European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2026/10

16.1.2026

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Aanvullende overwegingen betreffende de toekomst van het Europees Semester 2025

(initiatiefadvies)

(C/2026/10)

Rapporteur:

Javier DOZ ORRIT

Adviseur

Olivier Cédric VAUZELLE (van de rapporteur)

Besluit van de voltallige vergadering

27.3.2025

Rechtsgrond

Artikel 52, lid 2, van het reglement van orde

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

5.9.2025

Goedkeuring door de voltallige vergadering

18.9.2025

Zitting nr.

599

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

92/0/6

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) maakt zich zorgen over de vele factoren die een rol spelen bij — en bronnen zijn van — instabiliteit en geopolitieke risico’s. Het doelt met name op factoren die een bedreiging vormen voor de vrede, democratie en eerbiediging van de mensenrechten, maar ook op factoren — zoals de handelsoorlog — die gevolgen hebben voor de groei en inflatie, de zekerheid van toeleveringsketens en de toegang tot kritieke grondstoffen.

1.2.

In de voorjaarsprognose zijn de toch al zwakke groeiprognoses voor de EU en de eurozone naar beneden bijgesteld. Daarmee komen de inflatiedoelstellingen van het monetaire beleid wel meer binnen handbereik. Met de huidige ontwikkeling van zowel de publieke als particuliere investeringen zal het volgens het EESC zeker niet lukken om het grote investeringstekort van de Europese economieën significant te verminderen en evenmin om dichter bij de doelstellingen van het rapport-Draghi te komen.

1.3.

Het EESC stemt in met de twee belangrijkste beleidsprioriteiten uit het voorjaarspakket van het Europees Semester voor 2025, namelijk versterking van het concurrentievermogen en van de defensievermogens. Ook steunt het de hoofddoelstelling om de investeringen en hervormingen in het kader van de nationale herstel- en veerkrachtplannen (NRPP) tegen 2026 te implementeren. Daarnaast is het van mening dat de specifieke aanbevelingen van algemene aard doorgaans op hun plaats zijn. Het betreurt echter dat de versterking van de sociale cohesie niet als een hoofdprioriteit van het beleid is aangemerkt.

1.4.

Is de inflatie onder controle gebracht, dan is volgens het EESC de tijd aangebroken om een gematigd expansief monetair beleid te ontwikkelen dat investeringen aanmoedigt en tegelijkertijd de zwakke dollar benut om de rol van de euro als mondiale reservemunt te versterken, door middel van de volgende drie maatregelen: het invoeren van de digitale euro; het inzetten van schulden, niet alleen ter financiering van het investeringsbeleid, maar ook om de euro aantrekkelijk te maken om op de markten te verhandelen; en het met spoed voltooien van de banken- en de kapitaalmarktenunie.

1.5.

Het EESC acht het zaak dat het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode na 2027 wordt vastgesteld op het equivalent van 2 % van het bbp van de EU, zodat er voldoende kan worden geïnvesteerd in: het verkleinen van de concurrentiekloof; het stimuleren van onderzoek en technologische innovatie; het veiligstellen van een rechtvaardige groene en digitale transitie; het vergroten van de sociale samenhang en de naleving van de Europese pijler van sociale rechten; het bevorderen van strategische autonomie in het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid; en het versterken van de Europese industrie door middel van beleid en maatregelen die investeringen faciliteren, teneinde intern en extern kapitaal aan te trekken.

1.6.

Het EESC vindt dat er een reeks maatregelen moet worden genomen om de investeringen tussen nu en 2028 op een hoger peil te brengen. Zo is het onder meer zaak om alle middelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit met het oog op de nieuwe doelstellingen te benutten en, indien nodig, ongebruikte middelen in te zetten voor nieuwe investeringsprogramma’s in Europese collectieve goederen; een Europees Fonds voor strategische investeringen op te richten; de kredietverleningscapaciteit van de EIB te versterken om InvestEU uit te breiden; en na te gaan of het mogelijk is om middelen van het Europees stabiliteitsmechanisme te gebruiken.

1.7.

