European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/22

16.1.2026

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Hoe kan een actieve en inclusieve preventieaanpak bijdragen tot een betere gezondheid en veiligheid op het werk (nul doden-doelstelling)?

(verkennend advies op verzoek van het Deense voorzitterschap)

(C/2026/22)

Rapporteur:

Nicoletta MERLO

Adviseurs

Kris De Meester (voor groep I)

Károly György (voor de rapporteur)

Raadpleging door het Deense

voorzitterschap van de Raad

Brief van 7.2.2025

Rechtsgrond

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Verkennend advies

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

3.9.2025

Goedkeuring door de voltallige vergadering

18.9.2025

Zitting nr.

599

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

178/2/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De EU en de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat alle werkenden, ongeacht hun arbeidsovereenkomst, functie of opleiding, overeenkomstig de kaderrichtlijn betreffende gezondheid en veiligheid op het werk bescherming genieten op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en dat werk wordt gemaakt van de preventie van risico’s in verband met de gezondheid en veiligheid op het werk. Dit houdt in dat een brede minimumnorm voor lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn op de werkplek wordt geformuleerd. Om de effectiviteit en relevantie te waarborgen, moeten deze normen worden aangevuld met gerichte en flexibele regelingen — zoals collectieve overeenkomsten op sector- of bedrijfsniveau, gedragscodes en bilaterale afspraken tussen de sociale partners — die inspelen op de specifieke risico’s, structuren en operationele realiteit van de verschillende sectoren en vormen van werk, zodat werknemers en hun vertegenwoordigers bij een en ander kunnen worden betrokken overeenkomstig de toepasselijke regels. Voorts moeten preventieve maatregelen rekening houden met alle personen die op de werkplek aanwezig zijn, ook degenen die indirect bij de productieactiviteiten betrokken zijn.

1.2.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) zou graag zien dat de belanghebbenden, met name de sociale partners, nauwer samenwerken en meer verantwoordelijkheden delen, om zo een doeltreffend beheer van de gezondheid en veiligheid op het werk te waarborgen. Actieve betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers en bevordering van de sociale dialoog op bedrijfsniveau zijn essentieel. Inclusieve opleiding en, waar mogelijk, kennisuitwisseling en gezamenlijke opleiding van de personen die namens de werkgever verantwoordelijk zijn voor gezondheid en veiligheid op het werk en de werknemersvertegenwoordigers, moeten alle betrokken partijen in staat stellen om zowel traditionele als nieuwe risico’s te herkennen en te beheersen, met inbegrip van de risico’s die samenhangen met de digitalisering en nieuwe vormen van werk.

1.3.

Het EESC wijst op het belang van uitgebreide risicobeoordelingen waarbij wordt gekeken naar alle fysieke en psychosociale beroepsrisico’s waaraan werknemers worden blootgesteld. Die kunnen vaak in verband worden gebracht met nieuwe arbeidsmodellen en milieuproblemen. Klimaatgerelateerde gebeurtenissen zoals hittegolven, overstromingen en hydrogeologische ontwrichting moeten worden geïntegreerd in de op preventie gerichte strategieën voor gezondheid en veiligheid op het werk.

1.4.

Het EESC neemt kennis van de aanpak van bepaalde lidstaten waar ongevallen op weg naar of van het werk voor verzekeringsdoeleinden worden erkend als arbeidsongevallen. Hoewel er binnen de EU verschillende definities en classificaties bestaan, benadrukt het EESC dat op nationaal niveau passende maatregelen moeten worden overwogen om zowel de preventiestrategieën als de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de gegevensverzameling te verbeteren; het moedigt de Commissie en de lidstaten aan na te denken over een consistentere benadering van ongevallen tijdens het woon-werkverkeer.

1.5.

