Natura 2000-habitats en -soorten die van een score zijn voorzien op basis van hun biologische en levensgeschiedeniskenmerken die ze relatief kwetsbaar maken voor klimaatverandering.
Aangezien zelfs eenvoudige benaderingen van kwetsbaarheidsbeoordelingen een aanzienlijke hoeveelheid informatie vereisen die moet worden verzameld en geanalyseerd, kan het nodig zijn om in eerste instantie groepen van vergelijkbare habitats en soorten te beoordelen. Een andere optie is om soorten die zeer waarschijnlijk niet door klimaatverandering worden bedreigd, in eerste instantie te screenen met behulp van gevoeligheidsbeoordelingen die worden uitgevoerd in nabijgelegen landen die waarschijnlijk geschikt zijn. Als alternatief kunnen soorten worden gescreend op basis van hun blootstelling aan klimaatverandering, aangezien een soort of habitat zowel gevoelig moet zijn voor als blootgesteld moet zijn aan de gevolgen van klimaatverandering om gevaar te lopen.
Om een alomvattende kwetsbaarheidsbeoordeling en een solide basis voor aanpassingsplanning te bieden, wordt aanbevolen ook rekening te houden met secundaire klimaatbedreigingen (bv. de aanleg van dijken, riolering en reservoirs) en alle andere niet-klimaatgerelateerde bedreigingen die met elkaar in wisselwerking staan (bv. intensieve landbouw, bosbouw en visserij).
Het tweede doel van de beoordeling is de veranderingen in geschikte klimaatruimte voor Natura 2000-habitats en -soorten te ramen aan de hand van een passende reeks prognoses voor klimaatverandering, en deze te kwantificeren in termen van hun aandeel en overlappingen ten opzichte van de huidige situatie (zie bijlage 2, punt 2).
Het uiteindelijke algemene doel van de beoordeling is het identificeren van Natura 2000-gebieden (of -regio’s) die waarschijnlijk bijzonder belangrijk zijn voor de Natura 2000-habitats en -soorten waarvan is vastgesteld dat ze het grootste risico lopen door klimaatverandering in het land. Belangrijk is dat in de beoordeling Natura 2000-gebieden moeten worden geïdentificeerd waar contrasterende effecten door klimaatverandering worden verwacht: de gebieden die het meeste risico lopen, en de gebieden die een stabieler klimaat lijken te hebben en klimaatrefugia kunnen bieden. Het doel van het identificeren van de hoogrisicogebieden is om maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering op die gebieden en, indien nodig, het omliggende landschap af te stemmen, zodat deze waarschijnlijk haalbaar en kosteneffectief zijn. Het doel van het identificeren van refugia is ervoor te zorgen dat ze adequaat worden beschermd en beheerd, zodat de habitats en soorten ervan niet worden bedreigd door andere niet-klimaatgerelateerde drukfactoren. Toekomstige klimaatrefugia kunnen buiten het Natura 2000-netwerk of andere beschermde gebieden worden geïdentificeerd en moeten zo nodig als Natura 2000-gebieden of andere beschermde gebieden worden beschouwd.
De schatting van de toekomstige aandelen van de ruimte met een geschikt klimaat en overlappingen, en de identificatie van bijzonder kwetsbare gebieden en refugia omvat ruimtelijke gegevens om kaarten te verstrekken van gebieden waarvan wordt verwacht dat ze een geschikt klimaat hebben voor de habitat of soort volgens verschillende klimaatveranderingsscenario’s en -prognoses. Zoals aanbevolen door Foden et al. (2019) (4), (3) zijn modelleringsbenaderingen op basis van een correlatieve analyse van de huidige verdeling van habitats en soorten en van klimaatomstandigheden doorgaans de nuttigste eerste stap. Hlásny et al.(2021) (5) geven een voorbeeld van een dergelijke aanpak, toegepast op Europese continentale schaal, waarbij gebieden met een aanzienlijk hoge en lage klimaatstabiliteit in de 21e eeuw worden geïdentificeerd.
Deze beoordelingen kunnen vervolgens verder worden verfijnd met behulp van meer geavanceerde mechanistische modellen of, indien nodig, gecombineerde benaderingen om te bevestigen welke habitats, soorten en gebieden het grootste risico lopen. Er kunnen ook meer gedetailleerde kaarten worden opgesteld die de kwetsbaarheid van habitats en soorten weergeven, ter ondersteuning van meer lokale kwetsbaarheidsbeoordelingen van landschappen en gebieden en van aanpassingsmaatregelen.
Hoewel kwetsbaarheidsbeoordelingen essentiële informatie bieden voor de planning van de aanpassing aan de klimaatverandering, moeten ze zeer zorgvuldig worden uitgevoerd en geïnterpreteerd (6). Hlásny et al. (2021) (7) stellen bijvoorbeeld dat het moeilijk is om het patroon van regionale stabiliteitszones te interpreteren, aangezien zeer veel bijdragende variabelen een rol spelen, waaronder de verschillende weergaven van atmosferische processen in klimaatmodellen en de complexe procedures die worden gebruikt om ze te identificeren. Bij de beoordelingen moeten daarom goede praktijken worden gevolgd, zoals aangegeven in de meer gedetailleerde richtsnoeren die in de bibliografie worden vermeld.
Voor mariene en kustecosystemen werden richtsnoeren opgesteld in het kader van het Horizon Europa-project MSP4BIO (2022-2025) (8), dat gericht was op geïntegreerd sociaal-ecologisch beheer van mariene ecosystemen. Het omvat een kader voor beheerders van beschermde mariene gebieden (BMG’s) en modelontwikkelaars om de kwetsbaarheid van mariene soorten en ecosystemen voor klimaatstressfactoren te beoordelen. In het kader van het Horizon Europa-project MPAEurope (2023-2026) (9) zijn de optimale locaties voor BMG’s in kaart gebracht met het oog op de totstandbrenging van een ecologisch coherent netwerk van representatieve biodiversiteitsgebieden in de Europese zeeën. Uit de bevindingen blijkt dat de verwachte verspreiding van de mariene soorten in het meest extreme scenario van klimaatverandering tegen 2100 in de representatieve biodiversiteitsgebieden was opgenomen. Er werd dus voorspeld dat de representatieve biodiversiteitsgebieden een klimaatbestendig netwerk zouden zijn. Andere EU-projecten zijn te vinden in CORDIS (10).
2.2. Beoordeling van de coherentie van het Natura 2000-netwerk in het licht van de verwachte klimaatverandering
Het Natura 2000-netwerk beslaat momenteel 18,6 % van het land van de EU en 10,5 % van de zee (hoofdstuk 1, punt 1.1). Studies naar de veerkracht op landschaps- en zeeniveau suggereren echter dat een percentage van 30 % of 50 % of zelfs hoger nodig kan zijn om een volledig veerkrachtig landschap te waarborgen (11) (12). De uitbreiding van het Natura 2000-netwerk zou ook bijdragen tot de EU-doelstelling om de dekking van beschermde gebieden op het land en op zee tegen 2030 te verhogen tot 30 %, waarvan 10 % strikt moet worden beschermd, overeenkomstig de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en streefdoel 3 van het mondiale biodiversiteitskader van Kumming-Montreal van het Verdrag inzake biologische diversiteit (13).
De aanwijzing van gebieden in het Natura 2000-netwerk mag geen statisch proces zijn: daarbij moetde coherentie van het netwerk periodiek opnieuw worden beoordeeld in termen van toereikendheid, representativiteit, veerkracht en connectiviteit. Daarbij moet bij de beoordelingen rekening worden gehouden met de mate waarin nationaal aangewezen beschermde gebieden en overige doeltreffende gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen (ODIM’s) voor elke Natura 2000-habitat en -soort een voldoende coherent netwerk kunnen vormen met betrekking tot de verwachte klimaatveranderingen (d.w.z. met het oog op het bereiken en behouden van hun gunstige staat van instandhouding).
Op basis van risico- en kwetsbaarheidsbeoordelingen en ander wetenschappelijk bewijs moet om de volgende redenen rekening worden gehouden met de behoefte aan nieuwe en/of grotere Natura 2000-gebieden:
|
1. |
om de verwachte verliezen van Natura 2000-habitats en -soorten die een groot risico lopen als gevolg van de klimaatverandering, vooraf te compenseren. Dit moet in de eerste plaats gericht zijn op gebieden met een groot aandeel van het nationale/biogeografische habitatgebied of de soortenpopulatie en waar momenteel een significant risico bestaat op verlies of ernstige schade als gevolg van extreme gebeurtenissen zoals droogte, overstromingen of kusterosie; |
|
2. |
bescherming van kritieke klimaatrefugia, met name voor Natura 2000-habitats en -soorten die in dergelijke gebieden sterk geconcentreerd kunnen zijn en een gunstigere staat van instandhouding hebben dan elders; |
|
3. |
verbetering van de connectiviteit en de veerkracht van afzonderlijke gebieden en netwerken, en ondersteuning van aanpassing aan de klimaatverandering om ervoor te zorgen dat de gebieden voldoende dichtbij en op de juiste locatie zijn gelegen om verplaatsing mogelijk te maken, waardoor metapopulaties en hun vermogen om zich naar gebieden te verplaatsen en zich daar te vestigen, worden ondersteund; |
|
4. |
bescherming van gebieden met nieuw herstelde of opnieuw gecreëerde habitats, of habitats van soorten in gebieden die naar verwachting als gevolg van de klimaatverandering geschikter zullen worden voor dergelijke habitats en soorten, waarbij ruimte wordt vrijgemaakt voor het herstel van ecosystemen en gebieden voor translocaties (zie punt 2.8 van deze bijlage). |
Hoewel de gevolgen van de klimaatverandering tot dusver relatief bescheiden zijn geweest voor Natura 2000-habitats en -soorten, is in sommige studies en initiatieven beoordeeld of nieuwe en/of grotere Natura 2000-gebieden nodig zijn om de verwachte bedreigingen van de klimaatverandering aan te pakken. Zie bijvoorbeeld de verwachte achteruitgang van wetlands aan de kust die van cruciaal belang zijn voor de roerdomp (beschreven in casestudy 5), en de behoefte aan extra beschermde gebieden voor het prioritaire habitattype “bossen met Tetraclinis articulata” (casestudy 8).
|
Casestudy 8: herziening van de behoefte aan nieuwe beschermde gebieden Het prioritaire habitattype van bijlage I bij de habitatrichtlijn “bossen met Tetraclinis articulata” (HR 9570*) is beperkt tot het zuidoosten van Spanje en Malta. Een studie in Spanje heeft de mogelijke gevolgen van klimaatverandering voor dit bostype geëvalueerd door de verandering in de verspreiding van dit bostype te analyseren in twee scenario’s (A2 en B2). In scenario B2 zal het bestaande netwerk van reservaten hoogstwaarschijnlijk voldoende zijn om de soort te beschermen. In dit scenario zal het potentiële gebied voor het bostype zich uitbreiden en zullen de huidige en toekomstige potentiële habitats elkaar gedeeltelijk overlappen. De meeste reservaten liggen dicht genoeg bij elkaar om de soort door verspreiding over korte afstanden te laten migreren. In scenario A2 zou huidige kusthabitat verloren gaan. Hoewel twee bestaande reserves in het binnenland geschikt zouden zijn, is de kans op natuurlijke vestiging laag, omdat Tertaclinis articulata een beperkt verspreidingsvermogen heeft en de huidige en toekomstige potentiële verspreidingsgebieden elkaar niet overlappen.
|
Een aantal studies heeft modelleringsbenaderingen gebruikt om de veerkracht van netwerken van beschermde gebieden in verschillende klimaatveranderingsscenarios te onderzoeken (16) (17) (18).
Momenteel blijkt uit de beschikbare gegevens dat er op korte termijn waarschijnlijk geen dringende noodzaak zal zijn om veel Natura 2000-gebieden aan te wijzen of uit te breiden als gevolg van directe bedreigingen van de klimaatverandering, met de belangrijke uitzondering van gebieden die door toenemende extreme gebeurtenissen worden bedreigd (bv. voor casestudy 5 over de roerdomp),. Op middellange tot langere termijn kunnen radicalere veranderingen in het Natura 2000-netwerk nodig zijn, afhankelijk van de ernst en het tempo van verdere klimaatverandering. Deze moeten op coherente en systematische wijze worden gepland.
Los van de voordelen van uitbreiding moeten de grenzen van Natura 2000-gebieden mogelijk worden aangepast om rekening te houden met de gevolgen van de klimaatverandering. Dergelijke aanpassingen kunnen nodig zijn in geval van grote structurele veranderingen, zoals onvermijdelijke kusterosie of omzetting van zoetwaterhabitats in ecosystemen met brak water. Minder ingrijpende en kleinschalige aanpassingen kunnen ook in toenemende mate nodig zijn om de bescherming van specifieke Natura 2000-habitats en -soorten te handhaven wanneer deze aanzienlijk verder gaan dan de bestaande grenzen. De meeste Natura 2000-gebieden hebben echter grenzen die in grote lijnen zijn vastgesteld voor meerdere habitats en soorten. Bovendien kunnen bestaande Natura 2000-habitats en -soorten, wanneer ze zich verplaatsen (of uitsterven), door andere habitats en soorten worden vervangen. Daarom is het mogelijk dat de noodzaak van grensaanpassingen met betrekking tot specifieke Natura 2000-habitats en -soorten in de praktijk niet vaak voorkomt.
