European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2025/3480

16.7.2025

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Ontwikkeling van de Europese Onderzoeksruimte: de lokale en regionale invalshoek

(C/2025/3480)

Rapporteur

:

Melanie KÜHNEMANN-GRUNOW (DE/PSE), lid van het parlement van de deelstaat Berlijn

Referentiedocument

:

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal comité en het Comité van de Regio’s – Uitvoering van de Europese Onderzoeksruimte (EOR) – Onderzoek en innovatie in Europa versterken: reeds afgelegd en toekomstig traject van de EOR

COM(2024) 490 – final

BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S (CvdR)

Algemene opmerkingen

1.

wijst erop dat de mededeling van de Commissie uit 2024 over de “Uitvoering van de Europese Onderzoeksruimte (EOR)” een mooie gelegenheid is om Europa’s ecosystemen voor onderzoek en innovatie (O&I) te versterken en tegelijkertijd hardnekkige verschillen aan te pakken;

2.

vindt dat er met het oog op de ontwikkeling van Europa als geheel dringend sneller actie moet worden ondernomen teneinde te voldoen aan de toezegging van de Commissie om O&I centraal te stellen in de economie van de EU en de uitgaven voor onderzoek op te trekken;

3.

dringt erop aan dat ruim voldoende middelen worden uitgetrokken voor een onafhankelijk kaderprogramma voor O&I, met een hoofdstuk over capaciteitsopbouw en bevordering van de deelname van regio’s die speciale steun nodig hebben, zodat geen enkel gebied achterblijft; benadrukt dat de Europese onderzoeksruimte (EOR) nog lang niet is voltooid en verder moet worden versterkt zodat het volledige potentieel ervan kan worden verwezenlijkt;

4.

zou graag zien dat de aanbevelingen uit het Letta-verslag (1) inzake een werkelijk eengemaakte onderzoeksmarkt worden opgevolgd; de nadruk moet daarbij komen te liggen op een gestructureerd kader voor een eerlijke verdeling van de middelen, mobiliteit van onderzoekers en wetenschappelijke vooruitgang;

5.

erkent dat universiteiten en onderzoekscentra essentiële EOR-pijlers zijn, die kennis, talent en technologieoverdracht bevorderen; beklemtoont dat naast de inspanningen om fundamenteel onderzoek te versterken ook moet worden ingezet op het sneller vertalen van onderzoeksresultaten in praktische en doeltreffende sectoroverschrijdende oplossingen; dringt erop aan dat universiteiten en onderzoekscentra, regionale overheden en steden nauwer worden betrokken bij het uitstippelen en uitvoeren van het EOR-beleid;

6.

onderstreept dat de lokale en regionale overheden in het kader van het cohesiebeleid een belangrijke rol spelen in de strategie voor slimme specialisatie (S3): de lokale en regionale overheden zijn niet alleen passieve ontvangers, zij zijn het die het beleid vormgeven, uitvoeren en beoordelen (actieve subsidiariteit);

7.

beklemtoont dat kaders voor multilevel governance van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat de lokale en regionale overheden betrokken worden bij de uitstippeling van beleid en het afstemmen van de doelstellingen van lokale innovatie-ecosystemen op de Europese prioriteiten, wat ook de cohesie en inclusiviteit bij de verwezenlijking van de EOR-doelstellingen ten goede komt;

8.

zou graag zien dat binnen het EOR-forum een doeltreffend kader voor multilevel governance wordt opgezet, zodat de lokale en regionale overheden op gestructureerde wijze kunnen deelnemen aan de ontwikkeling en uitvoering van het beleid; merkt op dat daarnaast ook de EOR-beleidsagenda en de EU-kaderprogramma’s beter op elkaar moeten worden afgestemd om zo de regionale betrokkenheid bij innovatiegericht beleid te vergemakkelijken;

9.

zou graag zien dat de regionale overheden ten volle worden betrokken bij de governance- en coördinatiemechanismen van het EOR-forum en de EOR-hubs, zodat de regio’s hun stempel kunnen drukken op de programmering, uitvoering en evaluatie van Horizon Europa en toekomstige kaderprogramma’s; bestaande structuren moeten worden versterkt in plaats van gedupliceerd, en de rol van de lokale en regionale overheden in Europese partnerschappen en missies moet worden verduidelijkt;

10.

zou graag zien dat de verbredingsmaatregelen in het kader van KP10 en de EOR opnieuw worden bekeken en dat ook wordt gedacht aan een vereenvoudiging van de aanvraagprocedures, gerichte capaciteitsopbouw voor eerste aanvragers en op maat gesneden steunregelingen voor lokale actoren die voor het eerst kennis maken met de EU-programma’s op het gebied van onderzoek en innovatie;