Het EESC benadrukt dat het in verband met de gezondheid en veiligheid van jongeren op het werk van cruciaal belang is dat hen tijdens hun opleiding ook de kans wordt geboden werkervaring op te doen. Onderwijsinstellingen moeten zorgen voor algemene informatie en opleidingen op het gebied van gezondheid en veiligheid, terwijl bedrijven baangerelateerde specifieke opleidingen moeten verzorgen, vooral in het geval van leercontracten of stages. Er moet worden ingezet op een cultuur van veiligheid, zodat werkgevers en werknemers zich er beter van bewust zijn dat zij verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen veiligheid en gezondheid op het werk, en dat zij met hun doen en laten ook invloed hebben op de veiligheid en gezondheid van anderen op het werk. Verder moet ervoor worden gezorgd dat tijdens opleidingen en op de werkplek een gendersensitieve aanpak wordt gehanteerd zodat inclusieve en op maat gemaakte preventieve maatregelen kunnen worden genomen, rekening houdend met de specifieke en verschillende risico’s waarmee mannen en vrouwen worden geconfronteerd.

1.6.

Het EESC beveelt aan om het beleid inzake gezondheid en veiligheid op het werk aan te passen aan de demografische ontwikkelingen, met bijzondere aandacht voor de vergrijzende beroepsbevolking, aangezien het waarborgen van veilige en gezonde arbeidsomstandigheden voor alle leeftijdsgroepen bijdraagt tot het behoud van de inzetbaarheid, actief ouder worden ondersteunt en het verband tussen gezondheid op het werk en volksgezondheid versterkt. In dit verband wijst het EESC op het belang van de lopende werkzaamheden in het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats met betrekking tot de erkenning van nieuwe beroepsziekten.

1.7.

Het EESC beveelt aan om de tenuitvoerlegging van het EU-acquis op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk regelmatig onder de loep te nemen en waar nodig op basis van feiten aan te passen aan de veranderende werkpatronen. Om de “Vision Zero”-doelstelling (nul doden-doelstelling) te halen, is een evenwichtige aanpak nodig die begeleiding, uitvoering van de wetgeving en waar nodig aanpassing aan nieuwe vormen van werk combineert, met als uiteindelijk doel de gezondheid en veiligheid op alle werkplekken te verbeteren.

1.8.

Het EESC onderstreept dat een betere naleving en handhaving van de bestaande regelgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk een belangrijke stap is op weg naar de doelstelling om het aantal doden terug te dringen tot nul. Dit vereist voldoende middelen en bekwaam personeel voor arbeidsinspecties, evenals een passend en goed functionerend rechtskader, conform de IAO-richtsnoeren inzake arbeidsinspecties. Vakbonden en werkgeversorganisaties moeten ook worden ondersteund bij het monitoren en verspreiden van goede praktijken op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, en bij het in kaart brengen van risico’s voordat ze tot ongevallen leiden.

1.9.

Het EESC pleit voor een verantwoord gebruik van AI-systemen voor preventie, risicomonitoring en het personaliseren van preventieve maatregelen. Het is van essentieel belang om de transparantie, vertrouwelijkheid en integriteit van gegevens te waarborgen en mogelijke vertekeningen te gaan. Vandaar dat moet worden ingezet op een versterking van de vaardigheden die noodzakelijk zijn voor een verstandig gebruik van AI, ook op de werkplek.

2.   Algemene opmerkingen

2.1.

Het EESC is ingenomen met de aandacht van het Deense voorzitterschap voor gezondheid en veiligheid op het werk en verwelkomt het verzoek om een verkennend advies op te stellen over de vraag hoe actieve en inclusieve preventiestrategieën kunnen worden bevorderd om te zorgen voor veiligere en gezondere werkplekken op de lange termijn — onder meer door te kijken naar goede nationale praktijken en beleidsmaatregelen — en zo de EU-doelstelling van nul doden te verwezenlijken.

2.2.

