|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/4950 |
30.12.2025 |
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE
over de toepassing van het kader voor duurzame financiering en de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid op de defensiesector
(C/2025/4950)
INHOUD
|
1. |
Inleiding | 2 |
|
2. |
Investeren in de defensie-industrie – een bijdrage aan de weerbaarheid en veiligheid van de EU | 3 |
|
2.1. |
De defensie-industrie draagt bij aan de verwezenlijking van bredere doelstellingen van de EU en de VN | 3 |
|
2.2. |
De defensie-industrie in de context van het EU-kader voor duurzame financiering en de CSDDD | 4 |
|
3. |
Risicobeperking in de samenwerking met de defensie-industrie | 4 |
|
3.1. |
Internationale verdragen en EU-wetgeving die het gebruik en de uitvoer regelen | 4 |
|
3.1.1. |
Overdrachten (uitvoer) van militaire goederen en technologie naar landen buiten de EU | 5 |
|
3.1.2. |
Overdrachten van militaire goederen en technologie binnen de EU | 6 |
|
3.1.3. |
Overdracht van producten voor tweeërlei gebruik naar buiten de EU | 6 |
|
3.2. |
Risicobeperking in verschillende wetgevingsdossiers van het EU-kader voor duurzame financiering en de CSDDD | 7 |
|
3.2.1. |
SFDR | 7 |
|
3.2.2. |
EU-taxonomie | 8 |
|
3.2.3. |
MiFID II | 10 |
|
3.2.4. |
CSDDD | 10 |
|
3.2.5. |
CSRD | 11 |
|
3.2.6. |
BMR | 11 |
|
4. |
Inkomstendrempels | 12 |
|
5. |
Beoordeling van de bijdrage van de defensiesector aan sociale duurzaamheid | 12 |
1. Inleiding
|
1) |
Deze mededeling van de Commissie (“de mededeling”) heeft tot doel om richtsnoeren te verstrekken over de toepasselijkheid van het EU-kader voor duurzame financiering op de defensie-industrie. |
|
2) |
Het begrip “duurzame financiering” heeft betrekking op het proces van het in aanmerking nemen van ecologische, sociale en governancecriteria (ESG) bij het nemen van beleggingsbeslissingen in de financiële sector, waardoor een betere beoordeling van duurzaamheidsgerelateerde risico’s en meer investeringen in duurzame economische activiteiten en projecten mogelijk worden. |
|
3) |
De mededeling beoogt marktdeelnemers te helpen bij het naleven van de vereisten van het EU-kader voor duurzame financiering met betrekking tot de defensie-industrie. Het streven is om ongeoorloofde discriminatie van de sector bij het nemen van beleggingsbeslissingen te helpen voorkomen en te zorgen voor een beter begrip en een duidelijkere erkenning van het potentieel van de sector om bij te dragen aan sociale duurzaamheid, in overeenstemming met de doelstellingen van de strategie voor de Europese defensie-industrie (1) en het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 (2). |
|
4) |
In de mededeling wordt verduidelijkt dat het EU-kader voor duurzame financiering verenigbaar is met investeringen in de defensiesector en dat de EU-regels inzake informatieverschaffing over duurzaamheid horizontaal van toepassing zijn op alle sectoren. De Commissie herinnert eraan dat het kader geen beperkingen stelt aan de financiering van welke sector dan ook, met inbegrip van de defensiesector, en moedigt aan om investeringen in de defensiesector, net als die andere sectoren, per geval te beoordelen. |
|
5) |
De mededeling is bestemd voor alle in het EU-kader voor duurzame financiering genoemde beleggers en marktdeelnemers en voor overheidsinstanties en -organen. De mededeling zal met name relevant zijn voor:
|
|
6) |
De mededeling heeft betrekking op de teksten die samen het EU-kader voor duurzame financiering vormen, te weten:
|
2. Investeren in de defensie-industrie – een bijdrage aan de weerbaarheid en veiligheid van de EU
2.1. De defensie-industrie draagt bij aan de verwezenlijking van bredere doelstellingen van de EU en de VN
|
7) |
Op het gebied van duurzaamheid zijn de beleidsdoelstellingen van de Europese Unie en de Verenigde Naties (“VN”) sterk op elkaar afgestemd. De duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (12) worden rechtstreeks genoemd als een doelstelling van de Europese klimaatwet (13), de rechtsgrondslag van de Green Deal van de EU. De Europese klimaatwet codificeert de doelstelling van de EU om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn, en in overweging 4 ervan wordt verklaard dat “[e]en vaste langetermijndoelstelling [...] van cruciaal belang [is] om bij te dragen tot de economische en maatschappelijke transformatie, hoogwaardige werkgelegenheid, duurzame groei en de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties”. |
|
8) |
In VN-teksten wordt ook erkend dat vrijheid, welvaart en rechtvaardigheid onmogelijk zijn zonder veiligheid of onder militaire bezetting door een buitenlandse agressor. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (14) wordt in artikel 3 bepaald dat “[e]enieder [...] recht [heeft] op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon”, en in artikel 28 dat “[e]enieder [...] recht [heeft] op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt”. In artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties is het recht op (collectieve) zelfverdediging verankerd: “Geen enkele bepaling van dit Handvest doet afbreuk aan het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval tegen een Lid van de Verenigde Naties, totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid heeft genomen” (15). |
|
9) |
De ongerechtvaardigde en niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne heeft duidelijk gemaakt dat de Unie, om deze universele rechten in de Unie en daarbuiten te kunnen waarborgen, het vermogen om zichzelf te verdedigen moet versterken en verder moet ontwikkelen. Volgens dreigingsanalyses van verschillende inlichtingendiensten in de EU is de capaciteit van Rusland om militair materieel te produceren enorm toegenomen en zou Rusland binnen de komende drie tot vijf jaar de militaire capaciteiten hebben om de eenheid van westerse landen en de effectiviteit van artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag te testen. |
|
10) |
