|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/1337 |
16.3.2026 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (Roemenië) op 5 december 2025 – Kedrion SpA / Consiliul Concurenţei
(Zaak C-793/25, Kedrion)
(C/2026/1337)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kedrion SpA
Verwerende partij: Consiliul Concurenţei
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op vermeende gedragingen die zijn verricht in een context waarin er geen onzekerheid op de markt bestaat, en dat het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging geen betrekking heeft op correspondentie binnen een beroepsvereniging over een bijkomende belastingplicht voor de bedrijfstak waartoe de leden van de vereniging behoren, wanneer deze correspondentie, die ziet op de bekende gevolgen van de belastingplicht, niet kan worden geacht de mate van onzekerheid die eigen is aan de normale concurrentiesituatie, te verminderen? |
|
2) |
Kunnen artikel 101 VWEU, de rechten van de verdediging en het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals verankerd in artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een mededingingsautoriteit, om naar behoren aan de bewijslast te voldoen, verplicht is de twijfel over het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging uitdrukkelijk, gemotiveerd en aantoonbaar weg te nemen wanneer een van de leden van de beroepsvereniging aantoont dat er een alternatieve verklaring bestaat voor het uit de handel nemen van zijn producten? |
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1337/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)