|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/1699 |
24.4.2026 |
P10_TA(2025)0284
Het waarborgen van een snellere registratie en invoering van biologische bestrijdingsmiddelen
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2025 over het waarborgen van een snellere registratie en invoering van biologische bestrijdingsmiddelen (2025/2086(INI))
(C/2026/1699)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien de artikelen 114 en 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, |
|
— |
gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), |
|
— |
gezien het voorstel van de Commissie van 22 juni 2022 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/2115 (COM(2022)0305), |
|
— |
gezien zijn ontwerpresolutie tot vaststelling van een wettelijke definitie en categorisering van biologische bestrijdingsmiddelen bij het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” (COM(2020)0381) en de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 – De natuur terug in ons leven brengen” (COM(2020)0380), |
|
— |
gezien de gezamenlijke beraadslagingen van de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling overeenkomstig artikel 59 van het Reglement, |
|
— |
gezien het antwoord van de Commissie op Besluit (EU) 2022/2572 van de Raad van 19 december 2022 waarbij de Commissie wordt verzocht met een studie te komen ter aanvulling van de effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad, en afhankelijk van de resultaten van de studie vervolgmaatregelen voor te stellen (2), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 19 februari 2025, getiteld “Een visie voor landbouw en voedsel – Samen de landbouw- en voedselsector van de EU aantrekkelijk maken voor de toekomstige generaties” (COM(2025)0075), |
|
— |
gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (3), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 23 november 2023 over het herziene EU-initiatief inzake bestuivers – Een “New Deal” voor bestuivers (4), |
|
— |
gezien Besluit 15/4 dat op 19 december 2022 is genomen op de VN-Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit over het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 12 mei 2021, getiteld “Route naar een gezonde planeet voor iedereen – EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul” (COM(2021)0400), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (5), |
|
— |
gezien artikel 55 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A10-0234/2025), |
|
A. |
overwegende dat een gewasbeschermingsmiddel een product is dat een stof bevat die een schadelijk organisme (“plaagorganisme”) voorkomt, vernietigt of bestrijdt; overwegende dat biologische bestrijding afkomstig is uit de natuur of identiek is aan de natuur indien deze synthetisch wordt geproduceerd en een methode is waarbij plaagorganismen en ziekten worden bestreden met behulp van andere organismen of delen daarvan, vaak in combinatie met fysieke technieken, om de voortplantingscycli van plaagorganismen te verstoren of om gewassen minder gevoelig te maken voor plaagorganismen; |
|
B. |
overwegende dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 werkzame stoffen op EU-niveau moeten worden goedgekeurd voordat de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen met deze stoffen kunnen toelaten; overwegende dat op de huidige lijst met ongeveer 420 goedgekeurde werkzame stoffen zowel conventionele werkzame stoffen staan als een toenemend aantal werkzame stoffen voor biologische bestrijding (6); overwegende dat de toelating van biologische bestrijdingsmiddelen ook onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt; overwegende dat vóór 2028 naar verwachting meer dan 100 toelatingsaanvragen zullen worden ingediend om biologische bestrijdingsmiddelen op de EU-markt te brengen, en dat deze aanvragen mogelijk niet zullen worden goedgekeurd vóór 2031 - 2037; overwegende dat het na indiening van de toelatingsaanvraag tien tot vijftien jaar kan duren voordat een biologisch bestrijdingsmiddel op de markt wordt gebracht, afhankelijk van de classificatie ervan; overwegende dat de langdurige toelatingsprocedure een invloed heeft op de beschikbaarheid van oplossingen voor gewasbescherming; overwegende dat deze biologische bestrijdingsmiddelen weliswaar niet hetzelfde risicoprofiel hebben als conventionele gewasbeschermingsmiddelen, maar in sommige gevallen toch risico’s (7) kunnen inhouden en risicobeoordelingsmethoden vereisen die zijn afgestemd op het werkingsmechanisme en de aard van het middel om de veiligheid en werkzaamheid ervan te beoordelen; overwegende dat deze vereiste in verhouding moet staan tot het risico en een concurrerende, op wetenschap gebaseerde en innovatievriendelijke regelgeving essentieel is om duurzaamheid en productiviteit in de agrovoedingsindustrie van de EU te waarborgen; |
|
C. |
overwegende dat er momenteel geen geharmoniseerde EU-brede wettelijke definitie van biologische bestrijding bestaat; |
|
D. |