Dat de herziening van het huidige model voor schuldhoudbaarheidsanalyse is vertraagd, vormt voor het EESC nog steeds een bron van zorg. In een tijd waarin er niets is veranderd in de tekortdoelstellingen die de lidstaten moeten halen, kan dit ertoe leiden dat sociale uitgaven onterecht worden opgeofferd ten gunste van andere uitgaven. Deze situatie kan nog worden verergerd door het ReArmEU-plan, dat lidstaten toestaat hun overheidstekort verder te laten oplopen, met maximaal 1,5 % van het bbp, om extra defensie-uitgaven te financieren.

1.8.

Het EESC stemt in met het algemene beginsel achter de wetgevingspakketten Omnibus I en II om de Europese wetgeving te verduidelijken en te vereenvoudigen en onnodige administratieve lasten voor bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, te verminderen, maar vreest dat sommige bepalingen kunnen leiden tot zwakkere wetgeving inzake duurzame financiering en daardoor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Green Deal en het bijbehorende actieplan in gevaar kunnen brengen. Het benadrukt dat investeringen, met name in onderzoek, ontwikkeling en innovatie (RDI), opleiding en een goede bedrijfsorganisatie, het belangrijkste instrument zijn om de productiviteit te verhogen en het concurrentievermogen te versterken.

1.9.

Het EESC herhaalt zijn oproep om de sociale partners en maatschappelijke organisaties permanent en op gestructureerde wijze te betrekken bij de verschillende fasen van het Europees Semester. Het dringt er bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad op aan een institutionele dialoog met het EESC en het Comité van de Regio’s op gang te brengen om na te gaan welke maatregelen moeten worden genomen om een dergelijke betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, alsook van de nationale parlementen en de lokale en regionale overheden, te waarborgen.

2.   Algemene opmerkingen

2.1.

Aan de risico’s en moeilijkheden van het geopolitieke kader die het EESC begin dit jaar al had vastgesteld (1), is een nieuwe factor toegevoegd: de lancering van nieuw beleid onder de tweede ambtstermijn van Donald Trump als president van de VS. Eenzijdig en in strijd met de WTO-regels is er een handelsoorlog begonnen waarbij een op regels gebaseerde internationale orde en multilaterale instellingen worden geminacht, een vijandige houding tegen de Europese Unie en haar waarden wordt aangenomen, en er steun wordt betuigd voor politieke keuzes die de waarden van de EU in twijfel trekken. Dit alles heeft geleid tot ernstige nieuwe onzekerheden en risico’s in een toch al zeer complexe geopolitieke situatie. Deze risico’s zijn van invloed op veiligheid en defensie, handel en economie, politieke betrekkingen en supranationale instellingen en — uiteindelijk — vrijheid, democratie en mensenrechten. De verslechterende situatie met betrekking tot de laatste drie elementen wereldwijd is benadrukt door alle onafhankelijke instellingen die hierop toezicht houden.

2.2.

De crisis in de internationale orde en instellingen die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgericht — de Verenigde Naties (VN) en aanverwante instellingen — is de afgelopen drie jaar toegenomen. Dit blijkt uit de aanvalsoorlogen die in strijd met de grondbeginselen van de VN, het internationaal recht en internationale verdragen zijn begonnen. In Oekraïne en Gaza wordt het internationaal en humanitair recht duidelijk geschonden. Dit recht moet opnieuw in acht worden genomen. Dat is essentieel om welk vredesscenario dan ook kans van slagen te geven en om de politieke en economische stabiliteit, die onontbeerlijk is voor ontwikkeling en menselijk welzijn, te herstellen. Het EESC is dan ook groot voorstander van zowel het verzoek van de Oekraïense regering aan de Russische regering om een onmiddellijk staakt-het-vuren in te stellen zodat vredesbesprekingen kunnen plaatsvinden, als het recente verzoek van 25 democratische naties uit Europa, Amerika en Azië om Israël te vragen de oorlog en het lijden van de burgerbevolking in Gaza te beëindigen en alle noodzakelijke levensmiddelen en medische hulp toe te laten tot het gebied.

2.3.