11.

is voorstander van EOR-hubs, die onderzoek, ontwikkeling, overdracht en innovatie bevorderen en de kloof tussen goed presterende en minder ontwikkelde regio’s kleiner maken door inclusieve ecosystemen te creëren die lokale sterke punten benutten en tegelijkertijd aansluiten bij bredere EU-strategieën;

12.

wijst op de onveranderd langzame vorderingen bij het dichterbij brengen van de doelstelling om 3 % van het bbp in O&O te investeren en onderstreept de noodzaak van systemische veranderingen; roept de lidstaten op om prioriteit te geven aan meer overheidsinvesteringen in O&I, aangezien dat een onontbeerlijke voorwaarde is voor het halen van de 3 %-doelstelling en een belangrijke hefboom vormt voor het aantrekken van meer particuliere investeringen in O&O&I; roept de Commissie en alle lidstaten op om routekaarten op te stellen voor het halen van de 3 %-doelstelling. De Commissie moet alle lidstaten ondersteunen bij het uitwerken van manieren om bij te dragen aan de verwezenlijking van deze doelstelling, en ervoor zorgen dat een en ander regio’s in de hele EU ten goede komt, via gerichte steun die is afgestemd op de specifieke behoeften en problemen van de afzonderlijke landen en regio’s;

13.

verzoekt de Commissie gestandaardiseerde benchmarks voor nationale investeringen in onderzoek en innovatie voor te stellen om te zorgen voor transparantie, vergelijkbaarheid en een samenhangend traject om de doelstelling van 3 % van het bbp te halen, waarbij hardnekkige inconsistenties in de nationale verslaglegging worden weggewerkt;

14.

dringt aan op een grotere deelname van belanghebbenden uit de particuliere sector aan EOR-acties om de kloof tussen publieke en private investeringen in onderzoek en innovatie kleiner te maken; benadrukt dat in het kader van de komende EOR-wetgeving gerichte stimulansen nodig zijn om particuliere O&O-investeringen aan te moedigen, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar technologie van de volgende generatie, deep science en deeptech en strategische industriële sectoren;

15.

verzoekt de Commissie met klem het Europese concurrentievermogen op het gebied van O&I te verbeteren en ervoor te zorgen dat ondermaats presterende regio’s, ook in landen die zijn ingedeeld als “gematigde” of “sterke” innovatoren, beter worden ondersteund via gerichte subsidies en cofinancieringsmechanismen in het kader van Horizon Europa en het volgende kaderprogramma; dringt erop aan dat deze steun in het bijzonder wordt gericht op ondermaats presterende regio’s, teneinde hardnekkige verschillen in onderzoekscapaciteit aan te pakken; staat achter netwerken voor kennisuitwisseling en initiatieven voor capaciteitsopbouw en dringt aan op gestructureerde samenwerkingskaders die goed presterende regio’s in staat stellen hun investeringen in O&I op te voeren, expertise te delen en mentorpartnerschappen of samenwerkingsverbanden aan te gaan met minder goed presterende regio’s, om zo aanvullende investeringen van de particuliere sector aan te trekken en een billijke toegang tot middelen en infrastructuur te waarborgen;

16.

onderstreept dat de EOR zich moet richten op onderzoek dat praktische en meetbare maatschappelijke, economische en milieu-effecten oplevert, en daarbij de meest urgente uitdagingen moet aangaan, zoals het concurrentievermogen van de hightech-sector, aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering, innovatie in de gezondheidszorg, het koolstofarm maken van de industrie en de digitale transitie; daarnaast moeten marktgestuurde duurzame oplossingen worden ondersteund die beantwoorden aan de diverse regionale behoeften en alle geledingen van de samenleving ten goede komen;

17.

schaart zich achter de oproep van het Europees Parlement (2) om de opzet en uitvoering van EU-missies, zoals de missie voor klimaatneutrale en slimme steden, aanzienlijk te verbeteren; beklemtoont dat de huidige aanpak onvoldoende gericht is op het stimuleren van baanbrekende en bottom-upideeën op het gebied van O&I (ook in dunbevolkte gebieden) en dat de EU-missies opnieuw moeten worden bekeken en moeten worden gericht op het stimuleren van creativiteit, experimenten en nieuw onderzoek waarmee urgente maatschappelijke uitdagingen rechtstreeks worden aangepakt; benadrukt dat de actieve betrokkenheid van lokale en regionale overheden essentieel is voor het welslagen van de EU-missies, aangezien zij ervoor zorgen dat plaatsgebonden oplossingen worden uitgevoerd en dat lokale belanghebbenden bij een en ander worden betrokken; vestigt de aandacht op de noodzaak om zich te richten op praktische, meetbare resultaten, aangezien deze initiatieven een systemische transformatie kunnen stimuleren en tegelijkertijd het mondiale concurrentievermogen van de EU kunnen versterken;