Dit vereist een mentaliteit van defensiegereedheid en het per direct opvoeren van de inspanningen om de defensiegereedheid en afschrikking te herstellen voor 2030. In dit verband moet defensiegereedheid worden opgevat als het vermogen van de lidstaten om te anticiperen op defensiegerelateerde crises, deze te voorkomen en erop te reageren. Om deze gereedheid te bereiken, is het van cruciaal belang dat de capaciteit en gereedheid van de defensie-industrie worden versterkt, aangezien deze industrie er op haar beurt voor zorgt dat de strijdkrachten van de lidstaten beschikken over de uitrusting die nodig is om de burgers van de Unie te beschermen. Een concurrerende en veerkrachtige defensie-industrie van de Unie is dan ook van vitaal belang voor het waarborgen van de vrede en veiligheid in Europa (16). Als zodanig draagt de defensie-industrie ook bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), dat is vervat in de artikelen 42 en 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De defensie-industrie is derhalve nodig voor de militaire afschrikking tegen potentiële agressors en voor de bescherming van de burgers van de Unie in het scenario van de meest extreme militaire noodsituatie, te weten gewapende agressie. Voor zover de defensie-industrie van de EU bijdraagt tot de verwezenlijking van deze doelstelling, heeft zij het potentieel om bij te dragen aan onze gemeenschappelijke vrede en veiligheid, in overeenstemming met duurzameontwikkelingsdoelstelling 16 van de VN – Vrede, justitie en sterke publieke diensten (17). |
2.2. De defensie-industrie in de context van het EU-kader voor duurzame financiering en de CSDDD
|
11) |
Zoals wordt verklaard in de Europese Green Deal: “[zijn] [v]oor de transitie naar klimaatneutraliteit [...] veranderingen in het gehele beleidsspectrum en een collectieve inspanning van alle sectoren van de economie en de samenleving vereist” (18). Met het oog daarop helpen het EU-kader voor duurzame financiering en de CSDDD ondernemingen en beleggers om duurzaamheid beter te integreren in hun beslissingen, producten, diensten en processen. |
|
12) |
In overeenstemming met deze collectieve inspanning, waarbij alle sectoren betrokken zijn, herinnert de Commissie eraan dat zoals van alle andere ondernemingen, ook van ondernemingen die actief zijn in de defensiesector wordt verwacht dat zij duurzamer worden binnen de ecologische, de sociale en governancedimensie. |
|
13) |
De Commissie heeft het verband tussen sociale duurzaamheid en de defensie-industrie reeds bij herhaling verduidelijkt. Meer bepaald is zowel in het voorstel voor een verordening betreffende de ondersteuning van de productie van munitie (19) als in de strategie voor de Europese defensie-industrie onderstreept dat “[d]e defensie-industrie van de Unie [...] een cruciale bijdrage [levert] aan de weerbaarheid en veiligheid van de Unie en daarmee aan de vrede en sociale duurzaamheid” (20). De defensie-industrie versterkt de duurzaamheid, gezien de bijdrage die zij levert aan weerbaarheid, veiligheid en vrede. |
|
14) |
De Commissie merkt op dat het EU-kader voor duurzame financiering tegen deze achtergrond volledig in overeenstemming is met de inspanningen van de Unie om de toegang van de Europese defensie-industrie tot voldoende financiering en investeringen te vergemakkelijken (21). Het kader legt geen beperkingen op aan de financiering van de defensiesector. De EU-regels inzake informatieverschaffing over duurzaamheid en duurzaamheidsvoorkeuren zijn horizontaal van toepassing op alle sectoren, waarbij geen enkele sector anders wordt behandeld. In het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 wordt ook verklaard dat “[d]e [SFDR] [...] geen beletsels voor de financiering van de defensiesector [bevat]” (22). De defensie-industrie wordt derhalve behandeld als elke andere sector, en alleen voor “controversiële wapens” (zie punt 3.2.1.2) worden aanvullende informatieverschaffingsverplichtingen geacht te gelden. Het uitsluiten van de defensie-industrie als zodanig zou bijgevolg niet in overeenstemming zijn met het toepasselijke rechtskader. |
|
15) |
De CSDDD heeft betrekking op de defensiesector zoals op alle andere sectoren, zij het met uitsluiting van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid voor activiteiten van downstream zakenpartners in verband met producten die zijn onderworpen aan uitvoercontrole door een lidstaat (d.w.z. ofwel de uitvoercontrole uit hoofde van Verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad (23) tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, ofwel de controle op de uitvoer van wapens, munitie of oorlogsmateriaal in het kader van nationale uitvoercontroles), nadat de uitvoer van het product is toegestaan. |
3. Risicobeperking in de samenwerking met de defensie-industrie
3.1. Internationale verdragen en EU-wetgeving die het gebruik en de uitvoer regelen
|
16) |
De defensie-industrie is in hoge mate gereguleerd en is onderworpen aan wetgeving inzake de productie, het gebruik en de overdracht van de producten en technologieën die zij ontwikkelt, waaronder wapens, binnen en buiten de EU. Deze regulering helpt om potentiële ongunstige effecten van het gebruik van door de defensie-industrie ontwikkelde producten te beperken, in overeenstemming met de brede doelstellingen van het EU-kader voor duurzame financiering en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU. |
|
17) |
In overeenstemming met het recht op zelfverdediging, dat is erkend in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties en is onderstreept in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (24) van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (“het gemeenschappelijk standpunt”), overweging 12 van de preambule, hebben de lidstaten het recht om middelen voor zelfverdediging over te dragen en uit te voeren. De Commissie moedigt marktdeelnemers aan om bij het beoordelen van de financiering van een gegeven defensiesector, bedrijf of activiteit aan de hand van duurzaamheidsoverwegingen een logica per geval te volgen. Besluiten moeten worden genomen op basis van naleving van de toepasselijke wetgeving, verdragen en risicobeperkingsprocessen die in dit deel worden beschreven. |
|
18) |
De uitvoer en overdracht binnen de EU van militaire producten en producten voor tweeërlei gebruik zijn onderworpen aan strenge controles door de lidstaten. De handhaving van de naleving van EU- en internationale wetgeving door de lidstaten steunt op maatregelen van passende zorgvuldigheid door de sector. Zo moeten defensieondernemingen, als voorwaarde voor het verkrijgen van uitvoervergunningen, robuuste interne controle- en nalevingsmaatregelen toepassen die zijn opgelegd door nationale instanties voor uitvoercontrole. Het nauwlettende toezicht door de instanties van de lidstaten die het uitvoercontrolemechanisme handhaven, vormt een belangrijk onderdeel van het beperken van potentiële ongunstige effecten van door de defensie-industrie ontwikkelde producten. |
3.1.1.