Het is nog te vroeg om te bepalen wat de economische gevolgen en impact zullen zijn van de politieke besluiten van het Witte Huis, deels vanwege hun grillige aard, maar nu zij al gewezen op een afname van de groei in de VS en een tendens naar devaluatie van de dollar en opwaartse inflatie. Bovendien zijn de groeivooruitzichten voor de wereldhandel en de economie naar beneden bijgesteld door zowel de WTO (voorspelling van een daling van de wereldhandel met 0,2 % in plaats van de eerder verwachte groei van 3 %) (2) als het IMF (voorspelling van een daling van de wereldwijde groei van het bbp met 0,5 procentpunt, met een daling van de groei voor de VS met 0,9 procentpunt) (3). Dit alles laat zien hoe moeilijk het is om nauwkeurige voorspellingen te doen in een onvoorspelbare en onstabiele situatie.

2.4.

Factoren waarmee altijd rekening moet worden gehouden bij het vormgeven van beleid zijn risico’s voor de toeleveringsketens, de voorzieningszekerheid en de prijzen van componenten. Deze risico’s vloeien voort uit de gevolgen van de handelsoorlog en de felle concurrentie om de voorziening veilig te stellen en zelfs om de levering van strategische grondstoffen te controleren voor de sectoren met het grootste vermogen tot technologische innovatie en voor sectoren en producten van de groene economie.

2.5.

Tijdens de G7-top en de vergadering van de ministers van Financiën in juni is besloten om Amerikaanse multinationals met een omzet van meer dan 750 miljoen EUR vrij te stellen van de minimumvennootschapsbelasting van 15 % voor alle Amerikaanse multinationals, ingevoerd in het kader van de Pijler 2-overeenkomst (“Global Anti-Base Erosion Model Rules”) van de OESO, die sinds 2021 door 147 landen is ondertekend. Deze concessie is gedaan nadat de regering-Trump dreigde met een vergeldingsbelasting (“revenge tax”) tegen buitenlandse investeerders in de VS; de maatregelen die deze belasting inhielden, zijn na dat besluit van de G7 uiteindelijk geschrapt uit de Amerikaanse begrotingswet. Het EESC is van mening dat er met het besluit van de G7 een zeer gunstige situatie voor Amerikaanse multinationals wordt gecreëerd, met negatieve gevolgen voor de fiscale rechtvaardigheid, waardoor een totaal ongelijk ondernemingsklimaat in de hand wordt gewerkt.

3.   Economische voorjaarsprognose en voorjaarspakket 2025 (4)

3.1.

Er bestaat gegronde bezorgdheid over de moeilijkheid om nauwkeurige prognoses op te stellen in een bijzonder onstabiele periode in de mondiale geopolitiek en de wereldeconomie. Op basis daarvan stelt de Europese Commissie haar prognoses neerwaarts bij ten opzichte van de reeds beperkte verwachtingen die in de najaarsprognose zijn geformuleerd. Voor 2025 en 2026 zijn de prognoses voor de bbp-groei voor zowel de EU als de eurozone naar beneden bijgesteld. Ook de verwachte inflatiecijfers zijn voor beide regio’s iets verlaagd, waarbij wordt verwacht dat ze zullen voldoen aan de doelstellingen van conventioneel monetair beleid.

3.2.

De groeiprognoses voor de totale investeringen, zowel van de overheid als van de particuliere sector, zijn ook herzien voor de komende jaren. Die geven aan dat er een lichte stijging zal zijn, maar niet genoeg om de daling van de groei van vorig jaar te compenseren. Voor 2026 wordt een lichte versnelling van de investeringsgroei verwacht, hoewel precieze prognoses moeilijk te maken zijn, vooral vanwege mogelijke stijgingen van de defensie-uitgaven. De overheidsinvesteringen als percentage van het bbp zullen naar verwachting stabiel blijven en de doelstellingen voor het overheidstekort blijven ongewijzigd. De prognose voor de bruto-investeringen in vaste activa is eveneens licht naar beneden bijgesteld. Bovendien wordt verwacht dat de overheidsschuldquotes de komende jaren geleidelijk zullen stijgen.

3.3.

