|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2026/27 |
16.1.2026 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Pakket energiemaatregelen voor de burger: burgerbetrokkenheid, energiegemeenschappen en prosumentisme
(verkennend advies op verzoek van de Europese Commissie)
(C/2026/27)
Rapporteur:
Corina MURAFA BENGA|
Adviseurs |
George JIGLAU (van de rapporteur) Priska LUEGER (van groep II) |
|
Bureaubesluit |
25.3.2025 |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 20.3.2025 |
|
Rechtsgrond |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij |
|
Goedkeuring door de afdeling |
4.9.2025 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
18.9.2025 |
|
Zitting nr. |
599 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
97/3/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) uit al vele jaren zijn bezorgdheid over het feit dat de Europese Commissie zich niet houdt aan haar voornemen om de burger centraal te stellen in het energiesysteem, zoals zij dat in het pakket voor de energie-unie (1) heeft geformuleerd. Het is dan ook ingenomen met het initiatief van de Commissie om een energiepakket voor de burger (Citizens’ Energy Package, CEP) op te stellen dat burgers en gemeenschappen actief moet betrekken bij een betaalbaar, veilig en duurzaam energiesysteem. Het CEP moet hiervoor eindelijk de nodige garanties bieden. |
|
1.2. |
In het CEP moet duidelijk worden erkend dat energiegemeenschappen van burgers een strategische rol spelen in het energiebeleid en moet die rol worden bevorderd. Belangrijke concepten met betrekking tot energiegemeenschappen moeten worden verduidelijkt, zoals lidmaatschap, autonomie en doeltreffende controle, die nu door de lidstaten heel verschillend worden opgevat. Het pakket moet een toolkit van testomgevingen voor regelgeving bevatten die de lidstaten zo snel mogelijk moeten implementeren om van energiegemeenschappen en het recht op energiedelen een functionele realiteit in de EU te maken. Het pakket moet voorzien in duidelijke richtsnoeren met betrekking tot de oprichting en het beheer van energiegemeenschappen die niet door de lidstaten mogen worden omzeild, met name wat betreft belasting- en tariefaftrek en faciliteiten en technische ondersteuning die worden aangeboden door distributiesysteembeheerders (DSB’s). |
|
1.3. |
Via het volgende meerjarig financieel kader, de instrumenten voor het toezicht op staatssteun en de toekomstige financiering voor cohesie en een rechtvaardige transitie moet de Commissie specifieke financieringsstromen voor energiegemeenschappen creëren. In het kader van het CEP moet de Europese Investeringsbank worden verplicht een faciliteit voor lokale en regionale energiegemeenschappen te ontwikkelen, die vergelijkbaar is met de bestaande faciliteit voor kleine en middelgrote ondernemingen, en moet worden gepoogd andere bestaande goede praktijken (2) op het gebied van de financiering van energiegemeenschappen op te schalen. Financiering moet ook prioriteit geven aan en onderworpen zijn aan minimumnormen voor de betrokkenheid van jongeren, het bevorderen van energiegeletterdheid en het ontwikkelen van groene vaardigheden. Er moeten aanvullende energie-audits worden gefinancierd om de verzameling van cruciale gegevens over huishoudens te ondersteunen. Bovendien moeten de lidstaten elke vorm van overheidssteun voor energieprojecten koppelen aan de participatie van lokale gemeenschappen als aandeelhouders in energieprojecten of andere vormen van batenverdeling. |
|
1.4. |
Zonder energie is burgerschap ondenkbaar. Om het Europese burgerschap volledige invulling te kunnen geven, moet het CEP krachtiger maatregelen bevatten om energiearmoede in de EU aan te pakken. Dat kan door in het CEP een uniforme definitie van energiearmoede in te voeren en de getroffen huishoudens op basis van gegevens in kaart te brengen, te beginnen op lokaal niveau. Bij streefcijfers op het gebied van energiearmoede moet naar het aantal huishoudens worden gekeken. Indicatoren op macroniveau zouden daarbij alleen moeten worden gebruikt als aanvullende hulpmiddelen. |
