European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/3423

6.7.2026

Beroep ingesteld op 15 mei 2026 – Tarabella/Parlement

(Zaak T-295/26)

(C/2026/3423)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Marc Tarabella (Anthisnes, België) (vertegenwoordigers: L. Merodio Marcos en L. Bosser, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

Verzoeker verzoekt het Gerecht:

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 9 februari 2026 tot afwijzing van verzoekers klacht en tot bevestiging van zijn verplichting om een bedrag van 28 668 EUR terug te betalen op grond van artikel 43, lid 2, van de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (hierna: “uitvoeringsbepalingen”), nietig te verklaren;

verweerder te verwijzen in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoeker drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van het recht, een kennelijke beoordelingsfout, alsmede schending van het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”) genoemde beginsel van behoorlijk bestuur en van het in artikel 52, lid 1, van het Handvest genoemde evenredigheidsbeginsel bij de uitlegging van artikel 43 van de uitvoeringsbepalingen.

In een eerste onderdeel stelt verzoeker dat het recht verkeerd is toegepast doordat het Bureau artikel 43, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen in die zin heeft uitgelegd dat er geen sprake was van enige vorm van overmacht, hoewel duidelijk aan deze voorwaarden was voldaan tijdens verzoekers voorlopige hechtenis en zo lang het gerechtelijk verbod op het verlaten van het grondgebied gold, waardoor het voor hem feitelijk onmogelijk was om de plenaire vergaderingen bij te wonen.

In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat het beginsel van behoorlijk bestuur en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden doordat het Bureau de strikte naleving van een formaliteit zonder praktisch nut heeft geëist, terwijl het Parlement zelf heeft gestemd over de opheffing van de immuniteit en op de hoogte was van de redenen voor verzoekers afwezigheden, en hem tevens een kennelijk onevenredige financiële sanctie heeft opgelegd.

In een derde onderdeel beroept verzoeker zich op een kennelijke beoordelingsfout voor zover het Bureau van mening was dat er voor de afwezigheid in januari 2023 geen sprake was van overmacht, terwijl hij de formaliteit onmogelijk kon vervullen vóór het verstrijken van de termijn van 19 maart 2023 omdat hij op 11 februari 2023 onverwacht in voorlopige hechtenis was genomen.

In een vierde onderdeel voert verzoeker een ontoereikende motivering aan, voor zover het Bureau niet heeft geantwoord op het argument van overmacht als autonoom Unierechtelijk begrip, hetgeen in strijd is met artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de in de artikelen 20 en 21 van het Handvest neergelegde beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, en aan een kennelijke beoordelingsfout bij de uitlegging van het begrip “ernstige familieomstandigheden” uit artikel 43, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen.

Verzoeker is van mening dat het Bureau met zijn weigering om de voorlopige hechtenis gelijk te stellen met “ernstige familieomstandigheden” terwijl deze twee situaties dezelfde objectieve kenmerken vertonen – een ernstige, plotselinge gebeurtenis buiten de wil van het parlementslid, waardoor hij fysiek verhinderd is de vergaderingen bij te wonen – vergelijkbare situaties zonder objectieve rechtvaardiging verschillend heeft behandeld, hetgeen in strijd is met de artikelen 20 en 21 van het Handvest.

3.

Derde middel, ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van artikel 7 van het Handvest bij de uitlegging van artikel 43, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen.

Verzoeker betoogt dat, aangezien het begrip “ernstige familieomstandigheden” nooit is gedefinieerd, de restrictieve uitlegging van het Bureau onvoorzienbaar is en in strijd is met de uit het rechtzekerheidsbeginsel voortvloeiende vereisten van duidelijkheid. Die uitlegging is bovendien onverenigbaar met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke de hechtenis naar haar aard een beperking met zich meebrengt van het privé-, familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarmee artikel 7 van het Handvest overeenstemt.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/3423/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)