In de landspecifieke aanbevelingen gaat de aandacht met name uit naar twee prioritaire gebieden, nl. het versterken van de defensievermogens en het opvoeren van het concurrentievermogen, en naar één doelstelling: het uitvoeren van de nationale herstel- en veerkrachtplannen in het kader van NextGenerationEU, investeringen en hervormingen om ervoor te zorgen dat deze tegen de streefdatum van 2026 voltooid zijn. In de landspecifieke aanbevelingen wordt ook aangeraden om meer in O&O te investeren, publieke en private financiering te faciliteren, innovatiesteun doeltreffender te maken, financiering toegankelijker te maken, administratieve en regelgevende procedures te vereenvoudigen, tekorten aan vaardigheden aan te pakken en infrastructuur en sociale stelsels te moderniseren om in te spelen op de groeiende mondiale uitdagingen en duurzame groei te stimuleren.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Sinds het EESC zijn advies over het “Europees Semester 2025 — Najaarspakket” (5) heeft goedgekeurd, hebben zich tal van geopolitieke en geo-economische ontwikkelingen voorgedaan (met name in de eerste helft van 2025) die het opstellen van dit advies met aanvullende overwegingen rechtvaardigen. Deze gebeurtenissen en tendensen zijn van invloed of kunnen van invloed zijn op belangrijke macro-economische indicatoren, de wereldhandel, investeringen, de toegang tot kritieke grondstoffen en de zekerheid van toeleveringsketens. Bovendien hebben de huidige oorlogen, en het risico op nieuwe oorlogen, een mogelijk nog ernstiger destabiliserend effect, naast de menselijke tragedie die ze betekenen.

4.2.

De risico’s en onzekerheden van de geopolitieke situatie en de risico’s die voortvloeien uit de onzekere uitkomst van de handelsoorlog die door de Amerikaanse regering is ontketend, hebben een negatieve invloed op de investeringsbesluiten van bedrijven in Europa en de rest van de wereld. Een duidelijk en standvastig EU-beleid dat de bevordering van strategische autonomie in het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid combineert met een Europees industriebeleid dat de doelstellingen van een rechtvaardige groene en digitale transitie dient, samen met specifiek beleid en specifieke maatregelen voor investeringsfacilitering, zou echter binnenlands en buitenlands kapitaal aantrekken — waarvan een deel afkomstig zou kunnen zijn van bronnen die weigeren in de VS te investeren — voor productieve investeringen, ook in de sector van de sociale economie, die belangrijk is om inclusieve groei en veerkracht te bevorderen. Volgens het EESC is het nu meer dan ooit nodig dat de EU een beeld uitstraalt van zekerheid, consistentie, kracht en handelingsvermogen, gebaseerd op de degelijkheid van haar beleid.

4.3.

Prognoses duiden erop dat de streefcijfers voor inflatie die stroken met de doelen van het monetaire beleid in 2025 zullen worden bereikt en dat de inflatie in 2026 zelfs onder de beoogde streefcijfers zou kunnen uitkomen, met name in de eurozone. Gezien de aanhoudend zwakke groei zou het volgens het EESC mogelijk moeten zijn om van het restrictieve monetaire beleid af te stappen en een gematigd expansief beleid te voeren dat de groei stimuleert.

4.4.

De andere grote uitdaging voor het monetaire beleid is ervoor te zorgen dat de euro zijn rol als mondiale reservevaluta versterkt, nu de dollar een aanzienlijke zwakte en waardeschommelingen vertoont als gevolg van het beleid van de regering-Trump. Hiertoe moet er volgens het EESC niet alleen een consistent en voorspelbaar monetair en begrotingsbeleid worden gevoerd, maar zal het ook zaak zijn om: a) de banken- en de kapitaalmarktenunie onverwijld te voltooien, zoals voorgesteld in de rapporten van Draghi en Letta en zoals het EESC de afgelopen jaren in zijn adviezen heeft bepleit; b) de gemeenschappelijke schuld in euro’s te gebruiken, altijd binnen de grenzen van de houdbaarheid, teneinde de ontwikkeling van de euro als reservemunt te bevorderen — dit zou ook helpen om tegemoet te komen aan de publieke en particuliere investeringsbehoeften door middel van het brede scala aan instrumenten waarover de EU beschikt; en c) door te gaan met de invoering van de digitale euro.

4.5.