overwegende dat het bij oplossingen voor biologische bestrijding zowel kan gaan om werkzame stoffen, agentia en biologische bestrijdingsmiddelen op basis van ongewervelde organismen die plaagorganismen en ziekten bestrijden, als om producten met een of meer werkzame stoffen voor biologische bestrijding; overwegende dat oplossingen voor biologische bestrijding worden toegepast als onderdeel van holistische plantgezondheidsstrategieën waarbij preventieve agronomische maatregelen worden gecombineerd met andere aanpakken, om de doeltreffendheid ervan te optimaliseren en ervoor te zorgen dat het gebruik ervan aanvullend blijft en afgestemd wordt op de behoeften; |
|
E. |
overwegende dat biologische bestrijding kan plaatsvinden door middel van: a) levende macro- en micro-organismen, b) signaalstoffen, c) extracten uit natuurlijke bronnen, met name planten en algen, en stoffen die door micro-organismen worden geproduceerd, d) stoffen die identiek zijn aan stoffen die door biologische organismen worden geproduceerd of die bestanddelen zijn van biologische organismen, en e) anorganische stoffen die in de natuur voorkomen, met uitzondering van zware metalen en zouten daarvan; |
|
F. |
overwegende dat biologische bestrijdingsmiddelen op basis van ongewervelde organismen, zoals nuttige roofdierinsecten als parasitoïden, mijten en nematoden, reeds een essentiële rol spelen in systemen voor geïntegreerde gewasbescherming en biologische landbouw; overwegende dat deze bestrijdingsmiddelen, anders dan op stoffen gebaseerde biologische bestrijdingsmiddelen, niet onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 vallen en bijgevolg nog steeds onderworpen zijn aan uiteenlopende en gefragmenteerde nationale regels; overwegende dat snellere toelatingsprocedures voor macro-organismen met behoud van hoge veiligheidsnormen voor de gezondheid en het milieu, zouden helpen om macro-organismen toegankelijker te maken op de markt en fytosanitaire problemen aan te pakken; |
|
G. |
overwegende dat oplossingen voor biologische bestrijding vaak worden gecombineerd tot mengsels van signaalstoffen, plantenextracten of microbiële consortia die doeltreffender zijn, meerdere plaagorganismen of ziekten bestrijden en zich beter kunnen aanpassen aan het milieu, en vaak worden opgenomen in andere plaagbestrijdingstechnieken, zoals geïntegreerde gewasbescherming (IPM); overwegende dat het daarom niet altijd mogelijk is om een conventioneel gewasbeschermingsmiddel te vervangen door een enkel biologisch bestrijdingsmiddel; |
|
H. |
overwegende dat biologische bestrijding vaak geassocieerd wordt met een lagere toxiciteit en minder persistentie en milieuverontreiniging, en met de nodige voorzorg een aanvulling kan vormen op conventionele gewasbeschermingsmiddelen; overwegende dat dit in sommige gevallen landbouwers kan helpen om hun afhankelijkheid van het gebruik van conventionele gewasbeschermingsmiddelen af te bouwen door landbouwers aanvullende veilige en doeltreffende bestrijdingsopties te bieden, wat bijdraagt tot een gezondere bodem en waardoor de effecten op de biodiversiteit, ecosystemen, waterkwaliteit, voedselketens en de volksgezondheid worden verminderd; |
|
I. |
overwegende dat een versnelling van de toelatingsprocedures en het op de markt brengen van biologische bestrijdingsmiddelen in de EU, de beschikbaarheid van deze middelen zou vergroten en mogelijkheden biedt om de resistentie van plaagorganismen en ziekten tegen de huidige gewasbeschermingsmiddelen tegen te gaan; overwegende dat dit zou bijdragen tot de bevordering van duurzamere landbouwpraktijken en zou zorgen voor een vergroting van de veerkracht en het concurrentievermogen van de landbouwsector door landbouwers de breedst mogelijke opties voor plaagbestrijding te blijven bieden; |
|
J. |
overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 2025 over een visie voor landbouw en voedsel (8) stelt dat “landbouwers een geavanceerder instrumentarium nodig hebben om op natuurvriendelijke wijze aan landbouw te kunnen doen en de vastgestelde doelstellingen te kunnen verwezenlijken. Dat instrumentarium vereist een evenwichtige mix van gerichtere overheidssteun uit het toekomstige GLB, investeringen in natuurvriendelijke oplossingen, meer economische stimulansen, advies op maat op basis van de vooruitgang in onderzoek en innovatie, en een flexibeler regelgeving. Een voorbeeld hiervan is de ambitie van de EU om het gebruik van schadelijke pesticiden te verminderen. Dit is belangrijk voor zowel de veerkracht van de landbouw op lange termijn als voor de bescherming van de natuur en de gezondheid. De invoering van alternatieven in de vorm van biologische of innovatieve gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico houdt echter geen gelijke tred met het uit de handel nemen van werkzame stoffen op de EU-markt. Als deze trend zich voortzet, kan dit van invloed zijn op het vermogen van de EU om de voedselproductie te waarborgen. De Commissie zal daarom elk verder verbod op pesticiden zorgvuldig bekijken als er nog geen alternatieven beschikbaar zijn, tenzij het bestrijdingsmiddel in kwestie een bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid of voor het milieu waarop de landbouw steunt voor zijn levensvatbaarheid.”; |
|
K. |
