|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/2365 |
4.5.2026 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgerichts Graz (Oostenrijk) op 11 februari 2026 – XE / Volkswagen AG
(Zaak C-74/26, Volkswagen)
(C/2026/2365)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Graz
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: XE
Verwerende partij: Volkswagen AG
Prejudiciële vragen
|
1. a) |
Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 (1) en artikel 3 van verordening (EG) nr. 692/2008 (2) aldus te worden uitgelegd dat bij een onder verordening (EG) nr. 715/2007 vallend voertuig met een dieselmotor dat is uitgerust met
|
|
1. b) |
Dienen artikel 3, punt 10, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat
|
|
2. |
Voor het geval dat in de zin van de in het kader van de eerste prejudiciële vraag aan de orde gestelde vragen moet worden uitgegaan van het emissiecontrolesysteem in zijn geheel: |
|
2. a) |
Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 met betrekking tot de bewijslast aldus te worden uitgelegd dat de koper van een dieselvoertuig voldoet aan zijn stelplicht inzake het bestaan van een ongeoorloofd manipulatie-instrument indien hij aanvoert dat het voertuig is uitgerust met een constructieonderdeel (bijvoorbeeld een “thermovenster”) dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem onder normale rijomstandigheden vermindert en dient de voertuigfabrikant in dat geval aan te tonen dat het systeem in zijn geheel geen vermindering van de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem tot gevolg heeft, of moet de koper ook aantonen dat het voertuig niet is uitgerust met andere constructieonderdelen die het nadelige effect compenseren? |
|
2. b) |
Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 met betrekking tot de bewijslast aldus te worden uitgelegd dat een nationale regeling uit hoofde waarvan de bewijslast voor het bestaan van een manipulatie-instrument op de klagende koper rust en deze derhalve niet alleen moet aantonen dat het voertuig is uitgerust met een constructieonderdeel dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem onder normale rijomstandigheden vermindert, maar ook dat het voertuig niet is uitgerust met andere constructieonderdelen die dat nadelige effect compenseren, de verwerende voertuigfabrikant echter verplicht is mee te werken aan de vaststelling van de feiten – met dien verstande dat niet-medewerking enkel tot gevolg heeft dat de rechter dit feit bij zijn vrije bewijsbeoordeling in aanmerking neemt – in strijd is met het Unierecht, zodat vanuit het oogpunt van het Unierecht de bewijslast betreffende de vaststelling van het emissiecontrolesysteem in zijn geheel bij de verwerende voertuigfabrikant zou moeten liggen? |
|
3. a) |
Dienen artikel 3, punt 10, artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 juncto artikel 3 van uitvoeringsverordening (EG) nr. 692/2008 aldus te worden uitgelegd dat de constructieonderdelen van een dieselvoertuig die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd dat de naleving van de in bijlage I bij verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden niet alleen is gewaarborgd bij de voorgeschreven tests in het kader van de in elk afzonderlijk geval toepasselijke typegoedkeuringsprocedure (in casu: nieuwe Europese rijcyclustest, NEDC), maar ook onder daadwerkelijke rijomstandigheden bij normaal gebruik van het voertuig (reële rijomstandigheden)? |
|
3. b) |
Mocht de derde prejudiciële vraag, onder a), bevestigend worden beantwoord: Dient artikel 5, lid 2, junctis artikel 5, lid 1, en artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat niet de klagende koper, maar de verwerende voertuigfabrikant de bewijslast draagt voor de naleving van de emissiegrenswaarden onder reële rijomstandigheden? |
|
4. |
Moeten artikel 2, punt 6, en bijlage III, punt 3.13.4., van verordening (EG) nr. 692/2008 [juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007] aldus worden uitgelegd dat een systeem voor verontreinigingsbeheersing (programma voor de regeneratie van de opslagkatalysator in de voorbereidingscyclus) dat als een continu regenererend systeem wordt beschouwd omdat een regeneratie (reinigingsproces) bij elke test van type I ten minste één keer plaatsvindt en tijdens de voorbereidingscyclus van het voertuig al één keer heeft plaatsgevonden (zogenoemde precon respectievelijk voorconditionering), een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 is? |
|
5. a) |
Moet artikel 5, lid 2, onder c), van verordening (EG) nr. 715/2007 [juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 alsmede artikel 2, punt 6, en bijlage III, punt 3.13.4., van verordening (EG) nr. 692/2008] aldus worden uitgelegd dat (in voorkomend geval) een dergelijk manipulatie-instrument toelaatbaar is omdat in wezen is voldaan aan de voorwaarden van de relevante procedure voor het testen van emissies? |
|
5. b) |
Moet artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 [juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 alsmede artikel 2, punt 6, en bijlage III, punt 3.13.4., van verordening (EG) nr. 692/2008] aldus worden uitgelegd dat (in voorkomend geval) een dergelijk manipulatie-instrument toelaatbaar is als de emissiegerelateerde werking die dit instrument gedurende de testprocedure (goedkeuringstest) laat zien, in de overgrote meerderheid van de gevallen ook onder normale gebruiksomstandigheden (reële rijomstandigheden) bestaat? |
|
6. |
Moeten punt 2.20 en bijlage 13, punt 3, VN/ECE (3) [juncto bijlage III, punt 3.13.1., en artikel 2, punt 6, van verordening (EG) nr. 692/2008] aldus worden uitgelegd dat de in bijlage 13, punt 3, tweede zin, VN/ECE opgenomen regel volgens welke de schakelaar (om het regeneratieproces mogelijk of onmogelijk te maken) tijdens de voorconditioneringscycli alleen mag worden bediend om regeneratie te voorkomen, alleen relevant is voor de speciale testprocedure overeenkomstig bijlage 13 bij het VN/ECE en dus voor de emissietest bij een voertuig met een periodiek regenererend systeem, maar niet ook voor een voertuig met een continu regenererend systeem? |
(1) Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2008, L 199, blz. 1).
(3) Reglement nr. 83 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties [VN/ECE] – Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat de emissie van verontreinigende stoffen naargelang de motorbrandstofvereisten betreft [2015/1038] (PB 2015, L 172, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2365/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)