|
1.5. |
Om de empowerment van burgers te bevorderen en de nodige randvoorwaarden te scheppen om energiearmoede terug te dringen, beveelt het EESC aan dat de EU: 1) onmiddellijk een EU-breed verbod op energie-afsluitingen van huishoudens instelt; 2) afstapt van het systeem van de merit order, waarbij de elektriciteitsprijzen worden gekoppeld aan de gasprijzen; 3) de terminologie in het energiebeleid aanpast door over “burgers” te spreken in plaats van over “consumenten”; en 4) de functie van Europees ombudspersoon voor energiezaken in het leven roept. |
2. Achtergrond van het advies
|
2.1. |
De energietransitie gaat niet alleen over technologieën en streefcijfers, maar ook over vertrouwen, bescherming en participatie, die de basis moeten vormen van een sociaal pact voor een energietransitie die door de burgers wordt gedragen. Het CEP moet dan ook een belangrijke stap voorwaarts betekenen om alle burgers van de EU te helpen, en mag niet louter een checklist van beleidsmaatregelen zijn. In het pakket moeten mensen niet alleen als consumenten worden beschouwd, maar ook als burgers die de toekomst van onze energiesector helpen uit te tekenen, zodat de energietransitie werkelijkheid kan worden. In dit advies zet het EESC zijn visie op het CEP uiteen. |
|
2.2. |
Meer dan tien jaar geleden verklaarde de Europese Commissie in haar mededeling over het pakket voor de energie-unie het volgende: “En het allerbelangrijkste: in onze visie van de energie-unie staat de burger centraal, heeft hij inspraak in en controle over de transitie, plukt hij de vruchten van de nieuwe technologieën in de vorm van een lagere energiefactuur, is hij een actieve marktdeelnemer en krijgen kwetsbare groepen bescherming.” Tien jaar later is er geen zichtbare vooruitgang geboekt bij het nakomen van deze beloften. |
|
2.3. |
Het CEP komt op een moment dat het niveau van energiearmoede in de EU aanhoudend hoog is, op een moment dat het publiek, bijna twintig jaar na de liberalisering van de Europese energiemarkt, een groot wantrouwen heeft in de energiemarkt, op een moment dat de nationale processen voor de omzetting van de EU-wetgeving inzake energiegemeenschappen ondoeltreffend zijn, op een moment dat modellen voor burgerparticipatie en energiedelen niet overal in de lidstaten op dezelfde manier worden toegepast en ook op een moment dat het scepticisme toeneemt ten aanzien van de technische en financiële levensvatbaarheid van prosumentisme op de lange termijn. |
|
2.4. |
Het EESC heeft steevast manieren voorgesteld om burgers een grotere rol te geven in de energiesector, met name in de elektriciteitssector. Echte vooruitgang op dit vlak hangt af van de manier waarop de hervorming van de elektriciteitsmarkt wordt gestructureerd. In zijn adviezen TEN/793 (3) en TEN/837 (4) pleit het EESC voor een markt die waar mogelijk is geliberaliseerd en waar nodig is gereguleerd om burgers, prosumenten en energiegemeenschappen te beschermen. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
In het huidige EU-energiediscours worden mensen vaak als “consumenten” beschouwd, waardoor marktgerichte modellen impliciet worden versterkt. Er is echter een verschuiving nodig naar het zien van mensen als “burgers”, dat wil zeggen leden van een politieke gemeenschap met energierechten. In het Europees Handvest betreffende de rechten van de energieconsument (5) wordt energie ook erkend als een essentieel onderdeel van de sociale en territoriale cohesie. En in Richtlijn (EU) 2019/944 (6) wordt opgemerkt dat energiediensten van fundamenteel belang zijn om het welzijn te waarborgen en sociale inclusie mogelijk te maken. |
|
3.2. |
