|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2025/4126 |
4.8.2025 |
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 12 juni 2025 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Retten i Svendborg – Denemarken) – Deutsche Rentenversicherung Nord, BG Verkehr / Gjensidige Forsikring, filiale danoise de Gjensidige Forsikring ASA, Norvège en tant que représentant de Marius Pedersen A/S, Gjensidige Forsikring, filiale danoise de Gjensidige Forsikring ASA, Norvège
(Zaak C-7/24 (1) , Deutsche Rentenversicherung Nord en BG Verkehr)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale zekerheid - Migrerende werknemers - Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - Verordening (EG) nr. 883/2004 - Artikel 85, lid 1 - Prestaties die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving van een lidstaat voor schade die op het grondgebied van een andere lidstaat is ontstaan - Recht van beroep van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is tegen een aansprakelijke derde - Rechten van de getroffene - Subrogatie - Beperkingen)
(C/2025/4126)
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Retten i Svendborg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Deutsche Rentenversicherung Nord, BG Verkehr
Verwerende partijen: Gjensidige Forsikring, filiale danoise de Gjensidige Forsikring ASA, Noorwegen, als vertegenwoordiger van Marius Pedersen A/S, Gjensidige Forsikring, filiale danoise de Gjensidige Forsikring ASA, Noorwegen
Dictum
Artikel 85, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer een persoon krachtens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont recht heeft op een nabestaandenpensioen na het overlijden van zijn echtgenoot als gevolg van een arbeidsongeval op het grondgebied van een andere lidstaat, en de wetgeving van de eerstgenoemde lidstaat bepaalt dat het orgaan dat dit pensioen verschuldigd is een subrogatierecht heeft ten aanzien van de derde die verplicht is de uit dit arbeidsongeval voortvloeiende schade te vergoeden, dit orgaan een regresvordering kan instellen zonder dat er in de laatstgenoemde lidstaat een rechtsgrondslag voor het verkrijgen van een dergelijk pensioen of een gelijkwaardige prestatie bestaat, aangezien het volstaat dat de in het recht van de verschillende betrokken lidstaten vastgestelde prestaties die worden betaald naar aanleiding van een gebeurtenis als een arbeidsongeval, wat hun respectieve voorwerp en doelstellingen betreft voldoende vergelijkbaar zijn om het in de wetgeving van de eerstgenoemde lidstaat en in dat artikel 85, lid 1, bedoelde subrogatierecht te kunnen uitbreiden tot de prestatie waarin is voorzien door de laatstgenoemde lidstaat.
(1) PB C, C/2024/1847.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4126/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)