18.

sluit zich aan bij de oproep van het Europees Parlement voor nieuwe missiegerichte initiatieven in het kader van KP10 om de sociaal-economische, ecologische en strategische technologische uitdagingen van Europa rechtstreeks aan te pakken; benadrukt dat bij de uitvoering van deze missies moet worden uitgegaan van duidelijk omschreven doelstellingen en dat zij moeten worden ondersteund door diepgaande, thematische expertise — in plaats van te kiezen voor een generalistische aanpak — om ervoor te zorgen dat O&I-investeringen meetbare resultaten met een grote impact opleveren;

19.

merkt op dat de EOR beter moet worden afgestemd op de groene en de digitale transitie; dat houdt in dat steun moet worden verleend aan de ontwikkeling van schone technologieën, oplossingen voor hernieuwbare energie en modellen voor de circulaire economie, als onderdeel van de regionale O&I-strategieën in het kader van slimme specialisatie. De EOR moet regio’s aanmoedigen zich te richten op duurzame stedelijke ontwikkeling, inclusieve innovatie en klimaatbestendigheid;

20.

benadrukt dat de uitvoering van EU-missies een nieuwe invulling moet krijgen om hun impact, relevantie en maatschappelijke waarde te versterken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat lokale en regionale actoren actief bijdragen, aangezien hun inzet cruciaal is voor de ontwikkeling en uitvoering van plaatsgebonden oplossingen; benadrukt dat de missies verder moeten gaan dan het bevorderen van excellentie op onderzoeksgebied en innovatiegestuurde oplossingen moeten bieden die rechtstreeks bijdragen aan de strategische prioriteiten van de EU, en haar veerkracht, concurrentievermogen en duurzaamheid versterken; onderstreept dat het succes van de missies afhankelijk is van een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van alle EU-programma’s en -financieringsinstrumenten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat zowel de O&I- als de niet-O&I-dimensie de nodige steun krijgen; dringt aan op betere interinstitutionele coördinatie en duidelijkere governancestructuren, waarbij versnippering wordt voorkomen en wordt gezorgd voor synergie en complementariteit bij de uitvoering van missies;

21.

zou graag zien dat sociale en menswetenschappen een grotere rol gaan spelen in regionale innovatiestrategieën en EU-missies, met name bij het bevorderen van het maatschappelijk draagvlak, de maatschappelijke relevantie en inclusieve technologische transities;

22.

wijst erop dat de rol van regionale en lokale ecosystemen in Europese partnerschappen zou moeten worden versterkt om het effect en de inclusiviteit van Europese partnerschappen te maximaliseren. Daartoe is het van essentieel belang dat de regionale en lokale overheden actiever worden betrokken bij de governance- en besluitvormingsstructuren van partnerschappen, om zo te zorgen voor een grotere territoriale diversiteit en een betere afstemming op de prioriteiten en behoeften van het gebied;

23.

pleit ervoor om de ethische dimensie van onderzoek en innovatie in het kader van de EOR te versterken en deze in al haar beleid en programma’s te integreren. Ethiek zorgt er niet alleen voor dat wetenschap op verantwoorde, transparante en integere wijze wordt ontwikkeld, maar is ook van groot belang om het vertrouwen van de maatschappij in onderzoek te versterken en ervoor te zorgen dat de wetenschappelijke vooruitgang strookt met de fundamentele waarden van de Europese Unie. In een context van opkomende en gevoelige technologieën zoals artificiële intelligentie, biotechnologie of onderzoek met mogelijk tweeërlei gebruik is er absoluut behoefte aan robuuste kaders om beslissingen te sturen, ethische reflectie vanaf de eerste fasen van projecten te stimuleren en een gedeelde cultuur van integriteit te bevorderen;

24.

dringt aan op gendergelijkheid op het gebied van wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM) en innovatie; daartoe zijn gedegen plannen voor inclusie nodig, waarbij gebruik wordt gemaakt van het feit dat de lokale en regionale overheden dicht bij de burgers staan om de vertegenwoordiging van vrouwen in leidende posities te vergroten en gelijke kansen te bevorderen, zodat gendergelijkheid kan uitgroeien tot hoeksteen van de EOR; dringt erop aan de rol van lokale en regionale overheden bij het bevorderen van op innovatie gebaseerd vrouwelijk ondernemerschap te stimuleren en te ondersteunen, om vrouwelijke ondernemers zichtbaarheid te geven en rolmodellen te helpen creëren;

25.