2.3. Aanpak van de belangrijkste drukfactoren en bedreigingen, en herstel van ecosystemen
Uit de rapportage op grond van artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn blijkt dat een aanzienlijk deel van de Natura 2000-habitats en -soorten een ongunstige staat van instandhouding heeft en aan een breed scala van frequente en hoge druk onderhevig is. Voor de meeste habitats en soorten en een groot deel van de gebieden is er dus ruimte voor no-regretmaatregelen die kunnen bijdragen tot robuustere ecosystemen.
Om deze aanpassingsmaatregelen in de praktijk te brengen, moeten drukfactoren en bedreigingen voor habitats en soorten die door klimaatverandering worden bedreigd, binnen en buiten het netwerk, uitgebreid worden beoordeeld en moeten passende maatregelen worden vastgesteld om deze waar mogelijk tot onbeduidende niveaus terug te brengen. Idealiter zou dit deel moeten uitmaken van een alomvattende beheerplanning, door middel van participatieve benaderingen waarbij alle belangrijke belanghebbenden worden betrokken (zie bijlage 3, punt 1.2).
Hoewel alle drukfactoren en bedreigingen moeten worden beoordeeld, moet aandacht worden besteed aan de drukfactoren en bedreigingen die waarschijnlijk zullen toenemen als gevolg van factoren die de klimaatverandering beïnvloeden:
|
— |
hoge temperaturen in de zomer:
|
|
— |
weinig regenval in de zomer, en frequentere en ernstigere perioden van droogte:
|
|
— |
veel regenval in de winter en extreme regenval:
|
|
— |
zeespiegelstijging en toename van stormvloed aan de kust:
|
Naast deze klimaatgerelateerde drukfactoren zijn er vaak andere antropogene drukfactoren die op landschapsschaal moet worden aangepakt, waaronder:
|
— |
luchtverontreiniging (bv. eutrofiëring door stikstofdepositie); |
|
— |
waterverontreiniging stroomopwaarts of in het mariene milieu (bv. eutrofiëring uit industriële en stedelijke puntbronnen, aquacultuur en nutriëntenrijke afvloeiing van landbouwgrond); |
|
— |
hydromorfologische drukfactoren (rechttrekken van rivieren en opstuwingen van water) en verstorings- en versnipperingseffecten van infrastructuurontwikkelingen. |
Om habitats en soorten zo goed mogelijk bestand te maken tegen de extra druk van de klimaatverandering, is het van essentieel belang deze drukfactoren aan te pakken door middel van samenwerking met de relevante autoriteiten, onder meer met betrekking tot maatregelen in het kader van de kaderrichtlijn water, de kaderrichtlijn mariene strategie (19) en de overstromingsrichtlijn.
Een benadering om de externe druk aan te pakken die vaak wordt aanbevolen in de richtsnoeren voor aanpassing aan de klimaatverandering, is het creëren van bufferzones (20). Een van de voordelen ervan is dat ze het gebied waarop de nodige beschermingsmaatregelen van toepassing zijn, kunnen vergroten zonder de grotere bestuurlijke complexiteit en belasting van de aanwijzing als Natura 2000-gebied of een andere vorm van beschermd gebied. Maar ze kunnen nog steeds een vorm van nieuwe bestuurlijke en rechtsgrondslag vereisen, zoals is gebeurd in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg, die een bufferzone rond één Natura 2000-gebied heeft aangewezen door een lokale verordening uit te vaardigen waarin regels voor bufferzone I en bufferzone II zijn vastgelegd (21).
Bufferzones kunnen selectief zijn wat betreft het landgebruik en de activiteiten die in de bufferzone worden gereglementeerd (bv. het verbieden van zeer verstorende activiteiten), wat de aanvaardbaarheid ervan voor belanghebbenden kan vergroten. De rol van de bufferzone is om habitatverlies te voorkomen of zelfs herstel te stimuleren, bijvoorbeeld door het omploegen van graslanden te voorkomen om het habitatgebied in stand te houden. Bufferzones kunnen ook bijdragen tot een betere connectiviteit, hoewel dit niet hun primaire doel mag zijn, aangezien specifiek ontworpen maatregelen voor dergelijke doeleinden moeten worden gebruikt.
Daarom moet, waar aanpassing aan de klimaatverandering nodig is, rekening worden gehouden met de potentiële voordelen van bufferzones, maar moeten deze worden afgewogen tegen de grotere potentiële bescherming en beheermogelijkheden die de aanwijzing als beschermd gebied biedt.
Het vergroten van de veerkracht en het aanpassingsvermogen van het netwerk door de gunstige staat van instandhouding van zijn habitats en soorten te herstellen, is een belangrijke stap. De verordening natuurherstel biedt het kader voor de uitvoering van verdere herstelmaatregelen voor de ecosystemen binnen en buiten het Natura 2000-netwerk. De nationale herstelplannen die in het kader van de verordening natuurherstel moeten worden opgesteld, bieden de lidstaten de gelegenheid om een wetenschappelijk onderbouwde, coherente en geïntegreerde aanpak te hanteren om de herstelmaatregelen te identificeren die nodig zijn om de hersteldoelstellingen te verwezenlijken en te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 4, 5 en 8 tot en met 13 van de verordening, en om bij te dragen tot de biodiversiteits- en klimaatdoelstellingen van de EU die zijn verankerd in de natuur- en klimaatwetgeving van de EU.
Herstelmaatregelen kunnen de aanpassing aan de klimaatverandering ondersteunen door de toestand, representativiteit en connectiviteit (ook door regeneratie) van habitats en habitats van soorten in het hele netwerk en, indien nodig, daarbuiten te verbeteren. Daarom moet bij het opstellen of herzien van de nationale herstelplannen terdege rekening worden gehouden met de behoeften op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering van het Natura 2000-netwerk.
2.4. Omgaan met extreme gebeurtenissen in verband met de klimaatverandering
Hoewel veel ecosystemen zijn aangepast aan periodieke verstoringen, kunnen extreme gebeurtenissen zoals droogte, overstromingen, stormen en ernstige natuurbranden bijzonder schadelijk zijn voor sommige Natura 2000-habitats en -soorten. Sommige Natura 2000-gebieden kunnen ook bijzonder gevoelig zijn voor dergelijke gebeurtenissen. Zoals besproken in bijlage 1, punt 2, komen extreme weersomstandigheden en natuurbranden steeds vaker en in hevigere vorm voor als gevolg van de klimaatverandering, en deze trend zal zich naar verwachting in alle waarschijnlijke scenario’s voortzetten.
Daarom is het al nodig om te plannen hoe extreme gebeurtenissen in Natura 2000-gebieden en in het bredere landschap waar dit van invloed kan zijn op het gebied (bv. binnen stroomgebieden van rivieren), kunnen worden beheerd. Dit moet erop gericht zijn de frequentie van dergelijke gebeurtenissen waar mogelijk te verminderen en de effecten ervan te beheersen en te verminderen wanneer ze zich voordoen. Aangezien deze extreme gebeurtenissen vaak gepaard gaan met sociaal-economische gevolgen die een bedreiging vormen voor de bestaansmiddelen en zelfs de levens van de lokale bevolking, is het van essentieel belang dat bij de planning rekening wordt gehouden met deze gerelateerde kwesties. In veel gevallen biedt een goed beheer van Natura 2000-gebieden zelfs mogelijkheden voor op de natuur gebaseerde oplossingen om de gevolgen van extreme gebeurtenissen, zoals overstromingen van kustgebieden (casestudy 5) of fluviale overstromingen (casestudy 11), te verzachten.
Wanneer Natura 2000-gebieden een bijzonder hoog risico op extreme gebeurtenissen lopen en hier een groot deel van een Natura 2000-habitat of -soortenpopulatie voorkomt, moet worden overwogen om aanvullende maatregelen te nemen in andere gebieden of gebieden die het risico voor de meest bedreigde Natura 2000-habitats en -soorten kunnen verminderen. Dit kan bijvoorbeeld het verhogen van de bescherming omvatten door het aanwijzen van andere Natura 2000-gebieden, het vergemakkelijken van de verplaatsing van soorten naar andere gebieden en, indien nodig, translocatie (zoals besproken in punt 2.8 van deze bijlage).
2.4.1.
Klimaatverandering draagt bij tot een toename van het aantal, de omvang en de ernst van natuurbranden (hoofdstuk 3, punt 3.3.1, en bijlage 1, punt 2.4). Hoewel deze toenemende bedreiging wordt erkend, moet de beheersing van het risico op natuurbranden in Natura 2000-gebieden ervoor zorgen dat het verenigbaar is met de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden en met het behoud van de biodiversiteit, ecosystemen en landschappen (zie hoofdstuk 2, punt 2.3.5).
Om risico’s in Natura 2000-gebieden doeltreffend te beheren zonder de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar te brengen (of zelfs de ecosysteemprocessen te verbeteren), moet de paraatheid voor natuurbranden die afhankelijk is van traditionele beschermingsinfrastructuren en interventies in het kader van geïntegreerde beheersing van het risico op natuurbranden, worden aangevuld met landschaps- en ecosysteemgebaseerde preventie. Afhankelijk van de lokale context kan dit landschapsbeheer en -planning, herstel van ecosystemen, passend beheer van brandstof (biomassa) door uitdunning, voorgeschreven afbranding en begrazing, herbebossing met de nadruk op meer diverse bossoorten en het aanpassingsvermogen ervan aan verstoringen, beheer van bossen op een manier die dichter bij de natuur staat (22), en bevordering van geïntegreerd bestuur voor de preventie van natuurbranden omvatten.
Een van de meest doeltreffende strategische manieren om de potentiële risico’s en gevolgen van natuurbranden te beperken, is door landschapsplanning waarmee multifunctionele veerkrachtige mozaïeklandschappen worden gehandhaafd of hersteld. Preventie van natuurbranden moet een prioriteit zijn in landschapsplanning (75), waarbij ernaar wordt gestreefd het risico te verminderen door middel van gericht beheer van de hoeveelheid en de connectiviteit van brandstof om de brandvoortplantingssnelheid te verminderen, het potentieel voor brandbestrijding te vergroten en de brandschade te beperken (23). Praktijken zoals het onderhoud van meerjarige gewassen en agrobosbouwsystemen zijn belangrijke instrumenten bij het creëren van deze veerkrachtige landschappen.
Ecosysteemgebaseerde brandstofbeheertechnieken omvatten uitdunning, voorgeschreven afbranding en extensieve begrazing. Uitdunning houdt in dat bomen selectief worden verwijderd om de bosdichtheid te verlagen en een veerkrachtigere structuur te creëren, bijvoorbeeld door een brandgang te creëren tussen de ondergroei en de kroonbedekking. Met het oog op de bescherming tegen natuurbranden is aangetoond dat uitdunning efficiënter is in combinatie met voorgeschreven afbranding, althans in gematigde naaldbossen (24).
Goed geplande voorgeschreven afbranding is een kosteneffectief hulpmiddel dat natuurlijke brandregimes kan nabootsen, waardoor de gezondheid van bossen en de biodiversiteit worden verbeterd. Tegelijkertijd vermindert het de kans op branden met een hoge intensiteit in ecosystemen die zijn aangepast aan branden met een lage of gemengde intensiteit, zoals sommige graslanden, mediterrane bossen en struikgewassen, gematigde heidevelden en boreale bossen (taiga). Een goede praktijk van de EU met voorgeschreven afbranding is het LIFE Taiga-project (25), waarin de techniek is gebruikt om boreale bossen te herstellen die te veel worden gedomineerd door sparren of dennen en waar geen dood hout voorkomt. Voorgeschreven afbranding in bepaalde bijzonder kwetsbare of waardevolle habitattypen, zoals primaire bossen en oerbossen, kan alleen als toelaatbare activiteit worden beschouwd indien uit een beoordeling blijkt dat een dergelijke maatregel geschikt is voor de instandhoudingsdoelstellingen. Hoewel in sommige lidstaten het potentieel van voorgeschreven afbranding niet is benut (onder meer als gevolg van aansprakelijkheidskwesties en risicomijdend beleid waarbij prioriteit wordt gegeven aan brandbestrijding en de “brandbestrijdingsval” wordt bestendigd), is een paradigmaverschuiving nodig, met name in het Middellandse Zeegebied (26).