|
19) |
De controle op de uitvoer van wapens, munitie, onderdelen daarvan en militaire technologie wordt geregeld in het kader van het GBVB (rechtshandelingen worden vastgesteld op grond van artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie). Volgens artikel 40 van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de uitvoering van het GBVB geen gevolgen voor de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten (25). De lidstaten controleren middels hun nationale systemen de uitvoer van militaire technologieën en uitrusting (met inbegrip van wapens) die op de EU-lijst van militaire goederen (26) staan, in overeenstemming met het gemeenschappelijk standpunt. In het gemeenschappelijk standpunt wordt vermeld welke criteria de lidstaten moeten toepassen bij het verlenen van een uitvoervergunning. Deze criteria omvatten onder meer de eerbiediging van de mensenrechten in het land van eindbestemming en handhaving van vrede en veiligheid in de regio. Het gemeenschappelijk standpunt is wettelijk verbindend voor de lidstaten. |
|
20) |
In het gemeenschappelijk standpunt wordt herinnerd aan de verplichtingen uit hoofde van het Wapenhandelsverdrag, waarbij alle EU-lidstaten partij zijn en waarin onder meer is bepaald dat een staat die partij is geen toestemming mag geven voor de overdracht van conventionele wapens of van goederen die onder het Verdrag vallen, indien de overdracht in strijd zou zijn met zijn verplichtingen uit hoofde van maatregelen aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties die optreedt uit hoofde van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, wapenembargo’s in het bijzonder, indien overdracht in strijd zou zijn met zijn relevante internationale verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen waarbij hij partij is, in het bijzonder verplichtingen met betrekking tot de overdracht van of illegale handel in conventionele wapens, of indien hij op het tijdstip van het verlenen van toestemming wetenschap heeft dat de wapens of producten zouden worden gebruikt voor het plegen van genocide, misdaden tegen de menselijkheid, ernstige inbreuken op de Verdragen van Genève van 1949, aanvallen gericht tegen burgerobjecten of als zodanig beschermde burgers of andere oorlogsmisdaden vastgelegd in de internationale verdragen waarbij hij partij is (27). |
|
21) |
Het gemeenschappelijk standpunt voorziet ook in verplichtingen om overdrachten te weigeren indien goedkeuring strijdig zou zijn met de internationale verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens (1968), waarbij alle EU-lidstaten partij zijn en waarin is bepaald dat elk van hen zich ertoe verbindt geen kernwapens of nucleaire explosiemiddelen direct of indirect over te dragen, en waarin deze verplichting wordt verduidelijkt als grondslag voor het weigeren van relevante uitvoervergunningen (28), en met andere verdragen. De Gids voor de gebruiker van het gemeenschappelijk standpunt (29) bevat een uitgebreide, maar niet-uitputtende lijst van verdragen die in aanmerking moeten worden genomen alvorens een uitvoervergunning kan worden verleend (30). |
|
22) |
In de gebruikersgids wordt een aantal mechanismen beschreven die de lidstaten kunnen gebruiken om zorgen omtrent wederuitvoer en eindgebruikers weg te nemen, zoals de minimuminformatie die een eindgebruikerscertificaat moet bevatten. Die minimuminformatie omvat onder meer een “clausule inzake eindgebruik of niet-wederuitvoer, indien van toepassing” en een optie voor de lidstaten om “een clausule die wederuitvoer van de onder het eindgebruikerscertificaat vallende goederen verbiedt” op te nemen. De in de gebruikersgids gebruikte methodologie en de internationale overeenkomsten waarnaar wordt verwezen (31) dienen als normen waaraan de autoriteiten van de lidstaten het gedrag van ondernemingen in de sector kunnen toetsen. |
|
23) |
De gebruikersgids bevat ook facultatieve faciliterende mechanismen om convergentie te bevorderen en de besluitvorming over de uitvoer van gezamenlijk gefinancierde en geproduceerde militaire goederen of technologie te vergemakkelijken. Het algemene leidende beginsel moet zijn dat, tenzij zij anders besluiten, EU-lidstaten die met elkaar samenwerken aan de gezamenlijke ontwikkeling van militaire goederen of technologie, op basis van risicobeoordelingen volgens de criteria van het gemeenschappelijk standpunt en wederzijds vertrouwen de uitvoer van die goederen of technologie naar landen buiten de EU zullen vergemakkelijken, mits die uitvoer hun directe of nationale veiligheidsbelangen en hun internationale verplichtingen (met betrekking tot de handel in militaire goederen of technologie) niet ondermijnt. Om convergentie te bevorderen en de besluitvorming over de uitvoer van gezamenlijk gefinancierde en geproduceerde militaire goederen of technologie te vergemakkelijken, worden de deelnemende lidstaten aangemoedigd om met elkaar overleg te plegen over hun risicobeoordeling van potentiële uitvoerbestemmingen en eindgebruikers om een succesvolle uitvoering van het gezamenlijke project te waarborgen. Indien zij akkoord gaan met dit gemeenschappelijke beginsel, zullen zij zo nodig een kader voor het houden van overleg instellen. |
|
24) |
De subwerkgroep Export van conventionele wapens (COARM) van de Raad van de EU draagt bij tot de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt van de EU, onder meer door de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over weigeringen en gevoelige bestemmingen te vergemakkelijken. De EU helpt om transparantie te bieden over wapenuitvoer door jaarlijks gegevens over wapenuitvoer te delen in een door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) beheerde databank (32). |
3.1.2.