In het Woordenboek Europese Arbeidsverhoudingen van Eurofound wordt onderstreept dat het bij het begrip gezondheid en veiligheid in EU-context niet alleen draait om het voorkomen van ongevallen en ziekten, maar om alle aspecten van het welzijn van werknemers. De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteren dezelfde definitie van gezondheid en veiligheid op het werk. Volgens deze definitie zijn gezondheids- en veiligheidsvoorschriften gericht op het bevorderen en handhaven van een maximaal niveau van lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn van werknemers in alle beroepsgroepen. Kort gezegd gaat het erom dat iedereen aangepast werk krijgt en dat mensen zich zelf ook aanpassen aan hun werk (1).

2.3.

Dit brede perspectief vereist samenwerking tussen meerdere disciplines (2). In het kader van gezondheid en veiligheid op het werk moet dan ook worden gekeken naar het rechtstreekse verband tussen risico’s op de werkplek en letsel en beroepsziekten, met inbegrip van veranderende werkomgevingen en nieuwe beroepsrisico’s. Ook moet er meer aandacht komen voor externe factoren die losstaan van werk en gezondheid en veiligheid op het werk — zoals chronische ziekten, sociaal-economische omstandigheden en pandemieën — en die een multidisciplinaire aanpak vereisen en beoordeeld moeten worden. Het verband tussen werk en leefwijze is bijzonder belangrijk: keuzes voor een gezonde levensstijl (zoals lichaamsbeweging, letten op wat je eet en drinkt, enz.) hebben ongetwijfeld positieve gevolgen voor het werk en omgekeerd (tevreden zijn op het werk heeft positieve gevolgen voor het privéleven). Deze brede aanpak omvat traditionele risicobeoordelingen waarbij wordt gekeken naar de manier waarop werk- en niet-werkgerelateerde factoren op elkaar inwerken en evolueren tijdens iemands loopbaan, en ondersteunt zo uiteindelijk het bredere welzijn van werknemers (3).

2.4.

Op EU-niveau heeft de kaderrichtlijn betreffende gezondheid en veiligheid op het werk (4) tot doel maatregelen in te voeren om de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk te verbeteren. Daartoe bevat de richtlijn algemene beginselen betreffende de preventie van beroepsrisico’s en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid, het uitsluiten van risico- en ongevalsfactoren, voorlichting, raadpleging en evenwichtige deelname van werknemers overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, de opleiding van de werknemers en hun vertegenwoordigers, alsmede algemene regels voor de tenuitvoerlegging van die beginselen (5). Bovendien is de kaderrichtlijn van toepassing op alle publieke én private sectoren en hebben bedrijven de wettelijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de werknemers en andere mensen op de werkplek te allen tijde veilig blijven. In het geval van onderaanneming vallen de werknemers van onderaannemers onder de regels inzake veiligheid en gezondheid op het werk op grond van hun arbeidsverhouding met hun werkgever, en artikel 6, lid 4, van de richtlijn bevat bepalingen over samenwerking tussen werkgevers wanneer er werknemers van verschillende bedrijven op een zelfde arbeidsplaats aanwezig zijn. Volgens beginsel 10 van de Europese pijler van sociale rechten hebben werknemers bovendien “recht op een hoog niveau van bescherming van hun gezondheid en veiligheid op het werk”.

3.   Specifieke opmerkingen

3.1.

In 2022 waren er in de EU 2,97 miljoen niet-dodelijke ongevallen die leidden tot ten minste vier kalenderdagen ziekteverzuim; ook waren er 3 286 dodelijke ongevallen, wat neerkomt op ongeveer 905 niet-dodelijke ongevallen voor elk dodelijk ongeval. In 2022 vonden drie op de tien (29,9 %) niet-dodelijke arbeidsongevallen in de EU plaats op industriële locaties en was meer dan een kwart (27,4 %) van de dodelijke arbeidsongevallen in de EU het gevolg van het verlies van de controle over een machine, werktuig of transport-/afhandelingsapparatuur. De meest voorkomende soorten niet-dodelijke arbeidsongevallen in de EU waren het gevolg van lichamelijke of geestelijke stress (22,4 %) of van een botsing met een stilstaand voorwerp (21,6 %) (6).

3.2.