pleit voor het opzetten van programma’s voor territoriaal leiderschap op het gebied van innovatie, gericht op publieke en private actoren in regio’s met ondermaatse prestaties op het gebied van O&O&I, teneinde de strategische, technische en beheerscapaciteiten te versterken die nodig zijn voor de toegang tot Europese onderzoeksprogramma’s;

Het cohesiebeleid benutten om het onevenwicht op het vlak van excellentie aan te pakken

26.

benadrukt dat het cohesiebeleid cruciaal is voor het verkleinen van de verschillen en het versterken van de O&I-capaciteit: het zorgt er namelijk voor dat alle regio’s en steden gelijke toegang hebben tot de middelen; benadrukt de rol van dit beleid bij het bevorderen van inclusiviteit, het versterken van lokale capaciteiten en het creëren van een evenwichtig en duurzaam innovatie-ecosysteem;

27.

pleit voor een genderresponsieve benadering van onderzoek en innovatie, waarbij alle onderzoekers gelijke kansen krijgen om projecten die aansluiten bij de EOR-prioriteitsgebieden te leiden en vorm te geven;

28.

is ermee ingenomen dat in het kader van nationale en regionale programma’s voor 2014-2020, die worden ondersteund door plaatsgebonden strategieën voor slimme specialisatie, een bedrag van 96 miljard euro (3) is vrijgemaakt voor investeringen in O&I; benadrukt dat de regio’s zelf verantwoordelijk moeten zijn voor de uitwerking van deze strategieën, rekening houdend met hun unieke sterke punten en specialisaties;

29.

pleit voor betere synergieën tussen Horizon Europa en het cohesiebeleid, waarbij meer middelen worden toegewezen aan ondermaats presterende regio’s, intra- en interregionale samenwerking wordt gestimuleerd, en er voldoende oog is voor inclusiviteit en plaatsgebonden benaderingen;

30.

beveelt aan gebruik te maken van programma’s als Interreg, het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en interregionale innovatie-investeringen (I3) om de technische bijstand, de capaciteitsopbouw, de beleidshervorming en de participatie van minder ontwikkelde regio’s te verbeteren door innovatie en kennisoverdracht te bevorderen en de deelname van de perifere en ultraperifere regio’s aan Europese samenwerkingsnetwerken te vergroten;

31.

benadrukt de noodzaak van een sterkere integratie van de strategieën op het gebied van onderzoek en innovatie door de doelstellingen van Horizon Europa op te nemen in regionale ontwikkelingsstrategieën en -plannen, met het oog op een efficiënter gebruik van de beschikbare middelen;

32.

beklemtoont in dit verband dat strategieën voor slimme specialisatie het beleidskader op regionaal niveau zijn gaan beheersen en een grotere rol zouden moeten spelen in de industriële transitie van Europa (4);

33.

beveelt aan dat de herziening van de strategieën voor slimme specialisatie (RIS3) voorziet in expliciete afstemming op de prioriteiten en missies van de EOR, en dat de Commissie mechanismen voor wederzijdse validatie tussen de twee beleidsgebieden invoert om de synergieën te maximaliseren;

34.

stelt voor het budget voor I3 te versterken en een percentage van de middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) te gebruiken voor de uitvoering van strategieën voor slimme specialisatie binnen interregionale investeringsprojecten, om zo de industriële waardeketens te versterken, belemmeringen voor ontwikkeling weg te nemen en interregionale partnerschappen voor door innovatie gestimuleerde groei te bevorderen;

35.

erkent dat de Europese Innovatieraad (EIC) de grootste investeerder is in technologische innovatie, en pleit ervoor dat de EIC en de Europese Onderzoeksraad (ERC) in het 10e kaderprogramma voldoende slagkracht krijgen, zodat de EU haar leiderschap op het gebied van O&I kan behouden;

36.

verzoekt de Europese Commissie, met betrekking tot het wegnemen van de in de vorige paragraaf genoemde ontwikkelingsbelemmeringen, om enerzijds het I3-instrument aan te passen om viervoudige-helix-innovatieactoren in minder ontwikkelde en ultraperifere regio’s in staat te stellen hun regionale innovatie-ecosystemen te versterken, en anderzijds de oprichting van testomgevingen voor regelgeving of andere soortgelijke instrumenten te stimuleren om de uitvoering van projecten te vergemakkelijken;

37.

benadrukt dat dringend iets moet worden gedaan aan de lacunes die de verwezenlijking van de cruciale EU-doelstelling om 3 % van het bbp te investeren in O&I nog steeds in de weg staan; benadrukt dat in dit verband extra aandacht moet uitgaan naar het stimuleren van investeringen door de publieke en private sector (5); onderstreept dat belastingkredieten weliswaar een rol kunnen spelen, maar dat de doeltreffendheid ervan zorgvuldig moet worden beoordeeld, aangezien de vrees bestaat dat zij niet altijd even doelgericht zijn en dat zij middelen zouden kunnen onttrekken aan directe overheidsinvesteringen in onderzoek;