|
25) |
Overdrachten binnen de EU worden ook gereguleerd door Richtlijn 2009/43/EG (33) betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Unie, waarin verschillende criteria zijn vastgesteld die door de autoriteiten van de lidstaten in aanmerking moeten worden genomen alvorens toestemming te verlenen voor de overdracht van defensie-uitrusting of -technologie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om processen om mogelijke sabotage van defensiegerelateerde producten te voorkomen. De richtlijn verplicht de uitvoerautoriteiten van de lidstaten ook om elke drie jaar te controleren of het ontvangende land de in de overdrachtsvergunning vastgestelde uitvoerbeperkingen naleeft (34). |
3.1.3.
|
26) |
De Commissie herinnert eraan dat de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik is onderworpen aan EU-wetgeving, en aan andere governancevereisten dan de uitvoer van militaire producten. Bij Verordening (EU) 2021/821 is de Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik ingevoerd. |
|
27) |
In 2019 heeft de Commissie aanbevelingen (35) gedaan over de interne nalevingsprogramma’s voor controles op de handel in producten voor tweeërlei gebruik in het kader van Verordening (EG) nr. 428/2009 (36) van de Raad voor ondernemingen die actief zijn op het gebied van de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik. Ondernemingen die bepaalde vergunningen aanvragen, moeten beschikken over interne nalevingsmechanismen die de volgende aspecten bestrijken, welke ook kunnen dienen als model voor financiëlemarktdeelnemers die de passende zorgvuldigheid door de betrokken onderneming willen beoordelen: engagement van de hoogste leidinggevenden wat naleving betreft; organisatiestructuur, verantwoordelijkheden en middelen; opleiding en bewustmaking; proces en procedures voor de screening van transacties; prestatiebeoordeling, audits, verslaglegging en corrigerende maatregelen; bijhouden van gegevens en documentatie; fysieke veiligheid en beveiliging van informatie. |
3.2. Risicobeperking in verschillende wetgevingsdossiers van het EU-kader voor duurzame financiering en de CSDDD
3.2.1.
|
28) |
De SFDR vormt een transparantiekader waarin wordt uiteengezet hoe financiëlemarktdeelnemers in de EU duurzaamheidsinformatie moeten verschaffen (37). De SFDR is ontworpen om beleggers in staat te stellen naar behoren te beoordelen hoe duurzaamheidsrisico’s zijn geïntegreerd in de beleggingsbeslissingsprocedure (38) en beter inzicht te krijgen in het mogelijke negatieve effect van financiële producten op duurzaamheid. Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1288 (39) van de Commissie vult de SFDR aan met technische reguleringsnormen. Financiële intermediairs moeten bijvoorbeeld uitleggen (uit hoofde van de informatieverschaffing op grond van artikel 9 van de SFDR) hoe een financieel product met een duurzaamheidsdoelstelling aan geen van de doelstellingen voor duurzame belegging ernstige afbreuk doet. In die gevallen moeten financiëlemarktdeelnemers beschrijven hoe zij de ongunstige effecten in tabel 1 van bijlage I en alle relevante indicatoren in de tabellen 2 en 3 van die bijlage in aanmerking nemen. |
|
29) |
Voor financiëlemarktdeelnemers die in de defensie-industrie beleggen, zijn de indicatoren voor ongunstige effecten in tabel 1 van bijlage I die nadere uitleg behoeven nr. 10 “Schendingen van de beginselen van het VN Global Compact of van de richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de OESO” (40), nr. 11 “Ontbreken van procedures en compliancemechanismen voor het monitoren van de naleving van de beginselen van het VN Global Compact en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen”, en nr. 14 “Blootstelling aan controversiële wapens”. |
3.2.1.1. Indicatoren voor ongunstige effecten nrs. 10 en 11 – Beoordeling van mogelijke ongunstige effecten van beleggingen in de defensie-industrie
|
30) |
In Verordening (EU) 2022/1288 wordt niet in detail gespecificeerd hoe financiëlemarktdeelnemers kunnen beoordelen of een belegging in een economische activiteit die bijdraagt aan de verwezenlijking van een ecologische of sociale doelstelling voldoet aan de indicatoren nrs. 10 en 11 in tabel 1 van bijlage I. |
|
31) |
Het “Global Compact”-initiatief van de VN is een vrijwillig kader voor het afstemmen van bedrijfsactiviteiten en -strategieën op tien universeel aanvaarde beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, waaronder beginselen inzake de mensenrechten. Beginsel 1 houdt in dat ondernemingen “de bescherming van de internationaal geproclameerde mensenrechten moeten steunen en respecteren”, en beginsel 2 dat zij “zich ervan moeten vergewissen dat zij niet medeplichtig zijn aan mensenrechtenschendingen”. Een belangrijk onderdeel van het “Global Compact”-initiatief is de zogeheten “Communication on Progress”, in het kader waarvan deelnemende ondernemingen een jaarlijks voortgangsverslag moeten indienen. In dat verslag wordt beschreven hoe een onderneming de tien beginselen toepast, waardoor de transparantie wordt vergroot en verantwoording wordt afgelegd tussen belanghebbenden. |
|
32) |
In hoofdstuk IV van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, dat is gewijd aan de mensenrechten, worden zes beginselen uiteengezet. Het derde beginsel houdt in dat ondernemingen moeten zoeken naar manieren om ongunstige effecten op de mensenrechten die rechtstreeks voortvloeien uit hun bedrijfsactiviteiten, hun producten of diensten door een zakelijke relatie, zelfs als deze niet bijdragen aan die effecten, te voorkomen of te beperken. Het vijfde beginsel vereist dat zij passende zorgvuldigheid op het gebied van de mensenrechten betrachten die passend is voor hun omvang, de aard en context van hun bedrijfsactiviteiten en de ernst van de risico’s van ongunstige effecten op de mensenrechten (41). |
|
33) |