De regels inzake bescherming op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en preventie van risico’s zijn conform de kaderrichtlijn betreffende de veiligheid en de gezondheid op het werk van toepassing op alle vormen van werkgelegenheid, ongeacht arbeidsovereenkomst, functie of opleidingsregelingen, zodat alle werknemers kunnen profiteren van basisvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid en normen die hun sociaal, geestelijk en lichamelijk welzijn ten goede komen (d.w.z. de “hele mens”). Tegelijkertijd kan deze bescherming worden aangevuld met op maat gesneden regelingen, zoals bilaterale overeenkomsten tussen de sociale partners, ook op sector- en bedrijfsniveau, en gedragscodes, die inspelen op de specifieke behoeften van verschillende sectoren, organisaties en risicoprofielen, zodat werknemers en hun vertegenwoordigers bij een en ander kunnen worden betrokken overeenkomstig de toepasselijke regels. In het licht van Vision Zero moet worden gestreefd naar een inclusieve aanpak die rekening houdt met iedereen die op de werkplek aanwezig is.

3.3.

De IAO-richtsnoeren (7) benadrukken dat het belangrijk is om zowel nationale als op maat gemaakte richtsnoeren voor beheersystemen voor de gezondheid en veiligheid op het werk te ontwikkelen, zodat rekening wordt gehouden met de uiteenlopende omstandigheden en vereisten op diverse werkplekken, alsook met de omvang van de organisatie en de aard van de activiteiten; werknemers en vakbonden dienen bij de ontwikkeling van deze systemen te worden betrokken. Het Poolse systeem van sociale arbeidsinspecteurs, die al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw een ondersteunende en aanvullende rol spelen (8), is een mooi voorbeeld van geslaagde preventie.

3.4.

Voorbeeld van een goede praktijk is de manier waarop Italië protocollen tegen pandemieën ten uitvoer heeft gelegd; daarmee is aangetoond dat universele regels effectief kunnen worden aangepast aan de unieke omstandigheden van individuele werkplekken via collectieve onderhandelingen en gemengde comités, wat de waarde van sociale dialoog en het belang van het combineren van brede bescherming met op specifieke gevallen toegesneden maatregelen illustreert.

3.5.

Samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid tussen alle belanghebbenden, met name de sociale partners, alsook het waarborgen van een doeltreffende sociale dialoog op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en de betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers bij gezondheids- en veiligheidskwesties overeenkomstig de toepasselijke regels, zijn van fundamenteel belang voor een doeltreffende aanpak van gezondheid en veiligheid op het werk. Werkgevers hebben de plicht om de veiligheid op de werkplek te waarborgen in overeenstemming met EU- en nationale wetgeving en collectieve overeenkomsten, maar om de risico’s op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk aan te pakken, met name nieuwe en veranderende risico’s die onder meer het gevolg zijn van technologische ontwikkelingen en de klimaatverandering, dienen ook de overheid, inspectiediensten, vakbonden en de werknemers zelf hun verantwoordelijkheid te nemen. Het is cruciaal om de positie van alle belangrijke actoren te versterken door middel van kennisuitwisseling, beste praktijken, het stimuleren van de actieve betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers op bedrijfsniveau, en opleiding: werknemers, werkgevers en overheidsinstellingen moeten actief worden betrokken bij inspanningen op het gebied van zowel preventie als participatie. Gebleken is dat daadwerkelijke betrokkenheid van de werknemersvertegenwoordigers die zich bezighouden met veiligheid en de oprichting van comités voor gezondheid en veiligheid op het werk, voor zover daarin door het desbetreffende nationale stelsel van arbeidsverhoudingen wordt voorzien, ertoe bijdragen dat werkgevers en werknemers actief gaan samenwerken om een veilige en gezonde werkomgeving te creëren.

3.6.