38.

pleit voor een evenwichtigere aanpak waarbij prioriteit wordt gegeven aan versterking van het publieke onderzoek en bijdragen van de particuliere sector worden gestimuleerd door middel van doordachte financiële prikkels; pleit voor een mix van op maat gesneden prikkels, waaronder weloverwogen belastingmaatregelen, publiek-private partnerschappen en een vlottere toegang tot financieringsinstrumenten van de EU; vestigt de aandacht op het feit dat gerichte regionale programma’s kmo’s en startende bedrijven in sterk op O&O gerichte sectoren moeten ondersteunen en hun actieve deelname moeten waarborgen;

39.

erkent dat het noodzakelijk is de mechanismen voor het aantrekken van financiering uit internationale subsidieregelingen door de onderzoeksgemeenschap te verbeteren, teneinde de samenwerking op onderzoeksgebied en de samenwerking tussen onderzoekers te versterken;

40.

benadrukt dat het monitoringverslag en het scorebord voor de EOR waardevolle inzichten verschaffen in de vooruitgang op nationaal niveau, maar dat een specifieke regionale dimensie ontbreekt; verzoekt de Commissie regionale indicatoren op te nemen in het EOR-scorebord om te zorgen voor een meer genuanceerde beoordeling van de O&I-prestaties in de verschillende regio’s; bevestigt nogmaals dat systematisch gebruik moet worden gemaakt van instrumenten zoals het regionale innovatiescorebord om vast te stellen op welke gebieden moet worden ingegrepen; verzoekt de Commissie om, naast andere relevante criteria en kwalitatieve beoordelingen, het gebruik van dergelijke regionale indicatoren te overwegen als mogelijke basis voor de toewijzing van middelen en steunmaatregelen, zodat verschillen kunnen worden aangepakt met inachtneming van de territoriale kenmerken. Ook moet de empirische onderbouwing van de beleidsvorming worden versterkt om het concurrentievermogen van de EU te vergroten;

41.

onderstreept dat de gegevenstransparantie op regionaal niveau moet worden verbeterd en dringt erop aan dat de gegevens over deelname aan en impact van het KP10 op NUTS 2-niveau worden uitgesplitst en publiek toegankelijk zijn, ter ondersteuning van empirisch onderbouwde beleidsvorming en regionale vergelijkingen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om de regionale toegang tot instrumenten zoals Corda te vergemakkelijken en na te gaan hoe deze kunnen worden geïntegreerd in nationale en regionale monitoringsystemen, waarbij moet worden gezorgd voor passende sturing en waarborgen op het vlak van gegevensbescherming;

Versterking van de territoriale cohesie door segmentering bij de toegang tot excellentie tegen te gaan

42.

steunt de versterking van EOR-hubs, die fungeren als regionale ankerpunten en het tastbare resultaat zijn van territoriale innovatie-ecosystemen; wijst op hun potentieel om verschillen in O&I-prestaties tussen regio’s aan te pakken; zo ondersteunen de hubs minder ervaren instellingen bij aanvraagprocedures, zetten zij aan tot samenwerking en voorkomen zij buitensporige centralisatie of uitsluiting van ondermaats presterende gebieden. Het is van cruciaal belang dat universiteiten en onderzoeksinstellingen met een aanzienlijk potentieel steun krijgen om de mondiale concurrentie te kunnen aangaan. Daardoor zou het Europese concurrentievermogen op het gebied van O&O&I worden vergroot zonder dat wordt geraakt aan de regionale cohesie of dat regio’s met een ontwikkelingsachterstand worden vergeten;

43.

wijst erop dat de inzichten uit de proefprojecten van de EOR-hubs, met name de initiatieven COOPERATE en ERA_FABRIC, moeten worden meegenomen in de EOR-beleidsagenda; merkt op dat deze hubs moeten fungeren als platform om regio-overschrijdende samenwerking te bevorderen, het hokjesdenken van publieke en private actoren te doorbreken en het industriële concurrentievermogen van Europa te versterken;

44.

benadrukt dat in het kader van de EOR moet worden ingezet op grensoverschrijdende samenwerking, mobiliteit van geschoolde arbeidskrachten en toegang tot onderzoeksinfrastructuur, en dat tegelijk de bescherming en bevordering van de rechten van werknemers gewaarborgd moeten zijn;

45.