Veel HR-habitats (bv. soorten seminatuurlijke graslanden, heidegebieden en sclerofiel struikgewas) zijn afhankelijk van begrazing door vee als onderdeel van traditionele landbouwsystemen met een lage intensiteit en hoge natuurwaarde (27), waaronder traditionele bosbegrazing. Daarbij gaat het om extensieve begrazing door verschillende veesoorten, graslandbeheer en/of nomadische veeteelt met resistente rassen die beter zijn aangepast aan de omgeving. Sociaal-economische problemen en nadelen in verband met natuurlijke of andere specifieke beperkingen hebben geleid tot wijdverbreide stopzetting van landbouw met een hoge natuurwaarde, met name in afgelegen en bergachtige gebieden, waardoor veel Natura 2000-gebieden werden getroffen, waarbij 11 % van de landbouwgrond in de EU en het Verenigd Koninkrijk een hoog risico liep op leegloop (28). Zonder begrazing verandert verlaten land van nature in struikgewas en uiteindelijk in bos. Op verlaten landbouwgrond komt ook bosaangroei voor, vaak van zeer brandbare soorten, wat bijdraagt tot een toename van de brandstofconcentratie en het brandgevaar (29). Hoewel een gebrek aan menselijke activiteit soms voordelen voor de biodiversiteit kan hebben, is het vooral schadelijk geweest (30) voor met name seminatuurlijke niet-bosachtige HR-habitats en veel geassocieerde soorten. Om die redenen ligt de nadruk van veel beheersmaatregelen binnen Natura 2000-gebieden voor seminatuurlijke habitats op het behoud van traditionele veehouderijpraktijken met een hoge natuurwaarde, vaak via de ondersteuning van maatregelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) (31). Dit biedt op zijn beurt aanzienlijke voordelen in termen van vermindering van het brandrisico, met name van grote en ernstige branden. De kosteneffectiviteit van het gebruik van vee om het risico op natuurbranden te verminderen, is aangetoond in een aantal studies en projecten (32) (33) (34), zoals het project LIFE LANDSCAPE FIRE en het project GrazeLIFE (casestudy 9).
|
Casestudy 9: aanbevelingen van GrazeLIFE inzake begrazing en preventie van natuurbranden Het LIFE-programmaproject van de EU “GrazeLIFE: Grazing for wildfire prevention, ecosystem services, biodiversity and landscape management” (Begrazing voor de preventie van natuurbranden, ecosysteemdiensten, biodiversiteit en landschapsbeheer) werd uitgevoerd in de periode 2019-2021 en geleid door Rewilding Europe. Daarin werd beoordeeld hoe landgebruiksmodellen die gebaseerd zijn op begrazing door vee en semi-wilde herbivoren, (kosten)effectieve oplossingen kunnen bieden voor milieu-uitdagingen, waaronder klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, bodemaantasting, en verhoogde frequentie en ernst van bosbranden. Resultaten van het project met betrekking tot brandrisico Resultaten (gebaseerd op literatuur en studies in Velebit in Kroatië, de Coavallei in Portugal en Galicië in Spanje) Uit veldstudies in de mediterrane en zuidelijke Atlantische gebieden blijkt dat extensief begraasde gebieden minder te lijden hebben van grootschalige natuurbranden dan omliggende gebieden die worden verwaarloosd (waar struikgewas gaat groeien) of waar monoculturen van dennen of eucalyptus opschieten. Extensieve begrazing beperkt de bedekking met hoge grassen, doornstruiken en struikgewas, wat leidt tot verticale discontinuïteit van de vegetatie en vermindering van het brandrisico. Gemengde groepen grazers zijn vooral doeltreffend in het creëren van natuurlijke brandgangen. In de praktijk zijn het beheersbeleid en de subsidies echter voornamelijk gericht op brandbestrijding of — in het geval van preventiebeleid — op machinaal maaien in plaats van begrazing te overwegen. Tegelijkertijd zijn er zelfs steeds meer aanwijzingen dat beleidsmaatregelen ter bevordering van volledige brandbestrijding (d.w.z. het voorkomen van alle branden) leiden tot langdurige accumulatie van brandstof en bijgevolg tot grotere en intensere branden in de toekomst. Gevolgen Het gebruik van herbivoren om de brandstofconcentratie te verminderen, is een veelbelovende beheerstrategie om de ophoping van brandbaar materiaal te voorkomen en natuurbranden op een relatief goedkope en duurzamere manier te beperken. Het brandbestrijdingsbeleid moet daarom een aanpak volgen die het gebruik van herbivoren ondersteunt als een kosteneffectieve manier om de brandstofconcentratie te verminderen, in combinatie met voorgeschreven afbranding of andere mechanische beheermaatregelen.
|
Zodra zich een natuurbrand voordoet, moeten beheersbesluiten worden genomen, meestal binnen een kort tijdsbestek (zie punt 2.3.5). Idealiter zouden noodplannen ter ondersteuning van deze besluiten vooraf moeten worden opgesteld en kunnen ze in Natura 2000-beheerplannen worden geïntegreerd. In veel ecosystemen komen branden van tijd tot tijd voor als onderdeel van hun natuurlijke dynamiek, en verschillende soorten (dieren en planten) zijn ervan afhankelijk of hebben er baat bij. In dergelijke gevallen kan, na een analyse per geval, ingrijpen na een brand (d.w.z. waardoor het ecosysteem zich op natuurlijke wijze kan herstellen) niet als een beheersoptie worden beschouwd. In dit verband mogen natuurbranden met een lage of matige intensiteit in ecosystemen die daaraan zijn aangepast, niet als verslechtering worden geïnterpreteerd (37).
Opruimingskap na brand (het kappen en verwijderen van afgebrande boomstammen) kan in sommige gevallen de regeneratie van bossen belemmeren. Het kan de bodemerosie en verdichting doen toenemen, de beschikbaarheid van nutriënten verminderen, zaailingen beschadigen en de biodiversiteit verminderen. In Natura 2000-gebieden kunnen minder agressieve behandelingen na een brand worden aanbevolen. Gedeeltelijk kappen plus snoeien (d.w.z. de meeste bomen vellen, de grootste takken snoeien en de biomassa in zijn geheel of gedeeltelijk ter plaatse achterlaten) is in mediterrane bossen succesvol gebleken. Werken voor erosiebestrijding en overstromingsbeheersing zoals barrières van boomstronken/-stammen, houten dammen en grondbedekking hebben hun waarde reeds bewezen in bepaalde situaties waarin afvloeiing en erosie na een brand moesten worden beperkt (38).
In sommige gevallen kan de enige haalbare oplossing voor het bereiken van een aanvaardbaar niveau van biodiversiteit bestaan uit herstel door herbebossing. Herbebossing in Natura 2000-gebieden moet het gebruik van inheemse soorten (en, nog specifieker, lokale en/of aan het klimaat aangepaste genotypen) bevorderen om veerkrachtige en biodiverse landschappen te creëren, en in overeenstemming zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden. Gezien hun geringere brandgevoeligheid, moet ook de voorkeur worden gegeven aan loofbomen in plaats van naaldbomen (39). Bovendien kan het in sommige gevallen gerechtvaardigd zijn het gebruik te onderzoeken van andere soorten die de veerkracht van het ecosysteem tegen klimaatverandering kunnen vergroten (bv. het gebruik van Tetraclinis articulata in xerische infra- en thermo-mediterrane ecosystemen). De Commissie heeft specifieke richtsnoeren verstrekt voor biodiversiteitsvriendelijke herbebossing (40) en bosbeheer.
Casestudy 10 is een voorbeeld van geïntegreerde landschaps- en bosbeheermaatregelen die zijn genomen om de gevolgen van natuurbranden in mediterrane bossen te verminderen. Verdere voorbeelden van LIFE-projecten en richtsnoeren zijn te vinden in de bibliografie.
|
Casestudy 10: aanpassing van mediterrane bossen aan de klimaatverandering — LIFE NORTENATUR (Portugal) De klimaatverandering heeft aanzienlijke gevolgen voor de mediterrane bossen en de daarmee samenhangende ecosysteemdiensten. Daarom zijn aanpassingsmaatregelen nodig, met name om de bedreiging als gevolg van natuurbranden te verminderen. Momenteel nemen veel Zuid-Europese landen aanpassingsmaatregelen, waaronder:
Een voorbeeld van een dergelijk plan is ontwikkeld in het door LIFE gefinancierde project NORTENATUR. In 2003 verwoestte een rampzalige brand grote delen van de eikenbossen (Quercus) in Alentejo in Portugal, met gevolgen voor de Natura 2000-gebieden São Mamede en Nisa-Lage da Prata. Het gebrek aan beheer van deze bosgebieden werd geïdentificeerd als de belangrijkste oorzaak van de verspreiding van brand. Het NORTENATUR-project was bedoeld om duurzame beheerpraktijken voor deze Natura 2000-gebieden te testen. Door de samenwerking tussen nationale autoriteiten, universiteiten en lokale bosproducenten te bevorderen, werd met het project getracht een alomvattend beheersplan op te stellen waarin Quercus montados (halfopen eikenbos-weidelandschap) en de bijbehorende habitats worden geïntegreerd in bestaande juridische planningsinstrumenten. Specifieke doelstellingen waren onder meer het ontwikkelen van beschermingsstrategieën tegen natuurbranden, het toepassen van duurzame praktijken voor landgebruik en het herstellen van beschadigde ecosystemen. Belangrijke proefprojecten omvatten het bouwen van barrières om erosie te bestrijden, het planten van oevervegetatie, het afschermen van kwetsbare gebieden, het beheersen van de veedichtheid, het herstellen van oeverhabitats en het elimineren van invasieve soorten. Het project implementeerde ook bewakingsmaatregelen om struikgewas met Juniperus te beschermen en startte bewustmakingsactiviteiten voor de lokale gemeenschap. Het project heeft met succes beheersinstrumenten en demonstratieve praktijken ontwikkeld ter ondersteuning van toekomstige instandhoudingsinspanningen. Het in kaart brengen van habitats en GIS-gegevens heeft geleid tot een ontwerpbeheerplan en een beschermingsplan voor prioritaire habitats ter voorkoming van natuurbranden. De betrokkenheid van landeigenaren, lokale autoriteiten en belanghebbenden heeft het duurzame beheer en de bescherming van deze habitats op lange termijn verbeterd.
|
2.4.2.
Dit type maatregel is met name relevant voor twee zeer verschillende ecosystemen: bossen en kusthabitats. Typische aanpassingsmaatregelen in bossen die grootschalige schade helpen voorkomen en tegelijkertijd de veerkracht van ecosystemen en de biodiversiteit in stand houden, omvatten maatregelen om de diversiteit van bossen wat betreft de leeftijd van bomen en de samenstelling van soorten te waarborgen.
Aan de kust heeft stormbescherming van oudsher betrekking op de bouw van zeeweringen, golfbrekers (structuren die de stroming langs de kust en sedimentvorming langs de kust beperken) en het bijvullen van zand, kiezels of rotsen als barrières langs de kustlijn. Deze maatregelen kunnen kostbaar zijn en schade aan ecosystemen veroorzaken, bijvoorbeeld door de beweging van habitats landinwaarts te beperken (bekend als “inklemming van de kust”). Dit kan het verlies van getijdenhabitats als gevolg van de zeespiegelstijging en erosie verergeren. Gezien deze hoge kosten, wordt in toenemende mate erkend dat sommige habitats zoals kwelders (typen 1310, 1320 en 1330 van bijlage I bij de habitatrichtlijn) erosie kunnen verminderen en doeltreffende barrières kunnen vormen voor stormvloeden als een op de natuur gebaseerde oplossing (42). Als gevolg daarvan hebben programma’s voor de herinrichting van kustgebieden de mogelijkheid geboden om getijdenhabitats in Natura 2000-gebieden opnieuw tot stand te brengen (zie bijvoorbeeld casestudy 5).
Daarom wordt aanbevolen dat beheerders van Natura 2000-gebieden de opties voor herinrichting van kustgebieden of soortgelijke initiatieven overwegen die zowel kunnen bijdragen tot de bescherming van het gebied tegen overstromingen als tot het herstel van habitats en de recreatie, alsook tot de bescherming tegen overstromingen van habitatgebieden en landbouwgrond. Het is echter ook belangrijk om rekening te houden met de mogelijke verliezen van sommige habitattypen als gevolg van herinrichting en toegenomen stroom landinwaarts van zout water.
2.4.3.
Zoals besproken in hoofdstuk 3, punt 3.3.2, kan in Natura 2000-gebieden of hoger in het stroomgebied een aantal maatregelen worden genomen om de gevolgen van ongewenste veranderingen in de frequentie, diepte en seizoensgebondenheid van overstromingen als gevolg van klimaatverandering te verminderen. Deze kunnen onder meer bestaan uit een aantal op de natuur gebaseerde oplossingen die extra nevenvoordelen kunnen opleveren voor habitats en soorten, en tegelijkertijd uit kosteneffectieve mitigatie van overstromingen voor bewoners en landeigenaren die het risico lopen te maken te krijgen met toenemende overstromingseffecten (43) (44).
Op de natuur gebaseerde oplossingen kunnen het volgende omvatten:
|
— |
maatregelen om afvloeiing te verminderen, zoals het blokkeren van sloten (bv. in venen), herbeplanting en regeneratie van bossen of andere vegetatie, en bodembeheer; |
|
— |
het gebruik van natuurlijke barrières om de afstroming te vertragen; |
|
— |
maatregelen om gekanaliseerde rivieren en andere waterlopen opnieuw te ontwerpen om meanderende stromen te creëren en ook de stroomsnelheid naar stroomafwaarts gelegen overstromingsgevoelige gebieden te vertragen; |
|
— |
in uiterwaarden en andere overstromingsgebieden, maatregelen om op geschikte locaties dijken te verwijderen, te verlagen of naar achteren te plaatsen om habitats te herstellen en tegelijkertijd voordelen voor de verlichting van overstromingen te bieden. |
Dergelijke maatregelen moeten zorgvuldig worden ontworpen en in overeenstemming zijn met de ecologische vereisten van de Natura 2000-habitats en -soorten in de gebieden.