Daarnaast moeten opleidingsinitiatieven inclusief zijn en moeten, waar mogelijk, zowel bedrijfs- als werknemersvertegenwoordigers daarbij worden betrokken, zodat alle partijen toegerust zijn om nieuwe risico’s te herkennen en te beheersen, inclusief de risico’s die verband houden met de digitalisering en een veranderende werkomgeving. In Denemarken bevorderen gedeeltelijk door de overheid gefinancierde brancheorganisaties voor gezondheid en veiligheid op het werk, bestaande uit werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers, concrete initiatieven op de werkplek. Daarbij worden advies en praktische hulpmiddelen geboden om de gezondheid en veiligheid te verbeteren op basis van sector- en werkplekgerelateerde behoeften.

3.7.

Het omgaan met nieuwe werkmodellen en -omgevingen vereist risicobeoordelingen en een alomvattende aanpak van zowel fysieke als psychosociale risico’s. Blootstelling aan kankerverwekkende stoffen blijft bijvoorbeeld een belangrijk punt van zorg: in de routekaart voor kankerverwekkende stoffen (9) van 2016 wordt geschat dat er in de EU jaarlijks ongeveer 120 000 gevallen van werkgerelateerde kanker voorkomen. Ook is er dringend behoefte aan een systematische aanpak van beroepsziekten, met inbegrip van werkgerelateerde psychosociale risico’s en spier- en skeletaandoeningen, en dient verder te worden gewerkt aan een EU-brede lijst van erkende beroepsziekten. Moderne instrumenten — zoals online interactieve risicobeoordeling (OiRA) (10) — moeten verder worden verbeterd, met name in micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Deze beleidsuitdagingen worden voortdurend besproken door het Raadgevend Comité voor gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats.

3.8.

Werken op afstand, of het nu thuis, in een flexwerkruimte of in het buitenland is, voegt een nieuwe dimensie toe aan de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers op de werkplek. Volgens de huidige schattingen werkt ongeveer 12,3 % van de beroepsbevolking in de EU op afstand, en de laatste ramingen wijzen op een gestage toename: zo zou in 2025 tot 15 % van de beroepsbevolking op afstand kunnen werken (11). Nu het verschil tussen werkomgeving, openbare ruimten en woningen vervaagt, en nieuwe vormen van werk, waaronder telewerken, nieuwe uitdagingen met zich mee kunnen brengen voor de gezondheid en veiligheid op het werk, zowel vanuit het oogpunt van de werkgever als van de werknemer (bijv. toegang voor werkgevers, gegevensbescherming), moet worden nagegaan of het noodzakelijk is het beleid inzake veiligheid en gezondheid op het werk aan te passen aan de nieuwe realiteit van werken op afstand, rekening houdend met nationale praktijken en met inachtneming van de rol en autonomie van de sociale partners. In lidstaten waar — volgens de studie van Eurofound (12) — beleid inzake het recht om offline te zijn is ingevoerd, blijkt uit de gegevens dat dit een positief effect heeft op het evenwicht tussen werk en privéleven, de gezondheid en het welzijn, en de algehele tevredenheid over het werk.

3.9.

Het verband tussen gezondheid en veiligheid op het werk en milieuproblemen, zoals de klimaatverandering en hydrogeologische risico’s, wordt steeds relevanter en kan leiden tot nieuwe gevaren op het werk voor werknemers, waaronder werkgerelateerde ziektes, letsel en psychologische en fysieke stress. Een geïntegreerde risicobeoordeling en preventieve maatregelen zouden dan ook nodig kunnen zijn.

3.10.

Ongevallen die plaatsvinden op weg naar en van het werk worden niet in alle lidstaten consequent aangemerkt als arbeidsongevallen. Het is echter belangrijk om na te denken over passende benaderingen in de lidstaten, onder meer met het oog op preventie en ter verbetering van de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de gegevensverzameling. Ook de “Vision Zero”-strategie om de verkeersveiligheid in de EU te verbeteren, kan helpen de doelstellingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk te verwezenlijken (13).

3.11.

