European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/2202

27.4.2026

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Esztergomi Járásbíróság (Hongarije) op 5 januari 2026 – AJ / ERSTE Bank Hungary Zrt., Intrum Zrt.

(Zaak C-1/26; ERSTE Bank Hungary en Intrum)

(C/2026/2202)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Esztergomi Járásbíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: AJ

Verwerende partijen: ERSTE Bank Hungary Zrt., Intrum Zrt.

Prejudiciële vragen

Nadat de rechter de consument over het volgende heeft geïnformeerd:

“Volgens de punten 46, 94 en 97 van het arrest van het Hof Bank BPH (C-19/20), moet de nationale rechter, teneinde de consument in staat te stellen vrijwillig en goed geïnformeerd zijn instemming te geven, de partijen objectief en uitputtend wijzen op de rechtsgevolgen die de schrapping van het oneerlijke beding kan hebben. Het maakt daarbij niet uit of de partijen al dan niet door een professionele gemachtigde worden vertegenwoordigd. Het voorgaande geldt in het bijzonder wanneer de niet-toepassing van een dergelijk beding kan leiden tot de nietigverklaring van de gehele overeenkomst.

Overeenkomstig het tweede deel van punt 94 van bovengenoemd arrest moet de consument a fortiori het recht hebben om zich ertegen te verzetten dat hij krachtens dat systeem wordt beschermd tegen de schadelijke gevolgen van de nietigverklaring van de overeenkomst in haar geheel, wanneer hij zich niet op een dergelijke bescherming wenst te beroepen.

De rechter is van oordeel dat de consument op grond van het bovenstaande kan verklaren dat hij wenst dat de wetten inzake leningen in vreemde valuta wel of juist niet worden toegepast. De op de nationale rechter rustende informatieplicht is in het bijzonder relevant wanneer de verklaring van de consument dat hij afstand wenst te doen van de toepassing van de bepalingen inzake consumentenbescherming (die zijn opgenomen in de DH-wetgeving) leidt tot de nietigheid van de gehele overeenkomst en dit voor hem uiterst nadelige gevolgen kan hebben.

De rechter informeert partijen dat, indien verzoekster verzoekt om het niet toepassen van de DH-wetgeving en zij daarmee afstand doet van de toepassing van die regels, de schrapping van oneerlijke en nietige bedingen die een indexeringsmechanisme op basis van de wisselkoersspread bevatten, als rechtsgevolg kan hebben dat de overeenkomst ongeldig is, hoewel dit een rechtsvraag is waarover de rechter uitspraak zal doen in zijn eindbeslissing.

Gelet op het voorgaande hangt het rechtsgevolg van de ongeldigheid van een oneerlijk contractueel beding af van de beoordeling van deze rechtsvraag. Indien de rechter vaststelt dat de overeenkomst in haar geheel ongeldig is, informeert hij verzoekster, in haar hoedanigheid van consument, dat dit tot gevolg heeft dat partijen op de datum van de beslissing onderling tot afrekening over moeten gaan. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor de consument, aangezien dit de verplichting kan meebrengen om in één keer een hoog bedrag te betalen.”

De consument is bij haar verklaring gebleven, inhoudende dat zij niet verzoekt om toepassing van de DH-wetgeving, maar om uitsluiting van de toepassing ervan – hetgeen voor haar geen bijzonder nadelige gevolgen heeft – en heeft verzocht om de overeenkomst ongeldig te verklaren en om herstel van de oorspronkelijke situatie overeenkomstig de richtlijn van de Unie inzake consumentenbescherming. Handelt de verwijzende rechter in zijn uitspraak in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG (1) van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, wanneer hij, tegen de bovengenoemde uitdrukkelijke wil van de consument, in zijn beslissing de DH-wetgeving toepast en op grond daarvan de overeenkomst geldig acht en de procedurele vorderingen van de consument terzake ongeldigverklaring van de overeenkomst, herstel van de oorspronkelijke situatie en afrekening tussen partijen afwijst, of is het verenigbaar met het Unierecht dat de rechter, rekening houdend met de verklaring van de consument, de ongeldigheid van de overeenkomst vaststelt en de rechtsgevolgen toepast die genoemd worden in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-630/23?


(1)   PB 1993, L 95, blz. 29.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2202/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)