De Commissie moedigt marktdeelnemers aan om rekening te houden met de vereisten van passende zorgvuldigheid en maatregelen om te voldoen aan de in punt 2.1 beschreven wetgeving inzake uitvoercontrole, als bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de beginselen 1 en 2 van het “Global Compact”-initiatief van de VN en de beginselen 3 en 6 van hoofdstuk IV van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, en daarmee aan de inachtneming van de indicatoren voor ongunstige effecten nrs. 10 en 11 in het kader van Verordening (EU) 2022/1288. |
3.2.1.2. Indicator nr. 14 – Controversiële wapens
|
34) |
Indicator nr. 14 (42) – “Aandeel van beleggingen in ondernemingen waarin wordt belegd en die betrokken zijn bij de vervaardiging of verkoop van controversiële wapens” – heeft alleen betrekking op informatieverschaffing over de blootstelling aan vier categorieën controversiële wapens: antipersoonsmijnen, clustermunitie, chemische wapens en biologische wapens. Deze wapens zijn verboden door een meerderheid van de lidstaten of op grond van internationaal recht dat de EU rechtstreeks bindt, en worden geacht een belangrijk ongunstig effect te hebben. |
|
35) |
De controversiële wapens die worden vermeld de gedelegeerde SFDR-verordening, omvatten geen kernwapens. Slechts drie lidstaten, Oostenrijk, Ierland en Malta, hebben tot dusver het Verdrag tot verbod van kernwapens ondertekend. Dit is een afzonderlijk verdrag dat losstaat van het Verdrag inzake de non-proliferatie van kernwapens (TNP) uit 1968. Alle lidstaten zijn partij bij het TNP. Het TNP bepaalt dat elke partij zich ertoe verbindt om geen kernwapens of nucleaire explosiemiddelen direct of indirect over te dragen of te ontvangen. Het TNP laat de nucleaire programma’s van de staten die op het moment van ondertekening in 1968 in het bezit van kernwapens waren onverlet. |
|
36) |
Deze informatieplicht heeft betrekking op de volgende internationale verdragen:
|
3.2.2.
|
37) |
De EU-taxonomie is een transparantie-instrument voor particuliere financiering in de vorm van een classificatie van ecologisch duurzame activiteiten ter bevordering van ecologisch duurzame investeringen. |
|
38) |
Artikel 3 van de taxonomieverordening bepaalt dat een economische activiteit, om als “ecologisch duurzaam” te worden beschouwd, substantieel moet bijdragen aan een van de zes milieudoelstellingen en geen ernstige afbreuk mag doen aan de andere milieudoelstellingen. Ook moet de economische activiteit worden uitgevoerd met inachtneming van de in artikel 18 van de taxonomieverordening vastgestelde (sociale) minimumgaranties en voldoen aan technische screeningcriteria. |
|
39) |
De minimumgaranties van artikel 18 van de EU-taxonomieverordening moeten ervoor zorgen dat entiteiten die economische activiteiten uitvoeren die als “op de taxonomie afgestemd” worden aangemerkt, voldoen aan bepaalde minimumnormen op sociaal en governancegebied. Krachtens artikel 18, lid 1, moeten ondernemingen waarvan de economische activiteiten als op de taxonomie afgestemd wordt aangemerkt, procedures voor passende zorgvuldigheid en herstel toepassen om de afstemming op de in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen vermelde normen voor verantwoord ondernemen vermeld en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten te waarborgen. |
|
40) |
De Commissie moedigt marktdeelnemers aan om rekening te houden met de vereisten van passende zorgvuldigheid en de maatregelen om te voldoen aan de in punt 3.1 beschreven wetgeving inzake uitvoercontrole, als bijdrage aan de vervulling van leidend beginsel 13 van de VN en de beginselen 3 en 6 van hoofdstuk IV van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, en daarmee aan de minimumgaranties van artikel 18, lid 1, van de EU-taxonomieverordening. |
|
41) |
In artikel 18, lid 2, van de EU-taxonomieverordening wordt rechtstreeks verwezen naar de indicatoren voor belangrijke ongunstige effecten van de SFDR met betrekking tot duurzaamheidsfactoren (47). Ondernemingen moeten er daarom voor zorgen dat hun procedures voor passende zorgvuldigheid en herstel het mogelijk maken om feitelijke of potentiële blootstelling aan de vervaardiging of verkoop van controversiële wapens, zoals gedefinieerd in de gedelegeerde SFDR-verordening (48), te identificeren, te voorkomen, te beperken of te verhelpen (zie punt 3.2.1.2). |
3.2.2.1. Aanvoeren van afstemming op de EU-taxonomie in defensiegerelateerde ondernemingen
|
42) |
De Commissie herinnert eraan dat ondernemingen die defensiegerelateerde activiteiten uitoefenen, net als ondernemingen in elke andere sector aanspraak kunnen maken op afstemming op de taxonomie voor in aanmerking komende horizontale investeringen/beleggingen die zijn gespecificeerd in op de EU-taxonomieverordening gebaseerde gedelegeerde handelingen. Dit omvat bijvoorbeeld investeringen in het groener maken van hun gebouwen, of in schoon vervoer in de vorm van CapEx en/of OpEx als bedoeld in afdeling 1.1.2.2, punt c), en afdeling 1.1.3.2, punt c), van bijlage I bij de gedelegeerde rapportageverordening. Voor alle andere in de gedelegeerde klimaatverordening vermelde activiteiten (bijvoorbeeld activiteiten op het gebied van vervoer, data-oplossingen, productie enz.) geldt eveneens dat zij kunnen aanvoeren dat deze op de taxonomie zijn afgestemd. |
|
43) |
Ook het feit dat specifieke activiteiten van de defensie-industrie tot dusver niet zijn opgenomen in de EU-taxonomie houdt geen voorafgaand oordeel over de milieuprestaties van de defensie-industrie in (49). |
|
44) |
Terwijl in de op de EU-taxonomie gebaseerde gedelegeerde klimaat- en milieuhandelingen specifieke technische screeningcriteria zijn vastgesteld waaraan ondernemingen moeten voldoen als zij willen verklaren dat hun economische activiteiten op de taxonomie zijn afgestemd, voorzien andere delen van het EU-kader voor duurzame financiering in verschillende manieren om de duurzaamheidsaspecten van economische activiteiten en marktdeelnemers te beoordelen. |
|
45) |
Het vereenvoudigingspakket “Omnibus” (50) van februari 2025 heeft tot doel om de administratieve lasten voor bedrijven die rapporteren over hun afstemming op de taxonomie aanzienlijk te verminderen. Ook zal een uitgebreide herziening van de gedelegeerde taxonomieverordening worden uitgevoerd in het kader van de vereenvoudigingsverbintenis van de Commissie. |
3.2.3.
