|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/1171 |
9.3.2026 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 15 januari 2026 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Amsterdam – Nederland) – Strafzaak tegen YM
(Zaak C-641/23 (1) , Dubers (2) )
(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging - Artikel 2, lid 4 - Voorwaarde van dubbele strafbaarheid - Artikel 4, punt 1 - Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel - Artikel 5, punt 3 - Overlevering van de betrokkene onder voorwaarde van een garantie dat hij wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die in de uitvaardigende lidstaat is opgelegd - Doelstellingen - Reclassering - Bestrijding van straffeloosheid - Kaderbesluit 2008/909/JBZ - Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat - Artikel 7, leden 3 en 4 - Artikel 9, lid 1, onder d) - Aan het ontbreken van dubbele strafbaarheid ontleende grond tot weigering van de erkenning van het vonnis en van de tenuitvoerlegging van een sanctie - Artikel 25 - Tenuitvoerlegging van vonnissen volgend op een Europees aanhoudingsbevel)
(C/2026/1171)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Amsterdam
Partij in de strafzaak
YM
in tegenwoordigheid van:
Openbaar Ministerie
Dictum
Artikel 9, lid 1, onder d), en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in de verplichting of de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteit van een lidstaat om zich te beroepen op artikel 9, lid 1, onder d), teneinde te weigeren om het in een andere lidstaat uitgesproken vonnis te erkennen en de daarbij uitgesproken sanctie ten uitvoer te leggen op grond dat deze betrekking hebben op feiten die naar het recht van de eerste lidstaat geen strafbaar feit vormen, terwijl
|
— |
in de eerste plaats, de uitvoerende rechterlijke autoriteit van die lidstaat eerder heeft beslist het Europees aanhoudingsbevel dat tot dat vonnis en die sanctie heeft geleid, ten uitvoer te leggen,
|
|
— |
in de tweede plaats, zich na de overlevering van de betrokkene onder terugzendingsgarantie geen wijziging van de omstandigheden heeft voorgedaan die kan rechtvaardigen dat er geen gevolg wordt gegeven aan deze garantie. |
(1) PB C, C/2024/1236.
(2) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/1171/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)