De komende jaren zal de EU worden geconfronteerd met een reeks doelstellingen en economische, veiligheids- en sociale uitdagingen, die aanzienlijke investeringen zullen vergen om de investeringskloof van de afgelopen decennia te dichten. Deze kloof is een belangrijke oorzaak van de zwakke groei en de afname van de productiviteit en het concurrentievermogen van de EU, met name in de technologisch meest geavanceerde sectoren van de Europese economie. In het kader van de investeringsmaatregelen moet er ook sterk voor worden geijverd om particuliere financiering voor durfkapitaal te mobiliseren teneinde iets te doen aan de groeiende innovatiekloof.

4.6.

Volgens het rapport-Draghi moet er jaarlijks830 miljard EUR extra — aan publiek en privaat, nationaal en Europees kapitaal — in de Europese economieën worden geïnvesteerd om de volgende doelstellingen te bereiken: een rechtvaardige implementatie van zowel de groene als de digitale transitie; investeringen in O&O en innovatie, met name in AI, om de kloof op het vlak van de meest geavanceerde technologieën tussen de EU en haar meest directe concurrenten (de VS en China) te verkleinen; sterkere veiligheid en defensie; en uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten — met inbegrip van al het bijbehorende beleid ter ondersteuning van de werkgelegenheid voor en inclusie van kwetsbare groepen zoals mensen met een handicap — en cohesiebeleid. Het EESC roept de EU-instellingen op de nodige plannen op te stellen om uitvoering te geven aan de belangrijkste conclusies van het rapport-Draghi.

4.7.

Om het hoofd te bieden aan de grote uitdagingen en nieuwe uitgavenvereisten waar de EU mee te maken heeft, moet het MFK voor de periode na 2027 tenminste de gecombineerde koopkracht van het huidige MFK en NextGenerationEU evenaren. Dit betekent dat het 2 % van het bbp van de EU moet bedragen, zoals het EESC in zijn advies (6) heeft aanbevolen. Het EESC stelt ook voor dat in het volgende MFK bijzondere aandacht wordt besteed aan de identificatie en levering van Europese collectieve goederen.

4.8.

Het EESC vindt echter ook dat er niet tot 2028 kan worden gewacht om een begin te maken met de financiering van prioritaire Europese investeringsprogramma’s. Het beveelt de Commissie dan ook aan om:

ervoor te zorgen dat alle middelen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en de nationale herstel- en veerkrachtplannen worden gebruikt: door waar nodig investeringen om te buigen en nationale regeringen te helpen de uitvoering te voltooien; door de uitvoeringsperiode van de fondsen te verlengen tot 2028, als dit de enige optie is om belangrijke programma’s en projecten uit te voeren; en, indien nodig, door de resterende middelen te gebruiken voor nieuwe investeringsprogramma’s in Europese collectieve goederen die door de Europese Commissie worden voorgesteld;

een Europees Fonds voor strategische investeringen op te richten, dat op gemengde wijze wordt gefinancierd — via bijdragen van de lidstaten, nieuwe eigen middelen en de uitgifte van gemeenschappelijke Europese schuld — zoals het EESC in zijn eerdere advies (7) heeft voorgesteld, met het oog op het bekostigen van strategische Europese programma’s op terreinen als AI, hernieuwbare energie, onderlinge verbindingen op energiegebied, kritieke mineralen en grondstoffen, onderzoeksprogramma’s op hoog niveau, prioritaire opleidingsprogramma’s enz.;

de kredietverleningscapaciteit van de EIB te versterken en InvestEU uit te breiden om investeringen in bovengenoemde prioritaire investeringsgebieden te financieren;

de financieringscapaciteit van het Europees Defensiefonds te vergroten om de Europese defensie-industrie een impuls te geven;

na te gaan of middelen van het Europees stabiliteitsmechanisme kunnen worden gebruikt om Europese en nationale investeringsprojecten te financieren.

4.9.