Waar het gaat om opleidingsprogramma’s voor jongeren op de werkplek, zoals leercontracten of stages, zij opgemerkt dat opleiding op het gebied van gezondheid en veiligheid een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn van onderwijsinstellingen en werkgevers: scholen moeten verantwoordelijk zijn voor algemene informatie en opleidingen op het gebied van gezondheid en veiligheid, terwijl bedrijven baangerelateerde opleidingen moeten geven. Het bevorderen van een cultuur van veiligheid als kernwaarde vanaf het allereerste begin van de loopbaan kan er mede voor zorgen dat alle jonge werknemers in staat zijn om risico’s op de werkplek te herkennen en ermee om te gaan. Een cultuur van veiligheid moet ervoor zorgen dat werkgevers en werknemers zich er beter van bewust zijn dat zij verantwoordelijkheid dragen voor hun veiligheid en gezondheid op het werk, en dat zij met hun doen en laten ook invloed hebben op de veiligheid en gezondheid van anderen op het werk. Daarnaast moet zowel tijdens opleidingen als op de werkplek een gendersensitieve benadering worden gehanteerd, en moet worden erkend dat mannen en vrouwen te maken kunnen krijgen met verschillende beroepsrisico’s en aangepaste preventieve maatregelen nodig hebben; alleen zo zullen gezondheids- en veiligheidssystemen inclusief en effectief zijn voor alle werknemers, ongeacht hun geslacht.

3.12.

Het aanpassen van het beleid inzake gezondheid en veiligheid op het werk aan de leeftijdsopbouw van de werknemers, en met name de vergrijzing van de beroepsbevolking, is essentieel om een gezond beroepsleven te waarborgen en werkgerelateerde gezondheid doeltreffend te koppelen aan bredere volksgezondheidskwesties. In het licht van pensioenhervormingen en het feit dat mensen langer blijven werken, moeten de inhoud van het werk en de voorwaarden die oudere werknemers in staat stellen om actief en gezond te blijven werken, tegen het licht worden gehouden. In preventieve maatregelen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk moet rekening worden gehouden met de demografische veranderingen, en de nadruk moet komen te liggen op een levensloopbenadering die uitgaat van preventie, op risicobeoordelingen op basis van werkvermogen in plaats van leeftijd, aanpassingen van de werkplek om tegemoet te komen aan individuele behoeften, en omscholing.

3.13.

Aangezien de arbeidsorganisatie en de arbeidsvormen snel evolueren, is het van cruciaal belang dat de tenuitvoerlegging van het EU-acquis op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk zoals vastgelegd in richtlijnen regelmatig wordt beoordeeld om ervoor te zorgen dat die relevant en doeltreffend blijft. Dit houdt onder meer in dat de relevantie van bestaande regelgeving wordt beoordeeld en dat zo nodig wordt overwogen nieuwe, op feiten gebaseerde maatregelen in te voeren. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar nieuwe arbeidspatronen. Al deze inspanningen moeten bijdragen aan het overkoepelende doel om de gezondheid en veiligheid op de werkplek te verbeteren.

3.14.

Ook zorgen voor controle, naleving en handhaving van de bestaande regelgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk is een belangrijke stap op weg naar de doelstelling om het aantal doden terug te dringen tot nul. Dit houdt in dat er voldoende middelen en bekwaam personeel beschikbaar moeten zijn voor arbeidsinspecties, in combinatie met een passend en goed functionerend rechtskader. Daarnaast kunnen vakbonden en werkgeversorganisaties een rol spelen bij het monitoren en verspreiden van goede praktijken op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk.

3.15.