|
46) |
De bepalingen van MiFID II inzake de vereiste voor beleggingsondernemingen om rekening te houden met de duurzaamheidsvoorkeuren van de cliënt en om duurzaamheidsvoorkeuren in aanmerking te nemen bij het bepalen van doelmarkten, verwijzen rechtstreeks naar de SFDR en de EU-taxonomieverordening. Als gevolg hiervan zullen eindcliënten met duurzaamheidsvoorkeuren krachtens MiFID II moeten worden geadviseerd over producten die, althans in zekere mate, zijn belegd (of blootstelling bieden aan) in op de taxonomie afgestemde activiteiten of in duurzamebeleggingsinstrumenten, in overeenstemming met artikel 2, punt 17, van de SFDR, of die indicatoren voor ongunstige effecten in aanmerking nemen. |
|
47) |
Vanwege de rechtstreekse verwijzing naar “duurzame beleggingen” zoals gedefinieerd in de SFDR en naar “ecologisch duurzame beleggingen” zoals gedefinieerd in de EU-taxonomie, impliceert MiFID II dat marktdeelnemers het beginsel van minimumgaranties uit hoofde van de EU-taxonomieverordening en het beginsel van “geen ernstige afbreuk doen” uit hoofde van de SFDR in aanmerking nemen wanneer zij beoordelen of het product dat zij distribueren voldoet aan duurzaamheidsvoorkeuren. Dit laatste omvat blootstelling aan de indicator voor ongunstige effecten met betrekking tot controversiële wapens zoals uiteengezet in het kader van de SFDR (zie punt 3.2.1.2). |
|
48) |
Wat betreft het in aanmerking nemen van de indicatoren voor ongunstige effecten krachtens MiFID II, schrijft geen enkele bepaling marktdeelnemers voor om ervan uit te gaan dat beleggingen in de defensiesector ongunstige effecten hebben om de enkele reden dat ze in die sector zijn belegd en daarom niet mogen worden aangeboden aan een cliënt met duurzaamheidsvoorkeuren. |
3.2.4.
|
49) |
De CSDDD, die op 25 juli 2024 in werking is getreden, verplicht grote ondernemingen met een hoofdkantoor of aanzienlijke inkomsten in de EU om de negatieve effecten van hun activiteiten op de mensenrechten en het milieu binnen de EU en in hun mondiale waardeketens in kaart te brengen en aan te pakken. |
|
50) |
Defensieondernemingen die onder het toepassingsgebied vallen, zijn net als elke andere onderneming onderworpen aan de CSDDD. Zij moeten passende zorgvuldigheid op het gebied van duurzaamheid toepassen met betrekking tot hun eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en de activiteiten van hun zakenpartners die verband houden met de productie van de producten van de onderneming of de verrichting van haar diensten (upstream) of met de distributie, het vervoer en de opslag van de producten van de onderneming (downstream). Volgens artikel 3 van de CSDDD strekken de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze richtlijn zich niet uit tot activiteiten van downstream zakenpartners die verband houden met militaire producten en producten voor tweeërlei gebruik wanneer de uitvoer daarvan is toegestaan door de autoriteiten van de lidstaat: “onder “activiteitenketen” wordt verstaan: activiteiten van de downstream zakenpartners van een onderneming die verband houden met de distributie, het vervoer en de opslag van een product van die onderneming, indien de zakenpartners deze activiteiten voor of namens de onderneming uitvoeren, en met uitzondering van de distributie, het vervoer en de opslag van een product dat onderworpen is aan controles op de uitvoer op grond van Verordening (EU) 2021/821 of aan de controles op de uitvoer met betrekking tot wapens, munitie of oorlogsmaterialen, zodra de uitvoer van het product is toegestaan” (51). |
|
51) |
De “Omnibus”-voorstellen voor richtlijnen (52) van februari 2025 hebben tot doel om de regeldruk voor ondernemingen te verminderen, onder meer door de verplichtingen van ondernemingen die binnen het toepassingsgebied vallen om feitelijke of potentiële negatieve effecten op het niveau van hun indirecte zakenpartners te identificeren, te vereenvoudigen. Zodra een negatief effect is vastgesteld, zullen ondernemingen dat effect echter moeten voorkomen of beëindigen, waar nodig aan de hand van een preventief of corrigerend actieplan. (53). |
|
52) |
Als eerste stap in de uitvoering van dit Omnibuspakket is op 17 april een wijziging van de CSDDD in werking getreden, waarbij de omzettingstermijn en de toepassingsdatum met een jaar zijn verschoven, naar respectievelijk juli 2027 en juli 2028 (54). |
3.2.5.