Hoewel dergelijke natuurlijke overstromingsbeheermaatregelen de gevolgen van de klimaatverandering voor Natura 2000-habitats en -soorten kunnen verminderen en meervoudige voordelen kunnen opleveren, moeten ze zorgvuldig worden overwogen en ontworpen, samen met technische deskundigen en in overleg met alle belanghebbenden. Slecht ontworpen of ongeschikte overstromingsmaatregelen kunnen schadelijk zijn voor sommige Natura 2000-habitats en -soorten. Het verlagen van overstromingsbanken op overstromingsvlakten kan bijvoorbeeld leiden tot buitensporige of te frequente overstromingen, wat kan leiden tot schadelijke veranderingen in habitattypen, zoals van natte graslanden van bijlage I bij de habitatrichtlijn (bv. laagland hooiweiden HR 6510) tot waterrijke vegetatie die van lagere natuurbehoudswaarde kan zijn.
Een voorbeeld van hoe overstromingsbeheer en het herstel van de habitat van watergebieden wederzijdse voordelen kunnen opleveren, wordt gegeven in de casestudy over de Donaucorridor, zoals hieronder samengevat in casestudy 11.
|
Casestudy 11: groene corridor aan de benedenloop van de Donau De uiterwaarden van de benedenloop van de Donau hebben historische transformaties ondergaan als gevolg van de bouw van dijken voor landbouw- en andere ontwikkelingsdoeleinden. Deze ingrijpende veranderingen in het landschap hebben zware overstromingen verergerd, die verwoestende gevolgen hebben gehad voor de lokale bevolking en miljoenen euro’s aan schade hebben veroorzaakt. Deze extreme weersomstandigheden zullen naar verwachting vaker voorkomen als gevolg van de klimaatverandering. Om de omgeving van de Donau te beschermen en overstromingen te beperken, hebben Bulgarije, Moldavië, Roemenië en Oekraïne de overeenkomst inzake de groene corridor aan de benedenloop van de Donau ondertekend. De overeenkomst heeft tot doel wetlands langs de rivier met elkaar te verbinden, te behouden en te herstellen door 995 000 ha te beschermen en 224 000 ha aan overstromingsgebieden, waaronder talrijke Natura 2000-gebieden, te herstellen. De overeenkomst vermindert niet alleen het risico en de sociaal-economische gevolgen van overstromingen, maar ondersteunt ook duurzame ontwikkeling door de lokale economie te versterken (bv. door middel van duurzame visserij en duurzaam toerisme). De daaruit voortvloeiende inspanningen voor de bescherming en het herstel van overstromingsgebieden — uitgevoerd via verschillende LIFE-projecten — hebben een reeks positieve resultaten opgeleverd, waaronder een betere aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering, verrijkte biodiversiteit en ecosysteemdiensten, verhoogde capaciteit voor het vasthouden van water en het mitigeren van overstromingen, en gediversifieerde op de natuur gebaseerde inkomens. De volgende lessen kunnen worden getrokken uit belangrijke factoren die hebben bijgedragen tot het succes van het project: de noodzaak om zorgvuldig rekening te houden met de complexiteit van de betrokken ecosysteemtypen, dimensies en natuurlijke processen, verschillende hersteltechnieken te testen, adaptieve beheersopties toe te passen en de effecten eerst op lokale schaal te monitoren, voortrekkers in de vorm van ngo’s te faciliteren, gerichte beleids- en juridische ondersteuning te bieden, samen met strategisch denken, eigendomsrechten aan te pakken en lokale actoren erbij te betrekken.
|
2.5. Verbetering van de abiotische omstandigheden voor bijzonder kwetsbare habitats en soorten
Voor de meest kwetsbare Natura 2000-habitats en -soorten kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn om hun veerkracht te vergroten, aangezien de klimaatverandering naar verwachting de omstandigheden van Natura 2000-gebieden, met name de hydrologie ervan, zal veranderen. Het behoud van de hydrologische integriteit van een gebied is vaak van cruciaal belang om de doelstellingen voor soorten en habitats te verwezenlijken, en dit zal in veel gebieden steeds moeilijker worden naarmate perioden van droogte en overstromingen in frequentie en ernst toenemen.
Andere veranderingen in de toestand van gebieden worden verwacht als gevolg van hogere temperaturen en hogere concentraties kooldioxide in de atmosfeer. De verwachte veranderingen omvatten hogere vegetatiegroeipercentages en een langer groeiseizoen in veel delen van Europa (behalve waar dit wordt beperkt door zeer hoge temperaturen en lage neerslag), wat resulteert in een toename van de opbouw van biomassa en nutriënten. Voor grasland leidt klimaatverandering tot het vervroegen van het maaien en een toename van het aantal maaibeurten.
Gebiedsbeheerders moeten daarom de belangrijkste bedreigingen van de klimaatverandering in hun gebied identificeren (op basis van de risico-/kwetsbaarheidsbeoordelingen zoals beschreven in bijlage 3, punt 1.2, en bijlage 4, punt 2.1) die waarschijnlijk van invloed zullen zijn op de belangrijkste abiotische kenmerken van het gebied met betrekking tot de Natura 2000-habitats en -soorten. Maatregelen die de verwachte effecten en de gevolgen ervan voor de habitats en soorten kunnen tegengaan, moeten vervolgens worden geïdentificeerd en geprioriteerd, idealiter door de maatregelen in bestaande gebiedsbeheersplannen te integreren.
Er zijn veel maatregelen die kunnen worden genomen om indien nodig de omstandigheden in een gebied te handhaven of te beheren die naar verwachting als gevolg van klimaatverandering zullen veranderen. De maatregelen kunnen algemene acties voor het herstel van ecosystemen en meer gerichte habitat- en soortspecifieke beheersinterventies omvatten. Voorbeelden van dergelijke verbeteringsmaatregelen zijn:
|
— |
het verhogen van de waterretentie in het gebied door bijvoorbeeld het bestaande afvloeiingssysteem aan te passen, vijvers of meren te creëren (casestudy 12), seizoensgebonden overstromingen toe te laten, meandering of waterlopen te herstellen, en herbebossing uit te voeren om de afstroming te vertragen; |
|
— |
zorgen voor voldoende watervoorziening in tijden van droogte door het ontwikkelen van waterretentiebekkens (bv. voor moeraswatervogels, vennen en meren); |
|
— |
zorgen voor voldoende waterafvoer uit het gebied tijdens perioden van buitensporige regenval (bv. ter bescherming van droge graslanden en heidegebieden); |
|
— |
meer schaduw van vegetatie op waterlopen (casestudy 13) of andere temperatuurgevoelige habitats; |
|
— |
meer begrazing en/of periodiek maaien van vegetatie om de toename van de vegetatiegroei tegen te gaan (bv. voor graslanden en vennen); |
|
— |
het verwijderen van vegetatie door snijden en/of plaggen, om nutriëntenverrijking tegen te gaan (bv. voor heidegebieden). |
|
Casestudy 12: vijvers voor het behoud van de biodiversiteit en de aanpassing aan de klimaatverandering Vijvers en “vijverlandschappen” (netwerken van vijvers) worden grotendeels verwaarloosd en over het algemeen ondergewaardeerd, maar zijn opmerkelijk belangrijk voor het behoud van de biodiversiteit om de veerkracht van ecosystemen tegen klimaatverandering te vergroten. In het kader van het Horizon 2020-project PONDERFUL wordt onderzocht hoe vijvers als op de natuur gebaseerde oplossingen voor aanpassing aan de klimaatverandering kunnen worden gebruikt door het vijverlandschapbeheer in vier EU-landen (België, Denemarken, Duitsland en Spanje) evenals Zwitserland, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Uruguay te beoordelen. Het doel is betere methoden te ontwikkelen voor het maximaliseren van het gebruik van vijvers en vijverlandschappen bij de aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering, het behoud van de biodiversiteit en de levering van andere ecosysteemdiensten.
|
|
Casestudy 13: vergroting van beschaduwing langs waterlopen (Spanje) De tijd die nodig is voor “thermisch herstel” hangt af van de kenmerken van waterlopen, de lokale topografie en factoren die van invloed zijn op de samenstelling van oevergebonden soorten en het groeitempo ervan. Herplanting van vegetatie zorgt ook voor herstel van inheemse voedselbronnen in het ecosysteem van de waterloop. Boomwortels stabiliseren de oevers en bieden langdurige bescherming tegen erosie. Over het algemeen wordt verwacht dat het herstel van de beschaduwing van waterlopen (en dus de temperatuur) tientallen jaren zal duren en wordt versneld door doelbewuste aanplant. Het is het meest doeltreffend en snelst in beken, waarin de stress van blootstelling aan zonlicht het grootst is. Volledig herstel van functies van waterlopen en oeverzones kan echter eeuwen duren. Het opnieuw aanplanten van oevergebieden was een belangrijke maatregel in 17 % van de 60 Spaanse herstelprojecten.
|
2.6. Verbetering van de heterogeniteit
Het vergroten van de heterogeniteit van het gebied (d.w.z. diversiteit), bijvoorbeeld met betrekking tot structurele elementen, van grote schaal tot microschaal, habitattypen en elementen, kan bijdragen tot het vergroten van de veerkracht van habitats en soorten en hun vermogen om veranderingen op te vangen, bijvoorbeeld door zich binnen het gebied te verplaatsen. Dergelijke verbeteringen zijn normaal gesproken niet ontworpen voor specifieke Natura 2000-habitats of -soorten. In plaats daarvan zijn ze gericht op het verbeteren van de algehele veerkracht van ecosystemen, het creëren van meer overlevingskansen en, indien nodig, het mogelijk maken van verplaatsing binnen het gebied. Het vergroten van de heterogeniteit kan ook de risico’s van toenemende variabiliteit in klimaatverandering verminderen. Variabiliteit in vegetatie en terrein kan er bijvoorbeeld toe leiden dat sommige delen van het gebied in sommige jaren de meest geschikte omstandigheden bieden voor habitats en soorten (bv. zeer droog), terwijl andere delen in andere jaren optimaal kunnen zijn (bv. nat).
Naast de toepassing in Natura 2000-gebieden kunnen maatregelen om de heterogeniteit te vergroten, ook van toepassing zijn op habitatbeheer in het omliggende landschap.
Door proactief beheer kan de variatie in de structuur van de vegetatie in en rond het gebied worden vergroot. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door variaties in landgebruik en habitatbeheer (bv. begrazing, bossamenstelling, waterpeilbeheer) op grote schaal of kleine schaal over een paar meter. De diversiteit van de terreinmorfologie kan ook worden vergroot, bijvoorbeeld door het herprofileren of creëren van nieuwe waterlopen, vijvers, oevers of andere landvormen.
Welke maatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, hangt af van de Natura 2000-habitattypen en -soorten en van de lokale context van het gebied.
2.7. Verbetering van de connectiviteit
In dichtbevolkte en/of intensief gebruikte landschappen (bv. agglomeraties of gebieden die worden gedomineerd door intensieve landbouwgrond of kunstmatige aanplanting) is het voor soorten vaak niet mogelijk zich te verspreiden om metapopulatiestructuren in stand te houden of zich verder te verplaatsen in respons op de klimaatverandering. Waar nodig kunnen maatregelen worden genomen om dergelijke externe beperkingen tot op zekere hoogte te beperken door de belangrijkste vereisten voor soorten te beoordelen en gerichte maatregelen te nemen, zoals corridors en stapstenen.
De meeste Natura 2000-soorten die zich kunnen verspreiden en die aanzienlijk worden beperkt door habitatfragmentatie of andere barrières, zijn habitatspecialisten. Uit gegevens blijkt dat dergelijke soorten normaal gesproken niet veel baat hebben bij corridors (51). Om doeltreffend te zijn, moeten corridors en stapstenen (of soortgelijke elementen waarnaar in ecologische netwerken wordt verwezen) de juiste habitatconditie en -afmetingen hebben (d.w.z. doorgaans meer dan 100 m breed) en zorgvuldig worden geplaatst. In IUCN-richtsnoeren wordt benadrukt dat elke corridor een specifiek doel moet hebben en dienovereenkomstig moet worden ontworpen (52). Andere belangrijke elementen van de IUCN-richtsnoeren zijn samengevat in bijlage 4, tabel 1.
Bijlage 4
Tabel 1: Samenvatting van de grondbeginselen van de IUCN voor ecologische corridors
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
(53) Hilty, J., Worboys, G.L., Keeley, A., et al. (2020), Guidelines for conserving connectivity through ecological networks and corridors, Best Practice Protected Area Guidelines Series No 30, IUCN International Union for the Conservation of Nature, Gland, Zwitserland (https://portals.iucn.org/library/sites/library/files/documents/PAG-030-En.pdf).
|
In het kader van het huidige Horizon Europa-project (2022-2026), NaturaConnect, worden specifiekere richtsnoeren ontwikkeld om de connectiviteit binnen het Natura 2000-netwerk te verbeteren (54). Dit zal bijdragen tot de ontwikkeling van het trans-Europees natuurnetwerk (TEN-N), een doelstelling van de EU-biodiversiteitsstrategie. Tot dusverre omvatten de outputs richtsnoeren voor het behoud en de planning van connectiviteit (55). Verdere studies over het onderwerp connectiviteit zijn te vinden in CORDIS (56).