Met het oog op de analyse en preventie van arbeidsongevallen zijn verschillende goede praktijken in kaart gebracht die kunnen worden gedeeld en bevorderd, waaronder:

het registreren en analyseren van bijna-ongevallen (14) (onder andere door het verzamelen van betrouwbare gegevens zodat een op feiten gebaseerd beleid kan worden uitgewerkt);

het monitoren van de oorzaken van verzuim en het bedrijfsklimaat (15);

het vergroten van de actieve betrokkenheid en ervoor zorgen dat werknemers en hun vertegenwoordigers hun taken op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk oppakken (16);

het oprichten van gezamenlijke comités voor gezondheid en veiligheid op bedrijfsniveau, waaraan zowel leidinggevenden als gekozen werknemersvertegenwoordigers deelnemen (17), voor zover daarin door de nationale regelgeving wordt voorzien;

het aanbieden van passende opleidingen aan de verschillende partijen (18) (verschillende actoren in het bedrijf: werkgever, leidinggevenden, toezichthouders; technische profielen: hoofden van preventie- en beschermingsdiensten en bedrijfsartsen; en werknemers en hun vertegenwoordigers), onder andere in de vorm van officiële certificering voor opleiding op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk, en door middel van gezamenlijke opleidingssessies en korte opleidingspauzes op de werkplek;

het gebruiken van AI-systemen voor preventie en voor het monitoren van risico’s en het personaliseren van preventie (19). AI kan inderdaad een aanzienlijke bijdrage leveren aan het in kaart brengen van risico’s en de daaruit voortvloeiende preventie- en beschermingsmaatregelen, waardoor het werk effectiever en efficiënter wordt. Wel is het gezien mogelijke vertekeningen van cruciaal belang te waken over de transparantie, vertrouwelijkheid en integriteit van de gegevens, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving. Er moet dan ook worden ingezet op een versterking van de vaardigheden die noodzakelijk zijn voor een bewust gebruik van AI op de werkplek. In dit verband verwijzen we ook naar advies SOC/818 (paragraaf 2.5);

het onderhouden van contacten met toezichthoudende en controleorganen (20). In dit opzicht is het Poolse systeem van “sociale inspecteurs”, waarmee de staatsinspectiedienst wordt ondersteund, een succesvol voorbeeld van de betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers bij preventiemaatregelen; en

het verzamelen en verspreiden van gegevens inzake de gezondheid en veiligheid op het werk op EU- en nationaal niveau, ook per sector.

Brussel, 18 september 2025.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Oliver RÖPKE


(1)  Eurofound https://www.eurofound.europa.eu/nl/publications/all/european-industrial-relations-dictionary-info-sheet.

(2)  Met inbegrip van arbeidsgeneeskunde, volksgezondheid, industriële techniek, ergonomie, chemie en psychologie.

(3)  Zie de website van EU-OSHA.

(4)   Richtlijn 89/391/EEG van de Raad.

(5)  Volgens artikel 5 van de richtlijn is “de werkgever [...] verplicht te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met het werk verbonden aspecten”; ook wordt in dit artikel verduidelijkt dat “de verplichtingen van de werknemers op het gebied van de veiligheid en de gezondheid op het werk [...] geen afbreuk [doen] aan het beginsel van de verantwoordelijkheid van de werkgever”, hoewel in de richtlijn ook verplichtingen voor werknemers worden vastgelegd (artikel 13).

(6)  Zie Eurostat.

(7)   Richtsnoeren.

(8)   IAO-pagina over Polen.

(9)  Een initiatief dat sinds 2016 door de verschillende raadsvoorzitterschappen wordt voortgezet.

(10)   OiRA.

(11)  R. Watrisse, The Evolution of Remote Work in Europe: 2024 and Beyond.

(12)  Eurofound, Het recht om offline te zijn: implementatie en impact op bedrijfsniveau.

(13)  Europese Commissie, EU Road Safety: Towards “Vision Zero”.

(14)   Safety matters weekly; Türk Loydu; Draeger; Vatix.

(15)   Diversio; Number analytics; IceHrm; Access.

(16)  EU-OSHA, Leiderschap en werknemersparticipatie.

(17)  Verslag van EU-OSHA Worker representation and consultation on health and safety; Work Safe BC; SFM; EcoOnline.

(18)   TrainingMag.

(19)  EU-OSHA, Artificial intelligence for worker management.

(20)  IAO, How can occupational safety and health be managed?.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/22/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)