overwegende dat er bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vaak een gebrek is aan de nodige deskundigheid, ervaring en middelen om aanvragen voor biologische bestrijding te behandelen, met name op het gebied van microbiologie; overwegende dat, om de marktintroductie van biologische bestrijdingsmiddelen te bevorderen, de richtsnoeren en gegevensvereisten moeten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van oplossingen voor biologische bestrijding, waarbij buitensporige lasten, kosten, langdurige goedkeuringsprocedures en wettelijke termijnen moeten worden vermeden; overwegende dat snellere, betaalbaardere en minder complexe toelatingsprocedures voor biologische bestrijdingsmiddelen kunnen helpen om meer investeringen in de EU aan te trekken en het mondiale leiderschap van de EU op het gebied van duurzame gewasbescherming te versterken; |
|
L. |
overwegende dat de doeltreffende uitrol van biologische bestrijdingsmiddelen vaak afhankelijk is van aangepaste praktijken, waaruit blijkt dat er behoefte is aan verdere investeringen in opleiding, infrastructuur en ondersteunend advies om deze middelen succesvol in te zetten; |
|
M. |
overwegende dat de biologische bestrijdingssector in de EU voor ongeveer 70 % bestaat uit kleine en middelgrote bedrijven in de EU die zich bezighouden met biologische bestrijding; overwegende dat deze bedrijven belangrijke aanjagers van duurzame innovatie zijn; overwegende dat met de goedkeuring van werkzame stoffen voor gewasbeschermingsmiddelen, waaronder biologische bestrijdingsmiddelen in de EU, aanzienlijke kosten gemoeid zijn, waarbij de totale investering per stof, onder meer voor het genereren van gegevens, regelgevingskosten en nationale toelatingen, wordt geraamd op 1,5 tot 4 miljoen EUR; |
Wettelijke definities, toepassingsgebied en beginselen
|
1. |
verzoekt de Commissie op EU-niveau een duidelijke wettelijke definitie van biologische bestrijdingsoplossingen vast te stellen, alsook een kader voor de versnelde goedkeuring van werkzame stoffen voor biologische bestrijding op EU-niveau en voor de toelating van biologische bestrijdingsmiddelen op het niveau van de lidstaten; is van mening dat een dergelijk kader vergezeld moet gaan van duidelijke gegevensvereisten en geactualiseerde richtsnoeren, teneinde de rechtszekerheid te vergroten, de inspanningen van de EU op het vlak van innovatie te bevorderen en investeringen in duurzame alternatieven te stimuleren; dringt er voorts op aan dat de Commissie zich inzet om een versnippering van de markt te voorkomen en de administratieve lasten te verminderen; |
|
2. |
merkt op dat rechtszekerheid innovatie zal vergemakkelijken, vooral bij kleine en middelgrote ondernemingen, en de ontwikkeling van een concurrerende biologische bestrijdingssector in de EU zal stimuleren; benadrukt voorts het belang van wettelijke coherentie en consistentie met de relevante EU-wetgeving, met inbegrip van Verordening (EU) 2018/848 (9), en strategieën, en dat er waar nodig specifieke bepalingen inzake biologische bestrijdingsmiddelen moeten worden vastgesteld; |
|
3. |
onderstreept dat biologische bestrijdingsmiddelen over het algemeen andere risicoprofielen hebben dan conventionele chemische gewasbeschermingsmiddelen, aangezien deze niet dezelfde eigenschappen, werkingsmechanismen of ecologische gevolgen hebben; benadrukt echter dat deze middelen ook risico’s inhouden en dat daarom een passende, wetenschappelijk onderbouwde risicobeoordeling nodig is; beklemtoont dat de risicobeoordelingsmethoden moeten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van biologische bestrijdingsmiddelen, waarbij moet worden gewaarborgd dat er voldoende rekening wordt gehouden met regionale agronomische kenmerken, alsook wordt gezorgd voor een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, niet-doelorganismen, de biodiversiteit en het milieu, in overeenstemming met de “één gezondheid”-benadering en het voorzorgsbeginsel; herinnert met name aan de noodzaak om de potentiële effecten van biologische bestrijdingsmiddelen op nuttige soorten, ecosystemen en de biodiversiteit te beoordelen, ook wanneer levende organismen zoals micro-organismen, natuurlijke vijanden of steriele insecten of bestanddelen daarvan in het milieu worden geïntroduceerd; |
|
4. |
verzoekt de Commissie in de effectbeoordeling bij het wetgevingsvoorstel na te gaan of de huidige risicobeoordelingen bij de goedkeuringsprocedure van werkzame stoffen voor biologische bestrijding en de toelatingsprocedure voor biologische bestrijdingsmiddelen geschikt zijn en, indien nodig, voor elke biologische bestrijdingsoplossing op maat gesneden risicobeoordelingsprotocollen te ontwikkelen; onderstreept dat risicobeoordelingen voor biologische bestrijdingsmiddelen altijd een gericht, passend en behoorlijk risicobeheer en een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu moeten waarborgen; benadrukt dat er bij toelatingsprocedures op EU-niveau geharmoniseerde criteria voor het effect op het milieu en de biodiversiteit moeten worden gehanteerd om verschillen tussen de lidstaten te voorkomen; beklemtoont dat dergelijke biologische bestrijdingsmiddelen alleen mogen worden goedgekeurd indien zij voldoen aan de relevante goedkeuringscriteria (10) die een veilig en doeltreffend gebruik waarborgen, en indien de werkzaamheid ervan wetenschappelijk is onderzocht en de resultaten beschikbaar zijn, waarbij bedrijfsgevoelige informatie wordt beschermd; herinnert eraan dat de procedures moeten worden vereenvoudigd om vertragingen te voorkomen die nadelig zouden zijn voor innovatieve ondernemingen en landbouwers in de EU; merkt op dat risicobeoordelingsprocedures transparant en duidelijk moeten zijn; |