Met het aspect burgerschap wordt het debat geheroriënteerd en wordt beleidsvorming aangemoedigd die de nadruk legt op waardigheid, rechten en participatie. Dit is van cruciaal belang voor de steun en medewerking van burgers bij de energietransitie, aangezien miljoenen Europeanen in energiearmoede leven, vooral vrouwen en jongeren (7), en het moeilijk hebben om hun huis tegen een betaalbare prijs te verwarmen, te koelen en van energie te voorzien. Hoewel energiearmoede in alle lidstaten formeel wordt erkend en er beleidsmaatregelen worden genomen om dit verschijnsel aan te pakken, blijft de uitvoering van doeltreffende strategieën traag verlopen. |
|
3.3. |
Burgers hebben weinig controle over hun toegang tot energie en over hun energieverbruik en ervaren de instanties als ontoegankelijk. Een gebrek aan vertrouwen tussen de markt en de overheid maakt gecoördineerde actie nog moeilijker. Deze impasse draagt bij aan inertie bij het aanpakken van de energiebehoeften van de meest kwetsbaren. Het simpelweg omzetten van EU-richtlijnen in nationale wetgeving is niet genoeg, zoals blijkt uit de suboptimale resultaten van de wetgeving inzake energiegemeenschappen. |
|
3.4. |
Om energieburgerschap op lange termijn een betekenis te geven, moeten burgers, via representatieve instanties zoals reeds bestaande consumentenorganisaties, gestructureerde mechanismen krijgen waarmee zij invloed kunnen uitoefenen op het energiebeleid en dit kunnen monitoren, en die passen in de meerlagige bestuursstructuur van de EU. Bovendien moet het concept van intergenerationele rechtvaardigheid een plaats krijgen in het energiebeleid van de EU, om ervoor te zorgen dat de beslissingen die vandaag worden genomen geen nadelige gevolgen hebben voor toekomstige generaties en dat jongeren permanent bij het energiebeleid worden betrokken. Anders zal de verschuiving van “consument” naar “burger” dode letter blijven. |
|
3.5. |
Daarnaast moet de EU, op grond van beginsel 20 van de pijler van sociale rechten betreffende het recht op essentiële diensten, onmiddellijk een energieombudspersoon in het leven roepen, met lokale afdelingen (8). Een dergelijke ombudspersoon zou burgers mondiger maken op energiegebied en het vertrouwen herstellen. De ombudspersoon zou klachten in behandeling moeten nemen, de nodige verzoeken bij de regelgevende instanties moeten indienen en juridische bijstand moeten verlenen aan burgers die onrechtvaardig worden behandeld door leveranciers en aan energiegemeenschappen en prosumenten die in hun ontwikkeling worden belemmerd door obstakels op het gebied van regelgeving en uitvoering. De ombudspersoon zou burgers ook moeten helpen bij hun contacten met publieke en private actoren omtrent maatregelen om hun energiearmoede of het risico daarop te verminderen. |
4. Specifieke opmerkingen over empowerment van burgers en herstel van het vertrouwen van het publiek in de energiesector
|
4.1. |
Empowerment gaat veel verder dan informatie: het betekent dat burgers in staat worden gesteld om zelf actie te ondernemen. Burgers moeten echte keuzes kunnen maken wat betreft energiegebruik, -productie en -investeringen. Dit geldt niet alleen voor de elektriciteitsmeter in particuliere huishoudens, maar ook in veel bredere zin. De netwerken moeten toegankelijk worden gemaakt voor burgers. Door burgers te betrekken als prosumenten of in energiegemeenschappen kan de energieonafhankelijkheid worden vergroot wat, met name in combinatie met goede isolatie en gerichte maatregelen, kan helpen om de energiearmoede terug te dringen. Om dit doel te bereiken moet het CEP de lidstaten ertoe verplichten om, met de steun van zowel publieke als particuliere actoren, procedures te vereenvoudigen om een flexibelere toegang tot energie te waarborgen, onestopshops met goed opgeleid personeel op te zetten die zo dicht mogelijk bij de burger staan, en gemeenschapsinitiatieven te bevorderen. |
