|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/2719 |
26.5.2026 |
Hogere voorziening ingesteld op 31 maart 2026 door Lantmännen ek för en Lantmännen Biorefineries AB tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer, zitting houdend met vijf rechters) van 21 januari 2026 in zaak T-93/24, Lantmännen en Lantmännen Biorefineries/Commissie
(Zaak C-276/26 P)
(C/2026/2719)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Lantmännen ek för, Lantmännen Biorefineries AB (vertegenwoordigd door: O. W. Brouwer en A. Pliego Selie, advocaten, N. Frey en A. Van Cauwelaert, solicitors, S. Perván Lindeborg en M. Nicolin, advokater)
Andere partij: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof:
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen; |
|
— |
de zaak zelf definitief af te doen en besluit C(2023)8320 final van de Commissie van 7 december 2023 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (AT.40054 – Ethanol Benchmarks) nietig te verklaren; en |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en de procedure voor het Gerecht, daaronder begrepen de kosten van eventuele interveniënten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes voeren ter ondersteuning van hun hogere voorziening drie middelen aan.
Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de keuze van de procedure en de vaststelling van het Abengoa-schikkingsbesluit [besluit C(2021) 8913 def. van de Commissie van 10 december 2021] jegens Abengoa als enige schikkende partij (op zich genomen) rekwirantes geen schade heeft berokkend.
Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de verwijzingen naar rekwirantes in het Abengoa-schikkingsbesluit (op zich genomen) geen nadelige gevolgen hadden voor rekwirantes.
Derde middel: het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de keuze van de procedure en de vaststelling van het Abengoa-schikkingsbesluit in overeenstemming waren met het beginsel van onpartijdigheid, de rechten van de verdediging en het recht op behoorlijk bestuur. Bovendien heeft het Gerecht zijn conclusies ontoereikend gemotiveerd.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2719/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)