European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/68

30.1.2026

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Kader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de Clean Industrial Deal

(C(2025) 7600 final)

(C/2026/68)

Algemeen rapporteur:

Isabel YGLESIAS

Adviseur

Kai STRUCKMANN (voor de algemeen rapporteur)

Raadpleging

14.10.2025

Rechtsgrond

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

2.9.2025

Goedkeuring door de voltallige vergadering

23.10.2025

Zitting nr.

600

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

213/0/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het staatssteunkader voor de Clean Industrial Deal (Clean Industrial Deal State Aid Framework — CISAF) als een belangrijk instrument om de decarbonisatie van de Europese industrie te ondersteunen en strategische investeringen in de EU in stand te houden. Tegen de achtergrond van het steeds actievere industriebeleid van de Europese Commissie zal het van essentieel belang zijn het CISAF naadloos te laten aansluiten op de bestaande instrumenten teneinde publieke steun voor de groene transitie te bevorderen, overlappingen te voorkomen, eerlijke concurrentie te waarborgen en voldoende begeleiding te bieden aan de nationale autoriteiten en de betrokken belanghebbenden.

1.2.

Het EESC is van mening dat staatssteun weliswaar een centrale rol speelt bij de verbetering van het concurrentievermogen van de EU-industrie, maar dat de integriteit van de eengemaakte markt er niet door mag worden ondermijnd. Het maakt zich zorgen over de verschillen in steunverleningscapaciteit tussen de lidstaten en pleit voor de invoering van mechanismen die grensoverschrijdende coördinatie en projecten met positieve overloopeffecten belonen, zoals ook in de rapporten van Letta en Draghi wordt aanbevolen.

1.3.

Het EESC dringt aan op een snelle toepassing van de investerings- en financieringsinstrumenten die in de Clean Industrial Deal worden genoemd en benadrukt de noodzaak van een robuust Fonds voor het concurrentievermogen en een versterkt meerjarig financieel kader (MFK), om een eerlijke toegang tot financiering in de hele EU te waarborgen. Belangrijk is dat de door het CISAF gecreëerde mogelijkheden voor overheidssteun de aandacht niet mogen afleiden van de broodnodige structurele hervorming op langere termijn van de elektriciteitsmarkten en de versterking van de energienetwerken en interconnecties, die essentieel zijn om het concurrentievermogen van de industrie een boost te geven.

1.4.

Het EESC waardeert de inclusieve aanpak van de Europese Commissie bij de voorbereiding van het CISAF en de verbeteringen die zijn aangebracht naar aanleiding van de inbreng van belanghebbenden. Het is ingenomen met de stappen die zijn gezet om technologische neutraliteit te bereiken en tegelijkertijd de nadruk te leggen op decarbonisatie, alsook met de afstemming van het CISAF op de verordening voor een nettonulindustrie en de complementariteit met het Innovatiefonds, dat investeringen in kritieke schone technologieën kan stimuleren. Het EESC is van mening dat een aantal van de in het CISAF opgenomen maatstaven en drempels voor de steunintensiteit niet volledig zijn afgestemd op de sectorale en regionale realiteit, en dringt er bij de Commissie op aan voortdurend in dialoog te blijven met bedrijven en belanghebbenden om deze parameters te evalueren en zo nodig te herzien.

1.5.

Het EESC neemt met belangstelling kennis van de aanbeveling in het CISAF aan de lidstaten om sociale en Europese voorkeursclausules op te nemen. Het is ermee ingenomen dat het CISAF sociale voorwaarden aanmoedigt die in overleg met de sociale partners worden vastgesteld, en benadrukt dat dergelijke clausules evenredig moeten zijn en moeten worden aangepast aan de realiteit van de sectoren en de lidstaten. Met dergelijke clausules moet worden voorkomen dat er bijkomende buitensporige administratieve lasten worden ingevoerd die een ontmoedigend effect kunnen hebben op de noodzakelijke transformaties en tot verdere ongelijkheden tussen de lidstaten zouden leiden. Het is met name belangrijk dat dergelijke voorwaarden worden gekoppeld aan de doelstellingen van het CISAF en de Clean Industrial Deal, en zo de industrie stimuleren om te investeren in de bij- en omscholing van werknemers en het scheppen van hoogwaardige banen in verband met de rechtvaardige transitie. Het beginsel van Europese voorkeur moet worden gekoppeld aan het concept van open strategische autonomie, waarbij wordt erkend dat sterke Europese toeleveringsketens ook afhankelijk zijn van handel met betrouwbare partners.