vestigt de aandacht op de COST-acties en de Marie Skłodowska-Curie-acties, die van cruciaal belang zijn voor het bevorderen van samenwerking, mobiliteit en capaciteitsopbouw in onderzoek, waarbij ervoor wordt gezorgd dat onderzoekers — met name uit ondermaats presterende regio’s — profiteren van sterkere netwerken en betere carrièremogelijkheden;

46.

zou graag zien dat de Commissie zich buigt over gerichte stimulansen en specifieke ondersteuningsmechanismen binnen de O&I-programma’s van de EU, zoals proefprogramma’s, demonstratiemodellen of COST-acties, om de deelname van regio’s waar de prestaties op het gebied van O&O&I onder het gemiddelde liggen te bevorderen, onder meer door middel van capaciteitsopbouw, mentorprogramma’s en vlottere toegang tot consortia;

47.

waarschuwt dat de EOR-hubs de valkuilen van eerdere initiatieven moeten vermijden; zo werden in het verleden goed presterende regio’s onevenredig bevoordeeld of bleven de hubs beperkt tot platforms voor de uitwisseling van kennis zonder dat er sprake was van duidelijke bottom-upstructuren; benadrukt de noodzaak van gerichte communicatie om nieuwe actoren aan te moedigen actief deel te nemen aan de EOR;

48.

wijst erop dat voor de ontwikkeling van de hubs directe financiële en strategische EU-steun nodig is; zou graag zien dat EOR-hubs een doeltreffende bijdrage leveren aan de wetenschappelijke en technologische vooruitgang van de EU en tegelijkertijd de territoriale cohesie en innovatiecapaciteit in alle regio’s versterken;

49.

dringt erop aan rekening te houden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden, zoals bepaald in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), door middel van specifieke Europese financieringsmechanismen voor de ontwikkeling van hun O&O&I-activiteiten;

Betere kennisdeling, intercollegiaal leren en multilevel governance

50.

wijst erop dat het CvdR een cruciale rol speelt bij de vaststelling van EOR-prioriteiten en uitvoeringsstrategieën, ook via zijn deelname aan het EOR-forum; wenst actief te worden geraadpleegd en betrokken bij discussies over de tenuitvoerlegging van de volgende EOR-beleidsagenda (2025-2027) en zou graag zien dat bij de vaststelling en prioritering van acties ten volle rekening wordt gehouden met de invalshoek en expertise van de lokale en regionale overheden;

51.

is ingenomen met het EOR-forum, dat fungeert als platform voor een gestructureerde dialoog tussen de Commissie, de lidstaten en belanghebbenden, zodat O&I-beleidsmaatregelen op elkaar kunnen worden afgestemd en de coördinatie tussen de verschillende diensten vlotter verloopt; dringt erop aan dat de lokale en regionale overheden integraal deel uitmaken van het EOR-forum zodat er daadwerkelijk sprake is van multilevel governance bij het vormgeven van de toekomst van de EOR;

52.

wijst erop dat het EOR-forum heeft aangetoond dat onderzoek en kennis van fundamenteel belang zijn, ongeacht hun oorsprong. De Europese samenwerking moet worden versterkt, zodat hier meer profijt van kan worden getrokken en onderzoeksresultaten en op kennis gebaseerde innovaties in heel Europa kunnen worden verspreid en tastbare voordelen voor burgers en ondernemingen opleveren; beklemtoont dat nauwer met verschillende directoraten-generaal van de Commissie moet worden samengewerkt in het kader van het platform voor kennisuitwisseling, zodat het gebruik van technologieën, innovaties en door onderzoek gegenereerde kennis actief wordt bevorderd in de regio’s;

53.

erkent dat uit de activiteiten van het EOR-forum in 2022-2024 is gebleken dat de samenwerking tussen Commissie, lidstaten en regio’s aanzienlijk moet worden versterkt om op het gebied van onderzoek, kennis en innovatie de resultaten te boeken die nodig zijn om koolstofneutraliteit te bereiken; benadrukt dat publieke en private financiering met elkaar in evenwicht moeten zijn om de ambitieuze doelstellingen van de EU te verwezenlijken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat regionale en lokale overheden actief bij een en ander worden betrokken en dat met name de minder ontwikkelde en de ultraperifere regio’s niet uit de boot vallen;

54.

roept de lidstaten op om hun nationale O&I-strategieën af te stemmen op de EOR-doelstellingen en daarbij te zorgen voor samenhang door middel van doeltreffende multilevel governance; pleit in dit verband voor voldoende financiële toezeggingen op nationaal en subnationaal niveau; benadrukt dat er regionale benchmarks voor O&O-investeringen moeten worden vastgesteld om evenwichtige vooruitgang in de hele EU te bevorderen en verdere versnippering te voorkomen;

55.

