|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/2959 |
28.5.2026 |
ARREST VAN HET HOF
van 12 februari 2026
in zaak E-9/25
Peter Plörer tegen LGT Bank AG
(Consumentenrecht — Richtlijn 93/13/EEG — Niet-bindende werking van oneerlijke bedingen in overeenkomsten — Rechtmatigheid van nationale verjaringstermijnen)
(C/2026/2959)
In zaak E-9/25, Peter Plörer tegen LGT Bank AG — VERZOEK aan het Hof krachtens artikel 34 van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie door de Fürstlicher Oberster Gerichtshof betreffende de uitlegging van het doeltreffendheidsbeginsel in de context van nationale regels inzake verjaringstermijnen voor vorderingen tot betaling van rente over geldsommen die ten onrechte zijn ingehouden wegens de ongeldigheid van een contractueel beding, wanneer die ongeldigheid voortvloeit uit de onverenigbaarheid van dat beding met het EER-recht, heeft het Hof, samengesteld uit Páll Hreinsson, president, Bernd Hammermann en Michael Reiertsen (rechter-rapporteur), rechters, op 12 februari 2026 een arrest gewezen, waarvan het dictum luidt als volgt:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling op grond waarvan voor compensatoire rente over bedragen die onrechtmatig zijn ingehouden wegens de ongeldigverklaring van een contractueel beding op grond van die richtlijn, een verjaringstermijn geldt die verstrijkt voordat de consument kennis heeft kunnen nemen van de door het EER-recht verleende rechten en deze heeft kunnen uitoefenen.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2959/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)