Gerichte wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009
|
5. |
verzoekt de Commissie op kortere termijn de huidige Verordening (EG) nr. 1107/2009 te herzien om werkzame stoffen die worden gebruikt voor biologische bestrijding en biologische bestrijdingsmiddelen specifiek in aanmerking te nemen; |
|
6. |
verheugt zich over het geplande voorstel van de Commissie voor een gerichte herziening van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als onderdeel van het aangekondigde vereenvoudigingspakket, dat voornamelijk gericht is op de goedkeuring en toelating van werkzame stoffen voor biologische bestrijding en producten die alleen deze stoffen bevatten, om aanvragen voor biologische bestrijdingsmiddelen sneller te beoordelen en de procedures voor de verlenging van de goedkeuring voor werkzame stoffen voor biologische bestrijding te vergemakkelijken, en zo het aanbod van beschikbare gewasbeschermingsmiddelen op korte termijn te vergroten en de overschakeling op productiesystemen met minder schadelijke werkzame stoffen te ondersteunen; |
Wederzijdse erkenning
|
7. |
moedigt de lidstaten aan gebruik te maken van de huidige procedure van wederzijdse erkenning uit hoofde van artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 om de toelating van biologische bestrijdingsmiddelen te versnellen teneinde de inzet en de beschikbaarheid van biologische bestrijdingsmiddelen in de hele EU te vergroten; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de uitvoering van artikel 40 en waar nodig follow-upinitiatieven op te zetten om de volledige uitvoering ervan te waarborgen; |
|
8. |
merkt op dat in het kader van de gerichte wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 het beginsel van wederzijdse erkenning in EU-toelatingsprocedures voor biologische bestrijdingsmiddelen moet worden versterkt, vergemakkelijkt en operationeel gemaakt, om zo de duplicatie van nationale beoordelingen te verminderen, met inachtneming van het voorzorgsbeginsel en verschillen tussen lokale contexten; |
|
9. |
verzoekt de Commissie te werken aan een routekaart om automatische procedures van wederzijdse erkenning in te voeren voor bestrijdingsmiddelen die uitsluitend biologisch zijn, en ondernemingen de mogelijkheid te bieden om met één dossier de toelating van een biologisch bestrijdingsmiddel in verschillende lidstaten tegelijk aan te vragen en daarbij een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het milieu te waarborgen, alsook te overwegen om voor de hele EU één toelatingszone te hanteren zodat kan worden aangetoond dat in alle EU-landen aan dezelfde wetenschappelijke normen, werkzaamheidscriteria en veiligheidsniveaus wordt voldaan; benadrukt dat met een dergelijke routekaart moet worden gestreefd naar een potentieel wetgevingskader dat zou worden onderworpen aan, en alleen mag worden vastgesteld na een robuuste en strenge effectbeoordeling, en dat stapsgewijs kan worden ontwikkeld, te beginnen met nauwere samenwerking en gegevensuitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten, en vervolgens het stroomlijnen van de beoordelingsprocedures per zone voor biologische bestrijdingsmiddelen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009, bijvoorbeeld door lidstaten-rapporteurs te verzoeken om, in samenwerking met de lidstaten van elk van de andere geografische zones, de toelatingsvoorwaarden in alle geografische zones te beoordelen met als doel wederzijds vertrouwen tussen de bevoegde nationale autoriteiten op te bouwen, bureaucratische overlapping te voorkomen, landbouwers te helpen duurzamere oplossingen toe te passen en te streven naar een uniformere markttoegang, met behoud van strenge normen voor de bescherming van gezondheid en milieu; |
Kleine toepassing
|
10. |
verzoekt de lidstaten om waar nodig enkel de uitbreiding van toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die reeds zijn toegelaten en werkzame stoffen voor biologische bestrijding bevatten, te vergemakkelijken en versnellen om deze in te zetten voor kleine toepassingen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot gecontroleerde landbouw, tenzij de bevoegde autoriteit een specifiek en wetenschappelijk onderbouwd risico vaststelt; |
|
11. |
verzoekt de Commissie per geval na te gaan welke gevolgen, risico’s en voordelen, verbonden zijn aan de automatische uitbreiding van de toelating van enkel gewasbeschermingsmiddelen die reeds zijn toegelaten en biologische bestrijdingsmiddelen bevatten, om in te zetten voor kleine toepassingen, overeenkomstig de waarborgen van artikel 51 van Verordening (EG) nr. 1107/2009; |
|
12. |