Voor veel soorten kunnen er grote gaten bestaan in het netwerk van geschikte gebieden. Daarom kan het nodig zijn om geschikte gebieden met elkaar te verbinden door nieuwe habitatvlekken te creëren. De noodzaak van dergelijke maatregelen wordt toegelicht en geïllustreerd in bijlage 4, figuur 1. Daartoe biedt de verordening natuurherstel het kader om maatregelen te nemen om de toestand te verbeteren of habitattypen en habitats van soorten te herstellen met het oog op lopende en verwachte veranderingen in de milieuomstandigheden als gevolg van klimaatverandering, ook binnen en buiten het Natura 2000-netwerk.
Bijlage 4
Figuur 1: Illustratief voorbeeld van het creëren van nieuwe habitatvlekken om ruimtelijke gaten op te vullen
Groene gebieden: gekoloniseerde geschikte habitat
Rode gebieden: niet-gekoloniseerde geschikte habitat
Blauwe gebieden: nieuwe habitatvlekken
Gele gebieden: ongeschikte habitat
Voor soort x is momenteel alle geschikte habitat in de geschikte klimaatzone bezet (groene gebieden in kader a). In de toekomst (kader b) is de geschikte klimaatzone verschoven als gevolg van klimaatverandering. Hoewel het klimaat in de rode gebieden geschikt is geworden, zijn ze niet gekoloniseerd, omdat de soort de nieuwe gebieden niet kan bereiken (gat in het netwerk is te groot (knelpunt in het netwerk bij pijl). Door nieuwe habitatvlekken te creëren (blauwe gebieden in figuur c), kan de soort alle geschikte habitatgebieden van het netwerk binnen de geschikte klimaatzone koloniseren (figuur d).
|
Bron: |
Europese Commissie (2013) (57). |
Door de doorlaatbaarheid van de habitatmatrix tussen hoogwaardige habitatvlekken te vergroten, kan de werking van stapstenen en corridors worden verbeterd door de verplaatsing van soorten te vergemakkelijken en de connectiviteit in het hele landschap te verbeteren (58). Dit betekent dat de algemene kwaliteit van de omgeving moet worden verbeterd, zodat die minder vijandig is jegens in het wild levende dieren. Het is belangrijk de heterogeniteit van habitats in het bredere landschap in stand te houden of te vergroten, met name door de instandhouding van seminatuurlijke habitats (59) (60) (61) . Deze omvatten plekken seminatuurlijk grasland, heide en struikgewas, bossen, waterlopen, wetlands en elementen zoals inheemse bomen, rotsachtig terrein en keien enz.
Landschapselementen zoals heggen, akkerranden, sloten en vijvers dragen ook bij aan de heterogeniteit van habitats en ondersteunen de biodiversiteit. De habitatrichtlijn erkent de ecologische functies van dergelijke landschapselementen en het vermogen ervan om bij te dragen tot de samenhang van het Natura 2000-netwerk. Op grond van artikel 3, lid 3, en artikel 10 van de habitatrichtlijn moeten de lidstaten, wanneer ze dat nodig achten, landschapselementen zoals rivieren of traditionele vormen van akkerbegrenzing (bv. heggen), vijvers of kleine bossen beheren en ontwikkelen.
Hoewel deze vereiste ter beoordeling van de lidstaten staat, is in een studie uit 2007 (62) geconcludeerd dat deze maatregelen in beginsel moeten worden genomen wanneer de lidstaten ze noodzakelijk achten om de algemene doelstellingen van de richtlijnen te verwezenlijken (d.w.z. het handhaven of herstellen van een gunstige staat van instandhouding). In de vogelrichtlijn ontbreken dergelijke specifieke bepalingen inzake landschapselementen, maar in artikel 3, lid 2, wordt aangegeven dat het algemene vereiste voor het behoud, het onderhoud en het herstel van habitats niet alleen tot beschermde gebieden beperkt is (63). Gezien de noodzaak om de connectiviteit op het platteland te vergroten en de algemene milieukwaliteit van het bredere landschap te verbeteren, moeten de lidstaten ervan uitgaan dat er stappen nodig zijn om landschapselementen in stand te houden en waar nodig te herstellen en te regenereren overeenkomstig artikel 10 van de habitatrichtlijn.
Het in stand houden en uitbreiden van landschapselementen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te vergroten, kan ook bijdragen tot de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, die ten minste 10 % diversiteitskenmerken in landbouwgebieden moet waarborgen. Het kan ook bijdragen tot de verwezenlijking van de vereisten van artikel 11 van de verordening natuurherstel voor de lidstaten om maatregelen te nemen die gericht zijn op het bereiken van een stijgende trend op nationaal niveau van ten minste twee van de drie volgende indicatoren voor landbouwecosystemen: de graslandvlinderindex; organische koolstof in minerale akkerlandbodems; het aandeel landbouwgrond met landschapselementen met hoge diversiteit (64).
Hoog-diverse landschapskenmerken omvatten bufferstroken, heggen, individuele of groepen bomen, boomrijen, akkerranden, habitatvlekken, sloten, waterlopen, kleine wetlands, terrassen, historische stenen, stenen muren, kleine vijvers en culturele kenmerken. Ook braakliggend land kan meetellen. Om een coherente aanpak te bieden, moeten plannen om landschapselementen in Natura 2000-gebieden te vergroten, worden geïntegreerd met maatregelen in nationale herstelplannen in het kader van de verordening natuurherstel.
De noodzaak en prioriteit voor elk type landschapselement moeten zorgvuldig worden beoordeeld aan de hand van de vereisten van Natura 2000-soorten, rekening houdend met de bredere biodiversiteit en andere potentiële voordelen op het gebied van aanpassing aan en mitigatie van de klimaatverandering. De maatregelen om landschapselementen in stand te houden en uit te breiden, moeten daarom in de eerste plaats gericht zijn op seminatuurlijke habitatcomponenten, braakland, heggen en andere kenmerken ter ondersteuning van de biodiversiteit (bv. ingezaaide stroken voor de productie van bloemen voor insecten en zaden voor vogels) waarvan is aangetoond dat ze het meest doeltreffend zijn (65). Er moeten ook maatregelen worden genomen om de ecologische kwaliteit van bestaande landschapselementen te verbeteren, aangezien veel landschapselementen momenteel een lage biodiversiteitswaarde hebben.
Even belangrijk voor het behoud van landschapselementen is de eis om de algemene ecologische kwaliteit van productieve landbouwgrond te verbeteren, d.w.z. grasland binnen het veld en akkerlandhabitats. Belangrijke maatregelen die moeten worden genomen om dit te bereiken, zijn onder meer het verminderen van het gebruik van schadelijke pesticiden en meststoffen, het handhaven en verbeteren van de kwaliteit van grasland, en het vergroten van de gewasdiversiteit en de oppervlakte braakliggend land (66) (67). In boshabitats moeten maatregelen worden genomen om het kappen van grote gebieden en het planten van niet-inheemse soorten te verminderen en om inheemse boomsoorten, de leeftijdsdiversiteit, de hoeveelheid dood hout en open gebieden te vergroten.
Ecoregelingen van het GLB en agromilieuklimaatregelingen kunnen bijdragen tot de verbetering van de habitats van landbouwgrond. Uit gegevens blijkt dat de meest doeltreffende manier om de habitats van landbouwgrond te verbeteren, het nemen van gerichte en op maat gesneden agromilieu- en klimaatmaatregelen is (68) (69). De lidstaten moeten daarom prioriteit geven aan de invoering van dergelijke maatregelen. Dit is vooral belangrijk voor gespecialiseerde Natura 2000-soorten.
2.8. Beoordeling van de noodzaak van translocatie/ondersteunde migratie van soorten
Zoals besproken in bijlage 2, punt 3, kunnen bepaalde soorten met een beperkte verspreidingscapaciteit en gefragmenteerde populaties zich mogelijk niet naar nieuwe gebieden met geschikte klimaatomstandigheden verplaatsen. Hoewel sommige maatregelen kunnen helpen, zoals het vergroten van de Natura 2000-dekking en connectiviteit in het bredere milieu, moeten sommige soorten (en habitats) met beperkte natuurlijke verspreiding mogelijk worden verplaatst om lokale of zelfs wereldwijde uitsterving te voorkomen wanneer de klimaatomstandigheden ongeschikt worden voor hun voortbestaan (70) (71).
Translocatie wordt gedefinieerd als de door de mens bemiddelde verplaatsing van levende organismen uit het ene gebied, met vrijlating in een ander gebied (72) met het oog op instandhouding. Dit omvat i) versterking en herintroductie binnen het inheemse verspreidingsgebied van een soort, en ii) introducties die geassisteerde kolonisatie en ecologische vervanging buiten het inheemse verspreidingsgebied van de soort omvatten.
Soorten kunnen om ten minste vier redenen worden verplaatst om de aanpassing aan de klimaatverandering te vergemakkelijken (73):
|
— |
het versterken van metapopulaties en daarmee het vergroten van de veerkracht van bestaande populaties, alsmede het verhogen van de emigratiepercentages en daarmee de verspreiding naar en vestiging in nieuwe gebieden; |
|
— |
het verhogen van de genstroom tussen geïsoleerde populaties om de kans op aanpassing aan de lokale klimaatomstandigheden te vergroten; |
|
— |
het ondersteunen van de verplaatsing van soortenpopulaties en uitbreidingen van het verspreidingsgebied in respons op veranderende klimatologische omstandigheden (ondersteunde migratie/beweging) (zie casestudy 14); |
|
— |
het aanleggen in nieuwe gebieden van populaties van soorten die geconcentreerd zijn in gebieden met een hoog risico op verlies of schade als gevolg van klimaatverandering (zoals extreme klimaatgebeurtenissen zoals overstromingen of brand) om het risico op verlies of uitsterving van de populatie te verminderen. |
Het verplaatsen van soorten kan echter duur zijn en gaat met bekende risico’s gepaard, vooral voor nieuwe gebieden buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort. Op dergelijke wijze verplaatste soorten kunnen invasief worden, nieuwe ziekten introduceren, bestaande voedselketens en populatiestructuren verstoren en resulteren in het verlies van verschillende genetische vormen. Translocatie, en met name naar buiten het natuurlijke verspreidingsgebied, roept dan ook kritische ecologische en ethische vragen op die moeten worden beantwoord.
Translocatie van soorten wordt daarom over het algemeen beschouwd als een “laatste redmiddel”, pas te nemen nadat andere maatregelen, zoals het verbeteren van de habitatconnectiviteit, zijn uitgeprobeerd en ontoereikend worden geacht. Aan de andere kant zijn sommige van de risico’s van toenemende connectiviteit (bv. via corridors) vergelijkbaar met translocaties en zijn ze aantoonbaar minder beheerst dan de selectieve introductie van één soort in een nieuw gebied. Daarom moet, net als bij andere interventies die geïsoleerde habitatvlekken ecologisch verbinden, de noodzaak van translocatie zorgvuldig worden overwogen.
Voordat een soort op een dergelijke wijze wordt verplaatst, is het van essentieel belang om een grondig inzicht te hebben in de ecologie en het gedrag van de soort in het nieuwe type habitat. Hoegh-Guldberg et al.(2008) (74) hebben een nuttig besluitkader ontwikkeld om te helpen beoordelen of het passend is translocatie te gebruiken als middel om kolonisatie te bevorderen. Verdere richtsnoeren (75) en een kader voor ondersteunende tactieken (76) zijn beschikbaar om potentiële translocatiemaatregelen te ondersteunen.
Ook wordt aanbevolen dat de behoefte aan translocatie/ondersteunde migratie in eerste instantie strategisch wordt beoordeeld en gepland voor het Natura 2000-netwerk, of op zijn minst op regionaal niveau, in plaats van via ad-hocinitiatieven. Dit kan helpen om de doeltreffendheid en efficiëntie van translocatie te maximaliseren. Met name kunnen de resultaten van netwerkkwetsbaarheidsbeoordelingen worden gebruikt om gebieden en soorten te identificeren die het grootste risico lopen. Dergelijke gebieden moeten dan prioriteiten zijn voor bronnen van individuen voor translocatie naar alternatieve gebieden (reservegebieden). De netwerkanalyse kan ook worden gebruikt om geschikte klimaatrefugia en gebieden te identificeren waar toekomstig habitatherstel of de aanleg van nieuwe habitats geschikte omstandigheden kan bieden voor potentiële translocaties.
|
Casestudy 14: ondersteunde migratie van bossen Sinds 2024 ondersteunt het Interreg-project MigFoRest in Noordwest-Europa de ondersteunde migratie van Europese boomsoorten en -herkomsten om beter op klimaatverandering te anticiperen en de veerkracht van bosecosystemen in Noordwest-Europa te versterken. Het gaat om zeven proefgebieden in België, Frankrijk en Duitsland, en richt zich op geassisteerde uitbreiding van het verspreidingsgebied en geassisteerde genstroom, strikt beperkt tot Europees materiaal, om natuurlijke klimaatgedreven soortenbewegingen te versnellen en een kader te bieden om boseigenaren en overheidsinstanties te ondersteunen.
|
(1) Hilty, J., Worboys, G.L., Keeley, A., et al. (2020), Guidelines for conserving connectivity through ecological networks and corridors, Best Practice Protected Area Guidelines Series No 30, IUCN International Union for the Conservation of Nature, Gland, Zwitserland.