1.6.

Het EESC beveelt de Commissie aan om vóór 2030 een uitgebreide beoordeling uit te voeren van de bestaande maatregelen, met inbegrip van de werkelijke impact van het CISAF op de decarbonisatiedoelstellingen en de eengemaakte markt, en om de verstrekking van analytische gegevens over het gebruik van staatssteun in het kader van het CISAF en bijbehorende kaders te versnellen en te stroomlijnen.

1.7.

Het EESC verzoekt de Commissie en de lidstaten om de capaciteitsopbouw op het gebied van staatssteun te versterken, de transparantie te vergroten en meer gebruik te maken van coördinatie- en kennisuitwisselingsinstrumenten teneinde de slagvaardigheid en coördinatie te verbeteren en het toezicht te intensiveren.

2.   Algemene opmerkingen

2.1.

In de afgelopen jaren heeft de Europese Commissie een aantal tijdelijke en niet-tijdelijke instrumenten goedgekeurd die het makkelijker maken om staatssteun te verlenen aan bedrijven om recente crises aan te pakken en de groene transitie te vergemakkelijken, als onderdeel van de verschuiving naar een actiever industriebeleid. Naast de Europese Green Deal heeft de Commissie in 2022 richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie (“CEEAG”) (1) aangenomen; tegelijkertijd is de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) (2) aangepast om ruimere vrijstellingen in te voeren. De Commissie heeft ook haar goedkeuring gehecht aan een tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie tijdens de pandemie, die is gewijzigd en uitgebreid om ze aan te passen aan de energiecrisis en die in maart 2023 het tijdelijk crisis- en transitiekader (“TCTF”) (3) is geworden. Daarnaast zijn in 2014 de belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI’s) in het leven geroepen (4), die een belangrijk instrument zijn geworden voor het industriebeleid van de EU.

2.2.

Naar aanleiding van de mededeling van de Commissie “Het EU-kompas voor concurrentievermogen” (5) is de Clean Industrial Deal (6) gepresenteerd als een nieuwe strategie om het concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese industrie te ondersteunen en de decarbonisatie te versnellen. De Clean Industrial Deal is bedoeld om meer dan 100 miljard EUR vrij te maken voor de ondersteuning van schone productie in de EU, met inbegrip van nog eens 1 miljard EUR aan garanties in het huidige meerjarig financieel kader (MFK), alsook nieuwe, gerichte financieringsinstrumenten van de Europese Investeringsbank, zoals steun voor stroomafnameovereenkomsten (PPA’s) voor kmo’s en elektriciteitsintensieve industrieën of een door InvestEU aangestuurde garantiefaciliteit voor schone technologie. Voorts heeft de Commissie in de Clean Industrial Deal een nieuw staatssteunkader aangekondigd, en voert zij haar inspanningen op het gebied van IPCEI’s en de herziening van de AGVV op. Het is van essentieel belang dat de uitrol van de Clean Industrial Deal de ontwikkeling van schone technologieën en de decarbonisatie van de Europese industriële basis bevordert en tegelijkertijd helpt om deze in de EU te houden.

2.3.

Op 11 maart 2025 heeft de Commissie een raadpleging over het ontwerp van het CISAF geopend. Na meer dan 500 reacties te hebben ontvangen werd deze op 25 april 2025 afgesloten. Het CISAF is op 25 juni 2025 goedgekeurd (7) en zal tot 31 december 2030 van kracht zijn. De Commissie is van mening dat de vereenvoudigde verenigbaarheidsvoorwaarden in dit nieuwe kader “gerechtvaardigd [zijn] door de noodzaak om specifieke investeringen en activiteiten mogelijk te maken en te versnellen. De instrumenten waarin deze mededeling voorziet, zijn complementair en vormen een aanvulling op de bestaande staatssteunregels, die van kracht blijven, met name de CEEAG, de richtsnoeren regionale steun (“RAG”)(7) of de algemene groepsvrijstellingsverordening (“GBER”) (8). De verenigbaarheidsvoorwaarden “zijn gebaseerd op de besluitvormingspraktijk en de relevante ervaring die de Commissie heeft opgedaan, onder meer met de toepassing van het tijdelijke crisis- en transitiekader (“TCTF”)” (9).