verzoekt de Commissie te overwegen de maximumperiode voor de eerste goedkeuring en verlenging van werkzame stoffen voor biologische bestrijding te verlengen tot maximaal 25 jaar; verzoekt de Commissie een lijst op te stellen en bij te houden van biologische bestrijdingsmiddelen die op basis van hun profiel, aard en werkingsmechanisme in aanmerking kunnen komen voor toelating met verlengde termijn van maximaal 25 jaar voor de eerste toelating; benadrukt dat een dergelijke lijst niet mag worden afgesloten, maar een weerspiegeling moet zijn van de meest recente wetenschappelijke normen en dynamisch moet blijven, wat betekent dat niet mag worden aangenomen dat middelen permanent in de lijst worden opgenomen; verzoekt de Commissie de lijst periodiek te herzien en bij te werken in het licht van nieuwe gegevens of wetenschappelijke ontwikkelingen; verzoekt de Commissie na te gaan onder welke voorwaarden werkzame stoffen voor biologische bestrijding en bestrijdingsmiddelen waarvan is aangetoond dat zij geen of een verwaarloosbaar risicoprofiel hebben, een goedkeuring en toelating voor onbepaalde tijd kunnen krijgen; |
|
13. |
verzoekt de Commissie voorts om zich te beraden op de vaststelling van een goedkeuringsmechanisme op EU-niveau voor specifieke categorieën biologische bestrijdingsmiddelen met een laag risico; |
Versnelde procedures
|
14. |
beveelt aan de procedures voor (her)toelating en (her)goedkeuring van biologische bestrijdingsoplossingen te stroomlijnen, te optimaliseren en te versnellen, onder meer door versnelde procedures in te voeren, om onnodige bureaucratische lasten te verminderen en de wettelijke termijnen voor beoordeling beter te respecteren, en tegelijkertijd het geassocieerde risico naar behoren te beoordelen en beheren; |
|
15. |
benadrukt echter dat versnelde procedures voor het in de handel brengen van biologische bestrijdingsmiddelen nog steeds aan een grondige wetenschappelijke beoordeling moeten worden onderworpen, met inbegrip van een risicoanalyse die ook betrekking heeft op niet-doelorganismen en de werkzaamheid in uiteenlopende relevante klimatologische omstandigheden; |
Voorlopige toelating
|
16. |
verzoekt de Commissie bij de herziening van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te overwegen artikel 30 te wijzigen om voorlopige toelating uitsluitend toe te staan voor biologische gewasbeschermingsmiddelen die voldoen aan de relevante veiligheidscriteria van dat artikel; is van mening dat voorlopige en voorwaardelijke toelatingen moeten worden onderworpen aan de nodige monitoring; herinnert aan het algemeen aanvaarde beginsel dat indien nieuwe gegevens duiden op een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of het milieu, ook voor niet-doelsoorten, de voorlopige toelating moet worden herzien en ingetrokken; |
Vooruitblik: strategie, analyse van lacunes en een wetgevingsperspectief op lange termijn
|
17. |
dringt erop aan dat de Commissie in de effectbeoordeling bij haar wetgevingsvoorstel nagaat of het huidige wetgevingskader en de huidige risicobeoordelingen geschikt zijn voor de goedkeuringsprocedure van werkzame stoffen voor biologische bestrijding en de toelatingsprocedure voor biologische bestrijdingsmiddelen, onder meer in termen van gegevensvereisten, goedkeuringscriteria en wederzijdse erkenning; dringt erop aan dat de Commissie in de begeleidende effectbeoordeling onderzoekt op welke gebieden de huidige verordening beter kan worden afgestemd op het in de handel brengen van biobestrijdingsoplossingen, zoals in de strategische dialoog werd gevraagd, en om tegemoet te komen aan de behoeften van landbouwers aan een geavanceerder en uitgebreider instrumentarium; |
|
18. |
verzoekt de Commissie te voorzien in een alomvattende strategie voor biologische bestrijding en een beoordeling van het instrumentarium met het oog op te verwachten uitdagingen op het gebied van gewasbescherming in de komende tien jaar voor specifieke gewassen, plaagorganismen en ziekten, met als doel de ontwikkeling van alternatieve gewasbeschermingsmiddelen en geïntegreerde gewasbeschermingsmaatregelen te ondersteunen, met name door gebruik te maken van doeltreffende en betaalbare alternatieven om tekortkomingen op het vlak van gewasbescherming in kaart te brengen en te anticiperen op middelen die uit de handel worden genomen, zodat gebruikers tijdens de geleidelijke afschaffing voldoende overgangsperioden kunnen plannen, teneinde een toekomstbestendig kader tot stand te brengen dat geschikt is voor het beoogde doel; |
|
19. |
verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om op langere termijn een nieuwe op zichzelf staande verordening inzake biologische bestrijding vast te stellen, met de voorwaarden voor de eventuele toepassing van een gecentraliseerde aanpak, om de procedures voor de beoordeling, goedkeuring en toelating van biologische bestrijdingsoplossingen beter af te stemmen; |
Achterstanden wegwerken
|
20. |