(2) Oliver, T.H., Roy, D.B., Hill, J.K., et al. (2010), Heterogeneous landscapes promote population stability, Ecology Letters, 13 (4), blz. 473-484.
(3) Oliver, T.H., Marshall, H.H., Morecroft, M.D., Brereton, T., Prudhomme, C., & Huntingford, C. (2015), Interacting effects of climate change and habitat fragmentation on drought-sensitive butterflies, Nature Climate Change, 5(10), 941-945.
(4) Foden, W. B., Young, B. E., Akçakaya, H. R., et al. (2019), Climate change vulnerability assessment of species, WIREs Climate Change, No 10 (1), e551.
(5) Hlásny, T, Mokroš, M, Dobor, L, et al. (2021), Fine-scale variation in projected climate change presents opportunities for biodiversity conservation in Europe, Scientific Reports, 11(1), 17242.
(6) Santini, L., Benítez-López, A., Maiorano, L., et al. (2021), Assessing the reliability of species distribution projections in climate change research, Diversity and Distributions, 27(6), blz. 1035-1050.
(7) Hlásny, T, Mokroš, M, Dobor, L, et al. (2021), Fine-scale variation in projected climate change presents opportunities for biodiversity conservation in Europe, Scientific Reports, 11(1), 17242.
(8) MSP4BIO-project, Improved Science-Based Maritime Spatial Planning to Safeguard and Restore Biodiversity (https://msp4bio.eu/about/).
(10) https://cordis.europa.eu/search?q=%27MSP%27%20AND%20%27MPAs%27&p=1&num=10&srt=Relevance:decreasing.
(11) IPCC (2023), “AR6 Synthesis Report. Climate Change 2023”, Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
(12) Wilson, K.L., Tittensor, D.P., Worm, B. et al. (2020), Incorporating climate change adaptation into marine protected area planning, Global Change Biology, 26 (6), blz. 3251-3267.
(13) Kunming-Montreal Global biodiversity framework, 18 december 2022, CBD/COP/15/L.25.
(14) Esteve-Selma, M.A., Martínez-Fernández, J., Hernández-García, I., et al. (2012), Potential effects of climatic change on the distribution of Tetraclinis articulata, an endemic tree from arid Mediterranean ecosystems, Climatic Change, 113 (3), blz. 663-678.
(15) Europese Commissie (2013), “Guidelines on climate change and Natura 2000. Dealing with the impact of climate change, on the management of the Natura 2000 network of areas of high biodiversity value” (Richtsnoeren inzake klimaatverandering en Natura 2000 inzake de gevolgen van klimaatverandering, over het beheer van het Natura 2000-netwerk van gebieden met een hoge biodiversiteitswaarde), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
(16) Araújo, M B, Alagador, D A., Cabeza, M., et al. (2011), Climate change threatens European conservation areas, Ecology Letters, 14 (5), blz. 484-492.
(17) Araújo, M B., Lobo, J. M. en Moreno, J C., (2007), The effectiveness of Iberian protected areas in conserving terrestrial biodiversity, Conservation Biology, 21 (6), blz. 1423-1432.
(18) Hannah, L., Midgley, G., Andelman, S., et al. (2007), Protected area needs in a changing climate, Frontiers in Ecology and the Environment, 5 (3), blz. 131-138.
(19) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(20) Huntley, B. (2007). “Climatic change and the conservation of European biodiversity: Towards the development of adaptation strategies, Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats”, 27e vergadering van de vaste commissie, Straatsburg, 26-29 november 2007, Raad van Europa, Straatsburg.
(21) De verordening specificeert een verbod op bouwwerkzaamheden en activiteiten. “Landesrecht konsolidiert Vorarlberg: Gesamte Rechtsvorschrift für Pufferzonen zum Schutz von Gebietsteilen außerhalb des Natura 2000 Gebietes, Fassung vom 17.10.2023” (https://www.ris.bka.gv.at/GeltendeFassung.wxe?Abfrage=LrVbg&Gesetzesnummer=20000509).
(22) Overeenkomstig de vrijwillige richtsnoeren van de Commissie voor bosbeheer dat dichter bij de natuur staat (https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/2d1a6e8f-8cda-11ee-8aa6-01aa75ed71a1).
(23) Moreira, F., Ascoli, D., Safford, H, et al. (2020), Wildfire management in Mediterranean-type regions: Paradigm change needed, Environmental Research Letters, 15(1), 11001.
(24) Davis K. T., Peeler J., Fargione J., et al (2024), Tamm review: A meta-analysis of thinning, prescribed fire, and wildfire effects on subsequent wildfire severity in conifer dominated forests of the Western US, Forest Ecology and Management, Vol. 561.
(25) https://lifetaiga.se/controlled-burning-in-woodlands/.
(26) Moreira, F., Ascoli, D., Safford, H, et al. (2020), Wildfire management in Mediterranean-type regions: Paradigm change needed, Environmental Research Letters, 15(1), 11001.
(27) Oppermann, R., Beaufoy, G. en Jones, G. (red.) (2012), High Nature Value Farming in Europe, Ubstadt-Wieher, Germany: Verlag regionalkultur.
(28) Castillo, C P., Jacobs-Crisioni, C., Diogo, V., et al. (2021), Modelling agricultural land abandonment in a fine spatial resolution multi-level land-use model: An application for the EU, Environmental Modelling & Software, 136, 104946.
(29) Moreira, F., Viedma, O., Arianoutsou, M., et al. (2011), Landscape-wildfire interactions in southern Europe: implications for landscape management, Journal of environmental management, 92(10), blz. 2389-2402.
(30) Queiroz, C., Beilin, R., Folke, C., et al. (2014), Farmland abandonment: threat or opportunity for biodiversity conservation? A global review, Frontiers in Ecology and the Environment, 12 (5), blz. 288–296.
(31) Europese Commissie, 2026. Grassland and livestock dynamics — How grazing management sustains and shapes European grasslands, Analytical Brief N°13 (https://agriculture.ec.europa.eu/document/download/b397715c-d526-4dd7-af26-adbdfe43af6d_en?filename=analytical-brief-13-grassland_en.pdf).
(32) Lecina-Diaz, J., Chas-Amil, M.L., Aquilué, N., et al. (2023), Incorporating fire-smartness into agricultural policies reduces suppression costs and ecosystem services damages from wildfires. Journal of Environment management, 337, 117707.
(33) Pais, S., Aquilu´e, N., Campos, J., et al. (2020), Mountain farmland protection and fire-smart management jointly reduce fire hazard and enhance biodiversity and carbon sequestration, Ecosystem Services, 44, 101143.
(34) Rouet-Leduc, J., Pe’er, G, Moreira, F., et al. (2021), Effects of large herbivores on fire regimes and wildfire mitigation, Journal of Applied Ecology, 58 (12), blz. 2690-2702.
(36) Rouet-Leduc, J., Pe’er, G., Moreira, F., et al. (2021), Effects of large herbivores on fire regimes and wildfire mitigation, Journal of Applied Ecology, 58 (12), blz. 2690-2702.
(37) Natura 2000 en bossen, deel I-II. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2015.
(38) “Richtsnoeren voor bosbeheer dat dichter bij de natuur staat”, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2023 (https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/2d1a6e8f-8cda-11ee-8aa6-01aa75ed71a1).
(39) Zhao J., Yue C., Wang J., et al. (2024), Forest fire size amplifies postfire land surface warming, Nature, 633, blz. 828-834.
(40) Guidelines on Biodiversity-Friendly Afforestation, Reforestation and Tree Planting, SWD(2023)61.
(41) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE04-NAT-P-000214/management-and-conservation-of-the-sites-of-s-mamede-and-nisa-laje-de-prata.
(42) Zie hier meer voorbeelden van op de natuur gebaseerde oplossingen in het kustgebied: https://climate-adapt.eea.europa.eu/nl/mission/solutions/mission-stories/nature-based-coastal-restoration-story23?set_language=nl.
(43) EMA (2016), Flood risks and environmental vulnerability. Exploring the synergies between floodplain restoration, water policies and thematic policies”, technisch EMA-verslag nr. 1/2016, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
(44) Environment Agency (2010), Working with natural processes to manage flood and coastal erosion risk, A Guidance Document, Environment Agency, Bristol, Verenigd Koninkrijk.
(45) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE06-NAT-RO-000177/conservation-and-integrated-management-of-danube-islands-romania.
(46) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE07-NAT-RO-000681/cross-border-conservation-of-phalacrocorax-pygmeus-and-aythya-nyroca-at-key-sites-in-romania-and-bulgaria.
(47) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE13-NAT-BG-000801/restoration-and-conservation-of-riparian-forests-of-habitat-type-910-in-natura-2000-sites-and-model-areas-in-bulgaria.
(48) https://webgate.ec.europa.eu/life/publicWebsite/project/LIFE08-NAT-BG-000281/conservation-and-restoration-of-11-natura-2000-riparian-and-wetland-habitats-in-10-scis-bulgarian-forests.
(50) Europese Commissie (2013), “Guidelines on climate change and Natura 2000. Dealing with the impact of climate change, on the management of the Natura 2000 network of areas of high biodiversity value” (Richtsnoeren inzake klimaatverandering en Natura 2000 inzake de gevolgen van klimaatverandering, over het beheer van het Natura 2000-netwerk van gebieden met een hoge biodiversiteitswaarde), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
(51) Crick, H., Crosher, I., Mainstone, C., et al. (2020), Nature networks evidence handbook, Research report NERR081, Natural England, York, Verenigd Koninkrijk.
(52) Hilty, J., Worboys, G.L., Keeley, A., et al. (2020), Guidelines for conserving connectivity through ecological networks and corridors, Best Practice Protected Area Guidelines Series No 30, IUCN International Union for the Conservation of Nature, Gland, Zwitserland.
(53) Hilty, J., Worboys, G.L., Keeley, A., et al. (2020), Guidelines for conserving connectivity through ecological networks and corridors, Best Practice Protected Area Guidelines Series No 30, IUCN International Union for the Conservation of Nature, Gland, Zwitserland (https://portals.iucn.org/library/sites/library/files/documents/PAG-030-En.pdf).
(54) https://naturaconnect.eu/goals-and-objectives/.
(55) Moreira, F., Dias, F.S., Dertien, J., et al. (2024), Guidelines for connectivity conservation and planning in Europe, ARPHA Preprints, 5, e129021.
(56) https://cordis.europa.eu/search?q=%27natura%27%20AND%20%272000%27%20AND%20%27stakeholders%27&p=1&num=10&srt=Relevance:decreasing.
(57) Europese Commissie (2013), “Guidelines on climate change and Natura 2000. Dealing with the impact of climate change, on the management of the Natura 2000 network of areas of high biodiversity value” (Richtsnoeren inzake klimaatverandering en Natura 2000 inzake de gevolgen van klimaatverandering, over het beheer van het Natura 2000-netwerk van gebieden met een hoge biodiversiteitswaarde), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
(58) Donald, P. F. en Evans, A. D. (2006), Habitat connectivity and matrix restoration: the wider implications of agri-environment schemes, Journal of Applied Ecology, 43 (2), blz. 209-218.
(59) Benton, T G., Vickery, J A. en Wilson, J D., (2003), Farmland biodiversity: is habitat heterogeneity the key? Trends in Ecology & Evolution, No 18 (4), blz. 182-188.
(60) Billeter, R., Liira, J., Bailey, D., et al. (2008), Indicators for biodiversity in agricultural landscapes: a pan-European study, Journal of Applied Ecology, 45 (1), blz. 141-150.
(61) Hendrickx, F., Maelfait, J.P., van Wingerden, W., et al. (2007), How landscape structure, land-use intensity and habitat diversity affect components of total arthropod diversity in agricultural landscapes, Journal of Applied Ecology, 44 (2), blz. 340-351.
(62) Kettunen, M., Terry, A., Tucker, G.M., et al. (2007), Guidance on the maintenance of landscape connectivity features of major importance for wild flora and fauna. Guidance on the implementation of Article 3 of the Birds Directive (79/409/EEC) and Article 10 of the Habitats Directive (92/43/EEC). Verslag aan de Europese Commissie, Instituut voor Europees milieubeleid, Brussel/Londen.
(63) Zie ook het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-418/04, punt 179.
(64) Zie bijlage IV bij Verordening (EU) 2024/1991 voor een meer gedetailleerde beschrijving van landschapselementen in het kader van de verordening natuurherstel.
(65) Alliance Environnement (2017), “Literature reviews on the effects of farming practices associated with the CAP greening measures on climate and the environment”, Verslag voor de Europese Commissie, Alliance Environnement, Brussel.
(66) Benton, T G., Vickery, J A. en Wilson, J D., (2003), Farmland biodiversity: is habitat heterogeneity the key? Trends in Ecology & Evolution, No 18 (4), blz. 182-188.
