|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/1534 |
15.4.2026 |
P10_TA(2025)0202
Verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek
Besluit van het Europees Parlement van 7 oktober 2025 over het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek (2025/2029(IMM))
(C/2026/1534)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek, dat op 19 december 2024 bij het Parlement werd ingediend door de procureur-generaal van de Republiek Polen en waarbij een verzoek van het provinciaal Openbaar Ministerie van Warschau werd doorgegeven in verband met de strafrechtelijke procedure tegen Daniel Obajtek en van de ontvangst waarvan op 20 januari 2025 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven, |
|
— |
na Daniel Obajtek op 23 april 2025 te hebben gehoord en gezien de door hem ingediende documenten overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement, |
|
— |
gezien de aanvullende informatie die de provinciale openbare aanklager van Warschau op 7 mei 2025 heeft verstrekt, |
|
— |
gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, |
|
— |
gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013, 19 december 2019 en 5 juli 2023 (1), |
|
— |
gezien artikel 105, leden 2 en 5, van de Grondwet van de Republiek Polen, |
|
— |
gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A10-0179/2025), |
|
A. |
overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Polen bij schrijven van 19 december 2024 een verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek heeft doorgestuurd dat is ingediend door het provinciaal Openbaar Ministerie van Warschau in verband met een vermoedelijk strafbaar feit uit hoofde van artikel 18, lid 1, in samenhang met artikel 296, lid 1, van het Poolse Wetboek van Strafrecht; |
|
B. |
overwegende dat Daniel Obajtek als voorzitter van de raad van bestuur van de vennootschap Polski Koncern Naftowy ORLEN Spółka Akcyjna (hierna “PKN ORLEN S.A.” genoemd) opdracht zou hebben gegeven twee contracten af te sluiten, het eerste op 7 juli 2021 en het tweede op 7 oktober 2021, voor een totaalbedrag van 393 600 PLN, aangaande de verlening van onderzoeksdiensten inzake de fysieke en economische beveiliging van PKN ORLEN S.A.; overwegende dat deze contracten de privébelangen van Daniel Obajtek zouden hebben gediend en geen enkel economisch belang hadden, noch betrekking hadden op de fysieke of economische beveiliging van PKN ORLEN S.A.; overwegende dat de aard van de gevraagde en geleverde onderzoeksdiensten niet zou stroken met het onderwerp en het doel van de contracten; overwegende dat Daniel Obajtek PKN ORLEN S.A. daardoor aanzienlijke financiële schade zou hebben berokkend voor een totaalbedrag van 393 600 PLN; overwegende dat deze vermeende handelingen een strafbaar feit uit hoofde van artikel 18, lid 1, in samenhang met artikel 296, lid 1, van het Poolse wetboek van strafrecht vormen; overwegende dat Daniel Obajtek van 6 februari 2018 tot en met 5 februari 2024 voorzitter van de raad van bestuur van PKN ORLEN S.A. was; |
|
C. |
overwegende dat de wettelijke vertegenwoordiger van PKN ORLEN S.A. op 11 april 2024 heeft gesignaleerd dat er mogelijk een strafbaar feit is gepleegd; overwegende dat er na analyse van deze kennisgeving op 3 juni 2024 een strafrechtelijk onderzoek is geopend; |
|
D. |
overwegende dat Daniel Obajtek bij de Europese verkiezingen van juni 2024 is verkozen tot lid van het Europees Parlement; overwegende dat hij noch op het moment waarop het vermeende strafbare feit is gepleegd, noch op het moment waarop het strafrechtelijk onderzoek voor dat vermeende strafbare feit is geopend, lid van het Europees Parlement was; |
|
E. |
overwegende dat het vermeende strafbare feit en het daaruit voortvloeiende verzoek tot opheffing van de immuniteit van Daniel Obajtek geen betrekking hebben op een mening of stem die hij in de uitoefening van zijn ambt heeft geuit respectievelijk uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie; |
|
F. |
overwegende dat in artikel 9, eerste alinea, punt a), van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend; |
|
G. |
overwegende dat een afgevaardigde overeenkomstig artikel 105, leden 2 en 5, van de Poolse Grondwet vanaf de dag waarop de resultaten van de verkiezingen bekend worden gemaakt tot de dag waarop zijn of haar mandaat afloopt alleen met toestemming van de Poolse Sejm kan worden onderworpen aan strafrechtelijke aansprakelijkheid en alleen met toestemming van de Sejm kan worden aangehouden of gearresteerd, behalve in gevallen waarin de afgevaardigde is aangehouden bij het plegen van een strafbaar feit of waarin zijn of haar aanhouding noodzakelijk is om een goed verloop van het proces te waarborgen; |
|
H. |
overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden; |
|
I. |
overwegende dat de parlementaire immuniteit, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van zijn Reglement, geen persoonlijk voorrecht van de leden is, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Europees Parlement als geheel en van zijn leden; |
|
J. |
overwegende dat het Parlement in dit geval geen bewijs van fumus persecutionis heeft gevonden, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de gerechtelijke procedure in kwestie wordt gevoerd met de intentie de politieke activiteiten van het lid als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen; |
|
K. |
overwegende dat het Parlement niet de rol van rechter op zich kan nemen, en overwegende dat een lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden aangemerkt (2); |
|
1. |
besluit de immuniteit van Daniel Obajtek op te heffen; |
|
2. |
verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Polen en aan Daniel Obajtek. |
(1) Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115; arrest van het Gerecht van 5 juli 2023, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement, T-272/21, ECLI:EU:T:2023:373.
(2) Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1534/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)