dringt erop aan dat waar nodig voldoende middelen worden toegewezen om de achterstand bij aanvragen voor biologische bestrijdingsmiddelen weg te werken door een prioritaire behandeling in te voeren, op voorwaarde dat er bijkomende financiering is uitgetrokken voor de goedkeuring van biologische bestrijdingsmiddelen, in het kader van de goedkeurings- en toelatingsprocedures voor werkzame stoffen en middelen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en tegelijkertijd de goedkeurings- en toelatingsprocedures te beoordelen en bij te werken op basis van wetenschappelijke en technische ontwikkelingen; onderstreept dat de maatregelen om de beoordeling en toelating van biologische bestrijdingsoplossingen te versnellen, geen vertraging mogen veroorzaken bij de risicobeoordeling en toelating van conventionele stoffen en gewasbeschermingsmiddelen, noch bij de beoordeling van dergelijke middelen die al meer dan tien jaar op de markt zijn, teneinde een hoog niveau van bescherming te waarborgen; |
Ondersteuning voor aanvragers
|
21. |
neemt kennis van de huidige bepalingen met betrekking tot hulp voor aanvragers van het Europees Agentschap voor chemische stoffen en het Europees Geneesmiddelenbureau; verzoekt de lidstaten en de EFSA technische ondersteuning te bieden bij aanvragen van kleine en middelgrote ondernemingen, met name bij de voorbereiding van aanvragen, en daarbij duidelijke voorzorgsmaatregelen te hanteren om belangenconflicten te voorkomen; verzoekt de EFSA, met inachtneming van het voorgaande, een onestopshop op te zetten voor kmo’s die biologische bestrijdingsmiddelen produceren en te voorzien in duidelijke richtsnoeren en ondersteuning voor aanvragers bij het opstellen van het dossier, met uitleg over de gegevensvereisten en de indieningsprocedures, met als doel de kwaliteit van de aanvragen te verbeteren, en zo vertragingen bij de beoordelings- en toelatingsprocedures tegen te gaan en de toegang van goedgekeurde biologische bestrijdingsmiddelen tot de markten van de EU te vereenvoudigen; |
|
22. |
verzoekt de lidstaten om te zorgen voor tijdsefficiënte, duidelijke en gemakkelijk te begrijpen administratieve procedures die zijn afgestemd op biologische bestrijdingsmiddelen, en voor risicobeoordelingen die geschikt zijn voor het werkingsmechanisme en de aard van het middel, en om specifieke helpdesks op te richten; |
|
23. |
verzoekt de Commissie dringend bijgewerkte richtsnoeren voor biologische bestrijdingsmiddelen vast te stellen om de invoering van deze middelen te bevorderen en de consistentie tussen de lidstaten te vergroten; |
Toepassing van Richtlijn 2009/128/EG om biologische bestrijding te bevorderen, onder meer via geïntegreerde gewasbescherming
|
24. |
verzoekt de lidstaten in hun nationale actieplannen (NAP’s) uit hoofde van Richtlijn 2009/128/EG met name geplande en vastgestelde maatregelen op te nemen om de toelatingsprocedures voor biologische bestrijdingsmiddelen en andere producten met een laag risico te verbeteren; |
|
25. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten ook in samenwerking met de landbouwers te zorgen voor de effectieve uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG door de toegang tot biologische bestrijdingsmiddelen te vergemakkelijken en landbouwers te begeleiden bij de overgang naar duurzamere praktijken; |
Potentieel van biologische bestrijdingsoplossingen
|
26. |
is zich bewust van het grote potentieel van biologische bestrijdingsmethoden om de afhankelijkheid van conventionele gewasbeschermingsmiddelen te verminderen; merkt op dat biologische bestrijdingsoplossingen met de nodige voorzichtigheid in combinatie met conventionele gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, waardoor zij een nuttige aanvulling vormen op een breed en evenwichtig instrumentarium voor landbouwers, naast andere gewasbeschermingsmethoden; benadrukt dat biologische bestrijdingsmiddelen door hun specifieke kenmerken een ander risicoprofiel hebben zodat ze een gerichte werking kunnen hebben met minder neven- of resteffecten, waardoor ze beter aansluiten bij geïntegreerde gewasbescherming en vooral biologische landbouw; beklemtoont dat een grotere inzet van biologische bestrijdingsmiddelen bijgevolg aanzienlijk kan bijdragen tot de verwezenlijking van de milieu-, voedselzekerheids- en gezondheidsdoelstellingen van de EU waarbij tegelijkertijd de landbouwproductiviteit wordt behouden en wordt vermeden dat landbouwers geen doeltreffende en betaalbare alternatieven meer hebben om hun gewassen te beschermen; |
|
27. |
merkt op dat het vergemakkelijken van de toelating en het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen gepaard moet gaan met de inzet van geïntegreerde gewasbescherming op grotere schaal en maatregelen om de risico’s en de afhankelijkheid van conventionele gewasbeschermingsmiddelen te verminderen; |
|
28. |
verzoekt de Commissie toe te zien op de daadwerkelijke uitvoering en handhaving van het duurzame gebruik van pesticiden uit hoofde van Richtlijn 2009/128/EG en Verordening (EG) nr. 1107/2009, met name met betrekking tot de tijdige behandeling van toelatingsaanvragen en geïntegreerde gewasbescherming; merkt op dat bij geïntegreerde gewasbescherming landbouwers nog altijd de mogelijkheid hebben om gebruik te maken van toegelaten conventionele bestrijdingsmiddelen die voldoen aan alle veiligheidseisen op het vlak van gezondheid en milieu; |
Beoordeling van prestatiecapaciteiten en middelen
|
29. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten hun administratieve prestaties en institutionele capaciteiten te beoordelen en na te gaan of de EFSA en de nationale bevoegde autoriteiten voldoende middelen kregen toegewezen om hun taken te kunnen uitvoeren; benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in de (her)beoordelingscapaciteit van de lidstaten en de EFSA; |
|
30. |
verzoekt de Commissie om de nodige aanvullende financiering toe te wijzen voor opleiding en het in dienst nemen van extra personeel, met inbegrip van passende en gespecialiseerde expertise binnen de EFSA, en om binnen de organisatiestructuur van de EFSA specifieke en voldoende middelen uit te trekken voor biologische bestrijding met als doel onnodige vertragingen in het goedkeuringsproces van werkzame stoffen voor biologische bestrijding te voorkomen, te zorgen voor op maat gesneden beoordelingen en knelpunten weg te werken; verzoekt de Commissie passende follow-upmaatregelen te nemen om de goedkeuringsprocedure te versnellen en de inzet van biologische bestrijdingsmiddelen te vergroten; |
Solide financiering door de lidstaten
|
31. |
verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat er voldoende begrotingsmiddelen worden gereserveerd voor de relevante nationale bevoegde autoriteiten, wat noodzakelijk is om onnodige vertragingen in de toelatingsprocedures voor biologische bestrijdingsmiddelen te voorkomen en de uitrol van biologische bestrijdingsmiddelen te versnellen; dringt erop aan dat de lidstaten moeten garanderen dat de relevante nationale bevoegde autoriteiten over voldoende begrotingsmiddelen, personeel en deskundigheid beschikken om de (her)beoordelingen tijdig en doeltreffend uit te voeren; wijst op de voordelen van de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten; |
|
32. |
verzoekt de Commissie eveneens maatregelen voor te stellen en te voorzien in mechanismen en middelen om de lidstaten te helpen hun toelatingsprocedures te versnellen; stelt in dit verband voor dat de Commissie komt met richtsnoeren over de middelen en capaciteiten die in alle EU-lidstaten minimaal vereist zijn om biologische bestrijdingsmiddelen te beoordelen; |
Onderzoek en investeringen
|
33. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten om investeringen aan te moedigen in openbare en particuliere onderzoeken en partnerschappen voor de ontwikkeling van strategieën voor biologische bestrijding en geïntegreerde gewasbescherming, onder meer via onderzoekscentra, universiteiten en regionale innovatiehubs, innovatiepartnerschappen en vlaggenschipprojecten van de EU, met bijzondere aandacht voor kmo’s via gerichte programma’s, alsook voor het bevorderen van een concurrerend klimaat waardoor innovatie in de EU mogelijk wordt en toeneemt en de landbouw in de EU minder afhankelijk wordt; |
|
34. |
onderstreept het belang van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van technologieën voor biologische bestrijding in de komende decennia, met name onderzoek om tekortkomingen aan te pakken bij specifieke combinaties van gewassen en plaagorganismen/ziekten, waarvoor weinig of geen alternatieve bestrijdingsoplossingen bestaan, om de inspanningen op het vlak van innovatie en regelgeving vooral te richten op de gebieden waar de behoefte het hoogst is; |
Toegang tot kennis voor landbouwers
|
35. |
merkt op dat het gebruik van biologische bestrijding verschillende benaderingen, kennisbanken en vaardigheden vereist, met name wat betreft de verzorging van nuttige soorten die gewassen beschermen; merkt op dat dit reeds gedeeltelijk aan bod komt in geïntegreerde gewasbescherming en andere productiesystemen; onderstreept echter dat in samenwerking met landbouwers meer moet worden ingezet op diepgaandere kennis, opleiding, informatie en praktische richtsnoeren over het doeltreffende gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen; |
|
36. |
stelt vast dat er tussen de lidstaten nog steeds grote verschillen bestaan in de toegang tot kennis en adviesdiensten; wenst dat advies over het gebruik en de toepassing van biologische bestrijdingsmogelijkheden wordt aangeboden in het kader van onafhankelijke en permanente adviessystemen die over voldoende middelen beschikken en voor alle landbouwers toegankelijk moeten zijn; |
|
37. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten om in samenwerking met eindgebruikers te voorzien in een digitaal EU-platform, en daarmee voort te bouwen op het proefproject INSIGNIA, met inbegrip van langetermijnmonitoring voor bestuivers, en het succesvolle door het Parlement opgestarte proefproject “IPM-toolbox voor landbouwers”, teneinde goede praktijken en beproefde biologische bestrijdingsoplossingen te verspreiden om landbouwers te helpen geïnformeerde beslissingen te nemen over het meest doeltreffende type biologische bestrijding voor de structuur van de populaties plaagorganismen en de bodem- en klimaatomstandigheden van het betrokken landbouwbedrijf; verzoekt de Commissie voorts een breder instrumentarium te bevorderen, onder meer door ervoor te zorgen dat dit digitale platform een langdurig, toegankelijker en permanent initiatief wordt dat beschikbaar is in alle EU-talen, en door alle relevante belanghebbenden hierbij te betrekken; |
|
38. |