is verheugd over het feit dat de uitbreidingslanden in toenemende mate toegang krijgen tot Horizon Europa en dat hun financieringsaanvragen steeds vaker worden goedgekeurd; benadrukt dat verdere inspanningen moeten worden geleverd om alle kandidaat-deelnemers dezelfde kansen te bieden; is voorstander van het gebruik van mobiliteits- en samenwerkingsprogramma’s in het kader van Horizon Europa om onderzoekers uit deze landen te ondersteunen en ervoor te zorgen dat talent wordt gekoesterd en in de bredere EOR wordt geïntegreerd;

56.

dringt aan op nauwere integratie van de EOR met bestaande kaders op het gebied van onderwijs, met inbegrip van de Europese onderwijsruimte (EEA), de Europese ruimte voor hoger onderwijs (EHOR) en een leven lang leren, inclusief beroepsopleiding waar nodig, om synergieën tot stand te brengen die onderzoek, innovatie, ontwikkeling van vaardigheden en kennisoverdracht in de hele EU ondersteunen;

57.

herhaalt dat de benutting van kennis en technologie en de overdracht daarvan van de academische wereld naar de industrie, het bedrijfsleven en de samenleving moet worden gestimuleerd, en pleit voor maatregelen om hokjesdenken tegen te gaan — zowel geografisch als sectoraal — om zo samenwerking en innovatie te stimuleren. Het CvdR pleit voor het stimuleren van de steun van lokale en regionale overheden voor wetenschappelijk en technologisch ondernemerschap als efficiënt mechanisme voor technologieoverdracht naar de samenleving en voor het aantrekken en behouden van talent;

58.

is ingenomen met het streven van de Commissie naar gendergelijkheid in de EOR, met inbegrip van de nultolerantie-gedragscode ter bestrijding van gendergerelateerd geweld, waaronder seksuele intimidatie, in het Europese onderzoeks- en innovatiesysteem (6) en de gestructureerde monitoring via de subgroep gendergelijkheid van het EOR-forum;

59.

dringt erop aan dat gendergelijkheid wordt opgenomen als horizontale EOR-prioriteit, met duidelijke streefdoelen, parameters en genderbewuste procedures om de vooruitgang te volgen en inclusiviteit te waarborgen; dringt er bij de lidstaten en de lokale en regionale overheden op aan om te kiezen voor een op feiten gebaseerde, intersectionele aanpak om de belemmeringen voor vrouwen weg te nemen, met name op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) en innovatie; wijst erop dat de lokale en regionale overheden moeten kunnen beschikken over de nodige middelen en programma’s voor capaciteitsopbouw om doeltreffende plannen voor gendergelijkheid te ontwikkelen en uit te voeren; het feit dat zij dicht bij de gemeenschap staan kan daarbij worden aangewend om de inclusiviteit en impact te versterken;

60.

pleit voor betere arbeidsomstandigheden voor onderzoekers in alle lidstaten, wetende dat concurrerende lonen, gunstige arbeidsvoorwaarden en toegang tot geavanceerde infrastructuur essentieel zijn voor het aantrekken en vasthouden van talent. Het EOR-beleid en de EOR-mechanismen moeten beter worden gecoördineerd met Horizon Europa en het toekomstige kaderprogramma, waarbij initiatieven zoals het EOR-talentenplatform moeten worden geïntegreerd om wetenschappelijke loopbanen, de ontwikkeling van vaardigheden en de mobiliteit van onderzoekspersoneel te stimuleren;

61.

dringt aan op de erkenning en ondersteuning van beheerders van onderzoeksprojecten (Research Management Administrators - RMA’s), die essentieel zijn voor de succesvolle ontwikkeling van onderzoeks- en innovatieprojecten. Er moeten specifieke programma’s worden opgezet om hun vaardigheden en loopbanen te bevorderen, onder meer voor profielen als projectmanager, juridisch deskundige, functionaris voor technologieoverdracht/innovatie, en gegevensanalist. Hun integratie in projectstructuren — naast het onderzoekspersoneel — draagt bij tot efficiënter, doeltreffender en beter op de EOR-doelstellingen afgestemd onderzoek;

62.

zou graag zien dat werk wordt gemaakt van de “vijfde vrijheid” (7): dit houdt in dat administratieve procedures worden gestroomlijnd om vrij verkeer en grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken, zodat onderzoekers vlot en op duurzame wijze kunnen deelnemen aan transnationale projecten om de positie van de EU als wereldleider op het gebied van O&I te versterken;

63.

steunt de uitbreiding van initiatieven voor digitaal onderwijs, zoals het Europees competentiekader voor onderzoekers (ResearchComp), om zo de digitale geletterdheid en transversale vaardigheden in de onderzoeksgemeenschap te verbeteren; pleit voor de integratie van de beginselen van open wetenschap in de EOR om het delen van kennis te vergemakkelijken en Europa’s ecosysteem voor digitale innovatie te versterken;

