|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/3153 |
22.6.2026 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte d’appello di Milano (Italië) op 17 februari 2026 – Strafzaak tegen GL
(Zaak C-98/26, Miaccu (1) )
(C/2026/3153)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte d’appello di Milano
Partijen in de strafzaak
GL
Prejudiciële vraag
Moeten overweging 12 en artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ (2) aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale wet waarbij dat kaderbesluit in nationaal recht is omgezet als de Italiaanse wet nr. 69 van 22 april 2005, op grond waarvan, wegens de verwijzing in artikel 39, lid 1, naar de algemene bepalingen van de Italiaanse codice di procedura penale “voor zover verenigbaar”, de procedure voor de tenuitvoerlegging van een EAB niet kan worden voortgezet wanneer de door de uitvaardigende staat gezochte persoon wegens zijn geestelijke gesteldheid niet bewust aan de procedure kan deelnemen en die toestand onomkeerbaar is?
(1) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
(2) 2002/584/JBZ: Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/3153/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)