|
4.2. |
Lokale en regionale overheden zouden als geen ander in staat kunnen zijn om het nationale energiebeleid en de behoeften van de burgers op elkaar af te stemmen. Zij zouden een eigen, gemeentelijk energiebeleid kunnen vormgeven dat is afgestemd op de specifieke sociaal-economische en klimatologische omstandigheden van hun gemeenschap. Ze zouden ook de lokale vraag kunnen bundelen, openbare aanbestedingen voor groene technologieën kunnen faciliteren, ruimte ter beschikking kunnen stellen voor de installatie van apparatuur en kunnen samenwerken met lokale organisaties om gezamenlijk diensten te leveren. Helaas is zo’n energiebeleid echter slechts terug te vinden in een uiterst klein deel van alle gemeenten. Veruit de meeste gemeenten zijn vrijwel inactief op het gebied van energiebeleid. Het energiepakket voor de burger zou zich daarom ook uitdrukkelijk op gemeenten moeten richten. Derhalve herhaalt het EESC zijn oproep voor de bevordering van modellen van “uitgebreid collectief zelfverbruik”, zoals voorgesteld in zijn advies TEN/801 (9), die doeltreffend kunnen worden geïmplementeerd via gemeentelijke platforms, als een middel om burgers mondiger te maken. |
|
4.3. |
Technische oplossingen volstaan niet om het vertrouwen van het publiek in het energiesysteem te herstellen. Dit vraagt ook om transparant bestuur, inclusieve besluitvorming en consistente communicatie. Wanneer burgers concrete voordelen zien, neemt hun bereidheid om deel te nemen en te investeren toe. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan kortingen op de elektriciteitsprijs, renovatie- en onderhoudsinitiatieven of gemeentelijke financiering voor regio’s die te maken krijgen met de gevolgen van grotere energieprojecten. De in punt 2.4 genoemde hervorming van de elektriciteitsmarkt is hiervoor een voorwaarde. |
|
4.4. |
Energiegeletterdheid is van fundamenteel belang om mensen mondiger te maken. Willen burgers goed geïnformeerd zijn, dan moeten ze begrijpen hoe energiesystemen werken, hoe ze hun energierekening moeten lezen, hun verbruik kunnen verminderen en hoe ze kunnen deelnemen aan collectieve regelingen. Voorlichtingscampagnes, onderwijsprogramma’s en lokale workshops kunnen deze geletterdheid bevorderen. Consumentenorganisaties, ngo’s, maatschappelijke organisaties en onderwijsinstellingen moeten een centrale rol spelen bij het opzetten en uitvoeren van dergelijke initiatieven, die geschraagd moeten worden door transparante, realtimetoegang tot gegevens over energieverbruik, kosten en uitstoot via gebruiksvriendelijke digitale platforms. Ook moeten programma’s voor energiegeletterdheid jongerenorganisaties specifiek betrekken bij het gezamenlijk ontwerpen van onderwijsmateriaal en -campagnes. Jongeren moeten niet alleen worden gezien als begunstigden. Zij bedenken ook initiatieven op het gebied van energiegeletterdheid en werken aan de verspreiding ervan. Op deze manier zorgen zij voor intergenerationele rechtvaardigheid en duurzaamheid op lange termijn. |
|
4.5. |
De ontwikkeling van groene vaardigheden, met name op het gebied van installatie, onderhoud en energieaudits, is essentieel voor de ondersteuning van lokale energietransities. Door energievraagstukken op te nemen in beroepsopleidingen, volwasseneneducatie en universitaire curricula kan ervoor worden gezorgd dat burgers uit alle leeftijdsgroepen en sectoren worden bereikt. Een golf van energieaudits in de hele EU, om energiearmoede te helpen beperken, kan deze groene vaardigheden in groene banen omzetten. |
|
4.6. |
Overheidsfinanciering speelt weliswaar een belangrijke rol bij het stimuleren van de energietransitie, maar levert vaak geen directe voordelen op voor gemeenschappen die energieprojecten organiseren. Er worden te veel investeringen gedaan zonder echte lokale betrokkenheid of gedeelde waarde, waardoor een top-downmodel wordt versterkt dat op weerstand van de bevolking dreigt te stuiten. De EU-regels moeten de lidstaten ertoe verplichten om energiesubsidies of financieringsregelingen te koppelen aan de participatie van lokale gemeenschappen als aandeelhouders in energieprojecten of andere vormen van batenverdeling. |