3.   Overwegingen en aanbevelingen

a)   Algemene opmerkingen over staatssteunmaatregelen en regelgevingsbeleid

3.1.

Algemeen wordt erkend dat er voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Clean Industrial Deal investeringen van ongekende omvang nodig zijn: deze bedragen kunnen noch via particuliere noch via overheidsfinanciering alleen worden opgebracht. Zoals in de rapporten van Letta (10) en Draghi (11) wordt aangegeven, moeten deze investeringen gepaard gaan met uitgebreide hervormingen van de regelgeving om de administratieve lasten te verminderen en de voltooiing van de eengemaakte markt en de banken- en kapitaalunie te vergemakkelijken.

3.2.

Om deze inspanningen te vergemakkelijken, moeten de lidstaten hun vergunningsprocedures versnellen, de administratieve lasten voor bedrijven verminderen en de belastingen aanpassen (12). Het EESC erkent de eerste inspanningen van de Commissie om het ondernemingsklimaat in de EU te vereenvoudigen en roept de lidstaten op om in dezelfde richting te werken.

3.3.

Wat staatssteun betreft, bestaat er een algemene consensus (die ook door het EESC wordt erkend (13)) dat efficiënte staatssteun een sleutelrol moet spelen om ondernemingen in de EU te ondersteunen bij hun welomschreven transitie-inspanningen en bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Clean Industrial Deal. Het EESC benadrukt echter dat de ondersteuning van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven door middel van een actief Europees industriebeleid gepaard moet gaan met vastberaden inspanningen om de concurrentie en een gelijk speelveld op de eengemaakte markt in stand te houden.

3.4.

Belangrijk is dat, hoewel de versoepeling van het EU-staatssteunkader tijdens de recente COVID-19- en energiecrises met succes heeft bijgedragen aan het herstel van de lidstaten, niet alle lidstaten op dezelfde manier gebruikmaken van staatssteun en dat de staatssteunregels niet overal even soepel zijn (14). Uit gegevens blijkt een gefragmenteerde aanpak van het Europese groene industriebeleid, waarbij verschillende actoren gebruikmaken van verschillende instrumenten en systemen (15), ook wat betreft deelname aan IPCEI’s (16). Zoals het rapport-Draghi stelt, heeft de toepassing van het toezicht op staatssteun in tijden van crisis, zoals eerst door de COVID-19-pandemie en later door de energiecrisis, ertoe geleid dat lidstaten meer mogelijkheden kregen om ondernemingen te ondersteunen, waardoor het leed van burgers en bedrijven in de EU effectief is verzacht, maar dit heeft ook geleid tot versnippering van de gemeenschappelijke markt, concurrentievervalsing, verslechtering van de overheidsfinanciën en een inefficiënte subsidiewedloop (17).

3.5.

Het EESC waardeert het dat dit probleem in het CISAF wordt erkend, maar vreest dat het risico van verstoring van het speelveld op de eengemaakte markt niet rechtstreeks wordt aangepakt. Ook worden er niet actief duidelijke prikkels gegeven om overloopeffecten te creëren en de Europese waardeketens te versterken, zoals ook werd voorgesteld door Draghi (grotere steunbedragen toestaan wanneer de EU-coördinatie wordt verbeterd) en het EESC (dat de Commissie opriep om “instrumenten [te ontwikkelen] die een grotere mate van coördinatie op EU-niveau omvatten om verkeerde besteding van middelen tot een minimum te beperken en de productiviteit te verhogen, en tegelijkertijd de integratie van de economieën van de EU-landen te versterken” (18)). Letta beoogde een bijdragemechanisme voor staatssteun waarbij de lidstaten worden verplicht een deel van hun nationale middelen te gebruiken voor de financiering van pan-Europese initiatieven en investeringen (19). Het EESC moedigt zowel de Commissie als de lidstaten aan om deze lijn te volgen en grensoverschrijdende waardeketens en industriële clusters te versterken door hogere steunintensiteiten toe te staan in gevallen met duidelijke overloopeffecten, zonder de bestaande steunintensiteiten in andere gevallen te verlagen. Dit kan helpen om verstoringen te verminderen en tegelijkertijd de Europese waardeketens te versterken en de uiteindelijke doelstellingen van de Clean Industrial Deal te helpen verwezenlijken.

3.6.