In een recente mededeling (8) van de Europese Commissie wordt bevestigd dat de deadline voor uitbetalingen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit voor een NRRP-project 31 december 2026 is. Het EESC is ingenomen met het scala aan alternatieven dat wordt voorgesteld om de middelen te absorberen: het uitbreiden van bestaande projecten; het snoeien in plannen waarvoor er te veel inschrijvingen zijn; het opsplitsen van NRRP-projecten om deze voort te zetten met nationale of andere EU-fondsen; het creëren van financiële en subsidie-instrumenten; overdrachten naar InvestEU; kapitaalbijdragen aan nationale stimuleringsbanken en -instellingen, en bijdragen aan het programma voor de Europese defensie-industrie (EDIP) en aan EU-programma’s voor satellietcommunicatie. Het is echter niet duidelijk of met al deze maatregelen de gewenste doelen zullen worden bereikt en het is voor de lidstaten lastig om de uitvoering van de huidige plannen te versnellen en tegelijkertijd alternatieven voor te bereiden, in iets meer dan een jaar. Erkend moet worden dat de uitvoering van dergelijke regelingen geen sinecure is, want ze vereisen een goede opzet, participatie van het maatschappelijk middenveld en de garanties die inherent zijn aan het gebruik van overheidsmiddelen. Het EESC heeft al eerder gewezen op de ongelijkheden tussen de lidstaten als het gaat om het vermogen om dergelijke investeringen te managen, zowel op administratief gebied als wat betreft verschillen in bedrijfs- en institutionele structuur. Gezien al deze omstandigheden stelt het EESC voor om het maatschappelijk middenveld actief bij de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de NHRP’s aan het eind van dit jaar te betrekken. Zo kan een doeltreffendere en adequatere implementatie worden bevorderd en kan waar nodig technische bijstand worden verleend. Als er na alle maatregelen om de implementatie te faciliteren nog middelen over zijn, stelt het EESC voor dat de Commissie deze gebruikt om Europese programma’s voor gemeenschappelijke goederen te financieren.

4.10.

Het EESC is van mening dat de bevordering van strategische autonomie in het industrie-, handels-, veiligheids- en defensiebeleid een essentieel en permanent aandachtspunt van de EU-governance moet zijn. Er moet ook worden gezorgd voor nauwe coördinatie tussen deze beleidsterreinen en de uitbreiding van onze strategische autonomie; bovendien moet de transitie naar de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees beleid op industrieel, veiligheids- en defensiegebied (hetgeen al het geval is voor het handelsbeleid) in gang worden gezet aan de hand van nauwe coördinatie tussen deze beleidsterreinen en, waar nodig, met gebruikmaking van de procedure voor nauwere samenwerking. Tegenwoordig hangt de economische veiligheid op gevoelige gebieden, zoals gegarandeerde toegang tot (essentiële en kritieke) grondstoffen, en de zekerheid van toeleveringsketens af van een doeltreffend handelsbeleid en van een doeltreffend veiligheids- en defensiebeleid, waarbij het beleid op deze terreinen gemeenschappelijk moet zijn of nauw op elkaar moet worden afgestemd.

4.11.

De defensie-uitgaven en -investeringen nemen in Europa en de rest van de wereld toe. Het is zorgwekkend dat dit gebeurt in een tijd waarin de democratische waarden, de mensenrechten en het internationaal recht door veel landen en machten worden ondermijnd en waarin de multilaterale instellingen van het VN-systeem worden aangevallen en uitgehold. Het EESC is van mening dat de EU, door middel van een gemeenschappelijk of nauw gecoördineerd buitenlands beleid, meer dan ooit het voortouw moet nemen om vrede te bewerkstelligen en een rechtvaardige wereldorde tot stand te brengen die algemeen welzijn, democratie en mensenrechten bevordert. Deze aanpak moet echter deel uitmaken van een vredesstrategie waarin diplomatie en non-agressie vooropstaan. Dat het EESC ook pleit voor meer investeringen in Europese veiligheid en defensie als onderdeel van een gemeenschappelijk of nauw gecoördineerd beleid, is hiermee niet in tegenspraak. Volgens het EESC moet de noodzakelijke versterking van de Europese defensievermogens gepaard gaan met een versterking van de Europese defensie-industrie en nauwe coördinatie van de strijdkrachten van de lidstaten in het kader van de NAVO. Het EESC betreurt dan ook dat deze aanpak niet als basis is gebruikt voor de ReArmEU- en Security Action for Europe (SAFE)-voorstellen, programma’s die louter in Europese leningen voorzien en nationale leningen mogelijk maken — door de vrijwaringsclausules van het SGP te activeren — zodat Europese landen wapens en munitie kunnen aanschaffen zonder dat er zelfs maar een nauwkeurig plan van behoeften of gemeenschappelijke doelstellingen wordt gemaakt en zonder dat Europese preferentie als voorwaarde wordt gesteld.