|
4.7. |
Zeven jaar na de goedkeuring van advies TEN/657 (10) bestaat er helaas nog geen doeltreffende energiedialoog met het maatschappelijk middenveld op nationaal, regionaal of lokaal niveau, maar op EU-niveau is er wel enige vooruitgang geboekt via het energieforum voor de burger. Het EESC beveelt aan om een dialoog op verschillende bestuursniveaus te organiseren zodat de lidstaten over de instrumenten kunnen beschikken om de markt- en institutionele belemmeringen uit de weg te ruimen die burgers, consumenten, gemeenschappen en kleine en middelgrote ondernemingen ervan weerhouden om deel te nemen aan en profijt te trekken van de transitie naar schone energie. Deze dialoog zou ook de kwaliteit van de communicatie kunnen verbeteren en het vertrouwen tussen burgers en belanghebbenden kunnen helpen herstellen. |
5. Specifieke opmerkingen over energiegemeenschappen
|
5.1. |
Het EESC herhaalt zijn vaak gedeelde standpunt dat de kleinschalige opwekking van elektriciteit moet worden gestimuleerd om de netten meer opties voor flexibiliteit te bieden. Actieve betrokkenheid van burgers, kleine en middelgrote ondernemingen en lokale overheden is veel gemakkelijker te bereiken bij gedecentraliseerde elektriciteitsopwekking dan bij gecentraliseerde structuren met grote energiecentrales. Helaas is er in de huidige opzet van de EU-markt geen sprake van strategische prioritering van het gedecentraliseerde model. Er moet prioriteit worden gegeven aan het zoeken naar mechanismen om jongeren en kwetsbare groepen die financiële belemmeringen ondervinden, te betrekken bij innovatieve collectieve energieregelingen. |
|
5.2. |
Kortom, door de burger aangestuurde energiegemeenschappen moeten worden erkend als een strategisch element in het energiebeleid. Zij kunnen de sociale solidariteit bevorderen als ze zodanig zijn ontworpen dat energieherverdeling mogelijk is, kwetsbare huishoudens worden ondersteund en lokale investeringen worden aangemoedigd. Zulke gemeenschappen leveren een belangrijke bijdrage aan sociale rechtvaardigheid en voorzieningszekerheid en bevorderen de steun voor een rechtvaardige energietransitie (11). Het EESC dringt er bij overheden op aan energiegemeenschappen op te richten en te bevorderen en ervoor te zorgen dat burgers op zinvolle wijze kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en het beheer ervan, ook burgers die problemen ondervinden omdat ze geen eigen woning bezitten, zoals huurders. |
|
5.3. |
Prosumenten en hernieuwbare-energiegemeenschappen moeten zoveel mogelijk kunnen profiteren van de elektriciteit die ze zelf opwekken, ook al leveren ze die aan het net. Dat moet een fundamenteel principe zijn van het CEP. Een voorbeeld van hoe dit op een andere, rechtvaardigere manier voor kleine producenten kan worden georganiseerd, is een “elektriciteitsbank”, iets wat het EESC beschrijft in zijn advies over de hervorming van de elektriciteitsmarkt (TEN/793). |
|
5.4. |
In het huidige EU-beleid ontbreekt systematisch toezicht op energiegemeenschappen. In veel lidstaten zijn energiegemeenschappen op papier een wettelijke mogelijkheid, maar werken ze in de praktijk niet omdat goede processen voor burgerbetrokkenheid en een goed functionerend wetgevingskader ontbreken. De aanvraag van een vergunning voor een energiegemeenschap gaat gepaard met te veel bureaucratie, vergt technische vaardigheden die gewone burgers niet bezitten en legt hen vaak forse aanbetalingen op. |
|
5.5. |