Het EESC is ermee ingenomen dat met het CISAF wordt beoogd particuliere investeringen in Europa aan te moedigen, maar merkt op dat louter nationale inspanningen hiertoe niet volstaan (20). Om een gelijkmatige en succesvolle transitie in de hele EU te waarborgen, verzoekt het EESC de Commissie en de lidstaten om deze inspanningen aan te vullen met verbeterde coördinatie en aanvullende instrumenten (zoals het Fonds voor concurrentievermogen en een versterkt MFK), die snel moeten worden goedgekeurd. Ook is het ermee ingenomen dat het CISAF het mogelijk maakt om nationale belastingstelsels aan te passen teneinde investeringen in schone technologieën en industriële decarbonisatie aan te moedigen, door middel van maatregelen zoals versnelde afschrijving en gerichte belastingkredieten. Het EESC is voorts ingenomen met de optie om steun te verlenen om de risico’s in verband met particuliere investeringen in hernieuwbare energie, industriële decarbonisatie, productie van schone technologie en energie-infrastructuur te verminderen.

3.7.

Het EESC benadrukt dat maatregelen voor het toezicht op staatssteun moeten worden gebaseerd op degelijke effectbeoordelingen. Tegen de einddatum van het CISAF in 2030 zal de eengemaakte markt van de EU een heel decennium met ongekend soepele staatssteunregels hebben gewerkt. Het is ook belangrijk dat in de beoordelingen wordt gekeken naar de doeltreffendheid van de huidige en verlopen kaders om de doelstellingen van de Clean Industrial Deal te ondersteunen, naar het industrie- en staatssteunbeleid van de belangrijkste concurrenten van de EU en naar de impact van deze maatregelen op het gelijke speelveld op de eengemaakte markt. Dit moet ook helpen om sneller analytische gegevens te verstrekken over de steunbedragen die in het kader van het CISAF en andere kaderregelingen zijn toegekend en daadwerkelijk zijn uitbetaald. De tweejaarlijkse publicatie van het scorebord voor staatssteun en de gedetailleerde informatienota’s over individuele maatregelen leveren onvoldoende gegevens op voor een goede evaluatie en een eventuele herziening van de bestaande maatregelen.

3.8.

Het EESC benadrukt ook dat de capaciteit van de lidstaten op het gebied van staatssteunbeleid en -controle moet worden versterkt teneinde de slagvaardigheid en coördinatie te verbeteren. Letta heeft verklaard dat het aanpakken van verschillen in technische en administratieve capaciteiten tussen de lidstaten en hun ondernemingen van essentieel belang is om een gelijk speelveld op de eengemaakte markt te waarborgen (21). Het EESC verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook om ten volle gebruik te maken van de bestaande instrumenten zoals de eState Aid Wiki en het forum op hoog niveau inzake staatssteun en om na te gaan hoe deze het best kunnen worden verbeterd.

b)   Specifieke opmerkingen en aanbevelingen over het CISAF

3.9.

Het EESC is over het algemeen ingenomen met de inspanningen van de Commissie om vereenvoudigde verenigbaarheidsvoorwaarden vast te stellen om de doelstellingen van de Clean Industrial Deal te helpen verwezenlijken. Het prijst het feit dat de Commissie heeft geluisterd naar feedback, hetgeen heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal wijzigingen en aanpassingen van het goedgekeurde CISAF, maar wil de volgende opmerkingen maken over de uitvoering ervan. Het EESC verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de toepassing van de Clean Industrial Deal en bij hun komende herzieningen van het staatssteunkader en het regelgevingsbeleid rekening te houden met de volgende punten.

3.10.

Aangezien andere instrumenten al voorzien in specifieke maatregelen om de groene transitie te vergemakkelijken (met name de CEEAG), merkt het EESC op dat het CISAF het risico op overlappingen en rechtsonzekerheid kan vergroten. Het EESC verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de verschillende bepalingen correct op elkaar worden afgestemd en de relevante belanghebbenden richtsnoeren te verstrekken over de wijze waarop de verschillende beschikbare opties efficiënt kunnen worden toegepast.

3.11.

Het EESC merkt op dat verschillende bepalingen in het ontwerp van het CISAF die in strijd waren met de doelstelling van de Clean Industrial Deal om de klimaatdoelstellingen van de EU op een technologieneutrale en kosteneffectieve manier na te streven, zijn geëvolueerd naar een evenwichtigere aanpak. Het is voorts ingenomen met het feit dat de Clean Industrial Deal is afgestemd op technologieën die onder de verordening voor een nettonulindustrie vallen en met de complementariteit met het Innovatiefonds, waardoor investeringen in de ontwikkeling van cruciale technologieën en instrumenten om de vraag naar schone technologie te stimuleren, worden vergemakkelijkt.