|
53) |
De CSRD heeft verplichte EU-standaarden voor duurzaamheidsrapportage, de zogeheten Europese duurzaamheidsrapporteringsstandaarden (European Sustainability Reporting Standards – ESRS), ingevoerd. Deze standaarden vereisen de rapportage van duurzaamheidsgerelateerde informatie en leggen geen beperkingen op aan beleggingen in enige sector. Twee belangrijke bepalingen uit de eerste reeks horizontale standaarden, die momenteel van kracht zijn, zijn specifiek relevant voor de defensie-industrie:
|
|
54) |
Het “Omnibusvoorstel” van februari 2025 voor de herziening van de CSRD en de CSDDD (55) beperkt het aantal ondernemingen die geacht worden te voldoen aan de rapportageverplichtingen uit hoofde van de CSRD weliswaar substantieel, maar heeft geen gevolgen voor de reeds bestaande bepalingen die hierboven zijn uiteengezet. |
|
55) |
De Commissie heeft ook voorgesteld om de toepassing van de CSRD met twee jaar uit te stellen voor de tweede en derde golf van bedrijven die onder de wetgeving komen te vallen. Dit voorstel is door de medewetgevers goedgekeurd en is op 17 april 2025 in werking getreden (56). Uiterlijk op 31 december 2025 moet dit door de lidstaten zijn omgezet. |
3.2.6.
|
56) |
De BMR heeft tot doel om de transparantie, de betrouwbaarheid en de rechtvaardiging van op de financiële markten van de EU gebruikte benchmarks te waarborgen. Een benchmark is een referentiepunt dat wordt gebruikt om de prestaties of de waarde van een belegging, een onderneming of een markt te meten. De BMR heeft “EU-klimaattransitiebenchmarks” en “op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks” vastgesteld en de verschaffing van duurzaamheidsgerelateerde informatie met betrekking tot benchmarks ingevoerd. |
|
57) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1818 van de Commissie (57) vult de BMR aan door specifieke vereisten voor klimaatgerelateerde benchmarks met een label vast te stellen. De verordening beoogt de ontwikkeling van klimaatgerelateerde benchmarks van hoge kwaliteit te bevorderen en omvat regels inzake uitsluitingen. |
|
58) |
De Commissie heeft in een specifieke wijzigingsverordening in datzelfde Omnibuspakket voor defensie, C(2025) 3801, verduidelijkt dat alleen ondernemingen die betrokken zijn bij verboden wapens in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van de uitsluitingen uit hoofde van artikel 12, lid 1, punt a), van die gedelegeerde verordening. Daarbij “wordt onder verboden wapens verstaan: antipersoneelmijnen, clustermunitie en biologische en chemische wapens waarvan het gebruik, het bezit, de ontwikkeling, de overdracht, de vervaardiging en het aanleggen van voorraden uitdrukkelijk verboden is bij de in de bijlage vermelde internationale wapenverdragen waarbij de meeste lidstaten partij zijn”. |
4. Inkomstendrempels
|
59) |
Het EU-kader voor duurzame financiering schrijft geen uitsluitingen voor in verband met de financiering van defensiegerelateerde activiteiten op basis van een percentage van de omzet van een gegeven onderneming uit militaire/defensieactiviteiten, of een percentage van de portefeuille van het fonds met beleggingen in defensie-/militaire activiteiten. De Commissie herinnert eraan dat het EU-kader voor duurzame financiering neutraal is ten aanzien van de defensiesector en alleen “controversiële wapens” uitsluit, zoals uiteengezet in de SFDR en zoals hierboven is toegelicht. |
|
60) |
Algemene uitsluitingen van de defensiesector op basis van omzet zouden niet in overeenstemming zijn met een logica per geval om risico’s in verband met duurzaamheidsoverwegingen te beperken. Dit wordt ook niet in overeenstemming met de strategische behoeften en prioriteiten van de EU geacht, aangezien het gebruik van inkomstendrempels om de defensiesector uit te sluiten met name kmo’s zou benadelen, die vanwege specialisatievereisten en hun beperkte omvang vaak niet in staat zijn om hun activiteiten naar civiele markten te diversifiëren (58). |
|
61) |
De Commissie moedigt marktdeelnemers – met inbegrip van toezichthoudende autoriteiten en aanbieders van ESG-labels (zoals nationale milieukeurmerken) – aan om hun uitsluitingsbeleid te ontwerpen op basis van de aanpak per geval en de lijst van controversiële wapens zoals hierboven uiteengezet. |
5. Beoordeling van de bijdrage van de defensiesector aan sociale duurzaamheid
|
62) |
Het EU-kader voor duurzame financiering stelt financiëlemarktdeelnemers in staat om informatie over beleggingen in economische activiteiten te verschaffen op basis van de bijdrage ervan aan bredere maatschappelijke of milieudoelstellingen. |
|
63) |
In hoofdstuk 3 van de strategie voor de Europese defensie-industrie erkent de Commissie dat de defensie-industrie een cruciale bijdrage levert aan de veerkracht en veiligheid van de Unie, en daarmee aan vrede en sociale duurzaamheid. |
|
64) |
In de SFDR wordt in artikel 2, punt 17, omschreven wat wordt verstaan onder activiteiten die bijdragen aan het bereiken van milieu- of sociale doelstellingen. Deze definitie omvat geen gesloten lijst van sectoren/economische activiteiten. In overeenstemming met deel 3 van deze mededeling kunnen financiëlemarktdeelnemers op basis van een zorgvuldige beoordeling per geval concluderen dat economische activiteiten die de defensie-industrie van de EU uitvoert om vrede en veiligheid te waarborgen, op voorwaarde dat deze geen ernstige afbreuk doen aan andere duurzaamheidsdoelstellingen en dat de onderneming die de activiteit uitvoert praktijken van goed bestuur volgt, bijdragen tot de verwezenlijking van sociale doelstellingen. Zoals ook voor alle andere soorten activiteiten geldt, wordt echter niet uitgegaan van een ex-antevermoeden dat defensieactiviteiten zullen bijdragen aan het bereiken van een sociale doelstelling. |
|
65) |
In het licht hiervan moedigt de Commissie marktdeelnemers aan om in hun beoordeling van sectoren die een positieve bijdrage leveren aan sociale duurzaamheid, defensie niet te behandelen als een de facto niet-bijdragende sector. Hetzelfde beginsel zou moeten gelden voor marktdeelnemers die duurzaamheidsvoorkeuren beoordelen en doelmarkten afbakenen uit hoofde van de MiFID. |
(1) Strategie voor de Europese defensie-industrie.