Het CEP moet ertoe leiden dat de EU-wetgeving inzake energiegemeenschappen wordt aangescherpt bij de volgende herzieningen van bestaande energierichtlijnen. De EU-wetgeving inzake energie van burgers heeft bijvoorbeeld nog steeds te lijden onder vage definities en inconsistente uitvoering. Sleutelbegrippen als “energiegemeenschap” en “energiedelen” worden door de lidstaten verschillend geïnterpreteerd. Een zwakke handhaving van EU-criteria kan leiden tot een te grote invloed van het bedrijfsleven. Sterkere waarborgen zijn essentieel om de integriteit van energiegemeenschappen te beschermen. |
|
5.6. |
De autoriteiten die de belemmeringen voor energiegemeenschappen uit de weg moeten ruimen, functioneren niet naar behoren. Dat komt door tekortkomingen op het gebied van personeel en knowhow en door druk van gevestigde bedrijven. De registratievereisten zijn te omslachtig en DSB’s weigeren nieuwe energiegemeenschappen of prosumenten aan te sluiten op het net, of stellen dit uit. Ze moeten de aansluitingscapaciteit verbeteren en er moeten consequenties zijn als ze niet binnen de vastgestelde termijnen reageren. Dit vereist de ontwikkeling van regionale en hoogwaardige energiebeheerplannen en netontwikkelingsplannen om rekening te houden met het toenemende aantal van dergelijke alternatieve energiesystemen. |
6. Specifieke opmerkingen over energiearmoede
|
6.1. |
Het percentage burgers dat in energiearmoede leeft, blijft hoog, wat erop wijst dat er behoefte is aan een transformatieve aanpak die uitgaat van burgerparticipatie en verder gaat dan alleen naleving van de wetgeving (12). Dit vereist dat de EU: 1) een verbod op energie-afsluitingen in de hele EU instelt. Afsluitingen drijven huishoudens in energiearmoede en maken hen nog kwetsbaarder, omdat zij dan te maken krijgen met ingewikkelde procedures om opnieuw te worden aangesloten; en 2) de elektriciteitsmarkt hervormt om af te stappen van het systeem van de merit order, waarbij de elektriciteitsprijzen worden gekoppeld aan de gasprijzen (13), zodat bedrijven en burgers kunnen profiteren van de lage prijzen voor hernieuwbare energie. |
|
6.2. |
Hoewel de EU energiearmoede volledig erkent, heeft zij het aan de lidstaten overgelaten om definities vast te stellen en oplossingen te vinden. Vanwege politieke en financiële verschillen wordt coherent optreden aldus bemoeilijkt. Deze aanpak heeft niet gewerkt, aangezien uit gegevens van de EU en haar lidstaten blijkt dat de energiearmoede nog steeds wijdverbreid is. De EU moet resoluut kiezen voor een uniforme aanpak op basis van het vermogen van een huishouden om in zijn minimale energiebehoeften te voorzien. Het CEP moet leiden tot de invoering van een mechanisme voor de berekening van de minimale energiebehoeften aan de hand van gegevens over gebouwen en huishoudens. Zo kan een coherent proces van gegevensverzameling op alle bestuursniveaus op gang worden gebracht. De rol van Eurostat moet worden versterkt in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek, lokale overheden en energieleveranciers, zodat het verzamelen van gegevens over huishoudens doeltreffend kan verlopen. |
|
6.3. |
Het verbeteren van de kwaliteit van huisvesting is van cruciaal belang om energiearmoede tegen te gaan (14). Dit geldt niet alleen in het koude seizoen, want ook in de zomer neemt de energiearmoede toe. Energieaudits en renovatiesubsidies moeten worden geïntegreerd in lokale strategieën. De verzameling van gegevens over de energieprestaties van woningen moet worden verbeterd om maatregelen doelgerichter te maken. Energiebedrijven, organisaties voor sociale woningbouw en/of lokale overheden kunnen helpen de nodige investeringen voor te financieren, die bewoners vervolgens (deels) kunnen terugbetalen met de besparingen op hun energierekening (15). Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor huurders die voor hun energieovereenkomsten afhankelijk zijn van hun woningeigenaar en die mogelijk te maken krijgen met hogere huurprijzen wanneer er renovaties worden gedaan. |