4.12.

De betrokkenheid van de sociale partners en maatschappelijke organisaties bij het Europees Semester, in de nationale fasen ervan, is niet gewaarborgd, laat staan dat er sprake is van gestructureerde of permanente raadplegingsprocessen, iets waar het EESC herhaaldelijk op heeft aangedrongen (9). De nationale structuur- en begrotingsplannen van het nieuwe Europese kader voor macro-economische governance zijn goedgekeurd met zeer weinig informatie en vrijwel zonder inspraak van het maatschappelijk middenveld: er werd aangevoerd dat de termijnen krap waren en niet konden worden uitgesteld, waardoor er geen tijd was voor overleg. Dit mag in het Europees Semester niet nog eens gebeuren. Het EESC onderschrijft dat het belangrijk is om nationale parlementen en lokale en regionale instellingen bij de Europese economische governance te betrekken en steunt de recente resolutie van het Comité van de Regio’s (10) (CvdR) over dit onderwerp. Het EESC roept de Commissie, het Europees Parlement en de Raad op om een institutionele dialoog over dit onderwerp op gang te brengen, waarbij zowel het EESC als het CvdR betrokken zijn, om na te gaan welke maatregelen moeten worden genomen om de door het EESC gewenste participatie te waarborgen, hetgeen ongetwijfeld een positief effect zou hebben op het gevoel van nationale verantwoordelijkheid voor de maatregelen die in het kader van het Europees Semester moeten worden genomen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1.

De wetgevingspakketten Omnibus I en II hebben betrekking op de vereenvoudiging van de wetgeving inzake duurzame financiering, met name de regels voor de openbaarmaking van informatie over duurzame financiering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzame financiering. De belangrijkste reden hiervoor is dat het concurrentievermogen kan worden vergroot door de administratieve lasten voor bedrijven te verminderen. Het EESC stemt in met het algemene beginsel dat de Europese wetgeving verduidelijkt en vereenvoudigd moet worden en dat onnodige administratieve lasten voor bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), moeten worden teruggedrongen, mits dit niet betekent dat de vereisten die nodig zijn om de doelstellingen van de Green Deal en het bijbehorende actieplan te halen, worden geschrapt of dat wetgeving inzake duurzame financiering wordt afgezwakt. Bovendien zouden kmo’s door de bevoegde autoriteiten geholpen moeten worden om aan hun verplichtingen ter zake te voldoen. Tegelijkertijd wijst het EESC erop dat vereenvoudiging van de wetgeving alleen niet kan worden beschouwd als de belangrijkste manier om het concurrentievermogen te vergroten. Dit moet eerst gepaard gaan met maatregelen om doelgerichte investeringen te stimuleren, zoals in dit advies genoemd. Het gaat hierbij om instrumenten om de productiviteit en het concurrentievermogen te stimuleren.

5.2.

Het EESC heeft er al eerder op gewezen (11) dat het zich zorgen maakt over de vertraging bij de herziening van het huidige model voor schuldhoudbaarheidsanalyse. In de meest recente Debt Sustainability Monitor (DSM) (12) wordt de houdbaarheid van de schuldpositie in twee lidstaten als een hoog risico op korte termijn aangemerkt, in elf lidstaten als een hoog risico op middellange termijn en in vier lidstaten als een hoog risico op lange termijn. Deze analyse werd echter uitgevoerd voor de bekendmaking van het ReArmEU-voorstel, op grond waarvan de lidstaten hun defensie-uitgaven kunnen verhogen door van de EU te lenen en ze tegelijkertijd de vrijwaringsclausule van het SGP mogen toepassen. Hiermee wordt een bijkomend overheidstekort van maximaal 1,5 % van het bbp toegestaan voor leningen op de obligatiemarkten. De bezorgdheid die het EESC ten tijde van de hervorming van het kader voor macro-economische governance uitte — namelijk dat het gebruik van het huidige DSA-model zou betekenen dat lidstaten, om de ongewijzigde tekort- en schulddoelstellingen te halen, sociale uitgaven zullen opofferen om hogere uitgaven op andere gebieden te financieren — is dan ook toegenomen nu de lidstaten te maken krijgen met een aanzienlijke stijging van de defensie-uitgaven.