(3) COM(2023) 314 final.
(4) PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/2088/oj.
(5) PB L 87 van 31.3.2017, p. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2017/565/oj.
(6) PB L 87 van 31.3.2017, p. 500, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir_del/2017/593/oj.
(7) PB L 173 van 12.6.2014, p. 349, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/65/oj.
(8) PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13; https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32020R0852.
(9) PB L 322 van 16.12.2022, blz. 15; https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32022L2464.
(10) PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1; https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32016R1011.
(11) PB L, 2024/1760, 5.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj.
(12) DE 17 DOELSTELLINGEN | Duurzame ontwikkeling.
(13) Verordening (EU) 2021/1119 (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).
(14) Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
(15) Handvest van de Verenigde Naties, hoofdstuk VII – Optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie.
(16) Strategie voor de Europese defensie-industrie.
(17) DE 17 DOELSTELLINGEN | Duurzame ontwikkeling.
(18) PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, overweging 25.
(19) COM(2023) 237 final. De verordening is door het Europees Parlement en de Raad vastgesteld als Verordening (EU) 2023/1525 (PB L 185 van 24.7.2023, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1525/oj). De medewetgevers hebben deze zelfde tekst opgenomen in overweging 35.
(20) Strategie voor de Europese defensie-industrie blz. 24.
(21) Strategie voor de Europese defensie-industrie, blz. 25, kader 5: De defensie-industrie en het EU-kader voor duurzame financiering.
(22) JOIN(2025) 120 final, blz. 18.
(23) PB L 206 van 11.6.2021, p. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/821/oj.
(24) PB L 335 van 13.12.2008, p. 99, ELI: http://data.europa.eu/eli/compos/2008/944/oj.
(25) PB C 115 van 9.5.2008, blz. 194.
(26) PB C, C/2025/1499, 6.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1499/oj.
(27) https://thearmstradetreaty.org/hyper-images/file/ATT_English/ATT_English.pdf?templateId=137253.
(28) Artikel 2 lid 1, punt b).
(29) https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6881-2025-INIT/nl/pdf.
(30) Deze omvatten verdragen en internationale instrumenten (regelingen) met betrekking tot het gebruik en/of het aanleggen van voorraden en/of uitvoer en overdracht van militaire goederen en technologie, zoals (maar niet uitsluitend): de Australiëgroep, het Controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie en -onderdelen, het Comité-Zangger, de Groep van Nucleaire Exportlanden, het Wassenaar Arrangement, de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten (HCOC) (Bijlage III bij hoofdstuk 2, deel 6).
(31) Zoals het Wassenaar Arrangement inzake uitvoercontroles van eindgebruikers/eindgebruik.
(32) Door de EDEO beheerde databank.
(33) PB L 146 van 10.6.2009, p. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/43/oj, punt 7.1.
(34) Hoofdstuk III, artikel 9.
(35) Aanbeveling (EU) 2019/1318 van de Commissie van 30 juli 2019 inzake interne nalevingsprogramma’s voor controles op de handel in producten voor tweeërlei gebruik uit hoofde van Verordening (EG) nr. 428/2009 (PB L 205 van 5.8.2019, p. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2019/1318/oj).
(36) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/428/oj.
(37) In het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van 19 maart 2025 wordt verklaard dat “[d]e Commissie [...] in het kader van de herziening van de SFDR de nodige verduidelijking [zal] geven over het verband tussen defensie en de investeringsdoelstellingen van het duurzaamheidskader”.
(38) Informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector – Europese Commissie.
(39) PB L 196 van 25.7.2022, p. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/1288/oj.
(40) PB L 196 van 25.7.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/1288/oj, zie blz. 43.
(41) OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen inzake verantwoord ondernemerschap.
(42) Bijlage I, tabel 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1288 van de Commissie.
(43) Internationaalrechtelijke verdragen – Verdrag tot verbod van biologische wapens, 1972.
(44) Internationaalrechtelijke verdragen – Verdrag tot verbod van chemische wapens, 1993 (icrc.org).
(45) Internationaalrechtelijke verdragen – Verdrag inzake het verbod van antipersoneelsmijnen, 1997 (icrc.org) De Commissie merkt op dat Finland, Polen, Estland, Letland en Litouwen recentelijk hebben aangekondigd dat zij zich uit dit verdrag zullen terugtrekken.
(46) Internationaalrechtelijke verdragen – Verdrag inzake clustermunitie, 2008 (icrc.org).
(47) PB C 211 van 16.6.2023, p. 1.
(48) Mededeling van de Commissie over de interpretatie en toepassing van een aantal wettelijke bepalingen van de EU-taxonomieverordening en verbanden met de verordening informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector, Bureau voor publicaties van de Europese Unie (europa.eu) (PB C 211, 16.6.2023, p. 1).
(49) Zie punt 12, PB C, C/2023/267, 20.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/267/oj.
(51) PB L, 2024/1760, 5.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj artikel 3, punt g), ii).
(53) SWD(2025) 80, blz. 18.
(54) Richtlijn (EU) 2025/794 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft de datums waarop lidstaten bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven moeten toepassen (PB L, 2025/794, 16.4.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2025/794/oj).
(57) PB L 406 van 3.12.2020, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2020/1818/oj.
(58) Study results:Access to equity financing for European defence SMEs – Europese Commissie (europa.eu).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4950/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)