3.12.

Het EESC wijst erop dat de maatstaven voor het vaststellen van steunintensiteiten en -bedragen in sommige gevallen niet voldoende zijn afgestemd op de specifieke behoeften van de sector en de realiteit van het bedrijfsleven ter plaatse. Het EESC verzoekt de Commissie dan ook om een constructieve dialoog te blijven voeren met alle belanghebbenden en met name met de bij het CISAF betrokken industriële actoren, om te bevestigen dat zij de juiste aanpak kiest of, indien nodig, deze aan te passen en af te stemmen op de realiteit van de verschillende sectoren en lidstaten.

3.13.

Het EESC merkt ook op dat de Commissie heeft besloten dat het CISAF de lidstaten in staat zal stellen om maatregelen te nemen ter ondersteuning van de elektriciteitskosten van elektriciteitsintensieve gebruikers, overeenkomstig de doelstellingen van de Clean Industrial Deal, in sectoren die te maken hebben met hoge elektriciteitsprijzen en internationale concurrentie. Dit zou een belangrijk signaal kunnen zijn om de-industrialisering te voorkomen en belangrijke basissectoren voor de Europese economie te ondersteunen. Ook tijdelijke steun voor elektriciteitskosten kan helpen om de decarbonisatiedoelstellingen te bereiken; het is echter vooral van cruciaal belang dat deze steun de decarbonisatie niet vertraagt en dat een gelijk speelveld wordt gehandhaafd. Derhalve moeten de nodige waarborgen worden ingebouwd met betrekking tot het ontwerp en de toewijzing van overheidssteun, om ervoor te zorgen dat alle in aanmerking komende energie-intensieve gebruikers naar behoren toegang hebben tot dergelijke steun en dat de gevolgen voor de mededinging beperkt zijn. Belangrijk is dat de door het CISAF gecreëerde mogelijkheden voor overheidssteun de aandacht niet mogen afleiden van de broodnodige structurele hervorming op langere termijn van de elektriciteitsmarkten en investeringen in netten en interconnecties.

3.14.

Het EESC is ingenomen met de aangepaste vereisten van het CISAF, waarbij realistischere termijnen worden vastgesteld waarbinnen projecten operationeel moeten zijn, en dringt aan op de nodige flexibiliteit om ervoor te zorgen dat deze worden afgestemd op de realiteit van sectoren en projecten. Ook verzoekt het de lidstaten om de vergunningsprocedures te versnellen. Tegelijkertijd is het EESC ingenomen met de toezegging van de Commissie om snellere goedkeuringsprocedures in te voeren, die echter niet ten koste mogen gaan van de grondige beoordeling van steunmaatregelen.

3.15.

Bij de uitrol van het CISAF worden de lidstaten door de Commissie aangemoedigd voorwaarden op te nemen om in te spelen op bredere doelstellingen op het gebied van sociaal en milieubeleid en Europese voorkeurscriteria in te voeren wanneer gebruik wordt gemaakt van concurrerende biedprocedures of andere vormen van steunverlening. Het EESC moedigt de lidstaten aan om deze doelstellingen samen met de sociale partners en in overeenstemming met de nationale wetgeving en tradities te ontwikkelen. Daarbij moet worden voorkomen dat er extra lasten of voorwaarden worden gecreëerd waardoor het gebruik van staatssteun zou afwijken van de hoofddoelstellingen van het CISAF, en er moet gebruik worden gemaakt van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van voorwaarden bij andere instrumenten. Ook verzoekt het de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat dergelijke voorwaarden niet evolueren en bijkomende buitensporige administratieve lasten met zich meebrengen die bedrijven ervan kunnen weerhouden gebruik te maken van de CISAF-instrumenten, en een situatie van “forum shopping” te voorkomen waarbij wordt gekozen voor rechtsgebieden met gunstiger voorwaarden (waardoor het gelijke speelveld nog verder in gevaar kan worden gebracht). Het is met name belangrijk dat dergelijke voorwaarden worden gekoppeld aan de doelstellingen van het CISAF en de Clean Industrial Deal, en dat de industrie wordt gestimuleerd om te investeren in de bij- en omscholing en aanwerving van werknemers en het scheppen van hoogwaardige banen. Het beginsel van Europese voorkeur moet worden gekoppeld aan het concept van open strategische autonomie, waarbij wordt erkend dat sterke Europese toeleveringsketens ook afhankelijk zijn van handel met betrouwbare partners.