5.3.

Even belangrijk is de herziening van de criteria voor buitensporige tekorten, met name nu de Commissie de lidstaten heeft toegestaan om de vrijwaringsclausule van het stabiliteits- en groeipact (SGP) toe te passen, tot een plafond van 1,5 % van het bbp, om geld te lenen voor defensie-uitgaven. Het EESC is ook van mening dat de door de Commissie gebruikte indicatoren voor de monitoring van macro-economische onevenwichtigheden achterhaald zijn. Daarbij komt nog dat de definitieve uitvoering van de NRRP’s en de start van de nationale budgettair-structurele plannen overlappen met de landspecifieke aanbevelingen van de gewone cyclus, dat er is aangekondigd dat het instrument voor de coördinatie van het concurrentievermogen en het Semester aan elkaar gekoppeld zullen worden, en dat er wordt voorgesteld om het Semester mogelijk in verband te brengen met de uitgaven van het volgende MFK, althans voor een deel van het toekomstige Cohesiefonds. Uit dit alles moet worden geconcludeerd dat het hoog tijd is om het Europees Semester als kader voor de economische governance van de EU te herzien. De sociale partners en maatschappelijke organisaties moeten bij deze herziening worden betrokken. Het EESC zou in dit proces een bevoorrechte partner moeten zijn.

5.4.

Het EESC benadrukt dat het Europees Semester ook moet focussen op sociale criteria, verbeteringen van de levensstandaard en toenemende ongelijkheid, en op belangrijke kwesties zoals de huisvestingscrisis en de achteruitgang op het vlak van collectieve onderhandelingen. De EU-instellingen moeten verder kijken dan technische en economische criteria en de kwaliteit van leven centraal stellen.

Brussel, 18 september 2025.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Oliver RÖPKE


(1)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank — Europees Semester 2025 — Najaarspakket (COM(2024) 700 final) (PB C, C/2025/2019, 30.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/2019/oj).

(2)   https://www.wto.org/spanish/res_s/publications_s/trade_outlook25_s.htm.

(3)   https://www.imf.org/en/Publications/WEO/Issues/2025/04/22/world-economic-outlook-april-2025.

(4)   Economische voorjaarsprognose 2025 en Voorjaarspakket 2025 van het Europees Semester.

(5)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank — Europees Semester 2025 — Najaarspakket (COM(2024) 700 final) (PB C, C/2025/2019, 30.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/2019/oj).

(6)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — De weg naar het volgende meerjarig financieel kader (COM(2025) 46 final) (PB C, C/2025/3202, 2.7.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3202/oj).

(7)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Een EU-investeringsfonds voor economische veerkracht en duurzaam concurrentievermogen (initiatiefadvies) (PB C, C/2024/6862, 28.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/6862/oj).

(8)  NextGenerationEU — De weg naar 2026, COM(2025) 310 final.

(9)  Aanbevelingen van het EESC voor een stevige hervorming van het Europees Semester ( PB C 228 van 29.6.2023, blz. 1), Het standpunt van het maatschappelijk middenveld in de EU-lidstaten over de nationale hervormings- en investeringsvoorstellen en de uitvoering daarvan (cyclus van het Europees Semester 2024-2025), Aanbevelingen van het EESC over de hervormings- en investeringsvoorstellen die zijn geformuleerd in het kader van de cyclus van het Europees Semester 2024-2025 (PB C, C/2025/3194, 2.7.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3194/oj).

(10)  Resolutie met het oog op het volgende MFK (RESOL-VIII/005), Comité van de Regio’s.

(11)   PB C, C/2023/880, 8.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/880/oj.

(12)   Debt Sustainability Monitor 2024, Europese Commissie, maart 2025.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/10/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)