European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/2013

13.4.2026

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Steyr (Oostenrijk) op 30 januari 2026 – DIBO Diamantwerkzeuge GmbH / Volkswagen AG

(Zaak C-43/26, Volkswagen)

(C/2026/2013)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht Steyr

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DIBO Diamantwerkzeuge GmbH

Verwerende partij: Volkswagen AG

Prejudiciële vragen

1.

a)

Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 (1) en artikel 3 van uitvoeringsverordening nr. 692/2008/EG (2) aldus te worden uitgelegd dat bij een onder verordening 715/2007 vallend voertuig met een dieselmotor dat is uitgerust met systemen voor uitlaatgasrecirculatie EGR-systeem) en uitlaatgasnabehandeling (SCR-systeem), voor de kwalificatie ervan als manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening 715/2007 moet worden uitgegaan van de vraag of de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem als geheel (met inbegrip van alle aanwezige systemen voor uitlaatgasrecirculatie en -nabehandeling) wordt verminderd dan wel van de vraag of de doelmatigheid van afzonderlijke constructieonderdelen (bijvoorbeeld “thermovenster” of de NOx-katalysator) als op zich staande emissiecontrolesystemen wordt verminderd?

b)

Dienen artikel 3, punt 10, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat voor de kwalificatie als ongeoorloofd manipulatie-instrument uitsluitend doorslaggevend is dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem – ongeacht of het gaat om een afzonderlijk constructieonderdeel of om het systeem als geheel [zie eerste prejudiciële vraag, onder a)] – onder normale gebruiksomstandigheden wordt verminderd of is daarnaast vereist dat (ten minste) één van de in bijlage I van verordening 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden wordt overschreden?

2.

Voor het geval dat moet worden uitgegaan van het emissiecontrolesysteem in zijn geheel:

a)

Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening 715/2007 met betrekking tot de bewijslast aldus te worden uitgelegd dat de koper van een dieselvoertuig voldoet aan zijn stelplicht inzake het bestaan van een ongeoorloofd manipulatie-instrument indien hij aanvoert dat het voertuig is uitgerust met een constructieonderdeel (bijvoorbeeld een “thermovenster”) dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem onder normale rijomstandigheden vermindert en dient de voertuigfabrikant in dat geval aan te tonen dat het systeem in zijn geheel geen vermindering van de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem tot gevolg heeft, of moet de koper ook aantonen dat het voertuig niet is uitgerust met andere constructieonderdelen die het nadelige effect compenseren?

b)

Dient artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening 715/2007, mocht de stelplicht met betrekking tot het systeem in zijn geheel en de daaruit naar nationaal recht voortvloeiende bewijslast bij de koper liggen, aldus te worden uitgelegd dat zelfs een nationale regeling uit hoofde waarvan de fabrikant in dat geval verplicht is mee te werken aan de vaststelling van de feiten, toch niet met het Unierecht, in het bijzonder met het doeltreffendheidsbeginsel, in overeenstemming is, zodat vanuit het oogpunt van het Unierecht de bewijslast ook dan op de fabrikant moet rusten?

3.

Dienen artikel 3, punt 10, artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening 715/2007 (juncto artikel 3 van de uitvoeringsverordening) aldus te worden uitgelegd dat de constructieonderdelen van een dieselvoertuig die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd dat de naleving van de in bijlage I bij verordening 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden niet alleen is gewaarborgd bij de voorgeschreven tests in het kader van de toepasselijke typegoedkeuringsprocedure (in casu: nieuwe Europese rijcyclustest, NEDC), maar ook onder daadwerkelijke rijomstandigheden bij normaal gebruik van het voertuig (reële gebruiksomstandigheden)?

4.

Dienen de bepalingen van richtlijn 2007/46/EG (3) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni [september] 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB 2007, L 263/1), juncto artikel 3, punt 10, en artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171/1), aldus te worden uitgelegd dat een gereduceerde EGR-graad vanaf het bereiken van de SCR-bedrijfstemperatuur een ongeoorloofd manipulatie-instrument vormt?

5.

Moet het doeltreffendheidsbeginsel van het Unierecht (in het bijzonder artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale kostenregeling of de toepassing ervan door de rechter, op grond waarvan een verzoeker die een door het Unierecht wegens schending van artikel 5 van verordening (EG) nr. 715/2007 opgelegd recht op schadevergoeding geldend maakt, een aanzienlijk deel van de gerechtskosten moet dragen, enkel omdat de nationale rechter het bedrag van de schadevergoeding in het kader van een nationaal erkende marge (bijvoorbeeld van 5 tot 15 % van de koopprijs) vaststelt op een lager niveau dan door de verzoeker wordt gevorderd, ofschoon de exacte hoogte van de schade – ondanks dat deze is afgestemd op de gegeven marge – ex ante objectief niet exact kan worden bepaald en de vaststelling ervan wezenlijk afhangt van de rechterlijke beoordeling?


(1)  Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2008, L 199, blz. 1).

(3)  Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB 2007, L 263, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2013/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)