3.16.

Evenzo moedigt de Commissie de lidstaten sterk aan om specifieke Europese criteria op te nemen bij het uitschrijven van openbare aanbestedingen, om ervoor te zorgen dat de aanbesteding “meerwaarde voor de EU” oplevert. Hoewel het gebruik van dergelijke criteria is bedoeld om de ontwikkeling en veerkracht van Europese waardeketens te ondersteunen, moet er nauwlettend voor worden gezorgd dat ze zijn afgestemd op de realiteit van elke sector, in overeenstemming met het beginsel van Europese open strategische autonomie.

Brussel, 23 oktober 2025.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Séamus BOLAND


(1)  Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PB C 80 van 18.2.2022, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(3)   Tijdelijk crisis- en transitiekader.

(4)  Zie de mededelingen van de Commissie over belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang van 2014 en 2021.

(5)   COM(2025) 30 final, 29.1.2025.

(6)   COM(2025) 85 final, 26.2.2025.

(7)   Hier beschikbaar.

(8)  Zie CISAF, punt 11.

(9)  Zie CISAF, punt 12.

(10)  Letta, E., Much more than a market (rapport-Letta) .

(11)  Draghi, M., De toekomst van het Europese concurrentievermogen (rapport-Draghi) .

(12)  Zie blz. 16 van het rapport-Draghi (deel A): Het industriebeleid bestaat tegenwoordig — zoals in de VS en China — uit multibeleidsstrategieën, een combinatie van fiscaal beleid om de binnenlandse productie te stimuleren, handelsbeleid om concurrentieverstorend gedrag in het buitenland te bestraffen en buitenlands economisch beleid om toeleveringsketens veilig te stellen. In de EU-context is voor een dergelijke koppeling van beleid een hoge mate van coördinatie tussen nationaal en EU-beleid nodig.

(13)  Zie paragraaf 1.3 van het EESC-advies “Een mededingingsbeleid dat de motor achter het concurrentievermogen van de EU is” (PB C, C/2025/1182, 21.3.2025, ELI: https://data.europa.eu/eli/C/2025/1182/oj).

(14)  Zie de Competition State Aid Brief van 1 febrauri 2025: “ The use of crisis State aid measures in response to the Russian invasion of Ukraine (March 2022-June2024) ”; en Eisl, A. “ A European State aid framework for the Clean Industrial Deal ”, Policy Paper N°310, Jacques Delors Institute, februari 2025. Uit de verschillende verslagen blijkt dat de drie grootste lidstaten goed zijn voor meer dan 75 % van het totale budget voor aangemelde staatssteunregelingen.

(15)  Zie Di Carlo, D., Eisl A. en Zurstrassen, D., “ Together we trade, divided we aid: Mapping the flexibilization of the EU state aid regime across GBER, IPCEIs and Temporary Frameworks ”, Policy Paper N°307, Jacques Delors Institute, november 2024. Zie bijvoorbeeld ook staatssteunanalyse 2023-2025, Finse Kamer van Koophandel, 2025, hier beschikbaar.

(16)  Zie analysedocument IPCEI — Not as Equal as Claimed , Verbond van Zweedse ondernemingen.

(17)  Zie blz. 301 van het rapport-Draghi (deel B).

(18)  Zie paragraaf 3.3.3 van het EESC-advies “Een mededingingsbeleid dat de motor achter het concurrentievermogen van de EU is” (PB C, C/2025/1182, 21.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1182/oj).

(19)  Zie blz. 27 en 39 van het rapport-Letta.

(20)  Zie blz. 16 van het rapport-Draghi (deel A): Ongecoördineerd nationaal beleid leidt er vaak toe dat er veel dubbel werk wordt gedaan, dat normen niet compatibel zijn en dat er geen rekening wordt gehouden met externe effecten. In de context van de EU is er sprake van een bijzonder schadelijk extern effect op de eengemaakte markt wanneer de grootste landen met de meeste begrotingsruimte veel ruimhartiger steun kunnen verlenen dan andere.

(21)  Zie blz. 41 van het rapport-Letta.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/68/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)