European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/1565

23.3.2026

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 29 januari 2026 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okrožno sodišče v Kopru – Slovenië) – S. H. d.o.o., M. A. d.o.o.

(Zaak C-562/24  (1) , Munik  (2) )

(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in strafzaken - Wederzijdse erkenning van beslissingen tot confiscatie - Kaderbesluit 2006/783/JBZ - Artikel 8, lid 2, onder d) - Grond tot weigering van erkenning en tenuitvoerlegging - Rechten van belanghebbenden - Derden te goeder trouw - Hypothecaire schuldeiser - Onroerend goed dat de opbrengst uit het strafbare feit vormt - Procedure voor de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tot confiscatie - Vóór de vaststelling van die beslissing ingeschreven gerechtelijke hypotheek)

(C/2026/1565)

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Okrožno sodišče v Kopru

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: S. H. d.o.o., M. A. d.o.o.

Dictum

Artikel 8, lid 2, onder d), van kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie, gelezen in het licht van artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

de bevoegde rechterlijke autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie die in een andere lidstaat is uitgevaardigd jegens een onroerend goed dat de “opbrengst” van een strafbaar feit vormt, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van dat kaderbesluit, kan weigeren op grond dat de rechten van een hypothecaire schuldeiser – vanwege diens hoedanigheid als “derde te goeder trouw” in de zin van dat artikel 8, lid 2, onder d), ervan – de tenuitvoerlegging van die beslissing onmogelijk maken, wanneer deze schuldeiser in de lidstaat van tenuitvoerlegging een gerechtelijke hypotheek op dat onroerend goed heeft ingeschreven vóór de inleiding in die lidstaat van de procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie, met dien verstande dat het aan de verwijzende rechter staat om te bepalen of die schuldeiser kan worden geacht “te goeder trouw” te zijn in de zin van die bepaling, rekening houdend met alle omstandigheden rond de afgifte in de lidstaat van tenuitvoerlegging van de executoriale titel waarop de hypothecaire schuldvordering is gebaseerd.


(1)  PB C, C/2024/6915.

(2)  Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1565/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)