|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/2504 |
11.5.2026 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Opolu (Polen) op 9 februari 2026 – D&G Sp. z o.o. / Sopockie Towarzystwo Ubezpieczeń ERGO HESTIA S.A.
(Zaak C-71/26, D&G)
(C/2026/2504)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Opolu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: D&G Sp. z o.o.
Verwerende partij: Sopockie Towarzystwo Ubezpieczeń ERGO HESTIA S.A.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 4 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), gelezen in samenhang met de overwegingen ervan, aldus worden uitgelegd dat bedingen in algemene verzekeringsvoorwaarden waarin wordt aangegeven dat het bedrag van de verschuldigde schadeloosstelling wordt vastgesteld aan de hand van de facturen voor de reparatie van het betreffende voertuig, in overeenstemming met van tevoren met de verzekeraar overeengekomen kosten en reparatiemethoden, niet kunnen worden geacht het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst te omschrijven? |
|
2) |
Moet artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 6 en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat bedingen in algemene verzekeringsvoorwaarden die zijn opgenomen in een autocasco-overeenkomst moeten worden geacht in strijd te zijn met de vereisten van de goede trouw en de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen bijgevolg aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument wanneer zij de schadeloosstelling van de consument in het kader van de overeengekomen verzekeringsvariant en van de door de consument betaalde premie ervan afhankelijk stellen dat:
|
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2504/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)