(67) Dicks, L. V., Ashpole, J. E., Dänhardt, J., et al. (2013), Farmland Conservation Synopsis: Evidence for the effects of interventions in northern Europe, Synopses of Conservation Evidence Volume 3, Pelagic Publishing, Exeter, Verenigd Koninkrijk.
(68) Alliance Environnement (2019), “Evaluation of the impact of the CAP on habitats, landscapes, biodiversity”, Verslag voor de Europese Commissie, Alliance Environnement, Brussel.
(69) Batáry, P., Dicks, L V., Kleijn, D. en Sutherland, W J., (2015), The role of agri-environment schemes in conservation and environmental management, Conservation Biology, 29 (4), blz. 1006-1016.
(70) Hoegh-Guldberg, O., Hughes, L., McIntyre, S., et al. (2008), Assisted Colonization and Rapid Climate Change, Science, 321 (5887), blz. 345-346.
(71) Lawler, J.J. (2009), Climate change adaptation strategies for resource management and conservation planning, Annals of the New York Academy of Sciences, 1162 (1), blz. 79-98.
(72) IUCN en SSC (2013), Guidelines for Reintroductions and Other Conservation Translocations, IUCN Species Survival Commission, Gland, Zwitserland.
(73) Aitken, S N. en Whitlock, M C., (2013), Assisted Gene Flow to Facilitate Local Adaptation to Climate Change, Annual Review of Ecology, Evolution, and Systematics, 44 (1), blz. 367-388.
(74) Hoegh-Guldberg, O., Hughes, L., McIntyre, S., et al. (2008), Assisted Colonization and Rapid Climate Change, Science, 321 (5887), blz. 345-346.
(75) IUCN en SSC (2013), Guidelines for Reintroductions and Other Conservation Translocations, IUCN Species Survival Commission, Gland, Zwitserland.
(76) Batson, W G., Gordon, I J., Fletcher, D B., et al. (2015), REVIEW: Translocation tactics: a framework to support the IUCN Guidelines for wildlife translocations and improve the quality of applied methods, Journal of Applied Ecology, 52 (6), blz. 1598-1607.
BIJLAGE 5
BIBLIOGRAFIE
Belangrijke en aanvullende verwijzingen die worden gebruikt om deze richtsnoeren te ontwikkelen en die worden aanbevolen als bronnen van verdere informatie over de aanpassing aan de klimaatverandering voor de biodiversiteit.
Op de natuur gebaseerde oplossingen die bijdragen tot de aanpassing aan de klimaatverandering
Brang, P., Schönenberger, W., Frehner, M., et al. (2006), Management of protection forests in the European Alps: an overview. Forest Snow and Landscape Research, No 80.
Cooper, R. (2020), Nature-based solutions and water security. GSDRC, Universiteit van Birmingham.
EMA (2021), “Nature-based solutions in Europe: Policy, knowledge and practice for climate change adaptation and disaster risk reduction”, EMA-verslag nr. 1/2021, Europees Milieuagentschap, Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie.
Fennell J., Soulsby C., Wilkinson M.E., et al. (2023), Assessing the role of location and scale of Nature Based Solutions for the enhancement of low flows, International Journal of River Basin Management, 21(4), 743-58.
Gordon, B.A., Dorothy, O. en Lenhart, C.F., (2020), Nutrient Retention in Ecologically Functional Floodplains: A Review. Water, 12 (10), 2762.
Harrison, I.J., Green, P.A., Farrell, T.A., et al. (2016), Protected areas and freshwater provisioning: a global assessment of freshwater provision, threats and management strategies to support human water security, Aquatic Conservation: Marine and Freshwater Ecosystems, 26 (S1), blz. 103-120.
IUCN (2020) Global Standard for Nature-based Solutions. A user-friendly framework for the verification, design and scaling up of NbS. Eerste editie. Gland, Zwitserland: IUCN.
Keesstra, S., Nunes, J., Novara, A. et al. (2018), The superior effect of nature based solutions in land management for enhancing ecosystem services, Science of The Total Environment, 610-611, 997-100.
Seddon, N., Chausson, A., Berry, P., et al. (2020), Understanding the value and limits of nature-based solutions to climate change and other global challenges, Philosophical Transactions of the Royal Society B, 375, 20190120.
Natuurbranden in Europa en de gevolgen ervan voor de biodiversiteit en maatregelen om ze te verminderen
Barredo., J.I., Mansuy, N. en Mubareka, S.B. (2023), Primary and old-growth forests are more resilient to natural disturbances — Perspective on wildfires, JRC, Europese Commissie.
Castellnou, M., Prat-Guitart, N., Arilla, E., et al. (2019), Empowering strategic decision-making for wildfire management: avoiding the fear trap and creating a resilient landscape, Fire Ecology, 15 (31), blz. 1-17.
Europese Commissie (2021), Land-based wildfire prevention. Principles and experiences on managing landscapes, forests and woodlands for safety and resilience in Europe.
Fernandes, P.M. (2013), Fire-smart management of forest landscapes in the Mediterranean basin under global change, Landscape and Urban Planning, blz. 110 en 175 tot en met 182.
Forestry Commission (2014), Building wildfire resilience into forest management planning, Forestry Commission, Edinburgh, Verenigd Koninkrijk.
Held, A. en Pronto, L. (2023), Reducing wildfire risk in Europe through sustainable forest management, Forest Europe policy brief.
Horizon 2020: FIRE-RES-project (https://fire-res.eu/).
Keeley, J.E., Bond, W.J., Bradstock, R.A., et al. (2012), Fire in Mediterranean Ecosystems: Ecology, Evolution and Management, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk.
Moreira, F., Ascoli, D., Safford, H., et al. (2020), Wildfire management in Mediterranean-type regions: Paradigm change needed. Environmental Research Letters, 15(1), 11001.
Neidermeier, A.N., Zagaria, C., Pampanoni, V., et al. (2023), Mapping opportunities for the use of land management strategies to address fire risk in Europe, Journal of environmental management, 346, 118941.
Pais, S. Aquilu’e, N., Campos, J., et al. (2020), Mountain farmland protection and fire-smart management jointly reduce fire hazard and enhance biodiversity and carbon sequestration, Ecosystem Services, 44, 101143.
Plana, E., Font, M., Green, T. (red.) (2015), Operational tools and guidelines for improving efficiency in wildfire risk reduction in EU landscapes, FIREfficient Project, CTFC Editions (https://firefficient.ctfc.cat/images/book_guidelines.pdf).
Project LIFE12ENV/ES/000730 Life+ Cost-efficient integration of megafire prevention into forest management in the Mediterranean, Laymans Report (https://cpf.gencat.cat/web/.content/or_organismes/or04_centre_propietat_forestal/03_linies_actuacio/transferencia_de_coneixement/projectes_europeus/life_demorgest/static_files/LAYMAN_ang.pdf).
Rouet-Leduc, J., Pe’er, G., Moreira, F., et al. (2021), Effects of large herbivores on fire regimes and wildfire mitigation, Journal of Applied Ecology, 58 (12), blz. 2690-2702.
Valor, T., Coll, L., Pique, M., et al. (2023), FIRE-RES Ecological factors driving resistant and resilient landscapes to high intensity and extreme wildfire events, Deliverable D1.11 FIRE-RES-project, DOI: 10.5281/zenodo.7785271.
Het potentieel van op de natuur gebaseerde oplossingen om bij te dragen aan overstromingsbeheer en aanpassing aan de klimaatverandering
Burek, P, Mubareka, S., Rojas, R., et al. (2012), “Evaluation of the effectiveness of Natural Water Retention Measures”, EUR 25551 EN, Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, Luxemburg.
Collentine D. en Futter M.N. (2018), Realising the potential of natural water retention measures in catchment flood management: Trade-offs and matching interests, Journal of Flood Risk Management 11(1), blz. 76-84.
EMA (2015), “Water-retention potential of Europe’s forests. A European overview to support natural water-retention measures”, EMA-verslag nr. 13/2015, Europees Milieuagentschap, Luxemburg.
EMA (2016), “Flood risks and environmental vulnerability — exploring the synergies between floodplain restoration, water policies and thematic policies”, EMA-verslag nr. 1/2016, Europees Milieuagentschap, Luxemburg.
Europese Commissie (2020), “The interaction between the Floods Directive and the Nature Directives”, verkennend document, CIS-werkgroep overstromingen, in het kader van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water.
Fennell J., Soulsby C., Wilkinson M.E., et al. (2022), Assessing the role of location and scale of Nature based solutions for the enhancement of low flows, International Journal of River Basin Management, 21(4), blz. 743-758.
Fennell J., Soulsby C., Wilkinson M.E., et al. (2023), Time variable effectiveness and cost-benefits of different nature-based solution types and design for drought and flood management, Nature-Based Solutions, 3, 100050.
Iacob, O., Rowan, J.S., Brown, I., et al. (2014), Evaluating wider benefits of natural flood management strategies: An ecosystem-based adaptation perspective, Hydrology Research, 45(6), blz. 774-787.
Klijn, F., Asselman, N. en Wagenaar, D., (2018), Room for rivers: Risk reduction by enhancing the flood conveyance capacity of The Netherlands’ large Rivers, Geosciences, 8(6), blz. 224.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat/DGWB, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat/Rijkswaterstaat, Unie van Waterschappen, et al. (2022), Eindadvies Beleidstafel wateroverlast en hoogwater: “Voorkomen kan niet, voorbereiden wel. Allemaal aan de slag.” Voorkomen kan niet, voorbereiden wel. Allemaal aan de slag|Rapport|Rijksoverheid.nl (In het Nederlands) — Eindadvies Beleidstafel wateroverlast en hoogwater: “Voorkomen kan niet, voorbereiden wel. Allemaal aan de slag.” Verslag van de Nederlandse overheid, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Penning, E., Peñailillo Burgos, R., Mens, M., et al. (2023), Nature-based solutions for floods AND droughts AND biodiversity: Do we have sufficient proof of their functioning? Cambridge Prisms: Water, 1, e11, blz. 1-17. Bevat een lijst met databases met op de natuur gebaseerde oplossingen.
Scholz, M., Mehl, D., Schulz-Zunkel, C., et al. (2012), Ökosystemfunktionen von Flussauen: Analyse und Bewertung von Hochwasserretention, Nährstoffrückhalt, Kohlenstoffvorrat, Treibhausgasemissionen und Habitatfunktion, Naturschutz und biologische Vielfalt. Bundesamt für Naturschutz, Bonn-Bad Godesberg.
Somarakis, G., Stagakis S. en Chrysoulakis, N. (2019), THINKNATURE HANDBOOK_NATURE-BASED SOLUTIONS, In: Think Nature (Issue 730338).
Bronnen van verdere informatie en gegevens over waarnemingen van klimaatverandering en klimaatprojecties in Europa
Bednar-Friedl, B., Biesbroek, R., Schmidt, D.N., et al. (2022), Europe. In: “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation, and Vulnerability”. Bijdrage van werkgroep II aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering. [H.-O. Pörtner, D.C. Roberts, M. Tignor, et al. (red.)], Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
Climate-Adapt: klimaatdata-explorer (https://climate-adapt.eea.europa.eu/en/knowledge/european-climate-data-explorer).
Dienst van Copernicus voor klimaatverandering (https://climate.copernicus.eu/).
EMA, prognoses broeikasgassen — dataviewer (https://www.eea.europa.eu/en/analysis/maps-and-charts/eea-greenhouse-gas-projections-data-viewer-data-viewers).
EMA (2024), Europese klimaatrisicobeoordeling. EMA-verslag nr. 01/2024, Europees Milieuagentschap, Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie.
Effecten en gevolgen van de klimaatverandering op biodiversiteit
Bedford, J., Ostle, C., Johns, D.G., et al. (2020), Lifeform indicators reveal large-scale shifts in plankton across the North-West European shelf, Global Change Biology, 26(6), blz. 3482-3497.
Bowler, D.E., Hof, C., Haase, P., et al. (2017), Cross-realm assessment of climate change impacts on species’ abundance trends, Nat Ecol Evol, 1(3), blz. 67.
Cahill, A.E., Aiello-Lammens, M.E., Fisher-Reid, M.C., et al. (2013), How does climate change cause extinction? Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, 280 (1750), 20121890.
Chen, I-C., Hill, J.K., Ohlemüller, R., et al. (2011), Rapid range shifts of species associated with high levels of climate warming, Science, 333: 1024-1026.
CLIMATE-ADAPT — Biodiversiteit (https://climate-adapt.eea.europa.eu/en/eu-adaptation-policy/sector-policies/biodiversity).
Cooley, S., Schoeman, D., Bopp, L., et al. (2022), Oceans and Coastal Ecosystems and Their Services, in: “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation, and Vulnerability”, Bijdrage van werkgroep II aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.[H.-O. Pörtner, D.C. Roberts, M. Tignor, et al. (red.)], Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York.
Comte, L. en Grenouillet, G. (2013), Do stream fish track climate change? Assessing distribution shifts in recent decades, Ecography, 36(11), blz. 1236-1246.
Devictor, V., Van Swaay, C., Brereton, T., et al. (2012), Differences in the climatic debts of birds and butterflies at a continental scale, Nature climate change, 2(2), blz. 121-124.