Synergieën versterken met strategieën voor slimme specialisatie

64.

is ingenomen met de afstemming van de EOR-doelstellingen op de EIC en de strategieën voor slimme specialisatie (S3) en pleit voor de goedkeuring van S4; onderstreept in dat verband het belang van het benutten van de viervoudige-helixbenadering (8) om de groene en de digitale transitie te integreren in regionale O&I-kaders en vestigt de aandacht op strategieën voor slimme specialisatie als cruciale instrumenten voor regionale innovatie (9); daarnaast moeten lokale en regionale ecosystemen worden aangemoedigd om de klimaatproblemen aan te pakken, sociale innovatie te bevorderen en digitale bijscholing te stimuleren;

65.

beklemtoont dat het succes van de EOR afhangt van de versterking van de publiek-private samenwerking en de bevordering van dynamische regionale innovatie-ecosystemen; moedigt regionale innovatieclusters die de academische wereld, het bedrijfsleven en beleidsmakers samenbrengen aan om gezamenlijke O&I-inspanningen en kennisoverdracht te stimuleren;

Inzetten op meer toezicht, coördinatie en onderzoeksveiligheid

66.

dringt aan op een effectiever en transparanter monitoring- en evaluatiesysteem voor EOR-initiatieven, waarbij erop wordt toegezien dat in effectbeoordelingen zowel de territoriale als de milieu- en genderdimensie in aanmerking worden genomen, zodat zij als leidraad kunnen dienen voor een evenwichtige regionale ontwikkeling en een billijke toegang tot onderzoeksvoordelen;

67.

onderstreept dat de inspanningen moeten worden gestroomlijnd en dat de versnippering bij het beheer van O&I moet worden teruggedrongen, en pleit voor een aanzienlijke verhoging van de middelen voor het Europese onderzoeksprogramma om de coördinatie te verbeteren, samenwerking te bevorderen en een einde te maken aan inefficiëntie; wijst erop dat meer synergie tussen nationale, regionale, lokale en EU-initiatieven en investeringen in gedeelde onderzoeksinfrastructuur, in alle regio’s en met name in ondermaats presterende regio’s, van groot belang zijn om de innovatiekloof te dichten. Het EOR-monitoringmechanisme moet rekening houden met de regionale dimensie en gebruikmaken van instrumenten als het regionaal innovatiescorebord (RIS) om de vooruitgang te volgen, verschillen in kaart te brengen en excellentie te bevorderen; De meetmethode moet nog verder moet worden ontwikkeld, aangezien veel van de in het Europees innovatiescorebord (EIS) gebruikte indicatoren regionaal niet beschikbaar zijn, wat het lastig maakt om de situatie volledig te beoordelen en doeltreffende maatregelen te nemen;

68.

wijst op het belang van onderzoeksveiligheid en pleit voor gedegen risicobeoordelingen en de bescherming van kritieke onderzoeksinfrastructuur om de soevereiniteit en het concurrentievermogen van de EU op het gebied van O&I te behouden.

Brussel, 14 mei 2025.

De voorzitter

van het Europees Comité van de Regio’s

Kata TÜTTŐ


(1)   Much More than a Market: Speed, Security Solidarity. Empowering the Single Market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU citizens , door Enrico Letta, april 2024.

(2)  Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2025 over de beoordeling van de uitvoering van Horizon Europa met het oog op de tussentijdse evaluatie ervan en aanbevelingen voor het tiende kaderprogramma voor onderzoek (2024/2109(INI)).

(3)   Negende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie .

(4)   COR-2024-01799.

(5)  Draghi, M., The Future of European Competitiveness, Europese Commissie, 2024. Zie: https://commission.europa.eu/document/download/fcbc7ada-213b-4679-83f7-69a4c2127a25_en.

(6)   https://op.europa.eu/nl/publication-detail/-/publication/6ce8aef5-70b3-11ef-a8ba-01aa75ed71a1/language-nl.

(7)   Much More than a Market: Speed, Security Solidarity. Empowering the Single Market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU citizens , door Enrico Letta, april 2024.

(8)  De viervoudige-helixbenadering is een innovatiemodel dat de nadruk legt op samenwerking tussen vier belangrijke sectoren: de academische wereld, de industrie, de overheid en het maatschappelijk middenveld. Dit model is gericht op het bevorderen van co-creatie en het stimuleren van structurele veranderingen die de capaciteiten van de afzonderlijke sectoren te boven gaan.

(9)   COR-2023-03934.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3480/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)