wijst op de noodzaak om de toegang tot kennis te vergroten door opleidingen voor landbouwers, met als doel de technische capaciteit op te bouwen via demonstratienetwerken, peer-to-peeruitwisseling en lokale technische ondersteuning en stimulansen, waaronder financiële, teneinde een veilig, doeltreffend en wijdverbreid gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen te bevorderen; wijst erop dat het nuttig is toezicht te houden op de toegang tot kennis en de verspreiding van beste praktijken voor de toepassing van biologische bestrijdingsmiddelen; neemt nota van de huidige mogelijkheden van de lidstaten en de EU om opleidingen voor landbouwers gezamenlijk te financieren en aan te moedigen door middel van investeringen of voorlichtingsdiensten in het kader van bedrijfsadviseringssystemen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten passende ondersteuning te bieden voor opleiding op het gebied van biologische bestrijding, evenals technische ondersteuning en praktische begeleiding, en na te gaan hoe dergelijke vrijwillige opleidingen gemakkelijker kunnen plaatsvinden om meer landbouwers ertoe aan te zetten over te schakelen op biologische bestrijding en geïntegreerde gewasbescherming; |
Samenwerking tussen alle actoren
|
39. |
dringt aan op meer wetenschappelijk onderzoek, kennisuitwisseling, samenwerking en capaciteitsopbouw tussen alle relevante actoren die betrokken zijn bij het proces van ontwikkeling, goedkeuring, toelating, inzet en verspreiding van biologische bestrijding en beste praktijken bij de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming in de hele EU, alsook bij het proces van uitwisseling van kennis en beste praktijken met partners in landen buiten de EU; |
Financiering van adviessystemen
|
40. |
vraagt dat in de NAP’s van de lidstaten nadere gegevens worden opgenomen over de financiering van adviessystemen en over opleiding en capaciteiten op het gebied van biologische bestrijdingsmiddelen en geïntegreerde gewasbescherming; beklemtoont dat er nog steeds verschillen zijn tussen de lidstaten met betrekking tot de ontwikkeling en de beschikbaarheid van richtsnoeren inzake geïntegreerde gewasbescherming voor specifieke gewassen en plaagorganismen; moedigt de lidstaten aan hun NAP’s te herzien om landbouwers een betere toegang te geven tot richtsnoeren inzake specifieke gewassen en plaagorganismen, die zijn afgestemd op de regionale realiteit en informatie bevatten over biologische bestrijdingsmogelijkheden, de mogelijke opname daarvan in programma’s voor geïntegreerde gewasbescherming en waar mogelijk de compatibiliteit ervan met andere gewasbeschermingsmiddelen; |
Monitoring van de vooruitgang
|
41. |
verzoekt de Commissie de vinger aan de pols te houden over de marktintroductie, beschikbaarheid en betaalbaarheid van biologische bestrijdingsmiddelen; |
|
42. |
vraagt de Commissie toezicht te houden op de vooruitgang in de EU en de lidstaten op het gebied van de goedkeuring en toelating van biologische bestrijdingsoplossingen, en daarbij te kijken naar het aantal aanvragen, de betrokken administratieve capaciteit, het personeelsbestand en de specifieke budgetten, en met name naar de toepassing van een prioritaire behandeling in combinatie met specifieke aanvullende middelen voor de toelating van biologische bestrijdingsmiddelen, zodra deze prioritaire behandeling is ingevoerd; verzoekt de Commissie een verslag over de bevindingen te publiceren en dit aan het Parlement en de Raad voor te leggen; |
Ultraperifere gebieden
|
43. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ultraperifere gebieden van de EU kunnen profiteren van de inzet van biologische bestrijding, door de toelatingsprocedures af te stemmen op de unieke agro-ecologische omstandigheden en plaagprofielen van deze gebieden, en door gerichte opleidingen, adviesdiensten en financiële steun ter beschikking te stellen van landbouwers en kmo’s in deze gebieden; dringt erop aan richtsnoeren inzake specifieke gewassen en plaagorganismen alsook kennisplatforms te ontwikkelen die een weerspiegeling vormen van de werkelijke situatie in de ultraperifere gebieden om hun toegang tot veilige, doeltreffende en duurzame oplossingen voor biologische bestrijding te verbeteren; ° ° ° |
|
44. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten. |
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1107/oj.
(2) PB L 331 van 27.12.2022, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2022/2572/oj.
(3) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/128/oj.
(4) PB C, C/2024/4227, 24.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4227/oj.
(5) PB C 411 van 27.11.2020, blz. 48.
(6) https://food.ec.europa.eu/plants/pesticides/eu-pesticides-database_en.
(7) Bijvoorbeeld een invasief karakter of allergene werking enz.
(8) Mededeling van de Commissie van 19 februari 2025, getiteld “Een visie voor landbouw en voedsel – Samen de landbouw- en voedselsector van de EU aantrekkelijk maken voor de toekomstige generaties” (COM(2025)0075).
(9) Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/848/oj).
(10) Bijvoorbeeld op grond van artikel 4, leden 1 tot en met 4, en bijlage II, punten 3.6 tot en met 10, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1699/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)