|
6.4. |
Er moet duidelijk worden erkend dat verschillende vormen van woningbezit kunnen leiden tot energiearmoede. Strategieën om het risico op energiearmoede te verminderen moeten daarom mechanismen omvatten om huurders te beschermen en verenigingen van huiseigenaren te versterken, en moeten worden aangepast aan de lokale omstandigheden op het gebied van woningbezit. |
|
6.5. |
Er bestaat een verband tussen het gebruik van vaste brandstoffen, vooral hout, en energiearmoede op het platteland en in gemarginaliseerde stedelijke gebieden. Hout is vaak afkomstig van informele markten. Daardoor is er sprake van prijsschommelingen, beperkte toegang en slechte kwaliteit en ook van milieuschade vanwege illegale houtkap. Dit alles brengt risico’s voor de gezondheid en veiligheid met zich mee. Een goede opslag van hout en de kwaliteit van kachels moeten belangrijke aandachtspunten voor lokale overheden zijn, die kunnen ingrijpen en zorgen voor een passende opslag en een gegevensgestuurde, gerichte bevoorrading. |
Brussel, 18 september 2025.
De voorzitter
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Oliver RÖPKE
(1) Voor meer informatie, zie PB C 262 van 25.7.2018, blz. 86 en PB C 123 van 9.4.2021, blz. 22.
(2) Zoals het revolverend fonds voor stadsverwarming in Nederland.
(3) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2019/943 en (EU) 2019/942 en de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 om de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie te verbeteren (COM(2023) 148 final — 2023/0077 (COD)) (PB C 293 van 18.8.2023, blz. 112).
(4) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — De toekomst van de levering en tarifering van elektriciteit in de EU (initiatiefadvies) (PB C, C/2025/1187, 21.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1187/oj).
(5) COM(2007) 386 final, blz. 3.
(6) Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).
(7) Zoals blijkt uit de gegevens voor Oostenrijk of Griekenland.
(8) Een voorbeeld hiervan is te vinden in Kroatië, dat een kader heeft gecreëerd voor de opname van energie in het takenpakket van de nationale ombudspersoon.
(9) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over individueel en collectief zelfverbruik van energie als factor in de strijd voor de groene en energietransitie en economisch en sociaal evenwicht (initiatiefadvies) (PB C, C/2024/873, 6.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/873/oj).
(10) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank — Derde verslag over de staat van de energie-unie (COM(2017) 688 final) (PB C 262 van 25.7.2018, blz. 86).
(11) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité “Tussen een trans-Europees supernetwerk en lokale energie-eilanden — de juiste mix van decentrale oplossingen en centrale structuren voor een economisch, sociaal en ecologisch duurzame energietransitie” (initiatiefadvies) (PB C 429 van 11.12.2020, blz. 85).
(12) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité “De energiearmoede aanpakken en de veerkracht van de EU: uitdagingen vanuit economisch en sociaal oogpunt” (verkennend advies op verzoek van het Tsjechische voorzitterschap) (PB C 486 van 21.12.2022, blz. 88).
(13) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — De toekomst van de levering en tarifering van elektriciteit in de EU (initiatiefadvies) (PB C, C/2025/1187, 21.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1187/oj).
(14) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Fatsoenlijke, duurzame en betaalbare sociale huisvesting in de EU (initiatiefadvies) (PB C, C/2025/771, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/771/oj).
(15) Op basis van goede praktijken, zoals die welke door de EIB zijn ontwikkeld.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/27/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)