EMA (2017), “Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016: An indicator-based report”, EMA-verslag nr. 1/2017, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
EMA (2020), “State of Nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2013-2018”, EMA-verslag nr. 10/2020, Europees Milieuagentschap, Kopenhagen.
Frei, E., Bodin, J. en Walther, G-R. (2010), Plant species’ range shifts in mountainous areas–all uphill from here? Botanica Helvetica, 120 (2), blz. 117-128.
Gozlan, R.E., Karimov, B.K., Zadereev, E., et al. (2019), Status, trends, and future dynamics of freshwater ecosystems in Europe and Central Asia, Inland Waters, 9(1), blz. 78-94.
Grewe, Y., Hof, C., Dehling, D.M., et al. (2013), Recent range shifts of European dragonflies provide support for an inverse relationship between habitat predictability and dispersal, Global Ecology and Biogeography, 22(4), blz. 403-409.
Hickling, R., Roy, D.B., Hill, J.K., et al. (2006), The distributions of a wide range of taxonomic groups are expanding pole-wards, Global Change Biology. No 12 (3), blz. 450-455.
Huntley, B., Collingham, Y.C., Willis, S.G., et al. (2008), Potential Impacts of Climatic Change on European Breeding Birds, PLoS ONE No 3 (1), e1439.
Menéndez, R., Megías, A.G., Hill, J.K, et al. (2006), Species richness changes lag behind climate change, Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, 273(1593), 1465-1470.
Menzel, A., Yuan, Y., Matiu, M., et al. (2020), Climate change fingerprints in recent European plant phenology, Global Change Biology, 26(4), blz. 2599-2612.
Montero-Serra, I., Edwards, M. en Genner, M.J. (2015), Warming shelf seas drive the subtropicalization of European pelagic fish communities, Global Change Biology, 21(1), blz. 144-153.
Noce, S., Cipriano, C. en Santini, M. (2023), Altitudinal shifting of major forest tree species in Italian mountains under climate change, Frontiers in Forests and Global Change, 6, 1250651.
Ockendon, N., Baker, D.J., Carr, J.A., et al. (2014), Mechanisms underpinning climatic impacts on natural populations: altered species interactions are more important than direct effects, Global Change Biology No 20 (7), 2221-2229.
Parmesan, C., Morecroft, M.D., Trisurat, Y., et al. (2022), “Terrestrial and Freshwater Ecosystems and Their Services” in: “Climate Change 2022: Impacts, Adaptation, and Vulnerability”. Bijdrage van werkgroep II aan het zesde evaluatierapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering. [H.-O. Pörtner, D.C. Roberts, M. Tignor, et al. (red.)], Gezamenlijk door IPBES en IPCC gesponsord workshopverslag over biodiversiteit en klimaatverandering, Cambridge University Press, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, en New York, Verenigde Staten.
Pörtner, H.O., Scholes, R.J., Agard, J. et al. (2021), Scientific outcome of the IPBES-IPCC co-sponsored workshop on biodiversity and climate change, IPBES-secretariaat, Bonn, Duitsland, DOI:10.5281/zenodo.4659158.
Sajwaj, T., Tucker, G.M., Harley, M. en de Soye, Y. (2011), Impacts of climate change and selected renewable energy infrastructures on EU biodiversity and the Natura 2000 network: An assessment framework for climate change vulnerability — methodology and results. Task 2a report to the European Commission under Contract ENV.B.2/SER/2007/0076 Natura 2000 Preparatory Actions — Lot 5: Climate Change and Biodiversity in relation to the Natura 2000 network, AEA, Axiom, IUCN, IEEP, UNEP & WCMC, Brussel.
Scheffers, B.R., De Meester, L., Bridge, T.C. et al. (2016), The broad footprint of climate change from genes to biomes to people, Science, 354(6313), aaf7671.
Termaat, T., van Strien, A.J., van Grunsven, R.H. et al. (2019), Distribution trends of European dragonflies under climate change, Diversity and Distributions, 25(6), blz. 936-950.
Thackeray, S.J., Sparks, T.H., Frederiksen, M., et al. (2010), Trophic level asynchrony in rates of phenological change for marine, freshwater and terrestrial environments, Global Change Biology, No 16 (12), blz. 3304-3313.
Thuiller, W., Lavergne, S., Roquet, C., et al. (2011), Consequences of climate change on the tree of life in Europe, i, 470 (7335), blz. 531-534.
Walther, G-R. (2010), Community and ecosystem responses to recent climate change, Philosophical Transactions of the Royal Society B: Biological Sciences, 365 (1549), 2019-2024.
Wernberg, T., Bennett, S., Babcock, R.C., et al. (2016), Climate-driven regime shift of a temperate marine ecosystem, Science, 353 (6295), blz. 169-172.
Yang, L.H. en Rudolf, V. (2010), Phenology, ontogeny and the effects of climate change on the timing of species interactions, Ecology Letters, No 13 (1), blz. 1-10.
Verdere richtlijnen voor het uitvoeren van beoordelingen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering
Brodie, S., Smith, J.A., Muhling, B.A., et al. (2022), Recommendations for quantifying and reducing uncertainty in climate projections of species distributions, Global change biology, 28(22), 6586-6601.
Duffield, S.J, Morecroft, M.D., Pearce-Higgins, J.W., et al. (2024), Species or habitat-based assessments of vulnerability to climate change? Informing climate change adaptation in Special Protection Areas for birds in England, Biological Conservation, 291, 110460.
EcoCommons, Australian platform of choice for analysing and modelling ecological and environmental challenges (https://www.ecocommons.org.au/).
Estrada, A., Morales-Castilla, I., Caplat, P., et al. (2016), Usefulness of species traits in predicting range shifts, Trends in Ecology & Evolution, 31 (3), blz. 190-203.
Foden, W.B. en Young, B.E. (2016), IUCN SSC guidelines for assessing species’ vulnerability to climate change, IUCN Cambridge, Engeland, en Gland, Zwitserland.
Foden, W.B., Young, B.E., Akçakaya, H.R., et al. (2019), Climate change vulnerability assessment of species, WIREs Climate Change, No 10 (1), e551.
Guisan, A., Thuiller, W. en Zimmermann, N.E. (2017), Habitat suitability and distribution models: with applications in R. Cambridge University Press, Verenigd Koninkrijk.
Hallgren, W., Beaumont, L., Bowness, A., et al. (2016), The biodiversity and climate change virtual laboratory: where ecology meets big data, Environmental Modelling & Software, 76, blz. 182-186.
Johnson, K.A. (2014), Climate change vulnerability assessment for natural resources management: Toolbox of methods with case studies, U.S. Fish and Wildlife Service, Arlington, Virginia.
Lu, W.X., Wang, Z.Z., Hu, X.Y., et al. (2024), Incorporating eco-evolutionary information into species distribution models provides comprehensive predictions of species range shifts under climate change, Science of The Total Environment, 912, 169501.
Mancini, G., Santini, L., Cazalis, V., et al. (2023), A standard approach for including climate change responses in IUCN Red List assessments, Conservation Biology, e14227.
Nila, M.U.S., Beierkuhnlein, C., Jaeschke, A., et al. (2019), Predicting the effectiveness of protected areas of Natura 2000 under climate change, Ecological Processes, 8, blz. 1-21.
Pacifici, M., Foden, W.B., Visconti, P., et al. (2015), Assessing species vulnerability to climate change, Nature Climate Change, 5 (3), blz. 215-224.
Santini, L., Benítez-López, A., Maiorano, L., et al. (2021), Assessing the reliability of species distribution projections in climate change research, Diversity and Distributions, 27(6), blz. 1035-1050.
Online opleiding over het virtuele laboratorium voor biodiversiteit en klimaatverandering (BCCVL) (https://bccvl.org.au/training/), nu vervangen door EcoCommons.
Aanpassingsrichtlijnen en praktische maatregelen voor biodiversiteit
Adam, M.M., Lenzner, B., Van Kleunen, M., en Essl, F. (2022), Call for integrating future patterns of biodiversity into European conservation policy, Conservation Letters, 15(5), e12911.
Bowgen, K. M., Kettel, E.F., Butchart, S.H.M., et al. (2022), Conservation interventions can benefit species impacted by climate change, Biological Conservation, 269, 109524.
CLIMATE-ADAPT — Biodiversiteit (https://climate-adapt.eea.europa.eu/en/eu-adaptation-policy/sector-policies/biodiversity).
Cook, C.N., Beever, E.A., Thurman, L.L., et al. (2021), Supporting the adaptive capacity of species through more effective knowledge exchange with conservation practitioners, Evolutionary Applications, 14: 1969-1979.
Coudurier C., Petit L., Tissot, A. et al. (2023), Natur’Adapt climate change adaptation process — A methodological guide to developing a vulnerability and opportunities assessment and an adaptation plan for a protected area (adapted version for European distribution), LIFE Natur’Adapt — Réserves Naturelles de France (https://naturadapt.com/groups/communaute/documents/776/get).
Cross, M.S., Zavaleta, E.S., Bachelet, D., et al. (2012), The Adaptation for Conservation Targets (ACT) framework: a tool for incorporating climate change into natural resource management, Environmental management, 50, blz. 341-351.
EUROPARC (2023), Witboek: Climate Change & Nature Protected Areas, CC-BY-SA LIFE Natur’Adapt, EUROPARC Federation.
Gillingham, P.K., Britton, J.R., Jones, G., et al. (2024), Climate change adaptation for biodiversity in protected areas: An overview of actions, Biological Conservation, 289, 110375.
Greenwood, O., Mossman, H.L., Suggitt, A.J., et al. (2016), Using in situ management to conserve biodiversity under climate change, Journal of Applied Ecology, 53: 885-894.
Gross, J.E., Woodley, S., Welling, L.A., et al. (2016), Adapting to Climate Change: Guidance for protected area managers and planners, Best Practice Protected Area Guidelines Series No. 24, IUCN, Gland, Zwitserland.
Handler, S.D., Ledee, O.E., Hoving, C.L., et al. (2022), A menu of climate change adaptation actions for terrestrial wildlife management, Wildlife Society Bulletin, 46:e1331.
Heller, N.E. en Zavaleta, E.S. (2009), Biodiversity management in the face of climate change: A review of 22 years of recommendations, Biological Conservation, 142, blz. 14-32.
Huntley, B. (2007), Climatic change and the conservation of European biodiversity: Towards the development of adaptation strategies, Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats”, 27e vergadering van de vaste commissie, Straatsburg, 26-29 november 2007, Raad van Europa, Straatsburg.
Keeley, A.T., Ackerly, D.D., Cameron, D.R. et al. (2018), New concepts, models, and assessments of climate-wise connectivity, Environmental Research Letters, 13(7), 073002.
Lawler, J.J. (2009), Climate change adaptation strategies for resource management and conservation planning, Annals of the New York Academy of Sciences, 1162 (1), blz. 79-98.
LEDee, O.E., Handler, S.D., Hoving, C.L., et al. (2021), Preparing Wildlife for Climate Change: How Far Have We Come? Journal of Wildlife Management, 85: blz. 7-16.
Natural England & RSPB (2014), Climate Change Adaptation Manual: Evidence to support nature conservation in a changing climate.
Oliver, T.H., Smithers, R.J., Bailey, S., et al. (2012), A decision framework for considering climate change adaptation in biodiversity conservation planning, Journal of Applied Ecology, blz. 1247-1255.
Opdam, P. en Wascher, D. (2004), Climate change meets habitat fragmentation: linking landscape and biogeographical scale levels in research and conservation, Biological Conservation, 117 (3), blz. 285-297.
Prober, S.M., Doerr, V.A.J., Broadhurst, L.M., et al. (2019), Shifting the conservation paradigm: a synthesis of options for renovating nature under climate change, Ecological Monographs, 89(1), e01333.
Prutsch, A., Grothmann, T., Schauser, I., et al. (2010), Guiding principles for adaptation to climate change in Europe, ETC/ACC Technical Paper 2010/6, Bilthoven: The European Topic Centre on Air and Climate Change.
Rannow, S. en Neubert, M. (2014), Managing Protected Areas in Central and Eastern Europe Under Climate Change, Advances in Global Change Research, 58, Springer Netherlands.
Schloss, C.A., Cameron, D.R., McRae, B.H., et al. (2022), “No-regrets” pathways for navigating climate change: planning for connectivity with land use, topography, and climate, Ecological Applications, 32 (1), e02468.
Stein, B.A., Glick, P., Edelson, N., et al. (2014), Climate-smart conservation: putting adaptation principles into practice, National Wildlife Federation.
Verboom, J., Schippers, P., Cormont, A., et al. (2010), Population dynamics under increasing environmental variability: implications of climate change for ecological network design criteria, Landscape Ecology, 25 (8), blz. 1289-1298.
Vos, C.C., Berry, P., Opdam, P., et al. (2008), Adapting landscapes to climate change: examples of climate-proof ecosystem networks and priority adaptation zones, Journal of Applied Ecology, 45 (6), blz. 1722-1731.
Wilke, C., Rannow, S. en Bilz, M. (2013), HABIT-CHANGE Management Handbook — A guideline to adapt protected areas management to climate change, HABIT-CHANGE Report 5.3.2, Leibniz Institute of Ecological and Regional Development (IOER) en partners, Duitsland.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/3567/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)